Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot oprichting van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, met name voor de Europese territoriale samenwerking (Interreg), en van het Cohesiefonds in het kader van het bij Verordening (EU) [...] [NRP-verordening] opgerichte fonds, en tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de ondersteuning van de Unie voor de regionale ontwikkeling in de periode van 2028 tot en met 2034
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot oprichting van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, met name voor de Europese territoriale samenwerking (Interreg), en van het Cohesiefonds in het kader van het bij Verordening (EU) [...] [NRP-verordening] opgerichte fonds, en tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de ondersteuning van de Unie voor de regionale ontwikkeling in de periode van 2028 tot en met 2034
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
Brussel, 16.7.2025 |
COM(2025) 552 final |
2025/0238(COD) |
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot oprichting van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, met name voor de Europese territoriale samenwerking (Interreg), en van het Cohesiefonds in het kader van het bij Verordening (EU) [...] [NRP-verordening] opgerichte fonds, en tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de ondersteuning van de Unie voor de regionale ontwikkeling in de periode van 2028 tot en met 2034 |
TOELICHTING
Op 16 juli 2025 heeft de Commissie een voorstel goedgekeurd voor het volgende meerjarig financieel kader (“MFK”) voor de periode 2028-2034 1 . Dit omvat met name het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (“EFRO”) en het Cohesiefonds.
Hoewel de regionale en territoriale verschillen aanzienlijk zijn verkleind, onder meer door het cohesiebeleid van de EU, woont 29 % van de EU-burgers nog steeds in regio’s waar het bbp per hoofd van de bevolking minder dan 75 % van het gemiddelde bedraagt en er zijn nog steeds veel uitdagingen en er ontstaan nieuwe. Deze uitdagingen moeten worden aangepakt door middel van een versterkt en gemoderniseerd cohesie- en groeibeleid, in samenwerking met nationale, regionale en lokale overheden.
Een eenvoudigere, meer gerichte begroting met meer impact wordt in de mededeling van de Commissie over “De weg naar het volgende meerjarig financieel kader” 2 als belangrijke doelstelling vooropgesteld. Uit de openbare raadpleging is ook gebleken dat er brede overeenstemming was onder de belanghebbenden over de noodzaak van vereenvoudiging en meer flexibiliteit, die de vaakst genoemde factoren zijn die een doeltreffender en efficiënter EU-begroting mogelijk maken.
De verordening is erop gericht regionale onevenwichtigheden aan te pakken en de ontwikkeling van regio’s met een achterstand te ondersteunen (artikel 176 VWEU) door hervormingen te ondersteunen en te investeren in de sociale en economische ontwikkeling van alle regio’s en steden van de EU, alsook door de territoriale samenwerking te versterken (met name via het Interreg-plan). Het Cohesiefonds heeft tot doel investeringen en hervormingen op het gebied van milieu en vervoer te ondersteunen in lidstaten met een lager bbp per hoofd van de bevolking (artikel 177).
EU-optreden is gerechtvaardigd op grond van artikel 174 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (“VWEU”): “[De Unie] ontwikkelt en vervolgt [...] haar optreden gericht op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang. De Unie stelt zich in het bijzonder ten doel, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio’s en de achterstand van de minst begunstigde regio’s te verkleinen”.
De doelstellingen van het EFRO zijn opgenomen in artikel 176 VWEU: “Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling is bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie door deel te nemen aan de ontwikkeling en de structurele aanpassing van regio’s met een ontwikkelingsachterstand en aan de omschakeling van industriegebieden met afnemende economische activiteit.”
De doelstellingen van het Cohesiefonds zijn opgenomen in artikel 177 VWEU: “Een volgens dezelfde procedure opgericht Cohesiefonds levert een financiële bijdrage aan projecten op het gebied van milieu en trans-Europese netwerken in de sfeer van de vervoersinfrastructuur.”
Artikel 178 VWEU vormt de rechtsgrondslag om uitvoeringsverordeningen vast te stellen voor het EFRO, het fonds voor cohesiebeleid dat de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteunt.
Bovendien moet volgens artikel 174 VWEU bijzondere aandacht worden besteed aan de plattelandsgebieden, de regio’s die een industriële overgang doormaken en de regio’s die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio’s met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden.
Artikel 349 VWEU bepaalt dat specifieke maatregelen moeten worden getroffen om rekening te houden met de structurele economische en sociale situatie van de ultraperifere gebieden, die wordt bemoeilijkt door bepaalde specifieke kenmerken die de ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden.
Het EFRO en het Cohesiefonds bevorderen de integratie en samenwerking tussen de lidstaten en verminderen regionale verschillen binnen en tussen lidstaten, met name tussen stedelijke, plattelands-, kust- of dunbevolkte gebieden en tussen het Europese vasteland en de ultraperifere gebieden en eilanden. Financiering in het kader van het cohesiebeleid heeft geleid tot investeringen die niet met dezelfde reikwijdte, ambitie en snelheid zouden hebben plaatsgevonden als de EU-financiering niet beschikbaar was. Daarom kunnen de doelstellingen van het voorstel niet door de lidstaten alleen worden verwezenlijkt en creëert steun van de Unie meerwaarde.
De EU biedt meerwaarde aan maatregelen op nationaal niveau. De financiering in het kader van het cohesiebeleid in 2014-2020 was aanzienlijk en bedroeg bijna 13 % van de totale overheidsinvesteringen in de EU en 51 % in cohesielanden 4 . Uit economische studies 5 blijkt steeds dat het cohesiebeleid een positief effect heeft op de regionale economische groei, zelfs op lokale schaal 6 . Daarnaast wijzen macro-economische simulaties 7 op een algemene stijging van het bbp van de EU door investeringen in het kader van het cohesiebeleid met bijna 1 % tegen het jaar waarin de impact het grootst zal zijn. De voordelen zijn met name aanzienlijk in minder ontwikkelde regio’s, waarvoor de bbp-prognoses aan het einde van de uitvoeringsperiode de bbp-prognoses van de regio’s zonder cohesiebeleid overschrijden. Meer ontwikkelde regio’s ondervinden een geringer maar positief langetermijneffect als gevolg van overloopeffecten (voordelen die over verschillende regio’s verspreid zijn). Deze overloopeffecten zijn goed voor ongeveer 15 % van het totale effect van het bbp van de EU, met het hoogste aandeel (45 %) in de ontwikkelde regio’s 8 .
Bovendien zijn de beleidskeuzes in de verordening evenredig, aangezien de middelen onder gedeeld beheer zullen worden uitgevoerd: de programma’s worden niet rechtstreeks door de Europese Commissie beheerd, maar worden uitgevoerd in partnerschap met de lidstaten.
Het voorstel beantwoordt aan het evenredigheidsbeginsel en het gaat niet verder dan nodig is om de doelstellingen ervan te verwezenlijken. Het valt binnen de werkingssfeer voor optreden op het gebied van de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang. De doelstellingen en overeenkomstige steun van de Unie staan in verhouding tot het doel van het instrument. Het voorstel heeft ook tot doel eerdere vereenvoudigingsinspanningen te versterken door de regels verder te harmoniseren en te consolideren.
Het meest geschikte instrument voor de uitvoering van dit voorstel is een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het EFRO [en het Cohesiefonds] ter aanvulling van het [voorstel voor een verordening inzake een Fonds voor nationaal en regionaal partnerschap].
Uit de voorlopige resultaten van de evaluatie achteraf van het EFRO en het Cohesiefonds blijkt dat de programma’s op schema liggen om de meeste van hun doelstellingen te verwezenlijken. Tot dusver hebben de fondsen meer dan 2,5 miljoen kleine en middelgrote ondernemingen ondersteund en bijgedragen tot het scheppen van meer dan 370 000 banen. 24 miljoen kinderen profiteren van nieuwe plaatsen in de kinderopvang. Bovendien werd meer dan 66 miljard EUR geïnvesteerd in projecten die het klimaat ten goede komen en werd de capaciteit van de EU voor de productie van hernieuwbare energie met meer dan 6 000 megawatt verhoogd. Dankzij de middelen konden maatregelen ter bescherming tegen bosbranden worden ingevoerd die op grond van de gerapporteerde programmawaarden meer dan 24 miljoen mensen ten goede komen, en kon de breedbandtoegang van meer dan 8 miljoen huishoudens worden verbeterd.
Vereenvoudigingsmaatregelen die in de programmeringsperiode 2014-2020 zijn ingevoerd, hebben geleid tot een zekere lastenvermindering, maar er is ruimte voor verdere vereenvoudiging, bijvoorbeeld door de uitbreiding van het toepassingsgebied van vereenvoudigde kostenopties (SCO’s) en financiering die niet gekoppeld is aan kosten (FNLC). Nationaal opgelegde regels die verder gaan dan de vereisten op EU-niveau (overregulering) dragen echter nog steeds aanzienlijk bij tot de complexiteit van de uitvoering van het EFRO en het Cohesiefonds.
Dankzij het prestatiekader kon aan de hand van gemeenschappelijke indicatoren, mijlpalen en streefdoelen een robuuste databank voor bewijs en analyse worden opgebouwd, met name via de verzameling van geharmoniseerde gegevens inzake voortgang, met inbegrip van gegevens betreffende begunstigden. Een verbetering van de interoperabiliteit en toegankelijkheid van nationale databanken zou niet alleen leiden tot een betere monitoring en een sterkere prestatiegerichtheid van het beleid, maar ook tot een vermindering van de administratieve lasten.
Dankzij de omvang van de financiering, het vermogen om aanvullende particuliere investeringen aan te trekken en de gerichtheid van de investeringen hebben het EFRO en het Cohesiefonds investeringen mogelijk gemaakt die de lidstaten zonder de financiële middelen waarschijnlijk niet zouden uitgevoerd hebben. Bovendien bieden het EFRO en het Cohesiefonds meerwaarde door meerjarige planning en de continuïteit van de financiering.
Uit gegevens blijkt dat de steun grotendeels relevant was voor het aanpakken van zowel de aanhoudende als de opkomende behoeften van begunstigden gedurende de hele programmeringsperiode. De investeringen waren relevant voor het Europese concurrentievermogen en waren grotendeels in overeenstemming met de Europese Green Deal, zij het met enkele inconsistenties tussen de lidstaten. Op EU-niveau werden de meeste investeringen toegewezen aan beleidsterreinen die in overeenstemming zijn met de in de landspecifieke aanbevelingen vermelde noodzakelijke hervormingen, waarbij er verschillen waren tussen de lidstaten. In het algemeen zijn de landspecifieke aanbevelingen een nuttig instrument geweest om de lidstaten te helpen hun investeringen te richten op hervormingsbehoeften. Er zijn minder aanwijzingen dat landspecifieke aanbevelingen die tijdens de programmeringsperiode zijn geformuleerd, van invloed zijn op de prioritering of nieuwe toewijzingen.
Het EFRO en het Cohesiefonds zijn zeer geschikt om territoriale cohesie te ondersteunen. De opzet en de governancestructuur ervan zorgen ervoor dat investeringsstrategieën territoriale uitdagingen aanpakken en zowel nationale als gedecentraliseerde regionale programmering en uitvoering mogelijk maken, waarbij de uitvoering van de EU-prioriteiten wordt aangepast aan de territoriale behoeften. In sommige gevallen zou meer flexibiliteit bij de toepassing van het beginsel van thematische concentratie een betere afstemming op de specifieke territoriale kenmerken mogelijk hebben gemaakt. Uit de modelsimulaties blijkt dat optreden in het kader van het cohesiebeleid een positief effect heeft op de economie van de EU. Geraamd wordt dat het bbp van de EU aan het einde van de beleidsperiode tot + 0,6 % hoger zal liggen dan in een hypothetisch scenario zonder het cohesiebeleid.
Wat Interreg betreft, werden grotere harmonisatie en robuustere coördinatiemiddelen tussen de verschillende EU-financieringsstromen aangemerkt als belangrijke gebieden waarop verbetering mogelijk is in de toekomst.
Uit de voorlopige resultaten van de tussentijdse evaluatie van het EFRO, het Cohesiefonds en het Fonds voor een rechtvaardige transitie blijkt dat de uitvoering weliswaar laat van start ging en aan het begin van de programmeringsperiode traag verliep, maar in de eerste helft van 2024 aanzienlijk is versneld. De vertragingen waren grotendeels te wijten aan externe factoren en hielden verband met de COVID-19-crisis en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne. De lidstaten gaven prioriteit aan crisisresponsinstrumenten op EU-niveau, met name de herstel- en veerkrachtfaciliteit.
Ingebouwde territoriale overwegingen en instrumenten maken de fondsen geschikt om regionale verschillen aan te pakken. Adequate bestuurlijke capaciteit is een noodzakelijke voorwaarde, maar is nog geen realiteit voor alle programma’s. Partnerschap en bestuur op verschillende niveaus hebben een sterk positief effect op de programmering en uitvoering, maar er is nog ruimte voor verbetering op het gebied van betrokkenheid van belanghebbenden en participerende besluitvorming.
De overgang van ex-antevoorwaarden naar minder en duidelijkere randvoorwaarden heeft de efficiëntie verbeterd. De overgrote meerderheid van de randvoorwaarden is reeds vervuld en heeft geleid tot hervormingsprocessen op gebieden als slimme specialisatie, vervoer en klimaat. De randvoorwaarden en de mijlpalen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit versterken elkaar op sommige gebieden. Door de voorwaarden af te stemmen op specifieke nationale en regionale contexten in plaats van ze universeel toepasbaar te houden voor alle programma’s, kunnen de synergieën tussen investeringen in het kader van het cohesiebeleid en relevante sectorale beleidsmaatregelen en lokale behoeften worden versterkt.
Er zijn goede praktijken in de lidstaten waarin financiering in het kader van het cohesiebeleid en in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit wordt gecombineerd om aanvullende maatregelen te ondersteunen. Hervormingen die worden in gang gezet door mijlpalen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit komen ten goede aan investeringen in het kader van het cohesiebeleid en vice versa: randvoorwaarden kunnen ook investeringen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit ten goede komen.
Nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen dragen bij tot een vermindering van de administratieve lasten. Vereenvoudigde kostenopties en financiering die niet gekoppeld is aan kosten bieden een groot potentieel, maar het gebruik ervan is ongelijk gebleven.
Het EFRO en het Cohesiefonds maken het mogelijk specifieke ontwikkelingsuitdagingen aan te gaan die zonder hun ondersteuning niet in dezelfde mate zouden aangepakt zijn. De meerwaarde van de fondsen bestaat erin dat zij een strategisch langetermijnperspectief en capaciteitsopbouw op subnationaal en subregionaal niveau bieden, met positieve overloopeffecten op de uitvoering van nationale instrumenten. Het beginsel van bestuur op verschillende niveaus en partnerschap verbindt het EU-, het nationale en het regionale niveau door middel van een plaatsgebonden aanpak die uniek is voor de geëvalueerde fondsen ten opzichte van andere nationale en EU-instrumenten. De fondsen dragen bij tot gebieden met een duidelijke Europese dimensie, waaronder klimaatactie, digitale transformatie, defensie, trans-Europees vervoer en interregionale en grensoverschrijdende samenwerking.
De goedgekeurde toewijzingen zijn zeer goed afgestemd op zowel de strategische agenda van de Raad als de beleidslijnen van de voorzitter van de Commissie, alsook op de prioriteiten van het Europees Semester. Daarnaast dragen de fondsen bij aan de in het rapport-Draghi genoemde gebieden om de groei te stimuleren. Hieruit blijkt dat het cohesiebeleid relevant blijft voor de huidige beleidscyclus en de verwachte toekomstige behoeften.
2025/0238 (COD) |
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot oprichting van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, met name voor de Europese territoriale samenwerking (Interreg), en van het Cohesiefonds in het kader van het bij Verordening (EU) [...] [NRP-verordening] opgerichte fonds, en tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de ondersteuning van de Unie voor de regionale ontwikkeling in de periode van 2028 tot en met 2034 |
tot oprichting van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, met name voor de Europese territoriale samenwerking (Interreg), en van het Cohesiefonds in het kader van het bij Verordening (EU) [...] [NRP-verordening] opgerichte fonds, en tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de ondersteuning van de Unie voor de regionale ontwikkeling in de periode van 2028 tot en met 2034
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 177, 178 en 349,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 9 ,
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s 10 ,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
|
Krachtens artikel 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie. Op grond van dat artikel en de tweede en de derde alinea van artikel 174 VWEU moet het EFRO de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio’s en de achterstand van de minst begunstigde regio’s helpen verkleinen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan regio’s die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, met name die welke voortvloeien uit demografische achteruitgang, zoals de meest noordelijke regio’s met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden. Het Cohesiefonds is opgericht om bij te dragen aan de algemene doelstelling van versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang van de Unie door het verstrekken van financiële bijdragen op milieugebied en voor de verwezenlijking van trans-Europese netwerken op het gebied van de vervoersinfrastructuur (TEN-T) overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad 11 . |
Deze steun van de Unie in het kader van het EFRO en het Cohesiefonds moet worden verstrekt in het kader van het Fonds voor nationaal en regionaal partnerschap, overeenkomstig de op dat fonds toepasselijke regels die zijn vastgesteld in Verordening (EU) [NRP-verordening] van het Europees Parlement en de Raad 12 .
Verordening (EU) XX [NRP-verordening] stelt gemeenschappelijke regels vast die van toepassing zijn op verschillende fondsen, waaronder het EFRO, het Europees Sociaal Fonds (“ESF”), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (“EFMZV”), het Fonds voor asiel en migratie (“AMIF”), het Fonds voor interne veiligheid (“ISF”) en het instrument voor grensbeheer en visa (“BMVI”), die functioneren binnen een gemeenschappelijk kader (“de fondsen”).
Horizontale beginselen zoals neergelegd in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en in artikel 10 VWEU, alsook de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zoals neergelegd in artikel 5 VEU moeten bij de uitvoering van het EFRO en Cohesiefonds worden geëerbiedigd, en daarbij moet rekening worden gehouden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 van dat verdrag en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. De lidstaten en de Commissie moeten ernaar streven ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen, de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, het genderperspectief te integreren en discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan enige vorm van segregatie. De doelstellingen van het EFRO en het Cohesiefonds moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel dat de vervuiler betaalt wordt toegepast. Om de integriteit van de interne markt te beschermen, moeten acties die ondernemingen ten goede komen, voldoen aan de regels voor staatssteun zoals vastgelegd in de artikelen 107 en 108 VWEU.
Het EFRO en het Cohesiefonds moeten bijdragen tot de specifieke beleidsdoelstellingen die zijn vastgesteld in de artikelen 2 en 3 van Verordening (EU) [NRP-verordening], binnen hun respectieve in de Verdragen vastgelegde toepassingsgebied. De mogelijkheden voor steun uit het EFRO en het Cohesiefonds voor achtergestelde, stedelijke en ultraperifere gebieden moeten nader worden gespecificeerd. Voorts moeten bepalingen worden vastgesteld voor de uitvoering van de Europese territoriale samenwerking (Interreg).
In overeenstemming met het beginsel van intergenerationele rechtvaardigheid en de inzet van de Unie voor de rechten van het kind en de strategie voor jongeren, moeten het EFRO en het Cohesiefonds maatregelen ondersteunen die bijdragen tot duurzame ontwikkeling voor de toekomstige generaties, de toegang tot kansen voor jongeren op het hele grondgebied bevorderen en tegemoetkomen aan de specifieke behoeften van jongeren in achtergestelde gebieden, in het bijzonder in achtergestelde en dunbevolkte regio’s, met name wat infrastructuur voor vaardigheden, innovatie, ondernemerschap, duurzame bestaansmiddelen en cultuur of sport betreft. Dergelijke steun kan worden verstrekt via geïntegreerde stedelijke of lokale strategieën.
De lidstaten, en met name diegene met uitdagingen in verband met een aanzienlijke Roma-bevolking, moeten bijzondere aandacht besteden aan de gelijkheid en integratie van de Roma. Er mag geen steun worden verleend voor acties die bijdragen tot enige vorm van segregatie of uitsluiting van personen met een handicap en gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma.
Met het oog op de bevordering van duurzame stadsontwikkeling wordt het noodzakelijk geacht steun voor geïntegreerde territoriale ontwikkeling te verstrekken om de economische, ecologische, klimatologische, demografische en sociale uitdagingen in stedelijke gebieden, inclusief functionele stedelijke gebieden, doeltreffender aan te pakken, rekening houdend met de noodzaak om verbindingen tussen stad en platteland te stimuleren. Maatregelen die deze benaderingen weerspiegelen, moeten worden vastgesteld in de desbetreffende hoofdstukken van de plannen voor nationaal en regionaal partnerschap.
Specifieke aandacht moet worden besteed aan de ultraperifere regio’s, met name door maatregelen vast te stellen uit hoofde van artikel 349 VWEU, dat voorziet in maatregelen voor ultraperifere gebieden ter compensatie van de extra kosten die in deze gebieden ontstaan als gevolg van één of meer blijvende beperkingen als bedoeld in artikel 349 VWEU, met name de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat, en de economische afhankelijkheid van slechts enkele producten, die blijvend zijn en een combinatie vormen die hun ontwikkeling ernstig belemmert. Om de integriteit van de interne markt te beschermen, zoals het geval is voor alle acties die worden gecofinancierd door het EFRO en het Cohesiefonds, moet elke vorm van EFRO-ondersteuning ter financiering van de exploitatie- en investeringssteun in de ultraperifere gebieden voldoen aan de regels voor staatssteun zoals vastgelegd in de artikelen 107 en 108 VWEU.
Om de harmonieuze ontwikkeling van het grondgebied van de Unie op verschillende niveaus te ondersteunen, moet het EFRO in het kader van Interreg steun verstrekken voor grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking, interregionale samenwerking en samenwerking van ultraperifere gebieden.
Interreg moet buiten de plannen voor nationaal en regionaal partnerschap worden uitgevoerd, in de vorm van een Interreg-plan, om de specifieke context van de samenwerkingsdoelstelling en de nodige uitvoeringsmodaliteiten voor meerlandenprojecten, met inbegrip van de specifieke kenmerken van de vier onderdelen, vast te stellen.
Het EFRO kan in het kader van Interreg bijdragen tot alle specifieke doelstellingen. Daarnaast moet het bijdragen tot bijkomende specifieke doelstellingen om specifieke aspecten van de doelstellingen “een beter op samenwerking gebaseerd bestuur”, “een veiliger, zekerder Europa” en “veerkrachtigere regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus en Oekraïne” aan te pakken. Om het EFRO in staat te stellen steun te verlenen in het kader van Interreg in termen van zowel investeringen in infrastructuur als de daarmee gepaard gaande investeringen, opleidingen en integratieactiviteiten, is het noodzakelijk te bepalen dat het EFRO ook steun kan verlenen voor activiteiten in het kader van de specifieke doelstellingen die zijn vastgesteld in artikel [3, lid 1, punt c) - Specifieke doelstellingen inzake sociale samenhang] van Verordening (EU) [NRP-verordening].
Er moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend aan de Commissie om de lijsten van Interreg-hoofdstukken en de lijst van het totaalbedrag van de steun van de Unie voor elk Interreg-hoofdstuk vast te stellen en te wijzigen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren. Hoewel deze handelingen van algemene aard zijn, moet de raadplegingsprocedure worden toegepast, aangezien deze alleen de technische uitvoering van de bepalingen betreffen. Het besluit tot goedkeuring van het desbetreffende Interreg-planhoofdstuk moet een financieringsbesluit vormen in de zin van artikel 110, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad 13 .
Daarnaast moeten de lidstaten ook hoofdstukken opstellen met het oog op de vaststelling van essentiële programmeringselementen voor de uitvoering van de steun. Die hoofdstukken moeten regelmatig voor goedkeuring aan de Commissie worden voorgelegd.
Ten behoeve van een zo efficiënt mogelijk gebruik van de steun uit het EFRO en de externe financieringsinstrumenten van de Unie moet er een mechanisme worden ingesteld om de teruggave van die steun te organiseren indien programma’s voor externe samenwerking niet kunnen worden vastgesteld of moeten worden beëindigd; dit geldt ook voor programma’s voor samenwerking met derde landen die geen steun ontvangen uit een financieringsinstrument van de Unie. Met dat mechanisme moet worden gestreefd naar een optimale werking van de programma’s en een maximale coördinatie tussen die instrumenten.
Om samenwerkingsmaatregelen aan te moedigen en te stimuleren, moeten samenwerkingsactiviteiten tussen partners binnen een bepaalde lidstaat of tussen verschillende lidstaten met betrekking tot verleende steun mogelijk blijven in het kader van alle specifieke doelstellingen. Dergelijke nauwere samenwerking vormt een aanvulling op de samenwerking in het kader van Interreg en partners mogen uit om het even welke regio in de Unie komen, maar het kan ook gaan om grensoverschrijdende regio’s en regio’s die allemaal onder een macroregionale of zeebekkenstrategie, of een combinatie van beide vallen.
In de context van de unieke en specifieke omstandigheden op het eiland Ierland en met het oog op de ondersteuning van de Noord-Zuid-samenwerking in het kader van het Goede Vrijdagakkoord, moet een nieuw grensoverschrijdend Peace-Plus-hoofdstuk worden voortgezet dat voortbouwt op de werkzaamheden van eerdere programma’s van de aangrenzende graafschappen van Ierland en Noord-Ierland. Rekening houdend met het praktische belang ervan, is het noodzakelijk om te waarborgen dat, wanneer het acties ondersteunt voor vrede en verzoening, het EFRO ook bijdraagt tot de bevordering van sociale, economische en regionale stabiliteit in de betrokken regio’s, met name door maatregelen ter bevordering van de samenhang tussen de gemeenschappen. Gezien de specifieke kenmerken van het hoofdstuk moet het op een geïntegreerde manier worden beheerd, waarbij de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk als externe bestemmingsontvangsten in het hoofdstuk worden opgenomen.
Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de versterking van economische, sociale en territoriale samenhang door het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie, onvoldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, en die vanwege de grootte van de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio’s, de achterstand van de minst begunstigde regio’s en de beperkte financiële middelen van de lidstaten en regio’s, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dat is vervat in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Artikel 1
Voorwerp
Deze verordening stelt specifieke voorwaarden vast voor de uitvoering van de steun van de Unie overeenkomstig de algemene doelstellingen van artikel 2 van Verordening (EU) [NRP-verordening], en met name de punten a) en e).
Zij stelt ook de bepalingen vast die nodig zijn voor de uitvoering van de steun van de Unie ter bevordering van Europese territoriale samenwerking (Interreg) met het oog op de bevordering van de samenwerking tussen de lidstaten en hun regio’s binnen de Unie en tussen lidstaten, hun regio’s en derde landen, partnerlanden, andere gebieden of landen en gebieden overzee (LGO’s), of organisaties voor regionale integratie en samenwerking.
Deze steun van de Unie wordt verleend in het kader van het Fonds voor nationaal en regionaal partnerschap, overeenkomstig de op dat fonds toepasselijke regels die zijn vastgesteld in Verordening (EU) [NRP-verordening].
Artikel 2
Steun uit het EFRO en het Cohesiefonds
Het EFRO en het Cohesiefonds ondersteunen de in Verordening (EU) [NRP-verordening] vastgestelde specifieke doelstellingen die bijdragen aan de algemene doelstelling van artikel 2, lid 1, punt a), van Verordening (EU) [NRP-verordening], overeenkomstig hun respectieve toepassingsgebied dat in de artikelen 176 en 177 VWEU is vastgesteld.
Artikel 3
Definities
“Europese territoriale samenwerking (Interreg)”: samenwerking tussen lidstaten en hun regio’s binnen de Unie en tussen lidstaten, hun regio’s en niet-lidstaten, of organisaties voor regionale integratie en samenwerking die worden gefinancierd door het Fonds voor nationaal en regionaal partnerschap en, indien van toepassing, door het instrument “Europa in de wereld”.
“Niet-lidstaat”: gebieden van derde landen of partnerlanden, alsmede landen en gebieden overzee van lidstaten.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de term “lidstaat” in artikel 69 [Verantwoordelijkheden van de lidstaten], artikel 70 [Indiening van het jaarlijkse zekerheidspakket], artikel 74 [Gegevensverzameling en -vastlegging] en artikel 77 [Indiening en beoordeling van betalingsaanvragen] van Verordening (EU) [NRP-verordening] opgevat als “de lidstaat waar de beheerautoriteit gevestigd is”.
Artikel 4
Steun voor achtergestelde gebieden
Overeenkomstig artikel 174 VWEU besteden de lidstaten bijzondere aandacht aan het aanpakken van de uitdagingen van achtergestelde regio’s en gebieden, met name plattelandsgebieden, de regio’s die een industriële overgang doormaken, de regio’s die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio’s met een zeer geringe bevolkingsdichtheid en insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden, alsmede gebieden die bezig zijn met rechtvaardige transitie en regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus en Oekraïne. De lidstaten en de regio’s stellen in voorkomend geval in hun plannen voor nationaal en regionaal partnerschap overeenkomstig de artikelen 72 tot en met 74 [Geïntegreerde lokale en stedelijke ontwikkeling] van Verordening (EU) [NRP-verordening] een geïntegreerde aanpak vast voor de demografische uitdagingen of specifieke behoeften van de in dit lid bedoelde regio’s en gebieden. Een dergelijke geïntegreerde aanpak kan een verbintenis inzake specifieke financiering voor dat doel omvatten en kan worden opgenomen in specifieke hoofdstukken van het plan voor nationaal en regionaal partnerschap.
Artikel 5
Duurzame stadsontwikkeling
Als onderdeel van hun territoriale ontwikkeling ondersteunen de lidstaten strategieën voor geïntegreerde stadsontwikkeling die gericht zijn op duurzame ontwikkeling en die uitdagingen op het gebied van milieu, energie en klimaat aanpakken, met name de eerlijke transitie naar een schone, klimaatneutrale en veerkrachtige economie tegen 2050, met bijzondere aandacht voor huisvesting, armoede en cultureel erfgoed en voor het benutten van het potentieel van digitale technologieën voor innovatiedoeleinden en energie-efficiëntie, het ondersteunen van de ontwikkeling van functionele stedelijke gebieden en het ondersteunen van verbindingen tussen stad en platteland.
Artikel 6
Ultraperifere gebieden
Er worden maatregelen vastgesteld in de plannen voor nationaal en regionaal partnerschap om te voorzien in structurele steun voor hun economische, sociale en territorialeontwikkelingskosten en exploitatiekosten of compensatie voor met name het verlenen van diensten in het kader van een openbaredienstverplichting en overheidsopdrachten in die gebieden, ter verevening van de extra kosten die in de ultraperifere gebieden naar aanleiding van een of meer van de in artikel 349, eerste alinea, VWEU genoemde permanente belemmeringen voor hun ontwikkeling.
HOOFDSTUK II
Interreg-plan
Artikel 7
Toepassingsgebied
Interreg is gericht op de ondersteuning van de volgende samenwerkingsonderdelen:
samenwerking tussen aangrenzende regio’s ter bevordering van geïntegreerde en harmonieuze regionale ontwikkeling tussen naburige land- en zeegrensregio’s (grensoverschrijdende samenwerking);
samenwerking over grotere transnationale gebieden of rond zeebekkens, waarbij nationale, regionale en lokale programmapartners in lidstaten, niet-lidstaten, partnerlanden en LGO’s betrokken zijn, met het oog op een hogere mate van territoriale integratie (transnationale samenwerking);
samenwerking om de effectiviteit van het cohesiebeleid te versterken door het bevorderen van de uitwisseling van ervaringen, innovatieve benaderingen en capaciteitsopbouw (interregionale samenwerking);
samenwerking tussen ultraperifere gebieden onderling en samenwerking tussen ultraperifere gebieden en een of meer van hun naburige niet-lidstaten of met organisaties voor regionale integratie en samenwerking, om hun regionale integratie en harmonieuze ontwikkeling in de regio te vergemakkelijken (samenwerking tussen ultraperifere gebieden).
Tenzij in deze verordening specifieke vereisten worden vastgesteld, verloopt de samenwerking tussen twee of meer Europese partners, waarvan geen enkele lidstaat is of een regio van een lidstaat is, overeenkomstig de specifieke regels van Verordening XX [Europa in de wereld].
De Interreg-planhoofdstukken ter ondersteuning van grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking en interregionale samenwerking worden uitgevoerd in gedeeld beheer. Bijdragen uit het instrument “Europa in de wereld” die zijn opgenomen in hoofdstukken ter ondersteuning van de samenwerking tussen ultraperifere gebieden kunnen worden uitgevoerd in gedeeld of indirect beheer. De in lid 1 bedoelde en door het Fonds voor nationaal en regionaal partnerschap medegefinancierde samenwerkingsprogramma’s kunnen bijdragen ontvangen uit de in artikel 3, lid 1, punten a), b), c) en e), van Verordening XX [Instrument “Europa in de wereld”] bedoelde pijlers.
De regels van Verordening (EU) [NRP-verordening] zijn van toepassing op het Interreg-plan, tenzij deze verordening specifiekere regels voor de uitvoering van het Interreg-plan vaststelt.
Naast de specifieke doelstellingen van artikel 3, punten a) en c), van Verordening (EU) [NRP-verordening] ondersteunt Interreg de doelstellingen “een beter op samenwerking gebaseerd bestuur”, “een veiliger, zekerder Europa” en “veerkrachtigere regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus en Oekraïne”.
In het geval van het grensoverschrijdende Peace-Plus-programma, dat vrede en verzoening ondersteunt, draagt het EFRO, als specifieke doelstelling in het kader van de algemene doelstelling a) van artikel 2 van Verordening (EU) [NRP-verordening], ook bij tot de bevordering van de sociale, economische en regionale stabiliteit in de betrokken regio’s, met name door middel van acties ter bevordering van de samenhang tussen gemeenschappen.
De artikelen XX [Leningsteun], XX [Leningsovereenkomst en opgenomen en verstrekte leningen] en XX [Tussentijdse evaluatie] en artikel 14, lid 2, [Flexibiliteitsbedrag van 25 %] van Verordening (EU) [NRP-verordening] zijn niet van toepassing op het Interreg-plan.
Artikel 8
Vereisten voor de Interreg-planhoofdstukken
Het Interreg-plan bevat Interreg-planhoofdstukken. Elk hoofdstuk stemt overeen met samenwerking in een bepaald geografisch gebied.
De lidstaat waar de toekomstige beheerautoriteit gevestigd is, dient uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening namens alle deelnemende lidstaten en niet-lidstaten een Interreg-planhoofdstuk in bij de Commissie.
Elk Interreg-planhoofdstuk bevat de volgende elementen overeenkomstig het model in de bijlage bij deze verordening. Het Interreg-planhoofdstuk:
vermeldt het onderdeel van de betrokken Interreg-samenwerking en de geografische dekking;
beschrijft de interventiestrategie van het Interreg-planhoofdstuk op basis van een duidelijke analyse van de territoriale behoeften en lacunes in het bestreken gebied, stelt de samenwerkingsmaatregelen vast, met inbegrip van eventuele maatregelen voor territoriale of lokale ontwikkeling, en legt uit hoe die maatregelen naar verwachting zullen bijdragen tot de doelstellingen van de artikelen 2 en 3 [Beleidsdoelstellingen] van Verordening (EU) [NRP-verordening] en de in artikel 7, lid 4, van deze verordening bedoelde Interreg-specifieke doelstellingen, en tot de transitie naar klimaatneutraliteit;
voorziet in een lijst en een beschrijving van de maatregelen, met inbegrip van de algemene en specifieke doelstellingen die elke maatregel in de eerste plaats nastreeft en de lijst van beoogde mijlpalen en streefdoelen, met de indicatieve datum van voltooiing ervan tijdens de programmeringsperiode. De voor de streefcijfers voorgestelde indicatoren zijn gebaseerd op de in bijlage I bij Verordening XX [Prestaties] vermelde outputindicatoren, tenzij naar behoren gemotiveerd;
bepaalt de totale geraamde kosten van de maatregelen, met in voorkomend geval informatie over bestaande of geplande financiering door de Unie, gestaafd met een passende motivering en uitleg over de wijze waarop die kosten in overeenstemming zijn met het beginsel van kostenefficiëntie en goed financieel beheer en in verhouding staat tot de verwachte economische en sociale gevolgen;
stelt duidelijke regelingen vast voor de doeltreffende monitoring en uitvoering van het Interreg-planhoofdstuk door elke lidstaat, met inbegrip van de verantwoordelijke autoriteiten en opgerichte monitoringcomités, die de doelstelling weerspiegelen om een robuust systeem voor bestuur op verschillende niveaus tot stand te brengen op basis van het partnerschapsbeginsel, alsook de beoogde aanpak van informatie, communicatie en zichtbaarheid overeenkomstig de regels van Verordening XX [prestatieverordening];
bevordert partnerschappen en kennisuitwisseling door te vermelden welke belanghebbenden zijn geraadpleegd, hoe zij zijn geselecteerd, hoe hun representativiteit is gewaarborgd en hoe hun inbreng wordt weerspiegeld in het Interreg-planhoofdstuk in overeenstemming met de gedragscode inzake partnerschap, en door een samenvatting op te nemen van het raadplegingsproces dat is gevolgd voor de opstelling van het Interreg-planhoofdstuk;
bepaalt de verdeling van de aansprakelijkheid onder de deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, niet-lidstaten, indien de beheerautoriteit of de Commissie financiële correcties oplegt overeenkomstig de op het NRP-fonds toepasselijke regels die zijn vastgesteld in Verordening (EU) [NRP-verordening];
licht de regelingen en systemen toe om een regelmatig, doeltreffend en efficiënt gebruik van de middelen van de Unie te waarborgen, met inachtneming van goed financieel beheer en de bescherming van de financiële belangen van de Unie.
Artikel 9
Goedkeuring en wijziging van het Interreg-plan
De Commissie stelt overeenkomstig de in artikel 13, lid 2, bedoelde procedure [comitéprocedure] een uitvoeringshandeling vast waarin de volgende elementen worden vastgelegd:
de lijst van Interreg-planhoofdstukken, de aanwijzing van de respectieve door het hoofdstuk gedekte gebieden en de indicatieve toewijzing uit het fonds en, indien van toepassing, uit het instrument “Europa in de wereld”;
in voorkomend geval, gedetailleerde regelingen met betrekking tot de specifieke uitvoeringsmodaliteiten van Interreg om een coherente aanpak te waarborgen.
De in de eerste alinea, punt a), bedoelde elementen worden vastgesteld op grond van de door elke lidstaat verstrekte informatie over de geplande verdeling van zijn aandeel in de toewijzing van het Interreg-plan volgens de methode die is vastgesteld in bijlage I [Methode voor de berekening van de financiële bijdrage voor elke lidstaat in het kader van het fonds] bij Verordening (EU) [NRP-verordening].
De in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandeling vormt het algemene deel van het Interreg-plan.
De Commissie beoordeelt de Interreg-planhoofdstukken of de gewijzigde Interreg-planhoofdstukken die zijn ingediend door de lidstaat waar de beheerautoriteit gevestigd is, binnen vier maanden na de indiening ervan. Bij de uitvoering van haar beoordeling vergewist de Commissie zich ervan dat het Interreg-planhoofdstuk voldoet aan alle vereisten van artikel 5 en volgt zij het model in de bijlage bij deze verordening [Model van het Interreg-hoofdstuk]. De Commissie kan opmerkingen maken en om aanvullende informatie verzoeken. De termijn voor de goedkeuring wordt onderbroken vanaf de dag na de datum waarop de Commissie haar opmerkingen of een verzoek om herziene documenten aan de lidstaat stuurt totdat de lidstaat de Commissie antwoord geeft.
Indien de Interreg-planhoofdstukken of gewijzigde Interreg-planhoofdstukken die zijn ingediend door de lidstaat waar de beheerautoriteit gevestigd is, voldoen aan alle vereisten van artikel 8 en het model in de bijlage bij deze verordening volgen, keurt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling die Interreg-planhoofdstukken [of gewijzigde Interreg-planhoofdstukken] goed.
Na de goedkeuring van de Interreg-planhoofdstukken overeenkomstig lid 3 kan de Commissie om de drie maanden door middel van uitvoeringshandelingen de Interreg-planhoofdstukken goedkeuren die vervolgens zijn ingediend en voldoen aan alle vereisten van artikel 8 [Vereisten voor de Interreg-planhoofdstukken] en het model in de bijlage bij deze verordening [Model van het Interreg-hoofdstuk] volgen. In andere gevallen kan de Commissie om de zes maanden wijzigingen van de Interreg-planhoofdstukken goedkeuren op verzoek van de lidstaat waar de beheerautoriteit gevestigd is.
In de in de leden 3 en 4 bedoelde uitvoeringshandelingen worden voor elk Interreg-planhoofdstuk de volgende elementen vastgesteld:
de totale geraamde kosten van het Interreg-hoofdstuk, vastgesteld door de Commissie op basis van een voorstel van de lidstaat waar de beheerautoriteit gevestigd is;
het bedrag van de financiële bijdrage als bepaald in Verordening (EU) [NRP-verordening] en, in voorkomend geval, het bedrag van de financiële bijdrage uit het instrument “Europa in de wereld” en het bedrag van de andere nationale bijdrage dan nationale medefinanciering;
het bedrag van de totale bijdrage van de Unie per jaar, als bedoeld in artikel 14 [Vastlegging] van Verordening (EU) [NRP-verordening];
het bedrag van de te betalen voorfinanciering en of de voorfinanciering volledig moet worden betaald in het jaar van goedkeuring van het hoofdstuk of in tranches overeenkomstig artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) [NRP-verordening].
Het besluit tot goedkeuring van het betrokken Interreg-planhoofdstuk vormt een financieringsbesluit in de zin van artikel 110, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 en de kennisgeving ervan aan de lidstaat waar de beheerautoriteit gevestigd is schept een juridische verplichting.
Het bedrag van de financiële bijdrage van de Unie, de nationale bijdrage van niet-lidstaten en de nationale medefinanciering die in het kader van het Interreg-planhoofdstuk wordt vooropgesteld, mag in totaal de totale geraamde kosten van het hoofdstuk niet overschrijden.
Artikel 10
Taken van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het Interreg-planhoofdstuk
en van het monitoringcomité
De lidstaten en, in voorkomend geval, niet-lidstaten die deelnemen aan een Interreg-planhoofdstuk, wijzen één beheerautoriteit en één auditautoriteit aan die in dezelfde lidstaat zijn gevestigd. Voor het Interreg-plan wordt geen coördinerende instantie als bedoeld in artikel 49 van Verordening (EU) [NRP-verordening] aangewezen.
Naast artikel 50 van Verordening (EU) [NRP-verordening] is elke beheerautoriteit van een Interreg-planhoofdstuk verantwoordelijk voor het beheer van het hoofdstuk met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen ervan en is zij belast met:
het opstellen en indienen van betalingsaanvragen voor het Interreg-planhoofdstuk bij de Commissie overeenkomstig artikel 63 [Betalingen] van Verordening (EU) [NRP-verordening];
het verstrekken van ramingen van het bedrag voor betalingsaanvragen die voor het lopende en het daaropvolgende kalenderjaar uiterlijk op 15 februari en 31 juli moeten worden ingediend overeenkomstig het model in bijlage X [Betalingsramingen] bij Verordening (EU) [NRP-verordening];
het ondertekenen en verstrekken van de in artikel XX, lid 1, punt a), [Jaarlijks zekerheidspakket] van Verordening (EU) [NRP-verordening] bedoelde beheersverklaring overeenkomstig het model in bijlage XII bij die verordening;
het coördineren en indienen bij de Commissie van alle gevraagde documenten in het kader van het jaarlijkse zekerheidspakket als bedoeld in artikel 70 [Jaarlijks zekerheidspakket] van Verordening (EU) [NRP-verordening].
De lidstaat en, in voorkomend geval, niet-lidstaat die aan het Interreg-planhoofdstuk deelneemt, kan besluiten dat de in artikel XX [Functie van de beheerautoriteit] van Verordening (EU) [NRP-verordening] bedoelde beheersverificaties moeten worden verricht via de aanwijzing door elke lidstaat van een instantie of persoon die verantwoordelijk is voor die verificatie op zijn grondgebied. De Commissie kan in de in artikel 9, lid 1, bedoelde uitvoeringshandeling [Goedkeuring en wijziging van het Interreg-plan] nadere vereisten vaststellen waaraan dergelijke instanties of personen moeten voldoen.
De beheerautoriteit wordt bijgestaan door het gemeenschappelijke secretariaat, met personeel dat de aan het Interreg-planhoofdstuk deelnemende staten vertegenwoordigt. Het gemeenschappelijke secretariaat staat de beheerautoriteit en het monitoringcomité bij de uitoefening van hun respectieve taken bij. Het gemeenschappelijke secretariaat verstrekt ook informatie aan potentiële begunstigden over de financieringsmogelijkheden van Interreg-planhoofdstukken en staat de begunstigden en de partners bij de uitvoering van concrete acties bij.
Naast de regels die zijn vastgesteld in artikel 52 [Taken van de auditautoriteit] van Verordening (EU) [NRP-verordening], wordt de auditautoriteit voor de toepassing van de Interreg-planhoofdstukken, indien zij niet gemachtigd is om haar taken uit te voeren op het gehele grondgebied dat onder een samenwerkingsprogramma valt, bijgestaan door een groep auditors bestaande uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat en, in voorkomend geval, van niet-lidstaten die aan het Interreg-programma deelnemen. Elke lidstaat en, in voorkomend geval, niet-lidstaat, is verantwoordelijk voor de audits die op zijn grondgebied worden uitgevoerd.
Er wordt een monitoringcomité opgericht voor elk Interreg-planhoofdstuk. Het monitoringcomité is verantwoordelijk voor de selectie van concrete acties in het kader van Interreg, overeenkomstig de strategie en doelstellingen van het Interreg-planhoofdstuk. De Commissie kan in de in artikel 9, lid 1, bedoelde uitvoeringshandeling [Goedkeuring en wijziging van het Interreg-plan] nadere vereisten vaststellen waaraan het monitoringcomité moet voldoen.
Artikel 11
Bepalingen voor niet-lidstaten
De bijdrage als bepaald in Verordening (EU) [NRP-verordening] aan de Interreg-planhoofdstukken die ook uit het instrument “Europa in de wereld” moeten worden ondersteund, ook voor ultraperifere gebieden, wordt vastgesteld door de Commissie en de betrokken lidstaten. De voor elke lidstaat vastgestelde bijdrage mag daarna niet opnieuw over de betrokken lidstaten worden verdeeld. Bij de respectieve bijdragen van het instrument “Europa in de wereld” aan de Interreg-planhoofdstukken wordt rekening gehouden met de betrokkenheid van de lidstaten en de begunstigden van het instrument “Europa in de wereld”. De steun uit hoofde van Verordening (EU) [NRP-verordening] wordt verleend aan hoofdstukken betreffende externe grensoverschrijdende samenwerking, mits evenredige bedragen worden verstrekt door het instrument “Europa in de wereld”.
Voor de uitvoering van een Interreg-planhoofdstuk onder gedeeld beheer in een niet-lidstaat wordt een financieringsovereenkomst gesloten tussen de Commissie, die de Unie vertegenwoordigt, en elke deelnemende niet-lidstaat, die wordt vertegenwoordigd overeenkomstig zijn nationale rechtskader. Die financieringsovereenkomst wordt beschouwd als een instrument voor de uitvoering van de begroting van de Unie overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509.
De overeenkomstig zijn nationale rechtskader vertegenwoordigde lidstaat waar de beheerautoriteit van het desbetreffende Interreg-planhoofdstuk gevestigd is, kan ook partij zijn bij de financieringsovereenkomst.
Indien een niet-lidstaat een andere financiële bijdrage ter ondersteuning van het Interreg-planhoofdstuk dan de medefinanciering ervan van de steun van de Unie (“nationale bijdrage”) moet overdragen aan de beheerautoriteit, worden de regels betreffende de nationale bijdrage vastgesteld in de financieringsovereenkomst.
Elke financieringsovereenkomst wordt uiterlijk op 31 december van het jaar na het jaar van de eerste vastlegging in de begroting gesloten en wordt geacht te zijn gesloten op de datum waarop de laatste partij de overeenkomst ondertekend heeft. Indien bij een Interreg-planhoofdstuk meer dan één derde land betrokken is, wordt ten minste één financieringsovereenkomst gesloten vóór de in de eerste zin vermelde datum van ondertekening.
Indien voor de uitvoering van een concrete actie aanbestedingen van diensten, leveringen of werken door een begunstigde die een in een niet-lidstaat gevestigde overheidsinstantie is, nodig zijn, kan die begunstigde:
de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken niet-lidstaat toepassen, mits de financieringsovereenkomst dit toelaat en de overeenkomst wordt gegund aan de economisch voordeligste inschrijving dan wel, in voorkomend geval, aan de goedkoopste inschrijving, waarbij hij belangenconflicten moet vermijden; of
de aanbestedingsprocedures van de artikelen 181 en 182 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 volgen.
Artikel 12
Teruggave van middelen en beëindiging
Indien tegen [2029 of] 2030 het Interreg-planhoofdstuk niet uiterlijk op 31 maart van het betrokken jaar bij de Commissie is ingediend, wordt de jaarlijkse bijdrage als bepaald in de NRP-verordening aan dat Interreg-planhoofdstuk opnieuw toegewezen aan een ander Interreg-planhoofdstuk waaraan de betrokken lidstaat deelneemt.
Indien uiterlijk op 31 maart 2031 nog Interreg-planhoofdstukken zijn die niet bij de Commissie zijn ingediend, wordt de bijdrage als bepaald in de NRP-verordening aan die Interreg-planhoofdstukken voor de resterende jaren tot en met 2034, die niet opnieuw is toegewezen aan een ander Interreg-planhoofdstuk, toegewezen aan het Interreg-planhoofdstuk waaraan wordt deelgenomen door de betrokken lidstaat.
Een Interreg-planhoofdstuk dat reeds door de Commissie is goedgekeurd, wordt stopgezet of de toewijzing ervan wordt verlaagd overeenkomstig de toepasselijke regels en procedures, met name indien:
geen van de partnerlanden die onder het betrokken externe grensoverschrijdende Interreg-planhoofdstuk vallen, de desbetreffende financieringsovereenkomst heeft ondertekend binnen de overeenkomstig artikel [XX] van het Interreg-plan vastgestelde termijnen; of
het Interreg-planhoofdstuk niet kan worden uitgevoerd zoals gepland, omdat zich problemen in de betrekkingen tussen de deelnemende landen hebben voorgedaan.
In de in de eerste alinea bedoelde gevallen wordt de in lid 1 bedoelde bijdrage als bepaald in de NRP-verordening die overeenkomt met nog niet vastgelegde jaarlijkse tranches, of met jaarlijkse tranches die in hetzelfde begrotingsjaar zijn vastgelegd en geheel of gedeeltelijk zijn vrijgemaakt en niet opnieuw zijn toegewezen aan een ander Interreg-planhoofdstuk, toegewezen aan een ander Interreg-planhoofdstuk waaraan de betrokken lidstaat deelneemt.
De bijdrage uit [externe middelen] die op grond van dit artikel is verlaagd, wordt gebruikt overeenkomstig de verordening [Europa in de wereld].
Artikel 13
Peace Plus
Een Peace-Plus-hoofdstuk heeft betrekking op de samenwerking tussen de aangrenzende graafschappen van Ierland en Noord-Ierland. Het zal zowel in Ierland als in het Verenigd Koninkrijk onder gedeeld beheer worden uitgevoerd.
Wanneer het orgaan voor speciale EU-programma’s is aangewezen als beheerautoriteit, wordt het geacht in een lidstaat te zijn gevestigd.
De financiële bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan activiteiten van de Unie voor zijn deelname aan het Peace-Plus-hoofdstuk, in de vorm van externe bestemmingsontvangsten als bedoeld in artikel 21, lid 2, punt e), van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509, maakt deel uit van de begrotingskredieten voor [rubriek 1, [...], subprogramma “Interreg-plan”].
Wanneer het Peace-Plus-hoofdstuk functioneert ter ondersteuning van vrede en verzoening, levert het ook een bijdrage aan het bevorderen van de sociale, economische en regionale stabiliteit in de betrokken regio’s, met name door maatregelen die de samenhang tussen de gemeenschappen verbeteren.
Wanneer het Peace Plus-hoofdstuk functioneert ter ondersteuning van vrede en verzoening, kunnen de ondersteunde concrete acties partners uit slechts één deelnemend land hebben.
HOOFDSTUK III
Slotbepalingen
Artikel 14
Comitéprocedure
De Commissie wordt bijgestaan door een comité dat wordt ingesteld overeenkomstig artikel 88 [NRP-verordening].
Artikel 15
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van de datum van toepassing van Verordening (EU) [...] tot oprichting van het Europees Fonds voor economische, sociale en territoriale samenhang, landbouw en platteland, visserij, maritieme zaken, welvaart en veiligheid voor de periode 2028-2034.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Brussel,
FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM
[…]
BIJLAGE bij Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds in het kader van het Europees Fonds voor economische, sociale en territoriale cohesie, landbouw en platteland, maritieme zaken, welvaart en veiligheid voor de periode van 2028 tot en met 2034, met inbegrip van de Europese territoriale samenwerking (Interreg)
Brussel, 16.7.2025 |
COM(2025) 552 final |
BIJLAGE
MODEL VOOR HET INTERREG-PLANHOOFDSTUK
Referentie/naam van het Interreg-hoofdstuk
Onderdeel Interreg-samenwerking
Strategie van het hoofdstuk
De kaart van de betrokken geografische gebieden en landen.
De interventiestrategie van het Interreg-hoofdstuk op basis van een duidelijke analyse van de territoriale behoeften en lacunes in het bestreken gebied
Identificatie van de samenwerkingsmaatregelen, met inbegrip van eventuele maatregelen voor territoriale of lokale ontwikkeling en uitleg over hoe deze maatregelen naar verwachting zullen bijdragen tot de in artikel [Beleidsdoelstellingen] van de [NRP-]verordening en in artikel 6 van deze verordening omschreven doelstellingen
|
Maatregel |
Betrokken beleidsdoelstelling |
Uitleg over de bijdrage |
|
Tekstveld [2 000] |
Beschrijving van de maatregelen
Voor elke maatregel,
Mijlpalen en streefdoelen
Tabel met mijlpalen, streefdoelen en tijdschema voor de hoofdstukken, met de volgende informatie:
|
ID van de maatregel |
Naam van de maatregel |
Specifieke doelstelling |
Mijlpaal of streefdoel (referentienummer) |
Naam van de mijlpaal/het streefdoel |
Meeteenheid |
Uitgangswaarde |
Streefdoel |
Indicatief tijdschema voor de verwezenlijking (kwartaal en jaar) |
Beschrijving van elke mijlpaal/elk streefdoel |
Uitbetalingswaarde voor de mijlpaal of het streefdoel |
|
[1 000] |
Financiering en kosten
Voor elke maatregel:
Berekening van de kosten van de maatregelen
|
ID van het hoofdstuk |
ID van de maatregel |
Hervorming/investering |
Geraamde totale kosten (EUR) |
Indicatieve uitsplitsing van de totale kosten van de maatregel per steunverleningsgebied |
Gebruikte methode en beschrijving van de totale geraamde kosten, onder meer op basis van historische gegevens |
Motivering van de plausibiliteit en redelijkheid van de totale geraamde kosten, met inbegrip van de beoordeling door de auditautoriteit, rekening houdend met nationale en regionale specifieke kenmerken en aanpassingsmethoden |
Type beoogd gebied |
|
[3 000] |
[3 000] |
[code van de dimensie van het type gebied] |
Verificatie van de verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen
|
ID van de maatregel |
Mijlpalen/streefdoelen |
Beschrijf welk(e) document(en)/systeem zal (zullen) worden gebruikt om de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde te verifiëren (en, waar van toepassing, elk van de tussentijdse prestaties); Beschrijf hoe beheersverificaties (met inbegrip van controles ter plaatse) zullen worden uitgevoerd; Beschrijf welke regelingen zullen worden getroffen om relevante gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan. |
ID van de maatregel |
|
[2 000] |
[1 000] |
Regelingen voor de uitvoering van het hoofdstuk
Regelingen voor de doeltreffende monitoring en uitvoering van het hoofdstuk
Regelingen en systemen om een regelmatig, doeltreffend en doeltreffend gebruik van EU-middelen te waarborgen, met inachtneming van goed financieel beheer en de bescherming van de financiële belangen van de Unie overeenkomstig artikel XX [Verantwoordelijkheden van de lidstaten voor het Interreg-hoofdstuk]
Autoriteiten van het hoofdstuk
|
Autoriteit van het hoofdstuk |
Naam van de instelling [500] |
Naam van de contactpersoon [200] |
|
Beheerautoriteit |
||
|
Auditautoriteit |
Samenvatting van de raadplegingsprocedure die is gevolgd voor de opstelling van het hoofdstuk en de rol van de partners bij de uitvoering, de monitoring en de evaluatie
Beschrijving van de verdeling van de aansprakelijkheid onder de deelnemende lidstaten, en indien van toepassing, niet-lidstaten, indien de beheerautoriteit of de Commissie financiële correcties oplegt