Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG wat betreft de toevoeging van stoffen en de vaststelling van grenswaarden in de bijlagen I, III en III bis
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG wat betreft de toevoeging van stoffen en de vaststelling van grenswaarden in de bijlagen I, III en III bis
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
Brussel, 18.7.2025 |
COM(2025) 418 final |
2025/0232(COD) |
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG wat betreft de toevoeging van stoffen en de vaststelling van grenswaarden in de bijlagen I, III en III bis (Voor de EER relevante tekst) |
{SEC(2025) 217 final} - {SWD(2025) 191 final} - {SWD(2025) 192 final} - {SWD(2025) 193 final} |
TOELICHTING
In juni 2021 heeft de Commissie het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2021-2027 1 gepresenteerd. Met dit strategisch kader wordt beoogd beginsel 10 van de Europese pijler van sociale rechten 2 , betreffende het recht van werknemers op een hoog niveau van bescherming van hun gezondheid en veiligheid op het werk, om te zetten in concrete maatregelen. Een belangrijke doelstelling van het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk is het voorkomen van arbeidsongevallen en beroepsziekten, die ernstige schadelijke gezondheidseffecten voor werknemers en sterfgevallen bij werknemers kunnen veroorzaken en naar schatting een jaarlijks verlies van ongeveer 3,3 % van het bruto binnenlands product in de EU tot gevolg hebben.
Kanker blijft de belangrijkste oorzaak van werkgerelateerde sterfgevallen in de EU. Volgens schattingen sterven er jaarlijks ongeveer 80 000 mensen in de EU als gevolg van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk 3 . Blootstelling aan reprotoxische agentia op het werk kan ook de seksuele functie en vruchtbaarheid beïnvloeden en de ontwikkeling van de nakomelingen van werknemers schaden. Jaarlijks zouden er in de EU tot 1 274 gevallen van gezondheidsproblemen in verband met reproductie kunnen optreden als gevolg van blootstelling aan reprotoxische agentia die niet als carcinogeen of mutageen zijn ingedeeld 4 . Hieruit blijkt dat de preventie van werkgerelateerde ziekten in de EU verder moet worden verbeterd 5 , wat gevolgen heeft voor werknemers en hun gezin, bedrijven en overheidsinstanties.
Het belangrijkste wetgevingsinstrument om werknemers tegen deze risico’s te beschermen is de richtlijn betreffende carcinogene, mutagene en reprotoxische agentia (“CMR-richtlijn”), een afzonderlijke richtlijn in het kader van de kaderrichtlijn veiligheid en gezondheid op het werk 6 . De CMR-richtlijn voorziet in maatregelen ter voorkoming van en bescherming tegen risico’s die verbonden zijn aan blootstelling aan carcinogene, mutagene of reprotoxische agentia op het werk en omvat de verplichting om grenswaarden vast te stellen voor alle carcinogene, mutagene of reprotoxische agentia waarvoor dit mogelijk is.
In 2017 concludeerde de Commissie in haar ex-postevaluatie van de richtlijnen van de Europese Unie betreffende veiligheid en gezondheid op het werk 7 (de “Refit OSH-evaluatie”) dat deze richtlijnen, de CMR-richtlijn daaronder begrepen, nog steeds zeer relevant en doeltreffend zijn. Deze richtlijnen hebben bijgedragen tot de vermindering van het aantal arbeidsongevallen en beroepsziekten. Tijdens deze evaluatie hebben verschillende groepen belanghebbenden echter aangegeven dat moet worden overwogen om voor meer stoffen grenswaarden vast te stellen.
Naar aanleiding van deze Refit OSH-evaluatie is de Commissie gestart met het voortdurend bijwerken van de CMR-richtlijn. De EU heeft vijf herzieningen van de CMR-richtlijn goedgekeurd, die betrekking hebben op meer dan veertig belangrijke gevaarlijke chemische stoffen en die de komende vijftig jaar het leven van meer dan honderdduizend werknemers zullen helpen redden.
Deze doorlopende herziening is gebaseerd op een inclusieve aanpak waarbij de Commissie wetenschappers van het Comité risicobeoordeling (“RAC”) van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (“ECHA”), de lidstaten en de in het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats 8 (“ACSH”) vertegenwoordigde sociale partners, en de sociale partners via de formele raadpleging op grond van artikel 154 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”) betrekt.
Dit wetgevingsinitiatief is de zesde herziening van de CMR-richtlijn (“CMR-richtlijn 6”). In het initiatief worden grenswaarden en relevante notaties voor kobalt en anorganische kobaltverbindingen, in overeenstemming met het verzoek van het Europees Parlement en de Raad op grond van CMR-richtlijn 4, en voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen en 1,4-dioxaan voorgesteld. Hiermee wordt ook lasrook aan de “Lijst van stoffen, mengsels en procedés” in bijlage I bij de CMR-richtlijn toegevoegd. Volgens de gegevens die in de effectbeoordeling ter ondersteuning van dit initiatief zijn verzameld, worden meer dan 2,5 miljoen werknemers 9 in de EU aan deze stoffen blootgesteld.
In het kader van de effectbeoordeling ter ondersteuning van dit initiatief heeft de Commissie ook beoordeeld of het wenselijk is een grenswaarde voor isopreen vast te stellen. Blijkens de verzamelde gegevens zou een grenswaarde, zelfs op een zeer laag niveau, kosten met zich meebrengen zonder dat dit voordelen voor de werknemers oplevert. Het ontbreken van voordelen is te wijten aan de huidige lage blootstelling van werknemers aan isopreen in de EU.
Dit initiatief omvat ook een wijziging om de bestaande vermelding van kwik en tweewaardige anorganische kwikverbindingen in bijlage III te corrigeren, zodat de voor deze stof gebruikte term volledig in overeenstemming is met het toepassingsgebied van de CMR-richtlijn zoals gedefinieerd in artikel 2 daarvan.
Met CMR-richtlijn 6 wordt tegemoetgekomen aan verzoeken van het Europees Parlement en de Raad in het kader van de vierde herziening van de CMR-richtlijn 10 (“CMR-richtlijn 4”) teneinde voor ten minste 25 stoffen nieuwe of herziene grenswaarden te bepalen voor beroepsmatige blootstelling.
Het is niet mogelijk om alle gevaarlijke stoffen in één enkel initiatief aan te pakken, aangezien de wetenschappelijke beoordeling tijd en middelen vereist. Momenteel beoordeelt het RAC met het oog op de actualisering van de CMR-richtlijn vijf stoffen per jaar. In het kader van de vereenvoudiging van Reach kan de Commissie beoordelen of dit aantal kan worden verhoogd.
Dit voorstel behelst derhalve een verdere aanscherping van de toezegging van de Commissie om gevaarlijke chemische stoffen te blijven aanpakken, zoals vermeld in het werkdocument van de diensten van de Commissie over de lijst van stoffen die wetenschappelijk moeten worden beoordeeld om voor ten minste 25 stoffen, groepen stoffen of tijdens werkprocedés gegenereerde stoffen nieuwe of herziene grenswaarden te bepalen voor beroepsmatige blootstelling 11 . Daarom verzoekt de Commissie het ECHA/RAC elk jaar om prioritaire stoffen en groepen stoffen wetenschappelijk te beoordelen. Naast de stoffen waarop deze herziening betrekking heeft, bevinden zich nog drie andere groepen stoffen in verschillende stadia van wetenschappelijke beoordeling door het ECHA/RAC. De volgende stap na de wetenschappelijke beoordeling is het in gang zetten van de externe studie naar de effecten, de raadpleging van de sociale partners in twee fasen, de vaststelling van de adviezen van het ACSH en de effectbeoordeling die de eventuele toekomstige voorstellen zal vergezellen.
De doelstellingen van het initiatief zijn in overeenstemming met artikel 2 (recht op leven) en artikel 31 (recht op rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 13 .
De verordening inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen 14 (de “Reach-verordening”) voorziet onder meer in twee verschillende regelgevingsbenaderingen van de EU, namelijk beperkingen en autorisaties.
Een overzicht van de bepalingen van de Reach-verordening inzake de autorisatie of beperking van kobalt, anorganische kobaltverbindingen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en 1,4-dioxaan staat in onderstaande tabel. Lasrook valt als tijdens werkprocedés gegenereerde stof niet onder de beperkingen en autorisaties op grond van de Reach-verordening.
|
Stoffen |
Beperking |
Autorisatie |
|
Kobalt en anorganische kobaltverbindingen |
Geen bestaande beperkingen |
Geen bestaande autorisaties |
|
PAK’s |
Bestaande beperkingen betreffende het gebruik van bepaalde mengsels en voorwerpen die een of meer PAK’s kunnen bevatten 15 Bestaande beperking betreffende het gebruik van creosoot en aan creosoot verwante stoffen voor de behandeling van hout 16 . |
Geen bestaande autorisaties |
|
1,4-dioxaan |
Geen bestaande beperkingen |
Dit is een van de zeer zorgwekkende stoffen die zijn opgenomen in de lijst van kandidaatstoffen voor uiteindelijke opname in bijlage XIV, “Lijst van autorisatieplichtige stoffen” 17 , overeenkomstig artikel 57, punt a) en punt f), van de Reach-verordening, waardoor vervangings- en informatievereisten van toepassing worden. |
Het Europees kankerbestrijdingsplan 18 is op het volledige kankertraject gericht. Het is opgebouwd rond vier belangrijke actiegebieden waarop de EU de grootste meerwaarde kan bieden: 1) preventie; 2) vroegtijdige opsporing; 3) diagnose en behandeling; en 4) levenskwaliteit van kankerpatiënten en overlevenden van kanker.
Beroepsmatige blootstelling aan de vier stoffen waarop dit initiatief betrekking heeft, kan kanker veroorzaken. De vaststelling van grenswaarden of de opname daarvan in de CMR-richtlijn zal daarom bijdragen aan de preventie van kanker, zoals vermeld in punt 3.6 van het Europese kankerbestrijdingsplan, waarin de CMR-richtlijn wordt genoemd als instrument om kanker te voorkomen en bij te dragen aan de Europese gezondheidsunie.
In artikel 153 VWEU wordt de EU gemachtigd tot ondersteuning en aanvulling van de activiteiten van de lidstaten met betrekking tot verbeteringen, met name van het arbeidsmilieu ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers, en tot vaststelling – door middel van richtlijnen – van minimumvoorschriften die geleidelijk van toepassing zullen worden, met inachtneming van de in elk van de lidstaten bestaande omstandigheden en technische voorschriften.
De CMR-richtlijn is vastgesteld op grond van artikel 153, lid 2, punt b), VWEU met het oog op het verbeteren van de veiligheid en de gezondheid van werknemers. Artikel 16 van de CMR-richtlijn voorziet in het vaststellen van grenswaarden overeenkomstig de procedure van artikel 153, lid 2, VWEU voor alle carcinogene, mutagene of reprotoxische agentia waarvan dit mogelijk is.
Het doel van dit voorstel is het versterken van de bescherming van de gezondheid van werknemers, in overeenstemming met artikel 153, lid 1, punt a), VWEU, door nieuwe grenswaarden en notaties in bijlage III bij de richtlijn op te nemen en lasrook in de lijst van stoffen, mengsels en procedés in bijlage I op te nemen. Bijgevolg vormt artikel 153, lid 2, punt b), VWEU de juiste rechtsgrondslag voor het voorstel van de Commissie tot wijziging van de CMR-richtlijn.
Op grond van artikel 153, lid 2, VWEU is de verbetering van het arbeidsmilieu ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van de werknemers een aspect van het sociaal beleid waar de EU de bevoegdheid deelt met de lidstaten.
Wanneer er geen EU-waarden zijn vastgesteld, staat het de lidstaten vrij om nationale grenswaarden vast te stellen. Wanneer deze wel zijn vastgesteld, lopen de nationale grenswaarden voor de drie stoffen waarvoor in het kader van dit initiatief een grenswaarde is vastgesteld, tussen de lidstaten sterk uiteen. Zo lopen bijvoorbeeld de nationale grenswaarden voor kobalt uiteen van 10 tot 500 µg/m3. Sommige lidstaten hebben daarom voor dezelfde stof vijftig keer lagere grenswaarden vastgesteld dan andere lidstaten. Vijf lidstaten hebben geen grenswaarden voor kobalt vastgesteld 19 .
Onder dergelijke omstandigheden zijn maatregelen van de lidstaten alleen niet afdoende om minimumvoorschriften te garanderen voor de bescherming van de gezondheid van alle werknemers in alle lidstaten van de EU tegen de risico’s die voortvloeien uit blootstelling aan deze stoffen.
Door EU-grenswaarden vast te stellen, wordt ook bijgedragen aan een gelijk speelveld voor het bedrijfsleven, zoals door sommige werkgeversorganisaties in hun reactie op de raadpleging van de sociale partners is benadrukt. De kosten om aan lagere nationale grenswaarden te voldoen zijn over het algemeen hoger en brengen derhalve een concurrentievoordeel met zich mee voor ondernemingen die actief zijn op markten waar geen of minder strenge nationale grenswaarden gelden.
Het vaststellen van EU-grenswaarden zal de verschillen tussen de lidstaten niet volledig wegnemen, aangezien zij strengere (lagere) grenswaarden kunnen vaststellen. Hierdoor zal echter wel minder ruimte worden gelaten voor verschillen, meer zekerheid worden geboden voor een kerndefinitie en/of een afdwingbare blootstellingsgrenswaarde met betrekking tot alle carcinogene, mutagene en reprotoxische agentia in alle lidstaten en zal een minimumniveau van bescherming voor alle werknemers worden gewaarborgd. Ook zal hierdoor de complexiteit van de regelgeving als gevolg van tussen de lidstaten sterk uiteenlopende voorschriften worden verminderd, wat zal bijdragen tot minder hoge administratieve nalevingslasten voor bedrijven die op de eengemaakte markt actief zijn. Bovendien zullen de lidstaten daardoor geen kosten maken voor de administratieve lasten die verband houden met de vaststelling van grenswaarden volgens nationale procedures.
De complexiteit en heterogeniteit van de samenstelling van lasrook en het ontbreken van een geharmoniseerde indeling in de CLP-verordening 20 dragen bij tot onduidelijkheid over de mogelijke gevaren ervan voor werknemers en bijgevolg tot een gebrek aan passende risicobeheersmaatregelen op de werkplek. Het indelen van lasrook op EU-niveau zal de juridische duidelijkheid vergroten, wat ten goede zal komen aan de uitvoering van de bestaande EU-regels.
Vertegenwoordigers van nationale overheden, werkgevers en werknemers hebben zich duidelijk uitgesproken voor het vaststellen van grenswaarden voor de stoffen waarop dit initiatief betrekking heeft, en voor het opnemen van lasrook in bijlage I bij de CMR-richtlijn, zoals duidelijk blijkt uit de raadpleging van de sociale partners in twee fasen en de adviezen van het tripartiete ACSH.
Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, aangezien dit initiatief beperkt blijft tot de herziening van de bijlagen bij de CMR-richtlijn waar dat nodig is, op basis van de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens, zoals bepaald in artikel 16 van de CMR-richtlijn. Dit initiatief heeft tot doel een stap te zetten in de richting van de verwezenlijking van de doelstellingen ter verbetering van de gezondheid en veiligheid van werknemers, terwijl de kosten op een voor bedrijven aanvaardbaar niveau blijven.
Zoals blijkt uit de effectbeoordeling ter ondersteuning van dit initiatief wordt met het voorstel ook een evenwichtige aanpak gewaarborgd, waarbij economische nadelen voor bedrijven en bedrijfssluitingen tot een minimum worden beperkt, terwijl werknemers adequate bescherming op EU-niveau wordt geboden en de belangrijkste doelstellingen van de EU, waaronder de strategische autonomie van de EU, het Europees kankerbestrijdingsplan en de dubbele transitie, gehandhaafd blijven.
Na intensief overleg met alle belanghebbenden binnen het ACSH zijn sociaal-economische en haalbaarheidsfactoren in aanmerking genomen. Ook bevat het voorstel maatregelen om de lasten te beperken en de naleving te ondersteunen, met name overgangstermijnen, die eveneens met het ACSH zijn besproken, maar ook een mogelijke actualisering van de bestaande Leidraad voor nationale arbeidsinspecteurs over de aanpak van de gezondheidsrisico’s van lasrook 21 van het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie 22 (“SLIC”), die moeten bijdragen tot een groter besef van de mogelijke gevaren van lasrook. Deze overgangsmaatregelen dragen bij tot de evenredigheid van dit initiatief door bedrijven meer tijd te geven om zich waar nodig aan te passen, terwijl de strategische autonomie van de EU en haar doelstelling inzake de dubbele transitie worden gewaarborgd. Verwacht wordt dat de mogelijke negatieve gevolgen voor bedrijven hierdoor aanzienlijk zullen worden beperkt.
De hoge kosten ervan ten spijt worden de maatregelen van dit initiatief gesteund door de belangrijkste belanghebbenden op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk, namelijk de in het ACSH vertegenwoordigde werkgevers, werknemers en nationale overheden. In de tweede fase van de raadpleging van de sociale partners hebben BusinessEurope, het Europees Verbond van Vakverenigingen en SMEunited de adviezen van het ACSH gesteund, waarbij de laatste er bij de Commissie echter op heeft aangedrongen om niet verder te gaan dan wat door het ACSH was overeengekomen. De standpunten van deze sociale partners vormen een verdere ondersteuning voor de evenredigheid van de voorkeursopties.
Ten slotte biedt dit initiatief de lidstaten ook een zekere flexibiliteit wat betreft de stoffen waarvoor grenswaarden moeten worden vastgesteld. Op grond van artikel 153, lid 4, VWEU worden de lidstaten door het vaststellen van grenswaarden op EU-niveau niet belet maatregelen met een hogere graad van bescherming (d.w.z. lagere grenswaarden) te handhaven of in te voeren.
De eerste fase van de raadpleging ging van start op 16 februari en eindigde op 31 maart 2023. De eerste ad-hocvergadering, die samenviel met de eerste fase van de raadpleging van de sociale partners om hun standpunten over het voorstel te inventariseren, werd online gehouden op 16 maart 2023. De werknemersorganisaties waren het eens met de lijst van stoffen die in het kader van het geplande initiatief prioriteit krijgen en benadrukten dat er bij het vaststellen van EU-brede grenswaarden rekening moet worden gehouden met de strengste bestaande nationale grenswaarden. Het Europees verbond van vakverenigingen heeft ook schriftelijke opmerkingen per stof ingediend en toonde zich daarin voorstander van het vaststellen van grenswaarden voor kobalt, anorganische kobaltverbindingen, PAK’s, 1,4-dioxaan en isopreen, en het uitbreiden van het toepassingsgebied naar lasrook, onder meer omwille van de juridische duidelijkheid.
De werkgeversorganisaties benadrukten de sleutelrol van het ACSH en zijn werkgroep voor chemische stoffen bij het ontwikkelen van wetgevingsvoorstellen en onderstreepten de noodzaak van een betere bescherming van werknemers, zonder dat dit ten koste gaat van het concurrentievermogen van in de EU gevestigde ondernemingen.
In hun schriftelijke bijdrage benadrukten de vertegenwoordigers van werkgevers dat grenswaarden altijd ingrijpende gevolgen hebben voor kleine en middelgrote ondernemingen. Zij drongen erop aan dat er voldoende rekening moet worden gehouden met de sociaal-economische gevolgen (met inbegrip van de gevolgen voor de groene transitie en het concurrentievermogen van de EU) van nieuwe grenswaarden. Ook steunden zij de voortdurende herziening van de CMR-richtlijn en de uitbreiding van het toepassingsgebied ervan, en pleitten zij voor de invoering van enkele nieuwe grenswaarden met overgangsperioden.
De tweede fase van de raadpleging van de sociale partners ging op 10 oktober 2023 van start en liep tot 21 november 2023 en omvatte een onlinevergadering op 7 november 2023. De sociale partners werden geraadpleegd over de doelstellingen en de mogelijkheden voor EU-optreden, mogelijke rechtsinstrumenten en de bereidwilligheid om onderhandelingen aan te gaan met het oog op de sluiting van een overeenkomst op grond van artikel 155 VWEU. Naast bijdragen tijdens de vergadering hebben de Europese vakbondsfederatie BusinessEurope en SMEunited schriftelijk gereageerd.
Meer in het bijzonder spraken de werknemersorganisaties hun steun uit voor een herziening van de richtlijn om een optimale bescherming van werknemers te bereiken en gaven zij aan ingenomen te zijn met de tripartiete adviezen. Zij erkenden dat dit voor bedrijven kosten met zich mee zal brengen en waren het erover eens dat de economische en industriële duurzaamheid van de EU-bedrijven moet worden gewaarborgd, sociale dumping moet worden voorkomen en de veiligheid en gezondheid van alle werknemers moet worden beschermd.
De werkgeversorganisaties bevestigden het standpunt van het ACSH, erkenden dat deze adviezen een evenwichtig compromis tussen alle drie belangengroepen vormden en vroegen om voldoende tijd voor kleine en middelgrote ondernemingen en de betrokken sectoren om zich aan te passen. Er moet worden voorzien in begeleidende maatregelen, zoals financiële steun en richtsnoeren, om ervoor te zorgen dat kleine en middelgrote ondernemingen de nieuwe blootstellingsniveaus naar behoren kunnen toepassen.
Wat betreft hun bereidwilligheid om onderhandelingen aan te gaan met het oog op de sluiting van een overeenkomst tussen de sociale partners, hebben de sociale partners hun steun voor het huidige proces tot wijziging van de CMR-richtlijn, met inbegrip van de sleutelrol van het ACSH, opnieuw bekrachtigd en hebben zij geen dialoog op grond van artikel 155 VWEU willen starten, aangezien zij erkennen dat de sociale dialoog over deze stoffen reeds heeft plaatsgevonden in het kader van het tripartiete ACSH, waar een akkoord is bereikt dat betrekking heeft op alle in de herziening genoemde stoffen.
Het tripartiete ACSH, dat bestaat uit drie gewone leden per lidstaat, die de nationale overheden, werknemers- en werkgeversorganisaties vertegenwoordigen, staat de Commissie bij in de voorbereiding en uitvoering van besluiten op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk. Het stelt adviezen vast met inachtneming van de input van het ECHA, de wetenschappelijke beoordelingen van het RAC en sociaal-economische en haalbaarheidsgegevens. Aan de hand van deze adviezen bereidt de Commissie vervolgens haar voorstellen voor.
Dit initiatief sluit aan bij de aanbevelingen van het ACSH voor kobalt, anorganische kobaltverbindingen, PAK’s, 1,4-dioxaan en lasrook. Wat isopreen betreft, heeft de Commissie het advies van het ACSH om een grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling vast te stellen niet opgevolgd. Volgens de effectbeoordeling ter ondersteuning van dit initiatief wijst het verzamelde bewijsmateriaal erop dat werknemers worden blootgesteld aan concentraties isopreen die lager zijn dan de op grond van gezondheidsoverwegingen vastgestelde grenswaarde die is afgeleid van het advies van het RAC, wat erop lijkt te wijzen dat de huidige preventie van beroepsmatige blootstelling aan isopreen toereikend is. Daarom heeft de Commissie besloten om voor isopreen geen grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling vast te stellen, ook om onnodige kosten voor bedrijven te voorkomen.
Verzoek om input en openbare raadpleging
Er zijn voor dit initiatief geen verzoek om input en geen openbare raadpleging geweest, omdat er al een uitgebreide raadplegingsprocedure met de meest relevante belanghebbenden voor dit initiatief heeft plaatsgevonden, met name de raadpleging van de sociale partners in twee fasen in het kader van het VWEU.
Dit voorstel wordt geschraagd door een effectbeoordelingsverslag dat op 29 mei 2024 was voorgelegd aan en besproken door de Raad voor regelgevingstoetsing, dat op 31 mei 2024 een negatief advies uitbracht. De opmerkingen van deze raad werden verwerkt in een herziene versie van het verslag. Deze herziene versie werd op 2 december 2024 voorgelegd aan de raad, die er op 19 december 2024 een positief advies met voorbehoud over uitbracht.
Voor elk van de drie carcinogene of reprotoxische agentia werden de volgende opties voor verschillende grenswaarden beoordeeld: 1) geen verdere actie door de EU (het referentiescenario) voor elk van de chemische stoffen van dit initiatief; en 2) opties voor grenswaarden (waarvan sommige vergezeld gaan van overgangswaarden) op het door het ACSH voorgestelde niveau en op aanvullende referentiepunten (waaronder door het RAC afgeleide grenswaarden).
Op basis van deze effectbeoordeling zijn de door het ACSH aanbevolen grenswaarden en aanpak gekozen als voorkeursopties voor kobalt, anorganische kobaltverbindingen, PAK’s, 1,4-dioxaan en lasrook. Aangezien de verschillende beleidsopties voor isopreen geen gezondheidsvoordelen opleveren, doordat de blootstelling van werknemers al lager is dan de door het RAC op grond van gezondheidsoverwegingen afgeleide waarde, werd de voorkeur gegeven aan het referentiescenario. Het pakket voorkeursopties omvat overgangswaarden voor kobalt, anorganische kobaltverbindingen en PAK’s.
Voor kobalt en anorganische kobaltverbindingen heeft het ACSH in zijn advies overgangsgrenswaarden van 20 µg/m³ 31 / 4,2 µg/m³ 32 voor zes jaar aanbevolen. Deze overgangswaarden gelden voor alle sectoren, waardoor bedrijven meer tijd krijgen om hun investeringen te plannen en de aanzienlijke eenmalige investeringen (ongeveer 70 % van de totale investeringen in aanvullende risicobeheermaatregelen) over meerdere jaren kunnen uitsmeren. Deze overgangswaarde werd in het ACSH sterk aanbevolen door de sociale partners en de lidstaten en moet de ongunstige gevolgen in de vorm van nalevingskosten voor bedrijven helpen verzachten.
Voor PAK’s zou de overgangswaarde van 140 ng/m³ (het dubbele van de voorkeursoptie) gedurende zes jaar gelden en beperkt blijven tot negen sectoren: 1) staal- en ijzergieterijen, met inbegrip van producenten van ferrolegeringen, 2) aluminiumproducenten, 3) producenten van koolstof- en grafietelektroden, 4) cokesfabrieken, 5) destillatie van koolteer, 6) producenten van vuurvaste producten, 7) lassen van spoorrails, 8) andere non-ferrometallurgische procedés, en 9) gieten van metalen. Van het totale aantal ondernemingen met aan PAK’s blootgestelde werknemers zullen de ondernemingen in deze negen sectoren naar verwachting met hogere kosten worden geconfronteerd en/of het risico lopen op stopzetting. Deze overgangswaarde geeft ondernemingen meer tijd om hun investeringen te plannen en stelt hen in staat de aanzienlijke eenmalige investeringen over meer jaren uit te smeren, waardoor de ongunstige economische gevolgen en het aantal stopzettingen worden beperkt.
Het pakket voorkeursopties zal naar verwachting de volgende effecten hebben (meer gedetailleerde informatie is te vinden in de effectbeoordeling bij dit initiatief):
Algemene gevolgen voor werknemers
In totaal zullen met de voorkeursopties naar verwachting over een periode van veertig jaar 1 676 gevallen van longkanker en 18 912 gevallen van andere aandoeningen dan kanker 33 worden voorkomen. De hiermee vermeden gevallen van gezondheidsproblemen zullen de overheden en bedrijven in totaal 1,16 miljard EUR aan besparingen opleveren 34 . De voordelen van de voorkeursopties zouden echter ook gepaard gaan met enkele ongunstige economische gevolgen voor bedrijven, waaronder bedrijfssluitingen. Zonder overgangsperioden voor kobalt, anorganische kobaltverbindingen en PAK’s zouden naar schatting ongeveer 4 000 werknemers 35 hun baan verliezen. Beide beleidsopties voor deze twee groepen chemische stoffen hebben echter een overgangswaarde die naar verwachting de ongunstige economische gevolgen en het geschatte aantal sluitingen zal beperken doordat bedrijven meer tijd krijgen om hun investeringen te plannen of risicobeheermaatregelen te ontwikkelen waarmee aan de voorkeursopties kan worden voldaan. Door het ontbreken van gegevens konden de effecten van de overgangsmaatregelen voor kobalt, anorganische kobaltverbindingen en PAK’s niet in de totale effecten op werknemers worden meegenomen.
Algemene gevolgen voor bedrijven, waaronder voor kleine en middelgrote ondernemingen
Zoals blijkt uit de effectbeoordeling ter ondersteuning van dit initiatief zullen de totale aanpassingskosten van de voorkeursopties over een periode van veertig jaar 3,3 miljard EUR bedragen. Bij gebrek aan bewijs is het niet mogelijk om de aanpassingskosten uit te splitsen naar investeringen in aanvullende risicobeheermaatregelen en kosten voor stopzetting. Verwacht wordt echter dat de overgangsperioden voor kobalt, anorganische kobaltverbindingen en PAK’s de economische kosten zullen verminderen en tot minder stopzettingen zullen leiden dan in een scenario met dezelfde grenswaarden zonder overgangsperioden, waarin sprake zal zijn van naar schatting 209 stopzettingen. Aangezien 95 % van de bedrijven die zonder overgangsperioden zouden stoppen, kleine en middelgrote ondernemingen zijn, zullen overgangsmaatregelen vooral deze bedrijven ten goede komen.
Bedrijven zullen ook te maken krijgen met monitoring- en administratieve kosten van in totaal ongeveer 535 miljoen EUR over een periode van veertig jaar. In totaal zullen de kosten voor bedrijven als gevolg van de voorkeursopties in dezelfde periode naar verwachting ongeveer 3,8 miljard EUR bedragen.
Hoewel de totale kosten voor bedrijven aanzienlijk zijn in vergelijking met het referentiepunt, zouden deze over een groot aantal bedrijven worden uitgesmeerd. Bijgevolg zouden de meeste bedrijven minder (en vaak veel minder) dan 1 % van hun omzet aan kosten kwijt zijn. Niettemin zouden ondernemingen die actief zijn in bepaalde sectoren, waar werknemers worden blootgesteld aan kobalt en PAK’s, met name kleine en middelgrote ondernemingen, te maken krijgen met hogere kosten in verhouding tot hun omzet. De gevolgen van deze hoge kosten zullen naar verwachting worden getemperd door de overgangswaarden, die werkgevers in staat moeten stellen de nodige investeringen in aanvullende risicobeheermaatregelen te doen en nieuwe technische hulpmiddelen te ontwikkelen om naleving te waarborgen. In dit verband kunnen bestaande EU-programma’s, zoals Horizon Europa, bijdragen tot de ontwikkeling van innovatieve oplossingen om de gezondheid van werknemers te beschermen.
Ook bedrijven zullen baat hebben bij het pakket voorkeursopties. Als werknemers minder risico lopen op beroepsziekten, betekent dit lagere door verminderde productiviteit veroorzaakte kosten, vervangingskosten, revalidatiekosten, medische kosten enz. In totaal zullen bedrijven naar verwachting 7 miljoen EUR aan kosten besparen.
De overgangsmaatregelen zullen meer ten goede komen aan kleine en middelgrote bedrijven dan aan grote ondernemingen, aangezien de nalevingskosten voor kleine en middelgrote ondernemingen in verhouding tot de omzet of het bruto bedrijfsresultaat hoger zijn. Kleine en middelgrote ondernemingen krijgen meer tijd om hun investeringen te plannen, waardoor ook het aantal stopzettingen minder zal zijn dan bij hetzelfde pakket maatregelen zonder overgangsperioden. De gevolgen voor kleine en middelgrote ondernemingen zullen dan ook, hoewel groter dan voor grotere ondernemingen, beperkt blijven. Bovendien kunnen bestaande richtsnoeren en instrumenten, zoals de interactieve online-risicobeoordeling van het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA) 36 , bedrijven, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen, helpen om te voldoen aan de voorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het werk, waaronder die welke voortvloeien uit dit wetgevingsvoorstel, waardoor rechtstreeks wordt bijgedragen aan het “standaard digitaal”-beginsel.
Algemene gevolgen voor overheidsinstanties
Al met al zou het pakket voorkeursopties alle overheidsinstanties over een periode van veertig jaar ongeveer 66 miljoen EUR kosten. Ruim 95 % hiervan heeft betrekking op de aanpassings-, monitoring- en administratieve kosten voor de voorkeursoptie voor PAK’s. Deze kosten zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat de blootstelling van brandweerlieden niet hoger is dan het in dit wetgevingsvoorstel vastgestelde niveau. Gemiddeld zou dit over een periode van veertig jaar ongeveer 80 000 EUR per overheidsinstantie 37 kosten. De overige vijf procent betreft omzettingskosten. De lidstaten zullen tot 100 000 EUR (overeenkomend met de hoogste omzettingskosten voor lasrook 38 ) moeten uittrekken voor de omzetting van de nieuwe regels.
Het pakket voorkeursopties zal de nationale overheden ook voordelen opleveren ten bedrage van ongeveer 30,4 miljoen EUR, onder meer in de vorm van kostenbesparingen (bv. besparingen op de gezondheidszorg door minder gevallen van kanker en van andere aandoeningen dan kanker) ten bedrage van 26,65 miljoen EUR. De overige voordelen hebben betrekking op vermeden kosten ter hoogte van maximaal 3,75 miljoen EUR voor het vaststellen van grenswaarden volgens nationale procedures.
De nettokosten voor de nationale overheden over een periode van veertig jaar zouden dan ongeveer 35,5 miljoen EUR bedragen, waarvan ongeveer 15 miljoen EUR eenmalige kosten zouden zijn 39 . De overgangswaarde voor PAK’s zou de nationale overheden echter meer tijd geven om het grootste deel van deze eenmalige kosten te dragen.
Algemene gevolgen voor de groene en de digitale transitie
Het pakket voorkeursopties zal leiden tot een toenemend gebruik van bepaalde gesloten procedés, waardoor er minder gevaarlijke stoffen in het milieu terechtkomen. De rechtstreekse impact hiervan op het milieu zal naar verwachting evenwel verwaarloosbaar zijn.
Het pakket voorkeursopties kan als gevolg van de stopzettingen in belangrijke sectoren zoals cokesfabrieken, andere non-ferrometallurgie, destillatie van koolteer en de vervaardiging van grafiet- en koolstofelektroden op sommige punten nadelige indirecte effecten hebben op de groene transitie of op de digitale transitie. Deze sectoren spelen immers een belangrijke rol in de ontwikkeling van de circulaire economie, de productie van groene infrastructuur en de productie van halfgeleiders. Het risico van bedrijfsbeëindigingen zal echter naar verwachting beperkt blijven dankzij de geplande overgangsmaatregelen in het pakket voorkeursopties, en met name dankzij de overgangsperiode voor PAK’s. Daarom wordt verwacht dat de totale indirecte impact op de groene transitie beperkt zal blijven.
Gelet op de verwachte geringe effecten op het milieu zijn de toetsing aan het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” en de klimaatneutraliteitscontrole voor de effectbeoordeling bij dit initiatief achterwege gelaten.
Algemene gevolgen voor de open strategische autonomie van de EU
Als gevolg van dit pakket is het mogelijk dat sommige cokesfabrieken hun activiteiten moeten beëindigen. Hierdoor zullen sectoren die afhankelijk zijn van de productie van cokesfabrieken (bv. koolteer) hun producten mogelijk van buiten de EU moeten invoeren, wat de open strategische autonomie van de EU bij de verwezenlijking van haar doelstellingen inzake de groene en de digitale transitie zal belemmeren, aangezien koolteer essentieel is voor de productie van batterijen voor de opslag van door windturbines geproduceerde energie, van halfgeleiders en van elektrische voertuigen. Deze nadelige gevolgen zouden echter moeten worden beperkt door de overgangsmaatregelen voor PAK’s in het pakket voorkeursopties, waardoor het aantal eventuele stopzettingen in de cokesindustrie naar verwachting beperkt zal blijven.
Algemene gevolgen voor relevante duurzameontwikkelingsdoelstellingen
Door de preventie van werkgerelateerde ziekten te verbeteren, zal met CMR-richtlijn 6 ook invulling worden gegeven aan de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties 40 , met name wat betreft duurzameontwikkelingsdoelstelling 3 41 (“verzeker een goede gezondheid en promoot welzijn voor alle leeftijden”) en 8 42 (“bevorder aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve tewerkstelling en waardig werk voor iedereen”).
Gevolgen voor het concurrentievermogen van de EU
Cokesfabrieken, fabrikanten van vuurvaste producten, fabrikanten van grafiet en koolstofelektroden, staal- en ijzergieterijen en producenten van ferrolegeringen, bedrijven die actief zijn in andere non-ferrometallurgiesectoren en kolengestookte elektriciteitscentrales zullen vanaf het begin moeten investeren in aanvullende risicobeheermaatregelen, die meer dan 10 % van hun bruto-exploitatieoverschot zullen uitmaken. Aangezien de meeste van deze ondernemingen (met uitzondering van de grafiet- en elektrodenfabrikanten) kleine of middelgrote ondernemingen zijn, hebben zij minder mogelijkheden om deze nalevingskosten op te vangen. Het kan niet worden uitgesloten dat sommige bedrijven hun activiteiten moeten beëindigen, wat nadelige gevolgen zal hebben voor de beschikbaarheid van producten, de diversiteit van het aanbod en de prijzen voor de consument. De invoering van overgangsperioden voor kobalt, anorganische kobaltverbindingen en PAK’s zal naar verwachting echter het aantal stopzettingen beperken en met name kleine en middelgrote ondernemingen meer tijd geven om de nodige investeringen in aanvullende risicobeheermaatregelen te plannen en te realiseren. Daarom wordt verwacht dat de gevolgen voor de prijzen en de diversiteit van het aanbod of de beschikbaarheid van producten voor de afnemers van de door deze bedrijven geproduceerde producten beperkt zullen blijven, maar niet volledig kunnen worden uitgesloten.
Het pakket voorkeursopties kan voor sommige bedrijven ook nadelige gevolgen hebben voor het innovatievermogen. Hoewel de nalevingskosten voor de meeste bedrijven minder dan 10 % (voor de meeste sectoren zelfs minder dan 1 %) van hun O&O-uitgaven uitmaken, is dit aandeel hoger voor kleine en middelgrote ondernemingen die actief zijn in de volgende sectoren: cokesfabrieken (de kosten voor bedrijven bedragen tot 160 % van de O&O-uitgaven), bodemsanering (tot 155 %), het lassen van spoorrails (tot 120-135 %) en andere non-ferrometallurgie (tot 53 %). Ook hier zullen de overgangsmaatregelen van het pakket voorkeursopties deze negatieve gevolgen naar verwachting verzachten door bedrijven meer tijd te geven om hun investeringen te plannen. De gevolgen voor de O&O-uitgaven zullen dan ook verwaarloosbaar zijn, behalve voor de bovengenoemde sectoren waarvoor het wellicht lastiger zal zijn om hun investeringen op peil te houden en de overgangsmaatregelen een belangrijke rol zullen spelen.
Sectoren zoals staal- en ijzergieterijen, ferrolegeringen, aluminiumproducenten, andere metallurgie, metaalgieterijen en producenten van grafiet- en koolstofelektroden voelen nu al de druk van goedkopere invoer, met name uit Aziatische landen. Daarom kunnen bijkomende operationele kosten die nalevingskosten met zich meebrengen nadelige gevolgen hebben voor hun internationale concurrentiepositie ten opzichte van goedkopere invoer van buiten de EU. Zoals hierboven vermeld, zullen sommige bedrijven (met name cokesfabrieken) waarschijnlijk als gevolg van het pakket voorkeursopties hun activiteiten beëindigen.
Afhankelijk van het aantal stopzettingen zullen downstreamgebruikers die afhankelijk zijn van de productie van cokesfabrieken meer afhankelijk kunnen worden van invoer van buiten de EU. Dit geldt met name voor ondernemingen die batterijen voor de opslag van door windturbines geproduceerde energie, halfgeleiders en elektrische voertuigen produceren. Al deze nadelige gevolgen zullen naar verwachting worden verzacht door overgangsmaatregelen die het aantal stopzettingen moeten beperken en bedrijven meer tijd moeten geven om de nodige investeringen te doen. Al met al zullen de gevolgen voor het internationale concurrentievermogen verwaarloosbaar zijn, behalve voor de bovengenoemde sectoren, en dan met name voor cokesfabrieken. Overgangsmaatregelen zijn daarom belangrijk om deze nadelige gevolgen te verzachten, hoewel de verzamelde gegevens geen nauwkeurige kwantificering van deze gevolgen mogelijk maken.
Het pakket voorkeursopties moet bijdragen tot de totstandbrenging van een gelijker speelveld voor bedrijven binnen de interne markt en tot het behoud van werknemers door een beter beschermende werkplek te bieden. Deze factoren kunnen het concurrentievermogen vergroten, en met name de concurrentiepositie van bedrijven in de EU ten opzichte van concurrenten buiten de EU versterken.
In de effectbeoordeling bij dit wetgevingsvoorstel wordt een meer gedetailleerde analyse van de gevolgen voor het concurrentievermogen gegeven.
Artikel 31 van het Handvest van de grondrechten van de EU bepaalt dat werknemers recht hebben op rechtvaardige en billijke arbeidsvoorwaarden en gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden. Dit wordt nader uitgewerkt in de Europese pijler van sociale rechten, die tot doel heeft een rechtvaardiger en inclusiever Europese Unie tot stand te brengen. Dit initiatief zal de bescherming van werknemers tegen gezondheidsrisico’s als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen nog meer verbeteren om aldus ziekte te voorkomen. Daarom zal het ook een positieve uitwerking hebben voor dit fundamentele recht.
Het aantal gevallen van beroepsziekten in de EU en de vermindering van de kosten van beroepsziekten (bv. verlies van productiviteit) voor bedrijven en socialezekerheidsstelsels in de EU zijn de kernindicatoren bij het monitoren van de effecten van deze richtlijn.
Het monitoren van de eerste indicator heeft betrekking op:
de beschikbare gegevens die zijn verzameld door Eurostat (en andere relevante informatiebronnen zoals de OSH-barometer van het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk, de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound), de Internationale Arbeidsorganisatie en de Wereldgezondheidsorganisatie);
aan de bevoegde nationale autoriteit door werkgevers gemelde gegevens overeenkomstig artikel 14, lid 8, van de richtlijn en waartoe de Commissie overeenkomstig artikel 18 van de richtlijn toegang heeft; en
gegevens die door de lidstaten zijn ingediend in hun nationale uitvoeringsverslagen overeenkomstig artikel 17 bis van Richtlijn 89/391/EEG.
De tweede indicator wordt gemonitord door de verwachte cijfers voor economische verliezen en kosten van de gezondheidszorg als gevolg van beroepsziekten te vergelijken met de werkelijke cijfers die na de vaststelling van de gewijzigde richtlijn zijn verzameld.
Andere indicatoren voor het monitoren van de operationele doelstelling van een betere uitvoering van de richtlijn in de lidstaten zijn onder meer:
informatie over de adequate uitvoering van de richtlijn, verstrekt door de werkgroepen van het ACSH en belangengroepen en door het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie (SLIC);
door de lidstaten opgestelde richtsnoeren, bewustwordingscampagnes, opleidingscursussen en andere daarmee verband houdende activiteiten waarvan de lidstaten verslag hebben gedaan via de vragenlijst over de praktische uitvoering van de richtlijnen betreffende veiligheid en gezondheid op het werk in het kader van het vijfjaarlijkse landrapport overeenkomstig artikel 17 bis van Richtlijn 89/391/EEG en informatie van het ACSH en het SLIC;
het aantal of het percentage ondernemingen dat goede praktijken stimuleert om gezondheidsproblemen in verband met het gebruik van CMR-stoffen te voorkomen, wat kan worden gemonitord door gegevens te vergelijken uit de Europese bedrijvenenquête naar nieuwe en opkomende risico’s van EU-OSHA, het Europese onderzoek naar de arbeidsomstandigheden van Eurofound en informatie van het SLIC.
De omzetting en de conformiteit zullen worden gecontroleerd in het kader van een nalevingsbeoordeling in twee fasen van de omzetting van de vastgestelde grenswaarden en andere daarmee verband houdende bepalingen. In het kader van de door de Commissie overeenkomstig artikel 17 bis, van Richtlijn 89/391/EEG uit te voeren periodieke beoordeling zal een evaluatie van de praktische uitvoering van de voorgestelde wijzigingen plaatsvinden.
De toepassing en handhaving zullen door de nationale autoriteiten, met name de nationale arbeidsinspecties, worden gemonitord.
Op EU-niveau zal het SLIC de Commissie op de hoogte houden van praktische problemen in verband met de handhaving van Richtlijn 2004/37/EG, met inbegrip van moeilijkheden die verband houden met de naleving van bindende grenswaarden. Ook zal het SLIC de gemelde gevallen blijven beoordelen, informatie en goede praktijken in dit verband uitwisselen en indien nodig richtsnoeren en andere ondersteunende handhavingsinstrumenten ontwikkelen.
Artikel 1
Artikel 1 voorziet in de wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende carcinogene, mutagene en reprotoxische agentia (CMR-richtlijn), met name bijlage I (Lijst van stoffen, mengsels en procedés die vallen onder de definitie van carcinogene en mutagene agentia in de zin van artikel 2, punt a), ii), en punt b), ii), van de richtlijn), bijlage III (Grenswaarden en andere daarmee rechtstreeks verband houdende bepalingen) en bijlage III bis (Biologische grenswaarden en maatregelen inzake gezondheidstoezicht).
Om werknemers beter te beschermen door middel van grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling en biologische grenswaarden, moeten deze grenswaarden worden herzien en/of vastgesteld op de meest doeltreffende wijze wanneer dit in het licht van de recentste wetenschappelijke gegevens en de technische en wetenschappelijke vooruitgang nodig blijkt.
2025/0232 (COD) |
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG wat betreft de toevoeging van stoffen en de vaststelling van grenswaarden in de bijlagen I, III en III bis (Voor de EER relevante tekst) |
Artikel 1 voorziet in de wijzigingen van bijlage I, bijlage III en bijlage III bis. In bijlage I wordt lasrook opgenomen in de lijst van stoffen, mengsels en procedés. In bijlage III worden grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling en bijbehorende notaties voorgesteld voor kobalt, anorganische kobaltverbindingen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en 1,4-dioxaan. In bijlage III bis wordt een biologische grenswaarde (BLV) voor 1,4-dioxaan voorgesteld, die niet hoger mag zijn dan 45 mg (2-hydroxyethoxy)azijnzuur (HEAA) in urine/g creatinine.
In artikel 1 is bepaald dat Richtlijn 2004/37/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn. In bijlage III worden twee nieuwe stoffen toegevoegd, tot uitbreiding van de lijst van bindende EU-grenswaarden, aangevuld met een notatie voor sensibilisatie van de huid en de luchtwegen voor kobalt en anorganische kobaltverbindingen, en een notatie voor sensibilisatie van de huid voor 1,4-dioxaan. Een bestaande vermelding in bijlage III, namelijk “mengsels van polycyclische aromatische koolwaterstoffen, in het bijzonder die welke benzo[a]pyreen bevatten en carcinogeen, mutageen of reprotoxisch zijn in de zin van deze richtlijn”, is geactualiseerd door de toevoeging van een grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling, terwijl de notatie voor de huid is gehandhaafd. In de laatste kolom van de tabel staan de overgangsmaatregelen voor kobalt, anorganische kobaltverbindingen en mengsels van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) vermeld. Voorgesteld wordt om de term voor de stof “kwik en tweewaardige anorganische kwikverbindingen, met inbegrip van kwikoxide en kwikchloride (gemeten als kwik)” te vervangen door “kwik en tweewaardige anorganische kwikverbindingen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/37/EG vallen (gemeten als kwik)”, waarmee wordt verduidelijkt dat de grenswaarde alleen geldt voor kwik en tweewaardige anorganische kwikverbindingen die binnen het toepassingsgebied van de CMR-richtlijn vallen.
Artikelen 2 tot en met 4
De artikelen 2 tot en met 4 bevatten de bepalingen met betrekking tot de omzetting in de nationale wetgeving van de lidstaten. In artikel 3 wordt de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn vermeld.
Bijlage
De term “grenswaarde” in de bijlage wordt gedefinieerd in artikel 2, punt c), van de richtlijn. De grenswaarden hebben betrekking op blootstelling via inademing en geven per chemische stof de hoogste gemiddelde concentratie in de lucht aan waaraan een werknemer gedurende een vastgestelde periode mag worden blootgesteld.
De notatie “huid” duidt erop dat er sprake kan zijn van aanzienlijke opname via de huid. Deze categorie is toegekend aan chemische stoffen ten aanzien waarvan het Comité risicobeoordeling (RAC) van het Europees Agentschap voor chemische stoffen van oordeel is dat opname via de huid kan bijdragen tot de totale lichaamsbelasting en dus tot mogelijke gezondheidseffecten, namelijk voor 1,4-dioxaan en PAK’s. Deze notatie blijft daarom behouden voor PAK’s en wordt ingevoerd voor 1,4-dioxaan. Een notatie voor “sensibilisatie van de huid” wordt toegekend aan chemische stoffen ten aanzien waarvan het RAC van oordeel is dat blootstelling ervan kan leiden tot bijwerkingen aan de huid, namelijk kobalt en anorganische kobaltverbindingen. Een notatie voor sensibilisatie van de luchtwegen wordt toegekend aan een chemische stof ten aanzien waarvan het RAC van oordeel is dat blootstelling eraan via inhalatie kan leiden tot bijwerkingen aan de luchtwegen, namelijk kobalt en anorganische kobaltverbindingen. Werkgevers moeten rekening houden met deze notaties bij de uitvoering van risicobeoordelingen en bij het nemen van preventieve en beschermende maatregelen in verband met een carcinogeen, mutageen of reprotoxisch agens in overeenstemming met de richtlijn.
tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG wat betreft de toevoeging van stoffen en de vaststelling van grenswaarden in de bijlagen I, III en III bis
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 153, lid 2, punt b), in samenhang met artikel 153, lid 1, punt a),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 43 ,
Na raadpleging van het Comité van de Regio’s 44 ,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
Teneinde de bescherming van werknemers tegen risico’s van blootstelling aan carcinogene, mutagene of reprotoxische agentia op het werk te verbeteren en in de hele Unie hetzelfde minimumniveau van bescherming te waarborgen, moet Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad 45 regelmatig worden geactualiseerd. In het licht van de beschikbare informatie, waaronder actueel wetenschappelijk bewijs en technische gegevens, moeten er nieuwe en herziene grenswaarden worden vastgesteld, die moeten worden gebaseerd op een grondige beoordeling van de sociaal-economische gevolgen en de haalbaarheid. Die informatie moet indien mogelijk adviezen bevatten van het Comité risicobeoordeling (RAC) van het bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad 46 opgerichte Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), en adviezen van het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats (ACSH) 47 .
Richtlijn 2004/37/EG heeft betrekking op stoffen of mengsels die voldoen aan de criteria voor indeling als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch agens van categorie 1A of 1B zoals bepaald in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad 48 , en op stoffen, mengsels of procedés als vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2004/37/EG. Voor elke nieuwe opname in de lijst van stoffen, mengsels en procedés als bedoeld in die bijlage I moet degelijk wetenschappelijk bewijs worden geleverd om aan te tonen dat deze stoffen, mengsels en procedés binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/37/EG vallen, op basis van beschikbare deugdelijke wetenschappelijke bronnen zoals het ECHA, het Internationaal Instituut voor Kankeronderzoek (IARC) en nationale organen, met speciale aandacht voor collegiaal getoetste publicaties over die stof.
Het IARC heeft lasrook ingedeeld als “carcinogeen voor de mens” (IARC-categorie 1). Volgens de verkennende studie van het ECHA 49 is lasrook complex en kan lasrook carcinogene, mutagene of reprotoxische agentia bevatten, zoals chroom(VI)-verbindingen, nikkelverbindingen, cadmium en anorganische cadmiumverbindingen. De complexiteit en heterogeniteit van lasrook zorgt, in combinatie met het ontbreken van een geharmoniseerde indeling in Verordening (EG) 1272/2008, mede voor onduidelijkheid over de mogelijke gevaren ervan voor werknemers en leidt bijgevolg tot een gebrek aan passende risicobeheersmaatregelen op de werkplek. Het aanpakken van het ontbreken van een indeling voor lasrook op EU-niveau zal bij de toepassing van Richtlijn 2004/37/EG meer juridische duidelijkheid opleveren. Daarom is het wenselijk om, in overeenstemming met het advies van het ACSH 50 , in bijlage I bij Richtlijn 2004/37/EG werkzaamheden op te nemen waarbij men wordt blootgesteld aan tijdens lasprocedés gegenereerde rook die stoffen bevat die voldoen aan de criteria voor stoffen of mengsels die voldoen aan criteria om als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch te worden ingedeeld in categorie 1A of 1B, zoals vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008.
Kobaltmetaal en sommige kobaltverbindingen voldoen aan de criteria om overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 als carcinogeen en reprotoxisch (categorie 1B) te worden ingedeeld en zijn derhalve carcinogene of reprotoxische agentia in de zin van Richtlijn 2004/37/EG. Werknemers worden dikwijls blootgesteld aan een mengsel van kobaltverbindingen; de grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling moeten worden toegepast op alle anorganische kobaltverbindingen. Het is daarom wenselijk om op grond van de beschikbare informatie, wetenschappelijke en technische gegevens daarbij inbegrepen, in Richtlijn 2004/37/EG een grenswaarde vast te stellen voor kobalt en anorganische kobaltverbindingen.
Het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats (ACSH), dat is opgericht bij besluit van de Raad van 22 juli 2003 51 , heeft op basis van het advies van het RAC 52 aanvaard dat blootstelling aan kobalt en anorganische kobaltverbindingen op het werk ook kan leiden tot sensibilisatie van de huid en de luchtwegen. Het is daarom wenselijk om grenswaarden vast te stellen, zowel voor de inhaleerbare als de respirabele fracties van kobalt en anorganische kobaltverbindingen binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/37/EG, en een notatie voor sensibilisatie van de huid en de luchtwegen toe te kennen.
Voor kobalt en anorganische kobaltverbindingen zal het naar verwachting moeilijk zijn om op korte termijn te voldoen aan een grenswaarde van 0,01 mg/m³ voor de inhaleerbare fractie en 0,0025 mg/m³ voor de respirabele fractie. Het is daarom wenselijk om na de inwerkingtreding van deze richtlijn een overgangsperiode van zes jaar in te stellen, gedurende welke de grenswaarden van 0,02 mg/m³ (inhaleerbare fractie) en 0,0042 mg/m³ (respirabele fractie) van toepassing zijn.
Bepaalde mengsels van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s), in het bijzonder die welke benzo[a]pyreen bevatten, voldoen aan de criteria voor indeling als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch (categorie 1A of 1B) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 en vallen daarmee binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/37/EG. Het RAC 53 heeft voor die mengsels de mogelijkheid van aanzienlijke opname via de huid geconstateerd en het ACSH is het erover eens geworden dat het van belang is een grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling in te stellen voor alle mengsels van PAK’s die vallen binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/37/EG en als benzo(a)pyreen worden gemeten, en om een reeds in bijlage III opgenomen notatie “huid” te handhaven.
Voor PAK-mengsels is het te verwachten dat het voor sommige sectoren moeilijk zal zijn om op korte termijn te voldoen aan een grenswaarde van 0,00007 mg/m³ (gemeten als benzo(a)pyreen). Het is daarom wenselijk om na de inwerkingtreding van deze richtlijn een overgangsperiode van zes jaar in te stellen, gedurende welke de grenswaarde van 0,00014 mg/m³ (gemeten als benzo(a)pyreen) van toepassing moet zijn. Die overgangsperiode moet beperkt blijven tot de volgende sectoren: a) staal- en ijzergieterijen, met inbegrip van producenten van ferrolegeringen; b) aluminiumproducenten; c) producenten van koolstof- en grafietelektroden; d) cokesfabrieken; e) distillatie van koolteer; f) fabrikanten van vuurvaste producten; g) lassen van spoorrails; h) andere non-ferrometallurgische procedés; en i) gieten van metalen.
1,4-dioxaan voldoet aan de criteria voor indeling als carcinogeen (categorie 1B) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 en is derhalve een carcinogene stof in de zin van Richtlijn 2004/37/EG. Op basis van de beschikbare informatie, waaronder wetenschappelijke en technische gegevens, met inbegrip van de adviezen van het RAC 54 en het ACSH, is het derhalve wenselijk een grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling op lange en korte termijn van respectievelijk 7,3 mg/m³ (2 ppm) en 73 mg/m³ (20 ppm) vast te stellen, aangevuld met een notatie “huid” en een biologische grenswaarde van 45 mg HEAA in urine/g creatinine, aan het einde van de blootstelling of dienst.
Overeenkomstig artikel 154 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft de Commissie ook de sociale partners op het niveau van de Unie in twee fasen geraadpleegd. Zij heeft daarnaast het ACSH geraadpleegd, dat voor alle onder deze richtlijn vallende stoffen een advies heeft uitgebracht en voor elk daarvan een of meer bindende grenswaarden heeft aanbevolen, alsmede, waar passend, notaties en overgangswaarden voor sommige daarvan. Aan de hand van overgangswaarden moeten werkgevers de nodige investeringen in aanvullende risicobeheersmaatregelen kunnen doen en technische middelen kunnen ontwikkelen om naleving te waarborgen. In dit verband kunnen bestaande programma’s van de Unie, zoals Horizon Europa, bijdragen tot de ontwikkeling van innovatieve oplossingen om de gezondheid van werknemers te beschermen.
Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven 55 . Bij het vaststellen of herzien van grenswaarden moet de Commissie het RAC en het ACSH raadplegen om ervoor te zorgen dat deze op bewijzen zijn gebaseerd en evenredig en meetbaar zijn.
Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het beschermen van werknemers tegen blootstelling aan carcinogene, mutagene en reprotoxische agentia op het werk, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken. Richtlijn 2004/37/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Richtlijn 2004/37/EG wordt als volgt gewijzigd:
De bijlagen I, III en III bis bij Richtlijn 2004/37/EG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk […] [de omzettingstermijn moet zo kort mogelijk zijn en mag in het algemeen niet meer dan twee jaar bedragen] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
BIJLAGE bij Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG wat betreft de toevoeging van stoffen en de vaststelling van grenswaarden in de bijlagen I, III en III bis
Brussel, 18.7.2025 |
COM(2025) 418 final |
{SEC(2025) 217 final} - {SWD(2025) 191 final} - {SWD(2025) 192 final} - {SWD(2025) 193 final} |
BIJLAGE
BIJLAGE
De bijlagen I, III en III bis bij Richtlijn 2004/37/EG worden als volgt gewijzigd:
1) in bijlage I wordt het volgende punt 9 toegevoegd:
“9. Werkzaamheden waarbij blootstelling aan tijdens lasprocedés gegenereerde rook die agentia bevat die voldoen aan de criteria voor stoffen of mengsels die voldoen aan criteria om als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch te worden ingedeeld in categorie 1A of 1B, zoals vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 1 ;”;
2) in bijlage III wordt punt A als volgt gewijzigd:
a) in de tabel wordt de rij voor mengsels van polycyclische aromatische koolwaterstoffen, in het bijzonder die welke benzo[a]pyreen bevatten en carcinogene agentia zijn in de zin van deze richtlijn, vervangen door:
“
|
Naam van stof |
EG-nr. (1) |
CAS-nr. (2) |
Grenswaarden |
Notatie |
Overgangsmaatregelen |
|||||
|
8 uur (3) |
Korte termijn (4) |
|||||||||
|
mg/m3 (5) |
ppm (6) |
f/ml (7) |
mg/m3 |
ppm |
f/ml |
|||||
|
Mengsels van polycyclische aromatische koolwaterstoffen, in het bijzonder die welke benzo[a]pyreen bevatten en carcinogene, mutagene of reprotoxische agentia zijn in de zin van deze richtlijn. |
0,00007(*2) |
Huid (10) |
Grenswaarde 0,00014(*2) tot … [PB: zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn] beperkt tot de volgende sectoren: 1) staal- en ijzergieterijen, met inbegrip van producenten van ferrolegeringen, 2) aluminiumproducenten, 3) producenten van koolstof- en grafietelektroden, 4) cokesfabrieken, 5) destillatie van koolteer, 6) producenten van vuurvaste producten, 7) lassen van spoorrails, 8) andere non-ferrometallurgische procedés, en 9) gieten van metalen. |
|||||||
”
b) in de tabel wordt de rij voor kwik en tweewaardige anorganische kwikverbindingen, met inbegrip van kwik(II)oxide en kwik(II)chloride (gemeten als kwik) vervangen door:
“;
|
Naam van stof |
EG-nr. (1) |
CAS-nr. (2) |
Grenswaarden |
Notatie |
Overgangsmaatregelen |
|||||
|
8 uur (3) |
Korte termijn (4) |
|||||||||
|
mg/m3 (5) |
ppm (6) |
f/ml (7) |
mg/m3 |
ppm |
f/ml |
|||||
|
Kwik en tweewaardige anorganische kwikverbindingen die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen (gemeten als kwik) |
0,02 |
|
|
|
|
|||||
”;
c) in de tabel worden de volgende rijen toegevoegd:
“
|
Naam van stof |
EG-nr. (1) |
CAS-nr. (2) |
Grenswaarden |
Notatie |
Overgangsmaatregelen |
|||||
|
8 uur (3) |
Korte termijn (4) |
|||||||||
|
mg/m3 (5) |
ppm (6) |
f/ml (7) |
mg/m3 |
ppm |
f/ml |
|||||
|
Kobalt en de anorganische verbindingen daarvan |
0,01(11) 0,0025(9) |
|
|
|
|
sensibilisatie van de huid en de luchtwegen(13) |
Grenswaarde van 0,02(11) en 0,0042(9) tot … [PB: zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn] |
|||
|
1,4-dioxaan |
7,3 |
2 |
73 |
20 |
Huid (10)
|
|||||
”;
d) in de voetnoten na de tabel wordt de volgende voetnoot (*2) toegevoegd:
“(*2) Gemeten als benzo[a]pyreen.”;
(1) Het EG-nummer (d.w.z. het Einecs-, Elincs- of NLP-nummer) is het officiële nummer van de stof in de Europese Unie, als gedefinieerd in bijlage VI, deel 1, punt 1.1.1.2, bij Verordening (EG) nr. 1272/2008.
(2) CAS-nr.: Het CAS-nummer is het registratienummer van de Chemical Abstract Service.
(3) Gemeten of berekend voor een referentieperiode van acht uur als tijdgewogen gemiddelde.
(4) Grenswaarde voor kortstondige blootstelling. Grenswaarde die niet mag worden overschreden en die geldt, tenzij anders vermeld, voor een periode van 15 minuten.
(5) mg/m3 = milligram per kubieke meter lucht bij 20 °C en 101,3 kPa (760 mm kwikdruk).
(6) ppm = aantal deeltjes per miljoen naar volume in de lucht (ml/m3).
(7) f/ml = vezels per milliliter.
(9) Respirabele fractie.
(10) Dermale blootstelling kan aanzienlijk bijdragen tot de totale belasting van het lichaam.
(11) Inhaleerbare fractie.
(13) De stof kan sensibilisatie van de huid en van de luchtwegen veroorzaken.
3) aan bijlage III bis wordt het volgende punt toegevoegd:
“1,4-dioxaan
2. De bindende biologische grenswaarde is: 45 mg HEAA* in urine/g creatinine.”.
________________
*(2-hydroxyethoxy)azijnzuur”.