Home

Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten

Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten

VERORDENING VAN DE RAAD

Brussel, 26.4.2023

COM(2023) 241 final

2023/0137(CNS)

Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten

TOELICHTING

  • Een onlineraadpleging om de meningen van belanghebbenden, het maatschappelijk middenveld en burgers te peilen. Een samenvattend verslag met de uitkomsten van deze raadpleging is in maart 2022 gepubliceerd 15 .

  • Met de lidstaten zijn uitvoerige thematische discussies gevoerd in de Raad (ECOFIN), de Eurogroep, het Economisch en Financieel Comité en het Comité voor de economische politiek.

  • Het Europees Parlement stelde op 15 maart 2023 zijn jaarlijkse verslagen over het Europees Semester vast, waarin ook uitgebreid aandacht werd geschonken aan de hervorming van het EU-kader voor economische governance en de toekomst van het Europees Semester.

  • De Raad (ECOFIN) heeft op 14 maart 2023 over de leidraad van de Commissie voor de hervorming van de economische governance conclusies aangenomen die door de Europese Raad van 23-24 maart 2023 werden bekrachtigd.

2023/0137 (CNS)

Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 14, tweede alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement 18 ,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. De coördinatie van het economische beleid van de lidstaten binnen de Unie, zoals bepaald in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), brengt de naleving van de volgende grondbeginselen met zich mee: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire condities, alsook een houdbare betalingsbalans.

  2. Het kader voor economische governance van de Unie, dat met betrekking tot het economische beleid van de lidstaten voorziet in een uitgebreid stelsel van beleidscoördinatie en toezicht, is voor de lidstaten leidend geweest bij het bereiken van hun doelstellingen op het gebied van hun economische en begrotingsbeleid. Sinds het Verdrag van Maastricht van 1992 heeft het kader bijgedragen aan de totstandkoming van macro-economische convergentie, waarborging van gezonde overheidsfinanciën en opheffing van macro-economische onevenwichtigheden. In combinatie met een gemeenschappelijk monetair beleid en een gemeenschappelijke munt in de eurozone zijn middels dit kader de omstandigheden gecreëerd voor economische stabiliteit, duurzame en inclusieve economische groei en meer werkgelegenheid voor burgers van de Unie.

  3. Het stabiliteits- en groeipact (SGP), dat aanvankelijk bestond uit Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad 19 , Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 20 en de Resolutie van de Europese Raad van 17 juni 1997 over het SGP 21 , is gebaseerd op de doelstelling van gezonde en houdbare overheidsfinanciën als middel voor versterking van de voorwaarden voor prijsstabiliteit en sterke duurzame en inclusieve groei op basis van financiële stabiliteit, waarmee wordt bijgedragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie voor duurzame groei en werkgelegenheid.

  4. In fase drie van de Economische en Monetaire Unie (EMU) zijn de lidstaten volgens artikel 126, lid 1, VWEU verplicht om buitensporige overheidstekorten te vermijden.

  5. Het kader voor economische governance van de Unie moet worden aangepast om beter rekening te houden met de toenemende verschillen tussen de lidstaten in begrotingssituaties, houdbaarheidsrisico’s en andere kwetsbaarheden. De krachtige beleidsreactie op de COVID-19-pandemie is effectief gebleken bij de beperking van de economische en sociale schade van de crisis, maar heeft geleid tot een aanzienlijke stijging van de schuldquotes van overheden en de private sector, waaruit duidelijk bleek hoe belangrijk het is om schuldquotes op een geleidelijke, houdbare en groeivriendelijke wijze tot prudente niveaus te verlagen en macro-economische onevenwichtigheden aan te pakken, en daarbij terdege rekening te houden met sociale en werkgelegenheidsdoelstellingen. Tegelijkertijd moet het kader voor economische governance van de Unie worden aangepast om een bijdrage te leveren aan de aanpak van de problemen van de Unie op middellange en lange termijn door het verwezenlijken van een eerlijke digitale en groene transitie, onder meer door de klimaatwet 22 , voor energiezekerheid, een open strategische autonomie, het aanpakken van demografische veranderingen, versterking van de sociale en economische veerkracht, en de uitvoering van het strategisch kompas voor veiligheid en defensie, die allemaal in de komende jaren hervormingen en aanhoudende grote investeringen vergen.

  6. In het kader voor economische governance van de Unie moeten houdbaarheid van de schuld en duurzame groei centraal staan, en moet daarom een onderscheid tussen lidstaten worden gemaakt door rekening te houden met hun schuldproblemen en landspecifieke begrotingstrajecten mogelijk te maken.

  7. Om een transparant en gemeenschappelijk uniekader op basis van de referentiewaarden van artikel 126, lid 2, VWEU en Protocol 12 betreffende de procedure bij buitensporige tekorten bij het VWEU en het Verdrag betreffende de Europese Unie te waarborgen, moet tegelijkertijd worden voorzien in multilateraal toezicht op basis van een betere handhaving, als noodzakelijke tegenhanger van een op risico’s gebaseerd toezichtskader dat landspecifieke begrotingstrajecten mogelijk maakt.

  8. Om het begrotingskader van de Unie te vereenvoudigen en de transparantie te vergroten, moet één enkele operationele indicator op basis van de houdbaarheid van de schuld als uitgangspunt dienen voor het vaststellen van het begrotingstraject en de uitvoering van jaarlijks begrotingstoezicht voor elke lidstaat. Die enige indicator moet worden gebaseerd op nationaal gefinancierde netto primaire uitgaven, dat wil zeggen uitgaven exclusief discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde en exclusief rente-uitgaven, evenals cyclische werkloosheidsuitgaven en uitgaven in het kader van programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit fondsen van Unie worden gefinancierd. Met deze indicator is macro-economische stabilisatie mogelijk omdat hij niet onderhevig is aan de werking van automatische stabilisatoren, waaronder schommelingen van ontvangsten en uitgaven die buiten de directe macht van de overheid vallen.

  9. De procedure bij buitensporige tekorten (PBT) voor in artikel 126, lid 2, VWEU en Protocol 12 bedoelde overschrijdingen van de referentiewaarde voor het tekort van 3 % van het bruto binnenlands product (bbp) (de “tekortgerelateerde PBT”) is een vast onderdeel van het kader voor begrotingstoezicht van de Unie waarmee het begrotingsbeleid in de lidstaten doeltreffend is beïnvloed.

  10. Om de PBT te versterken voor de in artikel 126, lid 2, VWEU en Protocol 12 bedoelde overschrijdingen van het schuldcriterium van 60 % van het bbp (de “schuldgerelateerde PBT”) moet de nadruk komen te liggen op afwijkingen van het door de Raad ingevolge Verordening (EU) [...] van het Europees Parlement en de Raad 23 vastgestelde begrotingstraject.

  11. Op grond van artikel 126, lid 2, VWEU wordt ook aan het schuldcriterium voldaan wanneer de overschrijding van de referentiewaarde van 3 % van het bbp slechts uitzonderlijk en tijdelijk van aard is en de quote dicht bij de referentiewaarde blijft. Een tijdelijke overschrijding die dicht bij de referentiewaarde blijft, moet dus niet leiden tot het instellen van een tekortgerelateerde PBT indien die afwijking het gevolg is van uitzonderlijke omstandigheden waarover de overheid geen controle heeft en die een aanzienlijke invloed op de overheidsfinanciën van de betrokken lidstaat hebben, waaronder een ernstige economische neergang in de betrokken lidstaat.

  12. Bovendien kunnen de Commissie en de Raad in geval van een ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel, en na toepassing van artikel 24 van Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] besluiten om niet te concluderen dat er een buitensporig tekort bestaat.

  13. Overeenkomstig de artikelen 24 en 25 van Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] kan de Raad op aanbeveling van de Commissie lidstaten toestaan om van het door de Raad krachtens die verordening vastgestelde netto-uitgaventraject af te wijken in geval van een ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel, of in geval van uitzonderlijke omstandigheden waarover de overheid geen controle heeft en die een aanzienlijke invloed op de overheidsfinanciën van de betrokken lidstaat hebben, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt. Bijgevolg moet een dergelijke afwijking niet leiden tot het instellen van een schuldgerelateerde PBT.

  14. Een belangrijke relevante factor waarmee de Commissie rekening moet houden bij de beoordeling van het bestaan van een buitensporig tekort overeenkomstig artikel 126, lid 3, VWEU is de omvang van de schuldproblemen van de betrokken lidstaat. Substantiële schuldproblemen, vastgesteld volgens de meest recente Debt Sustainability Monitor, moeten worden gezien als een belangrijke reden om in de regel een PBT in te stellen. Aangezien de Commissie overeenkomstig artikel 126, lid 3, VWEU alle andere relevante factoren in aanmerking moet nemen, voor zover zij in aanzienlijke mate van invloed zijn op de beoordeling van de naleving van het tekort- en schuldcriterium door de betrokken lidstaat, waaronder met name de ontwikkeling van de economische en budgettaire situatie op middellange termijn en de uitvoering van structurele hervormingen en investeringen. Om de nationale verantwoordelijkheid te vergroten, moeten de in artikel 8 van Richtlijn [...] van de Raad [inzake de nationale begrotingskaders] 24 bedoelde onafhankelijke begrotingsinstellingen een advies over de relevante factoren uitbrengen.

  15. Om de werkelijke en geplande jaarlijkse afwijkingen van het in bijlage IV bij Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] bedoelde netto-uitgaventraject te bewaken, moet de Commissie voor elke lidstaat voorzien in een controlerekening waarin deze afwijkingen in de loop der tijd worden bijgehouden. De gegevens in de controlerekening moeten de grondslag voor handhavingsmaatregelen vormen, met name voor een verslag als bedoeld in artikel 126, lid 3, VWEU naar aanleiding van een afwijking van het netto-uitgaventraject. Tegelijkertijd moet het ambitieniveau van het netto-uitgaventraject uit het in Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] bedoelde nationale structurele begrotingsplan voor de middellange termijn in aanmerking worden genomen wanneer een besluit wordt genomen over het instellen van een schuldgerelateerde PBT. Met name indien het door de Raad vastgestelde netto-uitgaventraject van de lidstaat ambitieuzer is dan het door de Commissie in overeenstemming met Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] voorgestelde technische traject voor de middellange termijn en de afwijking van het traject in verhouding tot het uitgaventraject niet aanzienlijk is, moet het instellen van een procedure bij buitensporige tekorten worden vermeden.

  16. Het correctieve netto-uitgaventraject ingevolge de PBT moet het algemene overheidstekort binnen de door de Raad vastgestelde termijn duurzaam onder de in artikel 126, lid 2, VWEU en Protocol 12 bedoelde referentiewaarde van 3 % brengen of houden. Het correctieve netto-uitgaventraject ingevolge de PBT moet ook voldoende vooruitgang waarborgen gedurende de termijn die wordt bestreken door de aanbeveling om de beoogde schuldquote in een plausibel neerwaarts traject te brengen of op een prudent niveau te houden. Bij de vaststelling van het correctieve netto-uitgaventraject ingevolge de PBT moet de Raad ook waarborgen dat de vereiste begrotingsaanpassingen zonder vertraging plaatsvinden. Het correctieve netto-uitgaventraject ingevolge de PBT is in beginsel het traject dat oorspronkelijk door de Raad is vastgesteld en waarbij rekening is gehouden met de noodzaak om de afwijking van dat traject te corrigeren. Indien het oorspronkelijke traject door objectieve omstandigheden niet langer haalbaar is, moet de Raad in het kader van de PBT een ander traject kunnen vaststellen.

  17. Voor lidstaten die het voorwerp van een PBT zijn, moet de Raad, op aanbeveling van de Commissie, de termijn voor correctie van het buitensporige tekort verder kunnen verlengen wanneer hij overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] het bestaan vaststelt van een ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel, of in geval van uitzonderlijke omstandigheden waarover de overheid geen controle heeft en die een aanzienlijke invloed op de overheidsfinanciën van een individuele lidstaat hebben, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt. Voor een dergelijke verlenging moet de totale omvang van de schok een normale hoogte te boven gaan en moet in de bandbreedtes bijvoorbeeld rekening worden gehouden met de kosten van natuurrampen.

  18. Een aantal specifieke bepalingen uit Verordening (EG) nr. 1467/97 met betrekking tot de bijdragen aan pensioenstelsels met een tweede pijler moeten worden geschrapt aangezien in het door de Raad vastgestelde netto-uitgaventraject al rekening moet worden gehouden met ontvangstenderving in verband met dergelijke bijdragen.

  19. Onafhankelijke begrotingsinstellingen hebben aangetoond dat zij in staat zijn om begrotingsdiscipline te bevorderen en de geloofwaardigheid van de overheidsfinanciën van lidstaten te versterken. Om de nationale verantwoordelijkheid te vergroten, moet de rol van onafhankelijke begrotingsinstellingen, die traditioneel bevoegd zijn om de naleving van het nationale kader te bewaken, worden uitgebreid tot het kader voor economische governance van de Unie.

  1. Er moeten duidelijke voorwaarden worden vastgesteld voor de stopzetting van procedures bij buitensporige tekorten. Om tot stopzetting te kunnen overgaan, moet het tekort geloofwaardig beneden de in artikel 126, lid 2, VWEU en Protocol 12 bedoelde referentiewaarde van 3 % van het bbp blijven en moet de lidstaat, in het geval van schuldgerelateerde PBT, de naleving aantonen van het netto-uitgaventraject van de PBT.

  2. De in artikel 126, lid 11, VWEU bedoelde boetes moeten niet aan een minimumbedrag gebonden zijn maar cumulatief worden opgelegd tot effectief gevolg wordt gegeven, om een daadwerkelijke stimulans te vormen voor de naleving van de aanmaningen die krachtens een PBT overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU, aan lidstaten zijn gedaan.

  3. Bepalingen met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk moeten worden geschrapt.

  4. Deze verordening maakt deel uit van een pakket, samen met Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] en Richtlijn (EU) [...] tot wijziging van Richtlijn 2011/85/EU tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten. Tezamen vormen zij een herzien kader voor economische governance van de Unie waarmee de kern van titel III “Begrotingspact” van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (VSCB) 25 overeenkomstig artikel 16 van dat verdrag in het recht van de Unie wordt geïntegreerd. Door voort te bouwen op de ervaringen met de uitvoering van het VSCB door de lidstaten behoudt het pakket de gerichtheid op de middellange termijn van het begrotingspact als instrument om begrotingsdiscipline te bereiken en groei te bevorderen. Het pakket heeft een sterkere landspecifieke dimensie om de nationale verantwoordelijkheid te vergroten, onder meer door een grotere rol voor onafhankelijke begrotingsinstellingen, op basis van de door de Commissie 26 voorgestelde gemeenschappelijke beginselen en in overeenstemming met artikel 3, lid 2, VSCB. De analyse van uitgaven exclusief discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde voor de in het begrotingspact vereiste algemene beoordeling van de naleving is omschreven in Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel]. Net als in het begrotingspact zijn in Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] tijdelijke afwijkingen van het plan voor de middellange termijn uitsluitend in uitzonderlijke omstandigheden toegestaan. In geval van aanzienlijke afwijkingen van het plan voor de middellange termijn moeten evenzo maatregelen worden genomen om de afwijkingen binnen een vastgestelde termijn te corrigeren. Met dit pakket worden procedures voor begrotingstoezicht en handhaving versterkt om gezonde en houdbare overheidsfinanciën en duurzame groei te kunnen bevorderen. Bij de hervorming van het kader voor economische governance blijven de fundamentele doelstellingen van begrotingsdiscipline en houdbaarheid van de schuld uit het VSCB dus overeind.

  5. Er zijn overgangsbepalingen nodig voor lidstaten die reeds het voorwerp van een PBT zijn op het moment waarop het hervormde kader in werking treedt. Aanbevelingen krachtens artikel 126, lid 7, VWEU en aanmaningen krachtens artikel 126, lid 9, VWEU, die reeds voor de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening zijn vastgesteld, moeten worden herzien en in overeenstemming gebracht met de bepalingen van het gewijzigde artikel 3, lid 4, en het gewijzigde artikel 5, lid 1. Zo kan de Raad een correctief netto-uitgaventraject vaststellen dat verenigbaar is met de nieuwe bepalingen voor lidstaten die maatregelen hebben genomen, zonder te moeten overgaan tot het instellen van de procedure bij buitensporige tekorten.

  6. Verordening (EG) nr. 1467/97 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1467/97 wordt als volgt gewijzigd:

  1. De artikelen 1 en 2 worden vervangen door:

“Artikel 1

1.  Deze verordening stelt de bepalingen vast voor het bespoedigen en verduidelijken van de uitvoering van de procedure bij buitensporige tekorten. Het doel van de procedure bij buitensporige tekorten is buitensporige overheidstekorten te ontmoedigen en, indien dergelijke tekorten optreden, deze spoedig te doen corrigeren, waarbij de inachtneming van de begrotingsdiscipline wordt beoordeeld op basis van de criteria voor het overheidstekort en de overheidsschuld.

2.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:  

  1. “deelnemende lidstaten”: de lidstaten die de euro als munt hebben;

  2. “netto-uitgaven”: de overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde en andere budgettaire variabelen die buiten de macht van de overheid vallen, zoals gedefinieerd in bijlage II, punt a), bij Verordening (EU) van het Europees Parlement en de Raad [betreffende het preventieve deel]*;

  3. “technisch traject”: het door de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] voorgestelde netto-uitgaventraject;

  4. “netto-uitgaventraject”: het meerjarige traject voor netto-uitgaven van een lidstaat, zoals door de Raad vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel];

  5. “controlerekening”: een registratie van de cumulatieve afwijkingen in een lidstaat van de werkelijke netto-uitgaven ten opzichte van het netto-uitgaventraject.

Artikel 2

1.  Wanneer een overheidstekort de referentiewaarde overschrijdt, wordt die overschrijding overeenkomstig artikel 126, lid 2, punt a), tweede streepje, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) als uitzonderlijk beschouwd indien de Raad overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] het bestaan heeft vastgesteld van een ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel, of van uitzonderlijke omstandigheden waarover de overheid geen controle heeft en die een aanzienlijke invloed hebben op de overheidsfinanciën van de betrokken lidstaat, overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel].

Voorts wordt de overschrijding van de referentiewaarde als tijdelijk beschouwd indien uit de begrotingsprognoses van de Commissie blijkt dat het tekort na afloop van de in de eerste alinea bedoelde ernstige economische neergang of uitzonderlijke omstandigheden onder de referentiewaarde zal dalen.

1 bis. Indien de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product (bbp) de referentiewaarde overschrijdt, wordt die verhouding overeenkomstig artikel 126, lid 2, punt b), VWEU geacht in voldoende mate af te nemen en de referentiewaarde in een bevredigend tempo te benaderen indien de betrokken lidstaat zich aan zijn netto-uitgaventraject houdt.

2.  Wanneer zij overeenkomstig artikel 126, lid 3 tot en met 6, VWEU een evaluatie maken en besluiten of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat, kunnen de Commissie en de Raad een overschrijding van de referentiewaarde die het gevolg is van een ernstige economische neergang als een overschrijding van uitzonderlijke aard in de zin van artikel 126, lid 2, punt a), tweede streepje, VWEU beschouwen indien de Raad overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] vaststelt dat er uitzonderlijke omstandigheden bestaan.

3.  Bij de opstelling van een verslag uit hoofde van artikel 126, lid 3, VWEU houdt de Commissie in het bijzonder rekening met de omvang van de schuldproblemen van de betrokken lidstaat. Met name wanneer de lidstaat volgens de meest recente Debt Sustainability Monitor substantiële schuldproblemen heeft, wordt dit gezien als een belangrijke reden om in de regel een PBT in te stellen.

De Commissie neemt tevens alle overige in artikel 126, lid 3, VWEU genoemde relevante factoren in aanmerking, voor zover zij in aanzienlijke mate van invloed zijn op de beoordeling van de naleving van de tekort- en schuldencriteria door de betrokken lidstaat.

Het verslag weerspiegelt in voorkomend geval:

  1. de middellangetermijnontwikkelingen in de economische situatie, waaronder met name de inflatieontwikkelingen en de conjuncturele ontwikkelingen, vergeleken met de aannames die ten grondslag liggen aan het netto-uitgaventraject;

  2. de middellangetermijnontwikkelingen in de begrotingssituatie, waaronder met name de omvang van de werkelijke jaarlijkse en cumulatieve afwijking van het netto-uitgaventraject, zoals vastgesteld op basis van de controlerekening, en de mate waarin de afwijking wordt veroorzaakt door een ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel of door uitzonderlijke omstandigheden waarover de overheid geen controle heeft en die een aanzienlijke invloed op de overheidsfinanciën van de betrokken lidstaat hebben, overeenkomstig de artikelen 24 en 25 van Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel]. Indien relevant moet bij de beoordeling van de omvang van de afwijking ook de verhouding tussen de afwijking en het technische traject in aanmerking worden genomen;

  3. de ontwikkeling van de schuldenpositie van de overheid en de financiering ervan, en de bijbehorende risicofactoren, waaronder met name de looptijdstructuur, de valutasamenstelling van de schuld en voorwaardelijke verplichtingen;

  4. de uitvoering van hervormingen en investeringen, waaronder met name begrepen beleid ter voorkoming en correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden en beleid voor de uitvoering van de gemeenschappelijke strategie voor groei en werkgelegenheid van de Unie, waaronder beleid dat door NextGenerationEU wordt ondersteund, en de algehele kwaliteit van de overheidsfinanciën, waaronder met name de doeltreffendheid van nationale begrotingskaders.

De Commissie houdt terdege en uitdrukkelijk rekening met alle andere factoren die naar het oordeel van de betrokken lidstaat relevant zijn om de nakoming van de tekort- en schuldcriteria volledig te kunnen beoordelen, en die de lidstaat aan de Raad en de Commissie kenbaar heeft gemaakt. In dat verband wordt bijzondere aandacht geschonken aan financiële bijdragen voor bevordering van internationale solidariteit en verwezenlijking van de beleidsdoelen van de Unie. In het door de betrokken lidstaat bij de Commissie ingediende advies is het advies van de nationale onafhankelijke begrotingsinstelling van die lidstaat over relevante factoren opgenomen.

4.  De Raad en de Commissie verrichten een evenwichtige algemene beoordeling van alle relevante factoren, en met name van de mate waarin die factoren, als verzwarende of verzachtende omstandigheden, van invloed zijn op de vraag of wordt voldaan aan het tekort- en/of schuldcriterium. 

Indien de verhouding tussen de overheidsschuld en het bbp de referentiewaarde overschrijdt, wordt bij de nalevingsbeoordeling op basis van het tekortcriterium in de in artikel 126, leden 4, 5, en 6, VWEU bedoelde stappen die voorafgaan aan het besluit over het bestaan van een buitensporig tekort enkel met deze factoren rekening gehouden indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde van het overkoepelende beginsel, namelijk dat het overheidstekort dicht bij de referentiewaarde blijft en de overschrijding van de referentiewaarde slechts van tijdelijke aard is.

Met deze factoren wordt bij de nalevingsbeoordeling op basis van het tekortcriterium echter rekening gehouden in de stappen die voorafgaan aan het besluit over het bestaan van een buitensporig tekort.

5. Indien lidstaten overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] van hun netto-uitgaventraject mogen afwijken in geval van een ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel, kunnen de Commissie en de Raad bij hun beoordeling besluiten om niet te concluderen dat er een buitensporig tekort bestaat.

6.  Indien de Raad, krachtens artikel 126, lid 6, VWEU besluit dat in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat, houden de Raad en de Commissie in de daaropvolgende fasen van de procedure van dat artikel van het VWEU rekening met de in lid 3 van dit artikel bedoelde relevante factoren aangezien deze van invloed zijn op de situatie van de betrokken lidstaat, inclusief die welke vermeld zijn in artikel 5, lid 2, van deze verordening, met name bij de vaststelling van een termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort en de eventuele verlenging van die termijn. Die relevante factoren worden evenwel niet in aanmerking genomen voor het door de Raad krachtens artikel 126, lid 12, VWEU te nemen besluit tot intrekking van sommige of alle van de in artikel 126, leden 6 tot en met 9, en lid 11, VWEU bedoelde besluiten.”;

--------------------------

*Verordening (EU) […] van [datum invoegen] [volledige titel invoegen] (PB L …).

  1. Artikel 3 wordt vervangen door:

“Artikel 3

1.  Binnen twee weken nadat de Commissie een overeenkomstig artikel 126, lid 3, VWEU opgesteld verslag heeft aangenomen, brengt het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 126, lid 4, VWEU advies uit. Het advies van het Economisch en Financieel Comité wordt openbaar gemaakt.

2.  Indien de Commissie van mening is dat er een buitensporig tekort bestaat, richt zij, volledig rekening houdend met het in lid 1 van dit artikel bedoelde advies, een advies en een voorstel tot de Raad overeenkomstig artikel 126, leden 5 en 6, VWEU en brengt zij het Europees Parlement hiervan op de hoogte.

3.  Gewoonlijk besluit de Raad binnen vier maanden na de in artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 479/2009 vastgestelde kennisgevingsdata krachtens artikel 126, lid 6, VWEU of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. Indien de Raad besluit dat er een buitensporig tekort bestaat, richt hij terzelfder tijd uit hoofde van artikel 126, lid 7, VWEU aanbevelingen tot de betrokken lidstaat. De Raad maakt zijn besluiten en aanbevelingen openbaar.

4.  In de aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU wordt een termijn van ten hoogste zes maanden bepaald waarbinnen de betrokken lidstaat effectief gevolg aan die aanbeveling moet geven. Indien de ernst van de situatie dit rechtvaardigt, kan de termijn voor effectief gevolg geven worden verkort tot drie maanden. In de aanbeveling van de Raad wordt ook een termijn vastgesteld voor de correctie van het buitensporige tekort. In zijn aanbeveling verzoekt de Raad de lidstaat tevens een correctief netto-uitgaventraject uit te voeren om te waarborgen dat het algemene overheidstekort binnen de in de aanbeveling bepaalde termijn onder de referentiewaarde blijft of wordt gebracht en gehandhaafd. Voor de jaren waarin het algemene overheidstekort de referentiewaarde naar verwachting zal overschrijden, geldt als benchmark voor het correctieve netto-uitgaventraject een jaarlijkse minimumaanpassing van ten minste 0,5 % van het bbp.

Tevens moet de schuldquote middels het correctieve netto-uitgaventraject in een plausibele neerwaartse richting worden omgebogen of op een prudent niveau worden gehandhaafd, gelet op de criteria die zijn vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel]. Met het correctieve netto-uitgaventraject moet worden gewaarborgd dat de gemiddelde jaarlijkse op aanpassing gerichte begrotingsinspanning in de eerste drie jaar ten minste even groot is als de gemiddelde jaarlijkse begrotingsinspanning van de volledige aanpassingsperiode.

5. De betrokken lidstaat brengt binnen de in lid 4 van dit artikel bedoelde termijn aan de Raad en de Commissie verslag uit over het gevolg dat is gegeven aan de aanbeveling van de Raad uit hoofde van artikel 126, lid 7, VWEU. Het verslag bevat de doelstellingen voor de overheidsuitgaven en -ontvangsten en voor de discretionaire maatregelen aan zowel de uitgavenzijde als de ontvangstenzijde die verenigbaar zijn met de aanbeveling van de Raad, alsook informatie over de genomen maatregelen en over de aard van de voorgenomen maatregelen om de doelstellingen te bereiken. Het verslag bevat tevens het advies van de onafhankelijke begrotingsinstelling van de betrokken lidstaat over de toereikendheid van de genomen en beoogde maatregelen met betrekking tot de doelen. De lidstaat maakt het verslag openbaar.

6. Indien effectief gevolg is gegeven overeenkomstig een aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, VWEU of indien zich nadat die aanbeveling is vastgesteld uitzonderlijke omstandigheden voordoen die buiten de macht van de overheid vallen en een aanzienlijke invloed op de overheidsfinanciën van de betrokken lidstaat hebben, waaronder ook op de nakoming van het ingevolge lid 4 van dit artikel door de Raad aanbevolen correctieve netto-uitgaventraject, kan de Raad op aanbeveling van de Commissie besluiten een herziene aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, VWEU vast te stellen. Rekening houdend met de in artikel 2, lid 3, van deze verordening bedoelde relevante factoren kan in de herziene aanbeveling met name de termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort worden verlengd, in de regel met één jaar. Indien de Raad overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] het bestaan van een ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel heeft vastgesteld, kan de Raad eveneens op aanbeveling van de Commissie besluiten om een herziene aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, VWEU vast te stellen, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt. In de herziene aanbeveling kan met name de termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort worden verlengd, doorgaans met een jaar.”;

  1. Artikel 4 wordt vervangen door:

“Artikel 4

Wanneer de Raad onderzoekt of aan zijn aanbevelingen krachtens artikel 126, lid 7, VWEU effectief gevolg is gegeven, baseert hij zijn besluit op het verslag dat de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 3, lid 5, van deze verordening heeft ingediend en op de uitvoering daarvan, alsook op eventuele andere publiekelijk aangekondigde en voldoende uitvoerige besluiten van de regering van de betrokken lidstaat.

Indien de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8, VWEU vaststelt dat de betrokken lidstaat geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen heeft gegeven, brengt hij daaromtrent verslag uit aan de Europese Raad.”;

  1. Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

  1. Lid 1 wordt vervangen door:

“1. Een besluit van de Raad krachtens artikel 126, lid 9, VWEU om de betrokken deelnemende lidstaat aan te manen maatregelen te treffen om het tekort te verminderen, wordt genomen binnen twee maanden nadat de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8, VWEU heeft vastgesteld dat geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen is gegeven. In de aanmaning verzoekt de Raad de lidstaat een correctief netto-uitgaventraject uit te voeren om te waarborgen dat het algemene overheidstekort binnen de in de aanmaning bepaalde termijn onder de referentiewaarde blijft of wordt gebracht en gehandhaafd. Voor de jaren waarin het algemene overheidstekort de referentiewaarde naar verwachting zal overschrijden, geldt als benchmark voor het correctieve netto-uitgaventraject een jaarlijkse minimumaanpassing van ten minste 0,5 % van het bbp.

Tevens moet de schuldquote middels het correctieve netto-uitgaventraject in een plausibele neerwaartse richting worden omgebogen of op een prudent niveau worden gehandhaafd, gelet op de criteria die zijn vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel]. Met het correctieve netto-uitgaventraject moet worden gewaarborgd dat de gemiddelde jaarlijkse op aanpassing gerichte begrotingsinspanning in de eerste drie jaar ten minste even groot is als de gemiddelde jaarlijkse begrotingsinspanning van de volledige aanpassingsperiode. De Raad geeft ook maatregelen aan die bevorderlijk zijn voor het bereiken van het correctieve netto-uitgaventraject.”;

  1. Lid 2 wordt vervangen door:

“2.  Indien effectief gevolg is gegeven in overeenstemming met een aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU of indien zich nadat die aanmaning is vastgesteld uitzonderlijke omstandigheden voordoen die buiten de macht van de overheid vallen en een aanzienlijke invloed op de overheidsfinanciën van de betrokken lidstaat hebben, waaronder ook op de nakoming van het in lid 1 van dit artikel bedoelde correctieve netto-uitgaventraject, kan de Raad op aanbeveling van de Commissie besluiten een herziene aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU vast te stellen. Rekening houdend met de in artikel 2, lid 3, van deze verordening bedoelde relevante factoren kan in de herziene aanmaning met name de termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort worden verlengd, in de regel met één jaar. Indien de Raad overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] het bestaan van een ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel heeft vastgesteld, kan de Raad eveneens op aanbeveling van de Commissie besluiten om krachtens artikel 126, lid 9, VWEU een herziene aanmaning vast te stellen, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt. In de herziene aanmaning kan met name de termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort worden verlengd, doorgaans met een jaar.”;

  1. In artikel 6 wordt lid 1 vervangen door:

“1. Wanneer de Raad onderzoekt of aan zijn aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU effectief gevolg is gegeven, baseert hij zijn besluit op het verslag dat de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 5, lid 1 bis, van deze verordening heeft ingediend en op de uitvoering ervan, alsook op eventuele andere publiekelijk aangekondigde en voldoende uitvoerige besluiten van de regering van de betrokken lidstaat. Er wordt rekening gehouden met het resultaat van de overeenkomstig artikel 10 bis van deze verordening door de Commissie uitgevoerde toezichtsmissie.”;

  1. Artikel 8 wordt vervangen door:

“Artikel 8

1. Een besluit van de Raad krachtens artikel 126, lid 11, VWEU, om sancties te versterken, wordt uiterlijk twee maanden na de in Verordening (EG) nr. 479/2009 vastgestelde kennisgevingsdata genomen.

2. Een besluit van de Raad uit hoofde van artikel 126, lid 12, VWEU om al zijn besluiten of sommige daarvan in te trekken, wordt zo spoedig mogelijk genomen en in ieder geval uiterlijk twee maanden na de in Verordening (EG) nr. 479/2009 vastgestelde kennisgevingsdata.

3. Een besluit van de Raad wordt uitsluitend overeenkomstig artikel 126, lid 12, VWEU genomen indien uit de begrotingsprognoses van de Commissie blijkt dat het tekort duurzaam onder de referentiewaarde is gebracht en, indien de procedure bij buitensporige tekorten op grond van het schuldcriterium was ingesteld, de betrokken lidstaat het door de Raad overeenkomstig artikel 3, lid 4, of artikel 5, lid 1, van deze verordening vastgestelde correctieve netto-uitgaventraject in de vorige twee jaar is nagekomen en dat blijkens de prognose van de Commissie in het lopende jaar naar verwachting zal blijven doen.”;

  1. In artikel 9 wordt lid 1 vervangen door:

“1.  De procedure bij buitensporige tekorten wordt opgeschort:

  1. indien de betrokken lidstaat handelt overeenkomstig aanbevelingen die zijn gedaan krachtens artikel 126, lid 7, VWEU;

  2. indien de betrokken deelnemende lidstaat handelt overeenkomstig de aanmaningen die zijn gegeven krachtens artikel 126, lid 9, VWEU.”;

  1. Artikel 10 wordt vervangen door:

“Artikel 10

1.  De Raad en de Commissie volgen regelmatig de uitvoering van de maatregelen:

- die de betrokken lidstaat naar aanleiding van de aanbevelingen krachtens artikel 126, lid 7, VWEU neemt;

- die de betrokken deelnemende lidstaat naar aanleiding van de aanmaningen krachtens artikel 126, lid 9, VWEU neemt.

2.  Indien maatregelen niet door een deelnemende lidstaat ten uitvoer worden gelegd of naar het oordeel van de Raad ontoereikend zijn, neemt de Raad onmiddellijk een besluit krachtens artikel 126, lid 9, VWEU respectievelijk artikel 126, lid 11, VWEU.

3.  Indien uit feitelijke gegevens uit hoofde van Verordening (EG) nr. 479/2009 blijkt dat een deelnemende lidstaat een buitensporig tekort niet heeft gecorrigeerd binnen de termijnen die in aanbevelingen krachtens artikel 126, lid 7, VWEU of aanmaningen krachtens artikel 126, lid 9, VWEU, gesteld zijn, neemt de Raad onmiddellijk een besluit krachtens artikel 126, lid 9, VWEU respectievelijk artikel 126, lid 11, VWEU.”;

  1. Artikel 10 bis wordt als volgt gewijzigd:

  1. Lid 1 wordt vervangen door:

“1. De Commissie draagt overeenkomstig de doelstellingen van deze verordening zorg voor een permanente dialoog met de autoriteiten van de lidstaten. Daartoe voert de Commissie in het bijzonder missies uit om de feitelijke economische situatie in de lidstaat te beoordelen en om eventuele risico’s of moeilijkheden bij de naleving van de doelstellingen van deze verordening te inventariseren, en maakt zij contacten met andere relevante belanghebbenden mogelijk, waaronder de nationale onafhankelijke begrotingsinstellingen.”;

 

  1. Lid 2 wordt vervangen door:

“2.  Nadat de Raad krachtens artikel 126, lid 9, VWEU een aanmaning heeft vastgesteld, voert de Commissie een speciale toezichtsmissie naar de betrokken lidstaat uit om de maatregelen te bespreken die de lidstaat voornemens is te nemen naar aanleiding van de aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU. Op uitnodiging van het parlement van de betrokken lidstaat kan de Commissie haar beoordeling van de economische en begrotingssituatie in de lidstaat presenteren. Het toezicht kan met het oog op toezicht ter plaatse worden versterkt voor lidstaten die het voorwerp vormen van aanbevelingen en aanmaningen naar aanleiding van een besluit krachtens artikel 126, lid 8, VWEU en besluiten krachtens artikel 126, lid 11, VWEU. De betrokken lidstaten verstrekken alle informatie die nodig is voor de voorbereiding en de uitvoering van de toezichtsmissie.”;

  1. Artikel 12 wordt vervangen door:

“Artikel 12

1.  De boete bedraagt ten hoogste 0,05 % van het bbp voor de duur van zes maanden en moet halfjaarlijks worden voldaan tot de Raad vaststelt dat de betrokken lidstaat effectief gevolg heeft gegeven aan de krachtens artikel 126, lid 9, VWEU gegeven aanmaning.

2.  Tot het besluit omtrent het bestaan van een buitensporig tekort wordt ingetrokken, beoordeelt de Raad in elke periode van zes maanden die volgt op de periode waarin een boete is opgelegd of de betrokken deelnemende lidstaat effectief gevolg heeft gegeven aan de aanmaning van de Raad krachtens artikel 126, lid 9, VWEU. In deze halfjaarlijkse beoordeling besluit de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 11, VWEU om de maatregelen te versterken, tenzij de betrokken deelnemende lid staat gevolg heeft gegeven aan de aanmaning van de Raad.

3. Het cumulatieve bedrag van de in de leden 1 en 2 bedoelde boetes is niet hoger dan 0,5 % van het bbp.”;

  1. De artikelen 14 en 15 worden vervangen door:

“Artikel 14

1.  Afhankelijk van de mate waarin de betrokken deelnemende lidstaat erin is geslaagd het buitensporige tekort te corrigeren, trekt de Raad de in artikel 126, lid 11, eerste en tweede streepje, VWEU, bedoelde sancties overeenkomstig artikel 126, lid 12, VWEU in.

Artikel 15

Overeenkomstig artikel 126, lid 12, VWEU trekt de Raad alle nog openstaande sancties in indien het besluit over het bestaan van een buitensporig tekort wordt ingetrokken. Boetes die krachtens artikel 12 van deze verordening zijn opgelegd, worden niet aan de betrokken deelnemende lidstaat terugbetaald.”;

  1. De artikelen 16 en 17 worden geschrapt.

  1. In artikel 17 bis wordt lid 1 vervangen door:

“1. Uiterlijk op 31 december 2030, en daarna elke vijf jaar, publiceert de Commissie een verslag over de toepassing van deze verordening.

In dat verslag worden ten minste geëvalueerd:

a) de doeltreffendheid van deze verordening;

b) de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economische beleid en de aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU.

2.  Het in lid 1 bedoelde verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening.

3. Het verslag wordt toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.”;

  1. Het volgende artikel 17 ter wordt ingevoegd:

“Artikel 17 ter

Op aanbeveling van de Commissie stelt de Raad een herziene aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, VWEU of een herziene aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU vast voor lidstaten waaraan op [datum inwerkingtreding van de wijzigingsverordening] reeds een aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, VWEU, of een aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU was gericht en die daaraan effectief gevolg hebben gegeven.

De Raad stelt de herziene aanbeveling of aanmaning tezamen vast met de vaststelling van de aanbeveling uit hoofde van artikel 16 van Verordening (EU) [betreffende het preventieve deel] waarin het netto-uitgaventraject wordt vastgesteld.”;

  1. De bijlage wordt geschrapt.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de [...] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,