Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028-2034
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028-2034
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
Brussel, 16.7.2025 |
COM(2025) 560 final |
2025/0241(COD) |
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028-2034 |
TOELICHTING
de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te verzekeren;
aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn;
de markten te stabiliseren;
de voorziening veilig te stellen;
redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren.
De nieuwe strategische GLB-plannen zijn een passend instrument om de beleidsdoelstellingen van het GLB na te streven.
De strategische GLB-plannen voorzien in voortzetting van de steun voor landbouwinkomens, economische duurzaamheid en veerkracht van de landbouwsector.
Het toegenomen gebruik van risicobeheerinstrumenten in de Unie via programma’s van de Unie of nationale programma’s moet verder worden versterkt.
De plannen zijn groener dan die in de vorige GLB-periode, maar er kan meer worden gedaan op het gebied van beperking van klimaatverandering, met name door op grotere schaal koolstof vast te leggen, terwijl de uitdagingen op het gebied van klimaatadaptatie een meer holistische aanpak op de langere termijn vereisen waarvoor relevante beheerspraktijken en investeringen nodig zijn.
Er is vooruitgang te zien op het gebied van duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, met name wat betreft de bodem en het verminderen van de afhankelijkheid van chemische stoffen.
Voor specifieke sectoren zal een meer holistische aanpak nodig zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de economische, sociale en ecologische kwetsbaarheden en voordelen: bijvoorbeeld om de positieve invloed van extensieve veeteeltsystemen op biodiversiteit, koolstofvastlegging, landschappen, cultureel erfgoed en bestaansmiddelen op het platteland te vergroten.
Tot slot hangt de algehele situatie daarnaast ook af van zaken buiten het GLB en van andere externe factoren, zoals de marktontwikkelingen en consumentenvoorkeuren.
vereenvoudiging van de conditionaliteit (rentmeesterschap van landbouwbedrijven), vermindering van het aantal typen interventies (waarvan er veel worden samengevoegd, bv. ecoregelingen en agromilieu- en klimaatverbintenissen, en een aanzienlijke vermindering van regelingen voor rechtstreekse betalingen), een betere gerichtheid van de typen interventies; opneming van alleen de belangrijkste vereisten in de verordening;
uitbreiding van het aantal gevallen waarin een vast bedrag wordt aangeboden. Hierdoor kunnen aanvraagprocedures worden vereenvoudigd en zullen de lasten voor begunstigden en instanties worden verlicht.
één enkel fonds: geen complexe regels inzake overdracht, geen afzonderlijke voorschriften voor elk fonds; de controlelast komt niet meer bij de betaalorganen, maar bij bestaande bevoegde nationale controle-instanties te liggen, waardoor het risico van meerdere controles op bedrijven afneemt;
in het voorstel worden ook tijdschema’s voor betalingen op elkaar afgestemd, waarbij rigiditeit worden weggenomen en tijdige betalingen aan landbouwers worden gewaarborgd, zodat een nauwer verband met de daadwerkelijke uitvoering van interventies mogelijk wordt.
2025/0241 (COD) |
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028-2034 |
tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028-2034
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,
Gezien de Akte van toetreding van 1979, en met name punt 6 van het daaraan gehechte Protocol nr. 4 betreffende katoen,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Gezien het advies van de Rekenkamer 3 ,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 4 ,
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s 5 ,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
In de mededeling van de Commissie van 19 februari 2025 getiteld “Een visie voor landbouw en voedsel” 6 is aangekondigd dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (het “GLB”) voor de periode na 2027 de lidstaten meer verantwoordelijkheid en een grotere verantwoordingsplicht toekent met betrekking tot de wijze waarop zij de doelstellingen van het GLB verwezenlijken, de inkomens van landbouwers ondersteunen en stabiliseren, een toekomstige generatie landbouwers aantrekken en voedselzekerheid waarborgen. Als gemeenschappelijk beleid van de Unie moet het nieuwe GLB voor landbouwers eenvoudiger en gerichter worden, met meer flexibiliteit voor landbouwers en een verschuiving van eisen naar stimulansen.
Het pakket wetgevingsmaatregelen voor het meerjarig financieel kader (MFK) 2028-2034 omvat Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad [NRP] tot instelling van het Fonds voor nationaal en regionaal partnerschap (het “Fonds”) voor de periode 2028-2034, waarin de uit hoofde van het Fonds op nationaal niveau vooraf toegewezen fondsen zijn samengebracht, waaronder het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), ingesteld krachtens Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad 7 en Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad 8 . Het Fonds moet worden uitgevoerd door middel van plannen voor nationaal en regionaal partnerschap (de “NRP-plannen”) en de EU-faciliteit, die meer flexibiliteit nastreven en zijn bedoeld voor crises en interventies die sturing of coördinatie op het niveau van de Unie vereisen. Deze steun van de Unie voor het GLB zal worden verleend uit hoofde van het Fonds in overeenstemming met de in Verordening (EU) .../... [NRP] vastgestelde regels voor de werking van dat fonds.
Met betrekking tot de landbouw weerspiegelt de in artikel 3, punt c), van Verordening (EU) .../... [NRP] bedoelde algemene doelstelling van het Fonds de in artikel 39 VWEU vastgestelde doelstellingen. De specifieke GLB-doelstellingen dragen rechtstreeks bij tot het behoud van de levenskwaliteit in de Unie en moeten door de lidstaten worden uitgevoerd door middel van hun NRP-plannen.
Om te zorgen dat de Unie de meest urgente uitdagingen voor de landbouwsector adequaat aanpakt, moet worden voorzien in een sturingsmechanisme waarin de hoofdlijnen voor een gericht beleid van de visie voor landbouw en voedsel tot uiting komen. Om vooruitgang te boeken op de weg naar een concurrerende, veerkrachtige en duurzame landbouwsector en daarbij recht te doen aan de uitkomsten van de raadplegingen van belanghebbenden, moeten de nationale aanbevelingen voor het GLB voldoende beleidssturing op het niveau van de Unie bieden, zodat de lidstaten kunnen worden begeleid bij het ontwerpen van hun NRP-plannen voor de landbouw en zij daarin relevante interventies kunnen bepalen op basis van hun specifieke uitdagingen en behoeften.
Om een gelijk speelveld en een gemeenschappelijk kader voor steun voor de landbouwsector in de Unie te waarborgen, moeten de lidstaten bij het uitwerken van de elementen van dat kader rekening houden met de specifieke lokale situatie en behoeften, met de doelstellingen van het GLB in het achterhoofd, terwijl de Unie moet voorzien in het gemeenschappelijke kader voor een beleid dat steun toekent aan wie dat het meest nodig hebben.
Het GLB blijkt positieve effecten op de generatievernieuwing in de landbouw te hebben, maar er blijven belemmeringen bestaan, met name waar het gaat om de beschikbaarheid van basisinfrastructuur en -diensten in plattelandsgebieden, toegang tot land, en een sociaal vangnet voor zowel jonge landbouwers als landbouwers die met pensioen gaan. Om te voldoen aan de specifieke behoeften van jonge landbouwers en nieuwkomers, moet elke lidstaat worden verplicht om in het NRP-plan een strategie voor generatievernieuwing op te nemen, die moet worden gebaseerd op de beoordeling van de specifieke nationale situatie, overeenkomstig de visie voor landbouw en voedsel van de Commissie, waarin prioriteit wordt gegeven aan de duurzaamheid en de aantrekkingskracht van de landbouw- en voedselsector in de EU op lange termijn. Ook moeten de lidstaten een uitgebreid “starterspakket” voor jonge landbouwers ontwikkelen om de komst en de vestiging van jonge landbouwers in de sector te bevorderen, met onder meer een uitgebreid pakket interventies voor jonge landbouwers.
In overeenstemming met de doelstelling om tot een beter evenwicht tussen stimulansen en eisen te komen, moeten de lidstaten de steun via hun NRP-plannen richten op prioriteiten van het GLB, die van wezenlijk belang zijn voor de langetermijnduurzaamheid van de landbouw. Na 2027 moet het GLB de overgang naar duurzamere productiemethoden versnellen en daarmee bijdragen aan de beoogde klimaatneutraliteit in 2050. Het nieuwe GLB moet voorzien in betere beloningen voor de levering van ambitieuzere ecosysteemdiensten die verder gaan dan de resultaten die met bindende eisen worden bereikt. Het nieuwe GLB moet een nieuw evenwicht tot stand brengen tussen het rentmeesterschap van landbouwbedrijven, met een aantal bindende eisen, en agromilieu- en klimaatacties waarmee milieu-, klimaat- en dierenwelzijnverbintenissen en een transitie naar veerkrachtiger productiesystemen worden ondersteund.
Het rentmeesterschap van landbouwbedrijven moet ervoor zorgen dat GLB-steun in overeenstemming is met het in Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad 9 verankerde beginsel van “geen ernstige afbreuk doen”. Het rentmeesterschap van landbouwbedrijven moet minimumvereisten voor milieu- en sociale conditionaliteit omvatten, maar ook beschermingspraktijken die door de lidstaten worden ontworpen om belangrijke doelstellingen te realiseren, waaronder de bescherming van bodems en rivierlopen tegen verontreiniging. De lidstaten moeten de flexibiliteit hebben om deze beschermingspraktijken af te stemmen op hun specifieke geografische en klimaatomstandigheden en productiesystemen, onder meer door het verlenen van vrijstellingen. Om een sociaal duurzame landbouw te bevorderen, kunnen bepaalde GLB-betalingen uitsluitend plaatsvinden indien wordt voldaan aan normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en gezondheid en veiligheid op het werk. Het Europees Handvest van de grondrechten en diverse nationale kaders en arbeidsmarktmodellen moeten worden geëerbiedigd, aan sociale partners of lidstaten mogen geen extra handhavings- of controleverplichtingen worden opgelegd en dubbele correcties moeten worden voorkomen.
Inkomenssteun voor landbouwers moet het centrale beleidsinstrument blijven om een billijk inkomen voor landbouwers en een duurzame landbouw en voedselproductie te garanderen. Deze steun moet bijdragen aan de bevordering van een concurrerende en veerkrachtige landbouwsector waarin een hoogwaardige productie en een efficiënt gebruik van hulpbronnen worden nagestreefd en tegelijkertijd generatievernieuwing en daarmee voedselzekerheid op lange termijn worden gewaarborgd. Om de landbouwsector in de Unie stabiliteit en voorspelbaarheid te bieden, moeten toewijzingen aan inkomenssteun worden geoormerkt als inkomenssteun voor uitsluitend landbouwers. Om zijn effecten en doelmatigheid te maximaliseren, moet het nieuwe GLB vergezeld gaan van een gestroomlijnd en samenhangend pakket aan interventietypen voor inkomenssteun waarmee de lidstaten resultaten kunnen boeken op het gebied van de doelstellingen van het GLB.
Aangezien de steun moet worden gericht op de landbouwers deze het hardst nodig hebben, moeten de lidstaten de areaalgebonden degressieve inkomenssteun uitsluitend betalen aan personen die landbouw als hoofdactiviteit uitoefenen, en moeten zij ervoor zorgen dat kleine en pluri-actieve landbouwers die hun landbouwactiviteiten op ten minste een bepaald minimumniveau uitoefenen, niet worden uitgesloten.
Vanuit de gedachte dat landbouwbedrijven veerkrachtiger moeten worden en risico’s beter moeten worden beheerd, moet steun worden verstrekt om landbouwers beter te wapenen tegen toenemende risico’s en crises, onder meer in verband met klimaatverandering of instabiele markten, zodat zij deel kunnen nemen aan risicobeheersinstrumenten, zoals steun voor verzekeringspremies en bijdragen aan onderlinge fondsen in alle lidstaten. Een proactieve benadering van risicobeheer die de sector meer veerkracht geeft, moet worden bevorderd door het vaststellen van passende maximale steunbedragen, met stimulansen voor landbouwers die risicopreventiemaatregelen nemen.
De doelstellingen van het GLB moeten ook worden nagestreefd door middel van steun voor investeringen van landbouwers en bosbezitters. Dergelijke investeringen kunnen onder andere betrekking hebben op infrastructuur voor ontwikkeling, modernisering of aanpassing aan klimaatverandering van land- en bosbouw, agrobosbouwpraktijken, energie en water, toepassing van digitale technologie in de landbouw, precisielandbouw en diversificatie van bronnen van inkomsten naar andere activiteiten, waaronder agrotoerisme en de bio-economie. Ook moet steun kunnen worden verleend voor investeringen in het herstel van productiepotentieel van land- of bosbouw na natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden of rampzalige gebeurtenissen, waaronder branden, stormen, overstromingen, plagen en ziekten.
Gegeven het feit dat landbouwers moeten zorgen voor evenwicht tussen hun beroepsmatige taken en hun persoonlijke verantwoordelijkheden en verantwoordelijkheden voor het gezin, moet steun kunnen worden verleend voor het inschakelen van bedrijfsverzorgingsdiensten die voor landbouwers vervanging regelen in geval van verlof bij ziekte, bevalling, vakantie of deelname aan een opleiding. Het opzetten van deze diensten moet kunnen worden ondersteund, evenals salarissen voor tijdelijke arbeidskrachten die de landbouwer vervangen.
Om de maatschappelijke, economische, digitale en ecologische transitie in plattelandsgebieden te bevorderen, moeten de lidstaten zorgen dat Leader wordt ondersteund. In het kader van de NRP-plannen moet steun kunnen worden verleend voor kwaliteitsregelingen en afzetbevorderingsactiviteiten, voor korte toeleveringsketens en de ontwikkeling van lokale markten.
Gezien de noodzaak om innovatie en duurzamere werkwijzen te stimuleren, moet het Europees Innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (het “EIP-AGRI”) een centraal beleidsinstrument blijven, waarmee interactieve innovatie wordt ondersteund en de uitwisseling van kennis tussen betrokken partijen wordt verbeterd om praktijkklare oplossingen te delen 10 . Synergieën tussen het GLB en het kaderprogramma voor onderzoek van de Unie (FP10), dat is ingesteld bij Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad, moeten de landbouw stimuleren om optimaal gebruik te maken van de resultaten van onderzoek en innovatie, met name uit door FP10 en het EIP-AGRI gefinancierde projecten, en zo te komen tot innovatie in de landbouw, de bio-economie en plattelandsgebieden.
Verbetering van de interoperabiliteit tussen openbare landbouwinformatiesystemen op nationaal niveau kan aanzienlijke voordelen opleveren, waaronder een minder belastende gegevensvergaring, meer doelmatigheid en een betere monitoring van beleid. Bij het nastreven van dit doel moeten de lidstaten het beginsel van “eenmaal verzamelen, meerdere keren gebruiken” toepassen om de rapportagelast te verminderen. De aanwijzing van een centrale autoriteit voor de coördinatie van inspanningen op het gebied van interoperabiliteit en investeringen in unieke bedrijfsidentificatienummers, de Europese portemonnee voor digitale identiteit als bedoeld in Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad 11 en infrastructuur voor de uitwisseling van gegevens kunnen administratieve lasten verlichten, rapportageverplichtingen stroomlijnen en de positie van landbouwers binnen de waardeketen van gegevens versterken en zo uiteindelijk de doelen van het GLB ondersteunen.
Om de niet-essentiële onderdelen van deze verordening aan te vullen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen. Om de rechtszekerheid te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om deze verordening aan te vullen met maatregelen die waarborgen dat de lidstaten zorgen voor interoperabiliteit en een naadloze uitwisseling van gegevens tussen informatiesystemen die worden gebruikt voor uitvoering, monitoring en evaluatie van het GLB.
Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het opstellen van de routekaart voor de totstandkoming en instandhouding van interoperabiliteit tussen informatiesystemen.
De Commissie moet de bevoegdheid worden verleend om onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast te stellen indien dwingende redenen van urgentie dit vereisen in naar behoren gemotiveerde gevallen waarin specifieke problemen moeten worden opgelost en de continuïteit van de inkomenssteun moet worden gewaarborgd. Ook moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast te stellen indien in naar behoren gemotiveerde omstandigheden buitengewone omstandigheden van invloed zijn op de toekenning van steun en de doeltreffende uitvoering van de in deze verordening vermelde interventies in gevaar brengen.
Om een soepele uitvoering van de beoogde maatregel te waarborgen, moet deze verordening met spoed in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp
Om een sterk, duurzaam en veerkrachtig gemeenschappelijk landbouwbeleid, voedselzekerheid in de Unie, generatievernieuwing en levendige plattelandsgebieden te waarborgen, worden in deze verordening specifieke voorwaarden vastgesteld voor de uitvoering van de steun van de Unie voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) overeenkomstig de algemene doelstelling die is neergelegd in artikel 2, punt c), van Verordening (EU) [...] [NRP].
Deze steun van de Unie wordt uit hoofde van het Fonds voor nationaal en regionaal partnerschap (het “Fonds”) verleend overeenkomstig de regels betreffende dat Fonds, die zijn neergelegd in Verordening (EU) [...] [NRP].
Artikel 2
Nationale aanbevelingen en sturing inzake het GLB
Vóór de indiening van de NRP-plannen door de lidstaten stelt de Commissie nationale aanbevelingen inzake het GLB vast, met voor elke lidstaat richtsnoeren voor de verwerking van de voor het GLB relevante specifieke doelstellingen van artikel 3, punt d), van Verordening (EU) [...] [NRP] in hun NRP-plannen overeenkomstig artikel 22 van die verordening. De nationale aanbevelingen inzake het GLB worden gebaseerd op het volgende:
levering van een bijdrage aan een billijk en toereikend inkomen voor landbouwers en hun concurrentievermogen op de lange termijn, met inbegrip van de positie van landbouwers in de waardeketen;
verbetering van de aantrekkelijkheid van het beroep en bevordering van generatievernieuwing;
intensivering van klimaatactie, levering van ecosysteemdiensten, circulaire oplossingen, instandhouding van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen, duurzame landbouw en verbetering van dierenwelzijn;
vergroting van de veerkracht, de paraatheid van landbouwers en hun vermogen om crises en risico’s te ondervangen;
verbetering van de toegang tot kennis en versnelling van innovatie en de digitale transitie voor een florerende agrovoedingssector.
De nationale aanbevelingen inzake het GLB kunnen zo nodig door de Commissie worden bijgewerkt.
De Commissie baseert de nationale aanbevelingen inzake het GLB op een analyse van de situatie van de landbouwsector en plattelandsgebieden, met inbegrip van demografische factoren, structurele en territoriale kenmerken en de voedselzekerheid in elke lidstaat.
In de nationale aanbevelingen inzake het GLB inventariseert de Commissie met name de belangrijkste uitdagingen die door elke lidstaat in zijn NRP-plan moeten worden opgenomen, op basis van de specifieke voor het GLB relevante doelstellingen die zijn omschreven in artikel 3, punt d), van Verordening (EU) [...] [NRP].
Artikel 3
Rentmeesterschap van landbouwbedrijven
Het rentmeesterschap van landbouwbedrijven omvat uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (RBE’s) die zijn opgenomen in deel A van bijlage I [bijlage met uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen], beschermingspraktijken die door de lidstaten in het NRP-plan zijn vastgesteld overeenkomstig lid 4 van dit artikel en deel C van bijlage I, en het stelsel van sociale conditionaliteit dat de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen omvat die zijn opgenomen in deel B van bijlage I.
Betalingen uit hoofde van de in artikel 5, lid 1, punten a) tot en met f), en punten o) en p), bedoelde interventies voor zover zij betrekking hebben op steun voor lokale landbouwproducten, moeten in overeenstemming zijn met een stelsel van beschermingspraktijken en uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen, die tezamen worden aangeduid met de term “rentmeesterschap van landbouwbedrijven”.
De lijst van uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de doelstellingen van beschermingspraktijken worden omschreven in bijlage I.
De in de delen A en C van bijlage I vermelde voorwaarden voor rentmeesterschap van landbouwbedrijven zijn echter niet van toepassing op landbouwers die steun uit hoofde van artikel 5, lid 1, punt g), ontvangen.
Steun waarvoor de voorwaarden van het rentmeesterschap van landbouwbedrijven gelden, wordt geacht in overeenstemming te zijn met het beginsel van “geen ernstige afbreuk doen” overeenkomstig artikel 33, lid 2, punt d), van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis” verstaan elke afzonderlijke in de delen A en B van bijlage I vermelde eis die in een gegeven in de delen A en B van bijlage I vermelde rechtshandeling wordt omschreven en wezenlijk verschilt van enige andere eis in dezelfde handeling.
De in bijlage I vermelde rechtshandelingen betreffende de uit regelgeving voortvloeiende beheerseisen zijn van toepassing in de toepasselijke versie en, in het geval van richtlijnen, zoals uitgevoerd door de lidstaten. Handelingen tot uitvoering van richtlijnen kunnen echter niet tot doel of tot gevolg hebben dat landbouwers of andere begunstigden zijn vrijgesteld van de in de delen A en B van bijlage I vermelde uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen.
De lidstaten stellen overeenkomstig deel C van bijlage I op nationaal of regionaal niveau beschermingspraktijken vast die in acht moeten worden genomen door landbouwers en andere begunstigden die de in lid 2 bedoelde steun ontvangen, om de volgende doelstellingen te verwezenlijken:
bescherming van koolstofrijke bodems, landschapskenmerken en blijvend grasland op landbouwareaal;
bescherming van bodems tegen erosie, behoud van het bodempotentieel, handhaving van organisch bodemmateriaal, onder andere door gewasrotatie of -diversificatie, alsmede bescherming tegen het verbranden van stoppels op bouwland;
bescherming van waterlopen en grondwater tegen verontreiniging en afspoeling.
De lidstaten nemen in het NRP-plan een beschrijving op van de beschermingspraktijken die zijn vastgesteld voor elk van de in lid 4 omschreven doelstellingen, waaronder het territoriale toepassingsgebied ervan en de landbouwers en andere begunstigden voor wie de praktijk geldt, alsmede een samenvatting van de beschermingspraktijk. Bij de vaststelling van de beschermingspraktijken houden de lidstaten zo veel mogelijk rekening met de in artikel 2 bedoelde nationale aanbevelingen inzake het GLB. De lidstaten stemmen de beschermingspraktijken af op de verschillende landbeheersystemen en milieu- en klimaatomstandigheden op hun grondgebied.
Landbouwers van wie het volledige bedrijf is gecertificeerd overeenkomstig Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad 12 worden geacht met betrekking tot de in lid 4, punten b) en c), omschreven doelstellingen te handelen in overeenstemming met de in de NRP-plannen uiteengezette beschermingspraktijken.
Bij het vaststellen van de in lid 4 bedoelde beschermingspraktijken kunnen de lidstaten in hun NRP-plan voorzien in specifieke vrijstellingen van die beschermingspraktijken op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals criteria inzake gewassen, bodemsoorten en landbouwsystemen of schade aan blijvend grasland door, onder andere, wilde dieren of invasieve soorten. Voor die specifieke vrijstellingen moet het areaal waarop zij betrekking hebben, worden beperkt, en zij mogen uitsluitend worden vastgesteld indien en voor zover zij noodzakelijk zijn om specifieke problemen bij de toepassing van die praktijken aan te pakken, mogen geen belemmering vormen voor de in lid 4 omschreven doelstellingen noch de mededinging verstoren.
De lidstaten kunnen tijdelijke afwijkingen van beschermingspraktijken verlenen indien weersomstandigheden landbouwers en andere begunstigden verhinderen om deze praktijken uit te voeren of indien de uitvoering van die beschermingspraktijken de in lid 4 omschreven doelstellingen bemoeilijkt. De lidstaten zorgen dat de reikwijdte en de duur van de tijdelijke afwijkingen worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is, dat zij worden verleend op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en dat zij de verwezenlijking van de in lid 4 omschreven doelstellingen niet bemoeilijken noch de mededinging verstoren.
De lidstaten kunnen erkenning verlenen voor beheerspraktijken uit hoofde van de in artikel 10, lid 1, punt a), bedoelde agromilieu- en klimaatacties die op gelijkwaardige wijze aan de verwezenlijking van de in lid 4 van dit artikel omschreven doelstellingen bijdragen, als de relevante beschermingspraktijken die in het NRP-plan uit hoofde van dat lid zijn opgesteld. De lidstaten kunnen landbouwers en andere begunstigden die zich ertoe verbinden om deze gelijkwaardige praktijken uit te voeren, beschouwen als handelend in overeenstemming met de desbetreffende beschermingspraktijk.
Artikel 4
Prioriteitsgebieden in verband met milieu en klimaat
De lidstaten verlenen landbouwers en andere begunstigden steun op ten minste elk van de volgende prioriteitsgebieden in verband met milieu en klimaat:
waterweerbaarheid en aanpassing aan klimaatverandering;
beperking van klimaatverandering, waaronder verwijdering van koolstofdioxide, en productie van hernieuwbare energie op landbouwbedrijven, waaronder de productie van biogas;
bodemgezondheid;
behoud van biodiversiteit, waaronder instandhouding van habitats of soorten, landschapselementen, vermindering van het gebruik van pesticiden;
ontwikkeling van biologische landbouw;
diergezondheid en dierenwelzijn.
Lidstaten met gebieden waar water is verontreinigd als gevolg van een nitraatoverschot, verlenen landbouwers steun voor extensivering van veehouderijsystemen of voor diversificatie naar andere landbouwactiviteiten.
Voor elk van de in lid 1 bedoelde prioriteitsgebieden wordt steun verleend onder de in de artikelen 9, 10, en 13 vastgestelde voorwaarden.
Artikel 5
Soorten steun
De volgende GLB-interventies worden onderscheiden:
degressieve areaalgebonden inkomenssteun;
gekoppelde inkomenssteun;
gewasspecifieke betaling voor katoen;
betaling voor natuurlijke en andere gebiedsspecifieke beperkingen;
steun voor nadelen als gevolg van bepaalde verplichte vereisten;
agromilieu- en klimaatacties;
betalingen aan kleine landbouwers;
steun voor risicobeheersinstrumenten;
investeringssteun voor landbouwers en bosbezitters;
steun voor vestiging van jonge landbouwers en nieuwe landbouwers, het opstarten van plattelandsbedrijven, en ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven;
steun voor bedrijfsverzorgingsdiensten;
Leader;
steun voor kennisoverdracht en innovatie in de landbouw, de bosbouw en plattelandsgebieden;
territoriale en lokale samenwerkingsinitiatieven;
interventies in ultraperifere gebieden;
interventies op kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;
de schoolregeling van de Unie als bedoeld in deel II, titel I, hoofdstuk II bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad 13 ;
interventies in bepaalde sectoren als bedoeld in deel II, titel I, hoofdstuk II bis, van Verordening (EU) nr. 1308/2013;
crisisbetalingen aan landbouwers.
Interventies als bedoeld in lid 1, punten a) tot en met k), en interventies in bepaalde sectoren als bedoeld in deel II, titel I, hoofdstuk II bis, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 zijn inkomenssteuninterventies die uit het Fonds moeten worden gefinancierd overeenkomstig artikel 10, lid 2, punt a), tweede alinea, van Verordening (EU) [...] [NRP].
De productie van henneprassen met een gehalte aan tetrahydrocannabinol (THC) van meer dan 0,3 % komt niet in aanmerking voor steun uit hoofde van deze verordening.
Artikel 6
Degressieve areaalgebonden inkomenssteun
De lidstaten verlenen landbouwers areaalgebonden inkomenssteun voor subsidiabele hectaren om inkomensbehoeften te vervullen.
De betaling per subsidiabele hectare wordt gedifferentieerd naar groepen landbouwers of geografische gebieden op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria. De groepen landbouwers of de geografische gebieden op basis waarvan betalingen worden gedifferentieerd, worden vastgesteld aan de hand van het inkomen van landbouwers uit landbouwactiviteiten in een representatieve referentieperiode.
Wanneer zij betalingen differentiëren, richten de lidstaten de steun op de landbouwers die deze het meest nodig hebben, waaronder met name jonge en nieuwe landbouwers, vrouwen, gezins- of kleine landbouwers, landbouwers die de productie van gewassen combineren met veeteelt, of landbouwers met overeenkomstig artikel 8 bepaalde natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen.
Differentiatie van betalingen kan plaatsvinden in de vorm van jaarlijkse forfaitaire betalingen die geheel of gedeeltelijk in de plaats komen van de areaalgebonden inkomenssteun per subsidiabele hectare. De lidstaten verhogen de steun per subsidiabele hectare die aan jonge landbouwers wordt toegekend.
Het overeenkomstig lid 2 vastgestelde totale bedrag aan betalingen per landbouwer is degressief overeenkomstig de volgende regels:
De lidstaten verlagen de aan een landbouwer toe te kennen jaarlijkse areaalgebonden inkomenssteun boven 20 000 EUR met 25 % indien de aan een landbouwer toegekende areaalgebonden inkomenssteun meer dan 20 000 EUR en hoogstens 50 000 EUR bedraagt.
De lidstaten verlagen de aan een landbouwer toe te kennen jaarlijkse areaalgebonden inkomenssteun boven 50 000 EUR met 50 % indien de aan een landbouwer toegekende areaalgebonden inkomenssteun meer dan 50 000 EUR en niet meer dan 75 000 EUR bedraagt.
De lidstaten verlagen de aan een landbouwer toe te kennen jaarlijkse areaalgebonden inkomenssteun boven 75 000 EUR met 75 % indien de aan een landbouwer toegekende areaalgebonden inkomenssteun meer dan 75 000 EUR bedraagt.
Het totale bedrag aan areaalgebonden inkomenssteun bedraagt niet meer dan ten hoogste 100 000 EUR per landbouwer per jaar. In het geval van een rechtspersoon of een groep rechtspersonen, heeft de plafonnering betrekking op alle bedrijven waarover één rechtspersoon of natuurlijk persoon de zeggenschap heeft.
De lidstaten zorgen dat de steun uit hoofde van dit artikel in de eerste plaats wordt gericht op landbouwers die op hun bedrijf een landbouwactiviteit uitoefenen en actief bijdragen aan de voedselzekerheid. Kleine landbouwers die landbouw niet als hoofdactiviteit uitoefenen, maar ten minste een door de lidstaten omschreven minimum aan landbouwactiviteiten uitoefenen, worden eveneens beschouwd als landbouwers.
De lidstaten zorgen ervoor dat uiterlijk in 2032 aanvragers die de in het nationale recht vastgestelde pensioengerechtigde leeftijd bereiken, en aanvragers die een ouderdomspensioen ontvangen, niet langer steun uit hoofde van dit artikel ontvangen.
De lidstaten waarborgen dat een subsidiabele hectare uitsluitend areaal omvat waarover de landbouwer kan beschikken en dat bestaat uit:
landbouwareaal waarop een landbouwactiviteit wordt uitgeoefend waarover de landbouwer de zeggenschap heeft ten aanzien van het beheer, de opbrengsten en de financiële risico’s. Indien op dit areaal ook niet-agrarische activiteiten worden uitgeoefend, moet de landbouwactiviteit het belangrijkst zijn;
areaal waarvoor steun wordt verleend uit hoofde van artikel 5, lid 1, punten a) en g), of in het kader van de basisinkomenssteun voor duurzaamheid uit hoofde van titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115, indien er geen landbouwactiviteit plaatsvindt als gevolg van verbintenissen en verplichtingen die voortvloeien uit interventies van de Unie of uit nationale interventies of andere programma’s die bijdragen tot de in artikel 4 bedoelde prioriteitsgebieden van het GLB in verband met milieu en klimaat;
de lidstaten kunnen besluiten om onder een “subsidiabele hectare” ook landschapselementen te verstaan die niet onder de in punt b) bedoelde verbintenissen en regelingen vallen, mits deze landschapselementen de resultaten van de landbouwactiviteit niet in aanzienlijke mate belemmeren en niet overheersend zijn op het landbouwperceel.
Artikel 7
Betaling voor kleine landbouwers
De lidstaten verlenen inkomenssteun aan kleine landbouwers, zoals bepaald door de lidstaten, ter vervanging van de steun uit hoofde van de in artikel 5, lid 1, punten a), b) en d), bedoelde interventies. De lidstaten ontwerpen de interventie in het NRP-plan op zodanige wijze dat zij facultatief is voor landbouwers.
De lidstaten zorgen ervoor dat de steun uit hoofde van dit artikel in de eerste plaats wordt gericht op landbouwers die op hun bedrijf een landbouwactiviteit uitoefenen en actief bijdragen aan voedselzekerheid.
De jaarlijkse betaling voor elke kleine landbouwer bedraagt ten hoogste 3 000 EUR.
De lidstaten kunnen uit hoofde van dit artikel toegekende steun differentiëren voor verschillende groepen landbouwers of geografische gebieden.
Artikel 8
Betaling voor natuurlijke beperkingen of andere gebiedsspecifieke beperkingen
De lidstaten verlenen steun om landbouwers te compenseren voor natuurlijke beperkingen of andere gebiedsspecifieke beperkingen.
De betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen en andere specifieke beperkingen kan plaatsvinden voor gebieden die:
zijn aangewezen krachtens artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad 14 ;
nieuw zijn aangewezen met het oog op door de lidstaten omschreven specifieke beperkingen en in het NRP-plan zijn opgenomen.
De lidstaten kunnen een extra selectie toepassen om gebieden binnen de overeenkomstig de eerste alinea, punten a) en b), aangewezen gebieden uit te sluiten onder de voorwaarden van artikel 32, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013.
De oppervlakte van de overeenkomstig de eerste alinea, punt b), aangewezen gebieden mag niet groter zijn dan 2 % van het gebruikt landbouwareaal in de desbetreffende lidstaat.
De betalingen per subsidiabele hectare beperken zich tot de extra kosten of tot het verlies aan inkomen in verband met de uitoefening van landbouwproductie in de aangewezen gebieden in vergelijking met de productie in niet-aangewezen gebieden.
Artikel 9
Steun voor nadelen als gevolg van bepaalde verplichte vereisten
De lidstaten kunnen in landbouw- en bosgebieden areaalgebonden steun verlenen voor nadelen als gevolg van de uitvoering van:
De lidstaten kunnen besluiten om niet alleen voor de in de eerste alinea, punt a), bedoelde gebieden steun te verlenen, maar ook voor andere afgebakende natuurbeschermingsgebieden met milieubeperkingen voor de land- of bosbouw die bijdragen tot de uitvoering van artikel 10 van Richtlijn 92/43/EEG, mits die gebieden niet groter zijn dan 5 % van de oppervlakte van de aangewezen Natura 2000-gebieden die onder het NRP-plan vallen.
Betalingen uit hoofde van dit artikel kunnen worden toegekend aan landbouwers, bosbezitters en hun organisaties.
De lidstaten kunnen betalingen uit hoofde van dit artikel uitsluitend toekennen om begunstigden te compenseren voor de extra kosten en het inkomensverlies, of een deel daarvan, in verband met de naleving van verplichte vereisten die voortvloeien uit de uitvoering van de in lid 1, eerste alinea, genoemde handelingen van de Unie en bepalingen, met inbegrip van transactiekosten.
Artikel 10
Agromilieu- en klimaatacties
De lidstaten geven stimulansen voor de volgende acties die bevorderlijk zijn voor het klimaat, het milieu, de diergezondheid en het dierenwelzijn en duurzame bosbouw:
vrijwillige beheersverbintenissen die zijn aangegaan door landbouwers en andere begunstigden, waaronder verbintenissen voor de instandhouding van biologische landbouw en de extensivering van veeteelt, die zijn opgesteld en uitgevoerd overeenkomstig lid 3;
vrijwillige transitie naar veerkrachtige productiesystemen die door landbouwers wordt uitgevoerd op het niveau van het bedrijf of een deel daarvan, waaronder omschakeling naar productiesystemen met biologische landbouw en extensivering van veeteelt, opgesteld en uitgevoerd overeenkomstig lid 4.
Elke lidstaat verleent steun aan productiesystemen met overeenkomstig Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad 18 gecertificeerde biologische landbouw en extensieve veeteelt in het kader van beide in lid 1 genoemde soorten actie.
De in lid 1, punt a), bedoelde beheersverbintenissen kunnen een looptijd van een of meerdere jaren hebben en kunnen meer in het bijzonder de volgende doelstellingen nastreven:
bescherming van waterkwaliteit en vermindering van de druk op watervoorraden, bescherming van de bodem, nutriëntenbeheer, instandhouding van biodiversiteit, waaronder landschapselementen, en vermindering van het gebruik van pesticiden;
beperking van klimaatverandering, bijvoorbeeld door koolstofvastlegging of vermindering van broeikasgasemissies, en aanpassing aan klimaatverandering, waaronder bevordering van de diversiteit aan dieren en planten voor veerkrachtige ecosystemen;
diergezondheid en dierenwelzijn, waaronder de bestrijding van resistentie tegen antimicrobiële stoffen;
duurzaam gebruik en ontwikkeling van genetische hulpbronnen; of
bosmilieudiensten en bosinstandhouding.
Steun voor de in lid 1, punt b), bedoelde transitiemaatregelen wordt toegekend op basis van een actieplan voor transitie dat door een landbouwer wordt opgesteld en door de lidstaat wordt goedgekeurd. Ten behoeve van de uitvoering van de steun voor in lid 1, punt b), bedoelde transitiemaatregelen omschrijven de lidstaten in het NRP-plan de productiesystemen die zij gunstig voor het klimaat en het milieu achten.
De lidstaten betalen de steun aan landbouwers gedurende de uitvoeringsperiode van het actieplan voor transitie uit in tranches. De laatste tranche wordt pas uitbetaald wanneer het actieplan voor transitie volledig is uitgevoerd. De lidstaten zorgen ervoor dat de betalingen worden teruggevorderd indien de landbouwer het actieplan voor transitie niet uitvoert.
De lidstaten kennen uitsluitend steun toe voor in lid 1, punt a), bedoelde beheersverbintenissen die verder gaan dan de desbetreffende in deel A van bijlage I bedoelde uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de toepasselijke minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, vereisten voor dierenwelzijn en andere toepasselijke vereisten zoals vastgesteld in het nationale recht en het Unierecht.
Indien de vereisten van het nationale recht echter verder gaan dan de desbetreffende bindende minimumvereisten van het Unierecht, kan steun worden toegekend aan in lid 1, punt a), bedoelde beheerverbintenissen die bijdragen aan de naleving van die vereisten.
Artikel 11
Gekoppelde inkomenssteun
De lidstaten verlenen gekoppelde inkomenssteun aan landbouwers in specifieke agrarische sectoren en voor specifieke producten, in voorkomend geval gedefinieerd overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, of aan specifieke soorten landbouw daarbinnen, die in moeilijkheden verkeren en om sociaal-economische of milieuredenen van belang zijn.
Gekoppelde inkomenssteun wordt verleend in de vorm van een jaarlijkse betaling per subsidiabele hectare of per dier of dierequivalent, gedefinieerd overeenkomstig bijlage II.
De lidstaten kunnen steun in de vorm van een betaling per hectare alleen toekennen voor gebieden die zij overeenkomstig artikel 6, lid 7, hebben aangemerkt als subsidiabele hectaren.
Steun die als betaling per hectare wordt toegekend, kan ook steun voor hakhout met korte omlooptijd en grassen en andere kruidachtige voedergewassen omvatten. Aan de sectoren tabak en wijn wordt geen steun toegekend.
Steun die als betaling per dier wordt toegekend, wordt beperkt tot de sectoren rundvlees, melk en melkproducten, vlees van schapen en geiten, producten van de bijenteelt, en zijderupsen.
De in lid 1 bedoelde steun komt, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, tegemoet aan aanvullende inkomensbehoeften.
In hun plannen voor de in lid 1 bedoelde steun beperken de lidstaten de mogelijke effecten van hun steunbesluiten op de interne markt zoveel mogelijk.
Bij de verlening van steun die als betaling per dier aan de veehouderijsectoren wordt toegekend, houden de lidstaten rekening met milieueffecten, onder meer door het vaststellen van criteria voor de maximale veebezetting in voor nitraten kwetsbare gebieden.
Artikel 12
Steun voor deelname aan risicobeheersinstrumenten
De lidstaten verlenen landbouwers steun voor deelname aan risicobeheersinstrumenten. De lidstaten zorgen ervoor dat enkel steun wordt toegekend voor verliezen boven een drempel van ten minste 20 % van de gemiddelde jaarproductie of het gemiddelde jaarinkomen van de landbouwer in de voorgaande drie jaar, of de gemiddelde productie of het gemiddelde inkomen over drie van de voorgaande vijf jaren, de/het hoogste en laagste productie/inkomen niet meegerekend.
In afwijking van de eerste alinea worden lidstaten die in het NRP-plan aantonen dat zij beschikken over nationale systemen die voorzien in risicodekking voor landbouwers, vrijgesteld van de verplichting om in hun NRP-plan interventies voor risicobeheersinstrumenten uit hoofde van dit artikel op te nemen.
Met sectorale beheersinstrumenten voor productierisico’s worden de verliezen berekend op ofwel het niveau van het bedrijf, ofwel het niveau van de activiteit van het bedrijf in de betrokken sector of met betrekking tot het specifieke verzekerde areaal.
Voor blijvende teelten en in andere gemotiveerde gevallen waarvoor de in de eerste alinea bedoelde berekeningsmethoden niet passend zijn, kunnen de lidstaten voorzien in een methode voor de berekening van de verliezen op basis van de gemiddelde jaarproductie of het gemiddelde jaarinkomen van de landbouwer over een periode van ten hoogste acht jaar, de/het hoogste en laagste productie/inkomen niet meegerekend.
De lidstaten kunnen een passende alternatieve methode voor de berekening van de verliezen toepassen voor jonge landbouwers en nieuwe landbouwers.
De lidstaten stellen in hun NRP-plan de methodiek voor de berekening van verliezen vast, evenals factoren die een grond voor compensatie vormen. De lidstaten zorgen dat overcompensatie als gevolg van de combinatie van de in dit artikel bedoelde interventies met andere publieke en particuliere risicobeheerregelingen wordt vermeden.
Artikel 13
Investeringssteun voor landbouwers en bosbezitters
De lidstaten kennen uit hoofde van dit artikel steun toe voor productieve en niet-productieve investeringen waarmee een passende totale bijdrage wordt geleverd aan de veerkracht van de landbouw, voedselsystemen, bosbouw en plattelandsgebieden, en met name aan klimaat- en waterweerbaarheid. De lidstaten lichten in hun NRP-plannen toe op welke wijze zij die steun zullen toekennen.
Voor bedrijven boven een bepaalde, door de lidstaten in hun NRP-plannen te bepalen omvang, wordt steun aan de bosbouwsector uitsluitend verleend indien de desbetreffende informatie wordt verstrekt uit een bosbeheerplan of een soortgelijk instrument dat in overeenstemming is met het duurzame beheer van bossen zoals gedefinieerd in de meest recente versie van de “General Guidelines for the Sustainable Management of Forests in Europe” (algemene richtsnoeren voor het duurzame beheer van bossen in Europa) van Forest Europe.
Steun voor investeringen in het herstel van productiepotentieel van de land- of bosbouw dat is aangetast door natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden of rampzalige gebeurtenissen, wordt enkel toegekend wanneer ten gevolge van de desbetreffende gebeurtenis ten minste 30 % van het productiepotentieel van de landbouw of ten minste 20 % van het productiepotentieel van de bosbouw verloren is gegaan.
De lidstaten stellen een lijst op van niet-subsidiabele investeringen en uitgavencategorieën, waaronder in ieder geval moeten worden verstaan:
de aankoop van landbouwproductierechten;
de aankoop van land voor een bedrag van meer dan 10 % van de totale subsidiabele uitgaven voor de betrokken verrichting, met uitzondering van de aankoop van land ten behoeve van milieubehoud en het behoud van koolstofrijke bodems;
de aankoop van dieren, en de aankoop van eenjarige gewassen alsook het planten daarvan voor een ander doel dan:
herstel van het landbouw- of bosbouwpotentieel na natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden of rampzalige gebeurtenissen;
bescherming van vee tegen grote roofdieren of van vee dat in de bosbouw in plaats van machines wordt gebruikt;
opfok van met uitsterven bedreigde rassen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 24), van Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad 19 in het kader van de in artikel 10, lid 1, punt a), bedoelde beheersverbintenissen;
opfok van raszuivere runderen, schapen of geiten van hoge genetische waarde voor fokdoeleinden om de kwaliteit en de productiviteit van veestapels te vergroten of om zeldzame of lokale rassen te behouden;
instandhouding van met genetische erosie bedreigde plantenrassen in het kader van de in artikel 10, lid 1, punt a), bedoelde verbintenissen;
rente op schulden, behalve met betrekking tot subsidies die zijn verleend in de vorm van een rentesubsidie of een subsidie voor garantievergoedingen.
In afwijking van lid 4, punten a), b), en c), is dat vereiste niet van toepassing indien de steun wordt verleend door middel van financieringsinstrumenten.
Indien het Unierecht resulteert in nieuwe vereisten voor landbouwers, kan tot uiterlijk 36 maanden na de datum waarop de nieuwe vereisten voor het betrokken bedrijf van kracht zijn geworden, steun worden verstrekt voor investeringen om aan die vereisten te voldoen.
De lidstaten kunnen uit hoofde van dit lid enkel betalingen toekennen om begunstigden te compenseren voor de extra kosten, of een deel daarvan, die verband houden met de naleving van die vereisten.
Voor jonge landbouwers die voor het eerst een landbouwbedrijf vestigen als hoofd van het bedrijf, kan tot uiterlijk 36 maanden na de datum van vestiging, of totdat de acties als omschreven in het in artikel 14, lid 3, bedoelde bedrijfsplan zijn voltooid, steun worden verstrekt voor investeringen om aan de vereisten van het Unierecht te voldoen. De lidstaten kunnen uit hoofde van dit lid enkel betalingen toekennen om begunstigden te compenseren voor de extra kosten, of een deel daarvan, die verband houden met de naleving van die vereisten.
Artikel 14
Vestiging van jonge landbouwers, het opstarten van plattelandsbedrijven en ontwikkeling
van kleine landbouwbedrijven
De lidstaten verlenen steun voor de vestiging van jonge landbouwers en het opstarten van plattelandsbedrijven, met inbegrip van de vestiging van nieuwe landbouwers, onder de voorwaarden die zijn neergelegd in dit artikel en nader zijn uitgewerkt in hun NRP-plannen.
De lidstaten kunnen steun uit hoofde van dit artikel enkel verstrekken ter bevordering van:
de vestiging van jonge landbouwers die voldoen aan de voorwaarden die de lidstaten hebben vastgesteld in hun NRP-plannen overeenkomstig artikel 4, lid 22, punt d), van Verordening (EU) [...] [NRP];
het opstarten van plattelandsbedrijven die verband houden met land- of bosbouw, met inbegrip van de vestiging van nieuwe landbouwers, of de diversificatie van inkomens van landbouwhuishoudens naar niet-landbouwgerelateerde activiteiten;
het opstarten van plattelandsbedrijven;
de zakelijke ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven, zoals bepaald door de lidstaten.
De lidstaten stellen voorwaarden vast voor de indiening en de inhoud van bedrijfsplannen die begunstigden moeten overleggen om steun in het kader van dit artikel te kunnen ontvangen.
De lidstaten verstrekken de steun in de vorm van vaste bedragen, van financieringsinstrumenten of van een combinatie van beide. De steun bedraagt maximaal 300 000 EUR en kan worden gedifferentieerd op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria.
Artikel 15
Strategie voor generatievernieuwing
De lidstaten stellen in hun NRP-plan een strategie voor generatievernieuwing in de landbouw vast om de effectiviteit en de samenhang van op jonge landbouwers gerichte interventies uit hoofde van deze verordening te verbeteren, alsmede nationale initiatieven. De strategie omvat:
een beoordeling van de huidige demografische situatie in de landbouwsector;
een overzicht van belemmeringen voor de toegang van jonge landbouwers, en van voorgestelde nationale initiatieven en maatregelen om deze belemmeringen weg te nemen;
een beschrijving van de wijze waarop het in artikel 16 bedoelde starterspakket voor jonge landbouwers in de nationale context zal worden gebruikt;
synergieën tussen in het NRP-plan omschreven maatregelen die aan generatievernieuwing bijdragen.
Artikel 16
Starterspakket voor jonge landbouwers
Het starterspakket voor jonge landbouwers omvat een aantal van de volgende maatregelen, aansluitend bij de in artikel 15 bedoelde strategie voor generatievernieuwing:
steun voor de vestiging van jonge landbouwers overeenkomstig artikel 14;
degressieve areaalgebonden inkomenssteun voor jonge landbouwers overeenkomstig artikel 6;
steun voor kleine landbouwers overeenkomstig artikel 7, gericht op jonge landbouwers;
investeringssteun met een hogere steunintensiteit voor jonge landbouwers;
mogelijkheden voor de financiering van investeringen van jonge landbouwers via de financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 71 van Verordening (EU) [...] [NRP];
steun voor het opstarten van plattelandsbedrijven;
samenwerkingsinterventies voor bevordering van de toegang tot innovatie via de projecten van de operationele groepen van het EIP-AGRI overeenkomstig artikel 19 van deze verordening en artikel 74 van Verordening (EU) [...] [NRP];
samenwerkingsinterventies ter bevordering van intergenerationele samenwerking, waaronder bedrijfsopvolging, overeenkomstig artikel 74 van Verordening (EU) [...] [NRP];
steun voor bedrijfsverzorgingsdiensten overeenkomstig artikel 17;
toegang tot adviesdiensten en opleidingsprogramma’s die zijn afgestemd op de behoeften van jonge landbouwers, overeenkomstig artikel 20.
De lidstaten integreren in het ontwerp van de in lid 1 bedoelde maatregelen koppelingen en synergieën met andere maatregelen uit hun NRP-plannen, met name ten aanzien van maatregelen ter bevordering van intergenerationele opvolging en generatievernieuwing, investeringen voor het opstarten van plattelandsbedrijven, of toegang tot en gebruik van financieringsinstrumenten.
Om de toegang tot de in lid 1 bedoelde interventies te bevorderen, stellen de lidstaten een centraal toegangspunt voor jonge landbouwers in, dat onder meer informatie kan verstrekken over steunmogelijkheden en -procedures en de toegang tot en vestiging in de landbouwsector kan bevorderen, onder meer met betrekking tot de indiening van financieringsaanvragen en begeleiding.
Artikel 17
Bedrijfsverzorgingsdiensten
De lidstaten kunnen steun verlenen voor bedrijfsverzorgingsdiensten, zodat landbouwers verlof kunnen opnemen in geval van ziekte, bevalling, zorg voor kinderen en andere familieleden, vakantie en soortgelijke levensgebeurtenissen, maar ook deel kunnen nemen aan opleidingen, zoals nader uitgewerkt in hun NRP-plannen.
Deze steun wordt beperkt tot het opzetten van bedrijfsverzorgingsdiensten en tot de loonkosten van de personen die de bedrijfsleider gedurende een beperkte periode vervangen.
Artikel 18
Leader
De lidstaten verlenen voor Leader steun voor het voorbereiden en uitvoeren van lokale ontwikkelingsstrategieën in het kader van Leader onder de voorwaarden van artikel 76 van Verordening (EU) [...] [NRP], zoals nader uitgewerkt in hun NRP-plannen.
De lidstaten ondersteunen Leader in ieder geval in plattelandsgebieden met specifieke nadelen zoals door de lidstaten gedefinieerd in de NRP-plannen.
De lidstaten verlenen via Leader steun aan projecten die door lokale actiegroepen worden uitgevoerd op het gebied van startende ondernemingen, het vermogen om bij transformaties toegevoegde waarde te creëren, diversificatie van bedrijfsactiviteiten, waaronder naar agrotoerisme, rechtstreekse verkoop van landbouwproducten, en innovatie.
Via Leader verleende steun wordt met name gericht op domeinen van de plattelandsontwikkeling met toegevoegde waarde voor landbouwers en bosbezitters, waaronder de maatschappelijke, ecologische, digitale en economische transformatie van plattelandsgebieden, verbetering van het welzijn van plattelandsbewoners, en versterking van sociaal kapitaal.
Artikel 19
Steun voor kennisoverdracht en innovatie in land- en bosbouw en plattelandsgebieden
De lidstaten verlenen steun voor kennisoverdracht en innovatie in de landbouw, de bosbouw en plattelandsgebieden onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden. De lidstaten verlenen steun:
voor de voorbereiding en de uitvoering van de projecten van de operationele groepen van het EIP-AGRI en voor acties die ervoor moeten zorgen dat de resultaten van de projecten op grotere schaal zullen worden gebruikt;
voor acties ter bevordering van innovatie, opleiding en advies, ontwikkeling van vaardigheden, adviesdiensten en andere vormen van kennisoverdracht en verspreiding van informatie.
Steun voor adviesdiensten wordt enkel verstrekt voor adviesdiensten die voldoen aan artikel 20, lid 3.
Het EIP-AGRI streeft naar versnelling van de ontwikkeling en de marktacceptatie van innovaties door de uitwisseling van kennis te verbeteren en synergieën tussen beleid, actoren en instrumenten in de landbouw, de bosbouw en in plattelandsgebieden te bevorderen. De resultaten hiervan worden verspreid en versterkt door middel van het kennis- en innovatiesysteem voor de landbouw (AKIS).
Het EIP-AGRI:
ondersteunt samenwerkingsprojecten voor innovatie middels operationele groepen op basis van het in lid 4 bedoelde “interactieve innovatiemodel”;
koppelt onderzoek en de praktijk in land- en bosbouw, en informeert de wetenschappelijke gemeenschap over de behoeften van deze praktijken;
verbindt partijen en projecten op het gebied van innovatie, met name via de GLB-netwerken van de Unie en de nationale GLB-netwerken;
bevordert de toepassing van innovatieve oplossingen door informatie en kennis te verspreiden, onder meer door middel van directe contacten tussen landbouwers.
De door de operationele groepen van het EIP-AGRI uitgevoerde projecten worden gebaseerd op het “interactieve innovatiemodel”, dat in overeenstemming is met de volgende beginselen:
ontwikkelen van innovatieve oplossingen die zijn gericht op de specifieke behoeften van landbouwers, bosbezitters en plattelandsactoren;
samenbrengen van partners met complementaire kennis, waaronder wetenschappers, onderzoekers en de landbouwgemeenschap en indien relevant actoren uit de voedselketen, en waarborgen van hun actieve betrokkenheid bij projecten;
de projecten worden gezamenlijk opgezet en geleid door de bij die projecten betrokken actoren en worden uitgevoerd op basis van overleg, waarbij ook het potentieel voor opschaling in aanmerking wordt genomen.
De lidstaten zorgen ervoor dat de belangrijkste resultaten van de in dit lid bedoelde projecten worden verspreid via op de praktijk gerichte kanalen, waaronder de nationale GLB-netwerken en de netwerken van het GLB op het niveau van de Unie. De verspreide informatie bestaat onder meer uit de doelstellingen van de projecten, de deelnemende partners, de belangrijkste thematische gebieden die worden bestreken, de geografische locatie van het project, het totale budget en de uiteindelijke resultaten van het project, met specifieke aandacht voor de ontwikkelde praktische innovatieve oplossingen.
De lidstaten kunnen onder de volgende voorwaarden steun toekennen aan projecten van operationele groepen van het EIP-AGRI:
steun mag uitsluitend worden toegekend op basis van een goedgekeurd projectplan dat is gebaseerd op de in lid 3 bedoelde beginselen;
de operationele groep die het project uitvoert, betrekt daarbij ten minste twee verschillende actoren en draagt bij tot een of meer met het GLB verband houdende specifieke doelstellingen van artikel 3, punt d), van Verordening (EU) [...] [NRP];
De lidstaten stellen objectieve criteria en transparante vereisten vast voor de inhoud, de looptijd en de indiening en goedkeuring van de door de operationele groepen van het EIP-AGRI op te stellen projectplannen.
De lidstaten verlenen geen steun uit hoofde van dit artikel aan kennisuitwisseling en innovatie waarbij uitsluitend onderzoeksinstellingen zijn betrokken.
Artikel 20
Kennis- en innovatiesystemen en bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw
Elke lidstaat zorgt ervoor dat landbouwers en bosbezitters toegang tot innovatie hebben, en dat nieuwe kennis hen tijdig en op effectieve wijze bereikt, zodat zij innovatieve en duurzame oplossingen doeltreffend in de praktijk kunnen brengen en actuele kennis in de landbouwsector kunnen benutten.
Om aan het vereiste van lid 1 te voldoen, stelt elke lidstaat in het NRP-plan vast op welke wijze innovaties en actuele kennis landbouwers zullen bereiken, in het bijzonder via het AKIS. Het AKIS omvat:
regelingen voor doeltreffende kennisstromen en synergieën tussen adviseurs, onderzoekers, beroepsbeoefenaren, nationale GLB-netwerken en andere relevante belanghebbenden;
acties voor betere toegang van landbouwers en bosbezitters tot onpartijdig en gekwalificeerd advies;
steun voor innovatie in het kader van de bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw, en met name steun voor de in artikel 19 bedoelde operationele groepen van het EIP-AGRI, onder meer voor het gebruik van het in artikel 19, lid 4, bedoelde “interactieve innovatiemodel”;
een plan voor het verbeteren van de grootschalige verspreiding en demonstratie van onderzoeksresultaten en innovatieve en duurzame oplossingen bij landbouwers, bosbezitters en andere eindgebruikers;
in het NRP-plan omschreven interventies ter ondersteuning van de werking van het AKIS, waaronder met name de in artikel 19 bedoelde interventies, en de complementariteit en samenhang ervan met relevante nationale initiatieven en andere relevante maatregelen als omschreven in het NRP-plan;
een systeem voor het aanbieden van bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw, opgezet overeenkomstig lid 3.
In het kader van het AKIS beschrijven de lidstaten in de NRP-plannen een systeem voor het verlenen van bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw dat zal worden opgezet om de toegang tot kennis en de invoering en het gebruik op grotere schaal van innovatie te ondersteunen, en brengen zij dat systeem tot uitvoering. De bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw omvatten alle volgende elementen:
advisering van landbouwers en bosbezitters op het gebied van duurzaam en veerkrachtig beheer van land, landbouwbedrijven en bossen, afgestemd op soorten landbouwbedrijven en verschillende productiesystemen, en met betrekking tot de vereisten voor steun uit de NRP-plannen, onder meer ten aanzien van rentmeesterschap van landbouwbedrijven en het opzetten en overdragen van bedrijven en startende ondernemingen; bedrijfsvoering, toegang tot maatschappelijke ondersteuning, bewustwording op het gebied van geestelijke gezondheid en beschikbaarheid van de relevante diensten; en het gebruik van innovaties, datagestuurde oplossingen en digitale instrumenten;
gerichte advisering van jonge landbouwers, met name ten aanzien van bedrijfsvoering, toegang tot financiering, toegang tot overheidssteun, en toegang tot kennis en innovatie.
De lidstaten zorgen ervoor dat landbouwers en bosbezitters rechtstreeks toegang hebben tot adviseurs, onder meer door openbare databanken met de contactgegevens van adviseurs aan te bieden. De lidstaten zorgen ervoor dat het aan landbouwers en bosbezitters verstrekte advies onpartijdig is en dat adviseurs naar behoren gekwalificeerd en vrij van belangenconflicten zijn.
Artikel 21
Voor gegevensbeheer in het kader van het GLB verantwoordelijke autoriteit
Elke lidstaat wijst één autoriteit aan die verantwoordelijk is voor het treffen of coördineren van acties om nationale en grensoverschrijdende interoperabiliteit tot stand te brengen en te handhaven tussen informatiesystemen die worden gebruikt voor de uitvoering, administratie, monitoring en evaluatie van het GLB ten behoeve van landbouwers en andere GLB-begunstigden. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder interoperabiliteit verstaan het vermogen van informatiesystemen om onderlinge interactie tot stand te brengen door de elektronische uitwisseling van gegevens.
De aangewezen autoriteit heeft met name de volgende taken:
opstellen en bij de Commissie indienen van een routekaart op het niveau van de lidstaat om interoperabiliteit tot stand te brengen en te handhaven (hierna de “routekaart” genoemd) en opvolgen van opmerkingen van de Commissie over de routekaart;
coördineren van de uitvoering of, als de lidstaat daartoe besluit, uitvoeren van de routekaart op een doelmatige, doeltreffende en tijdige wijze.
De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op [OPOCE: [within three months from the entry into force of this Regulation] in kennis van de aanwijzing van de autoriteit.
De in lid 2 bedoelde routekaart omvat:
een overzicht van behoeften in verband met de totstandbrenging en handhaving van interoperabiliteit als bedoeld in lid 1, en een ontwerp van maatregelen om aan deze behoeften te voldoen, evenals een tijdschema met mijlpalen en doelen voor de uitvoering ervan;
een overzicht van mogelijke synergieën met andere interoperabiliteitsinitiatieven op nationaal en Unieniveau.
De lidstaten baseren hun beoordeling van behoeften en het ontwerp van maatregelen zoveel mogelijk op het beginsel dat gegevens slechts éénmaal worden verzameld en vervolgens worden hergebruikt.
Voor de in de eerste alinea, punt a), bedoelde elementen onderzoeken de lidstaten met name de noodzaak om één kader voor digitale identiteit tot stand te brengen, en overwegen ze afstemming op Verordening (EU) nr. 910/2014, ook met betrekking tot de Europese portemonnee voor digitale identiteit voor natuurlijke personen en rechtspersonen.
De lidstaten dienen uiterlijk op 16 december van elk kalenderjaar een jaarverslag over de uitvoering van de routekaart in bij de Commissie, waarin zij de voortgang van de uitvoering van de stappen en maatregelen beoordelen, evenals het in de routekaart vastgestelde tijdschema.
Indien nodig dienen de lidstaten bij de Commissie tezamen met de jaarverslagen wijzigingen van de routekaarten in.
De lidstaten dienen het eerste jaarverslag uiterlijk op 16 december 2029 in bij de Commissie.
De Commissie is overeenkomstig artikel 23 bevoegd om de gedelegeerde handelingen vast te stellen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat interoperabiliteit en een naadloze uitwisseling van gegevens tussen informatiesystemen die ten behoeve van de uitvoering, monitoring en evaluatie van het GLB worden gebruikt, op samenhangende, doeltreffende en tijdige wijze worden geïmplementeerd en om dit artikel aan te vullen met voorschriften indien de uitvoering van de in lid 2 bedoelde routekaart zulks vereist, alsmede met voorschriften inzake de in lid 3, punt b), bedoelde maatregelen voor interoperabiliteit.
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met regels voor:
de vorm en de inhoud van de routekaart en het jaarverslag;
regelingen voor de toezending of beschikbaarstelling aan de Commissie van de routekaarten en jaarverslagen.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 24 bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 22
Maatregelen om specifieke problemen op te lossen
Om specifieke problemen op te lossen, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast die in een spoedeisende situatie noodzakelijk en te rechtvaardigen zijn. Deze uitvoeringshandelingen kunnen afwijken van bepalingen van deze verordening voor zover en zolang dat strikt noodzakelijk is. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Indien naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie dit vereisen, en om specifieke problemen als bedoeld in lid 1 op te lossen en in uitzonderlijke omstandigheden de continuïteit van de in het NRP-plan omschreven GLB-interventies te waarborgen, stelt de Commissie onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast overeenkomstig de in artikel 24, lid 3, bedoelde procedure.
Krachtens de leden 1 en 2 vastgestelde maatregelen blijven gedurende ten hoogste twaalf maanden van kracht. Indien de in die leden bedoelde specifieke problemen na deze periode aanhouden, kan de Commissie met het oog op een definitieve oplossing een passend wetgevingsvoorstel indienen.
Binnen twee werkdagen na vaststelling van krachtens de leden 1 of 2 vastgestelde maatregelen stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad van die maatregelen in kennis.
Artikel 23
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de voorwaarden van dit artikel.
De bevoegdheid om in artikel 21, lid 6, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt met ingang van [OPOCE: [date of entry into force of this Regulation] aan de Commissie verleend voor de duur van zeven jaar. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het verstrijken van deze termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend voor termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van de termijn bezwaar maakt tegen een dergelijke verlenging.
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 21, lid 6, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
Een overeenkomstig artikel 21, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 24
Comitéprocedure
De Commissie wordt bijgestaan door een comité genaamd “Comité voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid”. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 20 en heeft tot taak om adviezen uit te brengen over op grond van deze verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen.
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 in samenhang met artikel 5 van toepassing.
Artikel 25
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van [OPOCE: [date of application of Regulation (EU) […] establishing the National and Regional Partnership Fund for the period 2028 to 2034].
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Brussel,
BIJLAGEN bij Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028-2034
Brussel, 16.7.2025 |
COM(2025) 560 final |
BIJLAGE I
In artikel 3 bedoelde eisen inzake rentmeesterschap van landbouwbedrijven
Deel A: Regels inzake rentmeesterschap van landbouwbedrijven
|
Gebied |
Belangrijkste punt |
Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen |
|
|
Klimaat en milieu |
Water |
RBE 1 |
Richtlijn 2000/60/EG: artikel 11, lid 3, punten e) en h), met betrekking tot verplichte vereisten ter beheersing van diffuse bronnen van verontreiniging door fosfaten |
|
RBE 2 |
Richtlijn 91/676/EEG van de Raad 1 : artikelen 4 en 5 |
||
|
Biodiversiteit en landschap (bescherming en kwaliteit) |
RBE 3 |
Richtlijn 2009/147/EG: artikel 3, lid 1, artikel 3, lid 2, punt b), en artikel 4, leden 1, 2, en 4 |
|
|
RBE 4 |
Richtlijn 92/43/EEG: artikel 6, leden 1 en 2 |
||
|
Volksgezondheid en gezondheid van planten |
Voedselveiligheid |
RBE 5 |
Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad 2 : artikelen 14 en 15, artikel 17, lid 1 3 , en artikelen 18, 19, en 20 |
|
RBE 6 |
Richtlijn 96/22/EG van de Raad 4 : artikel 3, punten a), b), d), en e), en de artikelen 4, 5 en 7 |
||
|
Gewasbeschermingsmiddelen |
RBE 7 |
Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad 5 : artikel 55, eerste en tweede volzin |
|
|
RBE 8 |
Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad 6 : artikel 5, lid 2, en artikel 8, leden 1 tot en met 5, artikel 12 met betrekking tot beperkingen op het gebruik van pesticiden in op basis van Richtlijn 2000/60/EG en Natura 2000-wetgeving omschreven gebieden. artikel 13, leden 1 en 3, inzake de hantering en opslag van pesticiden en de verwijdering van restanten |
||
|
Dierenwelzijn |
Dierenwelzijn |
RBE 9 |
Richtlijn 2008/119/EG van de Raad 7 : artikelen 3 en 4 |
|
RBE 10 |
Richtlijn 2008/120/EG van de Raad 8 : artikelen 3 en 4 |
||
|
RBE 11 |
Richtlijn 98/58/EG van de Raad 9 : artikel 4 |
||
Deel B: Regels inzake sociale conditionaliteit
|
Gebied |
Belangrijkste punt |
Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen |
|
|
Tewerkstelling van werknemers |
Arbeidsomstandigheden |
RBE 12 |
Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad 10 : artikelen 3 tot en met 6, artikelen 8, 10 en 13 |
|
|
Veiligheid en gezondheid op het werk |
RBE 13 |
Richtlijn 89/391/EEG van de Raad 11 : artikelen 5 tot en met 12 |
|
RBE 14 |
Richtlijn 2009/104/EG van het Europees Parlement en de Raad 12 : artikelen 3 tot en met 9 |
||
Deel C: Regels inzake beschermingspraktijken
|
Algemene doelstellingen als omschreven in artikel 3, lid 4 |
Specifieke doelstellingen van de beschermingspraktijken |
|
a) Bescherming van koolstofrijke bodems, landschapskenmerken en blijvend grasland op landbouwareaal |
Bescherming van koolstofrijke bodems, waaronder de bescherming van wetlands, veen en landschapselementen |
|
Bescherming van ecologisch kwetsbaar blijvend grasland op landbouwareaal in Natura 2000-gebieden |
|
|
b) Bescherming van bodems tegen erosie, behoud van het bodempotentieel, handhaving van organisch bodemmateriaal, onder andere door gewasrotatie of -diversificatie, en bescherming tegen het verbranden van stoppels op bouwland |
Bescherming van bodems tegen erosie op basis van specifieke omstandigheden ter plaatse
|
|
Behoud van bodempotentieel, waaronder: Bescherming van bodems in de meest kwetsbare perioden Gewasrotatie of -diversificatie |
|
|
Handhaving van organisch bodemmateriaal door beheer van gewasresten, waaronder een verbod op het verbranden van stoppels op bouwland |
|
|
c) Bescherming van waterlopen en grondwater tegen verontreiniging en afspoeling |
Bescherming van waterlopen en grondwater tegen verontreiniging en afspoeling, onder andere door het aanleggen van bufferstroken langs waterlopen |
BIJLAGE II
Regels voor de berekening van dierequivalenten in het kader van de gekoppelde inkomenssteun als bedoeld in artikel 11
De lidstaten gebruiken de volgende coëfficiënten voor de omrekening van dieren in dierequivalenten in het kader van de in artikel 11, lid 1, bedoelde interventies in de vorm van gekoppelde inkomenssteun.
|
|