Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in verband met het besluit van de deelnemers aan de Sectorovereenkomst inzake exportkredieten voor burgerluchtvaartuigen betreffende de risicoclassificatie van debiteuren bij de-minimistransacties met landbouwvliegtuigen
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in verband met het besluit van de deelnemers aan de Sectorovereenkomst inzake exportkredieten voor burgerluchtvaartuigen betreffende de risicoclassificatie van debiteuren bij de-minimistransacties met landbouwvliegtuigen
BESLUIT VAN DE RAAD
Brussel, 1.10.2025 |
COM(2025) 582 final |
2025/0310(NLE) |
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in verband met het besluit van de deelnemers aan de Sectorovereenkomst inzake exportkredieten voor burgerluchtvaartuigen betreffende de risicoclassificatie van debiteuren bij de-minimistransacties met landbouwvliegtuigen |
TOELICHTING
Dit voorstel betreft het besluit tot bepaling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in verband met de risicoclassificatie van debiteuren bij transacties met landbouwvliegtuigen met een exportcontractwaarde van minder dan 5 miljoen USD (de-minimistransacties) in het kader van de Sectorovereenkomst inzake exportkredieten voor burgerluchtvaartuigen (“Sectorovereenkomst voor luchtvaartuigen” of “ASU”) in de Regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten (“de Regeling”).
In dit voorstel wordt een wijziging voorgesteld van de regels van de ASU aangaande het bepalen van de prijsstelling van overheidssteun voor een transactie die onder de ASU valt, met name de risicoclassificatieprocedures voor debiteuren. De ASU bepaalt dat de deelnemers aan de ASU, alvorens gebruik te maken van een alternatieve of nieuwe risicoclassificatie van debiteuren, om een actualisering van de lijst van risicoclassificaties van debiteuren moeten verzoeken. Gezien de aanzienlijke administratieve lasten die deze vereiste met zich meebrengt, heeft het OESO-secretariaat op 30 juli 2025 voorgesteld de ASU te wijzigen door de-minimistransacties met landbouwvliegtuigen uit te sluiten van het risicoclassificatieproces voor debiteuren. Dit voorstel houdt in dat de voorgestelde wijziging wordt aanvaard.
De Regeling is een “gentlemen’s agreement” tussen Australië, Canada, Japan, Korea, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Turkije, de Unie, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Zwitserland (“de deelnemers”), en heeft ten doel een kader te creëren voor het ordelijke gebruik van door de overheid gesteunde exportkredieten. In de praktijk betekent dit dat wordt gezorgd voor een gelijk speelveld (zodat de mededinging wordt gebaseerd op de prijs en de kwaliteit van de uitgevoerde goederen en diensten in plaats van op de geboden financiële voorwaarden), terwijl wordt gewerkt aan het uitbannen van subsidies en marktverstoringen met betrekking tot door de overheid gesteunde exportkredieten. De Regeling is in april 1978 in werking getreden en is van onbepaalde duur. De Regeling is administratief ingebed in de OESO en krijgt steun van het OESO-secretariaat, maar is geen OESO-besluit 1 .
Sommige regels van de Regeling zijn sectorspecifiek en nader uitgewerkt in de sectorale bijlagen bij de Regeling (“sectorovereenkomsten” genoemd). De ASU vormt bijlage III bij de Regeling en heeft ten doel een kader te creëren voor het voorspelbare, consequente en transparante gebruik van door de overheid gesteunde exportkredieten voor de verkoop of lease van luchtvaartuigen en aanverwante goederen en diensten genoemd in artikel 4, punt a), van de ASU. De ASU streeft naar een gelijk speelveld voor dergelijke exportkredieten. De ASU is op 1 februari 2011 in werking getreden.
Zowel de Regeling als de ASU zijn omgezet en derhalve in de Unie juridisch bindend gemaakt bij Verordening (EU) nr. 1233/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 2 . Overeenkomstig artikel 2 van die verordening worden herzieningen van de voorwaarden van de Regeling in het EU-recht opgenomen door middel van gedelegeerde handelingen.
De ASU heeft elf deelnemers (“deelnemers aan de ASU”): Australië, Brazilië, Canada, Japan, Korea, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, de Unie, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Zwitserland 3 .
De Europese Commissie vertegenwoordigt de Unie in vergaderingen van de deelnemers aan de ASU en in de schriftelijke besluitvormingsprocedures van de deelnemers aan de ASU. Alle besluiten over wijzigingen van de Regeling worden bij consensus genomen.
De beoogde handeling heeft tot doel de risicoclassificatieprocedures van aanhangsel II, afdeling 1, van de ASU te wijzigen. Aanhangsel II bevat de procedures die moeten worden gebruikt om de prijsstelling van overheidssteun voor een aan de ASU onderworpen transactie vast te stellen. Afdeling 1 beschrijft de risicoclassificatieprocedures.
De deelnemers aan de ASU hebben overeenstemming bereikt over een lijst van risicoclassificaties voor debiteuren. Deze risicoclassificaties weerspiegelen de rating van eersterangs ongedekte kredieten van debiteuren, waarbij gebruik wordt gemaakt van een gemeenschappelijke ratingschaal die met die van de kredietratingbureaus vergelijkbaar is.
In aanhangsel II, afdeling 1.II, van de ASU is bepaald dat elke deelnemer aan de ASU, alvorens een alternatieve of nieuwe risicoclassificatie wordt aangewend, het OESO-secretariaat verzoekt de lijst van risicoclassificaties bij te werken op basis van een alternatieve of nieuwe risicoclassificatie. Dat is over het algemeen administratief belastend gebleken.
Volgens de huidige regels mogen deelnemers aan de ASU bij de-minimistransacties de bijwerking van de risicoclassificatielijst omzeilen door aan de debiteur de risicoclassificatie “8” toe te kennen. Deze mogelijkheid lijkt echter te strikt.
In die zin heeft het OESO-secretariaat op 30 juli 2025 aan de deelnemers aan de ASU een voorstel toegezonden, voor goedkeuring via de schriftelijke procedure uiterlijk op 3 november 2025, om de tekst van de ASU te wijzigen en meer flexibiliteit te bieden met betrekking tot het beoordelingsproces voor debiteuren bij de-minimistransacties met landbouwvliegtuigen, die 89 % uitmaken van alle de-minimistransacties die tussen 2011 en 2023 zijn verricht. In dit voorstel wordt gesuggereerd dat deelnemers aan de ASU voor dergelijke transacties niet hoeven te verzoeken om bijwerking van de lijst van risicoclassificaties, maar vrij zouden zijn om de classificatie toe te passen die zij passend achten, zonder dat zij de al te strikte risicoklasse “8” aan de debiteur moeten toekennen.
2025/0310 (NLE) |
Voorstel voor een |
Het proces van risicoclassificatie vergt een aanzienlijk deel van de tijd van het OESO-secretariaat. Het is ook administratief belastend voor de deelnemers aan de ASU. Bovendien moet worden opgemerkt dat meer dan 99,9 % van de sinds 2011 ingediende de-minimisvoorstellen zonder betwisting is aanvaard.
Daarom steunt de EU het voorstel om de ASU te wijzigen door het risicoclassificatieproces voor de-minimistransacties met landbouwvliegtuigen te vereenvoudigen.
Daarom wordt aanbevolen dat de Unie in de schriftelijke procedure van de deelnemers aan de ASU haar steun verleent aan het voorstel om de-minimistransacties met landbouwvliegtuigen uit te sluiten van het risicoclassificatieproces voor debiteuren, in overeenstemming met de bijlage bij dit voorstel.
Artikel 218, lid 9, VWEU voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 4 .
De beoogde handeling zal een beslissende invloed hebben op de inhoud van de EU-wetgeving, met name Verordening (EU) nr. 1233/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de toepassing van bepaalde richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten en tot intrekking van de Beschikkingen 2001/76/EG en 2001/77/EG van de Raad. In artikel 2 van die verordening is namelijk het volgende bepaald: “De Commissie stelt overeenkomstig artikel 3 gedelegeerde handelingen vast om bijlage II te wijzigen naar aanleiding van wijzigingen in de richtsnoeren die de deelnemers aan de Regeling overeenkomen”. Hieronder vallen wijzigingen van de bijlagen bij de Regeling.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.
De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op exportkredieten, die binnen de werkingssfeer van de gemeenschappelijke handelspolitiek vallen. De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207 VWEU.
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207, lid 4, eerste alinea, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in verband met het besluit van de deelnemers aan de Sectorovereenkomst inzake exportkredieten voor burgerluchtvaartuigen betreffende de risicoclassificatie van debiteuren bij de-minimistransacties met landbouwvliegtuigen
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
De richtsnoeren van de Regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten (“de Regeling”), met inbegrip van de in bijlage III daarbij opgenomen Sectorovereenkomst inzake exportkredieten voor burgerluchtvaartuigen (“Sectorovereenkomst voor luchtvaartuigen” of “ASU”) zijn omgezet en derhalve in de Unie juridisch bindend gemaakt bij Verordening (EU) nr. 1233/2011 van het Europees Parlement en de Raad 5 .
Het beoogde besluit over een wijziging van de ASU heeft tot doel transacties met landbouwvliegtuigen met een exportcontractwaarde van minder dan 5 miljoen USD (de-minimistransacties) uit te sluiten van het risicoclassificatieproces voor debiteuren in de zin van aanhangsel II, afdeling 1, van de ASU. Dit zou de administratieve lasten voor de deelnemers aan de ASU verminderen en de risicoclassificatie voor debiteuren vereenvoudigen.
Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen tijdens de schriftelijke procedure van de deelnemers aan de ASU, aangezien het beoogde besluit bindend zal zijn voor de Unie en op grond van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1233/2011 beslissende invloed kan hebben op de inhoud van het recht van de Unie,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen, houdt in dat steun wordt verleend aan een besluit van de deelnemers aan de ASU inzake de wijziging van de ASU die tot doel heeft de-minimistransacties met landbouwvliegtuigen uit te sluiten van het risicoclassificatieproces voor debiteuren, in overeenstemming met de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Commissie.
Gedaan te Brussel,
BIJLAGE bij Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in verband met het besluit van de deelnemers aan de Sectorovereenkomst inzake exportkredieten voor burgerluchtvaartuigen betreffende de risicoclassificatie van debiteuren bij de-minimistransacties met landbouwvliegtuigen
Brussel, 1.10.2025 |
COM(2025) 582 final |
BIJLAGE
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de schriftelijke procedure van de deelnemers aan de Sectorovereenkomst inzake exportkredieten voor burgerluchtvaartuigen (ASU), is dat de in deze bijlage opgenomen wijzigingen van de voetnoten 2 en 3 van aanhangsel II (Minimumpremietarieven) van de ASU worden gesteund. Hieronder wordt verwezen naar de voetnoten van de ASU. Toevoegingen zijn vetgedrukt en onderstreept:
AANHANGSEL II:
MINIMUMPREMIETARIEVEN
2 Voor transacties met een exportcontractwaarde van minder dan 5 miljoen USD kan een deelnemer, indien de uitvoer betrekking heeft op landbouwvliegtuigen en de uiteindelijke debiteur een landbouwer of een spuitbedrijf is, de risicoclassificatie toepassen die hij passend acht en meldt hij de transactie overeenkomstig artikel 24, punt a), van deze sectorovereenkomst aan. Voor alle andere transacties met een exportwaarde van minder dan 5 miljoen USD (met name die waarbij de uiteindelijke debiteur een luchtvaartmaatschappij of een leasingmaatschappij voor luchtvaartuigen is, ongeacht of bij de uitvoer landbouwvliegtuigen betrokken zijn), past een deelnemer die de risico-indelingsprocedure van de artikelen 6, 7 en 8 van dit aanhangsel niet wenst te volgen, de risico-indeling “8” toe voor de bij de transactie betrokken afnemer/kredietnemer en meldt hij de transactie overeenkomstig artikel 24, punt a), van deze sectorovereenkomst aan.
3 Voor transacties met een exportcontractwaarde van minder dan 5 miljoen USD, met uitzondering van transacties die overeenkomstig artikel 24, punt a), op basis van de bepalingen van voetnoot 2 van dit aanhangsel aangemeld moeten worden, geldt een termijn van vijf werkdagen.