Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het kader van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan, en tot intrekking van Besluit (EU) 2019/858
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het kader van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan, en tot intrekking van Besluit (EU) 2019/858
BESLUIT VAN DE RAAD
Brussel, 11.7.2023 |
COM(2023) 418 final |
2023/0244(NLE) |
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het kader van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan, en tot intrekking van Besluit (EU) 2019/858 |
TOELICHTING
Dit voorstel betreft een besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie in de Vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (“Siofa” of “de overeenkomst”) voor de periode 2024-2028 moet worden ingenomen in verband met de beoogde vaststelling van instandhoudings- en beheersmaatregelen.
De Siofa heeft met de oprichting van de Vergadering van de partijen tot doel de instandhouding op lange termijn van de visbestanden in het onder de overeenkomst vallende gebied te garanderen en de duurzame ontwikkeling van die visserijen te bevorderen. De overeenkomst is op 21 juni 2012 in werking getreden.
De EU is partij bij de Siofa, die zij bij Besluit 2008/780/EG van de Raad 1 heeft geratificeerd.
De Vergadering van de partijen bij de Siofa is het lichaam dat is opgericht krachtens de Siofa en dat verantwoordelijk is voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het overeenkomstgebied. Zij stelt instandhoudings- en beheersmaatregelen vast met het oog op een optimale exploitatie van de onder haar verantwoordelijkheid vallende visbestanden.
Als lid van de Vergadering van de partijen is de EU gerechtigd te participeren in de besluitvorming en over de besluiten te stemmen. De Vergadering van de partijen neemt haar besluiten bij consensus.
De Vergadering van de partijen heeft de bevoegdheid om instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de onder haar verantwoordelijkheid vallende visserijen vast te stellen, die bindend zijn voor de overeenkomstsluitende partijen.
Overeenkomstig artikel 8, lid 3, van de SIOF-overeenkomst en voorschrift 12, punt 4, van het reglement van orde van de Siofa treden de maatregelen in werking negentig dagen na de datum waarop de overeenkomstsluitende partijen daar in het kader van de Siofa van in kennis zijn gesteld.
Het standpunt dat namens de EU moet worden ingenomen in de jaarvergaderingen van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s), wordt momenteel bepaald volgens een tweeledige aanpak. In een besluit van de Raad worden de leidende beginselen voor het standpunt van de EU voor meerdere jaren vastgelegd, waarna het standpunt vóór elke jaarlijkse vergadering wordt aangepast via non-papers van de diensten van de Commissie, die door de Raad moeten worden bekrachtigd.
Voor de Siofa is deze aanpak ten uitvoer gelegd bij Besluit (EU) 2019/858 van de Raad van 14 mei 2019, waarin het standpunt van de EU in het kader van de Siofa voor de periode 2019-2023 is vastgesteld. Het besluit bevat algemene beginselen, maar houdt ook zo veel mogelijk rekening met de specifieke kenmerken van de Siofa. Voorts is op verzoek van de lidstaten de standaardprocedure voor de jaarlijkse bepaling van het standpunt van de EU in het besluit opgenomen.
In Besluit (EU) 2019/858 van de Raad zijn de beginselen van het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid, zoals vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad 2 , opgenomen, met inachtneming van de doelstellingen die zijn vermeld in de mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid 3 . Voorts is in het besluit het standpunt van de EU in lijn gebracht met het Verdrag van Lissabon.
Besluit (EU) 2019/858 van de Raad voorziet in een toetsing en, waar passend, een herziening van het standpunt van de EU in het kader van de Siofa vóór de jaarlijkse vergadering van 2024. Dit voorstel strekt er dan ook toe het standpunt van de EU in het kader van de Siofa voor de periode 2024-2028 uiteen te zetten en Besluit (EU) 2019/858 van de Raad te vervangen.
Dit voorstel houdt, met betrekking tot visserij, rekening met de Europese Green Deal, met name met de biodiversiteit- 4 , de klimaatadaptatie- 5 en de “van boer tot bord”-strategie 6 . Er wordt ook rekening gehouden met de strategie inzake kunststoffen 7 en het actieplan om de verontreiniging tot nul terug te dringen 8 . Voorts wordt rekening gehouden met de gezamenlijke mededeling over internationale oceaangovernance 9 .
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
“Handelingen met rechtsgevolgen” omvatten handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen, en instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 10 .
De Vergadering van de partijen bij de Siofa is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten de SIOF-overeenkomst.
De door de Vergadering van de partijen aan te nemen handelingen zijn handelingen met rechtsgevolgen. De beoogde handelingen zijn uit hoofde van het volkenrecht bindend overeenkomstig artikel 8 van de Siofa en kunnen beslissende invloed hebben op de inhoud van de EU-regelgeving, waaronder:
Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen 11 ;
Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen 12 ; en
Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten 13 .
De beoogde handelingen strekken niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de SIOF-overeenkomst.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de EU een standpunt wordt ingenomen. Wanneer die handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.
De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op de visserij. De rechtsgrondslag voor de beginselen die in dit standpunt moeten worden weerspiegeld, is Verordening (EU) nr. 1380/2013.
De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 43, lid 2, VWEU. Het besluit komt in de plaats van Besluit (EU) 2019/858 van de Raad.
2023/0244 (NLE) |
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het kader van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan, en tot intrekking van Besluit (EU) 2019/858 |
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 43, lid 2, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het kader van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan, en tot intrekking van Besluit (EU) 2019/858
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
Bij Besluit 2008/780/EG van de Raad van 29 september 2008 14 heeft de Unie de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (“Siofa” of “de overeenkomst”) gesloten, waarbij de Vergadering van de partijen bij de Siofa is opgericht.
De Vergadering van de partijen bij de Siofa is verantwoordelijk voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het toepassingsgebied van de Siofa. Dergelijke maatregelen zullen voor de Unie bindend worden.
Volgens Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad 15 moet de Unie er borg voor staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. Die verordening bepaalt eveneens dat de Unie bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering moet toepassen en ernaar moet streven dat de levende mariene biologische rijkdommen zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is in die verordening bepaald dat de Unie beheers- en instandhoudingsmaatregelen moet nemen die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en vangstmethoden moet bevorderen die bijdragen tot selectievere visserij, tot het zoveel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Daarnaast is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie die doelstellingen en beginselen moet toepassen in het kader van haar externe visserijbetrekkingen.
In overeenstemming met de biodiversiteits- 16 , de klimaatadaptatie- 17 en de “van boer tot bord”-strategie 18 is het van essentieel belang om de natuur te beschermen en de achteruitgang van ecosystemen te keren. De beschikbaarheid van goederen en diensten die gezonde mariene ecosystemen leveren aan vissers, kustgemeenschappen en de mensheid in het algemeen mogen niet in gevaar komen door risico’s die voortvloeien uit klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit.
In de strategie inzake kunststoffen 19 wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging te verminderen en het verlies of het achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan. Voorts is het actieplan om de verontreiniging tot nul terug te dringen 20 erop gericht de hoeveelheid zwerfplastic in zee met 50 % te verminderen en de hoeveelheid microplastics die in het milieu terechtkomt met 30 %.
Overeenkomstig de gezamenlijke mededeling over internationale oceaangovernance 21 zijn de bescherming en instandhouding van de mariene biodiversiteit belangrijke prioriteiten in het kader van het externe optreden van de EU. De EU is wereldwijd de belangrijkste speler in regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s) en visserijorganen. In dit kader bevordert de EU de duurzaamheid van visbestanden en ijvert zij voor een transparante besluitvorming op basis van gedegen wetenschappelijk advies, een intensivering van het wetenschappelijk onderzoek en een betere naleving van de regels.
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Siofa-commissie is momenteel vastgesteld in Besluit (EU) 2019/858 van de Raad 22 . Het is passend dat besluit in te trekken en een nieuw besluit voor de periode 2024-2028 vast te stellen.
Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Vergadering van de partijen bij de Siofa voor de periode 2024-2028, aangezien de door de jaarlijkse vergadering van de Vergadering van de partijen vastgestelde instandhoudings- en handhavingsmaatregelen bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van het recht van de Unie, te weten Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad 23 ; Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad 24 ; en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad 25 .
In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het toepassingsgebied van de Siofa en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen, waaronder nieuwe wetenschappelijke en andere relevante informatie die voor of tijdens de vergaderingen van de Vergadering van de partijen bij de Siofa wordt gepresenteerd, moeten procedures worden vastgesteld voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2024-2028. Die standpunten moeten in overeenstemming zijn met het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie, zoals dat is neergelegd in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (Siofa), is opgenomen in bijlage I bij dit besluit.
Artikel 2
De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergaderingen van de Vergadering van de partijen bij de Siofa moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.
Artikel 3
Het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie wordt uiterlijk vóór de jaarlijkse vergadering van de Vergadering van de partijen bij de Siofa in 2028 door de Raad getoetst en, zo nodig, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.
Artikel 4
Besluit (EU) 2019/858 wordt ingetrokken.
Artikel 5
Dit besluit is gericht tot de Commissie.
Gedaan te Brussel,
BIJLAGEN bij voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het kader van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan, en tot intrekking van Besluit (EU) 2019/858
Brussel, 11.7.2023 |
COM(2023) 418 final |
BIJLAGE I
Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het kader van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (Siofa)
In het kader van de Siofa moet de Unie:
erop toezien dat de in het kader van de Siofa vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;
zorgen voor de bevordering van de doelstellingen van de overeenkomst in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee inzake de instandhouding en het duurzaam gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (BBNJ), en van de 15e Conferentie van de Partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP 15), met name met het oog op een betere bescherming van de mariene biodiversiteit en de bescherming van 30 % van de wereldwijde oceaan door middel van beschermde mariene gebieden;
bijdragen aan de uitvoering van de Europese Green Deal, met inbegrip van de biodiversiteits- en de klimaatadaptatiestrategie, met name wat betreft natuurbescherming, en de “van boer tot bord”-strategie, en aan een sterker Europa in de wereld;
de doelstellingen van de strategie inzake kunststoffen en het actieplan om de vervuiling tot nul terug te dringen, nastreven, met name de vermindering van kunststoffen en van mariene verontreiniging;
handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die de Unie in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals vastgesteld in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en de teruggooi geleidelijk uit te bannen, om het effect van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zoveel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, daarbij rekening houdend met de belangen van de consumenten;
handelen in overeenstemming met de conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over de mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid 1 ;
handelen in overeenstemming met de doelstellingen van de gezamenlijke mededeling over de EU-agenda voor internationale oceaangovernance 2 wat betreft de instandhouding van de mariene biodiversiteit, alsook met de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling 3 ;
werken aan een passende betrokkenheid van de belanghebbenden bij de voorbereiding van Siofa-maatregelen en erop toezien dat de in het kader van de Siofa vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Siofa;
standpunten uitdragen die in overeenstemming zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s);
streven naar consistentie en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;
ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het toepassingsgebied van de Siofa gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van die beginselen en normen;
ijveren voor coördinatie tussen de Siofa, bestaande ROVB’s en regionale zeeverdragen (RZV’s) en voor samenwerking met mondiale organisaties, indien van toepassing, binnen hun respectieve mandaten, waar passend;
samenwerkingsmechanismen tussen niet-tonijn-ROVB’s stimuleren, vergelijkbaar met het zogenaamde Kobe-proces voor tonijn-ROVB’s.
De Unie spant zich, waar passend, in om de vaststelling door de Siofa van de volgende acties te ondersteunen:
maatregelen ter bevordering van de instandhouding en het volledige herstel van de biodiversiteit, de duurzaamheid van de bestanden en de integratie van overwegingen inzake klimaatverandering in het besluitvormingsproces;
instandhoudings- en beheersmaatregelen voor visbestanden in het Siofa-overeenkomstgebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van totale toegestane vangsten en quota of regulering van de visserijinspanning voor visserijen op levende mariene biologische rijkdommen die door de Siofa worden gereguleerd, met het oog op het bereiken van de maximale duurzame opbrengst. Indien nodig omvatten die instandhoudings- en beheersmaatregelen specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden om de visserijinspanning in overeenstemming te houden met de beschikbare vangstmogelijkheden;
maatregelen ter bevordering van gegevensverzameling, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijk onderbouwde beheersbeslissingen, de versterking van het nalevingscomité, een cultuur van naleving en periodieke onafhankelijke prestatiebeoordelingen;
maatregelen om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het overeenkomstgebied te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, met inbegrip van het op lijsten plaatsen van IOO-vaartuigen en “cross-listing” van IOO-vaartuigen met andere ROVB’s, en maatregelen ter bevordering van de traceerbaarheid van vis en visserijproducten op basis van de vrijwillige richtsnoeren voor vangstdocumentatieregelingen;
monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het overeenkomstgebied met het oog op een efficiënte controle en naleving van de in het kader van de Siofa vastgestelde maatregelen, met inbegrip van de versterking van de controle op overladingsverrichtingen op basis van de vrijwillige FAO-richtsnoeren inzake overlading;
maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het toepassingsgebied van de Siofa in overeenstemming met de Siofa en de internationale richtsnoeren van de FAO voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;
maatregelen ter vermindering van de verontreiniging van de zee en ter voorkoming van het lozen van kunststoffen op zee en ter vermindering van de impact van in zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen, met inbegrip van maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig in de oceaan te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken op basis van de vrijwillige richtsnoeren van de FAO voor de markering van vistuig;
maatregelen die als doel hebben louter op het verkrijgen van haaienvinnen gerichte visserij te verbieden en die voorschrijven dat bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten;
aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);
waar passend, gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB’s, in het bijzonder met ROVB’s die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied;
aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de hulporganen en werkgroepen van de Siofa.
BIJLAGE II
Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen
in de vergaderingen in het kader van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan
Vóór elke vergadering van de Vergadering van de partijen worden, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie vaststelt, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Commissie toegezonden recentste wetenschappelijke en andere relevante informatie, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren.
Daartoe zendt de Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de Vergadering van de partijen bij de Siofa, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het namens de Unie in te nemen standpunt toe aan de Raad of zijn voorbereidende instanties, teneinde deze in staat te stellen de nadere bijzonderheden van dit standpunt te bespreken en te bekrachtigen.
Indien tijdens een vergadering van de partijen, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt, wordt de zaak voorgelegd aan de Raad of zijn voorbereidende instanties, zodat in het standpunt van de Unie rekening kan worden gehouden met nieuwe elementen.