Home

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD over de aanneming door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van een overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten betreffende de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD over de aanneming door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van een overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten betreffende de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest

BESLUIT VAN DE RAAD

Brussel, 2.7.2024

COM(2024) 256 final

2024/0146(NLE)

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD over de aanneming door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van een overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten betreffende de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest

2024/0146 (NLE)

TOELICHTING

Het Verdrag inzake het Energiehandvest (EHV) is een multilaterale handels- en investeringsovereenkomst voor de energiesector die in 1994 is ondertekend en in 1998 in werking is getreden. De Europese Unie is een verdragsluitende partij bij het EHV 1 , samen met Euratom, 22 EU-lidstaten (situatie op 19 juni 2024) 2 , alsook Japan, Zwitserland, Turkije en de meeste landen van de Westelijke Balkan en de voormalige Sovjet-Unie, met uitzondering van Rusland 3 en Belarus 4 .

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD over de aanneming door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van een overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten betreffende de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest

over de aanneming door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van een overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten betreffende de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 203,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement 6 ,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. In zijn arrest in zaak C-741/19, Republiek Moldavië/Komstroy, heeft het HvJ-EU geoordeeld dat artikel 26, lid 2, punt c), EHV aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op geschillen tussen een lidstaat en een investeerder uit een andere lidstaat over een investering die deze investeerder heeft gedaan in eerstgenoemde lidstaat.

  2. Scheidsgerechten blijven echter de bevoegdheid aanvaarden en uitspraken doen in procedures binnen de EU die gebaseerd zouden zijn op artikel 26, lid 2, punt c), EHV. Volgens het HvJ-EU moet een dergelijke scheidsrechterlijke uitspraak als onverenigbaar met het Unierecht worden beschouwd, en met name met de artikelen 267 en 344 VWEU. Een dergelijke uitspraak kan dus geen enkel gevolg hebben en kan dan ook niet ten uitvoer worden gelegd met het oog op de betaling van de daarbij toegekende schadevergoeding.

  3. De doeltreffende uitvoering van het recht van de Unie wordt ondermijnd door dergelijke uitspraken in intra-EU-arbitrageprocedures. Er bestaat een gevaar van strijdigheid tussen de Verdragen en het Verdrag inzake het Energiehandvest zoals uitgelegd door sommige scheidsgerechten, die, indien deze uitleg wordt bevestigd door de rechtbanken van een derde land, de facto tot een rechtsconflict zou leiden omdat in de rechtsorde van derde landen scheidsrechterlijke uitspraken zouden circuleren die in strijd zijn met het EU-recht.

  4. Volgens de rechtspraak van het Hof kan het gevaar van strijdigheid tussen rechtsbepalingen ertoe leiden dat een internationale overeenkomst onverenigbaar is met het Unierecht. Het gevaar van strijdigheid tussen rechtsbepalingen moet worden uitgesloten. De aanneming van een internationaalrechtelijk instrument waarin de gemeenschappelijke opvatting van de ondertekenaars over de niet-toepasselijkheid van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest als grondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures wordt vastgelegd, moet bijdragen tot de verwezenlijking van dat doel.

  5. De Commissie, namens de Europese Unie en Euratom, en de lidstaten hebben de onderhandelingen over de voorwaarden van een dergelijke overeenkomst met succes afgerond. De gemeenschappelijke opvatting in deze overeenkomst wordt ook herhaald in de Verklaring over de rechtsgevolgen van het arrest Komstroy van het Hof van Justitie en de gemeenschappelijke opvatting inzake de niet-toepasselijkheid van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest als grondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures van 26 juni 2024.

  6. De overeenkomst moet worden aangenomen, onder voorbehoud van de ondertekening ervan op een latere datum,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage opgenomen overeenkomst wordt hierbij aangenomen, onder voorbehoud van de ondertekening namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van die overeenkomst.

De voorzitter van de Commissie wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) om de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel,

BIJLAGE bij Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD over de aanneming door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van een overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten betreffende de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest

Brussel, 2.7.2024

COM(2024) 256 final

BIJLAGE

OVEREENKOMST

MET BETREKKING TOT DE INTERPRETATIE EN DE TOEPASSING VAN HET VERDRAG INZAKE HET ENERGIEHANDVEST

TUSSEN DE EUROPESE UNIE, DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE EN HUN LIDSTATEN


DE PARTIJEN DIE DEZE OVEREENKOMST HEBBEN ONDERTEKEND,

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK KROATIË,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

DE REPUBLIEK MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

DE EUROPESE UNIE en

DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE


INDACHTIG het Verdrag inzake het Energiehandvest, ondertekend te Lissabon op 17 december 1994 (PB L 380 van 31.12.1994, blz. 24), goedgekeurd namens de Europese Gemeenschappen bij Besluit 98/181/EG, EGKS, Euratom van de Raad en de Commissie van 23 september 1997 (PB L 69 van 9.3.1998, blz. 1), zoals het van tijd tot tijd kan zijn gewijzigd (“Verdrag inzake het Energiehandvest”),

INDACHTIG de regels van internationaal gewoonterecht zoals neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht,

OVERWEGENDE dat de leden van een regionale organisatie voor economische integratie in de zin van artikel 1, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest hierbij een gemeenschappelijke opvatting tot uitdrukking brengen over de interpretatie en toepassing van een verdrag in hun onderlinge betrekkingen,

ERAAN HERINNEREND dat de opzegging van het Verdrag inzake het Energiehandvest voor de partij die deze Overeenkomst heeft ondertekend (Verdragsluitende Partij) maar het Verdrag inzake het Energiehandvest heeft opgezegd, geen afbreuk doet aan haar status als lid van de regionale organisatie voor economische integratie, noch eraan in de weg staat dat zij belang heeft bij het tot uitdrukking brengen van een gemeenschappelijke opvatting over de interpretatie en toepassing van dat verdrag zolang dit kan worden geacht rechtsgevolgen te hebben voor dat lid, en met name met betrekking tot artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest,

INDACHTIG het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) en de algemene beginselen van het recht van de Europese Unie en van Euratom,

OVERWEGENDE dat de in deze Overeenkomst voorkomende verwijzingen naar de Europese Unie ook moeten worden opgevat als verwijzingen naar de voorganger ervan, de Europese Economische Gemeenschap en, vervolgens, de Europese Gemeenschap, totdat deze door de Europese Unie is opgevolgd,

ERAAN HERINNEREND dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Permanent Hof van Internationale Justitie (kwestie Jaworzyna (Pools-Tsjechoslovaakse grens), advies, [1923] PCIJ-serie B nr. 8, 37) en het Internationaal Gerechtshof (voorbehoud bij het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, advies, [1951] I.C.J. Reports, 15, 20), het recht om een gezaghebbende interpretatie van een rechtsregel te geven met betrekking tot een internationale overeenkomst, toekomt aan de partijen bij die overeenkomst,

ERAAN HERINNEREND dat de lidstaten van de Europese Unie dit recht tot gezaghebbende interpretatie van het Unierecht en het recht van Euratom hebben toegekend aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals het Hof heeft verduidelijkt in het arrest van 30 mei 2006, Commissie/Ierland (Mox Plant), C-459/03 (EU:C:2006:345, punten 129-137), waarin het overwoog dat de exclusieve bevoegdheid tot uitlegging en toepassing van het Unierecht en het recht van Euratom zich uitstrekt tot de uitlegging en toepassing van internationale overeenkomsten waarbij de Europese Unie, Euratom en de lidstaten partij zijn, voor zover het de betrekkingen tussen twee lidstaten of tussen de Europese Unie of Euratom en een lidstaat betreft,

ERAAN HERINNEREND dat de lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig artikel 344 VWEU en artikel 193 Euratom een geschil betreffende de interpretatie of de toepassing van het VEU, het VWEU en het Euratom-Verdrag niet op andere wijze mogen doen beslechten dan in die Verdragen is voorgeschreven,

ERAAN HERINNEREND dat het Hof van Justitie in het arrest van 6 maart 2018, Achmea, C-284/16 (EU:C:2018:158) heeft geoordeeld dat de artikelen 267 en 344 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een bepaling in een tussen lidstaten gesloten internationale overeenkomst krachtens welke een investeerder uit een van die lidstaten, in geval van een geschil over investeringen in de andere lidstaat, tegen laatstgenoemde lidstaat een procedure kan inleiden voor een scheidsgerecht waarvan deze lidstaat zich ertoe heeft verbonden de bevoegdheid te aanvaarden,

HERINNEREND aan het consequent herhaalde standpunt van de Europese Unie dat het Verdrag inzake het Energiehandvest niet van toepassing had moeten zijn op betrekkingen binnen de EU en dat de Europese Unie, Euratom en hun lidstaten niet de bedoeling hadden, noch hadden kunnen hebben, dat het Verdrag inzake het Energiehandvest voor hen onderlinge verplichtingen zou scheppen, aangezien het is gesloten als instrument van het externe energiebeleid van de Europese Unie met het oog op de totstandbrenging van een kader voor samenwerking op energiegebied met derde landen, terwijl het interne energiebeleid van de Unie daarentegen bestaat uit een uitgebreid stelsel van regels die tot doel hebben een interne energiemarkt tot stand te brengen en bij uitsluiting van toepassing zijn op de betrekkingen tussen de lidstaten,

ERAAN HERINNEREND dat het Hof van Justitie in het arrest van 2 september 2021, Republiek Moldavië/Komstroy, C-741/19, EU:C:2021:655, punt 66 (het arrest Komstroy), zoals bevestigd in advies 1/20 (EU:C:2022:485, punt 47), heeft geoordeeld dat artikel 26, lid 2, punt c), van het Verdrag inzake het Energiehandvest aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op geschillen tussen een lidstaat en een investeerder uit een andere lidstaat over een investering die deze investeerder heeft gedaan in eerstgenoemde lidstaat,

ERAAN HERINNEREND dat, als uitlegging door de bevoegde rechter en voortvloeiend uit een algemeen beginsel van internationaal publiekrecht, de interpretatie van het Verdrag inzake het Energiehandvest in het arrest Komstroy van toepassing is vanaf de goedkeuring van het Verdrag inzake het Energiehandvest door de Europese Unie, Euratom en hun lidstaten,

OVERWEGENDE dat de artikelen 267 en 344 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een uitlegging van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest op grond waarvan geschillen tussen enerzijds een investeerder uit een lidstaat van de Europese Unie en anderzijds een andere lidstaat van de Europese Unie, de Unie of Euratom kunnen worden beslecht voor een scheidsgerecht (intra-EU-arbitrageprocedure), en

OVERWEGENDE dat een partij, wanneer geschillen niet in der minne kunnen worden geschikt, er altijd voor kan kiezen geschillen tussen een Verdragsluitende Partij en een investeerder van een andere Verdragsluitende Partij overeenkomstig het nationale recht ter beslechting voor te leggen aan de bevoegde rechters of administratiefrechtelijke instanties, zoals gewaarborgd door de algemene rechtsbeginselen en de eerbiediging van de grondrechten, die onder meer zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

GELEID door hun gemeenschappelijke opvatting, die in deze Overeenkomst tussen de Europese Unie, Euratom en hun lidstaten tot uitdrukking wordt gebracht, dat als gevolg daarvan een bepaling als artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest in het verleden, thans noch in de toekomst als rechtsgrondslag kon of kan dienen voor arbitrageprocedures die door een investeerder uit een lidstaat worden ingeleid met betrekking tot investeringen in een andere lidstaat,

HERHALENDE Verklaring nr. 17, gehecht aan de Slotakte van de Intergouvernementele Conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, waarin eraan wordt herinnerd dat de Verdragen en het recht dat de Unie op grond van de Verdragen vaststelt, voorrang hebben boven het recht van de lidstaten, en dat het voorrangsbeginsel een conflictregel is in hun onderlinge betrekkingen,

ERAAN HERINNEREND derhalve dat een door de lidstaten van de Europese Unie op grond van het internationaal recht gesloten internationale overeenkomst, teneinde eventuele conflicten tussen rechtsnormen op te lossen, in de betrekkingen binnen de EU slechts van toepassing kan zijn voor zover de bepalingen ervan verenigbaar zijn met de EU-Verdragen,

OVERWEGENDE dat als gevolg van de niet-toepasselijkheid van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest als rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures, ook artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest niet tot dergelijke procedures kan worden uitgebreid en daarvoor niet was bedoeld,

OVERWEGENDE dat, als gevolg van de niet-toepasselijkheid van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest als rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures, wanneer een dergelijke procedure aanhangig is, de partijen bij deze Overeenkomst die bij die procedure betrokken zijn, hetzij als verweerder, hetzij als staat van herkomst van een investeerder, onderling moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat het bestaan van deze Overeenkomst onder de aandacht van het scheidsgerecht in kwestie wordt gebracht, zodat noodzakelijkerwijs de conclusie moet worden getrokken dat het scheidsgerecht niet bevoegd is,

OVERWEGENDE dat er bovendien geen nieuwe intra-EU-arbitrageprocedures zouden mogen worden geregistreerd, en

HET EROVER EENS ZIJNDE dat wanneer niettemin kennisgeving wordt gedaan van arbitrage, de Verdragsluitende Partijen die bij die procedure betrokken zijn, hetzij als verweerder, hetzij als staat van herkomst van een investeerder, onderling moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat het bestaan van deze Overeenkomst onder de aandacht van het scheidsgerecht in kwestie wordt gebracht, zodat noodzakelijkerwijs de conclusie moet worden getrokken dat artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest niet als rechtsgrondslag voor een dergelijke procedure kan dienen,

OVERWEGENDE dat desalniettemin schikkingen en scheidsrechterlijke uitspraken in intra-EU-arbitrageprocedures inzake investeringen die niet langer kunnen worden vernietigd en die vrijwillig zijn nageleefd of definitief ten uitvoer zijn gelegd, niet mogen worden aangevochten,

BETREUREND dat scheidsgerechten, in strijd met de regels van de Europese Unie en Euratom, onder meer zoals uitgedrukt in de uitleggingen van het Hof van Justitie, reeds arbitrale uitspraken hebben gedaan, nog steeds doen en zouden kunnen doen in intra-EU-arbitrageprocedures die zijn ingeleid uit hoofde van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest,

het eveneens BETREUREND dat dergelijke scheidsrechterlijke uitspraken voorwerp zijn van tenuitvoerleggingsprocedures, ook in derde landen, dat scheidsgerechten zich in lopende intra-EU-arbitrageprocedures die naar verluidt gebaseerd zijn op artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest niet onbevoegd verklaren, en dat arbitrage-instanties nieuwe arbitrageprocedures blijven registreren en deze niet kennelijk niet-ontvankelijk verklaren op grond dat instemming met arbitrage ontbreekt,

OVERWEGENDE dat het derhalve noodzakelijk is het consistente standpunt van de Europese Unie, Euratom en hun lidstaten uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te herhalen door middel van een overeenkomst waarin hun gemeenschappelijke opvatting over de interpretatie en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, wordt bevestigd voor zover het intra-EU-arbitrageprocedures betreft,

OVERWEGENDE dat een aantal bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest, overeenkomstig het arrest van het Internationaal Gerechtshof van 5 februari 1970, Barcelona Traction, Light and Power Company Limited (België/Spanje) (ICJ Reports 1970, blz. 3, punten 33 en 35) en zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in het arrest Komstroy, bilaterale betrekkingen beogen te regelen,

OVERWEGENDE dat deze Overeenkomst derhalve alleen betrekking heeft op de bilaterale betrekkingen tussen respectievelijk de Europese Unie, Euratom en hun lidstaten, en, bij uitbreiding, de investeerders van die partijen bij het Verdrag inzake het Energiehandvest, en dat deze Overeenkomst bijgevolg alleen gevolgen heeft voor partijen die onder de regels van de Europese Unie en Euratom als regionale organisatie voor economische integratie in de zin van artikel 1, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest vallen, en dat zij geen afbreuk doet aan het genot door de andere partijen bij het Verdrag inzake het Energiehandvest van hun rechten uit hoofde van dat verdrag of de nakoming van hun verplichtingen,

ERAAN HERINNEREND dat de Europese Unie en Euratom en hun lidstaten de andere partijen bij het Verdrag inzake het Energiehandvest in kennis hebben gesteld van hun voornemen om deze Overeenkomst over de interpretatie en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest te sluiten,

OVERWEGENDE dat de Europese Unie, Euratom en hun lidstaten op die manier en in overeenstemming met hun wettelijke verplichtingen uit hoofde van het Unierecht en het recht van Euratom, maar onverminderd hun recht om de vorderingen in te stellen die zij passend achten met betrekking tot de kosten die zij als verweerder in het kader van intra-EU-arbitrageprocedures hebben gemaakt, ervoor zorgen dat het arrest Komstroy volledig en daadwerkelijk wordt nageleefd, dat bestaande uitspraken niet-afdwingbaar zijn, dat scheidsgerechten verplicht zijn om alle aanhangige intra-EU-arbitrageprocedures onmiddellijk te beëindigen, en dat arbitrage-instanties verplicht zijn om geen toekomstige intra-EU-arbitrageprocedures meer te registreren, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden uit hoofde van artikel 36, lid 3, van het Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten (het ICSID-Verdrag en artikel 12 van de arbitrageregels van het SCC, en dat scheidsgerechten moeten verklaren dat intra-EU-arbitrageprocedures een rechtsgrondslag ontberen,

HET EROVER EENS ZIJNDE dat deze Overeenkomst van toepassing is op arbitrageprocedures tussen investeerders en staten waarbij de Europese Unie, Euratom of hun lidstaten betrokken zijn als partij bij intra-EU-geschillen op grond van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest uit hoofde van om het even welke arbitrageverdragen of -regels, met inbegrip van het ICSID-verdrag en de ICSID-arbitrageregels, de arbitrageregels van het Arbitrage-instituut van de Kamer van Koophandel van Stockholm (Stockholm Chamber of Commerce, SCC), de arbitrageregels van de Commissie van de Verenigde Naties voor internationaal handelsrecht (UNCITRAL) en ad-hoc arbitrage,

IN AANMERKING NEMENDE dat de bepalingen van deze Overeenkomst de mogelijkheid voor de Europese Commissie of een lidstaat om zich op grond van de artikelen 258, 259 en 260 VWEU tot het Hof van Justitie te wenden onverlet laten,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

AFDELING 1

GEMEENSCHAPPELIJKE OPVATTING OVER DE NIET-TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 26 VAN HET VERDRAG INZAKE HET ENERGIEHANDVEST ALS BASIS VOOR INTRA-EU-ARBITRAGEPROCEDURES

ARTIKEL 1

Definities

Voor de toepassing van deze Overeenkomst gelden de volgende definities:

  1. “Verdrag inzake het Energiehandvest”: het Verdrag inzake het Energiehandvest, ondertekend te Lissabon op 17 december 1994 (PB L 380 van 31.12.1994, blz. 24), goedgekeurd namens de Europese Gemeenschappen bij Besluit 98/181/EG, EGKS, Euratom van de Raad en de Commissie van 23 september 1997 (PB L 69 van 9.3.1998, blz. 1), zoals het van tijd tot tijd kan zijn gewijzigd;

  2. “betrekkingen binnen de EU”: de betrekkingen tussen lidstaten van de Europese Unie en Euratom of tussen een lidstaat enerzijds en de Europese Unie of Euratom anderzijds;

  3. “intra-EU-arbitrageprocedure”: een procedure voor een scheidsgerecht die is ingeleid uit hoofde van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest met het oog op de beslechting van een geschil tussen enerzijds een investeerder uit een lidstaat van de Europese Unie en anderzijds een andere lidstaat van de Europese Unie, de Europese Unie of Euratom.

ARTIKEL 2

Gemeenschappelijke opvatting van de Europese Unie, Euratom en hun lidstaten over de interpretatie en de blijvende niet-toepasselijkheid van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest en het ontbreken van een rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures

  1. De Verdragsluitende Partijen bevestigen hierbij, voor meer zekerheid, dat zij een gemeenschappelijke opvatting delen over de interpretatie en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest, die behelst dat artikel 26 van dat verdrag niet als rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures kan en nooit heeft kunnen dienen.

De in de eerste alinea verwoorde gemeenschappelijke opvatting is gebaseerd op de volgende elementen van het Unierecht:

  1. de interpretatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgens welke artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest niet van toepassing is en nooit had mogen worden toegepast als basis voor intra-EU-arbitrageprocedures, en

  1. de voorrang van het recht van de Europese Unie, die in herinnering is gebracht in Verklaring nr. 17, gehecht aan de Slotakte van de Intergouvernementele Conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, als regel van internationaal recht die conflicten tussen rechtsnormen in hun onderlinge betrekkingen regelt, zodat artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest hoe dan ook niet van toepassing is of kan zijn als grondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures.

  1. De Verdragsluitende Partijen bevestigen voor meer zekerheid dat zij de gemeenschappelijke opvatting delen dat, als gevolg van het ontbreken van een rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures uit hoofde van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest, artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest niet tot dergelijke procedures kan of had kunnen worden uitgebreid. Bijgevolg kan artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest in dat verband geen rechtsgevolgen hebben gehad in betrekkingen binnen de EU wanneer een lidstaat het Verdrag inzake het Energiehandvest vóór deze Overeenkomst heeft opgezegd, noch rechtsgevolgen hebben in betrekkingen binnen de EU indien een lidstaat het Verdrag inzake het Energiehandvest later opzegt.

  2. Voor alle duidelijkheid: de Verdragsluitende Partijen zijn het erover eens dat artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest, overeenkomstig de in de eerste en tweede alinea uitgedrukte gemeenschappelijke opvatting, en onverminderd die opvatting, niet van toepassing is als grondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures en dat artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest in dat verband geen rechtsgevolgen heeft voor betrekkingen binnen de EU.

  3. De leden 1 tot en met 3 laten de interpretatie en toepassing van andere bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest onverlet voor zover zij zien op betrekkingen binnen de EU. 

AFDELING 2

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 3

Depositaris

  1. De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie treedt op als depositaris van deze Overeenkomst.

  2. De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie stelt de Verdragsluitende Partijen in kennis van:

    1. de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring overeenkomstig artikel 5;

    2. de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst krachtens artikel 6, lid 1;

    3. de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst voor elke Verdragsluitende Partij krachtens artikel 6, lid 2.

  3. De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie maakt de overeenkomst bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en stelt de depositaris van het Verdrag inzake het Energiehandvest en het secretariaat van het Energiehandvest in kennis van de vaststelling en inwerkingtreding ervan. De depositaris van deze Overeenkomst wordt verzocht de andere partijen bij het Verdrag inzake het Energiehandvest in kennis te stellen van de Overeenkomst.

  4. Overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties wordt deze Overeenkomst na de inwerkingtreding ervan door de depositaris geregistreerd bij het secretariaat van de Verenigde Naties.

ARTIKEL 4

Voorbehouden

Ten aanzien van deze Overeenkomst kunnen geen voorbehouden worden gemaakt.

ARTIKEL 5

Bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding

Deze Overeenkomst moet worden bekrachtigd, goedgekeurd of aanvaard.

De Verdragsluitende Partijen leggen hun akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring neer bij de depositaris.

ARTIKEL 6

Inwerkingtreding

  1. Deze Overeenkomst treedt in werking 30 kalenderdagen na de datum waarop de depositaris de tweede akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding ontvangt.

  2. Voor elke Verdragsluitende Partij die deze Overeenkomst bekrachtigt, goedkeurt of aanvaardt na de inwerkingtreding ervan overeenkomstig lid 1, treedt hij in werking 30 kalenderdagen na de datum van neerlegging door deze Verdragsluitende Partij van haar akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding.

ARTIKEL 7

Authentieke teksten

Deze Overeenkomst, opgesteld in één exemplaar in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn, wordt neergelegd in het archief van de depositaris.

Gedaan te Brussel op ……………………..