Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1058 en Verordening (EU) 2021/1056 wat betreft specifieke maatregelen voor het aanpakken van strategische uitdagingen in het kader van de tussentijdse evaluatie
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1058 en Verordening (EU) 2021/1056 wat betreft specifieke maatregelen voor het aanpakken van strategische uitdagingen in het kader van de tussentijdse evaluatie
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
Straatsburg, 1.4.2025 |
COM(2025) 123 final |
2025/0084(COD) |
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1058 en Verordening (EU) 2021/1056 wat betreft specifieke maatregelen voor het aanpakken van strategische uitdagingen in het kader van de tussentijdse evaluatie |
TOELICHTING
De tussentijdse evaluatie van het cohesiebeleid biedt de lidstaten de gelegenheid om de middelen voor de periode 2021-2027 te herbestemmen voor investeringen in defensievermogens en het concurrentievermogen, in de strategische autonomie van de EU en in andere opkomende prioriteiten, waaronder de doelstellingen van de Clean Industrial Deal. De lidstaten kunnen daarvoor programmawijzigingen bij de Commissie indienen. Het kader voor cohesiebeleidsinvesteringen dat is vastgesteld in de verordeningen inzake het EFRO, het Cohesiefonds en het JTF is echter onvoldoende afgestemd op deze nieuwe prioriteiten. Bovendien is extra flexibiliteit nodig om de investeringen op deze gebieden te versnellen, met name om de veerkracht van de economie van de EU en al haar regio’s te versterken in een kritieke geopolitieke situatie zoals die waarmee de EU momenteel wordt geconfronteerd. Dit voorstel bevat een aantal aanpassingen van deze verordeningen om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Investeringen in het kader van het cohesiebeleid afstemmen op nieuwe prioriteiten
De afgelopen jaren wordt de geopolitieke dynamiek gekenmerkt door grote onzekerheid, waardoor een grondige herevaluatie van de strategische autonomie, veerkracht en paraatheid van de EU noodzakelijk is. Deze verschuivingen vinden gelijktijdig plaats met de groene, sociale en technologische transities, die de wereld om ons heen snel veranderen. De uitdagingen die deze gelijktijdige transformaties met zich meebrengen, zijn uitvoerig geanalyseerd in het rapport over de “Toekomst van het Europese concurrentievermogen”, dat in september 2024 is gepubliceerd. In het verslag wordt benadrukt dat de innovatiekloof dringend moet worden gedicht en de decarbonisatie-inspanningen moeten worden versneld om het economische concurrentievermogen te versterken. De externe afhankelijkheid moet worden verminderd door toeleveringsketens te diversifiëren en in eigen regio geproduceerde groene energie op te schalen door investeringen in klimaatbestendigheid, digitalisering en kritieke sectoren.
In reactie hierop zijn al verschillende belangrijke initiatieven gelanceerd om de economische veerkracht en strategische autonomie van de EU te vergroten. Het gaat onder meer om het “platform voor strategische technologieën voor Europa” (STEP), dat tot doel heeft het technologische leiderschap van Europa te versterken en “REPowerEU”, dat is ontworpen om de afhankelijkheid van externe energiebronnen te verminderen en de groene transitie te versnellen. Deze initiatieven vormen een aanvulling op reeds lopende acties via cohesiebeleidsprogramma’s en de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF), om structurele veranderingen in de lidstaten en regio’s te ondersteunen en hun veerkracht te vergroten.
Als belangrijkste investeringsinstrument van de EU binnen het meerjarig financieel kader (MFK) speelt het cohesiebeleid een cruciale rol bij de ondersteuning van deze prioriteiten. Het stimuleert gerichte investeringen die bijdragen tot economische, sociale en territoriale cohesie en pakt tegelijkertijd nieuwe uitdagingen aan. Het regelgevingskader voor de fondsen voor het cohesiebeleid 2021-2027 is echter opgesteld, onderhandeld en goedgekeurd vóór de reeks grote geopolitieke en economische gebeurtenissen die een aantal strategische politieke prioriteiten van de EU hebben gewijzigd.
De partnerschapsovereenkomsten en de nationale en regionale cohesiebeleidsprogramma’s zijn in dezelfde periode ontwikkeld en goedgekeurd, waardoor zij de destijds vastgestelde prioriteiten weerspiegelen. Gezien de veranderende mondiale en regionale context biedt de tussentijdse evaluatie van 2025 een cruciale gelegenheid om de uitvoering van de programma’s en hun effectieve bijdrage aan de veranderende prioriteiten te beoordelen. Deze evaluatie zal helpen bepalen in hoeverre de cohesiebeleidsprogramma’s rechtstreeks en snel kunnen inspelen op de snel veranderende politieke, economische en sociale realiteit.
Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat de vroege uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma’s 2021-2027 te maken heeft gehad met uitdagingen die niet bevorderlijk zijn geweest voor een snelle besteding en snelle uitbetaling van de middelen, wat heeft geleid tot vertragingen bij de uitvoering in vergelijking met eerdere programmeringsperioden. Deze vertragingen komen op een moment waarop sterke en versnelde investeringen van essentieel belang zijn om de economische veerkracht en het concurrentievermogen te ondersteunen.
Tegen deze achtergrond stelt de Commissie een aantal gerichte wijzigingen van Verordening (EU) 2021/1056 en Verordening (EU) 2021/1058 voor. Deze veranderingen hebben tot doel de investeringsprioriteiten aan te passen aan de veranderende economische, maatschappelijke en geopolitieke context en aan onze klimaat- en milieudoelstellingen, en tegelijkertijd meer flexibiliteit en stimulansen in te voeren om de snelle inzet van de broodnodige middelen te vergemakkelijken en aan te moedigen. Door het kader voor het cohesiebeleid 2021-2027 te verfijnen, kan de EU ervoor zorgen dat haar investeringsmechanismen flexibel en responsief blijven, zodat doeltreffender kan worden gereageerd op de huidige en toekomstige uitdagingen.
Om de lidstaten in staat te stellen doeltreffend gebruik te maken van de in dit voorstel geboden mogelijkheden, stelt de Commissie voor dat zij hun voorstel voor een tussentijdse evaluatie uiterlijk 2 maanden na de inwerkingtreding van dit voorstel tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1058 opnieuw kunnen indienen. Programmawijzigingen die op grond van de nieuwe prioriteiten en flexibiliteit zouden worden uitgevoerd, doen geen afbreuk aan de toepassing van maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 en aan de naleving door de relevante programma’s van de prioriteiten uit hoofde van artikel 15 van Verordening (EU) 2021/1060. In dit verband zal de Commissie nauwlettend toezien op de conformiteit van de programma’s met de vereisten van de relevante EU-wetgeving.
Concurrentievermogen en decarbonisatie
De Commissie heeft in het kompas voor concurrentievermogen, de Clean Industrial Deal en het actieplan voor betaalbare energie een concreet traject gepresenteerd voor Europa om zijn concurrentievermogen te herstellen en duurzame welvaart te waarborgen, met decarbonisatie en circulariteit als aanjagers van groei.
Met name energie-intensieve industrieën spelen een cruciale rol in onze regio’s en verdienen bijzondere aandacht in het kader van de herprogrammering van EU-middelen. Deze industrieën staan voor aanzienlijke uitdagingen, waaronder hogere energiekosten in vergelijking met hun mondiale concurrenten, het aanhoudende gebrek aan concurrentievermogen van bepaalde schone technologieën, een tragere vraag in sommige van de belangrijkste downstreamsectoren, toegenomen internationale concurrentie als gevolg van overcapaciteit en gesubsidieerde productie in niet-EU-landen. Deze factoren ondermijnen het concurrentievermogen van energie-intensieve industrieën en verzwakken de doelstellingen van Europa op het gebied van decarbonisatie en veerkracht.
De cohesiefondsen kunnen nu al investeringen in klimaatdoelstellingen ondersteunen, zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2021/1060, maar de inspanningen moeten verder worden opgevoerd om ervoor te zorgen dat decarbonisatie een motor is voor de groei van Europese industrieën en de welvaart van de Europeanen. In het licht van de aanzienlijke investeringsbehoeften om onze doelstellingen op het gebied van decarbonisatie en concurrentievermogen te verwezenlijken, moeten de lidstaten blijven investeren in projecten die rechtstreeks bijdragen aan de klimaat- en energietransitie in overeenstemming met de eisen van artikel 6 van Verordening (EU) 2021/1060, die van toepassing zullen blijven om het niveau van klimaatgerelateerde investeringen te handhaven.
Steun voor projecten die binnen het toepassingsgebied van STEP vallen, moet mogelijk worden gemaakt in alle regio’s, ook in de meer ontwikkelde regio’s in de lidstaten van de Unie met een bbp per hoofd boven het EU-gemiddelde, voor zover dit is toegestaan op grond van de staatssteunregels van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag, met name voor zover dergelijke investeringen bijdragen tot de strategische doelstellingen van de Unie zoals uiteengezet in de toepasselijke richtsnoeren, zoals het toekomstige kader voor schone industriële staatssteun (momenteel in openbare raadpleging) en in de IPCEI-mededeling 1 .
Voorts moeten andere beperkingen in verband met STEP met betrekking tot het maximum van 20 % van de EFRO-toewijzing voor herprogrammering, de termijn voor het indienen van STEP-wijzigingen en de aanvullende eenmalige voorfinanciering worden geschrapt. Dit moet ook bijdragen tot het bevorderen van investeringen in innovatieve schone technologieën (productiecapaciteit en uitrol) die essentieel zijn om de doelstellingen van de Clean Industrial Deal te verwezenlijken en in andere belangrijke steungebieden waarvoor STEP belangrijke stimulansen biedt.
Het is belangrijk de rol van grote ondernemingen in de regionale ontwikkeling te erkennen en te versterken, aangezien zij onderzoek, innovatie, kennis- en technologieoverdracht naar andere ondernemingen sturen en vraag en werkgelegenheid creëren in de toeleveringsketen. Om het effect van EU-steun voor het stimuleren van groei en concurrentievermogen te maximaliseren, stelt de Commissie ook voor om de mogelijkheden uit te breiden om steun te verlenen voor productieve investeringen in andere ondernemingen dan kmo’s in het kader van het EFRO in gevallen waarin de financiële middelen worden gebruikt voor (1) het ondersteunen van investeringen die bijdragen aan de STEP-doelstellingen, (2) het versterken van de industriële capaciteit om defensievermogens te bevorderen, (3) het bijdragen aan defensieprojecten en (4) het faciliteren van industriële aanpassingen in verband met het koolstofvrij maken en het ondersteunen van circulaire productieprocessen en producten, zoals in de automobielindustrie en energie-intensieve industrieën, voor zover de staatssteunregels dit toelaten. Investeringen in projecten die rechtstreeks deelnemen aan een IPCEI dat is goedgekeurd door de Commissie overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt b), VWEU, en mededeling C(2021) 8481, in andere ondernemingen dan kmo’s, kunnen ook worden ondersteund. Steun voor dergelijke ondernemingen moet ook verder worden vergemakkelijkt in het kader van het Fonds voor een rechtvaardige transitie en door geen kloofanalyse te vereisen. Daarom wordt voorgesteld dat de lidstaten overeenkomstig de staatssteunregels rechtstreeks steun uit het EFRO mogen verlenen aan projecten die rechtstreeks deelnemen aan een IPCEI dat door de Commissie is goedgekeurd overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt b), VWEU en mededeling C(2021) 8481.
Om het hefboomeffect van InvestEU — het vlaggenschipprogramma van de EU om investeringen in strategische kritieke industrieën te stimuleren — te versterken, en de reeds in de wetgeving geboden mogelijkheden voor overdracht uit te breiden, stelt de Commissie voor om de overdracht van middelen uit het EFRO en het Cohesiefonds naar InvestEU-lidstaatcompartimenten mogelijk te maken om een nieuw InvestEU-financieringsinstrument uit te voeren met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid.
Defensie en veiligheid
In het licht van de ongekende geopolitieke instabiliteit sinds decennia moet de Europese Unie nu cruciale besluiten nemen om haar gereedheid en veiligheid te waarborgen. Om zijn eigen afschrikking op defensiegebied te waarborgen, moet Europa voorbereid zijn op een nieuw tijdperk door zijn steun voor de ontwikkeling van de defensievermogens, de vermindering van afhankelijkheden, de veerkracht van de infrastructuur en het concurrentievermogen van de defensie-industrie van de EU aanzienlijk op te voeren. Deze inspanning zal de Unie in staat stellen de noodzaak van steun aan Oekraïne op korte termijn aan te pakken en tegelijkertijd de stabiliteit van het continent op lange termijn te waarborgen.
De Commissie heeft de Europese Raad een plan voor onmiddellijke respons voorgesteld — ReArm Europe — ten belope van 800 miljard EUR, door alle beschikbare financiële hefbomen te activeren om snel en aanzienlijk investeringen in Europese defensiecapaciteiten te ondersteunen. Van deze hefbomen kan de begroting van de Unie verder bijdragen aan deze collectieve inspanning door middel van een nieuw specifiek defensie-instrument en de versterking van het programma voor de Europese defensie-industrie (EDIP).
Om deze instrumenten aan te vullen en de lidstaten verder te stimuleren om defensie-investeringen rechtstreeks te ondersteunen, is het van essentieel belang dat de financiering van het cohesiebeleid snel kan worden gemobiliseerd. Deze investeringen zullen de veerkracht en het concurrentievermogen van de EU versterken en tegelijkertijd regionale ontwikkeling en groei bevorderen. Zij zullen ook de dubbele uitdaging aanpakken waarmee de regio’s van de Unie die grenzen aan Rusland, Belarus en Oekraïne worden geconfronteerd: de veiligheid versterken en tegelijkertijd hun economieën nieuw leven inblazen.
Om te voorzien in een kader dat flexibiliteit en financiële steun mogelijk maakt, stelt de Commissie voor om binnen het bestaande toepassingsgebied van de EFRO-steun twee nieuwe specifieke doelstellingen te creëren. De eerste nieuwe specifieke doelstelling stelt de lidstaten in staat om in het kader van hun programma’s voor 2021-2027 onder de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” bedragen te herprogrammeren voor het vergroten van de productiecapaciteit in ondernemingen in de defensiesector, zonder beperkingen in termen van geografie of omvang van de onderneming. Productieve investeringen in andere ondernemingen dan kmo’s die in alle EU-regio’s worden gedaan, moeten ook toegang hebben tot financiële steun voor projecten van de defensie-industrie van gemeenschappelijk belang in het kader van het EDIP en de algehele defensie- en paraatheidscapaciteiten van Europa versterken. De tweede nieuwe specifieke doelstelling met betrekking tot defensie draagt bij tot de opbouw van veerkrachtige infrastructuur voor defensie of tweeërlei gebruik om de militaire mobiliteit in de EU te bevorderen. Deze specifieke doelstellingen ondersteunen ook de oostelijke grensregio’s.
De Commissie stelt voor dat de lidstaten bij het gebruik van het voorgestelde kader profiteren van een aanvullende eenmalige voorfinanciering van 30 % van de in het kader van de specifieke prioriteit geprogrammeerde bedragen en van de mogelijkheid om voor beide specifieke doelstellingen Uniefinanciering van maximaal 100 % toe te passen, op voorwaarde dat de programmawijziging in 2025 wordt ingediend.
Betaalbare huisvesting (met inbegrip van sociale huisvesting)
De huizenprijzen en de huurprijzen zijn de afgelopen jaren aanzienlijk gestegen. De lonen zijn echter niet in dezelfde mate gestegen. Deze ongelijke ontwikkeling heeft geleid tot een groeiende kloof tussen de beschikbaarheid van betaalbare huisvesting en de behoeften van de bevolking.
De gemiddelde huizenprijzen zijn na 2008 gedaald na de economische recessie, maar zijn in de hele EU sinds 2013 voortdurend gestegen. In totaal was er tussen 2013 en het derde kwartaal van 2024 een stijging van 59 % in de EU, wat ongeveer tweemaal zo hoog is als de stijging van het algehele prijsniveau (GICP) in dezelfde periode.
De escalerende huizenprijzen zijn niet gepaard gegaan met een overeenkomstige stijging van de lonen, wat heeft geleid tot aanzienlijke druk op de betaalbaarheid van huisvesting. De verhouding prijs/inkomen is tussen 2013 en 2022 met meer dan 15 procentpunt gestegen, en ondanks enig respijt in 2023 ligt deze nog steeds boven het langetermijngemiddelde.
Hoewel de ernst van het probleem verschilt van land tot land en van regio tot regio, is de impact ervan wijdverbreid. De hoge huisvestingskosten dwingen veel huishoudens om een onevenredig deel van hun inkomen te gebruiken voor huur of een hypotheek, waardoor er minder geld overblijft voor andere behoeften zoals voeding, gezondheidszorg en onderwijs, waardoor ze in armoede dreigen te vervallen. In 2023 besteedde een op de drie huishoudens die met armoede worden bedreigd 40 % of meer van het beschikbare inkomen van het huishouden aan huisvesting. De huizenprijzen verschillen ook tussen stedelijke en niet-stedelijke gebieden. De huizenprijzen als percentage van het inkomen zijn hoger en zijn sinds 2015 gestaag gestegen in grootstedelijke en andere stedelijke gebieden, terwijl zij in andere gebieden stabiel zijn gebleven. De sociale impact van deze cijfers is groter als we er rekening mee houden dat zij ook betrekking hebben op het gebrek aan huisvesting voor studenten en aan adequate huisvesting voor toekomstige nieuwe gezinnen.
Het gebrek aan voldoende betaalbare huisvesting leidt tot ernstige moeilijkheden voor een toenemend aantal huishoudens, maar het heeft ook gevolgen voor de concurrentie. In sommige gebieden ondervinden Europese bedrijven immers problemen om werknemers aan te trekken omdat de kosten van huisvesting en levensonderhoud er onevenredig hoog zijn in vergelijking met het inkomen. De hoge prijzen stellen ook de openbare diensten in bepaalde steden onder druk omdat zij moeilijkheden ondervinden om essentieel overheidspersoneel (leerkrachten, verpleegkundigen, politie enz.) aan te trekken.
Tegen deze achtergrond wordt in de politieke richtsnoeren van de Commissie sterk de nadruk gelegd op het huisvestingsbeleid en wordt een gecoördineerde aanpak voorgesteld in het kader van het komende Europees plan voor betaalbare huisvesting. Als onderdeel van deze overkoepelende ambitie stelt de Commissie nu voor de groeiende investeringskloof in betaalbare huisvesting aan te pakken door de lidstaten in staat te stellen in het kader van hun programma’s voor 2021-2027 bedragen te herprogrammeren ter ondersteuning van investeringen die de toegang tot betaalbare huisvesting bevorderen. Bij investeringen in het kader van het Nieuw Europees Bauhaus moet ten volle gebruik worden gemaakt van die nieuwe mogelijkheden.
Tegelijkertijd moet ervoor worden gezorgd dat huisvesting klimaatbestendig is.
De Commissie stelt voor de overeenkomstige aanvullende specifieke doelstellingen op te nemen in drie beleidsdoelstellingen, zodat de lidstaten en regio’s flexibiliteit krijgen, naargelang hun programmeringsstructuren en de focus van de huisvestingsmaatregelen.
Om de herprioritering van hun programma’s en het gebruik ervan te stimuleren, en zonder afbreuk te doen aan de naleving van de staatssteunregels, wordt voorgesteld dat de lidstaten bij het gebruik van het voorgestelde kader een Uniefinanciering van 100 % en een voorfinanciering van 30 % van de in het kader van de specifieke prioriteit geprogrammeerde bedragen ontvangen. Om het effect van investeringen te vergroten, kan het toepassingsgebied van de interventies nu ook acties omvatten die verband houden met de uitvoering van hervormingen in het kader van het cohesiebeleid, op voorwaarde dat de programmawijziging in 2025 wordt ingediend.
Toegang tot water, duurzaam waterbeheer en waterweerbaarheid
Water is een essentiële hulpbron voor de veiligheid van onze voedsel-, energie- en economische systemen, maar zowel op EU- als op mondiaal niveau staan de watervoorraden onder toenemende druk. Doeltreffend waterbeheer is essentieel voor de bescherming van de volksgezondheid, de bescherming van het milieu en het behoud van het economische concurrentievermogen van de EU. Wanbeheer, met inbegrip van overmatige onttrekking en vervuiling, beperkt kritieke sectoren zoals landbouw, energie, productie en vervoer in toenemende mate. De EU wordt geconfronteerd met toenemende gevolgen van de klimaatverandering, die de bestaande druk op de waterkwaliteit, de waterkwantiteit en de mariene ecosystemen verergeren. In dit verband is het dringend noodzakelijk de uitvoering van de wetgeving inzake water- en mariene bescherming te verbeteren en de waterefficiëntie te verbeteren, waterschaarste aan te pakken en vooruitgang te boeken in de richting van een waterweerbaar Europa, waarvoor aanzienlijke inspanningen en investeringen nodig zijn. De watersector van de EU en de blauwe economie zijn belangrijke economische sectoren in vele regio’s, die innovatie en duurzaamheid stimuleren en de volksgezondheid beschermen, bijvoorbeeld door geavanceerde oplossingen aan te reiken zoals ontzilting, waterbehandeling, waterhergebruik, blauwe biotechnologie enz. Het mondiale leiderschap in watertechnologieën vergroot het uitvoerpotentieel van de EU en schept banen in alle regio’s van Europa.
Daarom moet de EU deze ecosystemen en infrastructuren beschermen door de investeringen op te voeren en watervoorziening en -infrastructuur zo te bekijken dat de toegang tot water en watervoorziening in alle omstandigheden aan onze burgers en samenlevingen kan worden gewaarborgd.
De EU heeft een sterk rechtskader voor een duurzaam en veilig waterbeheer tot stand gebracht, maar verdere vooruitgang bij de uitvoering is essentieel en er is dringend meer doortastend optreden nodig. Daarom zal de EU in de eerste helft van 2025 met een EU-strategie voor waterweerbaarheid komen. In overeenstemming met de strategie voor een paraatheidsunie vereist waterweerbaarheid een verschuiving van reactieve crisisbeheersing naar proactief, risicogebaseerd beheer en een verhoogde paraatheid.
In de periode 2021-2027 wordt in het kader van cohesiebeleidsprogramma’s bijna 13 miljard EUR geïnvesteerd in waterdiensten en een betere opvang en behandeling van afvalwater. Er zijn echter extra inspanningen van de publieke en de particuliere sector nodig om voldoende vooruitgang te boeken. Om het belang en de focus van investeringen in waterweerbaarheid naar behoren te benadrukken, stelt de Commissie voor om de formulering van de specifieke doelstelling met betrekking tot waterbeheer in het kader van beleidsdoelstelling 2 “Een groenere, koolstofarme transitie naar een koolstofneutrale economie en een veerkrachtig Europa door de bevordering van een schone en rechtvaardige energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, klimaatmitigatie en -adaptatie, risicopreventie en -beheersing, en duurzame stedelijke mobiliteit” te wijzigen.
Investeringen in het kader van het cohesiebeleid in een duurzaam en veilig beheer moeten worden gestimuleerd, met name om bij te dragen tot de opbouw van een waterweerbare samenleving, door middel van meer herstel van waterlichamen, de uitrol van op de natuur gebaseerde oplossingen om het overstromingsrisico te verminderen en de capaciteit van ecosystemen om water op te slaan te vergroten, betere controle op wateronttrekking en verhoogde waterefficiëntie, de digitalisering van waterinfrastructuur, het beperken van de gevolgen van droogte en woestijnvorming, overstromingen en extreme weersomstandigheden, en de naleving van de kaderrichtlijn water, de grondwaterrichtlijn, de richtlijn stedelijk afvalwater en de richtlijn inzake milieukwaliteitsnormen. De Commissie stelt voor dat de lidstaten bij het gebruik van het voorgestelde kader gebruik kunnen maken van de mogelijkheid van financiering door de Unie tot 100 % en een voorfinanciering van 30 % van de bedragen die in het kader van de specifieke prioriteit voor deze nieuwe specifieke doelstelling zijn geprogrammeerd.
Energietransitie
Een ander gebied waarop investeringen in het kader van het cohesiebeleid bijdragen tot de prioriteiten van de EU, zijn klimaatactie en klimaattransitie, waarin het beleid meer dan 110 miljard EUR investeert. In het licht van de aanzienlijke investeringsbehoeften van de klimaattransitie moeten de lidstaten zich blijven inspannen om de klimaatambitie van de fondsen te eerbiedigen.
Om de energiezekerheid te vergroten en de transitie in de hele Unie te versnellen en ook schone mobiliteit te bevorderen, moet een nieuwe specifieke doelstelling worden gecreëerd om interconnectoren en de bijbehorende transmissie-infrastructuur en de uitrol van oplaadinfrastructuur uit EFRO- en cohesiefondsmiddelen te bevorderen.
Om de energietransitie van de industrie te versnellen, met name in energie-intensieve sectoren, nodig voor de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de EU en voor het concurrentievermogen en de veerkracht van de EU, stelt de Commissie voor het toepassingsgebied van de steun uit het EFRO uit te breiden voor het koolstofvrij maken van projecten die zijn geselecteerd in het kader van instrumenten van de Unie, met name projecten in installaties waaraan een “soevereiniteitszegel” is toegekend in het kader van het innovatiefonds dat is ingesteld door het EU-emissiehandelssysteem (ETS), en om de administratieve controles voor soortgelijke steun in het kader van het JTF te verminderen.
Het vergroten van de klimaatbestendigheid is van essentieel belang om het concurrentievermogen te waarborgen. In overeenstemming met de strategie voor een paraatheidsunie en het concept van paraatheid en veiligheid door ontwerp is het van essentieel belang te zorgen voor duurzame en geïnformeerde investeringen, op basis van goede klimaatmodelleringsgegevens, om zowel kwetsbare bevolkingsgroepen als de economie en het concurrentievermogen van de EU te beschermen.
Oostelijke grensregio’s
Gezien de uitdagingen van de oostelijke grensregio’s sinds de Russische agressie tegen Oekraïne, moeten programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” met NUTS 2-regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus of Oekraïne, gebruik kunnen maken van de mogelijkheid van een eenmalige voorfinanciering van 9,5 % van de programmatoewijzing en een Uniefinanciering van 100 %.
Meer flexibiliteit en vereenvoudiging voor snellere investeringen
Halverwege de programmeringsperiode 2021-2027 is het niveau van de door de lidstaten bij de Commissie gedeclareerde betalingen laag als gevolg van een combinatie van factoren: de laattijdige vaststelling van de verordeningen van het beleid; de noodzaak om het hoofd te bieden aan opeenvolgende crises, van de COVID-19-pandemie tot de oorlog tegen Oekraïne en de energiecrisis; de druk om de vorige programmeringsperiode te sluiten en de prioriteit die wordt gegeven aan de uitvoering van de NGEU-instrumenten, gezien het kortere tijdschema voor de uitvoering ervan. Dit alles heeft op zijn beurt de administratieve capaciteit van de autoriteiten van de lidstaten onder druk gezet om investeringen te ontwerpen en snel uit te voeren. Ondanks de versnelling van het afgelopen jaar met de selectie van projecten voor bijna 40 % van de toewijzingen, moet de uitvoering van het cohesiebeleid nog sneller worden uitgevoerd in een context waarin de Unie wordt geconfronteerd met een reeks nieuwe uitdagingen die een snelle respons vereisen. De Commissie stelt daarom een reeks maatregelen voor om de flexibiliteit verder te vergroten en het gebruik van steun in het kader van het cohesiebeleid voor snellere investeringen te vereenvoudigen:
Om te voorkomen dat de uitvoering van programma’s vertraging oploopt als gevolg van nationale budgettaire beperkingen en om de financiële capaciteit van de lidstaten uit te breiden om de nieuwe uitdagingen aan te pakken, stelt de Commissie voor om in 2026 een eenmalige voorfinanciering van 4,5 % uit het EFRO en het Cohesiefonds te verstrekken aan alle programma’s waarbij ten minste 15 % van de middelen wordt overgeheveld naar de nieuwe prioriteiten in het kader van het tussentijdse evaluatieproces. Voorgesteld wordt het voorfinancieringspercentage te verhogen tot 9,5 % in 2026 voor programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” voor een of meer NUTS 2-regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus of Oekraïne. Om te voorkomen dat het risico op vertragingen en het daarmee gepaard gaande verlies van middelen de bereidheid om programmawijzigingen door te voeren vermindert en om de correcte uitvoering van de betrokken concrete acties te waarborgen, stelt de Commissie voor de termijn voor het gebruik van de middelen van het EFRO en het Cohesiefonds te verlengen en de einddatum voor subsidiabiliteit met een extra jaar te verlengen. Voorgesteld wordt deze flexibiliteit alleen beschikbaar te stellen voor programma’s waarvoor wijzigingen worden voorgesteld die leiden tot een overheveling van ten minste 15 % van de middelen naar de nieuwe prioriteiten die in dit voorstel en in het kader van de tussentijdse evaluatie zijn vastgesteld, zodra deze zijn goedgekeurd.
Kosten in verband met voorbereidende acties voor hervormingen komen in aanmerking, ook voor op zichzelf staande hervormingen (d.w.z. die niet gepaard gaan met investeringen).
Om de synergieën tussen EU-beleid en -instrumenten verder te versterken, wordt voorgesteld dat het JTF ook onder het excellentiekeurmerk (met inbegrip van het soevereiniteitszegel) en de mogelijkheid van een vereenvoudigde selectieprocedure in het kader van Verordening (EU) 2021/1060 valt, zodat steun wordt verleend aan projecten die zijn geselecteerd in het kader van andere EU-instrumenten, die niet over voldoende financiering beschikken. In het licht van de grote vraag naar het innovatiefonds en de staat van dienst op het gebied van de ondersteuning van projecten die voldoende rijp zijn en een aanzienlijk potentieel hebben om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, en die ofwel zeer innovatieve technologieën, processen of producten demonstreren, ofwel gericht zijn op het opschalen van innovatieve technologieën, processen of producten met het oog op de brede commerciële uitrol ervan in de hele EU, stelt de Commissie ook voor om de mogelijkheden voor in het kader van het innovatiefonds ondersteunde projecten aan te passen en een overeenkomstige gerichte bepaling op te nemen die de productie, de verwerking, het vervoer, de distributie, de opslag of de verbranding van fossiele brandstoffen mogelijk maakt, mits aan deze projecten een soevereiniteitszegel is toegekend in het kader van het innovatiefonds.
De Commissie erkent de belangrijke rol van steden bij de verwezenlijking van de EU-doelstellingen, de aanpak van lokale uitdagingen en de versterking van de banden tussen stad en platteland met het oog op een evenwichtige regionale ontwikkeling en daarom stelt zij voor het Stedelijk Europa-initiatief te versterken door de mogelijkheid in te voeren om middelen van het EFRO over te hevelen naar het Stedelijk Europa-initiatief. Die bedragen zouden acties ondersteunen ten behoeve van de lidstaten die de overheveling initiëren. De Commissie stelt ook voor om een excellentiekeurmerk voor het Stedelijk Europa-initiatief in te voeren, zodat in het kader van cohesiebeleidsprogramma’s steun kan worden verleend aan projecten in het kader van het Stedelijk Europa-initiatief die zijn geselecteerd maar vanwege een gebrek aan middelen geen financiering konden krijgen. De lidstaten zouden ook de mogelijkheid hebben om EFRO-middelen van hun programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” over te hevelen naar het instrument voor interregionale innovatie-investeringen, waardoor zij meer flexibiliteit krijgen bij het gebruik van de middelen. Deze overhevelingen vinden plaats binnen hetzelfde fonds, het EFRO, en daarom wordt voorgesteld ze niet mee te tellen voor de in artikel 26 van Verordening (EU) 2021/1060 vastgestelde maxima.
Concurrentievermogen en decarbonisatie
De beperking van 20 % voor de herprogrammering van middelen voor de specifieke STEP-doelstellingen wordt geschrapt.
Steun uit het EFRO en het Cohesiefonds aan andere ondernemingen dan kmo’s wordt mogelijk gemaakt, voor zover deze voldoen aan de staatssteunregels van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag, voor investeringen die deelnemen aan een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang dat door de Commissie is goedgekeurd overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en aan mededeling C(2021) 8481, of wanneer de ondernemingen industriële aanpassingen in verband met het koolstofvrij maken van productieprocessen en producten faciliteren. Daarnaast wordt de mogelijkheid om grote ondernemingen te ondersteunen uitgebreid tot alle regio’s in de context van de specifieke STEP-doelstellingen in het kader van de beleidsdoelstellingen 1 en 2, voor zover dit is toegestaan op grond van de staatssteunregels;
De mogelijkheid voor de lidstaten om middelen van het EFRO of het Cohesiefonds over te dragen naar het lidstaatcompartiment van het InvestEU-fonds voor de uitrol in het nieuwe InvestEU-financieringsinstrument, zoals opgenomen in het voorstel tot wijziging van de InvestEU-verordening (COM (2025) 84);
Voor belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang die door de Commissie zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en mededeling C(2021) 8481, wordt de selectieprocedure vereenvoudigd, aangezien de beheerautoriteiten overeenkomstig de staatssteunregels rechtstreeks steun uit het EFRO kunnen verlenen voor projecten die rechtstreeks deelnemen aan een dergelijk goedgekeurd belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang.
Ervoor zorgen dat investeringen met cohesiemiddelen de klimaatveerkracht vergroten, aangezien dit ook een essentieel onderdeel is van het waarborgen van het concurrentievermogen.
Defensie en veiligheid
Er wordt een nieuwe specifieke doelstelling ingevoerd in het kader van beleidsdoelstelling 1 voor het EFRO en beleidsdoelstelling 3 voor het EFRO en het Cohesiefonds ter ondersteuning van investeringen in de defensievermogens van de EU, en het toepassingsgebied van de steun wordt gewijzigd om steun aan andere ondernemingen dan kmo’s voor deze specifieke doelstellingen mogelijk te maken, voor zover toegestaan op grond van de staatssteunregels. De specifieke doelstelling in het kader van beleidsdoelstelling 3 zal veerkrachtige infrastructuur voor defensie of tweeërlei gebruik bevorderen om de militaire mobiliteit in de Unie te verbeteren. Voorts zal de Commissie, naast de jaarlijkse voorfinanciering voor de programma’s, 30 % uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering betalen op basis van de middelen die in specifieke prioriteiten aan deze specifieke doelstellingen zijn toegewezen en het maximale medefinancieringspercentage voor deze prioriteiten is vastgesteld op 100 %.
Betaalbare huisvesting (met inbegrip van sociale huisvesting)
Om investeringen in betaalbare huisvesting te bevorderen, met inbegrip van sociale huisvesting en steun voor daarmee verband houdende hervormingen, worden drie nieuwe specifieke doelstellingen ingevoerd voor het EFRO en één voor het Cohesiefonds. Voort deze specifieke doelstellingen zal de Commissie, naast de jaarlijkse voorfinanciering voor de programma’s, 30 % uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering betalen op basis van de middelen die aan specifieke prioriteiten zijn toegewezen en het maximale medefinancieringspercentage voor specifieke prioriteiten is vastgesteld op 100 %. Tegelijkertijd moet ervoor worden gezorgd dat huisvesting klimaatbestendig is.
Voorts wordt het toepassingsgebied van het Fonds voor een rechtvaardige transitie gewijzigd om investeringen in betaalbare huisvesting en steun voor relevante hervormingen ook mogelijk te maken ter ondersteuning van de uitvoering van de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie.
Veilige toegang tot water, duurzaam waterbeheer en waterweerbaarheid
De wijziging van de specifieke doelstelling in “het bevorderen van veilige toegang tot water, duurzaam waterbeheer en waterweerbaarheid” weerspiegelt het strategische belang voor de EU van veerkrachtig waterbeheer. Om de investeringen op dit gebied te helpen versnellen zal de Commissie, naast de jaarlijkse voorfinanciering voor de programma’s, 30 % uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering betalen op basis van de middelen die aan specifieke prioriteiten zijn toegewezen die de specifieke doelstelling ondersteunen en het maximale medefinancieringspercentage voor specifieke prioriteiten is vastgesteld op 100 %.
Energietransitie
Om de energiezekerheid te vergroten en de transitie in de hele Unie te versnellen en ook schone mobiliteit te bevorderen, moet een nieuwe specifieke doelstelling worden gecreëerd om interconnectoren en de bijbehorende transmissie-infrastructuur en de uitrol van oplaadinfrastructuur uit EFRO- en cohesiefondsmiddelen te bevorderen.
Oostelijke grensregio’s
Gezien de uitdagingen van de oostelijke grensregio’s sinds de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, moeten programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” — die door het EFRO of het Cohesiefonds worden gefinancierd met NUTS 2-regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus of Oekraïne — kunnen gebruikmaken van de mogelijkheid van een eenmalige voorfinanciering van 9,5 % en een Uniefinanciering van 100 %, indien programma’s ten minste 15 % van hun middelen overhevelen naar de nieuw ingevoerde specifieke doelstellingen en STEP. Indien het desbetreffende programma het gehele grondgebied van de lidstaat bestrijkt, mag deze financiële flexibiliteit alleen van toepassing zijn als het programma dat het gehele grondgebied van de lidstaat bestrijkt, het enige programma is in de lidstaat dat de betrokken NUTS 2-regio’s omvat.
Steden
Het Stedelijk Europa-initiatief wordt versterkt door de toekenning van een excellentiekeurmerk mogelijk te maken voor innovatieve acties die zijn beoordeeld en voldoen aan de minimumkwaliteitseisen, maar die vanwege budgettaire beperkingen niet konden worden gefinancierd, en door de lidstaten toe te staan een deel van hun initiële nationale toewijzing van het EFRO aan het Stedelijk Europa-initiatief toe te wijzen. Deze overheveling zou niet meetellen voor de in artikel 26 van Verordening (EU) 2021/1060 vastgestelde maxima.
Verdere flexibiliteit bij de uitvoering
Thematische concentratie
De vereisten inzake thematische concentratie van het EFRO worden herzien om rekening te houden met de invoering van de nieuwe en gewijzigde specifieke doelstellingen en de specifieke doelstellingen die in het kader van de STEP-verordening zijn ingevoerd. De vereisten van artikel 6 van Verordening (EU) 2021/1060 met betrekking tot klimaatgerelateerde investeringen blijven echter van toepassing.
Tussentijdse evaluatie
Om ervoor te zorgen dat de lidstaten doeltreffend gebruik kunnen maken van de nieuwe prioriteiten en flexibiliteit, wordt voorgesteld dat zij hun voorstel voor een tussentijdse evaluatie uiterlijk 2 maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingen van de regelgeving opnieuw mogen indienen.
Om de uitvoering van het EFRO en het Cohesiefonds te helpen versnellen, zouden alle programma’s die ten minste 15 % van hun middelen overhevelen naar de nieuw ingevoerde specifieke doelstellingen en STEP een eenmalige voorfinanciering van 4,5 % ontvangen op basis van hun gewijzigde programmabegroting (met uitzondering van NUTS 2-regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus of Oekraïne, die profiteren van de hogere eenmalige voorfinanciering van 9,5 %). De aanvullende voorfinanciering in verband met de bovengenoemde nieuwe prioritaire gebieden zou een aanvulling vormen.
Daarnaast wordt de einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven met één extra jaar verlengd voor EFRO- en Cohesiefondsprogramma’s waarvoor ten minste 15 % van de middelen wordt overgeheveld naar de nieuwe prioritaire gebieden.
2025/0084 (COD) |
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1058 en Verordening (EU) 2021/1056 wat betreft specifieke maatregelen voor het aanpakken van strategische uitdagingen in het kader van de tussentijdse evaluatie |
Om flexibiliteit te bieden bij de berekening van de klimaatbijdrage, kan, wanneer de in artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde klimaatbijdrage voor het Cohesiefonds of het EFRO wordt overschreden, het bedrag waarmee het streefcijfer wordt overschreden, in aanmerking worden genomen bij de berekening van de klimaatbijdrage voor het andere fonds.
Verdere wijzigingen gericht op de stroomlijning van de uitvoering zijn onder meer:
de mogelijkheid voor de lidstaten om middelen uit het EFRO over te hevelen naar het instrument voor interregionale innovatie-investeringen;
de mogelijkheid om activiteiten te ondersteunen die bijdragen tot de uitvoering van hervormingen;
de naar behoren gemotiveerde herziening van de streefcijfers voor outputindicatoren als onderdeel van een wijziging van het JTF-programma, waarbij ervoor wordt gezorgd dat dergelijke herzieningen geen gevolgen hebben voor de transitie naar klimaatneutraliteit en de verbintenissen inzake de uitfasering van fossiele brandstoffen.
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1058 en Verordening (EU) 2021/1056 wat betreft specifieke maatregelen voor het aanpakken van strategische uitdagingen in het kader van de tussentijdse evaluatie
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 175, 177, 178 en 322,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 2 ,
Gezien het advies van het Comité van de Regio's 3 ,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
De afgelopen jaren wordt de geopolitieke dynamiek gekenmerkt door grote onzekerheid, waardoor een grondige herevaluatie van de strategische autonomie, veerkracht en veiligheid van de Unie noodzakelijk is. Daarnaast moeten de uitdagingen van de groene, sociale en technologische transities worden aangepakt. Deze gelijktijdige transformaties tonen aan dat de innovatiekloof dringend moet worden gedicht en de decarbonisatie-inspanningen moeten worden versneld om het economische concurrentievermogen te versterken. De externe afhankelijkheid moet worden verminderd door toeleveringsketens te diversifiëren, in eigen regio geproduceerde groene energie op te schalen en te investeren in kritieke sectoren.
Als belangrijkste investeringsinstrument van de Unie binnen het meerjarig financieel kader speelt het cohesiebeleid een cruciale rol bij de ondersteuning van die prioriteiten. Het stimuleert gerichte investeringen die bijdragen tot economische, sociale en territoriale cohesie en pakt tegelijkertijd nieuwe uitdagingen aan.
Het rechtskader voor cohesiebeleidsprogramma’s voorziet in een tussentijdse evaluatie in 2025, die een tijdige en unieke gelegenheid biedt om de programma’s te heroriënteren op het aanpakken van nieuwe uitdagingen en kansen, de uitvoering te versnellen en de doeltreffendheid ervan te vergroten om tegemoet te komen aan zowel oude als nieuwe prioriteiten van de Unie.
De Commissie heeft in het kompas voor concurrentievermogen, de Clean Industrial Deal en het actieplan voor betaalbare energie een concreet traject gepresenteerd voor Europa om zijn concurrentievermogen te herstellen en duurzame welvaart te waarborgen. Het EFRO en het Cohesiefonds ondersteunen reeds investeringen in klimaatdoelstellingen, zoals bepaald in Verordening (EU) 2021/1060. De lidstaten moeten echter hun inspanningen opvoeren om ervoor te zorgen dat decarbonisatie een motor is voor groei van de Europese industrieën en de welvaart van de Europeanen, onder meer door de steun voor schone technologie en de transitie naar schone energie op te voeren, te investeren in energie-infrastructuurprojecten die een echte energie-unie kunnen waarborgen, en het koolstofvrij maken van productieprocessen en producten te ondersteunen.
Gezien de ongekende geopolitieke instabiliteit en de noodzaak voor de Unie om haar eigen defensie te waarborgen, moet de financiering van het cohesiebeleid snel worden gemobiliseerd om investeringen in defensievermogens rechtstreeks te ondersteunen. Daarom moeten nieuwe specifieke doelstellingen worden vastgesteld voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds, vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad 4 , om de industriële capaciteit in de defensiesector te financieren en investeringen in veerkrachtige infrastructuur voor defensie of voor tweeërlei gebruik mogelijk te maken met het oog op de bevordering van militaire mobiliteit, in overeenstemming met het toepassingsgebied van die fondsen. De industriële capaciteiten ter bevordering van defensievermogens moeten betrekking hebben op de technologische ontwikkeling en productie van defensieproducten en andere producten voor defensiedoeleinden, zoals gedefinieerd in artikel 2 van [ontwerp] van Verordening [xxxx] van de Raad tot vaststelling van de veiligheidsactie voor Europa (SAFE) door middel van versterking van het instrument voor de Europese defensie-industrie (SAFE), met name die waarnaar wordt verwezen in artikel 1 van die verordening. De lidstaten worden aangemoedigd gebruik te maken van de mogelijkheid waarin het huidige rechtskader voorziet om de hun in gedeeld beheer toegewezen middelen vrijwillig over te hevelen naar programma’s in direct beheer met defensie- en veiligheidsdoelstellingen. In dit verband zouden overdrachten naar de middelen voor militaire mobiliteit van de Connecting Europe Facility (CEF) gecoördineerde interventies langs de militaire mobiliteitscorridors die in het Witboek over defensie worden genoemd, waarborgen.
Voorts moeten aanvullende financieringsmogelijkheden worden geboden om snel liquiditeit te injecteren om de dringendste behoeften, met name voor investeringen in versterkte defensievermogens, te dekken. Met name moet worden voorzien in een aanvullende eenmalige voorfinanciering van 30 % van de bedragen die zijn geprogrammeerd in het kader van specifieke prioriteiten voor defensie en van de respectieve beleidsdoelstellingen van het EFRO en het Cohesiefonds, en in de mogelijkheid om een medefinancieringspercentage van de Unie van maximaal 100 % toe te passen.
Het EFRO en het Cohesiefonds kunnen, binnen hun respectieve toepassingsgebied, reeds investeringen ondersteunen die bijdragen tot de doelstellingen van het platform voor strategische technologieën voor Europa (STEP), dat tot doel heeft het technologische leiderschap van Europa te versterken. Om investeringen uit het EFRO en het Cohesiefonds op die kritieke gebieden verder te stimuleren, moet de beperking van de totale bijdrage van het EFRO en het Cohesiefonds tot die prioriteiten worden geschrapt en moet de mogelijkheid voor de lidstaten om een hogere voorfinanciering voor gerelateerde programmawijzigingen te ontvangen, worden verlengd. Voorts moeten de mogelijkheden voor de financiering van productieve investeringen die bijdragen tot STEP-doelstellingen in andere ondernemingen dan kmo’s, tot alle regio’s worden uitgebreid. Evenzo moeten dergelijke investeringen ook mogelijk zijn in regio’s waar zij industriële aanpassingen in verband met de digitale transformatie faciliteren, met inbegrip van digitale capaciteiten in de cloud, AI en supercomputing, of de decarbonisatie en circulariteit van productieprocessen en producten, zoals in de automobielindustrie of de energie-intensieve industrieën. Daarnaast moet de mogelijkheid voor investeringen die bijdragen tot STEP-doelstellingen om productieve investeringen in andere ondernemingen dan kmo’s te financieren uit het bij Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Fonds voor een rechtvaardige transitie (JTF) 5 , zonder de noodzaak en ongeacht het resultaat van een kloofanalyse, worden uitgebreid tot alle investeringen.
Om de energiezekerheid te vergroten en de energietransitie en schone mobiliteit te versnellen, moeten de investeringen in het kader van STEP en de faciliteit voor infrastructuur voor alternatieve brandstoffen worden aangevuld met een nieuwe specifieke doelstelling voor het EFRO en het Cohesiefonds in het kader van beleidsdoelstelling 2 om interconnectoren en de bijbehorende transmissie-infrastructuur en de uitrol van oplaadinfrastructuur te bevorderen. Om de investeringen op deze gebieden te versnellen, moeten prioriteiten voor deze specifieke doelstelling profiteren van een aanvullende eenmalige voorfinanciering van 30 % van de in het kader van die prioriteiten geprogrammeerde bedragen en van de mogelijkheid om een medefinancieringspercentage van de Unie van maximaal 100 % toe te passen. De beheerautoriteiten moeten ernaar streven in voorkomend geval een maximaal bedrag aan particuliere financiering aan te trekken. Dankzij deze verhoogde investeringsinspanningen zullen energie-intensieve sectoren toegang krijgen tot stabielere en diversere energiebronnen in een minder gefragmenteerde interne energiemarkt, waardoor hun duurzaamheid en concurrentievermogen worden versterkt. Bovendien stelt de uitbreiding van de EFRO-steun voor decarbonisatieprojecten energie-intensieve industrieën in staat prioriteit te geven aan innovaties met een grote impact die zijn afgestemd op de klimaatdoelstellingen van de EU.
Belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang (IPCEI) vloeien voort uit een staatssteuninstrument dat grensoverschrijdende samenwerking binnen Europa voor innovatieve technologieën of pan-Europese infrastructuur vereist. IPCEI zijn projecten ter ondersteuning en bevordering van grootschalige, grensoverschrijdende projecten die van essentieel belang worden geacht voor de economische groei, innovatie en het concurrentievermogen van de Unie. Om het ontwerp van nieuwe IPCEI en de uitvoering van de bestaande te helpen versnellen, moet steun uit het EFRO voor investeringen in projecten die deelnemen aan een IPCEI zoals goedgekeurd door de Commissie overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en mededeling C(2021) 8481, in alle regiocategorieën worden toegestaan. Voorts moeten voor concrete acties die bijdragen tot een door de Commissie goedgekeurd IPCEI vereenvoudigde selectieprocedures gelden.
Betaalbare huisvesting is een andere uitdaging die op de voorgrond is getreden als gevolg van de aanzienlijke prijs- en huurstijgingen in de afgelopen jaren. Om de lidstaten en regio’s te stimuleren om, binnen hun respectieve toepassingsgebieden, investeringen uit het EFRO en het Cohesiefonds te verdubbelen in de bouw en renovatie van betaalbare woningen, met inbegrip van sociale huisvesting, moeten in het kader van verschillende beleidsdoelstellingen nieuwe specifieke doelstellingen worden vastgesteld om flexibiliteit te bieden voor de programmering van huisvestingsprojecten in het kader van specifieke prioriteiten. Dergelijke prioriteiten moeten de mogelijkheid inhouden om een medefinancieringspercentage van de Unie van maximaal 100 % toe te passen en te profiteren van een aanvullende eenmalige voorfinanciering van 30 % van de geprogrammeerde bedragen om de lasten voor de overheidsbegrotingen te verlichten. Bijvoorbeeld investeringen in het kader van het Nieuw Europees Bauhaus moeten ten volle gebruikmaken van die nieuwe mogelijkheden. Kosten die voortvloeien uit de tijdelijke huur van alternatieve accommodatie voor de bewoners tijdens de renovatie kunnen ook in aanmerking komen voor steun in het kader van dergelijke prioriteiten, alsook kosten van hervormingen in verband met huisvesting, zoals voorbereidende werkzaamheden voor verbeteringen in de regulering van de woningmarkt en vergunningverlening op lokaal en stedelijk niveau. Het is ook passend de steun uit het JTF in dat verband te verduidelijken.
Water speelt een cruciale rol als hulpbron voor de voedsel-, energie- en economische zekerheid. Dit is ook een belangrijk aspect van het waarborgen van klimaatbestendigheid. Gezien de uitdagingen die de gevolgen van de klimaatverandering voor de watervoorraden met zich meebrengen, moeten verdere investeringen in waterweerbaarheid worden aangemoedigd. Het is dringend noodzakelijk de uitvoering van de wetgeving inzake water- en mariene bescherming te verbeteren en de waterefficiëntie te verbeteren, waterschaarste aan te pakken en vooruitgang te boeken in de richting van een waterweerbaar Europa. Daarvoor zijn belangrijke investeringen nodig. Daarom is het passend een verwijzing naar veilige toegang tot water, duurzaam waterbeheer en waterweerbaarheid op te nemen in de nieuwe specifieke doelstelling in het kader van beleidsdoelstelling 2 om proactief, risicogebaseerd beheer en een grotere paraatheid mogelijk te maken. Specifieke prioriteiten die voor die specifieke doelstelling zijn vastgesteld, moeten ook profiteren van een aanvullende eenmalige voorfinanciering van 30 % van de geprogrammeerde bedragen en van de mogelijkheid van een medefinancieringspercentage van maximaal 100 % om cruciale investeringen op dat gebied te stimuleren.
Ten slotte is het, om de doeltreffendheid van investeringen te vergroten, belangrijk om de betaling van kosten in verband met de uitvoering van hervormingen mogelijk te maken, ook wanneer die kosten niet rechtstreeks verband houden met de uitvoering van investeringen.
Om de lidstaten in staat te stellen in het kader van de tussentijdse evaluatie een zinvolle herprogrammering uit te voeren en de middelen toe te spitsen op die nieuwe strategische prioriteiten van de Unie, moeten aanvullende beperkingen worden opgeheven. Wat de vereisten inzake thematische concentratie betreft, is het passend de lidstaten toe te staan bedragen die zijn geprogrammeerd voor nieuwe strategische prioriteiten, met inbegrip van die welke bijdragen aan STEP-doelstellingen, mee te tellen bij de bedragen die nodig zijn om de naleving van de vereisten inzake thematische concentratie te waarborgen. Dit moet gepaard gaan met enige flexibiliteit met betrekking tot de berekening van de respectieve klimaatbijdrage voor het EFRO en het Cohesiefonds, zoals vastgesteld in artikel 6 van Verordening (EU) 2021/1060, met inachtneming van de algemene vereisten van dat artikel. Om de industrie sneller koolstofvrij te maken, wat nodig is om de klimaatdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken, moet bovendien worden voorzien in de mogelijkheid om via het EFRO investeringen te financieren die gericht zijn op de vermindering van broeikasgasemissies, ook van activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 6 , mits aan die activiteiten een excellentiekeurmerk is toegekend. Evenzo moeten, wat het JTF betreft, de voorwaarden voor de financiering van dergelijke investeringen worden vereenvoudigd. Om de samenhang van de steun tussen financiering in direct beheer en in gedeeld beheer te waarborgen, mogen concrete acties die reeds zijn beoordeeld in het kader van rechtstreeks beheerde programma’s en waaraan een “soevereiniteitszegel” is toegekend in de zin van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2024/795 in een oproep tot het indienen van voorstellen van de Commissie uit hoofde van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/856 van de Commissie, niet vallen onder de uitsluiting van fossiele brandstoffen. De lidstaten moeten ook de mogelijkheid krijgen om middelen uit het EFRO en het Cohesiefonds bij te dragen aan het lidstaatcompartiment van het InvestEU-fonds 7 om deze middelen aan te wenden via het in [artikel 10 bis van Verordening (EU) 2021/523] bedoelde financieringsinstrument van InvestEU. Ten slotte moeten de lidstaten, om in het kader van de tussentijdse evaluatie een alomvattende herprogrammering van de nieuwe strategische prioriteiten mogelijk te maken, extra tijd krijgen om de beoordeling van de resultaten van de tussentijdse evaluatie en de indiening van daarmee verband houdende programmawijzigingen aan te vullen. Dit moet ook gelden voor JTF-middelen die samen met middelen uit het EFRO of het Cohesiefonds in een programma zijn opgenomen.
Om de uitvoering van cohesiebeleidsprogramma’s in het algemeen te versnellen en de nodige liquiditeit te injecteren voor belangrijke investeringen die moeten worden uitgevoerd, moet een aanvullende eenmalige voorfinanciering voor het EFRO en het Cohesiefonds worden betaald voor programma’s in het kader van zowel de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” als de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg), wanneer de herprogrammering betrekking heeft op een aanzienlijk deel van het totale programma. Het voorfinancieringspercentage moet verder worden verhoogd voor bepaalde programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” voor een of meer NUTS 2-regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus of Oekraïne, gezien de negatieve gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne voor die regio’s. Om de herprogrammering naar kernprioriteiten in het kader van de tussentijdse evaluatie te stimuleren, mag de aanvullende voorfinanciering alleen beschikbaar zijn wanneer in dat verband een bepaalde drempel voor de overheveling van financiële middelen naar specifieke cruciale prioriteiten wordt bereikt.
Om rekening te houden met de tijd die nodig is om investeringen in het kader van de tussentijdse evaluatie te heroriënteren en een optimaal gebruik van de beschikbare middelen mogelijk te maken, moeten de termijnen voor de subsidiabiliteit van de uitgaven en de regels inzake vrijmaking worden aangepast voor programma’s waarbij middelen worden overgeheveld naar strategische prioriteiten in het kader van de tussentijdse evaluatie. Het moet ook mogelijk zijn een maximaal medefinancieringspercentage van maximaal 100 % toe te passen op prioriteiten in programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” voor een of meer NUTS 2-regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus of Oekraïne, gezien de negatieve gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne voor die regio’s.
De tussentijdse evaluatie moet ook worden gebruikt om de cruciale rol van steden bij de verwezenlijking van vele doelstellingen van de Unie te versterken door de lidstaten de mogelijkheid te bieden financiële middelen uit het EFRO over te hevelen ter versterking van het Stedelijk Europa-initiatief als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) 2021/1058. Om de toepassing van belangrijke innovatieve acties in het kader van het Stedelijk Europa-initiatief te vergemakkelijken, moeten dergelijke acties bovendien in aanmerking komen voor een vereenvoudigde selectieprocedure voor steun in het kader van cohesiebeleidsprogramma’s. De lidstaten zouden ook de mogelijkheid moeten hebben om EFRO-middelen van hun programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” over te hevelen naar het instrument voor interregionale innovatie-investeringen als bedoeld in artikel 13 van Verordening (EU) 2021/1058 waardoor zij meer flexibiliteit krijgen bij het gebruik van de middelen.
Om de uitvoering te vereenvoudigen en investeringen te versnellen, is het passend aanvullende gerichte wijzigingen aan te brengen in het regelgevingskader voor het gebruik van het JTF. Met name moet de mogelijkheid van een vereenvoudigde selectieprocedure voor concrete acties waaraan een excellentiekeurmerk is toegekend, worden uitgebreid tot het JTF. Voorts moeten de beperkingen voor de herziening van de streefcijfers worden opgeheven om te zorgen voor de nodige flexibiliteit in de context van veranderende uitvoeringsomstandigheden.
Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de investeringen heroriënteren op kritieke prioriteiten in het kader van de tussentijdse evaluatie en de uitvoering van het beleid te vereenvoudigen en versnellen door de Verordeningen (EU) 2021/1058 en (EU) 2021/1056 te wijzigen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
De Verordeningen (EU) 2021/1058 en (EU) 2021/1056 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.
Gezien de dringende noodzaak om cruciale investeringen mogelijk te maken, met name in defensievermogens in de context van dringende geopolitieke uitdagingen, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EU) 2021/1058 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
i) in punt a) wordt het volgende punt vii) toegevoegd:
“vii) versterking van de industriële capaciteit om zowel tweeërlei gebruik als defensievermogens te bevorderen.”;
ii) in punt b) wordt punt v) vervangen door:
“v) veilige toegang tot water, duurzaam waterbeheer en waterweerbaarheid bevorderen;”;
iii) de volgende punten xi) en xii) worden toegevoegd:
“xi) bevordering van de toegang tot betaalbare huisvesting en daarmee verband houdende hervormingen;
xii) het bevorderen van interconnectoren en de bijbehorende transmissie-infrastructuur, en de uitrol van oplaadinfrastructuur.”;
iv) in punt c) wordt het volgende punt iii) toegevoegd:
“iii) het ontwikkelen van veerkrachtige infrastructuur voor defensie of tweeërlei gebruik om de militaire mobiliteit in de Unie te bevorderen.”;
v) in punt d) wordt het volgende punt vii) toegevoegd:
“vii) bevordering van de toegang tot betaalbare huisvesting en daarmee verband houdende hervormingen.”;
vi) in punt e), eerste alinea, wordt het volgende punt iii) toegevoegd:
“iii) het bevorderen van geïntegreerde territoriale ontwikkeling, door toegang tot betaalbare huisvesting en de ontwikkeling van daarmee verband houdende hervormingen op alle soorten gebieden.”;
vii) aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:
“Concrete acties die worden ondersteund in het kader van de specifieke doelstelling van punt c), iii), zijn in voorkomend geval in de eerste plaats gericht op een of meer van de vier prioritaire militaire mobiliteitscorridors van de EU die door de lidstaten zijn vastgesteld in bijlage II bij de militaire eisen voor militaire mobiliteit binnen en buiten de EU, zoals vastgesteld door de Raad op [18 maart 2025 en met referentie ST 6728/25 ADD1]. Ondersteunde concrete acties die deel uitmaken van die corridors moeten voldoen aan de infrastructuurvereisten die zijn vastgesteld in uitvoeringshandelingen op basis van artikel 12, lid 2, van Verordening (EU) 2021/1153.”;
in lid 1 bis worden de eerste en tweede alinea vervangen door:
“De middelen in het kader van de in lid 1, punt a), vi), en punt b), ix), bedoelde specifieke doelstelling worden geprogrammeerd in het kader van specifieke prioriteiten die met de respectieve beleidsdoelstelling overeenstemmen.
De Commissie betaalt 30 % van de toewijzing aan die prioriteiten zoals vastgesteld in het besluit tot goedkeuring van de programmawijziging als uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering naast de jaarlijkse voorfinanciering voor het programma waarin artikel 90, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2021/1060 of artikel 51, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad* voorziet. Die uitzonderlijke voorfinanciering wordt betaald op voorwaarde dat de programmawijziging uiterlijk op 31 december 2025 bij de Commissie wordt ingediend. Ze wordt betaald binnen 60 dagen na de vaststelling van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de programmawijziging.
_______
* Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 94, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1059/oj).”;
het volgende lid 1 quater wordt ingevoegd:
“1 quater. “De middelen in het kader van de in lid 1, punten a), vii), b), v), b), xi), b), xii), c), iii), d), vii), en e), iii), bedoelde specifieke doelstellingen worden geprogrammeerd in het kader van specifieke prioriteiten die met de respectieve beleidsdoelstelling overeenstemmen.
De Commissie betaalt 30 % van de toewijzing aan die prioriteiten zoals vastgesteld in het besluit tot goedkeuring van de programmawijziging als uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering naast de jaarlijkse voorfinanciering voor het programma waarin artikel 90, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2021/1060 voorziet. Die uitzonderlijke voorfinanciering wordt betaald op voorwaarde dat de programmawijziging uiterlijk op 31 december 2025 bij de Commissie wordt ingediend. Ze wordt betaald binnen 60 dagen na de vaststelling van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de programmawijziging.
Overeenkomstig artikel 90, lid 5, van Verordening (EU) 2021/1060 wordt het als uitzonderlijke voorfinanciering betaalde bedrag uiterlijk in het laatste boekjaar in de rekeningen van de Commissie vereffend.
Overeenkomstig artikel 90, lid 6, van Verordening (EU) 2021/1060 worden eventuele door de uitzonderlijke voorfinanciering gegenereerde renteopbrengsten op dezelfde wijze voor het betrokken programma gebruikt als het EFRO en opgenomen in de rekeningen van het laatste boekjaar.
Overeenkomstig artikel 97, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 wordt de uitzonderlijke voorfinanciering niet geschorst.
Overeenkomstig artikel 105, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 omvat de voorfinanciering die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de vrij te maken bedragen, de betaalde uitzonderlijke voorfinanciering.
In afwijking van artikel 112 van Verordening (EU) 2021/1060 bedraagt het maximale medefinancieringspercentage voor een specifieke prioriteit die is vastgesteld ter ondersteuning van de in lid 1, punt a), vii), punt b), v), punt b), xi), punt b), xii), punt c), iii), punt d), vii), en punt e), iii), van dit artikel bedoelde specifieke doelstellingen 100 %.”;
lid 3 wordt vervangen door:
3. Het Cohesiefonds ondersteunt BD 2 en 3, met inbegrip van de in lid 1, punten b), x), b), xi), b), xii), en c), iii), van dit artikel bedoelde specifieke doelstellingen, voor zover dergelijke steun in overeenstemming is met het toepassingsgebied van de steun als bepaald in de artikel 6 en 7”;
aan lid 4, eerste alinea, wordt het volgende punt d) toegevoegd:
“d) bijdragen tot de uitvoering van hervormingen.”.
In artikel 4 wordt lid 10 vervangen door:
“10. Aan de in lid 6 van dit artikel genoemde vereisten in verband met thematische concentratie moet worden voldaan tijdens de gehele programmeringsperiode, ook wanneer EFRO-toewijzingen worden overgedragen tussen prioriteiten van een programma of tussen programma’s onderling, evenals bij de tussentijdse evaluatie in overeenstemming met artikel 18 van Verordening (EU) 2021/1060. Indien een lidstaat een verzoek tot wijziging van een programma indient overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) 2021/1060, mogen bedragen die zijn geprogrammeerd voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in lid 1, punt a), vi) en punt b), ix), van dit artikel, alsook voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in lid 1, punt a), vii), b), v), b), xi), b), xii), c), iii), d), vii) en e), iii), van dit artikel, worden meegeteld voor de bedragen die vereist zijn voor BD 1 of BD 2 of worden verdeeld tussen de twee.”.
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
lid 2 wordt als volgt gewijzigd:
de eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:
1) punt e) wordt vervangen door:
“e) wanneer zij bijdragen tot de specifieke doelstellingen in het kader van BD 1 als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt a), vi) en vii), van deze verordening, of tot de specifieke doelstelling in het kader van BD 2 als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt b), ix), van deze verordening;”;
2) het volgende punt f) wordt toegevoegd:
“f) wanneer zij bijdragen tot een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang zoals goedgekeurd door de Commissie overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en mededeling C(2021) 8481, met behoud van de nadruk op kmo’s;”;
3) het volgende punt g) wordt toegevoegd:
“g) wanneer zij industriële aanpassingen in verband de decarbonisatie van productieprocessen en producten vergemakkelijken.”;
de tweede alinea wordt geschrapt;
de volgende leden 10 en 11 worden toegevoegd:
“10. Naast de in artikel 14 van Verordening (EU) 2021/1060 genoemde mogelijkheden kunnen de lidstaten, met instemming van de betrokken beheerautoriteiten, middelen uit het EFRO en het Cohesiefonds toewijzen aan het lidstaatcompartiment van het InvestEU-fonds om deze middelen beschikbaar te stellen via het in [artikel 10 bis van Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad]* vast te stellen financieringsinstrument InvestEU. Dergelijke bijdragen zijn onderworpen aan de procedures van artikel 14 van Verordening (EU) 2021/1060 en tellen mee voor de in dat artikel vastgestelde maxima. Middelen die worden gegenereerd door of toe te schrijven zijn aan de bedragen die overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2021/1060 aan het financieringsinstrument InvestEU worden bijgedragen, worden overeenkomstig de bijdrageovereenkomst ter beschikking van de lidstaat gesteld en worden gebruikt voor steun in het kader van dezelfde doelstelling of doelstellingen in de vorm van financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties.
11. Naast de mogelijkheden van artikel 73, lid 4, van Verordening (EU) 2021/1060 kan de beheerautoriteit voor projecten die rechtstreeks deelnemen aan een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang dat door de Commissie is goedgekeurd overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt b), VWEU en mededeling C(2021) 8481, besluiten rechtstreeks steun uit het EFRO te verlenen, op voorwaarde dat dergelijke concrete acties voldoen aan de vereisten van artikel 73, lid 2, punten a), b) en g), van Verordening (EU) 2021/1060.
______
* Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van het InvestEU-programma en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1017 (PB L 107 van 26.3.2021, blz. 30, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/523/oj).”.
In artikel 7 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:
punt b) wordt als volgt gewijzigd:
“b) investeringen om de broeikasgasemissies te verminderen van activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG, met uitzondering van investeringen waaraan een excellentiekeurmerk is toegekend zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 45), van Verordening (EU) 2021/1060;”;
in punt h) wordt het volgende punt iv) toegevoegd:
“iv) investeringen in concrete acties waaraan op grond van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2024/795 een soevereiniteitszegel is toegekend in het kader van een oproep tot het indienen van voorstellen op grond van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/856 van de Commissie.”.
Het volgende artikel 7 bis wordt ingevoegd:
‘Artikel 7 bis
Specifieke bepalingen in verband met de tussentijdse evaluatie en de bijbehorende
flexibiliteit
1. De Commissie betaalt in 2026 4,5 % van de totale steun uit het EFRO en het Cohesiefonds, zoals vastgesteld in het besluit tot goedkeuring van de programmawijziging, als aanvullende eenmalige voorfinanciering. Dit eenmalige voorfinancieringspercentage wordt verhoogd tot 9,5 % voor programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” voor een of meer NUTS 2-regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus of Oekraïne, mits het programma niet het gehele grondgebied van de lidstaat bestrijkt. Wanneer in een lidstaat NUTS 2-regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus of Oekraïne uitsluitend worden opgenomen in programma’s die het gehele grondgebied van die lidstaat bestrijken, is de in dit lid bedoelde verhoogde voorfinanciering van toepassing op die programma’s.
De in de eerste alinea van dit lid bedoelde aanvullende voorfinanciering is alleen van toepassing wanneer ten minste 15 % van de financiële middelen van het programma wordt overgeheveld naar een of meer specifieke prioriteiten die zijn vastgesteld voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt a), vi) en vii), punt b), v), ix), xi) en xii), punt c), iii), punt d), vii), en punt e), iii), van deze verordening in het kader van de tussentijdse evaluatie, op voorwaarde dat de programmawijziging uiterlijk op 31 december 2025 is ingediend.
De aan de lidstaat verschuldigde voorfinanciering die voortvloeit uit programmawijzigingen op grond van de overheveling naar de in de tweede alinea bedoelde prioriteiten, wordt voor de berekening van de overeenkomstig artikel 105 van Verordening (EU) 2021/1060 vrij te maken bedragen meegeteld als betalingen die in 2025 zijn verricht, mits het verzoek tot programmawijziging in 2025 is ingediend.
2. In afwijking van artikel 63, lid 2, en artikel 105, lid 2, van Verordening (EU) 2021/1060 is de uiterste datum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven, de vergoeding van kosten en de vrijmaking 31 december 2030. Die afwijking is alleen van toepassing wanneer via goedgekeurde programmawijzigingen ten minste 15 % van de financiële middelen van het programma wordt overgeheveld naar een of meer specifieke prioriteiten die zijn vastgesteld voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt a), vi) en vii), punt b), v), ix), xi) en xii), punt c), iii), punt d), vii), en punt e), iii), van deze verordening in het kader van de tussentijdse evaluatie.
3. De lidstaten kunnen in verzoeken om programmawijzigingen overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) 2021/1060 verzoeken om de in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” geprogrammeerde EFRO-middelen over te hevelen naar het Stedelijk Europa-initiatief en naar de instrumenten voor interregionale innovatie-investeringen als bedoeld in respectievelijk artikel 12 en artikel 13 van deze verordening. Overgehevelde middelen worden gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat. Dergelijke overhevelingen vormen geen overdrachten in de zin van artikel 26 van Verordening (EU) 2021/1060.
4. In afwijking van artikel 112 van Verordening (EU) 2021/1060 bedraagt het maximale medefinancieringspercentage voor prioriteiten in programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” voor een of meer NUTS 2-regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus of Oekraïne 100 %. Het hogere medefinancieringspercentage geldt niet voor programma’s die het gehele grondgebied van de betrokken lidstaat bestrijken, tenzij die regio’s alleen worden opgenomen in programma’s die het gehele grondgebied van die lidstaat bestrijken. De afwijking is alleen van toepassing wanneer ten minste 15 % van de financiële middelen van het programma wordt overgeheveld naar een of meer specifieke prioriteiten die zijn vastgesteld voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt a), vi) en vii), punt b), v), ix), xi) en xii), punt c), iii), punt d), vii) en punt e), iii), van deze verordening in het kader van de tussentijdse evaluatie, op voorwaarde dat de programmawijziging uiterlijk op 31 december 2025 is ingediend.
5. Naast de overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Verordening (EU) 2021/1060 in te dienen beoordeling van de resultaten van de tussentijdse evaluatie voor elk programma, kunnen de lidstaten binnen twee maanden na de inwerkingtreding van Verordening (EU) XXXX/XXXX [this Regulation] opnieuw een aanvullende beoordeling en daarmee verband houdende verzoeken tot wijziging van het programma indienen, rekening houdend met de specifieke doelstellingen die zijn ingevoerd bij Verordening (EU) XXXX/XXXX [this Regulation]. De termijnen van artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) 2021/1060 zijn van toepassing.
6. Indien de klimaatbijdrage als bedoeld in artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 van het Cohesiefonds het streefcijfer van 37 % van de totale toewijzing ervan zou overschrijden, kan het bedrag dat dat streefcijfer overschrijdt in aanmerking worden genomen bij de berekening van de klimaatbijdrage van het EFRO om het streefcijfer van 30 % van de totale toewijzing ervan te halen. De bedragen die het EFRO-streefcijfer voor klimaatbijdragen van 30 % van de totale toewijzing ervan overschrijden mogen in aanmerking worden genomen bij de berekening van de klimaatbijdrage van het Cohesiefonds.”.
Aan artikel 12 wordt het volgende lid 4 toegevoegd:
“4. Innovatieve acties die zijn beoordeeld in een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het Stedelijk Europa-initiatief en voldoen aan de minimumkwaliteitseisen van die oproep en die vanwege budgettaire beperkingen niet in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen kunnen worden gefinancierd, kunnen van de Commissie een excellentiekeurmerk krijgen.
Voor de toepassing van het excellentiekeurmerk wordt het Stedelijk Europa-initiatief beschouwd als een andere bron van de Unie dan de programma’s die worden uitgevoerd en opgesteld overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) 2021/1060.”.
In bijlage I wordt tabel 1 als volgt gewijzigd:
onder beleidsdoelstelling 1 wordt de volgende rij toegevoegd:
|
“vii) versterking van de industriële capaciteit om zowel vermogens voor tweeërlei gebruik als defensievermogens te bevorderen |
Alle RCO vermeld voor specifieke doelstellingen i), iii) RCO128 Ondernemingen die steun ontvangen, voornamelijk in verband met de bevordering van vermogens voor tweeërlei gebruik en defensievermogens (RearmEU) - ondernemingen |
Alle RCR vermeld voor specifieke doelstellingen i), iii)”; |
in beleidsdoelstelling 2 wordt de rij voor specifieke doelstelling v) vervangen door:
|
“v) veilige toegang tot water, duurzaam waterbeheer en waterweerbaarheid bevorderen |
RCO30 Lengte van de nieuwe of verbeterde pijpleidingen voor de leidingnetten van openbare watervoorziening - km RCO31 Lengte van de nieuwe of verbeterde pijpleidingen voor het openbaar netwerk voor de opvang van afvalwater - km RCO32 Nieuwe of verbeterde capaciteit voor afvalwaterbehandeling - inwonerequivalent |
RCR41 Inwoners aangesloten op verbeterde openbare watervoorziening - personen RCR42 Inwoners ten minste aangesloten op openbare installaties voor secundaire afvalwaterbehandeling - personen RCR43 Waterverliezen in distributiesystemen voor openbare watervoorziening - kubieke meter per jaar”; |
onder beleidsdoelstelling 2 worden de volgende rijen toegevoegd:
|
“xi) bevordering van de toegang tot betaalbare huisvesting en daarmee verband houdende hervormingen |
RCO18 Betaalbare woningen met verbeterde energieprestaties - woningen RCO65 Capaciteit van nieuwe of gemoderniseerde betaalbare en sociale huisvesting - personen RCO130 Hervormingen in verband met betaalbare en sociale huisvesting - aantal |
RCR26 Jaarlijks primair energieverbruik (waarvan: betaalbare woningen, openbare gebouwen, ondernemingen, overige) - MWh/jaar RCR29 Geraamde broeikasgasemissies - ton CO2 eq./jaar RCR67 Jaarlijkse gebruikers van nieuwe of gemoderniseerde betaalbare en sociale huisvesting - gebruikers/jaar |
|
|
xii) het bevorderen van interconnectoren en de bijbehorende transmissie-infrastructuur, en de uitrol van oplaadinfrastructuur |
RCO 59 - Infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (tankstations/oplaadpunten) RCO 131 Energietransportnetwerklijnen en interconnectoren - nieuw aangelegde of verbeterde”; |
onder beleidsdoelstelling 3 wordt de volgende rij toegevoegd:
|
“iii) het ontwikkelen van veerkrachtige infrastructuur voor defensie of tweeërlei gebruik om de militaire mobiliteit in de Unie te bevorderen |
Alle RCO vermeld voor specifieke doelstellingen i), ii) RCO129 Infrastructuur aangepast aan de eisen inzake militaire mobiliteit, |
Alle RCR vermeld voor specifieke doelstellingen i), ii)”; |
onder beleidsdoelstelling 4 wordt de volgende rij toegevoegd:
|
“vii) bevordering van de toegang tot betaalbare huisvesting en daarmee verband houdende hervormingen |
RCO18 Woningen met verbeterde energieprestaties - woningen RCO65 Capaciteit van nieuwe of gemoderniseerde sociale en betaalbare huisvesting - personen RCO130 Hervormingen in verband met betaalbare en sociale huisvesting - aantal |
RCR26 Jaarlijks primair energieverbruik (waarvan: woningen, openbare gebouwen, ondernemingen, overige) - MWh/jaar RCR29 Geraamde broeikasgasemissies - ton CO2 eq./jaar RCR67 Jaarlijkse gebruikers van nieuwe of gemoderniseerde betaalbare en sociale huisvesting - gebruikers/jaar”; |
onder beleidsdoelstelling 5 wordt de volgende rij toegevoegd:
|
“iii) het bevorderen van geïntegreerde territoriale ontwikkeling, door toegang tot betaalbare huisvesting en de ontwikkeling van daarmee verband houdende hervormingen op alle soorten gebieden |
RCO18 Woningen met verbeterde energieprestaties - woningen RCO65 Capaciteit van nieuwe of gemoderniseerde betaalbare en sociale huisvesting - personen RCO130 Hervormingen in verband met betaalbare en sociale huisvesting - aantal |
RCR26 Jaarlijks primair energieverbruik (waarvan: woningen, openbare gebouwen, ondernemingen, overige) - MWh/jaar RCR29 Geraamde broeikasgasemissies - ton CO2 eq./jaar RCR67 Jaarlijkse gebruikers van nieuwe of gemoderniseerde betaalbare en sociale huisvesting - gebruikers/jaar” |
Artikel 2
Verordening (EU) 2021/1056 wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 8 wordt lid 2 als volgt gewijzigd:
aan de eerste alinea wordt het volgende punt p) toegevoegd:
“p) bevordering van de toegang tot betaalbare huisvesting en daarmee verband houdende hervormingen.”;
de vierde alinea wordt vervangen door:
“Het JTF kan ook steun verlenen voor productieve investeringen in andere ondernemingen dan kleine en middelgrote ondernemingen, terwijl de nadruk blijft liggen op kleine en middelgrote ondernemingen, ongeacht of de kloofanalyse is uitgevoerd overeenkomstig artikel 11, lid 2, punt h), van deze verordening en ongeacht het resultaat ervan. Dergelijke investeringen komen alleen voor steun in aanmerking wanneer zij niet leiden tot een verplaatsing als gedefinieerd in artikel 2, punt 27, van Verordening (EU) 2021/1060. Voor het verlenen van dergelijke steun is geen herziening van het territoriale plan voor een rechtvaardige transitie vereist indien die herziening uitsluitend verband houdt met de kloofanalyse. In de selectieprocedure wordt rekening gehouden met leer-werktrajecten en banen, onderwijs of opleidingen voor nieuwe vaardigheden.”;
de volgende alinea wordt toegevoegd:
“Voor concrete acties waaraan een excellentiekeurmerk is toegekend als gedefinieerd in artikel 2, punt 45), van Verordening (EU) 2021/1060 en voor projecten die rechtstreeks deelnemen aan een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang dat door de Commissie is goedgekeurd overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt b), VWEU en mededeling C(2021) 848, kan de beheerautoriteit besluiten rechtstreeks steun uit het JTF te verlenen, op voorwaarde dat dergelijke concrete acties bijdragen tot de specifieke doelstelling van artikel 2 van deze verordening en aan de uitvoering van het territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie.”.
Artikel 9, punt d), wordt vervangen door:
“d) investeringen met betrekking tot de productie, de verwerking, het vervoer, de distributie, de opslag of de verbranding van fossiele brandstoffen, met uitzondering van investeringen in concrete acties waaraan op grond van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2024/795 in een oproep tot het indienen van voorstellen uit hoofde van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/856 van de Commissie een soevereiniteitszegel is toegekend.”.
Aan artikel 10 wordt het volgende lid toegevoegd:
“4. Indien JTF-middelen als prioriteiten zijn geprogrammeerd binnen een programma dat ook EFRO- of Cohesiefonds-middelen omvat, kunnen de lidstaten naast de overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Verordening (EU) 2021/1060 in te dienen beoordeling van de resultaten van de tussentijdse evaluatie voor elk programma, binnen twee maanden na de inwerkingtreding van Verordening (EU) XXXX/XXXX [this Regulation] opnieuw een aanvullende beoordeling en daarmee verband houdende verzoeken tot wijziging van het programma indienen, rekening houdend met de specifieke doelstellingen die zijn ingevoerd bij Verordening (EU) XXXX/XXXX [this Regulation]. De termijnen van artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) 2021/1060 zijn van toepassing.
Indien voor een dergelijk programma een verlengde termijn geldt voor de subsidiabiliteit van uitgaven, de vergoeding van kosten en de vrijmaking overeenkomstig artikel 7 bis van Verordening (EU) 2021/1058, is die verlenging ook van toepassing op de JTF-middelen.”.
In artikel 11, lid 2, wordt punt i) vervangen door:
“i) wanneer steun moet worden verleend voor investeringen ter vermindering van de broeikasgasemissies van activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG, een lijst van de te ondersteunen concrete acties en een motivering dat ze bijdragen tot de transitie naar een klimaatneutrale economie en leiden tot een vermindering van de broeikasgasemissies die verder gaat dan de betreffende benchmarks voor kosteloze toewijzing in het kader van Richtlijn 2003/87/EG, en mits die concrete acties noodzakelijk zijn voor de bescherming van een aanzienlijk aantal banen;”.
De derde zin van artikel 12, lid 2, wordt geschrapt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg,
FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM
KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF3
Benaming van het voorstel/initiatief3
Betrokken beleidsterreinen3
Doelstellingen3
Algemene doelstellingen3
Specifieke doelstellingen3
Verwachte resultaten en gevolgen3
Prestatie-indicatoren4
Het voorstel/initiatief betreft:4
Motivering van het voorstel/initiatief5
Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief5
Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.5
Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan7
Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten7
Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking7
Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief8
Wijzen van uitvoering van de begroting8
BEHEERSMAATREGELEN8
Regels inzake het toezicht en de verslagen8
Beheers- en controlesystemen8
Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie8
Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken8
Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)8
Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden9
GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF10
Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven10
Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten11
Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten11
Kredieten uit goedgekeurde begroting11
Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten11
Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten13
Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten15
15
Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten15
Totaal kredieten15
Geraamde personeelsbehoeften15
Gefinancierd uit goedgekeurde begroting15
Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten16
Totale personeelsbehoeften16
Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen17
Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader18
Bijdragen van derden18
Geraamde gevolgen voor de ontvangsten18
Digitale dimensies19
Voorschriften met digitale relevantie19
Gegevens19
Digitale oplossingen19
Interoperabiliteitsbeoordeling19
Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering19
Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.
Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten
een nieuwe actie
een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie 8
de verlenging van een bestaande actie
de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie
☑ beperkte geldigheidsduur
☑ financiële gevolgen vanaf 2026 tot en met 2029 voor vastleggingskredieten. Geen gevolgen voor de vastleggingskredieten.
☑ Gedeeld beheer met de lidstaten
De monitoring- en rapportageregels van Verordening (EU) 2021/1060 blijven volledig van toepassing:
Monitoringcomité voor het programma: minstens eenmaal per jaar
Jaarlijkse prestatie-evaluatie tussen de lidstaat en de Commissie
Indiening van gegevens per programma: vijf keer per jaar
Jaarlijks controle/audit-verslag.
Uiterlijk op 15 februari 2031 moet voor elk programma een eindverslag over de prestaties worden ingediend.
Bestaande begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarige financiële kader |
Begrotingsonderdeel |
Soort uitgave |
Bijdrage |
|||
|
Nummer
|
GK/NGK 10 . |
van EVA-landen 11 |
van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten 12 |
van andere derde landen |
andere bestemmingsontvangsten |
|
|
H2a |
05 02 01 EFRO - Beleidsuitgaven |
GK |
NEE |
NEE |
NEE |
NEE |
|
H2a |
05 03 01 CF - Beleidsuitgaven |
GK |
NEE |
NEE |
NEE |
NEE |
Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig
☑ Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarige financiële kader |
Nummer |
H2a |
|
DG: REGIO. |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||||||||||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||||||||||||||||||
|
Beleidskredieten |
||||||||||||||||||||||
|
05.0201 EFRO - Beleidsuitgaven |
Vastleggingen |
(1a) |
|
|
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||
|
Betalingen |
(2a) |
|
|
[3 060,000] |
[-3 060,000] |
0,000 |
||||||||||||||||
|
05.0301 CF - Beleidsuitgaven |
Vastleggingen |
(1b) |
|
|
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||
|
Betalingen |
(2b) |
|
|
[540,000] |
[-540,000] |
0,000 |
||||||||||||||||
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 13 |
||||||||||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
|
3) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||||||||||
|
TOTAAL kredieten voor DG REGIO |
Vastleggingen |
=1a+1b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||
|
Betalingen |
=2a+2b+3 |
0,000 |
0,000 |
[3 600,000] |
[-3 600,000] |
0,000 |
||||||||||||||||
|
|
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||||||||||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||||||||||||||||||
|
TOTAAL beleidskredieten
|
Vastleggingen |
4) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||
|
Betalingen |
5) |
0,000 |
0,000 |
[3 600,000] |
[-3 600,000] |
0,000 |
||||||||||||||||
|
TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
6) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||||||||||
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 2a |
Vastleggingen |
=4+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||
|
van het meerjarig financieel kader |
Betalingen |
=5+6 |
0,000 |
0,000 |
[3 600,000] |
[-3 600,000] |
0,000 |
|||||||||||||||
|
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
||||||||||||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||||||||||||||||||
|
• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken) |
Vastleggingen |
4) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||
|
Betalingen |
5) |
0,000 |
0,000 |
[3 600,000] |
[-3 600,000] |
0,000 |
||||||||||||||||
|
• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken) |
6) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||||||||||
|
TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6 |
Vastleggingen |
=4+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen |
=5+6 |
0,000 |
0,000 |
[3 600,000] |
[-3 600,000] |
0,000 |
|||||||||||||||
Op basis van de geraamde benutting van het voorstel bedraagt de totale aanvullende voorfinanciering die in 2026 moet worden betaald [16,1 miljard] EUR. Tegelijkertijd wordt, rekening houdend met de betalingsprognoses en de verschuivingen in de uitvoering, het netto-effect op de begroting geraamd op [3,6] miljard EUR, dat in de ontwerpbegroting 2026 zal worden opgenomen. De gevolgen voor de begroting zijn gedurende de looptijd van het MFK begrotingsneutraal.
|
|
7 |
“Administratieve uitgaven” 14 |
||||||||
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||||||
|
Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||
|
Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||
|
TOTAAL DG <…….> |
Kredieten |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||||||
|
Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||
|
Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||
|
TOTAAL DG <…….> |
Kredieten |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader |
(totaal vastleggingen = totaal betalingen) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||
|
TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7 |
Vastleggingen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
van het meerjarig financieel kader |
Betalingen |
0,000 |
0,000 |
[3 600,000] |
[-3 600,000] |
0,000 |
Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Vermeld doelstellingen en outputs |
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) |
TOTAAL |
|||||||||||||
|
OUTPUTS |
|||||||||||||||||||
|
Soort 15 |
Gem. kosten |
Aantal |
Kos¬ten |
Aantal |
Kos¬ten |
Aantal |
Kos¬ten |
Aantal |
Kos¬ten |
Aantal |
Kos¬ten |
Aantal |
Kos¬ten |
Aantal |
Kos¬ten |
Totaal aantal |
Totale kosten |
||
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1 16 … |
|||||||||||||||||||
|
- Output |
|||||||||||||||||||
|
- Output |
|||||||||||||||||||
|
- Output |
|||||||||||||||||||
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1 |
|||||||||||||||||||
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2… |
|||||||||||||||||||
|
- Output |
|||||||||||||||||||
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2 |
|||||||||||||||||||
|
TOTAAL |
|||||||||||||||||||
Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig
Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL 2021-2027 |
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||
|
RUBRIEK 7 |
|||||
|
Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Subtotaal RUBRIEK 7 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Buiten RUBRIEK 7 |
|||||
|
Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 7 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
|
|||||
|
TOTAAL |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.
☑ Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig
Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven
Raming in voltijdequivalenten (vte’s) 17
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
|
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||
|
Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) |
|||||
|
20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
20 01 02 03 (EU-delegaties) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 01 (onderzoek onder contract) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 11 (eigen onderzoek) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
• Extern personeel (in vte’s) |
|||||
|
20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Admin. ondersteuning
|
- centrale diensten |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
- EU-delegaties |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
TOTAAL |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
|
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||
|
Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) |
|||||
|
20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
20 01 02 03 (EU-delegaties) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 01 (onderzoek onder contract) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 11 (eigen onderzoek) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
• Extern personeel (in voltijdequivalenten) |
|||||
|
20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Admin. ondersteuning
|
- centrale diensten |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
- EU-delegaties |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
TOTAAL |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
TOTAAL GOEDGEKEURDE KREDIETEN + EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
|
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||
|
Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) |
|||||
|
20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
20 01 02 03 (EU-delegaties) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 01 (onderzoek onder contract) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 11 (eigen onderzoek) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
• Extern personeel (in voltijdequivalenten) |
|||||
|
20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Admin. ondersteuning
|
- centrale diensten |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
- EU-delegaties |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
TOTAAL |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
Aantal personeelsleden dat nodig is voor de uitvoering van het voorstel (in vte’s):
|
Uit te voeren door bestaand personeel van de diensten van de Commissie |
Uitzonderlijk aanvullend personeel* |
|||
|
Te financieren uit rubriek 7 of onderzoek |
Te financieren uit BA-onderdeel |
Te financieren uit vergoedingen |
||
|
Personeelsformatieposten |
n.v.t. |
|||
|
Extern personeel (AC, END, INT) |
||||
Beschrijving van de uit te voeren taken door:
|
Ambtenaren en tijdelijk personeel |
|
|
Extern personeel |
Verplicht: in onderstaande tabel moet de beste schatting worden gegeven van de met digitale technologie samenhangende investeringen die uit het voorstel/initiatief voortvloeien.
De kredieten onder rubriek 7 moeten in uitzonderlijke gevallen in het desbetreffende onderdeel worden opgenomen, indien vereist voor de uitvoering van het voorstel/initiatief.
De kredieten onder de rubrieken 1 t/m 6 moeten worden weergegeven als “IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s”. Deze uitgaven betreffen het operationele budget dat gebruikt moet worden voor hergebruik, koop of ontwikkeling van IT-platforms of tools die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het initiatief, alsook daarmee verband houdende investeringen (bv. licenties, studies, gegevensopslag enz.). De in deze tabel vermelde informatie moet in overeenstemming zijn met de gegevens in deel 4, “Digitale dimensies”.
|
TOTAAL Digitale en IT-kredieten |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||
|
RUBRIEK 7 |
|||||
|
IT-uitgaven (algemeen) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Subtotaal RUBRIEK 7 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Buiten RUBRIEK 7 |
|||||
|
IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 7 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
|
|||||
|
TOTAAL |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
Het voorstel/initiatief:
☑kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK)
Het voorstel/initiatief:
voorziet niet in medefinanciering door derden
voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:
Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Totaal |
|
|
Medefinancieringsbron |
|||||
|
TOTAAL medegefinancierde kredieten |
3.3.
Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten
Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:
voor de eigen middelen
voor overige ontvangsten
geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten: |
Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten |
Gevolgen van het voorstel/initiatief 18 |
|||
|
Jaar 2024 |
Jaar 2025 |
Jaar 2026 |
Jaar 2027 |
||
|
Artikel …………. |
|||||
Vermeld voor de toegewezen ontvangsten de betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven.
Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).
|
De digitale vereisten zijn beperkt tot de aanpassing en uitbreiding van reeds uitgevoerde oplossingen voor programma’s onder gedeeld beheer, namelijk SFC2021. De aanpassingen zullen overeenstemmen met de definitie en opname van specifieke prioriteiten in gewijzigde programma’s. |
|
De vereiste gegevens zijn een uitbreiding en aanpassing van het gegevensmodel dat reeds wordt toegepast voor de programma’s onder gedeeld beheer. Het eenmaligheidsbeginsel wordt gevolgd. Dit is een uitbreiding van een bestaande oplossing en zorgt ervoor dat bestaande gegevens volledig worden hergebruikt. |
|
De digitale oplossing is een kleine aanpassing van het SFC2021-platform, het instrument dat wordt gebruikt voor alle programma’s onder gedeeld beheer. |
|
SFC2021 is al voorhanden en wordt door alle partijen gebruikt. Het instrument is interoperabel met andere systemen en gebruikt standaardtechnieken voor informatie-uitwisseling |
|
De wijzigingen die in SFC2021 moeten worden aangebracht, zullen zodanig worden gepland en uitgevoerd dat de nieuwe vereisten klaar zijn op het moment van vaststelling en inwerkingtreding van de definitieve verordening. |