Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijzing van de Richtlijnen 2006/43/EG, 2013/34/EU, (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering door ondernemingen en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijzing van de Richtlijnen 2006/43/EG, 2013/34/EU, (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering door ondernemingen en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
Brussel, 26.2.2025 |
COM(2025) 81 final |
2025/0045(COD) |
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijzing van de Richtlijnen 2006/43/EG, 2013/34/EU, (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering door ondernemingen en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven (Voor de EER relevante tekst) |
{SWD(2025) 80 final} |
TOELICHTING
Het aantal ondernemingen waarvoor verplichte eisen inzake duurzaamheidsrapportage gelden, zou met ongeveer 80 % worden verminderd, door grote ondernemingen met tot 1 000 werknemers (d.w.z. een aantal ondernemingen uit de tweede golf en een aantal ondernemingen uit de eerste golf) en beursgenoteerde mkb-bedrijven (d.w.z. alle ondernemingen uit de derde golf) van het toepassingsbereik uit te sluiten. De rapportageverplichtingen zouden alleen gelden voor grote ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers (d.w.z. ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers en ofwel een omzet van meer dan 50 miljoen EUR of een balanstotaal van meer dan 25 miljoen EUR). Met deze herziene drempel zou de CSRD nauwer worden afgestemd op de CSDDD 16 .
Voor ondernemingen waarvoor geen verplichte duurzaamheidseisen gelden, stelt de Commissie een evenredige standaard voor vrijwillig gebruik voor. Deze zou worden gebaseerd op de door EFRAG ontwikkelde VSME-standaard. Volgens het hier voorliggende voorstel zou de Commissie deze vrijwillige standaard vaststellen als een gedelegeerde handeling. In afwachting is de Commissie, om tegemoet te komen aan vragen vanuit de markt, voornemens om zo spoedig mogelijk een aanbeveling over vrijwillige duurzaamheidsrapportage te publiceren, die is gebaseerd op de door EFRAG ontwikkelde VSME-standaard.
Het “waardeketenplafond” zou worden verruimd en versterkt. Het zou rechtstreeks op de rapporterende onderneming van toepassing zijn – en niet slechts een beperking zijn op wat de ESRS kunnen specificeren. Het zou alle ondernemingen met tot 1 000 werknemers beschermen – in plaats van alleen mkb-bedrijven, zoals thans het geval is. En de beperking zou worden afgebakend door de vrijwillige standaard die de Commissie als gedelegeerde handeling zal vaststellen, met als basis de VSME-standaard die EFRAG heeft uitgewerkt. Een en ander zal het “doorsijpeleffect” substantieel verminderen.
Er zouden geen sectorspecifieke rapportagestandaarden zijn, om te vermijden dat het aantal voorgeschreven datapunten dat ondernemingen moeten rapporteren, toeneemt.
Ook de mogelijkheid om over te stappen van assurance met een beperkte mate van zekerheid naar assurance met een redelijke mate van zekerheid, zou worden geschrapt. Dit zal de nodige duidelijkheid bieden dat in de toekomst de assurancekosten voor de betrokken ondernemingen niet zullen stijgen.
In plaats van een verplichting voor de Commissie om standaarden voor duurzaamheidsassurance vast te stellen tegen 2026, zal de Commissie tegen 2026 gerichte assurancerichtsnoeren publiceren. Zo zal de Commissie sneller kunnen ingaan op zich aandienende probleemkwesties op het gebied van duurzaamheidsassurance die voor ondernemingen die aan de rapportageverplichtingen onderworpen zijn, misschien onnodige lasten met zich brengen.
Het voorstel komt met een “opt-in”-regeling waarbij grote ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers en een netto-omzet van minder dan 450 miljoen EUR die aanvoeren dat hun activiteiten op de EU-taxonomie zijn afgestemd, of gedeeltelijk zijn afgestemd, hun omzet- en CapEx-KPI’s moeten rapporteren en ervoor kunnen kiezen om hun OpEx-KPI te rapporteren. Dankzij deze opt-in-aanpak zullen de kosten voor het naleven van de rapportageregels van de taxonomie volledig wegvallen voor grote ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers en met een netto-omzet van minder dan 450 miljoen die niet aanvoeren dat hun activiteiten verband houden met economische activiteiten die op grond van de taxonomieverordening als ecologisch duurzaam kwalificeren. Daarnaast biedt dit voorstel meer flexibiliteit door deze ondernemingen de mogelijkheid te bieden om te rapporteren over activiteiten die aan bepaalde, maar niet aan alle technische screeningcriteria van de taxonomie voldoen. Dit soort rapportage over gedeeltelijke afstemming kan op termijn impulsen geven voor een geleidelijke milieutransitie van activiteiten – in lijn met de doelstelling om transitiefinanciering op te schalen.
de verplichtingen ten aanzien indirecte zakelijke partners binnen de activiteitenketen worden toegesneden op gevallen van omzeiling of gevallen waarin er informatie is die wijst op waarschijnlijke of feitelijke negatieve effecten;
de vereiste frequentie van periodieke monitoringexercities wordt verminderd, en
de reikwijdte van de stakeholderbetrokkenheid wordt verduidelijkt en doelgerichter gemaakt.
Grote ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers (d.w.z. ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers en ofwel een omzet van meer dan 50 miljoen EUR of een balanstotaal van meer dan 25 miljoen EUR) 18 : onderworpen aan verplichte rapportage-eisen en verplicht om te rapporteren volgens de volledige ESRS, die zelf zullen worden herzien en vereenvoudigd.
Andere ondernemingen (ondernemingen met tot 1 000 werknemers): niet onderworpen aan verplichte rapportage-eisen, mogen gebruikmaken van de evenredige vrijwillige standaard die de Commissie als gedelegeerde handeling zal vaststellen, op basis van de VSME-standaard die EFRAG heeft uitgewerkt, en door het “waardeketenplafond” beschermd tegen informatieverzoeken van grotere ondernemingen die wel onder de CSRD vallen.
Europese Commissie, “Verzoek om input over de rationalisering van de rapportagevereisten”, van oktober tot en met december 2023 19 .
Bijeenkomsten van de Europese Commissie met ondernemingen en andere stakeholders begin februari 2025.
De Europese Commissie heeft ook aparte activiteiten voor stakeholders georganiseerd, zoals twee grote hybride stakeholderforums over de CSRD in mei en november 2024 met zo’n 400 fysieke en meer dan 3 000 onlinedeelnemers.
De Europese Commissie heeft een zeer aanzienlijk aantal brieven en gedetailleerde analyses ontvangen van alle soorten stakeholders (van ondernemingen over beleggers, banken, het maatschappelijke middenveld, ngo’s, kamers van koophandel tot en met nationale overheidsdiensten van de lidstaten).
lid 1 vervangt artikel 26 bis, lid 3, van de auditrichtlijn en schrapt de termijnen voor de Commissie om standaarden voor assurance met een beperkte mate van zekerheid vast te stellen en schrapt de machtiging voor de Commissie om standaarden voor assurance met een redelijke mate van zekerheid vast te stellen, samen met de betrokken kruisverwijzingen;
lid 2 vervangt artikel 48 bis, lid 2, tweede alinea, van de auditrichtlijn om een foutieve kruisverwijzing naar de standaarden voor assurance met een beperkte mate van zekerheid te corrigeren.
lid 1 wijzigt in artikel 1, lid 3, van de jaarrekeningrichtlijn hoe groot een onderneming moet zijn om over duurzaamheid te moeten rapporteren, wanneer die onderneming een kredietinstelling of een verzekeringsonderneming is, om zo de wijzigingen in de grootte van ondernemingen weer te geven die onder artikel 19 bis vallen (d.w.z. grote ondernemingen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar);
lid 1 specificeert ook in artikel 1, lid 4, van de jaarrekeningrichtlijn dat de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) die is ingesteld bij de EFSF-Kaderovereenkomst, niet onderworpen is aan duurzaamheidsrapportage;
lid 2 wijzigt artikel 19 bis van de jaarrekeningrichtlijn door:
de groep ondernemingen die individuele duurzaamheidsrapportage moeten opstellen en publiceren, te beperken tot uitsluitend grote ondernemingen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar;
een vereiste voor lidstaten in te voeren dat ervoor moet zorgen dat, ten behoeve van de door de jaarrekeningrichtlijn voorgeschreven rapportage van duurzaamheidsinformatie – en zonder afbreuk te doen aan Unievereisten om een due-diligenceproces uit te voeren –, ondernemingen niet trachten om van ondernemingen in hun waardeketen met gemiddeld minder dan 1 000 werknemers over het boekjaar informatie te verkrijgen die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de op grond van artikel 29 quater bis vast te stellen standaarden voor vrijwillig gebruik, met uitzondering van aanvullende duurzaamheidsinformatie die doorgaans wordt gedeeld tussen ondernemingen uit de betrokken bedrijfstak. Ondernemingen die overeenkomstig dit vereiste over hun waardeketen rapporteren, moeten worden geacht te voldoen aan hun verplichtingen inzake duurzaamheidsrapportage;
voor beursgenoteerde mkb-bedrijven de optie te schrappen om te rapporteren over een meer evenredige reeks standaarden en door de tweejaars opt-out te schrappen uit de duurzaamheidsrapportage voor beursgenoteerde mkb-bedrijven, om zo weer te geven dat deze ondernemingen van het toepassingsbereik van de duurzaamheidsrapportage worden uitgesloten;
lid 3 voegt een artikel 19 ter in waardoor grote ondernemingen met een gemiddelde van meer dan 1 000 werknemers en een netto-omzet van ten hoogste 450 000 000 EUR over het boekjaar de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde informatie flexibeler mogen rapporteren;
lid 4 wijzigt artikel 29 bis van de jaarrekeningrichtlijn door:
de groep ondernemingen die geconsolideerde duurzaamheidsrapportage moeten opstellen en publiceren, te beperken tot uitsluitend moederondernemingen van een grote groep met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers, op geconsolideerde basis, over het boekjaar;
een vereiste voor lidstaten in te voeren dat ervoor moet zorgen dat, ten behoeve van de door de jaarrekeningrichtlijn voorgeschreven rapportage van duurzaamheidsinformatie – en zonder afbreuk te doen aan Unievereisten om een due-diligenceproces uit te voeren –, ondernemingen niet trachten om van ondernemingen in hun waardeketen met gemiddeld minder dan 1 000 werknemers over het boekjaar informatie te verkrijgen die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de op grond van artikel 29 quater bis vast te stellen standaarden voor vrijwillig gebruik, met uitzondering van aanvullende duurzaamheidsinformatie die doorgaans wordt gedeeld tussen ondernemingen uit de betrokken bedrijfstak. Ondernemingen die overeenkomstig dit vereiste over hun waardeketen rapporteren, moeten worden geacht te voldoen aan hun verplichtingen inzake duurzaamheidsrapportage;
lid 5 voegt een artikel 29 bis bis in waardoor grote ondernemingen met een gemiddelde van meer dan 1 000 werknemers en een netto-omzet van ten hoogste 450 000 000 EUR, op geconsolideerde basis, over het boekjaar de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde informatie flexibeler mogen rapporteren;
lid 6 wijzigt artikel 29 ter van de jaarrekeningrichtlijn door:
de machtiging voor de Commissie te schrappen om sectorspecifieke standaarden door middel van gedelegeerde handelingen vast te stellen;
te specificeren dat de standaarden inzake duurzaamheidsrapportage geen rapportage mogen specificeren die ondernemingen verplicht om bij ondernemingen in hun waardeketen met gemiddeld niet meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar informatie op te vragen die verder gaat dan moet worden gerapporteerd krachtens de op grond van artikel 29 quater bis vast te stellen standaarden voor vrijwillig gebruik;
lid 7 schrapt artikel 29 quater van de jaarrekeningrichtlijn betreffende de machtiging voor de Commissie om een evenredigere reeks standaarden voor beursgenoteerde mkb-bedrijven vast te stellen, om zo weer te geven dat deze ondernemingen van het toepassingsbereik van de duurzaamheidsrapportage worden uitgesloten;
lid 8 voegt een nieuw artikel 29 quater bis in de jaarrekeningrichtlijn in dat de Commissie machtigt om gedelegeerde handelingen vast te stellen voor standaarden voor duurzaamheidsrapportage die ondernemingen die niet onder de richtlijn vallen, vrijwillig kunnen gebruiken. Deze standaarden moeten evenredig zijn aan en relevant voor de capaciteiten en de kenmerken van deze ondernemingen en de schaal en complexiteit van hun activiteiten. Ook moeten zij, voor zover mogelijk, de structuur specificeren die voor het weergeven van die informatie moet worden aangehouden;
lid 9 vervangt artikel 29 quinquies van de jaarrekeningrichtlijn en specificeert dat, in afwachting dat een gedelegeerde handeling voor de markup (tagging) van duurzaamheidsrapportage wordt vastgesteld, ondernemingen niet verplicht zijn om duurzaamheidsrapportage van markup te voorzien;
lid 10 vervangt artikel 33, lid 1, van de jaarrekeningrichtlijn en specificeert dat de collectieve aansprakelijkheid van leden van de leidinggevende, bestuurs- en toezichtorganen van een onderneming wat betreft de digitalisering van het bestuursverslag beperkt blijft tot de publicatie ervan in het uniform elektronisch verslagleggingsformaat (ESEF), met inbegrip van de digitale markup;
lid 11 wijzigt artikel 34 van de jaarrekeningrichtlijn door:
in artikel 34, lid 1, de verwijzing naar artikel 29 quater te schrappen, om zo weer te geven dat de standaarden voor duurzaamheidsrapportage voor beursgenoteerde mkb-bedrijven wegvallen;
een lid 2 bis toe te voegen, dat specificeert dat assuranceverleners hun assuranceverklaring opstellen met inachtneming van de verplichting voor ondernemingen om niet te trachten van ondernemingen in hun waardeketen met gemiddeld minder dan 1 000 werknemers over het boekjaar informatie te verkrijgen die verder gaat dan de in de standaarden voor vrijwillig gebruik gespecificeerde informatie;
lid 12 wijzigt artikel 40 bis, lid 1, van de jaarrekeningrichtlijn door:
de grootte van een dochteronderneming die onder de toepassing van artikel 40 bis valt, te beperken tot de criteria voor grote ondernemingen zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 4, van de jaarrekeningrichtlijn;
de netto-omzetdrempel waardoor een dochteronderneming onder artikel 40 bis valt, op te trekken van 40 miljoen EUR naar 50 miljoen EUR, en deze zo af te stemmen op de omzetdrempel voor grote ondernemingen;
de netto-omzetdrempel waardoor een onderneming uit een derde land onder artikel 40 bis valt, op te trekken van een in de Unie behaalde omzet van 150 miljoen EUR naar 450 miljoen EUR;
lid 13 wijzigt artikel 49 van de jaarrekeningrichtlijn en machtigt de Commissie om regels vast te stellen tot aanvulling van de rapportageregeling voor activiteiten die slechts gedeeltelijk op de taxonomie zijn afgestemd.
schrapt lid 1, punt a), in de CSRD artikel 5, lid 2, eerste alinea, punt a), om weer te geven dat sommige ondernemingen uit de eerste golf van het toepassingsbereik worden uitgesloten;
vervangt lid 1, punt b), i), in de CSRD artikel 5, lid 2, eerste alinea, punt b), i), en specificeert het voor welke ondernemingen de individuele duurzaamheidsrapportage in de tweede golf zal gelden, nl. grote ondernemingen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar;
vervangt lid 1, punt b), ii), in de CSRD artikel 5, lid 2, eerste alinea, punt b), ii), en specificeert het voor welke ondernemingen de geconsolideerde duurzaamheidsrapportage in de tweede golf zal gelden, nl. moederondernemingen van grote groepen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers, op geconsolideerde basis, over het boekjaar;
trekt lid 1, punt c), in de CSRD artikel 5, lid 2, eerste alinea, punt c), in, om weer te geven dat beursgenoteerde mkb-bedrijven van het toepassingsbereik worden uitgesloten;
schrapt lid 2, punt a), in de CSRD artikel 5, lid 2, derde alinea, punt a), om weer te geven dat sommige emittenten uit de eerste golf van het toepassingsbereik worden uitgesloten;
vervangt lid 2, punt b), i), in de CSRD artikel 5, lid 2, derde alinea, punt b), i), en specificeert het voor welke emittenten de individuele duurzaamheidsrapportage in de tweede golf zal gelden, nl. emittenten die grote ondernemingen zijn met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar;
vervangt lid 2, punt b), ii), in de CSRD artikel 5, lid 2, derde alinea, punt b), ii), en specificeert het voor welke emittenten de geconsolideerde duurzaamheidsrapportage in de tweede golf zal gelden, nl. emittenten die moederondernemingen zijn van grote groepen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar;
trekt lid 2, punt c), in de CSRD artikel 5, lid 2, derde alinea, punt a), in, om weer te geven dat emittenten die mkb-bedrijven zijn, van het toepassingsbereik worden uitgesloten.
Artikel 4 wijzigt Richtlijn (EU) 2024/1760 (richtlijn zorgplicht ondernemingen voor duurzaamheid – “CSDDD”) op de volgende hoofdpunten: de reikwijdte van maximale harmonisatie verruimen, de due diligence – als algemene regel – richten op directe zakelijke partners, de verplichting schrappen om de zakelijke relatie als uiterste maatregel te beëindigen, het begrip “stakeholder” inperken en de fases van het due-diligenceproces die stakeholderbetrokkenheid vereisen, verder beperken, de frequentie verruimen waarmee ondernemingen de adequaatheid en doeltreffendheid van due-diligencemaatregelen regelmatig moeten monitoren, de beginselen met betrekking tot geldboeten verduidelijken en het “minimumplafond” voor geldboeten schrappen, aspecten van de civielrechtelijke aansprakelijkheid en de regels inzake representatieve vorderingen schrappen, de bepalingen betreffende de uitvoering van de klimaattransitieplannen wijzigen, de herzieningsclausule voor financiële diensten schrappen, en de vaststelling van de eerste reeks (algemene) uitvoeringsrichtlijnen van de Commissie vervroegen. Meer bepaald:
lid 1 vervangt artikel 1, lid 1, punt c), CSDDD en stemt de beschrijving van het onderwerp van de richtlijn af op de veranderingen die voor artikel 22, lid 1, worden voorgesteld wat betreft de uitvoering de van transitieplannen voor klimaatmitigatie;
lid 2 vervangt artikel 3, lid 1, punt n), CSDDD wat betreft de definitie van “stakeholders” en beperkt de reikwijdte van het begrip “stakeholder” door de definitie ervan te vereenvoudigen en te beperken tot werknemers en hun vertegenwoordigers en tot personen en gemeenschappen van wie rechten of belangen “rechtstreeks” worden beïnvloed (in het geval van feitelijke negatieve effecten) of kunnen worden beïnvloed (in het geval van potentiële negatieve effecten) door de producten, diensten en activiteiten van de onderneming, haar dochterondernemingen en haar zakelijke partners. Dit omvat bijvoorbeeld personen of gemeenschappen in de buurt van door zakelijke partners geëxploiteerde fabrieken wanneer deze personen of gemeenschappen rechtstreeks worden geraakt door vervuiling (bv. een olielek of schadelijke emissies), of inheemse volkeren die hun recht op land of hulpbronnen rechtstreeks beïnvloed zien door de wijze waarop een zakelijke partner land, bossen of water verwerft, ontwikkelt of anderszins gebruikt;
lid 3 vervangt artikel 4 CSDDD betreffende het niveau van harmonisatie om de reikwijdte van maximale harmonisatie uit te breiden naar diverse aanvullende bepalingen van de richtlijn die kernaspecten van het due-diligenceproces beregelen. Dit omvat met name de identificatieplicht, de verplichtingen om negatieve effecten die zijn geconstateerd of hadden moeten worden geconstateerd, aan te pakken en de verplichting om te voorzien in een klachten- en meldingsmechanisme. Het voorstel erkent echter ook dat er juridische grenzen zijn aan wat volledig kan worden geharmoniseerd in een sectoroverschrijdende kaderrichtlijn die handelt over sociale en milieubescherming en die in wezen een algemeen proces uittekent voor de uitvoering van de zorgplicht van ondernemingen ten aanzien van negatieve effecten die aan bedrijfsactiviteiten verbonden zijn. De maximale harmonisatie voorbij dit punt verruimen dreigt te leiden tot een aantasting van de mensenrechten (met inbegrip van arbeidsrechten) en – bestaande of nog te ontwikkelen – milieunormen, om bijvoorbeeld risico’s tegen te gaan die bij nieuwe producten of diensten aan het licht komen, terwijl de praktische voordelen zeer beperkt zouden zijn. Wanneer dergelijke risico’s worden aangepakt door lidstaten, en met name op gebieden waar de Unie beperkte bevoegdheden heeft (zoals bijvoorbeeld het arbeidsrecht), mag lidstaten zulks niet worden belet wanneer zij dit nodig vinden om te regelen hoe de zorgplicht in specifieke omstandigheden van toepassing is;
2025/0045 (COD) |
Voorstel voor een |
lid 4 wijzigt artikel 8 CSDDD betreffende het in kaart brengen en beoordelen van feitelijke en potentiële negatieve effecten, door lid 2, punt b), en lid 4 te vervangen en door de nieuwe leden 2 bis en 5 met betrekking tot de activiteitenketen toe te voegen:
zo worden due-diligencemaatregelen in de regel beperkt tot de eigen activiteiten van de ondernemingen, die van hun dochterondernemingen en, wanneer deze verband houden met hun activiteitenketens, die van hun directe zakelijke partners. Dit betekent dat, waar het zakelijke relaties betreft, ondernemingen, nadat zij hun waardeketens in kaart hebben gebracht, alleen op het niveau van hun directe zakelijke partners een diepgaande beoordeling zouden moeten maken. Tegelijkertijd erkent het voorstel dat er situaties kunnen zijn waarin ondernemingen verder moeten kijken dan hun directe zakelijke partner, namelijk wanneer zij over plausibele informatie beschikken die wijst op een negatief effect op het niveau van een indirecte zakelijke partner. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er voor de structuur van de zakelijke relatie geen economische argumenten zijn en deze structuur erop wijst dat deze is gekozen zodat een leverancier met schadelijke activiteiten die anders een directe leverancier zou zijn, buiten de verantwoordelijkheid van de onderneming zou vallen, of wanneer de onderneming een klacht heeft ontvangen of op de hoogte is van geloofwaardige berichten van ngo’s of de media over schadelijke activiteiten op het niveau van een indirecte leverancier of op de hoogte is van incidenten in het verleden waarbij die leverancier betrokken was, of wanneer de onderneming via haar zakelijke contacten bekend is met problemen op een bepaalde locatie (bv. een conflictgebied). In die gevallen zouden ondernemingen de situatie verder moeten beoordelen. Wanneer die beoordeling de waarschijnlijkheid of het bestaan van het negatieve effect bevestigt, moet dat effect geacht worden te zijn geconstateerd. Daarnaast moet een onderneming trachten ervoor te zorgen dat haar gedragscode – die onderdeel is van haar due-diligencebeleid en de verwachtingen formuleert ten aanzien van de vraag hoe mensenrechten (met inbegrip van arbeidsrechten) en het milieu worden beschermd bij de bedrijfsactiviteiten – wordt gevolgd doorheen de hele activiteitenketen (“contractual cascading”). Een en ander loopt gelijk met de benadering in de Duitse ketenzorgplichtwet (Lieferkettensorgfaltspflicht-Gesetz) die vergelijkbare regels bevat ten aanzien van zowel de focus op directe leveranciers als de wijze waarop de due diligence verder moet reiken in het licht van de beschikbare informatie. De onderneming moet ook rekening houden met maatregelen om het mkb te ondersteunen; en
wordt het “doorsijpeleffect” naar ondernemingen met minder dan 500 werknemers (d.w.z. mkb-bedrijven en kleine midcaps) verder beperkt, door de hoeveelheid informatie die grote ondernemingen als onderdeel van de kartering van de waardeketen mogen opvragen, te beperken tot de informatie gespecificeerd in de VSME-standaard voor duurzaamheidsrapportage, tenzij aanvullende informatie noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat een bepaald effect niet aan bod komt in de standaarden, en wanneer die informatie niet redelijkerwijs op een andere manier kan worden verkregen;
de leden 5 en 6 vervangen, respectievelijk, artikel 10, lid 6, en artikel 11, lid 7, CSDDD wat betreft terugtrekking, en schrappen de verplichting om de zakelijke relaties te beëindigen in het geval van zowel feitelijke als potentiële negatieve effecten. Ondernemingen kunnen zich in situaties bevinden waarin hun productie sterk afhankelijk is van inputs van een of meer specifieke leveranciers. Tegelijkertijd is het zo dat een onderneming, wanneer aan de bedrijfsactiviteiten van dit soort leverancier ernstige negatieve effecten verbonden zijn (bv. kinderarbeid of aanzienlijke milieuschade) en de onderneming zonder succes alle due-diligencemaatregelen heeft uitgeput om deze effecten tegen te gaan, als uiterste maatregel de zakelijke relatie moet opschorten terwijl zij met die leverancier aan een oplossing werkt, zo mogelijk door deze opschorting als extra drukkingsmiddel te gebruiken;
lid 7 wijzigt artikel 13 betreffende betekenisvolle stakeholderbetrokkenheid, door in lid 3 punt a) te wijzigen en de punten c) en e) te schrappen, om zo duidelijk te maken dat ondernemingen alleen “relevante” stakeholders moeten betrekken, en zo te onderstrepen dat ondernemingen niet iedere mogelijke groep stakeholders hoeven te betrekken, maar zich kunnen beperken tot de stakeholders die een band hebben met het specifieke stadium van het due-diligenceproces dat wordt uitgevoerd (bv. getroffen personen bij het uitwerken van een herstelmaatregel). Daarnaast beperken de voorgestelde wijzigingen de fases van het due-diligenceproces waarin ondernemingen stakeholders moeten betrekken;
lid 8 wijzigt artikel 15 CSDDD betreffende monitoring, door de frequentie waarmee ondernemingen de adequaatheid en doeltreffendheid van due-diligencemaatregelen regelmatig moeten beoordelen, te verruimen van één jaar naar vijf jaar. Hiermee zullen de lasten aanzienlijk worden verminderd, niet alleen voor ondernemingen die onder de richtlijn vallen, maar ook voor hun zakelijke partners – vaak mkb-bedrijven – bij wie (gedetailleerde) informatieverzoeken in het kader van deze monitoringexercities uiteindelijk dreigen te belanden. Tegelijkertijd erkent het voorstel dat zakelijke relaties, en de risico’s en effecten van de activiteiten waarop die zakelijke relaties betrekking hebben, op termijn kunnen evolueren, soms vaak binnen een kort tijdsbestek. Ook kunnen maatregelen om potentiële of feitelijke effecten tegen te gaan, niet adequaat of doeltreffend blijken, op basis van ervaring opgedaan bij de uitvoering ervan, en kunnen aanwijzingen in die zin optreden vóór de datum voor de volgende regelmatige beoordeling. Daarom moet de onderneming in deze situaties ad-hocbeoordelingen uitvoeren;
lid 9 wijzigt artikel 19, lid 3, CSDDD zodat de Commissie haar algemene richtsnoeren met praktische handvatten en goede praktijken over hoe de due diligence overeenkomstig de richtlijn uit te voeren, binnen een halfjaar beschikbaar moet stellen;
lid 10 wijzigt artikel 22, lid 1, betreffende de transitieplannen van ondernemingen voor klimaatmitigatie om te zorgen voor meer juridische duidelijkheid en afstemming van de CSDDD op de regeling voor duurzaamheidsrapportage van de CSRD. Meer bepaald voert het voorstel een wijziging door wat betreft de eis om het transitieplan voor klimaatmitigatie ten uitvoer te leggen. Het voorstel maakt duidelijk dat het plan geplande en genomen uitvoeringsacties moet omvatten. De vaststelling van het plan en de oorspronkelijke en geactualiseerde uitwerking ervan blijft onderworpen aan administratief toezicht;
lid 11 vervangt artikel 27, lid 4, wat betreft het opleggen van geldboeten als onderdeel van de publieke handhaving. De huidige tekst van artikel 27 verduidelijkt nu al dat “[b]ij de beslissing over het al dan niet opleggen van sancties en zo ja, bij het bepalen van de aard en het passende niveau ervan”, naar behoren rekening moet worden gehouden met een reeks factoren die de ernst van de inbreuk bepalen (en met name de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, en de ernst van de gevolgen van die inbreuk) en de vraag of er verzachtende (bv. investeringen en gerichte steun) of verzwarende omstandigheden (bv. recidive) zijn. Daarnaast moeten volgens die bepaling sancties die worden opgelegd, “doeltreffend, evenredig en afschrikkend” zijn. Dit spoort met vergelijkbare bepalingen in andere EU-wetgevingshandelingen, zoals de algemene verordening gegevensbescherming (GDPR). Hoewel de richtlijn niet eist dat lidstaten een maximumbedrag voor geldboeten bepalen (d.w.z. een “maximum” of “plafond”), bepaalt de richtlijn dat, indien lidstaten niettemin beslissen om dat toch te doen, dit plafond “ten minste 5 % van de wereldwijde netto-omzet van de onderneming [bedraagt]”. Het invoeren van deze bepaling moest zorgen voor een gelijk speelveld binnen de Unie, door te vermijden dat lidstaten een plafond bepalen op een niveau dat de doeltreffendheid en het ontradende karakter zou aantasten van geldboeten die worden opgelegd aan ondernemingen in hun jurisdictie. Deze bepaling heeft echter tot verwarring geleid. Met name is zij, omdat dit soort plafond niets zegt over de daadwerkelijke geldboeten die in een specifieke zaak worden opgelegd, soms verkeerd begrepen als een minimumboetebedrag. Om de situatie te verduidelijken, pakken de voorgestelde wijzigingen de kwestie van het gelijke speelveld anders aan, nl. door de Commissie opdracht te geven in samenwerking met de lidstaten boeterichtsnoeren op te stellen (een instrument dat ook in andere domeinen bestaat, bv. mededingingsrecht en gegevensbescherming) en door lidstaten te verbieden een boeteplafond vast te stellen dat toezichthoudende autoriteiten zou beletten om geldboeten op te leggen overeenkomstig de in artikel 27, leden 1 en 2, beschreven factoren en beginselen. Voorts schrapt het voorstel het vereiste dat de geldboete in verhouding moet staan tot de wereldwijde netto-omzet van de onderneming;
lid 12 wijzigt artikel 29 CSDDD wat betreft de civielrechtelijke aansprakelijkheid door het schrappen van lid 1, lid 3, punt d), en lid 7 en door de leden 2, 4 en 5 te wijzigen, en wel als volgt:
schrappen van de specifieke, EU-brede aansprakelijkheidsregeling in de richtlijn. Tegelijk behouden de voorgestelde wijzigingen – in lijn met de kerndoelstelling van de richtlijn om slachtoffers te beschermen tegen schendingen van mensenrechten en milieuschade die resulteren uit activiteiten van bedrijven – de vereisten inzake daadwerkelijke toegang tot de rechter, met inbegrip van het recht op volledige schadevergoeding ingeval een onderneming aansprakelijk wordt gehouden voor niet-nakoming van de due-diligencevereisten uit hoofde van deze richtlijn overeenkomstig nationaal recht en wanneer die niet-nakoming schade heeft veroorzaakt, maar bieden zij ondernemingen wel bescherming tegen overcompensatie;
gelet op de verschillen in regels en tradities die op het nationale niveau bestaan waar het gaat om het toestaan van representatieve vorderingen: schrappen van het specifieke vereiste uit de CSDDD op dit punt; en
om dezelfde reden, schrappen van het vereiste dat de lidstaten ervoor zorgen dat de aansprakelijkheidsregels prevaleren in gevallen waarin het recht dat van toepassing is op vorderingen in die zin, niet het nationale recht van een lidstaat is; en
lid 13 schrapt artikel 36, lid 1, CSDDD, waarbij de eerste herzieningsclausule van de richtlijn wordt geschrapt die eiste dat de Commissie “niet later dan 26 juli 2026” bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indient over de noodzaak om op maat van gereglementeerde financiële ondernemingen aanvullende vereisten inzake due diligence op het gebied van duurzaamheid vast te stellen met betrekking tot het verrichten van financiële diensten en beleggingsactiviteiten, met vermelding van de verschillende opties voor dergelijke due-diligencevereisten en de gevolgen daarvan. Het voorstel is om deze herzieningsclausule te schrappen omdat zij geen tijd laat om rekening te houden met de ervaring die wordt opgedaan met het nieuw vastgestelde, algemene due-diligenceraamwerk.
Artikel 6 specificeert dat deze richtlijn in werking treedt op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijzing van de Richtlijnen 2006/43/EG, 2013/34/EU, (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering door ondernemingen en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven
(Voor de EER relevante tekst)
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 50 en 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 20 ,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
In haar mededeling van 11 februari 2025 met de titel “Een eenvoudiger en sneller Europa: mededeling over uitvoering en vereenvoudiging” 21 tekende de Europese Commissie een visie uit voor een uitvoerings- en vereenvoudigingsagenda die in de praktijk snelle en tastbare verbeteringen oplevert voor mensen en bedrijven. Dit vereist meer dan een incrementele benadering en de Unie moet voortvarend handelen om deze doelstelling te behalen. De Commissie, het Europees Parlement, de Raad, de autoriteiten van de lidstaten op alle niveaus en de belanghebbenden moeten samenwerken om de regelgeving van de EU, de lidstaten en de regio’s te stroomlijnen en te vereenvoudigen en het beleid doeltreffender uit te voeren.
De Commissie heeft de vaste wil om de rapportagedruk terug te dringen en het concurrentievermogen te versterken. In dat verband is het noodzakelijk om de Richtlijnen 2006/43/EG 22 , 2013/34/EU 23 , (EU) 2022/2464 24 en (EU) 2024/1760 van het Europees Parlement en de Raad 25 te wijzigen, zonder afbreuk te doen aan de beleidsdoelstellingen van de Europese Green Deal 26 en het actieplan duurzame financiering 27 .
Artikel 26 bis, lid 1, van Richtlijn 2006/43/EG schrijft voor dat lidstaten erop toezien dat wettelijke auditors en auditkantoren de assurance van duurzaamheidsrapportage uitvoeren met inachtneming van de standaarden voor assurance met een beperkte mate van zekerheid die door de Commissie zijn vastgesteld. Artikel 26 bis, lid 3, van die richtlijn schrijft voor dat de Commissie die standaarden tegen 1 oktober 2026 vaststelt. Ondernemingen hebben zich bezorgd getoond over de werkzaamheden van assuranceverleners en hebben aangegeven dat er behoefte was aan flexibiliteit bij het omgaan met specifieke risico’s en kritieke thema’s die in de domeinen van duurzaamheidsassurance worden geconstateerd. Om de Commissie in staat te stellen met die zorgen rekening te houden, moet zij meer flexibiliteit krijgen bij het vaststellen van die standaarden. Hoe dan ook zal de Commissie tegen 2026 gerichte assurancerichtsnoeren publiceren die de vereiste procedures verduidelijken die assuranceverleners moeten toepassen in het kader van hun assuranceopdracht met een beperkte mate van zekerheid, voordat zij de standaarden bij gedelegeerde handeling vaststelt.
Artikel 26 bis, lid 3, tweede alinea, van Richtlijn 2006/43/EG machtigt de Commissie om tegen 1 oktober 2028 standaarden voor assurance met een redelijke mate van zekerheid vast te stellen, na een beoordeling van de haalbaarheid. Om te vermijden dat assurancekosten voor ondernemingen stijgen, moet het vereiste worden geschrapt dat dergelijke standaarden voor een assurance met een redelijke mate van zekerheid worden vastgesteld.
Artikel 19 bis, lid 1, van Richtlijn 2013/34/EU schrijft voor dat grote ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (mkb-bedrijven) met tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU toegelaten effecten, met uitzondering van micro-ondernemingen, op individueel niveau een duurzaamheidsverslag opstellen en publiceren. Om de rapportagedruk voor ondernemingen te verminderen, moet de verplichting om een duurzaamheidsverslag op individueel niveau op te stellen en te publiceren, worden beperkt tot grote ondernemingen met een gemiddelde van meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar. Gelet op het feit dat een onderneming als “groot” wordt beschouwd wanneer zij twee van de drie criteria van artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2013/34/EU overschrijdt, betekent een en ander dat een onderneming, om aan de rapportageverplichtingen onderworpen te zijn, een gemiddelde van meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar moet hebben en ofwel een netto-omzet van meer dan 50 miljoen of een balanstotaal van meer dan 25 miljoen EUR.
Een evenwicht moet worden gezocht tussen de doelstellingen van datageneratie en het terugdringen van de regeldruk. Duurzaamheidsrapportage, met inbegrip van de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad 28 bedoelde informatie, van grote ondernemingen met een gemiddelde van meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar is onmisbaar voor een goed begrip van de transitie naar een klimaatneutrale economie. In het licht van het evenwicht dat moet worden bereikt tussen de doelstellingen van datageneratie en het terugdringen van de regeldruk, moeten grote ondernemingen die binnen het nieuwe toepassingsbereik van duurzaamheidsrapportage vallen en een netto-omzet van minder dan 450 000 000 EUR over het boekjaar hebben, de mogelijkheid hebben om de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde informatie flexibeler te rapporteren. De Commissie moet worden gemachtigd om regels vast te stellen tot aanvulling van de rapportageregeling voor die ondernemingen. Met name moet worden verduidelijkt dat de Commissie gemachtigd is om de rapportageregeling te specificeren voor activiteiten die slechts gedeeltelijk op de taxonomie zijn afgestemd.
Artikel 1, lid 3, van Richtlijn 2013/34/EU specificeert dat kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen die grote ondernemingen zijn of kleine en middelgrote ondernemingen (met uitzondering van micro-ondernemingen) waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU zijn toegelaten, onderworpen zijn aan de in die richtlijn bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportage, ongeacht hun rechtsvorm. Gelet op het feit dat het toepassingsbereik van individuele duurzaamheidsrapportage moet worden beperkt tot grote ondernemingen met een gemiddelde van meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar, moet die beperking van het toepassingsbereik ook gelden voor kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen.
De Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (“EFSF”) die is ingesteld bij de EFSF-Kaderovereenkomst, is onderworpen aan de vereisten inzake duurzaamheidsrapportage van Richtlijn 2013/34/EU, ook al is zij krachtens artikel 8 van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad 29 vrijgesteld van de regeling inzake duurzaamheidsrapportage uit die laatste richtlijn. Ook al is de EFSF een grote onderneming met een in bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU vermelde rechtsvorm, toch heeft zij een mandaat – het waarborgen van de financiële stabiliteit binnen de Unie door tijdelijke financiële bijstand te verlenen aan lidstaten met de euro als valuta – dat grotendeels vergelijkbaar is met het mandaat van het Europees stabiliteitsmechanisme (“ESM”), dat niet onderworpen is aan vereisten inzake duurzaamheidsrapportage. Wil de EFSF dezelfde behandeling ten aanzien van duurzaamheidsrapportage kunnen krijgen als het ESM, en ter wille van de coherentie met de uitzonderingsregeling uit Richtlijn 2004/109/EG, dan moet het EFSF worden vrijgesteld van de in Richtlijn 2013/34/EG bepaalde regeling inzake duurzaamheidsrapportage.
Artikel 19 bis, lid 3, van Richtlijn 2013/34/EU schrijft voor dat ondernemingen informatie rapporteren over de eigen activiteiten van de onderneming en over haar waardeketen. Het is noodzakelijk om de rapportagedruk terug te dringen voor ondernemingen in de waardeketen die niet over hun duurzaamheid hoeven te rapporteren. De rapporterende onderneming mag, ten behoeve van de rapportage van duurzaamheidsinformatie op individueel of op geconsolideerd niveau, zoals voorgeschreven door Richtlijn 2013/34/EU, en onverminderd Unievereisten om een due-diligenceproces toe te passen, dus niet trachten om van in of buiten de Unie gevestigde ondernemingen in haar waardeketen die over het boekjaar gemiddeld tot 1 000 werknemers hebben, informatie te verkrijgen die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de standaarden voor vrijwillig gebruik door ondernemingen die niet over hun duurzaamheid hoeven te rapporteren. De rapporterende onderneming moet echter wel de mogelijkheid hebben om bij dergelijke ondernemingen in haar waardeketen aanvullende duurzaamheidsinformatie op te vragen die doorgaans wordt gedeeld tussen ondernemingen uit de betrokken bedrijfstak. Ondernemingen die overeenkomstig die beperkingen over hun waardeketen rapporteren, moeten worden geacht te voldoen aan hun verplichtingen inzake duurzaamheidsrapportage. Assuranceverleners moeten hun assuranceverklaring opstellen met inachtneming van de verplichting voor ondernemingen om niet te trachten van ondernemingen in hun waardeketen die over het boekjaar gemiddeld tot 1 000 werknemers hebben, informatie te verkrijgen die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de standaarden voor vrijwillig gebruik door ondernemingen die niet over hun duurzaamheid hoeven te rapporteren. Daartoe moet de Commissie worden gemachtigd om een gedelegeerde handeling vast te stellen met standaarden voor duurzaamheidsrapportage voor vrijwillig gebruik door ondernemingen die niet over hun duurzaamheid hoeven te rapporteren. Die standaarden moeten evenredig zijn aan en relevant voor de capaciteiten en de kenmerken van die ondernemingen en de schaal en complexiteit van hun activiteiten. Die standaarden moeten ook, voor zover mogelijk, de structuur specificeren die voor het weergeven van die informatie moet worden aangehouden.
Artikel 29 quater, lid 1, van Richtlijn 2013/34/EU biedt kleine en middelgrote ondernemingen met tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU toegelaten effecten, kleine en niet-complexe instellingen en (her)verzekeringscaptives de mogelijkheid om duurzaamheidsinformatie te rapporteren volgens de door de Commissie vast te stellen beperkte reeks standaarden. Gelet op het feit dat kleine en middelgrote ondernemingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU zijn toegelaten, moeten worden uitgesloten van duurzaamheidsrapportage, moet de machtiging voor de Commissie om gedelegeerde handelingen met standaarden voor duurzaamheidsrapportage vast te stellen, voor die kleine en middelgrote ondernemingen worden geschrapt.
Artikel 19 bis, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU biedt kleine en middelgrote ondernemingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU zijn toegelaten, de mogelijkheid van een opt-out uit de duurzaamheidsrapportage voor de eerste twee jaar dat die vereisten van toepassing zijn. Gelet op het feit dat kleine en middelgrote ondernemingen moeten worden uitgesloten van de duurzaamheidsrapportage, moet de bepaling die een opt-out voor twee jaar toestaat, worden geschrapt.
Artikel 29 bis, lid 1, van Richtlijn 2013/34/EU schrijft voor dat moederondernemingen van grote groepen een duurzaamheidsverslag op geconsolideerd niveau moeten opstellen en publiceren. Om de rapportagedruk op die moederondernemingen terug te dringen, moet het toepassingsbereik van die verplichting worden teruggebracht tot moederondernemingen van grote groepen met, op geconsolideerde basis, een gemiddelde van meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar.
Artikel 29 ter, lid 1, derde alinea, van Richtlijn 2013/34/EU machtigt de Commissie om sectorspecifieke rapportagestandaarden vast te stellen door middel van gedelegeerde handelingen, waarbij een eerste reeks van deze standaarden tegen 30 juni 2026 zou worden vastgesteld. Om te vermijden dat het aantal voorgeschreven datapunten dat ondernemingen moeten rapporteren toeneemt, moet die machtiging worden geschrapt.
Artikel 29 ter, lid 4, van Richtlijn 2013/34/EU schrijft voor dat standaarden inzake duurzaamheidsrapportage geen rapportage mogen specificeren die ondernemingen verplicht om van kleine en middelgrote ondernemingen in hun waardeketen informatie te verkrijgen die verder gaat dan de informatie die moet worden gerapporteerd krachtens de standaarden inzake duurzaamheidsrapportage voor kleine en middelgrote ondernemingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU zijn toegelaten. Gelet op het feit dat kleine en middelgrote ondernemingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU zijn toegelaten, moeten worden uitgesloten van duurzaamheidsrapportage, en om de rapportagedruk te verminderen voor ondernemingen in de waardeketen die niet over hun duurzaamheid hoeven te rapporteren, mogen de standaarden inzake duurzaamheidsrapportage geen rapportage specificeren die ondernemingen verplicht om van ondernemingen in hun waardeketen die over het boekjaar gemiddeld tot 1 000 werknemers hebben, informatie te verkrijgen die verder gaat dan de informatie die moet worden gerapporteerd krachtens de standaarden voor duurzaamheidsrapportage voor vrijwillig gebruik door ondernemingen die niet over hun duurzaamheid hoeven te rapporteren.
Artikel 29 quinquies van Richtlijn 2013/34/EU schrijft voor dat ondernemingen die moeten voldoen aan de vereisten van artikel 19 bis en 29 bis van die richtlijn, hun bestuursverslag, of geconsolideerde bestuursverslag, in voorkomend geval, opstellen in het in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815 van de Commissie 30 gespecificeerde elektronisch verslagleggingsformaat en hun duurzaamheidsrapportage van markup (tagging) voorzien, met inbegrip van de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad 31 bedoelde rapportage, overeenkomstig het in die gedelegeerde verordening te specificeren elektronische verslagleggingsformaat. Om ondernemingen duidelijkheid te verschaffen, moet worden gespecificeerd dat, in afwachting dat markupregels worden vastgesteld bij middel van een gedelegeerde verordening, ondernemingen niet verplicht mogen worden hun duurzaamheidsrapportage van markup te voorzien.
Artikel 33, lid 1, van Richtlijn 2013/34/EU specificeert dat de leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen van een onderneming collectief de verantwoordelijkheid hebben ervoor te zorgen dat een reeks documenten worden opgesteld en gepubliceerd overeenkomstig de eisen van die richtlijn Om ondernemingen de nodige flexibiliteit te bieden en hun rapportagedruk te verminderen, moet worden gespecificeerd dat de collectieve verantwoordelijkheid van de leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen van een onderneming voor de inachtneming van de vereisten van artikel 29 quinquies van die richtlijn wat betreft de digitalisering van het bestuursverslag beperkt blijft tot de publicatie ervan in het uniform elektronische formaat, met inbegrip van de markup van de daarin vervatte duurzaamheidsrapportage.
Krachtens artikel 40 bis, lid 1, vierde en vijfde alinea, van Richtlijn 2013/34/EU moet een dochteronderneming in de Unie van een onderneming uit een derde land die in de Unie een netto-omzet van meer dan 150 miljoen EUR genereert, of, bij gebreke van dit soort dochteronderneming, een bijkantoor in de Unie dat in de Unie een netto-omzet van meer dan 40 miljoen EUR genereert, op het groepsniveau van de moederonderneming uit het derde land duurzaamheidsinformatie publiceren en toegankelijk maken. Om te komen tot nauwere afstemming op de criteria die worden gebruikt om te bepalen welke ondernemingen onder Richtlijn (EU) 2024/1760 vallen, moet de netto-omzetdrempel voor de onderneming uit een derde land worden opgetrokken van 150 000 000 EUR naar 450 000 000. Ter wille van de coherentie en de vermindering van de lasten, moet de grootte van een onderneming en bijkantoor die dient om te bepalen of deze onder artikel 40 bis vallen, worden bijgesteld. De grootte van een dochteronderneming moet die van een grote onderneming zijn, terwijl de netto-omzetcriteria voor een bijkantoor moeten worden opgetrokken van 40 000 000 EUR naar 50 000 000 EUR, zodat deze worden afgestemd op de netto-omzetdrempel voor grote ondernemingen.
Artikel 5, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn (EU) 2022/2464 specificeert vanaf welke datums de lidstaten de in Richtlijn 2013/34/EU bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportage moeten toepassen, waarbij die datums verschillen afhankelijk van de grootte van de betrokken onderneming. Gelet op het feit dat de reikwijdte van de vereisten inzake individuele duurzaamheidsrapportage moet worden beperkt zodat deze alleen grote ondernemingen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar omvat, en het feit dat de reikwijdte van de vereisten inzake geconsolideerde duurzaamheidsrapportage dienovereenkomstig moet worden beperkt, moeten de criteria voor het bepalen van de toepassingsdatums worden bijgesteld, en moet de vermelding van kleine en middelgrote ondernemingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU zijn toegelaten, worden geschrapt.
Artikel 5, lid 2, derde alinea, van Richtlijn (EU) 2022/2464 specificeert vanaf welke datums de lidstaten de in Richtlijn 2004/109/EU bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportage moeten toepassen, waarbij die datums verschillen afhankelijk van de grootte van de betrokken emittent. Gelet op het feit dat de reikwijdte van de vereisten inzake individuele duurzaamheidsrapportage moet worden beperkt zodat deze alleen grote ondernemingen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar omvat, en het feit dat de reikwijdte van de vereisten inzake geconsolideerde duurzaamheidsrapportage dienovereenkomstig moet worden beperkt, moeten de criteria voor het bepalen van de toepassingsdatums worden bijgesteld, en moet de vermelding van kleine en middelgrote ondernemingen worden geschrapt.
Artikel 4, lid 1, van Richtlijn (EU) 2024/1760 verbiedt lidstaten om op het gebied dat onder de richtlijn valt, in hun nationale recht bepalingen op te nemen waarin due-diligenceverplichtingen op het gebied van mensenrechten en milieu worden vastgelegd die afwijken van die van artikel 8, leden 1 en 2, en artikel 10, lid 1, van die richtlijn. Om te voorkomen dat lidstaten verder gaan dan die richtlijn en om te vermijden dat een gecompartimenteerd regelgevingslandschap tot stand komt dat resulteert in rechtsonzekerheid en nodeloze lasten, moeten de bepalingen van Richtlijn (EU) 2024/1760 inzake volledige harmonisatie worden uitgebreid met aanvullende bepalingen die de kernaspecten van het due-diligenceproces regelen. Dat omvat met name de identificatieplicht, de verplichtingen om negatieve effecten die zijn geconstateerd of hadden moeten worden geconstateerd, aan te pakken, de verplichtingen om in bepaalde gevallen stakeholders te betrekken en de verplichting om te voorzien in een klachten- en meldingsmechanisme. Tegelijk moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om strengere of specifiekere bepalingen in te voeren over andere aspecten, onder meer om risico’s tegen te gaan die opduiken bij nieuwe producten of diensten.
Artikel 5 van Richtlijn (EU) 2024/1760 verplicht lidstaten om erop toe te zien dat grote ondernemingen vanaf een bepaalde grootte risicogebaseerde due diligence uitvoeren voor mensenrechten en milieu. Om de lasten te verminderen voor ondernemingen die aan deze verplichting moeten voldoen, moet de vereiste due diligence – in de regel – beperkt blijven tot de eigen activiteiten van de onderneming, die van haar dochterondernemingen en die van haar directe zakelijke partners (“tier 1”). Bijgevolg moet, in het geval van zakelijke relaties, van ondernemingen worden verlangd dat zij, na het in kaart brengen van hun activiteitenketens, alleen voor hun directe zakelijke partners diepgaande beoordelingen uitvoeren. Ondernemingen moeten evenwel verder kijken dan hun directe zakelijke relaties wanneer zij over plausibele informatie beschikken die wijst op een negatief effect op het niveau van een indirecte zakelijke partner. Met “plausibele informatie” wordt informatie met een objectief karakter bedoeld aan de hand waarvan de onderneming kan concluderen dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat die informatie waar is. Dit kan het geval zijn wanneer de betrokken onderneming een klacht heeft ontvangen of in het bezit is van informatie – door bijvoorbeeld geloofwaardige berichten in de media of van ngo’s, meldingen van recente incidenten, of via recurrente problemen op bepaalde locaties – over waarschijnlijke of daadwerkelijke schadelijke activiteiten op het niveau van een indirecte zakelijke partner. Wanneer de onderneming over dit soort informatie beschikt, moet zij een diepgaande beoordeling uitvoeren. Ondernemingen moeten ook diepgaande beoordelingen uitvoeren voor negatieve effecten die zich op een niveau onder dat van hun directe zakelijke partner voordoen, wanneer er voor de structuur van deze zakelijke relatie geen economische argumenten zijn en deze structuur erop wijst dat zij is gekozen zodat een leverancier met schadelijke activiteiten die anders een directe leverancier zou zijn, buiten de verantwoordelijkheid van de onderneming zou vallen. Wanneer de diepgaande beoordeling de waarschijnlijkheid of het bestaan van het negatieve effect bevestigt, moet dat effect geacht worden te zijn geconstateerd. Daarnaast moet ondernemingen trachten ervoor te zorgen dat hun gedragscode – die onderdeel is van hun due-diligencebeleid en de verwachtingen formuleert ten aanzien van de vraag hoe mensenrechten (met inbegrip van arbeidsrechten) en het milieu worden beschermd bij de bedrijfsactiviteiten – wordt gevolgd doorheen de hele activiteitenketen overeenkomstig “contractual cascading” en overeenkomstig de vereisten voor steun voor kleine en middelgrote ondernemingen.
Om het “doorsijpeleffect” naar kleine en middelgrote ondernemingen en naar kleine midcaps te beperken wanneer het gaat om het karteren van de waardeketen om negatieve effecten in beeld te brengen, moeten grote ondernemingen hun informatieverzoeken beperken tot de informatie gespecificeerd in de in artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU bedoelde standaarden voor vrijwillig gebruik, tenzij zij aanvullende informatie nodig hebben om die kartering te kunnen uitvoeren en zij die informatie niet op een andere redelijke wijze kunnen verkrijgen.
Ondernemingen kunnen zich in situaties bevinden waarin hun productie sterk afhankelijk is van inputs van een of meer specifieke leveranciers. Tegelijkertijd is het zo dat een onderneming, wanneer aan de bedrijfsactiviteiten van dit soort leverancier ernstige negatieve effecten verbonden zijn (met inbegrip van kinderarbeid of aanzienlijke milieuschade) en de onderneming zonder succes alle due-diligencemaatregelen heeft uitgeput om deze effecten tegen te gaan, als uiterste maatregel de zakelijke relatie moet opschorten terwijl zij met die leverancier aan een oplossing werkt, zo mogelijk door deze opschorting als extra drukkingsmiddel te gebruiken.
Om de lasten voor ondernemingen te verlichten en stakeholderbetrokkenheid evenrediger te maken, hoeven ondernemingen alleen werknemers, hun vertegenwoordigers zoals vakbonden, en personen en gemeenschappen van wie rechten of belangen direct worden geraakt, of kunnen worden geraakt, door de producten en activiteiten van de onderneming, haar dochterondernemingen en haar zakelijke partners, en die een band hebben met de specifieke fase van het due-diligenceproces dat wordt uitgevoerd. Dat omvat personen of gemeenschappen in de buurt van door zakelijke partners geëxploiteerde fabrieken wanneer die personen of gemeenschappen rechtstreeks worden beïnvloed door vervuiling, of inheemse volkeren die hun recht op land of hulpbronnen rechtstreeks geraakt zien door de wijze waarop een zakelijke partner land, bossen of water verwerft, ontwikkelt of anderszins gebruikt. Bovendien moet stakeholderbetrokkenheid alleen vereist zijn voor bepaalde delen van het due-diligenceproces – nl. de identificatiefase – voor de ontwikkeling van (versterkte) actieplannen en bij het vormgeven van herstelmaatregelen.
Om de regeldruk voor ondernemingen te verminderen, moet de termijn voor de Commissie om algemene due-diligencerichtsnoeren vast te stellen, worden vervroegd naar 26 juli 2026. Parallel hiermee moet de toepassingsdatum van Richtlijn (EU) 2024/1760 voor de eerste groep ondernemingen, overeenkomstig Richtlijn (EU) XXX/XXX 32 , worden uitgesteld naar 26 juli 2028. Die periode van twee jaar moet ondernemingen voldoende tijd geven om bij het nemen van due-diligencemaatregelen rekening te houden met de praktische houvast en goede praktijken uit de richtsnoeren van de Commissie.
Om Richtlijn (EU) 2024/1760 beter af te stemmen op de regeling inzake duurzaamheidsrapportage van Richtlijn (EU) 2022/2464, moet het vereiste om het transitieplan voor klimaatmitigatie ten uitvoer te leggen, worden vervangen door een verduidelijking dat de verplichting voor ondernemingen om een transitieplan vast te stellen ook – geplande en genomen – uitvoeringsmaatregelen omvat. De verplichting om het plan en de oorspronkelijke en geactualiseerde uitwerking ervan vast te stellen, blijft onderworpen aan administratief toezicht.
Artikel 27, lid 1, van Richtlijn (EU) 2024/1760 schrijft voor dat lidstaten sancties vaststellen die “doeltreffend, evenredig en afschrikkend” moeten zijn. Artikel 27, lid 2, van die richtlijn schrijft voor dat lidstaten, bij de beslissing over het al dan niet opleggen van sancties en zo ja, bij het bepalen van de aard en het passende niveau ervan, naar behoren rekening moet houden met een reeks factoren die de ernst van de inbreuk bepalen en met verzachtende of verzwarende omstandigheden. Artikel 27, lid 4, van die richtlijn schrijft voor dat lidstaten opgelegde geldboeten baseren op de wereldwijde netto-omzet van de betrokken ondernemingen. Aangezien lidstaten echter al de in artikel 27, lid 2, van die richtlijn bepaalde reeks factoren in aanmerking moeten nemen, is de noodzaak om geldboeten op de wereldwijde netto-omzet van de betrokken ondernemingen te baseren, overbodig. Om evenwel een gelijk speelveld in de hele Unie te borgen, moet het lidstaten worden verboden om in hun nationale wetgeving voor aan onder hun jurisdictie vallende ondernemingen op te leggen geldboeten een plafond of maximum op te nemen dat toezichthoudende autoriteiten zou beletten om geldboeten op te leggen overeenkomstig de in artikel 27, lid 2, bepaalde factoren. Voorts moet de Commissie, om handhavingspraktijken binnen de Unie te harmoniseren, in samenwerking met de lidstaten, richtsnoeren uitwerken die toezichthoudende autoriteiten helpen bij het bepalen van de hoogte van geldboeten.
Om mogelijke risico’s op geschillen in verband met de geharmoniseerde regeling inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid van Richtlijn (EU) 2024/1760 te beperken, moet de specifieke, Uniebrede aansprakelijkheidsregeling waarin artikel 29, lid 1, van die richtlijn voorziet, worden geschrapt. Tegelijk moet, op grond van zowel internationaal recht als Unierecht, van lidstaten worden verlangd dat zij erop toezien dat slachtoffers van negatieve effecten daadwerkelijke toegang tot de rechter hebben en hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte gegarandeerd zien, zoals vastgelegd in artikel 2, lid 3, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 8 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 9, lid 3, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus) en artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten. Lidstaten moeten er dus op toezien dat, ingeval een onderneming aansprakelijk wordt gehouden voor niet-nakoming van de in Richtlijn (EU) 2024/1760 vastgelegde due-diligenceverplichtingen, en die niet-nakoming schade heeft veroorzaakt, slachtoffers volledige compensatie kunnen krijgen, die moet worden toegekend in overeenstemming met de beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid, zij het met de nodige garanties om overcompensatie te voorkomen. Gelet op de verschillen in regels en tradities die op het nationale niveau bestaan waar het gaat om het toestaan van representatieve vorderingen, moet het specifieke vereiste op dat punt in Richtlijn( EU) 2024/1760 worden geschrapt. Die schrapping doet niet af aan bepalingen van het toepasselijke nationale recht die een vakbond, niet-gouvernementele mensenrechten- of milieuorganisatie, een andere niet-gouvernementele organisatie of een nationale mensenrechteninstelling toestaan om vorderingen in te stellen om de rechten van de mogelijk benadeelde partij af te dwingen, of om dit soort vorderingen die door dergelijke partij worden ingesteld, te ondersteunen. Voorts moet, om dezelfde reden, het vereiste worden geschrapt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de aansprakelijkheidsregels prevaleren in gevallen waarin het recht dat van toepassing is op vorderingen in die zin, niet het nationale recht van de lidstaat is. Die schrapping houdt geen beperking in van de mogelijkheid voor lidstaten om te bepalen dat de nationaalrechtelijke bepalingen tot omzetting van artikel 29 van Richtlijn (EU) 2024/1760, overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 864/2007, prevaleren in gevallen waarin het recht dat van toepassing is op vorderingen in die zin, niet het recht van een lidstaat is.
Artikel 36, lid 1, van Richtlijn (EU) 2024/1760 schrijft voor dat de Commissie niet later dan 26 juli 2026 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indient over de noodzaak om op maat van gereglementeerde financiële ondernemingen aanvullende due-diligencevereisten voor duurzaamheid vast te stellen met betrekking tot het verrichten van financiële diensten en beleggingsactiviteiten, met vermelding van de verschillende opties voor dergelijke due-diligencevereisten en de gevolgen daarvan. Aangezien die herzieningsclausule geen tijd laat om rekening te houden met de ervaring die wordt opgedaan met het nieuw vastgestelde, algemene due-diligenceraamwerk, moet deze worden geschrapt.
Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Richtlijn 2006/43/EG, Richtlijn 2013/34/EU, Richtlijn (EU) 2022/2464 en Richtlijn (EU) 2024/1760 moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van Richtlijn 2006/43/EG
Richtlijn 2006/43/EG wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 26 bis wordt lid 3 vervangen door:
“3. De Commissie wordt gemachtigd om in aanvulling op deze richtlijn overeenkomstig artikel 48 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde te voorzien in beperkte-assurancestandaarden die de procedures bepalen die de auditor of auditors en het auditkantoor of de auditkantoren moeten uitvoeren om zijn of haar of hun conclusies te trekken over de assurance van duurzaamheidsrapportering, met inbegrip van opdrachtplanning, risicobeoordeling en respons op risico’s, en van het soort conclusies die in de assuranceverklaring over de duurzaamheidsrapportering of, waar van toepassing, in de controleverklaring moeten worden opgenomen.
De Commissie kan de in de eerste alinea bedoelde assurancestandaarden enkel goedkeuren wanneer die standaarden:
volgens geijkte procedures, onder publiek toezicht en op transparante wijze zijn opgesteld;
bijdragen tot een grote geloofwaardigheid en hoge kwaliteit van de jaarlijkse of geconsolideerde duurzaamheidsrapportering; en
bevorderlijk zijn voor het algemeen belang van de Unie.”.
In artikel 48 bis, lid 2, wordt de tweede alinea vervangen door:
“De in artikel 26 bis, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd.”.
Artikel 2
Wijzigingen van Richtlijn 2013/34/EG
Richtlijn 2013/34/EG wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
in lid 3 wordt de aanhef vervangen door:
“De in de artikelen 19 bis, 19 ter, 29 bis, 29 bis bis, 29 quinquies, 30 en 33, artikel 34, lid 1, tweede alinea, punt a bis), artikel 34, leden 2 en 3, en artikel 51 van deze richtlijn voorgeschreven coördinatiemaatregelen zijn ook van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die betrekking hebben op de volgende ondernemingen, ongeacht hun rechtsvorm, op voorwaarde dat het daarbij grote ondernemingen betreft die, op hun balansdatum, het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar overschrijden:”;
lid 4 wordt vervangen door:
“4. De in de artikelen 19 bis, 29 bis en 29 quinquies voorgeschreven coördinatiemaatregelen zijn niet van toepassing op de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) die is ingesteld bij de EFSF-Kaderovereenkomst, noch op in artikel 2, punt 12), b) en f), van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad* vermelde financiële producten.
_____________________________________________
* Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317, 9.12.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/2088/oj).”.
Artikel 19 bis wordt als volgt gewijzigd:
in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:
“Grote ondernemingen die, op hun balansdatum, het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar overschrijden, nemen in hun bestuursverslag informatie op die nodig is om inzicht te krijgen in de effecten van de onderneming op duurzaamheidskwesties, alsmede informatie die nodig is om te begrijpen hoe duurzaamheidskwesties van invloed zijn op de ontwikkeling, de prestaties en de positie van de onderneming.”;
lid 3 wordt als volgt gewijzigd:
de eerste alinea wordt vervangen door:
“De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie bevat, in voorkomend geval, informatie over de eigen activiteiten en over de waardeketen van de onderneming, met inbegrip van haar producten en diensten, haar zakelijke betrekkingen en haar toeleveringsketen. De lidstaten zorgen ervoor dat, ten behoeve van de rapportering van duurzaamheidsinformatie zoals vereist door deze richtlijn, ondernemingen niet trachten om van ondernemingen in hun waardeketen die, op hun balansdatum, het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar niet overschrijden, informatie te verkrijgen die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de in artikel 29 quater bis bedoelde standaarden voor vrijwillig gebruik, met uitzondering van aanvullende duurzaamheidsinformatie die doorgaans wordt gedeeld tussen ondernemingen uit de betrokken bedrijfstak. Ondernemingen die de noodzakelijke informatie over hun waardeketen rapporteren zonder van ondernemingen in hun waardeketen die, op hun balansdatum, het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar niet overschrijden, informatie te rapporteren die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de in artikel 29 quater bis bedoelde standaarden voor vrijwillig gebruik, met uitzondering van aanvullende duurzaamheidsinformatie die doorgaans wordt gedeeld tussen ondernemingen uit de betrokken bedrijfstak, worden geacht te hebben voldaan aan de in dit lid beschreven verplichting om informatie over de waardeketen te rapporteren.”;
de volgende alinea wordt toegevoegd:
“De eerste alinea doet geen afbreuk aan de vereisten van de Unie voor ondernemingen om een passende zorgvuldigheidsprocedure uit te voeren.”;
de leden 6 en 7 worden geschrapt.
Het volgende artikel 19 ter wordt ingevoegd:
“Artikel 19 bis
Facultatieve taxonomierapportering voor bepaalde ondernemingen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat, in afwijking van artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852, in artikel 19 bis, lid 1, van deze richtlijn bedoelde ondernemingen die, op hun balansdatum, een netto-omzet van 450 000 000 EUR over het boekjaar niet overschrijden, de leden 2, 3 en 4, van deze richtlijn toepassen.
2. Een in lid 1 bedoelde onderneming die aanvoert dat haar activiteiten verband houden met economische activiteiten die uit hoofde van de artikelen 3 en 9 van Verordening (EU) 2020/852 als ecologisch duurzaam kwalificeren, of met economische activiteiten die slechts aan bepaalde vereisten van die bepalingen voldoen, neemt in haar bestuursverslag informatie op over de wijze waarop en de mate waarin haar activiteiten verband houden met die economische activiteiten.
3. Met name rapporteert een niet-financiële onderneming die aanvoert dat haar activiteiten verband houden met economische activiteiten die uit hoofde van de artikelen 3 en 9 van Verordening (EU) 2020/852 als ecologisch duurzaam kwalificeren, de volgende indicatoren:
het aandeel van haar omzet uit producten of diensten die verband houden met economische activiteiten die uit hoofde van de artikelen 3 en 9 van die verordening als ecologisch duurzaam kwalificeren;
het aandeel van haar kapitaaluitgaven met betrekking tot activa of processen die verband houden met economische activiteiten die uit hoofde van de artikelen 3 en 9 van die verordening als ecologisch duurzaam kwalificeren.
Een niet-financiële onderneming die de in de eerste alinea bedoelde indicatoren rapporteert, mag het aandeel rapporteren van haar operationele uitgaven met betrekking tot activa of processen die verband houden met economische activiteiten die uit hoofde van de artikelen 3 en 9 van Verordening (EU) 2020/852 als ecologisch duurzaam kwalificeren.
4. Met name rapporteert een niet-financiële onderneming die aanvoert dat haar activiteiten verband houden met economische activiteiten die slechts aan bepaalde vereisten van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 voldoen, de volgende indicatoren:
het aandeel van haar omzet uit producten of diensten die verband houden met economische activiteiten die slechts aan bepaalde vereisten van artikel 3 van die verordening voldoen;
het aandeel van haar kapitaaluitgaven met betrekking tot activa of processen die verband houden met economische activiteiten die slechts aan bepaalde vereisten van artikel 3 van die verordening voldoen.
Een niet-financiële onderneming die de in de eerste alinea bedoelde indicatoren rapporteert, mag het aandeel rapporteren van haar operationele uitgaven met betrekking tot activa of processen die verband houden met economische activiteiten die slechts aan bepaalde vereisten van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 voldoen.
5. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 49 een gedelegeerde handeling vast tot aanvulling van de leden 1, 2, 3 en 4 van dit artikel die de inhoud en presentatie van de op grond van die leden te rapporteren informatie specificeert, met inbegrip van de inhoud van de informatie betreffende economische activiteiten die slechts aan bepaalde van de in artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 bepaalde criteria voldoen, en de methode die moet worden gebruikt om daaraan te voldoen, rekening houdende met de specifieke kenmerken van zowel financiële als niet-financiële ondernemingen en de op grond van deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria.”.
Artikel 29 bis wordt als volgt gewijzigd:
in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:
“Moederondernemingen van een grote groep die, op zijn balansdatum het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers, op geconsolideerde basis, over het financiële jaar overschrijdt, nemen in het geconsolideerde bestuursverslag informatie op die nodig is om inzicht te krijgen in de effecten van de groep op duurzaamheidskwesties, alsmede informatie die nodig is om te begrijpen hoe duurzaamheidskwesties van invloed zijn op de ontwikkeling, de prestaties en de positie van de groep.”;
lid 3 wordt als volgt gewijzigd:
de eerste alinea wordt vervangen door:
“De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie bevat, in voorkomend geval, informatie over de eigen activiteiten en over de waardeketen van de groep, met inbegrip van zijn producten en diensten, zijn zakelijke betrekkingen en zijn toeleveringsketen. De lidstaten zorgen ervoor dat, ten behoeve van de rapportering van duurzaamheidsinformatie zoals vereist door deze richtlijn, ondernemingen niet trachten om van ondernemingen in hun waardeketen die, op hun balansdatum, het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar niet overschrijden, informatie te verkrijgen die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de in artikel 29 quater bis bedoelde standaarden voor vrijwillig gebruik, met uitzondering van aanvullende duurzaamheidsinformatie die doorgaans wordt gedeeld tussen ondernemingen uit de betrokken bedrijfstak. Ondernemingen die de noodzakelijke informatie over hun waardeketen rapporteren zonder van ondernemingen in hun waardeketen die, op hun balansdatum, het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar niet overschrijden, informatie te rapporteren die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de in artikel 29 quater bis bedoelde standaarden voor vrijwillig gebruik, met uitzondering van aanvullende duurzaamheidsinformatie die doorgaans wordt gedeeld tussen ondernemingen uit de betrokken bedrijfstak, worden geacht te hebben voldaan aan de in dit lid beschreven verplichting om informatie over de waardeketen te rapporteren.”;
de volgende alinea wordt toegevoegd:
“De eerste alinea doet geen afbreuk aan de vereisten van de Unie voor ondernemingen om een passende zorgvuldigheidsprocedure uit te voeren.”.
Het volgende artikel 29 bis bis wordt ingevoegd:
“Artikel 29 bis bis
Facultatieve taxonomierapportering voor bepaalde moederondernemingen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat, in afwijking van artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852, in artikel 29 bis, lid 1, van deze richtlijn bedoelde moederondernemingen die, op hun balansdatum, een netto-omzet van 450 000 000 EUR, op geconsolideerde basis, over het boekjaar niet overschrijden, de leden 2, 3 en 4, van deze richtlijn toepassen.
2. Een in lid 1 bedoelde moederonderneming die aanvoert dat haar activiteiten verband houden met economische activiteiten die uit hoofde van de artikelen 3 en 9 van Verordening (EU) 2020/852 als ecologisch duurzaam kwalificeren, of met economische activiteiten die slechts aan bepaalde vereisten van die bepalingen voldoen, neemt in haar bestuursverslag informatie op over de wijze waarop en de mate waarin haar activiteiten verband houden met die economische activiteiten.
3. Met name rapporteert een niet-financiële moederonderneming die aanvoert dat haar activiteiten verband houden met economische activiteiten die uit hoofde van de artikelen 3 en 9 van Verordening (EU) 2020/852 als ecologisch duurzaam kwalificeren, de volgende indicatoren:
het aandeel van haar omzet uit producten of diensten die verband houden met economische activiteiten die uit hoofde van de artikelen 3 en 9 van die verordening als ecologisch duurzaam kwalificeren;
het aandeel van haar kapitaaluitgaven met betrekking tot activa of processen die verband houden met economische activiteiten die uit hoofde van de artikelen 3 en 9 van die verordening als ecologisch duurzaam kwalificeren.
Een niet-financiële moederonderneming die de in de eerste alinea bedoelde indicatoren rapporteert, mag het aandeel rapporteren van haar operationele uitgaven met betrekking tot activa of processen die verband houden met economische activiteiten die uit hoofde van de artikelen 3 en 9 van die verordening als ecologisch duurzaam kwalificeren.
4. Met name rapporteert een niet-financiële moederonderneming die aanvoert dat haar activiteiten verband houden met economische activiteiten die slechts aan bepaalde vereisten van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 voldoen, de volgende indicatoren:
het aandeel van haar omzet uit producten of diensten die verband houden met economische activiteiten die slechts aan bepaalde vereisten van artikel 3 van die verordening voldoen;
het aandeel van haar kapitaaluitgaven met betrekking tot activa of processen die verband houden met economische activiteiten die slechts aan bepaalde vereisten van artikel 3 van die verordening voldoen.
Een niet-financiële moederonderneming die de in de eerste alinea bedoelde indicatoren rapporteert, mag het aandeel rapporteren van haar operationele uitgaven met betrekking tot activa of processen die verband houden met economische activiteiten die slechts aan bepaalde vereisten van artikel 3 van die verordening voldoen.
5. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 49 een gedelegeerde handeling vast tot aanvulling van de leden 1, 2, 3 en 4 van dit artikel die de inhoud en presentatie van de op grond van die leden te rapporteren informatie specificeert, met inbegrip van de inhoud van de informatie betreffende economische activiteiten die slechts aan bepaalde van de in artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 bepaalde criteria voldoen, en de methode die moet worden gebruikt om daaraan te voldoen, rekening houdende met de specifieke kenmerken van zowel financiële als niet-financiële ondernemingen en de op grond van die verordening vastgestelde technische screeningcriteria.”.
Artikel 29 ter wordt als volgt gewijzigd:
in lid 1 worden de derde en vierde alinea geschrapt;
in lid 4, eerste alinea, wordt de laatste zin vervangen door:
“Duurzaamheidsrapporteringsstandaarden specificeren geen informatieverschaffing waarvoor ondernemingen van ondernemingen in hun waardeketen die, op hun balansdatum, het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar niet overschrijden, informatie zouden moeten verkrijgen die verder gaat dan de informatie die op grond van de in artikel 29 quater bis bedoelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden openbaar moet worden gemaakt.”.
Artikel 29 quater wordt geschrapt.
Het volgende artikel 29 quater bis wordt ingevoegd:
“Artikel 29 quater bis
Duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik
1. Om vrijwillige rapportering van duurzaamheidsinformatie door ondernemingen niet zijnde die bedoeld in artikel 19 bis, lid 1, en artikel 29 bis, lid 1, te bevorderen, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 49 tegen [4 months after entry into force of this Directive] tot aanvulling van deze richtlijn een gedelegeerde handeling vast om duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik door die ondernemingen te bepalen.
2. De in lid 1 bedoelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden zijn evenredig aan en relevant voor de capaciteiten en de kenmerken van de ondernemingen waarvoor zij zijn ontworpen, en de schaal en complexiteit van hun activiteiten. Ook specificeren zij, voor zover mogelijk, de structuur die voor het weergeven van die informatie moet worden gevolgd.”.
Artikel 29 quinquies wordt vervangen door:
“Artikel 29 quinquies
Uniform elektronisch verslagleggingsformaat
1. Ondernemingen die moeten voldoen aan de vereisten van artikel 19 bis van deze richtlijn, stellen hun bestuursverslag op in het in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815 van de Commissie* gespecificeerde elektronisch verslagleggingsformaat en voorzien hun duurzaamheidsrapportering van markup, met inbegrip van de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde openbaarmakingen, overeenkomstig het in die gedelegeerde verordening te specificeren elektronische verslagleggingsformaat. In afwachting dat dergelijke regels inzake markup door middel van die gedelegeerde verordening worden vastgesteld, hoeven ondernemingen hun duurzaamheidsrapportering niet van markup te voorzien.
2. Moederondernemingen die moeten voldoen aan de vereisten van artikel 29 bis, stellen hun geconsolideerde bestuursverslag op in het in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815 gespecificeerde elektronisch verslagleggingsformaat en voorzien hun duurzaamheidsrapportering van markup, met inbegrip van de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde openbaarmakingen, overeenkomstig het in die gedelegeerde verordening te specificeren elektronische verslagleggingsformaat. In afwachting dat dergelijke regels inzake markup door middel van die gedelegeerde verordening worden vastgesteld, hoeven moederondernemingen hun duurzaamheidsrapportering niet van markup te voorzien.
_____________________________________________
* Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815 van de Commissie van 17 december 2018 tot aanvulling van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen voor de specificatie van een uniform elektronisch verslagleggingsformaat (PB L 143 van 29.5.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/815/oj ).”.
In artikel 33 wordt lid 1 vervangen door:
“1. De lidstaten zorgen ervoor dat de leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen van een onderneming, handelend binnen het kader van de hun krachtens het nationale recht toegewezen bevoegdheden, collectief de verantwoordelijkheid hebben ervoor te zorgen dat de volgende documenten worden opgesteld en openbaar gemaakt overeenkomstig de eisen van deze richtlijn en, in voorkomend geval, op grond van de internationale standaarden voor jaarrekeningen die zijn goedgekeurd op grond van Verordening (EG) nr. 1606/2002, Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815, de in artikel 29 ter van deze richtlijn bedoelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden en de vereisten van artikel 29 quinquies van deze richtlijn:
de jaarlijkse financiële overzichten, het bestuursverslag en de verklaring inzake corporate governance indien deze afzonderlijk wordt opgesteld; en
de geconsolideerde financiële overzichten, de geconsolideerde bestuursverslagen en de geconsolideerde verklaring inzake corporate governance indien deze afzonderlijk wordt opgesteld.
In afwijking van de eerste alinea zorgen de lidstaten ervoor dat de leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen van een onderneming, handelend binnen het kader van de hun krachtens het nationale recht toegewezen bevoegdheden, niet collectief de verantwoordelijkheid hebben ervoor te zorgen dat het bestuursverslag, of geconsolideerde bestuursverslag, in voorkomend geval, wordt opgesteld overeenkomstig artikel 29 quinquies.”.
Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:
in lid 1 wordt de tweede alinea, punt a bis), vervangen door:
indien van toepassing, op basis van een assuranceopdracht met een beperkte mate van zekerheid een oordeel geven over de overeenstemming van de duurzaamheidsrapportering met de vereisten van deze richtlijn, waaronder de overeenstemming van de duurzaamheidsrapportering met de op grond van artikel 29 ter vastgestelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden, het door de onderneming uitgevoerde proces om de op grond van die duurzaamheidsrapporteringsstandaarden gerapporteerde informatie vast te stellen, en de naleving van het vereiste om de duurzaamheidsrapportering van markup te voorzien overeenkomstig artikel 29 quinquies, en over de naleving van de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 bepaalde rapporteringsvereisten;”
het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:
“2 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat het in lid 1, tweede alinea, punt a bis), bedoelde oordeel wordt opgesteld met volledige inachtneming van de verplichting voor ondernemingen niet te proberen om van ondernemingen in hun waardeketen die, op hun balansdatum, het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar niet overschrijden, informatie te verkrijgen die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de in artikel 29 quater bis bedoelde standaarden voor vrijwillig gebruik, met uitzondering van aanvullende duurzaamheidsinformatie die doorgaans wordt gedeeld tussen ondernemingen uit de betrokken bedrijfstak.”.
Artikel 40 bis, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
de tweede alinea wordt vervangen door:
“De eerste alinea is alleen van toepassing op grote dochterondernemingen zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 4, van deze richtlijn.”;
de vierde en de vijfde alinea worden vervangen door:
“De in de derde alinea bedoelde regel is alleen van toepassing op een bijkantoor indien de onderneming uit het derde land geen dochteronderneming als bedoeld in de eerste alinea heeft en indien het bijkantoor in het voorgaande boekjaar een netto-omzet heeft behaald die de in artikel 3, lid 4, punt b), van deze richtlijn vermelde drempel overschrijdt.
De eerste en de derde alinea zijn alleen van toepassing op de in die alinea’s bedoelde dochterondernemingen of bijkantoren indien de onderneming uit een derde land, op groepsniveau, of, indien niet van toepassing, op individueel niveau, in elk van de laatste twee opeenvolgende boekjaren in de Unie een netto-omzet van meer dan 450 000 000 miljoen EUR heeft behaald.”.
Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:
de volgende leden 3 quater tot en met 3 sexies worden ingevoegd:
“3 quater. De in artikel 19 ter, lid 5, artikel 29 bis bis, lid 5, en artikel 29 quater bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [date of entry into force of amending Directive].
3 quinquies. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 19 ter, lid 5, artikel 29 bis bis, lid 5, en artikel 29 quater bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3 sexies. De Commissie verzamelt, voorafgaand aan het vaststellen en tijdens het opstellen van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 19 ter, lid 5, en artikel 29 bis bis, lid 5, alle nodige expertise, onder meer door raadpleging van de deskundigen van de in artikel 24 van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde deskundigengroep van de lidstaten inzake duurzame financiering.”;
lid 5 wordt vervangen door:
“5. Een op grond van artikel 1, lid 2, artikel 3, lid 13, artikel 19 ter, artikel 29 bis bis, artikel 29 ter, artikel 29 quater bis of artikel 40 ter, of artikel 46, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”.
Artikel 3
Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2022/2464
In Richtlijn (EU) 2022/2464 wordt artikel 5, lid 2, als volgt gewijzigd:
de eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:
punt a) wordt geschrapt;
punt b) wordt als volgt gewijzigd:
punt i) wordt vervangen door:
op grote ondernemingen die, op hun balansdatum, het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers per boekjaar overschrijden;”;
punt ii) wordt vervangen door:
op moederondernemingen van een grote groep die, op zijn balansdatum, op geconsolideerde basis, het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers per boekjaar overschrijdt.”;
punt c) wordt geschrapt;
de derde alinea wordt als volgt gewijzigd:
punt a) wordt geschrapt;
punt b) wordt als volgt gewijzigd:
punt i) wordt vervangen door:
op uitgevende instellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt d), van Richtlijn 2004/109/EG die grote ondernemingen zijn in de zin van artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2013/34/EU, en die, op hun balansdatum, het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers per boekjaar overschrijden;”
punt ii) wordt vervangen door:
op uitgevende instellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt d), van Richtlijn 2004/109/EG die moederondernemingen zijn van een grote groep die, op zijn balansdatum, op geconsolideerde basis, het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers per boekjaar overschrijdt.”;
punt c) wordt geschrapt.
Artikel 4
Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2024/1760
Richtlijn (EU) 2024/1760 wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 1, lid 1, wordt punt c) vervangen door:
de verplichting voor ondernemingen een transitieplan voor beperking van de klimaatverandering op te stellen, met inbegrip van uitvoeringsmaatregelen, die er naar beste vermogen moeten voor zorgen dat het bedrijfsmodel en de strategie van de onderneming verenigbaar zijn met de transitie naar een duurzame economie en met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 oC, in lijn met de Overeenkomst van Parijs.”.
In artikel 3, lid 1, wordt punt n) vervangen door:
“belanghebbenden”: de werknemers van de onderneming, de werknemers van haar dochterondernemingen en van haar zakenpartners, en hun vakbonden en werknemersvertegenwoordigers, en of gemeenschappen consumenten wier rechten of belangen rechtstreeks worden of kunnen worden beïnvloed door de producten, diensten en activiteiten van de onderneming, haar dochterondernemingen en haar zakenpartners, en de wettelijke vertegenwoordigers van die personen of gemeenschappen;”.
Artikel 4 wordt vervangen door:
“Artikel 4
Niveau van harmonisering
1. Onverminderd artikel 1, leden 2 en 3, nemen de lidstaten op het gebied dat onder deze richtlijn valt, in hun nationale recht geen bepalingen op waarin verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten en milieu worden vastgelegd die afwijken van die van de artikelen 6 en 8, artikel 10, leden 1 tot en met 5, artikel 11, leden 1 tot en met 6, en artikel 14.
2. Niettegenstaande lid 1 belet deze richtlijn de lidstaten niet om in hun nationale recht strengere bepalingen op te nemen die afwijken van die van andere bepalingen dan de artikelen 6 en 8, artikel 10, leden 1 tot en met 5, artikel 11, leden 1 tot en met 6, en artikel 14, of bepalingen die specifieker zijn wat de doelstelling of het betrokken gebied betreft, met inbegrip van het reguleren van specifieke producten, diensten of situaties, teneinde een ander niveau van bescherming van mensen-, arbeids- en sociale rechten, het milieu of het klimaat te bereiken.”.
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
in lid 2 wordt punt b) vervangen door:
op basis van de resultaten van het in punt a) bedoelde in kaart brengen, voeren ondernemingen een diepgaande beoordeling uit van hun eigen activiteiten, die van hun dochterondernemingen en, indien deze verband houden met hun activiteitenketen, die van hun directe zakenpartners, op de gebieden waar zich het meest waarschijnlijk negatieve effecten zullen voordoen en deze het ernstigst zullen zijn.”;
het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:
“2 bis. Wanneer een onderneming over plausibele informatie beschikt die erop wijst dat zich negatieve effecten op het niveau van de activiteiten van een indirecte zakenpartner hebben voorgedaan of kunnen voordoen, voeren zij een diepgaande beoordeling uit. De onderneming voert dit soort beoordeling steeds uit wanneer het indirecte – en niet het directe – karakter van de relatie met de zakenpartner resulteert uit een kunstmatige regeling die geen economische realiteit weergeeft, maar wijst op een omzeiling van lid 2, punt b). Wanneer die beoordeling de waarschijnlijkheid of het bestaan van het negatieve effect bevestigt, moet dat effect geacht worden te zijn vastgesteld.
De eerste alinea laat onverlet dat de onderneming bij het selecteren van een directe zakenpartner rekening houdt met over indirecte zakenpartners beschikbare informatie en de vraag of die zakenpartners de in de gedragscode geformuleerde regels en beginselen kunnen volgen.
Niettegenstaande de eerste alinea, en ongeacht of er plausibele informatie over indirecte zakenpartners beschikbaar is, verlangt een onderneming van een directe zakenpartner contractuele garanties dat die zakenpartner ervoor zal zorgen dat de gedragscode van de onderneming zal worden nageleefd door overeenkomstige contractuele garanties te verkrijgen van haar zakenpartners. Artikel 10, lid 2, punten b) en e), zijn dienovereenkomstig van toepassing.”;
lid 4 wordt vervangen door:
“4. Indien informatie die nodig is voor de diepgaande beoordeling waarin in lid 2, punt b), en lid 2 bis wordt voorzien, kan worden verkregen van verschillende zakenpartners, geeft de onderneming prioriteit aan het opvragen van dergelijke informatie, indien redelijk, rechtstreeks bij de zakenpartner of zakenpartners waar de negatieve effecten zich het meest waarschijnlijk zullen voordoen.”;
het volgende lid 5 wordt toegevoegd:
“5. De lidstaten zorgen ervoor dat, voor het in lid 2, punt a), bepaalde in kaart brengen, ondernemingen van directe zakenpartners met minder dan 500 werknemers geen informatie trachten te verkrijgen die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de in artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU bedoelde standaarden voor vrijwillig gebruik.
In afwijking van de eerste alinea, mag de onderneming, wanneer aanvullende informatie noodzakelijk is voor het in lid 2, punt a), bedoelde in kaart brengen, in het licht van aanwijzingen van waarschijnlijke negatieve effecten of omdat de standaarden de betrokken effecten niet bestrijken, en wanneer die aanvullende informatie niet redelijkerwijs met andere middelen kan worden verkregen, die zakenpartner om die informatie vragen.”.
In artikel 10 wordt lid 6 vervangen door:
“6. Wat betreft in lid 1 bedoelde potentiële negatieve effecten die niet konden worden voorkomen of afdoende beperkt door de in de leden 2, 4 en 5 beschreven maatregelen, doet de onderneming, in laatste instantie, het volgende:
zij ziet af van het aangaan van nieuwe relaties of het uitbreiden van bestaande relaties met een zakenpartner verbonden aan, of in de activiteitenketen waar, het effect zich heeft voorgedaan;
voor zover de wetgeving die op haar relatie met de betrokken zakenpartner van toepassing is, dit toestaat, stelt zij een versterkt preventief actieplan voor het specifieke negatieve effect vast en voert dit uit zonder onnodige vertraging, mits redelijkerwijs kan worden verwacht dat die inspanningen zullen slagen; en
zij gebruikt of vergroot haar hefboomeffect door de zakelijke relatie met betrekking tot de betrokken activiteiten op te schorten.
Zolang er een redelijke verwachting is dat het versterkte preventieplan zal slagen, komt door het enkele feit van de verdere samenwerking met de zakenpartner de aansprakelijkheid van de onderneming niet in het geding.
Alvorens een zakelijke relatie op te schorten, beoordeelt de onderneming of redelijkerwijs kan worden verwacht dat de negatieve effecten die daaruit voortvloeien, duidelijk ernstiger zijn dan het negatieve effect dat niet kon worden voorkomen of afdoende beperkt. Indien dat het geval is, is de onderneming niet verplicht de zakelijke relatie op te schorten en is zij in een positie om aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit verslag uit te brengen over de naar behoren gemotiveerde redenen voor dat besluit.
De lidstaten voorzien in de mogelijkheid om de zakelijke relatie in overeenkomsten die onder hun recht vallen, overeenkomstig de eerste alinea op te schorten, met uitzondering van overeenkomsten die de partijen wettelijk verplicht zijn aan te gaan.
Indien de onderneming besluit de zakelijke relatie op te schorten, neemt zij maatregelen om de effecten van de opschorting te voorkomen, te verlichten of te beëindigen, stelt zij de betrokken zakenpartner daarvan binnen een redelijke termijn in kennis en evalueert zij dat besluit voortdurend.
Indien de onderneming besluit de zakelijke relatie niet op te schorten op grond van dit artikel, monitort de onderneming het potentiële negatieve effect en voert zij periodiek een beoordeling uit van haar besluit en van de vraag of er verdere passende maatregelen beschikbaar zijn.”.
In artikel 11 wordt lid 7 vervangen door:
“7. Wat betreft in lid 1 bedoelde feitelijke negatieve effecten die niet konden worden voorkomen of afdoende beperkt door de in de leden 3, 5 en 6 beschreven maatregelen, doet de onderneming, in laatste instantie, het volgende:
zij ziet af van het aangaan van nieuwe relaties of het uitbreiden van bestaande relaties met een zakenpartner verbonden aan, of in de activiteitenketen waar, het effect zich heeft voorgedaan;
voor zover de wetgeving die op haar relatie met de betrokken zakenpartner van toepassing is, dit toestaat, stelt zij een versterkt preventief actieplan voor het specifieke negatieve effect vast en voert dit uit zonder onnodige vertraging, mits redelijkerwijs kan worden verwacht dat die inspanningen zullen slagen;
zij gebruikt of vergroot haar hefboomeffect door de zakelijke relatie met betrekking tot de betrokken activiteiten op te schorten.
Zolang er een redelijke verwachting is dat het versterkte preventieplan zal slagen, komt het enkele feit van de verdere samenwerking met de zakenpartner de aansprakelijkheid van de onderneming niet in het geding
Alvorens een zakelijke relatie op te schorten, beoordeelt de onderneming of redelijkerwijs kan worden verwacht dat de negatieve effecten die daaruit voortvloeien, duidelijk ernstiger zijn dan het negatieve effect dat niet kon worden voorkomen of afdoende beperkt. Indien dat het geval is, is de onderneming niet verplicht de zakelijke relatie op te schorten en is zij in een positie om aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit verslag uit te brengen over de naar behoren gemotiveerde redenen voor dat besluit.
De lidstaten voorzien in de mogelijkheid om de zakelijke relatie in overeenkomsten die onder hun recht vallen, overeenkomstig de eerste alinea op te schorten, met uitzondering van overeenkomsten die de partijen wettelijk verplicht zijn aan te gaan.
Indien de onderneming besluit de zakelijke relatie op te schorten, neemt zij maatregelen om de effecten van de opschorting te voorkomen, te verlichten of te beëindigen, stelt zij de betrokken zakenpartner daarvan binnen een redelijke termijn in kennis en evalueert zij dat besluit voortdurend.
Indien de onderneming besluit de zakelijke relatie niet op te schorten op grond van dit artikel, monitort de onderneming het potentiële negatieve effect en voert zij periodiek een beoordeling uit van haar besluit en van de vraag of er verdere passende maatregelen beschikbaar zijn.”.
Artikel 13, lid 3, wordt als volgt gewijzigd:
de aanhef wordt vervangen door:
“Relevante belanghebbenden worden geraadpleegd tijdens de volgende fasen van de procedure inzake passende zorgvuldigheid:”;
de punten c) en e) worden geschrapt.
In artikel 15 wordt de tweede zin vervangen door:
“Deze beoordelingen zijn, in voorkomend geval, gebaseerd op kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren en vinden onverwijld nadat zich een significante wijziging heeft voorgedaan, doch ten minste om de vijf jaar plaats en telkens wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de maatregelen niet langer afdoende of doeltreffend zijn of dat er zich nieuwe risico’s op deze negatieve effecten kunnen voordoen.”.
In artikel 19 wordt lid 3 vervangen door:
“3. De in lid 2, punt a), bedoelde richtsnoeren worden uiterlijk 26 januari 2026 beschikbaar gesteld, de richtsnoeren bedoeld in lid 2, punten d) en e), uiterlijk 26 januari 2027 en de richtsnoeren bedoeld in lid 2, punten b), f) en g), uiterlijk 26 juli 2027.”.
In artikel 22, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:
“De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 2, lid 1, punten a), b) en c), en artikel 2, lid 2, punten a), b) en c), bedoelde ondernemingen een transitieplan voor beperking van de klimaatverandering opstellen, met inbegrip van uitvoeringsmaatregelen, die ervoor moeten zorgen dat de onderneming haar uiterste best doet om haar bedrijfsmodel en de strategie in overeenstemming te brengen met de transitie naar een duurzame economie en met het beperken van, enerzijds, de opwarming van de aarde tot 1,5°C in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs en de in Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling inzake klimaatneutraliteit, met inbegrip van de tussentijdse en klimaatneutraliteitsdoelstellingen voor 2050 en, anderzijds, in voorkomend geval, van de blootstelling van de onderneming aan steenkool-, olie- en gasgerelateerde activiteiten.”.
In artikel 27 wordt lid 4 vervangen door:
“4. De Commissie maakt, in samenwerking met de lidstaten, handvatten bekend om toezichthoudende autoriteiten te helpen de hoogte van geldboeten overeenkomstig dit artikel te bepalen. De lidstaten stellen in hun nationale wetgeving tot omzetting van deze richtlijn geen maximumgrens voor geldboeten vast die toezichthoudende autoriteiten zou beletten om overeenkomstig de in de leden 1 en 2 genoemde factoren geldboeten op te leggen.”.
Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:
lid 1 wordt geschrapt;
lid 2 wordt vervangen door:
“2. Indien een onderneming op grond van het nationale recht aansprakelijk wordt gesteld voor schade die aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon is toegebracht door niet-nakoming van de vereisten inzake passende zorgvuldigheid op grond van deze richtlijn, zorgen de lidstaten ervoor dat die personen recht hebben op volledige vergoeding. Volledige schadevergoeding mag niet leiden tot overcompensatie, ongeacht of het schadevergoeding met een punitief karakter, meervoudige schadevergoeding of andere vormen van schadevergoeding betreft.”;
in lid 3 wordt punt d) geschrapt;
lid 4 wordt vervangen door:
“4. Ondernemingen die hebben deelgenomen aan initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden of die hebben gebruikgemaakt van verificatie door een onafhankelijke derde partij of contractbepalingen om de uitvoering van hun verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid te ondersteunen, kunnen niettemin aansprakelijk worden gesteld overeenkomstig nationaal recht.”;
in lid 5 wordt de eerste alinea vervangen door:
“De in dit artikel bedoelde wettelijke aansprakelijkheid van een onderneming voor schade laat de wettelijke aansprakelijkheid van haar dochterondernemingen of van alle directe en indirecte zakenpartners in de activiteitenketen van de onderneming onverlet.”;
lid 7 wordt geschrapt.
In artikel 36 wordt lid 1 geschrapt.
Artikel 5
Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [12 months after entry into force] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 6
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 7
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel,
FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM
ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
Motivering en doel van het voorstel
Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID10
Rechtsgrondslag10
Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Evenredigheid
Keuze van het instrument
EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
Raadpleging van belanghebbenden
Bijeenbrengen en gebruik van expertise
Effectbeoordeling
Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
Grondrechten
GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
OVERIGE ELEMENTEN
Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
Toelichtende stukken (bij richtlijnen)
Artikelsgewijze toelichting
KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
Benaming van het voorstel/initiatief
Betrokken beleidsterreinen
Doelstellingen
Algemene doelstellingen
Specifieke doelstellingen
Verwachte resultaten en gevolgen
Prestatie-indicatoren
Het voorstel/initiatief betreft:
Motivering van het voorstel/initiatief
Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.
Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten
Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking
GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven
Digitale dimensies
Voorschriften met digitale relevantie
Gegevens
Digitale oplossingen
Interoperabiliteitsbeoordeling
Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering
Het aantal ondernemingen waarvoor de vereisten inzake duurzaamheidsrapportage gelden, beperken tot grote ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers.
“Doorsijpeleffecten” naar het mkb en kleinere grote ondernemingen beperken door de mkb-standaard voor vrijwillige duurzaamheidsrapportage (VSME) op te leggen als het waardeketenplafond voor alle ondernemingen waarvoor eisen inzake duurzaamheidsrapportage niet gelden.
Een evenredige standaard voor vrijwillig gebruik bieden aan ondernemingen waarvoor eisen inzake duurzaamheidsrapportage niet gelden.
De machtiging voor de Commissie schrappen om sectorale standaarden voor duurzaamheidsrapportage vast te stellen.
De verplichting voor de Commissie schrappen om tegen oktober 2026 standaarden voor duurzaamheidsassurance vast te stellen. De Commissie zal tegen 2026 met gerichte assurancerichtsnoeren komen.
De inkrimping van het aantal ondernemingen dat onder de verplichtingen inzake duurzaamheidsrapportage van de artikelen 19 bis en 29 bis van de jaarrekeningrichtlijn valt, tot uiting brengen in de betrokken bepaling die de datums specificeert voor de toepassing van de voorschriften inzake duurzaamheidsrapportage.
Due-diligencevereisten vereenvoudigen om onnodige complexiteit en kosten te vermijden voor de grote ondernemingen waarvoor die vereisten gelden.
Verder verminderen van de “doorsijpeleffecten” voor het mkb en kleine midcaps in de waardeketens van grote ondernemingen die onder de richtlijn vallen, door informatieverzoeken te beperken.
Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.
Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten
een nieuwe actie
een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie 33
de verlenging van een bestaande actie
de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie
|
n.v.t. |
|
De rapportagevereisten die met Richtlijn 2013/34/EU zijn ingevoerd, verplichten ondernemingen om data te verzamelen en te rapporteren over hun impacts, risico’s en kansen wat betreft materiële duurzaamheidsthema’s. Deze exercitie vergt aanzienlijke identificatie, verzameling, verwerking, verificatie en publicatie van data. Om de nodige data te verzamelen, maken ondernemingen vaak gebruik van digitale platforms voor het verzamelen en delen van data. Daarnaast maken ondernemingen voor het opslaan en verwerken van de data ten behoeve van duurzaamheidsrapportage vaak gebruik van digitale tools voor datamanagement. Gebruikers van duurzaamheidsinformatie verwachten steeds vaker dat deze informatie toegankelijk, vergelijkbaar en machinaal leesbaar is in digitale formaten. De lidstaten moeten van ondernemingen waarop de vereisten inzake duurzaamheidsrapportage van Richtlijn 2013/34/EU van toepassing zijn, verlangen dat zij hun bestuursverslagen op hun websites kosteloos publiek toegankelijk maken. Digitalisering biedt mogelijkheden om informatie efficiënter te benutten en levert aanzienlijke kostenbesparingen op voor zowel gebruikers als ondernemingen. Dankzij digitalisering kunnen data op Unieniveau en op niveau van de lidstaten centraal beschikbaar worden gesteld in een open en toegankelijk formaat dat makkelijk leesbaar is en dat het mogelijk maakt data te vergelijken. Deze vereisten vormen ook een aanvulling op de totstandbrenging van een Europees centraal toegangspunt (ESAP) voor publieke ondernemingsinformatie. Zie verderop, voor specifieke vereisten in de richtlijn die digitaal relevant zijn. Richtlijn 2013/34/EU verplicht ondernemingen waarvoor duurzaamheidsrapportage verplicht is, om hun bestuursverslag op te stellen in het in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815 (gedelegeerde ESEF-verordening) gespecificeerde elektronische verslagleggingsformaat. Ook verplicht zij die ondernemingen hun duurzaamheidsrapportage van markup (tagging) te voorzien, met inbegrip van de door artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 verplichte openbaarmakingen, overeenkomstig de digitale taxonomie die de Commissie zal vaststellen door een wijziging van de gedelegeerde ESEF-verordening. Dankzij een digitale taxonomie voor de Uniestandaarden voor duurzaamheidsrapportage zal duurzaamheidsrapportage van tags kunnen worden voorzien en machinaal leesbaar zijn. Zolang deze digitale taxonomie nog niet is vastgesteld, hoeven ondernemingen hun duurzaamheidsverslagen niet van markup te voorzien. Aangezien het duurzaamheidsverslag pas machinaal leesbaar zal worden zodra dit is opgenomen in een XHTML-document en voorzien is van een markup met een digitale taxonomie, hoeven ondernemingen, in afwachting van de vaststelling van de digitale taxonomie, het bestuursverslag ook niet in XHTML op te stellen. Stakeholders waarvoor deze vereisten gelden, zijn onder meer ondernemingen die een duurzaamheidsverslag moeten opstellen en publiceren dat digitaal is getagged en in een XHTML-formaat wordt aangeleverd, alsmede assuranceverleners die moet nagaan of de duurzaamheidsverklaring aan de nodige voorwaarden voldoet. |
|
Zie afdeling hiervoor. |
|
Zie afdeling hiervoor. |
|
n.v.t. |
|
Om de soepele implementatie van de in afdeling 4.1 geïdentificeerde vereisten die digitaal relevant zijn, te faciliteren, is de Commissie betrokken bij een aantal initiatieven. In de eerste plaats zal een digitale taxonomie voor de Uniestandaarden voor duurzaamheidsrapportage nodig zijn, zodat de gerapporteerde informatie overeenkomstig die standaarden voor duurzaamheidsrapportage kan worden getagged. De Commissie zal een digitale taxonomie voor het taggen van duurzaamheidsinformatie vaststellen via een gedelegeerde handeling, nadat zij technisch advies van de ESMA heeft ontvangen. In de tweede plaats is de Commissie voornemens om in het kader van de ronde van 2025 van het instrument voor technische ondersteuning (TSI) een vlaggenschipproject met meerdere landen te lanceren onder de titel “Improving Sustainability Reporting for Businesses”. Dit initiatief moet de capaciteit van lidstaten versterken om ondernemingen, en met name het mkb, te ondersteunen bij de implementering van de rapportagevereisten van de CSRD en de EU-taxonomie. De ondersteuning in het kader van dit initiatief zal rekening houden met de evolutie van de rapportagevereisten. Deze zal ook relevant zijn voor niet-beursgenoteerde mkb-bedrijven die niet verplicht zijn te rapporteren, maar in toenemende mate van hun financiële partners en partners in de waardeketen vragen om duurzaamheidsinformatie krijgen. In de derde plaats heeft EFRAG een mkb-forum opgezet waarin het relevante stakeholders uit de mkb-gemeenschap samenbrengt om te overleggen over de implementatie van de vereisten inzake duurzaamheidsrapportage en de vraag hoe digitale oplossingen en tools kunnen worden gebruikt om de duurzaamheidsrapportage voor het mkb te faciliteren. Wat de CSDDD betreft, is het zo dat, om ondernemingen te helpen hun due-diligenceverplichtingen binnen hun waardeketen te vervullen, de richtlijn het gebruik van digitale tools en technologieën aanmoedigt en de Commissie vraagt om te komen met richtsnoeren met nuttige informatie en verwijzingen naar de nodige bronnen. Bij het gebruik van digitale tools en technologieën moeten ondernemingen rekening houden met mogelijke risico’s en hier op passende wijze mee omgaan, en mechanismen opzetten om de geschiktheid van de verkregen informatie te controleren. |