Home

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds

BESLUIT VAN DE RAAD

Brussel, 3.9.2025

COM(2025) 810 final

2025/0810(NLE)

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds

TOELICHTING

Sinds de inwerkingtreding van de Algemene overeenkomst hebben de EU en Mexico hun betrekkingen verdiept. In 2008 hebben de EU en Mexico een strategisch partnerschap tot stand gebracht dat een bilaterale dialoog en samenwerking introduceerde op nieuwe belangrijke beleidsterreinen, waaronder multilaterale kwesties, veiligheid en justitie, macro-economische aspecten en de mensenrechten.

De onderhandelingen zijn formeel van start gegaan in mei 2016. De onderhandelingen werden in overleg met de Groep Latijns-Amerika en Caribisch gebied van de Raad gevoerd. Over de handelsgerelateerde componenten van de overeenkomst is overleg gepleegd met het Comité handelspolitiek. Het Europees Parlement is op de hoogte gebracht van het resultaat van de onderhandelingen.

Na de politieke afronding van de onderhandelingen over de politieke pijler en de samenwerkingspijler in 2018 werd op 17 januari 2025 een akkoord bereikt over de handels- en investeringspijler. Er werden handelsbesprekingen gevoerd om het volledige potentieel van de bilaterale betrekkingen te benutten en een bijdrage te leveren aan het aanpakken van de huidige mondiale uitdagingen.

De modernisering van de bestaande Algemene overeenkomst berust op twee rechtsinstrumenten:

1.    de Gemoderniseerde algemene overeenkomst die bestaat uit a) de politieke en samenwerkingspijler en b) de handels- en investeringspijler (waaronder bepalingen inzake investeringsbescherming), en

2. de Interimovereenkomst inzake handel, die betrekking heeft op de liberalisering van handel en investeringen.

Het is de bedoeling dat de Interimovereenkomst inzake handel tegelijk met de Gemoderniseerde algemene overeenkomst wordt ondertekend. De Interimovereenkomst inzake handel zal verstrijken en worden vervangen door de Gemoderniseerde algemene overeenkomst zodra deze na de ratificatie ervan volledig in werking is getreden.

Dit voorstel betreft het rechtsinstrument waarmee de sluiting van de Gemoderniseerde algemene overeenkomst wordt toegestaan.

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst voorziet in een gemoderniseerd, veelomvattend rechtskader voor de betrekkingen tussen de EU en Mexico en vervangt de huidige Algemene overeenkomst, met inbegrip van alle latere besluiten van haar institutionele organen, met uitzondering van Besluit nr. 5/2004 van de Gezamenlijke Raad EU-Mexico van 15 december 2004 tot vaststelling, overeenkomstig artikel 17, lid 3, van Besluit nr. 2/2000, van de bijlage bij genoemd besluit betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken 4 . Gedurende de periode van voorlopige toepassing, voor zover de bepalingen van de Algemene overeenkomst niet onder de voorlopige toepassing van de Gemoderniseerde algemene overeenkomst vallen, blijven de bepalingen van de Algemene overeenkomst van toepassing. De overeenkomst vervangt ook, bij de inwerkingtreding ervan, de Interimovereenkomst inzake handel.

In de loop der jaren hebben de EU en Mexico naast de Algemene overeenkomst verscheidene bilaterale sectorale overeenkomsten gesloten, waaronder de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Mexicaanse Staten betreffende de wederzijdse erkenning en bescherming van de benamingen van gedistilleerde dranken, ondertekend te Brussel op 27 mei 1997 (de “Overeenkomst gedistilleerde dranken van 1997”) 5 .

De Overeenkomst gedistilleerde dranken van 1997 is in de Gemoderniseerde algemene overeenkomst opgenomen. De andere sectorale overeenkomsten die niet onder de Gemoderniseerde algemene overeenkomst vallen, blijven als afzonderlijke overeenkomsten van kracht.

Vanaf de datum van volledige inwerkingtreding vervangt de Gemoderniseerde algemene overeenkomst de bilaterale investeringsverdragen tussen Mexico en de EU-lidstaten die zijn opgenomen in bijlage 10 C bij de Gemoderniseerde algemene overeenkomst.

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst is volledig in overeenstemming met de algemene visie van de EU op haar partnerschap met Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, zoals uiteengezet in de gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie over een nieuwe agenda voor de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, die op 7 juni 2023 is aangenomen.

Daarnaast is de pijler handel en investeringen van de Gemoderniseerde algemene overeenkomst volledig in overeenstemming met de mededeling “Evaluatie van het handelsbeleid — Een open, duurzaam en assertief handelsbeleid” van februari 2021, waarin het handels- en investeringsbeleid wordt verankerd in Europese en universele normen en waarden, naast fundamentele economische belangen, waarbij meer nadruk wordt gelegd op duurzame ontwikkeling, de mensenrechten, bestrijding van belastingontduiking, consumentenbescherming en verantwoorde en eerlijke handel.

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst bevat ook een hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling, waarin de Overeenkomst wordt gekoppeld aan de algemene doelstellingen van de EU op het gebied van duurzame ontwikkeling en specifieke doelstellingen op het gebied van arbeid, milieu en klimaatverandering.

   Procedurele rechtsgrondslag

Overeenkomstig artikel 218, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) doet de Commissie een voorstel aan de Raad, indien de voorgenomen overeenkomst niet uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. De Raad stelt een besluit vast waarbij machtiging wordt verleend tot ondertekening van de overeenkomst.

Overeenkomstig artikel 218, lid 6, VWEU kan de Raad, indien de overeenkomst niet uitsluitend betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, het besluit tot sluiting van de overeenkomst pas nemen na goedkeuring door het Europees Parlement (artikel 218, lid 6, punt a), VWEU) of na raadpleging ervan (artikel 218, lid 6, punt b), VWEU).

Aangezien artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 209, lid 2, VWEU de materiële rechtsgrondslag vormen, moet de Raad het besluit tot sluiting van de overeenkomst vaststellen na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • artikel 2.22 (oenologische procedés), lid 4, wat betreft de productdefinities, oenologische procedés en beperkingen die zijn vermeld in de delen A en B van bijlage 2-E (Relevante maatregelen inzake wijnproducten en gedistilleerde dranken);

  • artikel 2.24 (certificering van wijnproducten en gedistilleerde dranken), lid 8, wat betreft documentatie en certificering als bedoeld in deel D (Documentatie en certificering) van bijlage 2-E (Relevante maatregelen inzake wijnproducten en gedistilleerde dranken);

  • artikel 21.18 (wijziging en rectificatie van het toepassingsgebied) met betrekking tot de bijlagen 21-A en 21-B, waarin de verbintenissen van elke Partij inzake onder deze overeenkomst vallende opdrachten zijn vastgesteld;

  • artikel 25.35 (wijziging van de lijst van geografische aanduidingen) wat betreft bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen) en de bijlagen I en II bij de Overeenkomst gedistilleerde dranken van 1997, die is opgenomen in deze overeenkomst, waarin de geografische aanduidingen van de EU en Mexico zijn vermeld.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgenomen besluit tot sluiting van de Gemoderniseerde algemene overeenkomst is derhalve artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), VWEU, en artikel 218, lid 7, VWEU.

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst heeft betrekking op gebieden die vallen binnen het toepassingsgebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, vervoer en ontwikkelingssamenwerking. De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit moet bijgevolg worden gevormd door artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 209, lid 2, VWEU.

Gezien het onderwerp van de beoogde overeenkomst, is het passend dat de Commissie een voorstel in die zin bij de Raad indient.

Dit initiatief streeft rechtstreeks de doelstellingen van het externe optreden van de Unie na en draagt bij tot de politieke prioriteit van de “EU als sterkere mondiale speler”. Het initiatief is in overeenstemming met de uitgangspunten van de integrale EU-strategie om met andere landen samen te werken en de externe partnerschappen van de EU op verantwoorde wijze te vernieuwen om aldus de externe prioriteiten van de EU te verwezenlijken. Het draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU op het gebied van handel en economische en technische samenwerking met derde landen.

Uit de analyse van de Algemene overeenkomst bleek dat er ondanks de uitgebreide dekking van de bestaande handelspijler toch ruimte was voor verdere verbeteringen van de regels en voor een verruiming van de markttoegang. Voorts werd geconcludeerd dat de Algemene overeenkomst moest worden aangepast teneinde rekening te houden met de veranderingen in het wereldwijde handelslandschap.

In het kader van de effectbeoordeling heeft DG Handel overleg gepleegd met belanghebbenden over de modernisering, onder meer met bedrijven, belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld, niet-gouvernementele organisaties, vakbonden, beroepsverenigingen, kamers van koophandel en andere particuliere belanghebbenden. Deze raadplegingen van belanghebbenden hebben een aantal verschillende raadplegingsactiviteiten omvat, waaronder een openbare onlineraadpleging (gestart in juli 2015).

De externe studies, de effectbeoordeling en de raadplegingen in het kader van de voorbereiding van de Gemoderniseerde algemene overeenkomst hebben de Commissie input opgeleverd die van grote waarde is geweest in de onderhandelingen over die overeenkomst.

Tijdens de onderhandelingen werden bijeenkomsten gehouden om maatschappelijke organisaties te informeren over de stand van de onderhandelingen en om van gedachten te wisselen over de modernisering (bijeenkomsten in april en november 2017 in Brussel en in juli 2017 in Mexico-Stad).

De onderhandelingen werden gevoerd in overleg met de Groep Latijns-Amerika en Caribisch gebied van de Raad voor de politieke en samenwerkingsaspecten van de overeenkomst, en in overleg met het Comité handelspolitiek voor de handelsaspecten van de overeenkomst, als het door de Raad overeenkomstig artikel 218, lid 4, VWEU aangewezen speciaal comité. Het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité werden ook regelmatig geïnformeerd via de Commissie internationale handel (INTA), met name de monitoringgroep Mexico, en de Commissie buitenlandse zaken. Beide instellingen kregen gedurende het gehele proces inzage in de teksten van de onderhandelingsresultaten.

Voorts biedt de tijdens de onderhandelingen uitgevoerde duurzaamheidseffectbeoordeling een uitgebreide beoordeling van de potentiële economische, sociale en milieueffecten van de toegenomen liberalisering van de handel in het kader van de Gemoderniseerde algemene overeenkomst in de EU en Mexico. In de duurzaamheidseffectbeoordeling worden ook de mogelijke effecten van de modernisering op de mensenrechten en op de be- en verwerkende industrie, de landbouw en de dienstensector geanalyseerd. De taakomschrijving, het tussentijds verslag en het eindverslag zijn beschikbaar op de website van DG Handel:

http://ec.europa.eu/trade/policy/policy-making/analysis/policy-evaluation/sustainability-impact-assessments/index_en.htm

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst omvat voor het eerst ook een mechanisme voor raadpleging van het maatschappelijk middenveld dat de gehele overeenkomst bestrijkt, zodat het maatschappelijk middenveld van beide Partijen over alle bepalingen van de overeenkomst zijn stem kan laten horen, met inbegrip van de mensenrechtenbepalingen van de politieke component.

  • politieke dialoog, internationale vrede en veiligheid;

  • internationale en regionale organisaties;

  • vrijheid, veiligheid en recht;

  • duurzame ontwikkeling;

  • milieu, klimaatverandering en energie;

  • landbouw, maritieme zaken en visserij;

  • economisch beleid;

  • onderwijs, cultuur en sociale vraagstukken;

  • onderzoek, innovatie en digitale economie.

De nadruk wordt gelegd op een breed spectrum van cruciale kwesties, waaronder de rechtsstaat, de mensenrechten en gendergelijkheid, migratie, drugs en grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, milieubescherming, klimaatverandering, hernieuwbare energie, oceaangovernance, maatschappelijk verantwoord ondernemen, digitale transformatie en onderzoek en innovatie. De bepalingen van deel II zullen een meer gecoördineerd en gemeenschappelijk optreden mogelijk maken op nieuwe gebieden zoals de volksgezondheid, de modernisering van de staat, het beheer van migratiestromen, non-proliferatie van massavernietigingswapens, het witwassen van geld, terrorismefinanciering en cybercriminaliteit.

Dit zal leiden tot een sterker partnerschap op mondiaal niveau, bijvoorbeeld wat betreft de Agenda 2030, maatregelen tegen de klimaatverandering, oceaangovernance en kwesties als mondiaal democratisch bestuur, de mensenrechten, migratie, vrede en veiligheid.

Deel II bevat ook bepalingen om de dialoog en de samenwerking op het gebied van corruptiebestrijding te verdiepen. Voor het eerst bevat de overeenkomst een protocol dat bepalingen bevat om corruptie in handel en investeringen te bestrijden en te voorkomen.

De bepalingen van dit protocol zijn bedoeld om corruptie in de handel en investeringen te voorkomen door middel van verschillende maatregelen, met name door de integriteit in de particuliere en de publieke sector te bevorderen, de interne controles, externe audits en de financiële verslaglegging op te voeren, en de strijd tegen corruptie te versterken die reeds wordt nagestreefd via internationale verdragen, met name het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC).

In dit verband herhalen de Partijen dat zij vastbesloten zijn corruptie strafbaar te stellen voor overheidsfunctionarissen en ook te overwegen corruptie strafbaar te stellen voor bedrijven. Beide Partijen zijn het eens geworden over bepaalde methoden om het witwassen van geld aan te pakken.

Het protocol bevordert ook de actieve deelname van het maatschappelijk middenveld aan de preventie en bestrijding van corruptie. Daarnaast voorziet het in een overlegmechanisme indien er onenigheid bestaat over de interpretatie of uitvoering van de anticorruptiebepalingen.

Voorzien in goede markttoegang voor landbouw- en visserijexport en betere regels

In het kader van de huidige Algemene overeenkomst zijn alle industriële goederen en een aanzienlijk aantal landbouw- en visserijproducten reeds geliberaliseerd. Met de modernisering worden in het hoofdstuk over de handel in goederen meer dan 98,7 % van alle tarieflijnen volledig geliberaliseerd en wordt 95 % van de resterende Mexicaanse douanerechten op landbouwproducten afgeschaft.

De tekst over de handel in goederen bevat tevens aanvullende en uitgebreidere regels die de handel tussen de EU en Mexico zullen vergemakkelijken. Daarbij gaat het onder meer om bepalingen inzake retributies en formaliteiten, invoer- en uitvoervergunningen, een verbod op uitvoerrechten, en bindende tarieven als niet in volledige afschaffing van rechten is voorzien (“standstill”). Ook zijn er geavanceerde bepalingen inzake uitvoerconcurrentie, gereviseerde goederen, na reparatie ingevoerde goederen en bepalingen om de tijdelijke invoer van goederen te vergemakkelijken.

Vereenvoudigen van oorsprongsregels

De oorsprongsregels zijn herzien en in sommige gevallen vereenvoudigd om rekening te houden met de behoeften van de industrie, bijvoorbeeld voor belangrijke industriële producten zoals auto’s en geneesmiddelen.

Moderniseren en vereenvoudigen van grensprocedures

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst bevat een ambitieus hoofdstuk over douane en handelsbevordering, dat gebaseerd is op de bepalingen van de WTO-overeenkomst inzake handelsfacilitatie en op bepaalde gebieden nog verder gaat. De EU en Mexico verbinden zich ertoe vereenvoudigde, moderne en waar mogelijk geautomatiseerde procedures toe te passen voor de efficiënte en versnelde vrijgave van goederen door middel van gestroomlijnde vereisten inzake gegevens en documentatie, de verwerking van douanedocumenten en -informatie vóór aankomst en een doeltreffend en niet-discriminerend risicobeheer.

Zorgen voor billijke handels- en ondernemingsvoorwaarden

Om oneerlijke handelspraktijken efficiënt en doeltreffend te kunnen aanpakken, is overeenstemming bereikt over betere voorschriften met betrekking tot handelsbeschermende maatregelen. Bovendien bevat de Gemoderniseerde algemene overeenkomst bepalingen om binnenlandse bedrijfstakken te beschermen wanneer de uit de overeenkomst voortvloeiende toegenomen invoer van een product een bedrijfstak ernstige schade berokkent of dreigt te berokkenen. De Gemoderniseerde algemene overeenkomst bevat ook een hoofdstuk over subsidies dat bijdraagt tot een gelijk speelveld tussen ondernemingen uit de EU en Mexico door i) meer transparantie met betrekking tot subsidies voor zowel goederen als diensten; ii) overleg indien subsidies een negatief effect op het handelsverkeer dreigen te hebben, en iii) regels inzake de schadelijkste subsidies (herstructureringssteun zonder herstructureringsplan en onbeperkte garanties).

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst waarborgt ook dat ondernemingen de fundamentele mededingingsbeginselen naleven: geen misbruik van een machtspositie, geen overeenkomsten tussen ondernemingen die de mededinging beperken, en toezicht op de gevolgen van een fusie voor de mededinging. Tegelijkertijd zal de Gemoderniseerde algemene overeenkomst zorgen voor een gelijk speelveld tussen publieke en particuliere ondernemingen op de markt. Overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn verleend en aangewezen monopolies moeten bij het kopen en verkopen van goederen en diensten op de markt op niet-discriminerende wijze en op basis van commerciële overwegingen handelen.

Zorgen voor meer handel en investeringen in kritieke grondstoffen

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst handhaaft de tariefvrije handel in kritieke grondstoffen en zorgt aldus voor goedkopere toegang en lagere kosten voor deze materialen die essentieel zijn voor de groene en de digitale transitie van de EU. Bovendien zal de nieuwe overeenkomst uitvoermonopolies en ongerechtvaardigd overheidsingrijpen in de prijsstelling van grondstoffen verbieden en uitvoerprijzen of dubbele prijsstelling verbieden wanneer de uitvoerprijzen boven de binnenlandse prijzen worden vastgesteld. Ook zijn er specifieke bepalingen voor samenwerking met Mexico in de grondstoffenwaardeketens.

Zorgen voor duurzaamheid en gendergelijkheid

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst bevat een ambitieus en veelomvattend hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling om de betere integratie van duurzame ontwikkeling in de handels- en investeringsbetrekkingen van de Partijen te bevorderen door middel van i) juridisch bindende verbintenissen inzake milieubescherming, klimaatverandering en arbeidsrechten; ii) bepalingen inzake samenwerking en dialoog, ook met het maatschappelijk middenveld, en iii) procedures voor geschillenbeslechting. Dit hoofdstuk bevat ook een evaluatieclausule op grond waarvan de Partijen mogelijke verdere verbeteringen van de duurzaamheidsbepalingen moeten bespreken, met inbegrip van het treffen van tegenmaatregelen in geval van inbreuken en de mogelijkheid om de opname van de Overeenkomst van Parijs als een essentieel onderdeel van de Gemoderniseerde algemene overeenkomst te overwegen. De evaluatie zal dadelijk na de inwerkingtreding van de overeenkomst van start gaan en moet binnen 12 maanden zijn afgerond.

De Partijen hebben ook overeenstemming bereikt over een gezamenlijke verklaring over handel en gendergelijkheid, die bepalingen bevat over de daadwerkelijke uitvoering van de internationale verplichtingen op het gebied van gendergelijkheid en vrouwenrechten, en over nauwere samenwerking op het gebied van de handelsgerelateerde aspecten die samenhangen met beleid en maatregelen op het gebied van gendergelijkheid. De gezamenlijke verklaring vormt een integrerend deel van de overeenkomst.

Aandacht hebben voor de behoeften van kleinere bedrijven

Op grond van de Gemoderniseerde algemene overeenkomst moeten de EU en Mexico een website voor kmo’s opzetten, zodat deze gemakkelijker toegang krijgen tot informatie en dus van alle bepalingen van de overeenkomst kunnen profiteren. De contactpunten in de EU en Mexico zullen samenwerken om rekening te houden met de specifieke behoeften van kmo’s en na te gaan hoe zij de nieuwe kansen op elke markt kunnen benutten.

Mogelijkheden bieden voor dienstverleners en regels voor digitale handel vaststellen

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst bevat uitgebreide voorschriften met betrekking tot de markttoegang voor diensten en investeringen in alle sectoren van de economie, en specifieke voorschriften met betrekking tot digitale handel. Hiermee wordt beoogd een gelijk speelveld tot stand te brengen, met name voor dienstverleners uit de EU die betrokken zijn bij sectoren zoals telecommunicatie en financiële diensten, alsook op gebieden als bezorgdiensten en maritieme diensten. De Gemoderniseerde algemene overeenkomst biedt de Partijen ook een kader voor de toekomstige erkenning van elkaars kwalificaties in gereglementeerde beroepen zoals architecten, accountants, advocaten en ingenieurs. Op het gebied van digitale handel worden in de overeenkomst regels vastgesteld die horizontaal van toepassing zijn (op onlinehandel in goederen, diensten enz.) en die onontbeerlijk zijn voor de goede werking van de onlinehandel.

Bevorderen van investeringen

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst bevat bepalingen die investeringen liberaliseren volgens dezelfde aanpak als die van de meest ambitieuze handelsovereenkomsten die de EU tot dusver heeft gesloten. Zo zullen met name alle materiële voorschriften van dit hoofdstuk van toepassing zijn op zowel diensten als niet-dienstensectoren. Investeerders en hun investeringen zullen met name kunnen profiteren van i) de verbintenis om te voorzien in een niet-discriminerende behandeling vergeleken met binnenlandse investeerders of investeerders en investeringen uit derde landen; ii) de ambitieuze regels voor markttoegang (met betrekking tot kwantitatieve beperkingen zoals monopolies en exclusieve rechten, quota en onderzoek naar de economische behoefte), en iii) het verbod op bepaalde prestatievereisten. Wat de energiesector betreft, zorgt de Gemoderniseerde algemene overeenkomst ervoor dat het beginsel van de meest begunstigde natie zal gelden voor zowel eerdere als voor toekomstige vrijhandelsovereenkomsten die Mexico heeft gesloten of zal sluiten. De overeenkomst zorgt er derhalve voor dat investeerders uit de EU op dezelfde wijze worden behandeld als investeerders uit andere preferentiële handelspartners van Mexico.

Zorgen voor een transparante en verantwoordingsplichtige beslechting van geschillen via een stelsel van investeringsgerechten

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst omvat alle vernieuwingen van de nieuwe aanpak van de EU op het gebied van investeringen en haar geschillenbeslechtingsmechanisme, waarmee wordt tegemoet gekomen aan de verwachtingen van de belanghebbenden ten aanzien van een eerlijker, transparanter en geïnstitutionaliseerd systeem voor de beslechting van investeringsgeschillen. Zij introduceert belangrijke innovaties op dit gebied, waarbij een hoog niveau van bescherming voor investeerders wordt gewaarborgd en tegelijkertijd het recht van overheden om regelgeving vast te stellen en legitieme doelstellingen van overheidsbeleid na te streven, zoals de bescherming van de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu, volledig wordt behouden. Met de overeenkomst worden dubbelzinnigheden weggenomen die het oude stelsel kwetsbaar maakten voor misbruik of buitensporige interpretaties en wordt een onafhankelijk stelsel van investeringsgerechten opgericht dat bestaat uit een permanent gerecht en een beroepsinstantie, waar geschillenbeslechtingsprocedures op een transparante en onpartijdige wijze zullen worden gevoerd.

Toegang verlenen tot Mexicaanse openbare aanbestedingen

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst biedt inschrijvers meer mogelijkheden om overheidsopdrachten in de wacht te slepen. Geen enkele andere handelspartner van Mexico krijgt voor zijn bedrijven zoveel toegang tot Mexicaanse overheidsaanbestedingen als de EU. EU-bedrijven zullen niet alleen op federaal niveau goederen en diensten kunnen aanbieden, maar ook aan de vanuit economisch oogpunt belangrijkere Mexicaanse staten, en zijn daarmee de eerste niet-Mexicaanse ondernemingen die dat kunnen doen. De EU en Mexico verbinden zich er ook toe hun procedures voor overheidsopdrachten aan een moderne verzameling regels te onderwerpen, waarbij hoge normen op het gebied van transparantie, non-discriminatie en gelijke behandeling worden toegepast.

Zorgen voor betere bescherming voor innovatie en creatief werk

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst creëert een gelijk speelveld door ervoor te zorgen dat Mexico en de EU ook een gemeenschappelijke aanpak volgen bij de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en dat beide Partijen actie ondernemen om namaak en piraterij en niet-concurrerende praktijken te bestrijden. De overeenkomst waarborgt een hoog niveau van bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten. Ze omvat ook de wederzijdse bescherming van een lijst van geografische aanduidingen van de EU en Mexico. In het geval van de EU zullen 336 geografische aanduidingen van de EU worden beschermd. Dit komt bovenop de geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken uit de EU die al zijn beschermd in het kader van de Overeenkomst gedistilleerde dranken van 1997, die is opgenomen in en deel uitmaakt van de Gemoderniseerde algemene overeenkomst, en hetzelfde beschermingsniveau zullen genieten.

2025/0810 (NLE)

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst herhaalt dat de EU en Mexico vastbesloten zijn hun technische voorschriften op internationale normen te baseren en overeenstemming te bereiken over een open lijst van internationale normeringsorganisaties. Wat de conformiteitsbeoordeling betreft, erkent de Gemoderniseerde algemene overeenkomst de verschillende benaderingen van de Partijen bij de conformiteitsbeoordeling en hun relevante handelsbevorderende maatregelen: voor de EU gaat het om het gebruik van de conformiteitsverklaring van de leverancier en voor Mexico om de erkenning van productcertificering in de EU.

Zorgen voor transparantie en goede regelgevingspraktijken

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst bevat een hoofdstuk over transparantie met ambitieuze bepalingen over de publicatie, het beheer en de herziening van en het beroep tegen maatregelen van algemene strekking met betrekking tot handelsaangelegenheden, en een hoofdstuk met een reeks goede regelgevingspraktijken die de EU en Mexico bij de ontwikkeling van regelgeving zullen toepassen.

Toepassen van moderne procedures voor geschillenbeslechting tussen staten

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst bevat een hoofdstuk inzake de beslechting van geschillen tussen staten, waarbij op een eerlijke rechtsgang gebaseerde doeltreffende en transparante moderne procedures worden ingesteld om geschillen tussen Mexico en de EU te voorkomen en op te lossen.

betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 209, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), en artikel 218, lid 7, 

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement 8 ,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Overeenkomstig Besluit [nummer van het besluit] van de Raad van [datum] is de Algemene overeenkomst EU-Mexico (“de overeenkomst”) op [datum] te [plaats] ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een latere datum, en wordt zij voorlopig toegepast met ingang van..., in afwachting van de inwerkingtreding ervan.

  2. Overeenkomstig artikel 218, lid 7, VWEU is het passend dat de Raad de Commissie machtigt om bepaalde wijzigingen van de overeenkomst namens de Unie goed te keuren.

  3. Overeenkomstig deel IV, hoofdstuk 2, artikel 2.11, van de overeenkomst mag niets in de overeenkomst in de Unie zodanig worden uitgelegd dat daaraan rechten worden ontleend of verplichtingen worden opgelegd aan andere personen dan die welke tussen de Partijen uit hoofde van het internationaal publiekrecht tot stand zijn gebracht. De overeenkomst kan derhalve niet rechtstreeks voor de rechterlijke instanties van de Unie of van de lidstaten worden ingeroepen.

  4. De overeenkomst dient te worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, wordt hierbij namens de Unie goedgekeurd.  9*

Artikel 2

Voor de toepassing van artikel 21.18 van deel III van de overeenkomst wordt het standpunt van de Unie inzake de wijzigingen of rectificaties van de verbintenissen uit hoofde van de bijlagen 21-A en 21-B bij de overeenkomst goedgekeurd door de Commissie.

Artikel 3

Besluiten van de Gezamenlijke Raad uit hoofde van artikel 25.35 van deel III van de overeenkomst tot wijziging van de lijst van geografische aanduidingen in bijlage 25-B bij de overeenkomst en de bijlagen I en II bij de Overeenkomst gedistilleerde dranken van 1997, die overeenkomstig artikel 25.41 in de overeenkomst is opgenomen, worden namens de Unie door de Commissie goedgekeurd. Indien belanghebbenden, nadat bezwaren in verband met een geografische aanduiding naar voren zijn gebracht, geen overeenstemming kunnen bereiken, stelt de Commissie een standpunt vast op basis van de procedure van artikel 57, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 4

Besluiten van de Gezamenlijke Raad uit hoofde van artikel 2.22, lid 4, en artikel 2.24, lid 8, van deel III van de overeenkomst tot wijziging van respectievelijk de productdefinities, oenologische procedés en beperkingen in het kader van deel A en deel B van bijlage 2-E bij de overeenkomst en de documentatie en certificering in het kader van deel D van bijlage 2-E worden namens de Unie door de Commissie goedgekeurd.

Artikel 5

De overeenkomst wordt niet aldus uitgelegd dat daaraan rechten kunnen worden ontleend of dat deze verplichtingen bevat die rechtstreeks voor de rechterlijke instanties van de Unie of van de lidstaten kunnen worden ingeroepen.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking op …..

Gedaan te Brussel,

FINANCIEEL MEMORANDUM “ONTVANGSTEN” – VOOR VOORSTELLEN DIE GEVOLGEN HEBBEN AAN DE ONTVANGSTENZIJDE VAN DE BEGROTING

Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap (“Gemoderniseerde algemene overeenkomst”) tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds.

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten (hoofdstuk/artikel/post): hoofdstuk 12, artikel 120 

Begroot bedrag voor het betrokken jaar (2025): 21 082 004 566 EUR

(alleen in geval van bestemmingsontvangsten):

De ontvangsten worden toegewezen aan het volgende begrotingsonderdeel voor uitgaven (hoofdstuk/artikel/post):

   Het voorstel heeft geen financiële gevolgen

X    Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de uitgaven maar wel voor de ontvangsten

   Het voorstel heeft financiële gevolgen voor de bestemmingsontvangsten,

namelijk: 

(in miljoen EUR, tot op 1 decimaal)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

Gevolgen voor ontvangsten

12 maanden

Jaar 2026

Hoofdstuk 12, artikel 120

18,75 miljoen EUR

Inwerkingtreding verwacht begin 2026

0

Hoofdstuk 12, artikel 120

Situatie na de actie

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten

[N+15]

[N+16]

[N+17]

[N+18]

[N+19]

Hoofdstuk 12, artikel 120

1 miljard EUR

1 miljard EUR

1 miljard EUR

1 miljard EUR

1 miljard EUR

Hoofdstuk/artikel/post ...

(Alleen in geval van bestemmingsontvangsten, op voorwaarde dat het begrotingsonderdeel al bekend is):

Begrotingsonderdeel voor uitgaven 10

Jaar N

Jaar N+1

Hoofdstuk/artikel/post ...

Hoofdstuk/artikel/post ...

Begrotingsonderdeel voor uitgaven

[N+2]

[N+3]

[N+4]

[N+5]

Hoofdstuk/artikel/post ...

Hoofdstuk/artikel/post ...

De voorgestelde verordening brengt geen extra kosten (uitgaven) mee voor de EU-begroting.

De Gemoderniseerde algemene overeenkomst zal financiële gevolgen hebben voor de EU-begroting aan de ontvangstenzijde. Bij inwerkingtreding van de Gemoderniseerde algemene overeenkomst zal dit leiden tot een geraamd verlies aan rechten ten belope van 18,75 miljoen EUR 11 .

Indirecte positieve gevolgen worden verwacht in de vorm van een stijging van de middelen in verband met belasting over de toegevoegde waarde en bruto nationaal inkomen.

BIJLAGE bij Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds

Brussel, 3.9.2025

COM(2025) 810 final

OVEREENKOMST INZAKE EEN STRATEGISCH POLITIEK, ECONOMISCH EN SAMENWERKINGSPARTNERSCHAP TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN HAAR LIDSTATEN, ENERZIJDS, EN DE VERENIGDE MEXICAANSE STATEN, ANDERZIJDS

PREAMBULE

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK KROATIË,


DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

HONGARIJE,

DE REPUBLIEK MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,


DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna “de lidstaten” genoemd,

DE EUROPESE UNIE, hierna “de Unie” of “de EU” genoemd,

enerzijds, en

de Verenigde Mexicaanse Staten. hierna “Mexico” genoemd,

anderzijds,

hierna gezamenlijk “de Partijen” genoemd,

GEZIEN de sterke culturele, politieke en economische banden die hen binden;


OPNIEUW BEVESTIGENDE dat zij vastbesloten zijn de democratische beginselen, de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te versterken en de verspreiding van massavernietigingswapens te bestrijden, en dat dit de grondslagen zijn voor hun partnerschap en samenwerking;

INDACHTIG de belangrijke bijdrage voor de versterking van deze banden die is geleverd door de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, ondertekend te Brussel op 8 december 1997;

GEZIEN hun gezamenlijke verbintenis, die in de Verklaring van Santiago van 27 januari 2013 is neergelegd, om de bestaande Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking te moderniseren en te vervangen, teneinde rekening te houden met de nieuwe politieke en economische realiteit en de vorderingen die zijn gemaakt in hun strategisch partnerschap;

OVERWEGENDE dat de Interimovereenkomst inzake handel tussen de Europese Unie en de Verenigde Mexicaanse Staten (hierna “Interimovereenkomst inzake handel tussen de EU en Mexico” genoemd) tot instelling van een vrijhandelszone tussen de EU en Mexico op [X] is ondertekend;

BENADRUKKENDE dat hun betrekkingen van alomvattende aard zijn en dat het belangrijk is een samenhangend kader voor de voortgang ervan te scheppen;

BEVESTIGENDE dat zij strategische partners zijn en vastbesloten zijn hun partnerschap en hun internationale samenwerking en dialoog verder te versterken en te verdiepen teneinde hun gemeenschappelijke belangen en waarden te bevorderen;


BEVESTIGENDE dat zij vastbesloten zijn hun samenwerking inzake bilaterale, regionale, biregionale en internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang te versterken;

ERKENNENDE dat een sterk en doeltreffend multilateraal systeem, op basis van internationaal recht, van belang is om de vrede in stand te houden, conflicten te voorkomen, de internationale veiligheid te versterken en gezamenlijke uitdagingen aan te pakken;

OPNIEUW BEVESTIGENDE dat zij vastbesloten zijn hun handelsbetrekkingen uit te breiden en te diversifiëren overeenkomstig de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (hierna de “WTO-overeenkomst” genoemd) en de specifieke doelstellingen en bepalingen van deel III van deze overeenkomst;

ERVAN OVERTUIGD dat deze overeenkomst een klimaat zal scheppen dat hun onderlinge duurzame economische betrekkingen zal doen groeien, met name op het gebied van handel en investeringen, die noodzakelijk zijn voor de economische en sociale ontwikkeling en de technologische innovatie en modernisering;

ERKENNENDE dat de bepalingen van deze overeenkomst investeringen en investeerders beschermen en tot doel hebben tot wederzijds voordeel strekkende zakelijke activiteiten te stimuleren, zonder afbreuk te doen aan het recht van de Partijen op hun grondgebied regels te stellen in het openbaar belang;


INGENOMEN met de vaststelling van Resolutie 70/1, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 25 september 2015, houdende het slotdocument “Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling” (hierna de “Agenda 2030” genoemd), de Overeenkomst van Parijs in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, gedaan te Parijs op 12 december 2015 (hierna de “Overeenkomst van Parijs” genoemd), en het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030, aangenomen tijdens de derde Wereldconferentie van de VN in Sendai op 18 maart 2015, de actieagenda van Addis Abeba van de derde internationale conferentie over ontwikkelingsfinanciering, aangenomen in Addis Abeba op 13-16 juli 2015, de verbintenissen van de wereldtop over humanitaire hulp, aangenomen tijdens de wereldtop over humanitaire hulp in Istanbul op 23-24 mei 2016, en de Nieuwe Stedenagenda, goedgekeurd tijdens de VN-conferentie over huisvesting en duurzame stadsontwikkeling (Habitat III) op 20 oktober 2016 in Quito, Ecuador (hierna de “Nieuwe Stedenagenda” genoemd), en oproepende tot een snelle uitvoering ervan;

OPNIEUW BEVESTIGENDE dat zij vastbesloten zijn mondiale uitdagingen het hoofd te bieden door duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht te bevorderen, door bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (Sustainable Development Goals, hierna de “SDG’s” genoemd) en de doelstellingen van de Agenda 2030;

BEVESTIGENDE dat zij eraan hechten de samenwerking op het gebied van justitie, mensenrechten, vrijheid en veiligheid te versterken;

ERKENNENDE dat de versterkte samenwerking op het gebied van onderwijs, cultuur, onderzoek en innovatie en andere gebieden van gemeenschappelijk belang, wederzijdse voordelen oplevert;


OPNIEUW BEVESTIGENDE dat zij zich ertoe verbinden de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze bijdraagt tot duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht, door middel van partnerschappen waarbij alle belanghebbenden, inclusief het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, worden betrokken, en deze overeenkomst uit te voeren op een wijze die in overeenstemming is met hun respectieve wetgevingen en internationale verbintenissen op het gebied van arbeid en milieu;

ERKENNENDE dat het van belang is hun economische, handels- en investeringsbetrekkingen te versterken en de liberalisering van hun onderlinge handel en investeringen te bevorderen, teneinde economische groei te bewerkstelligen en nieuwe kansen te scheppen voor werknemers en het bedrijfsleven van elke Partij, met name kleine en middelgrote ondernemingen;

ERKENNENDE dat deze overeenkomst bijdraagt tot meer consumentenwelzijn en tot het waarborgen van een hoge levensstandaard en consumentenbescherming;

AANMOEDIGENDE de ondernemingen op hun grondgebied of binnen hun jurisdictie om de internationaal erkende richtsnoeren en beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap, zoals de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, te eerbiedigen, en de beste praktijken van verantwoord ondernemerschap te hanteren;

ERKENNENDE dat krachtens de bepalingen van deze overeenkomst de Partijen het recht behouden om op hun grondgebied regels te stellen in overeenstemming met hun interne wetgeving, evenals hun flexibiliteit om legitieme beleidsdoelstellingen te verwezenlijken, onder meer op het gebied van volksgezondheid, veiligheid, milieu, de openbare zeden en de bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid;


ERKENNENDE dat transparantie, goed bestuur, en de rechtsstaat in de internationale handel en investeringen van belang zijn voor alle betrokkenen;

VASTBESLOTEN bij te dragen aan de harmonische ontwikkeling en de uitbreiding van de internationale handel en investeringen door met deze overeenkomst belemmeringen daarvoor weg te nemen, en te voorkomen dat tussen de Partijen nieuwe handels- of investeringsbelemmeringen worden opgeworpen die de voordelen van deze overeenkomst zouden kunnen beperken;

WIJZENDE op het feit dat, als de Partijen in het kader van deze overeenkomst specifieke overeenkomsten sluiten op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, die door de Unie zouden worden gesloten krachtens titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), de bepalingen van dergelijke toekomstige overeenkomsten niet bindend zijn voor Ierland, tenzij de Unie, samen met Ierland wat betreft zijn bilaterale betrekkingen, Mexico ervan in kennis heeft gesteld dat Ierland gebonden is door dergelijke toekomstige specifieke overeenkomsten als deel van de Unie, overeenkomstig Protocol nr. 21 betreffende de positie van Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het VWEU is gehecht. Evenzo zijn latere interne maatregelen van de Unie die met het oog op de uitvoering van deze overeenkomst krachtens titel V van het derde deel van het VWEU worden genomen, niet bindend voor Ierland, tenzij Ierland zijn wens te kennen heeft gegeven deel te nemen aan deze maatregelen of deze te aanvaarden overeenkomstig Protocol nr. 21. Voorts wijzende op het feit dat dergelijke toekomstige specifieke overeenkomsten of dergelijke latere interne maatregelen van de Unie zouden komen te vallen onder Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken dat aan het VEU en het VWEU is gehecht,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:


DEEL I 1

ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 1

Doelstellingen van de overeenkomst

De doelstellingen van deze overeenkomst zijn:

a)    het tot stand brengen van een versterkt strategisch partnerschap, het versterken van de politieke dialoog, en het verdiepen en intensiveren van de samenwerking inzake vraagstukken van wederzijds belang;

b)    het bevorderen van handel en investeringen tussen de Partijen door hun economische en handelsbetrekkingen uit te breiden en te diversifiëren, wat moet bijdragen tot een hogere en duurzamere economische groei en een verbeterde levenskwaliteit.


ARTIKEL 2

Algemene beginselen

1.    De eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals deze zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere toepasselijke internationale mensenrechteninstrumenten waarbij zij partij zijn, en van het beginsel van de rechtsstaat, ligt ten grondslag aan het interne en het internationale beleid van beide Partijen en is een essentieel element van deze overeenkomst.

2.    De Partijen bevestigen hun krachtige steun voor de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties (hierna de “VN” genoemd).

3.    De Partijen delen de mening dat de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel overheids- als niet-overheidsactoren, een ernstige bedreiging voor de internationale stabiliteit en veiligheid vormt.

4.    De Partijen erkennen dat het ongecontroleerde verkeer van conventionele wapens een bedreiging vormt voor de internationale en regionale vrede, veiligheid en stabiliteit, en dat samenwerking nodig is om de verantwoorde overdracht van conventionele wapens te waarborgen.

5.    De Partijen bevestigen opnieuw dat zij zich ervoor inzetten duurzame ontwikkeling in alle opzichten te stimuleren, bij te dragen tot de verwezenlijking van internationaal overeengekomen duurzameontwikkelingsdoelstellingen en samen te werken om wereldwijde milieuproblemen aan te pakken.


6.    De Partijen bevestigen dat zij zich zullen inzetten voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen en meisjes.

7.    De Partijen bevestigen opnieuw hun verbintenis tot het bestrijden van discriminatie op welke grond ook, zoals geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.

8.    De Partijen bevestigen hun engagement om deze overeenkomst uit te voeren op basis van gedeelde waarden, de beginselen van dialoog, wederzijds respect, gelijkwaardig partnerschap, multilateralisme, samenwerking en eerbiediging van het internationaal recht.


DEEL II 2

POLITIEKE DIALOOG EN SAMENWERKING

HOOFDSTUK 1

POLITIEKE DIALOOG, INTERNATIONALE VREDE EN VEILIGHEID

ARTIKEL 1.1

Politieke dialoog

1.    De Partijen versterken hun politieke dialoog en samenwerking op alle niveaus, door middel van uitwisselingen en overleg inzake bilaterale, regionale, biregionale, internationale en multilaterale vraagstukken.

2.    De politieke dialoog heeft tot doel:

a)    de ontwikkeling van bilaterale betrekkingen te bevorderen en het strategisch partnerschap te versterken;

b)    de samenwerking inzake regionale, biregionale en internationale uitdagingen en vraagstukken te versterken.


3.    De politieke dialoog tussen de Partijen kan de volgende gezamenlijk overeen te komen vormen aannemen:

a)    overleg, bijeenkomsten en bezoeken op het hoogste niveau;

b)    overleg, bijeenkomsten en bezoeken op ministerieel niveau;

c)    regelmatige bijeenkomsten tussen hoge ambtenaren, met inbegrip van een politieke dialoog op hoog niveau;

d)    sectorale dialogen over vraagstukken van gemeenschappelijk belang;

e)    uitwisseling van delegaties en andere contacten tussen het Congres van Mexico en het Europees Parlement;

f)    andere door de Partijen overeengekomen vormen.

ARTIKEL 1.2

Democratische beginselen, mensenrechten en de rechtsstaat

1.    De Partijen werken samen aan de bevordering en bescherming van de mensenrechten, ook wat betreft de ratificatie en uitvoering van internationale mensenrechteninstrumenten, en aan de versterking van de democratische beginselen en de rechtsstaat, door gendergelijkheid te bevorderen en discriminatie in al haar vormen te bestrijden.


2.    Deze samenwerking kan bestaan uit:

a)    het bevorderen van een zinvolle, breed gefundeerde mensenrechtendialoog;

b)    het ondersteunen van de ontwikkeling en uitvoering van actieplannen met betrekking tot de mensenrechten;

c)    het bevorderen van de mensenrechten, ook via onderwijs en samenwerking;

d)    het versterken van de nationale en regionale instellingen op het gebied van de mensenrechten;

e)    het opvoeren van de samenwerking met de mensenrechtenorganen van de VN en de speciale procedures van de Mensenrechtenraad, teneinde hun aanbevelingen uit te voeren;

f)    het opvoeren van de samenwerking met de VN-instellingen op het gebied van de mensenrechten en met de desbetreffende regionale en multilaterale fora;

g)    het versterken van hun capaciteit om democratische beginselen en praktijken toe te passen;

h)    het versterken van goed, onafhankelijk en transparant bestuur op lokaal, nationaal, regionaal en mondiaal niveau, het bevorderen van de verantwoordingsplicht en transparantie van instellingen, en het ondersteunen van de participatie van burgers en de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld;

i)    het overleggen en coördineren, voor zover nodig, ook in derde landen, ter versterking van de democratische beginselen, de mensenrechten en de rechtsstaat;


j)    het bevorderen van de universaliteit van internationale mensenrechtenverdragen en het aanmoedigen van andere staten om hun verplichtingen op dit gebied na te komen;

k)    het voorkomen van straffeloosheid voor schendingen van de mensenrechten.

ARTIKEL 1.3

Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen, vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling

1.    De Partijen bevorderen gendergelijkheid en empowerment van vrouwen. Zij erkennen de noodzaak van gendergelijkheid en empowerment van vrouwen en meisjes als voorwaarde voor volledige verwezenlijking van duurzame en inclusieve ontwikkeling, democratie en veiligheid. De Partijen onderzoeken verdere regelingen voor samenwerking en potentiële synergieën tussen hun respectieve beleid en initiatieven, in overeenstemming met internationale normen en verbintenissen, zoals het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, dat op 18 december 1979 door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen (CEDAW), de algemene aanbevelingen van het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen, de Agenda 2030 en Resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad, en latere resoluties van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid.


2.    Deze samenwerking kan bestaan uit:

a)    het bevorderen van een doeltreffende gendermainstreaming;

b)    het ondersteunen van de ontwikkeling en uitvoering van een nationaal actieplan met betrekking tot Resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad;

c)    het bevorderen van politieke participatie en politiek leiderschap van vrouwen, van toegang tot kwaliteitsonderwijs voor vrouwen, van economische empowerment en economisch leiderschap van vrouwen, en van een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen;

d)    het versterken van nationale en regionale instellingen door middel van specifieke maatregelen om problemen in verband met geweld tegen vrouwen en meisjes aan te pakken en te behandelen, onder meer via preventie en bescherming tegen seksueel en gendergerelateerd geweld, onderzoek en verantwoordingsmechanismen, ondersteuning van slachtoffers en de bevordering van de veiligheid van vrouwen en meisjes;

e)    het actief versterken van de bescherming van de mensenrechten van vrouwen, ook tegen elke vorm van discriminatie en geweld tegen hen, en ervoor zorgen dat zij toegang hebben tot de rechter;

f)    het versterken van de samenwerking met de betrokken organen van de VN en andere internationale organisaties;

g)    het actief bevorderen van genderanalyse en de systematische integratie van het genderperspectief in alle aangelegenheden die verband houden met vrede en veiligheid, en het waarborgen van het leiderschap van vrouwen en hun zinvolle participatie aan vredesprocessen, bemiddelingspogingen, conflictoplossing en vredesopbouw, alsmede aan civiele en militaire missies en operaties.


ARTIKEL 1.4

Bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens

1.    De Partijen zijn van oordeel dat de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel overheids- als niet-overheidsactoren, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale stabiliteit en veiligheid vormt. De Partijen werken derhalve samen en leveren een bijdrage aan de bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door de volledige naleving en de uitvoering op nationaal niveau van de verbintenissen die zij zijn aangegaan in het kader van internationale verdragen en overeenkomsten op het gebied van ontwapening en non-proliferatie, alsmede van hun andere internationale verplichtingen op dat gebied. De Partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel element van deze overeenkomst vormt.

2.    De Partijen werken samen en dragen bij aan de bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door:

a)    maatregelen te nemen die zijn gericht op de ondertekening of de ratificatie van de internationale instrumenten ter zake of op aansluiting daarbij, al naargelang het geval, en op de volledige uitvoering daarvan;

b)    een doeltreffend stelsel van nationale uitvoercontroles in te stellen en te handhaven, met het oog op de beheersing van de uitvoer en doorvoer van goederen die verband houden met massavernietigingswapens, met inbegrip van een controle op het eindgebruik als massavernietigingswapen van technologieën voor tweeërlei gebruik en doeltreffende sancties in het geval van overtreding van de uitvoercontroles.

3.    De Partijen stellen een regelmatige politieke dialoog in ter begeleiding en consolidatie van deze elementen.


ARTIKEL 1.5

Handvuurwapens en lichte wapens en andere conventionele wapens

1.    De Partijen erkennen dat de illegale productie en overdracht van en de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens, met inbegrip van munitie, delen en onderdelen, alsmede de illegale accumulatie, slecht beheer, inadequaat beveiligde voorraden en ongecontroleerde verspreiding ervan een ernstige bedreiging voor de vrede en de internationale veiligheid blijven vormen.

2.    De Partijen komen hun verplichtingen na met betrekking tot de aanpak van alle aspecten van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens, met inbegrip van munitie, delen en onderdelen, en voeren deze volledig uit, overeenkomstig de bestaande internationale verdragen en de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, evenals hun verbintenissen in het kader van andere internationale instrumenten op dit gebied, zoals het VN-actieprogramma ter voorkoming, bestrijding en uitbanning van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens in al zijn aspecten.

3.    De Partijen erkennen het belang van binnenlandse controlesystemen voor de overdracht van conventionele wapens in overeenstemming met de geldende internationale normen. De Partijen onderkennen dat het van belang is die controles op verantwoordelijke wijze toe te passen en aldus bij te dragen tot de internationale en regionale vrede, veiligheid en stabiliteit, en tot het verminderen van menselijk leed, en te helpen voorkomen dat conventionele wapens op de illegale markt belanden.


4.    De Partijen voeren het op 2 april 2013 in New York aangenomen Wapenhandelsverdrag (hierna het “WHV” genoemd) volledig uit en werken onderling samen in het kader van het WHV, onder meer ter bevordering van de universalisering van het WHV voor alle VN-lidstaten en de volledige uitvoering ervan door alle staten die hierbij partij zijn.

5.    De Partijen werken samen en zorgen voor coördinatie, complementariteit en synergie bij het opstellen of verbeteren van de regelgeving voor de internationale handel in conventionele wapens, en bij het voorkomen, bestrijden en uitroeien van de illegale handel in conventionele wapens, met inbegrip van munitie daarvoor en delen en onderdelen daarvan.

6.    De Partijen stellen een regelmatige politieke dialoog in ter begeleiding en consolidatie van de aangelegenheden die onder dit artikel vallen.

ARTIKEL 1.6

Internationaal Strafhof

1.    De Partijen erkennen dat de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap aangaan, niet ongestraft mogen blijven en zij streven ernaar dat die misdrijven effectief worden onderzocht en vervolgd door middel van maatregelen op nationaal niveau en door de versterking van de internationale samenwerking, onder meer via het Internationaal Strafhof (hierna het “ICC” genoemd).


2.    De Partijen propageren de universele ratificatie van of toetreding tot het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna het “Statuut van Rome” genoemd), en streven naar de doeltreffende interne uitvoering ervan door de staten die partij zijn bij het ICC. De Partijen wisselen in voorkomend geval beste praktijken uit voor de vaststelling van interne wetgeving en nemen maatregelen om de integriteit van het Statuut van Rome te waarborgen.

ARTIKEL 1.7

Terrorismebestrijding

De Partijen bevestigen opnieuw het belang van de bestrijding van terrorisme en werken conform internationale overeenkomsten, de toepasselijke VN-resoluties en hun eigen wet- en regelgeving samen om in onderling overleg terroristische daden te voorkomen en te bestrijden. Zij doen dit in het bijzonder:

a)    in het kader van de volledige en doeltreffende uitvoering van Resolutie 1373 van de VN-Veiligheidsraad (2001) en andere toepasselijke VN-resoluties en internationale instrumenten;

b)    door de samenwerking tussen de VN-lidstaten te bevorderen om de mondiale strategie voor terrorismebestrijding van de VN die op 8 september 2006 door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen, doeltreffend uit te voeren;


c)    door informatie uit te wisselen over terroristische groeperingen en de hen ondersteunende netwerken, overeenkomstig het internationale en binnenlandse recht; en

d)    door ervaringen uit te wisselen over de middelen en methoden om terrorisme te voorkomen en te bestrijden, met inbegrip van technische kennis en opleidingen, en door beste praktijken uit te wisselen op het gebied van het voorkomen van terrorisme.

ARTIKEL 1.8

Vredeshandhaving en crisismanagement

De Partijen werken samen ter bevordering van vrede en internationale veiligheid. Zij onderzoeken de mogelijkheden om de activiteiten voor crisismanagement te coördineren, met inbegrip van samenwerking bij crisisbeheersingsoperaties.

ARTIKEL 1.9

Veiligheid van burgers

De Partijen bevorderen de dialoog en samenwerking op het gebied van de veiligheid van burgers. Zij erkennen dat de veiligheid van burgers een nationale, transnationale, regionale en biregionale dimensie heeft die een bredere dialoog en samenwerking vereist.


HOOFDSTUK 2

SAMENWERKING IN INTERNATIONALE EN REGIONALE ORGANISATIES

ARTIKEL 2.1

Internationale organisaties

1.    De Partijen bevorderen multilateralisme en werken samen door van gedachten te wisselen en, in voorkomend geval, standpunten te coördineren in internationale organisaties en fora, met inbegrip van de VN en de gespecialiseerde agentschappen daarvan, de Wereldhandelsorganisatie (hierna de “WTO” genoemd), de Groep van Twintig (hierna de “G20” genoemd), en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna de “OESO” genoemd).

2.    De Partijen hanteren doeltreffende raadplegingsmechanismen in de marge van multilaterale fora. De Partijen voeren een open en permanente dialoog in de Mensenrechtenraad van de VN, de Algemene Vergadering van de VN en, waar passend en zoals overeengekomen door de Partijen, in andere organen en gespecialiseerde agentschappen van de VN.


ARTIKEL 2.2

Regionale organisaties

1.    De Partijen werken samen door van gedachten te wisselen over vraagstukken van wederzijds belang, en, in voorkomend geval, door informatie uit te wisselen over standpunten in regionale en subregionale organisaties en fora.

2.    De Partijen bevorderen de biregionale dialoog en samenwerking, onder meer in het kader van de samenwerking tussen de EU en de Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische staten (hierna “Celac” genoemd). De samenwerking kan indien gewenst steun omvatten voor integratie en groepsopbouw binnen Celac.

3.    De Partijen bevorderen de samenwerking in de Pacifische Alliantie, via het kader daarvan voor waarnemende staten.

4.    De Partijen bevorderen de regionale en trilaterale samenwerking met derde landen, voornamelijk in Midden-Amerika en het Caribisch gebied.


HOOFDSTUK 3

VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHT

ARTIKEL 3.1

Samenwerking op juridisch en justitieel gebied

1.    De Partijen versterken de bestaande samenwerking op het gebied van wederzijdse rechtshulp en uitlevering op basis van de toepasselijke internationale overeenkomsten. De Partijen versterken de bestaande mechanismen en overwegen in voorkomend geval de ontwikkeling van nieuwe mechanismen om de internationale samenwerking op dit gebied te vergemakkelijken. Deze samenwerking omvat het nemen van maatregelen die zijn gericht op de ondertekening of de ratificatie van de internationale instrumenten ter zake of op aansluiting daarbij, al naargelang het geval, en op de volledige uitvoering daarvan, alsmede een nauwere samenwerking met Eurojust.

2.    De Partijen bouwen de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken uit, met name wat betreft de onderhandeling over, en de ratificatie en uitvoering van multilaterale verdragen inzake samenwerking in burgerlijke zaken, waaronder de verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht op het gebied van internationale juridische samenwerking en procesvoering alsmede de bescherming van kinderen.


ARTIKEL 3.2

Rechtshandhaving en de voorkoming en bestrijding van corruptie en
grensoverschrijdende georganiseerde misdaad

1.    De Partijen werken samen en wisselen van gedachten over de voorkoming en bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, mensenhandel, migrantensmokkel, illegale handel in vuurwapens, met inbegrip van munitie, onderdelen en componenten daarvan, economische en financiële misdaad, het wereldwijde drugsprobleem, corruptie en vervalsing van betaalmiddelen, overeenkomstig hun respectieve wetgeving en internationale verplichtingen, onder meer wat betreft wederzijdse rechtshulp, uitwisseling van informatie, beste praktijken en opleiding, en de terugvordering van uit criminele activiteiten verkregen vermogensbestanddelen of gelden.

2.    De Partijen zetten hun dialoog en samenwerking op het gebied van rechtshandhaving voort, onder meer door strategische samenwerking met Europol, alsook hun strategische justitiële samenwerking, onder meer via Eurojust en, in voorkomend geval, met andere nationale en internationale instellingen.

3.    De Partijen streven ernaar samen te werken in internationale fora ter bevordering, in voorkomend geval, van de naleving en uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, dat op 15 november 2000 is aangenomen bij VN-Resolutie 55/25 (hierna het “Verdrag van Palermo” genoemd) en de bijbehorende protocollen.


4.    De Partijen bevorderen de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, dat op 31 oktober 2003 is aangenomen bij Resolutie 58/4 van de VN, en steunen het beoordelingsmechanisme voor de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, dat is ingesteld door de Conferentie van de staten die partij zijn bij het VN-Verdrag tegen corruptie in Doha van 9-13 november 2009 (hierna het “beoordelingsmechanisme voor de uitvoering” genoemd), onder meer door vast te houden aan het transparantiebeginsel en de deelname van het maatschappelijk middenveld aan het beoordelingsmechanisme voor de uitvoering.

5.    De Partijen erkennen het belang van corruptiebestrijding in de internationale handel en investeringen en verbinden zich in dat verband tot het Protocol inzake de voorkoming en bestrijding van corruptie, dat aan deze overeenkomst is gehecht.

ARTIKEL 3.3

Migratie, asiel en grensbeheer

1.    De Partijen werken samen en wisselen binnen het kader van hun respectieve wet- en regelgeving en bevoegdheden ervaringen en informatie uit over migratievraagstukken, waaronder reguliere en irreguliere migratie, bestrijding van migrantensmokkel en mensenhandel, migratie en ontwikkeling, asiel, overname, integratie, visa, vergemakkelijking van reguliere migratie, migratiecontrole en grensbeheer. De Partijen wisselen beste praktijken uit inzake de bescherming van migrerende vrouwen en kinderen, met name niet-begeleide kinderen, en andere kwetsbare groepen.


2.    De Partijen werken samen om irreguliere migratie te voorkomen, migrantensmokkel en mensenhandel te bestrijden en een veilige, reguliere en ordelijke migratie te bevorderen. Daartoe, in het kader van hun respectieve wet- en regelgeving:

a)    neemt Mexico al zijn onderdanen die van het grondgebied van een lidstaat moeten terugkeren, op verzoek van die lidstaat en zonder verdere formaliteiten over, tenzij in een specifieke overeenkomst anders is bepaald;

b)    neemt elke lidstaat al zijn onderdanen die van het grondgebied van Mexico moeten terugkeren, op verzoek van Mexico en zonder verdere formaliteiten over, tenzij in een specifieke overeenkomst anders is bepaald;

c)    verstrekken de lidstaten en Mexico hun onderdanen passende reisdocumenten voor de in de punten a) en b) genoemde doeleinden of aanvaarden zij het gebruik van de reisdocumenten van de Unie voor terugkeerdoeleinden;

d)    streven de Partijen ernaar te onderhandelen over een specifieke overeenkomst tot vaststelling van de verplichtingen inzake de overname van onderdanen, met inbegrip van bewijsmiddelen betreffende de nationaliteit. De voorwaarden voor de overname van onderdanen van derde landen worden bij die overeenkomst vastgesteld.


ARTIKEL 3.4

Het wereldwijde drugsprobleem

1.    De Partijen werken samen om te zorgen voor een evenwichtige en geïntegreerde aanpak van drugsvraagstukken teneinde:

a)    de inspanningen te bundelen om de operationele aanbevelingen van de bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van de VN van 2016 over het wereldwijde drugsprobleem (UNGASS 2016) doeltreffend uit te voeren;

b)    de gezondheids- en sociale gevolgen van het wereldwijde drugsprobleem aan te pakken, met een beleid dat gericht is op duurzame ontwikkeling, door middel van alomvattende, empirisch onderbouwde initiatieven met het oog op vermindering van de vraag op alle niveaus, die met name betrekking hebben op programma’s voor preventie, behandeling, rehabilitatie en sociale re-integratie;

c)    te investeren in behandeling en meer bekendheid te geven aan volksgezondheidsmaatregelen voor de aanpak van drugsgebruik binnen de nationale gezondheidsstelsels;

d)    epidemiologisch onderzoek te versterken en de systematische beschikbaarheid en kwaliteit van statistische informatie op alle drugsgerelateerde gebieden te blijven verbeteren;


e)    te zorgen voor een aanpak van de volksgezondheid die de toegang tot en de beschikbaarheid van stoffen onder toezicht voor medische en wetenschappelijke doeleinden bevordert en tegelijkertijd voorkomt dat deze stoffen op de illegale markt belanden;

f)    het aanbod van, de illegale handel in en de vraag naar illegale drugs en nieuwe psychoactieve stoffen terug te dringen, onder meer door informatie-uitwisseling en mogelijke andere samenwerkingsactiviteiten;

g)    een genderperspectief en mensenrechtenaspecten in alle beleidslijnen en programma’s op het gebied van drugs te integreren;

h)    aan te moedigen tot de toepassing van alternatieve straffen voor personen die zich schuldig hebben gemaakt aan overtredingen van de drugswetgeving en drugsgerelateerde misdrijven;

i)    misbruik aan te pakken van chemische precursoren, essentiële chemische stoffen en producten of deze stoffen bevattende preparaten die worden gebruikt voor de illegale productie van verdovende middelen, psychotrope stoffen en nieuwe psychoactieve stoffen.


2.    De Partijen werken samen om deze doelstellingen te verwezenlijken, onder meer door, waar mogelijk, derde landen die dit nog niet hebben gedaan aan te moedigen de bestaande internationale verdragen en protocollen inzake drugsbestrijding waarbij zij partij zijn, te ratificeren en uit te voeren. De Partijen baseren hun acties op hun toepasselijke wet- en regelgeving, op algemeen aanvaarde beginselen in overeenstemming met de desbetreffende VN-verdragen inzake drugsbestrijding, en op de aanbevelingen in het slotdocument van de UNGASS 2016 getiteld “Our joint commitment to effectively addressing and countering the world drug problem”, als de recentste internationale consensus over het mondiale drugsbeleid, teneinde de balans op te maken van de uitvoering van de verbintenissen die zijn aangegaan om het wereldwijde drugsprobleem gezamenlijk aan te pakken en te bestrijden, met name in het licht van de streefdatum van 2019.

ARTIKEL 3.5

Witwaspraktijken en de financiering van terrorisme

De Partijen werken samen met het oog op de voorkoming en doeltreffende bestrijding van het gebruik van hun financiële instellingen en aangewezen niet-financiële ondernemingen en beroepen voor het witwassen van opbrengsten van criminele activiteiten en de financiering van terrorisme. Daartoe wisselen zij informatie uit overeenkomstig hun respectieve wetgeving en werken zij samen om te zorgen voor de doeltreffende en volledige uitvoering van de aanbevelingen van de Financiële-actiegroep (hierna de “FATF” genoemd) en andere normen die zijn vastgesteld door de desbetreffende internationale organen die op dit gebied actief zijn. Deze samenwerking kan onder meer betrekking hebben op de terugvordering, inbeslagname, confiscatie, opsporing, identificatie en teruggave van vermogensbestanddelen of gelden die verband houden met de opbrengst van criminele activiteiten of met terrorismefinanciering.


ARTIKEL 3.6

Cybercriminaliteit

1.    De Partijen erkennen dat cybercriminaliteit een wereldwijd probleem is, dat een mondiale oplossing vergt. De Partijen versterken de samenwerking om cybercriminaliteit te voorkomen en te bestrijden door informatie en beste praktijken en trends uit te wisselen, overeenkomstig hun respectieve wetgeving en de relevante internationale rechtsinstrumenten inzake cybercriminaliteit. De Partijen werken zo nodig samen om bijstand en steun te verlenen aan andere staten bij de ontwikkeling van doeltreffende wetgeving, beleidslijnen en praktijken ter voorkoming en bestrijding van cybercriminaliteit.

2.    De Partijen wisselen in voorkomend geval, overeenkomstig hun respectieve wetgeving, informatie, ervaringen en beste praktijken uit op gebieden als onderwijs en opleiding van onderzoekers van cybercriminaliteit, onderzoeken naar cybercriminaliteit en digitale forensische opsporing, met de nadruk op de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en de bescherming van kritieke infrastructuur, waaronder de financiële, de energie- en de telecommunicatiesector.

ARTIKEL 3.7

Bescherming van persoonsgegevens

1.    De Partijen erkennen het belang van de bescherming van de grondrechten op eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens. De Partijen werken samen om de eerbiediging van deze grondrechten te waarborgen, onder meer op het gebied van rechtshandhaving en bij het voorkomen en bestrijden van terrorisme en andere ernstige grensoverschrijdende misdrijven.


2.    De Partijen werken samen om een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens te bevorderen. De samenwerking op bilateraal en multilateraal niveau kan betrekking hebben op capaciteitsopbouw, technische bijstand, uitwisseling van informatie en expertise, en samenwerking via regelgevende tegenhangers in internationale organen, zoals wederzijds overeengekomen door de Partijen.

ARTIKEL 3.8

Consumentenbeleid

De Partijen erkennen het belang van het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming en streven daartoe naar samenwerking op het gebied van consumentenbeleid. Deze samenwerking kan, voor zover mogelijk, betrekking hebben op:

a)    de uitwisseling van informatie over hun respectieve kaders voor consumentenbescherming, onder meer over consumentenwetgeving, de veiligheid van consumentenproducten, verhaalmogelijkheden voor consumenten en de handhaving van consumentenwetgeving;

b)    de bevordering van de oprichting van onafhankelijke consumentenorganisaties en contacten tussen vertegenwoordigers van consumenten.


ARTIKEL 3.9

Consulaire bescherming

Mexico stemt ermee in dat de diplomatieke en consulaire autoriteiten van alle vertegenwoordigde EU-lidstaten bescherming bieden aan alle onderdanen van een EU-lidstaat die niet over een permanente vertegenwoordiging in Mexico beschikt die feitelijk in staat is in een concreet geval consulaire bescherming te bieden, op dezelfde voorwaarden als aan de onderdanen van de betrokken EU-lidstaat.

ARTIKEL 3.10

Rampenrisicobeheersing en civiele bescherming

De Partijen erkennen de noodzaak om de risico’s op zowel binnenlandse als mondiale natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen te beperken. De Partijen bevestigen dat zij zich er gezamenlijk toe verbinden maatregelen inzake preventie, verzachting, paraatheid, vroege waarschuwing, respons en herstel te verbeteren om de maatschappij en de infrastructuur veerkrachtiger te maken en, waar passend, op bilateraal en multilateraal niveau samen te werken om mondiale resultaten op het gebied van rampenrisicobeheer te verbeteren, overeenkomstig het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030, in samenhang met de SDG’s, de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering (hierna de “Overeenkomst van Parijs” genoemd) en de Nieuwe Stedenagenda.


HOOFDSTUK 4

DUURZAME ONTWIKKELING

ARTIKEL 4.1

Duurzame ontwikkeling

1.    De Partijen bevestigen opnieuw hun verbintenis om duurzame ontwikkeling te verwezenlijken, zoals neergelegd in de Agenda 2030. De Partijen erkennen dat voor duurzame ontwikkeling op de lange termijn inclusieve economische groei, sociaal welzijn en het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen zijn vereist. Die drie dimensies zijn onderling nauw verbonden en versterken elkaar wederzijds.

2.    De Partijen bevorderen duurzame ontwikkeling in haar drie dimensies, de economische, de sociale en de ecologische, op evenwichtige wijze, onder meer via een verantwoord, efficiënt gebruik en een duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, overeenkomstig hun respectieve prioriteiten en omstandigheden, en zij verhogen het bewustzijn omtrent de economische en sociale kosten van milieuschade, niet-duurzame productie- en consumptiepatronen en de daarmee gepaard gaande gevolgen voor het menselijk welzijn.

3.    De Partijen bevorderen duurzame ontwikkeling voor iedereen, door middel van dialoog, gezamenlijk optreden, uitwisseling van beste praktijken, goed bestuur op alle niveaus en het inzetten van financiële middelen, waarbij de bestaande financiële instrumenten optimaal worden benut en de haalbaarheid van nieuwe instrumenten wordt onderzocht.


ARTIKEL 4.2

Duurzame ontwikkelingssamenwerking

1.    Het hoofddoel van ontwikkelingssamenwerking is de uitvoering van de Agenda 2030, in zijn multidimensionale en mensgerichte perspectief, en de verwezenlijking van de SDG’s. De beginselen van doeltreffende ontwikkelingssamenwerking, zoals uiteengezet door het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking, dat voortbouwt op de Verklaring van Parijs inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, die werd aangenomen tijdens het Forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Parijs op 2 maart 2005, en de Actieagenda van Accra, goedgekeurd tijdens het Forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp op 4 september 2008 in Accra, zijn belangrijke instrumenten om de effecten van de ontwikkeling te maximaliseren.

2.    De Partijen pakken de uitdagingen in verband met de verwezenlijking van de SDG’s aan door voorrang te geven aan de behoeften van elke Partij en aan nationale zeggenschap, rekening houdend met de regionale context, en door synergieën en ontwikkelingspartnerschappen op te bouwen met een reeks belanghebbenden ter plaatse, waaronder het maatschappelijk middenveld, lokale overheden, de particuliere sector of organisaties zonder winstoogmerk. Hoewel de Partijen de centrale rol van regeringen bij de bevordering van ontwikkeling erkennen, werken zij ook samen om te bevorderen dat de particuliere sector, met name kleine en middelgrote ondernemingen, het beleid inzake duurzame ontwikkeling in de praktijk overneemt.

3.    De Partijen werken samen om wereldwijd de hulpbronnenefficiëntie en ‑duurzaamheid van consumptie- en productiepatronen geleidelijk te verbeteren, conform overeengekomen internationale kaders, en streven naar maatregelen om economische groei los te koppelen van aantasting van het milieu.


4.    De Partijen voeren een regelmatige beleidsdialoog over duurzame ontwikkeling en de verwezenlijking van de SDG’s, op basis van gemeenschappelijke prioriteiten, teneinde de kwaliteit en de doeltreffendheid van hun ontwikkelingssamenwerking te verbeteren, overeenkomstig internationaal aanvaarde beginselen met betrekking tot de doeltreffendheid van steun en ontwikkelingshulp.

5.    De Partijen erkennen dat het mainstreamen van het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit in sectorale en sectoroverschrijdende plannen, programma’s en beleid in de betrokken sectoren, en de versterking van de binnenlandse wettelijke, institutionele en regelgevende kaders kunnen bijdragen tot het sorteren van positieve effecten op de biologische diversiteit en haar ecosysteemdiensten, alsmede tot het verwezenlijken van duurzame ontwikkeling. Daarom werken de Partijen samen om de mainstreaming van biodiversiteit in de betrokken sectoren te integreren, voor zover van toepassing, teneinde de inspanningen om het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen te intensiveren en het menselijk welzijn te verbeteren.

6.    De Partijen werken samen en voeren gezamenlijke activiteiten uit, onder meer via bilaterale coördinatie in relevante multilaterale fora en via regionale en trilaterale samenwerking, bij voorkeur in het kader van bestaande mechanismen en initiatieven, met het oog op hun dialoog over duurzame ontwikkeling en hun inzet voor de Agenda 2030. De samenwerking kan onder meer betrekking hebben op de volgende gebieden:

a)    verwezenlijking van de doelstellingen en streefcijfers van de SDG’s;

b)    milieubescherming, op alle niveaus, met inbegrip van het behoud en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen;


c)    klimaatverandering, veerkracht, rampenrisicobeheer en duurzame energie;

d)    het verband tussen veiligheid en ontwikkeling, met inbegrip van de opbouw van stabiliteit en veiligheid, de ondersteuning van de rechtsstaat, de bestrijding van het wereldwijde drugsprobleem en de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit;

e)    het scheppen van inclusieve groei en banen;

f)    governance, waaronder versterking van de budgettaire, economische, ecologische en sociale governance;

g)    onderwijs, waaronder hoger onderwijs, technische en beroepsopleiding, capaciteitsopbouw, innovatie en uitwisselingen op deze gebieden; en

h)    strategieën voor deelname van de particuliere sector.

7.    De Partijen blijven trilaterale samenwerkingsactiviteiten ontwikkelen om derde landen te ondersteunen bij de uitvoering van de SDG’s, waaronder de minst ontwikkelde landen en andere ontwikkelingslanden in kwetsbare situaties, zoals kleine eilandstaten in ontwikkeling. In dat verband zoeken de Partijen in voorkomend geval naar innovatieve vormen van samenwerking, ook voor meer gevorderde ontwikkelingslanden. De trilaterale samenwerking bestaat in de ondersteuning van strategieën op maat en gezamenlijk overeengekomen maatregelen op basis van de behoeften van derde landen. Daartoe ontwikkelen de Partijen gecoördineerde samenwerkingsactiviteiten, zoals technische bijstand, opleiding, capaciteitsopbouw, kennisdeling en andere vormen van samenwerking die door de Partijen onderling en met het ontvangende derde land gezamenlijk worden vastgesteld.


8.    Deze samenwerking kan onder meer tot stand komen door middel van:

a)    het opbouwen van capaciteit en het delen van kennis door middel van opleidingscursussen, workshops en seminars, de uitwisseling van deskundigen, studies en gemeenschappelijk onderzoek;

b)    het aantrekken van financiële middelen via blendingverrichtingen in partnerschap met de Europese Investeringsbank en andere in aanmerking komende Europese instellingen voor ontwikkelingsfinanciering;

c)    het in overweging nemen van eventuele andere vormen van ontwikkelingsfinanciering, met de nadruk op innovatieve financieringsmechanismen, zoals trilaterale samenwerking; en

d)    het uitwisselen van informatie over beste praktijken inzake de doeltreffendheid van ontwikkeling.

9.    De Partijen werken samen om de verantwoordingsplicht en transparantie te versterken met het oog op betere resultaten van ontwikkeling, en om de nationale systemen voor duurzame dienstverlening te versterken en genderoverwegingen in alle programma’s en instrumenten te mainstreamen.

10.    De ontwikkelingssamenwerking wordt uitgevoerd in overeenstemming met de desbetreffende internationaal overeengekomen beginselen en beleidslijnen waartoe beide Partijen zich hebben verbonden.


ARTIKEL 4.3

Agenda voor duurzame steden

De Partijen werken samen bij de uitvoering van beleid ter bevordering van duurzame stedelijke gebieden, onder meer op basis van de Nieuwe Stedenagenda, met als doel steden en menselijke woongebieden tot stand te brengen waar iedereen gelijke rechten, gelijke kansen en fundamentele vrijheden geniet, overeenkomstig de SDG’s en streefdoelen, in het bijzonder doelstelling 11: “Maak steden en menselijke nederzettingen inclusief, veilig, veerkrachtig en duurzaam”.

ARTIKEL 4.4

Ontwikkeling van regionaal en stedelijk beleid

1.    De Partijen erkennen het belang van beleid ter bevordering van evenwichtige en duurzame territoriale en stedelijke ontwikkeling als middel om effectief bij te dragen aan de uitvoering van de doelstellingen van de Agenda 2030 en de Nieuwe Stedenagenda.

2.    De Partijen bevorderen samenwerking en partnerschap tussen alle belangrijke actoren op het gebied van regionale en territoriale ontwikkeling en duurzame stedelijke ontwikkeling, met name betreffende manieren om territoriale en stedelijke uitdagingen op geïntegreerde en alomvattende wijze aan te pakken.

3.    De Partijen ontwikkelen waar mogelijk concrete mogelijkheden voor samenwerking tussen regio’s en samenwerking tussen steden inzake duurzame oplossingen voor regionale en stedelijke uitdagingen, om de capaciteitsopbouw te verbeteren door uitwisseling van ervaringen en praktijken en door van elkaar te leren.


HOOFDSTUK 5

MILIEU, KLIMAATVERANDERING EN ENERGIE

ARTIKEL 5.1

Milieu

1.    De Partijen erkennen dat het noodzakelijk is de natuurlijke rijkdommen en biodiversiteit te beschermen, in stand te houden, te herstellen en duurzaam te beheren, met inbegrip van bodems, land, bossen, water, oceanen, zeeën en mariene hulpbronnen, als basis voor de duurzame ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige en toekomstige generaties.

2.    De Partijen erkennen het belang van mondiale milieugovernance en internationale regels, met inbegrip van multilaterale milieuovereenkomsten, om milieu-uitdagingen van gemeenschappelijk belang aan te pakken. Elke Partij herbevestigt haar verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij is, uit te voeren.


3.    De Partijen versterken hun samenwerking op onderling overeengekomen prioritaire gebieden inzake milieubescherming en -behoud, verantwoord en efficiënt gebruik en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, en inzake de opname van milieuoverwegingen in alle sectoren van samenwerking, ook in een internationale en regionale context. Deze prioritaire gebieden kunnen het volgende omvatten:

a)    bevordering van goede milieugovernance, met inbegrip van beleidsdialoog en samenwerkingsgebieden zoals de uitvoering van resoluties van de Milieuvergadering van de VN en multilaterale milieuovereenkomsten, alsmede bevordering van de naleving van de milieuwetgeving;

b)    vaststelling van bilaterale prioriteiten en bevordering van de uitwisseling van informatie, technische expertise, overdracht van technologie en kennis, en beste praktijken op gebieden als:

i)    de uitvoering en handhaving van milieuwetgeving;

ii)    groene groei, waaronder duurzame consumptie en productie, hulpbronnenefficiëntie, circulaire economie en groene financiering;

iii)    mainstreaming van biodiversiteit in de economische en productiesectoren;

iv)    bescherming, behoud en duurzaam beheer van bossen;


v)    bescherming, behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit, met inbegrip van het in kaart brengen en beoordelen van ecosystemen en ecosysteemdiensten, de waardering ervan, en andere economische instrumenten voor de bescherming van biodiversiteit, alsmede toegang tot genetische hulpbronnen en de eerlijke en billijke verdeling van de baten die voortvloeien uit het gebruik ervan;

vi)    bodemdegradatie en woestijnvorming;

vii)    voorkoming en bestrijding van illegale oogst en illegale handel in wilde dieren en planten, bosbestanden en genetische hulpbronnen, en steun voor de legale, duurzame en traceerbare handel daarin;

viii)    deugdelijk beheer van chemicaliën en afval;

ix)    geïntegreerd waterbeheer, lucht- en bodembeleid;

x)    behoud en beheer van het kust- en mariene milieu en duurzame blauwe economie;

xi)    aanwijzing, representativiteit, doeltreffend beheer en connectiviteit van beschermde gebieden, alsmede andere doeltreffende gebiedsgebonden instandhoudingsmaatregelen, met inbegrip van beschermde mariene gebieden; en

xii)    waar mogelijk, samenwerking met de particuliere sector op de in dit punt genoemde gebieden.


ARTIKEL 5.2

Klimaatverandering

1.    De Partijen erkennen dat de dringende dreiging van klimaatverandering collectieve actie vereist voor een emissiearme en klimaatbestendige ontwikkeling, alsmede aanpassingsmaatregelen.

2.    De Partijen erkennen het belang van internationale regels en overeenkomsten op het gebied van klimaatverandering, met name het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, gesloten te New York op 9 mei 1992 (hierna het “UNFCCC” genoemd) en de Overeenkomst van Parijs, benadrukken dat de uitvoering daarvan onomkeerbaar is, en bevestigen opnieuw hun verbintenissen uit hoofde van deze overeenkomsten.

3.    De Partijen streven ernaar om hun samenwerking in het kader van het UNFCCC te versterken, de Overeenkomst van Parijs en hun nationaal bepaalde bijdragen (hierna de “NDC’s” genoemd) uit te voeren, en andere landen uit te nodigen dit te doen en hun langetermijnstrategieën voor een op lage uitstoot van broeikasgassen gebaseerde ontwikkeling op te stellen.

4.    Deze samenwerking kan bestaan uit:

a)    het vergemakkelijken van verdere actie, om bij te dragen tot nationale debatten en beleidswerkzaamheden;

b)    het ondersteunen van koolstofarme economische ontwikkeling conform de Overeenkomst van Parijs;


c)    het uitbreiden van de NDC’s tot nationaal sectoraal beleid en maatregelen op het gebied van vervoer, energie, infrastructuur, stedenbouw, grondgebruik en investeringsstrategieën, met inbegrip van de integratie van de aanpassingsprocessen in de sectorale ontwikkelingsstrategieën;

d)    het ondersteunen van de faciliterende dialoog en de vroegtijdige vaststelling van maatregelen voor de evaluatie van klimaatmaatregelen in alle landen;

e)    het ontwikkelen van de agenda inzake transparantie in het kader van de Overeenkomst van Parijs, met inbegrip van beleidsdialoog en samenwerking op onderling overeengekomen prioritaire gebieden;

f)    het versterken van andere processen, zoals het stabiliseren van de emissies afkomstig van de internationale luchtvaart op het niveau van 2020 door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (hierna de “ICAO” genoemd), de goedkeuring en formulering van de alomvattende strategie ter vermindering van de broeikasgasemissies van schepen door de Internationale Maritieme Organisatie (hierna de “IMO” genoemd), of de ambitieuze uitfasering van fluorkoolwaterstoffen (hierna “HFK’s” genoemd) krachtens het op 15 oktober 2016 in Kigali aangenomen amendement op het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, met inbegrip van de ratificatie ervan, en het snel uitvoeren ervan om tot een ambitieuze wereldwijde afbouw van het verbruik en de productie van HFK’s te komen;

g)    het bevorderen van binnenlandse klimaatbeleidsmaatregelen en klimaatprogramma’s in het kader van de Overeenkomst van Parijs, waaronder de bevordering van emissiemonitoring en markt- en niet-marktmechanismen, duurzame en klimaatbestendige infrastructuurontwikkeling, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie, duurzaam vervoer, alsmede die welke de negatieve gevolgen op het klimaat van ontbossing en de aantasting van bossen, bodem en alle ecosystemen aanpakken;


h)    het versterken van de synergieën met ondernemers, maatschappelijke organisaties en lokale autoriteiten, in aanvulling op de inspanningen van de staten;

i)    deelname van de particuliere sector aan het streven naar een koolstofarme economie;

j)    het bevorderen van marktgebaseerde maatregelen ter invoering van koolstofbeprijzing en het beginsel “de vervuiler betaalt”;

k)    het bevorderen van de ontwikkeling en toepassing van commercieel levensvatbare emissiearme en andere klimaatvriendelijke technologieën;

l)    het geleidelijk afschaffen van subsidies voor fossiele brandstoffen, en het bevorderen van de ontwikkeling van een duurzame en koolstofarme economie, zoals investeringen in hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiënte oplossingen;

m)    het versterken van de bilaterale dialoog en maatregelen inzake aanpassing, matiging en uitvoeringsmiddelen, met inbegrip van technologieoverdracht, capaciteitsopbouw en financiering;

n)    ernaar streven om bij de uitvoering van de Agenda 2030 en de Overeenkomst van Parijs rekening te houden met de horizontale aanpak van gender en jeugd;

o)    het bevorderen van beleid inzake klimaateffecten op watervoorraden;


p)    het uitvoeren van de verklaring van Parijs inzake water en aanpassing aan de klimaatverandering in de stroomgebieden van rivieren, meren en waterhoudende grondlagen, die op 2 december 2015 tijdens de VN-conferentie over klimaatverandering in Parijs werd gepresenteerd, alsook van de actieagenda Lima-Parijs die op 23 september 2014 tijdens de klimaattop in New York werd vastgesteld;

q)    het versterken van de samenwerkingsregelingen die moeten zorgen voor ambitieuzere toekomstige NDC’s, rekening houdend met het proces van de algemene inventarisatie.

ARTIKEL 5.3

Energie

1.    De Partijen erkennen het belang van de energiesector voor de economische welvaart en de internationale vrede en stabiliteit en onderstrepen dat de transformatie van de energiesector van fundamenteel belang is om de doelstellingen van de Agenda 2030 en de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken. Zij erkennen dat de energievoorziening moet worden verbeterd en gediversifieerd (met inbegrip van de bevordering van hernieuwbare energiebronnen), dat innovatie, onderzoek en ontwikkeling moeten worden bevorderd, evenals de opleiding van personele middelen, en dat de energie-efficiëntie moet worden verhoogd om de energieproductiviteit, de energiezekerheid en veilige, duurzame en betaalbare energie te versterken. De Partijen streven deze doelstellingen na.

2.    De Partijen wisselen informatie uit over energie en werken bilateraal, regionaal en multilateraal samen om open en concurrerende markten te bevorderen, beste praktijken uit te wisselen, op wetenschap gebaseerde, transparante regelgeving te bevorderen en samenwerkingsgebieden inzake energievraagstukken te bespreken, bijvoorbeeld in het kader van internationale fora, mechanismen en initiatieven.


HOOFDSTUK 6

LANDBOUW, MARITIEME ZAKEN EN VISSERIJ

ARTIKEL 6.1

Samenwerking op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling

De Partijen werken onder meer samen op de volgende gebieden:

a)    beleid inzake landbouw en plattelandsontwikkeling;

b)    vooruitzichten voor de landbouwmarkt;

c)    duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie;

d)    een duurzame en veerkrachtige landbouw door de beginselen inzake verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen en de vrijwillige richtsnoeren voor een verantwoord beheer van grondbezit, visgronden en bossen in het kader van de nationale voedselzekerheid van het Comité voor Wereldvoedselzekerheid onder de aandacht te brengen;

e)    bevordering van plattelandsontwikkeling door capaciteitsopbouw inzake handelsgerelateerde vraagstukken, waaronder geografische aanduidingen als intellectuele-eigendomsrecht;


f)    biologische landbouw;

g)    onderzoek en innovatie;

h)    organisatie en ontwikkeling van duurzame productieprocessen in de agrovoedingsindustrie (landbouw en veeteelt);

i)    organisatie en productieve ontwikkeling van plattelandsgemeenschappen;

j)    voedselzekerheid;

k)    het voorkomen van naoogstverlies en voedselverspilling;

l)    toegepast onderzoek voor de productie en het beheer van landbouw- en dierlijke producten; en

m)    de verwerking van landbouw- en voedingsproducten.

ARTIKEL 6.2

Maritieme zaken en visserij

1.    De Partijen erkennen het belang van het behoud en het duurzame en verantwoorde beheer van de visserij, de aquacultuur en andere maritieme activiteiten en erkennen dat deze bijdragen aan economische, maatschappelijke en ecologische kansen voor de huidige en toekomstige generaties.


2.    De Partijen intensiveren de dialoog en de samenwerking op gebieden van wederzijds belang inzake visserij en maritieme zaken.

3.    De Partijen verbinden zich, in overeenstemming met hun internationale verplichtingen, tot:

a)    het bijdragen tot de verbetering van het mondiale systeem voor oceaangovernance, onder meer door lacunes in de regelgeving en de uitvoering op te vullen en de ratificatie en uitvoering van relevante instrumenten op het gebied van maritieme zaken en visserij met derde landen te bevorderen;

b)    het vaststellen van doeltreffende monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen, zoals waarnemersregelingen, toezichtsregelingen voor vaartuigen, toezicht op het overladen, inspecties op zee en havenstaatcontrole, en van bijbehorende sancties, gericht op de instandhouding van de visbestanden en de voorkoming van overbevissing;

c)    het vaststellen of handhaven van handelingen en samenwerking bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (hierna “IOO-visserij” genoemd), met inbegrip van, indien van toepassing, uitwisseling van informatie over IOO-activiteiten in hun wateren en de uitvoering van beleid en maatregelen om IOO-producten van de handelsstromen en viskwekerijen uit te sluiten;

d)    het samenwerken met en in voorkomend geval in regionale organisaties voor visserijbeheer waarvan beide Partijen lid, waarnemer of medewerkende niet-verdragsluitende partijen zijn, met als doel een goede governance, onder meer door te pleiten voor op wetenschappelijke inzichten gebaseerde besluiten en naleving van dergelijke besluiten in die organisaties;


e)    het bevorderen van de ontwikkeling van duurzame productieprocessen, die ecologisch verantwoord en economisch concurrerend zijn, in de zoetwater- en de mariene aquacultuursector;

f)    het versterken van de veiligheid en de bescherming van de oceanen;

g)    het verminderen van de druk op de oceanen, onder meer door de bestrijding van zwerfvuil op zee;

h)    het bevorderen van maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd beheer van kustgebieden;

i)    het ondersteunen van zeeonderzoek en biotechnologie; en

j)    het uitwisselen van beste praktijken inzake de duurzame ontwikkeling van maritieme economische activiteiten van wederzijds belang voor de Partijen, zoals oceaanenergie en maritiem en kusttoerisme.


HOOFDSTUK 7

ECONOMISCH BELEID

ARTIKEL 7.1

Macro-economisch beleid

De Partijen versterken de dialoog tussen hun autoriteiten over macro-economisch beleid en macro-economische tendensen en bevorderen de uitwisseling van informatie en standpunten daarover.

ARTIKEL 7.2

Ondernemingen en industrie, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen

1.    De Partijen bevorderen een gunstig klimaat voor de ontwikkeling en de verbetering van het concurrentievermogen van kleine en middelgrote ondernemingen (hierna “kmo’s” genoemd) en stimuleren, waar passend, horizontale samenwerking op het gebied van het industriebeleid. Deze samenwerking omvat:

a)    het bevorderen van contacten tussen bedrijven, het stimuleren van gezamenlijke investeringen en het tot stand brengen van gezamenlijke ondernemingen en informatienetwerken door middel van bestaande horizontale programma’s;


b)    het uitwisselen van gegevens over en ervaringen met het scheppen van kadervoorwaarden voor kmo’s om het concurrentievermogen te verbeteren en inzake de procedures voor het oprichten van kmo’s;

c)    het vergemakkelijken van de activiteiten van kmo’s aan beide zijden;

d)    het uitwisselen van informatie over beste praktijken inzake Industrie 4.0; en

e)    het bevorderen van maatschappelijk verantwoord ondernemen en het aanmoedigen van verantwoordelijke ondernemingspraktijken, waaronder duurzame consumptie en productie.

2.    De Partijen faciliteren relevante samenwerkingsactiviteiten van de particuliere sector.

ARTIKEL 7.3

Bedrijfsleven en mensenrechten

De Partijen bevorderen maatschappelijk verantwoord ondernemen, overeenkomstig de toepasselijke internationale normen, zoals de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de OESO-zorgvuldigheidsrichtsnoeren voor verantwoord ondernemerschap, op nationaal niveau, en stimuleren capaciteitsopbouw en de uitwisseling van ervaringen op internationaal niveau.


ARTIKEL 7.4

Grondstoffen

1.    De Partijen erkennen dat een transparante, marktgebaseerde aanpak de beste manier is om een gunstig klimaat te scheppen voor investeringen in de productie van en de handel in grondstoffen.

2.    De Partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van vraagstukken met betrekking tot grondstoffen binnen de desbetreffende regionale of multilaterale verbanden of via een bilaterale dialoog op verzoek van een van de Partijen, op basis van wederzijdse belangen. Deze samenwerking is gericht op het wegnemen van belemmeringen voor de handel in grondstoffen binnen deze verbanden, het versterken van een op regels gebaseerd mondiaal kader voor de handel in grondstoffen, het bevorderen van transparantie op de mondiale grondstoffenmarkten en het bijdragen tot duurzame ontwikkeling.

3.    Deze samenwerking kan informatie-uitwisseling omvatten met betrekking tot:

a)    vraagstukken in verband met vraag en aanbod, bilaterale handel, investeringen en internationale handel;

b)    tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen voor grondstoffen, en aanverwante diensten en investeringen;

c)    de respectieve regelgevende kaders van de Partijen;

d)    technologieën die worden toegepast op productieprocessen en het gebruik van grondstoffen; en

e)    beste praktijken met betrekking tot de duurzame ontwikkeling van de mijnbouw, met inbegrip van beleid inzake mineralen, ruimtelijke ordening, vergunningsprocedures, transparantie en governance.


ARTIKEL 7.5

Statistieken

De Partijen werken samen op het gebied van statistieken, met name door de uitwisseling van beste praktijken actief te bevorderen. Deze samenwerking kan bestaan uit:

a)    de vergroting van de deelname aan internationale bijeenkomsten op hoog niveau over onderwerpen van wederzijds belang;

b)    de harmonisatie van statistische methoden ter verbetering van de vergelijkbaarheid van gegevens; en

c)    de productie en verspreiding van officiële statistieken en de ontwikkeling van indicatoren.

ARTIKEL 7.6

Vervoer

1.    De Partijen werken samen en versterken de dialoog op alle relevante terreinen van het vervoersbeleid, met inbegrip van geïntegreerd vervoersbeleid, met het oog op de verbetering van het goederen- en personenverkeer, de bevordering van beveiliging en veiligheid van lucht- en zeevaart, de milieubescherming en de verhoging van de efficiëntie van hun vervoerssystemen.


2.    Deze samenwerking en dialoog kunnen betrekking hebben op:

a)    uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot hun respectieve vervoersbeleid;

b)    versterking van de luchtvaartbetrekkingen tussen Mexico en de Unie, met inbegrip van het onderzoeken van de mogelijkheid om een specifieke luchtvaartovereenkomst te sluiten;

c)    bevordering van de doelstellingen inzake onbeperkte toegang tot de internationale maritieme markten en handel, gebaseerd op eerlijke concurrentie en op een commerciële basis;

d)    facilitering van zeevervoer, logistieke ketens en multimodaal vervoer teneinde het concurrentievermogen en de economische betrekkingen te verbeteren;

e)    bevordering van vervoersvraagstukken in verband met het milieu;

f)    facilitering van de dialoog op het niveau van deskundigen en van de samenwerking binnen internationale vervoersfora; en

g)    ondersteuning van de grensoverschrijdende elektronische informatiestroom ter bevordering van een dynamische omgeving voor efficiënte en kosteneffectieve vervoersdiensten.


HOOFDSTUK 8

ONDERWIJS, CULTUUR EN SOCIALE VRAAGSTUKKEN

ARTIKEL 8.1

Onderwijs

De Partijen bevorderen de samenwerking en dialoog op relevante onderwijsgebieden, met inbegrip van:

a)    versterking van hoger onderwijs, technisch en beroepsonderwijs en -opleiding;

b)    vergroting van de mobiliteit van studenten, onderzoekers, en academisch en administratief personeel van hogeronderwijsinstellingen; en

c)    bevordering van capaciteitsopbouw in hogeronderwijsinstellingen, met inbegrip van de verbetering van mechanismen voor de erkenning van kwalificaties en studieperioden in het buitenland.


ARTIKEL 8.2

Cultuur

1.    De Partijen werken samen in de desbetreffende internationale fora, met name de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna de “Unesco” genoemd), om gemeenschappelijke doelstellingen na te streven en de culturele diversiteit te bevorderen, onder meer aan de hand van de uitvoering van het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 20 oktober 2005 door de Algemene Conferentie van de Unesco in Parijs is aangenomen.

2.    De Partijen bevorderen nauwere samenwerking in de culturele en de creatieve sector en industrie, met inbegrip van opkomende en nieuwe technologieën en audiovisuele media, teneinde onder meer het wederzijds begrip en de kennis van hun respectieve culturen te vergroten.

3.    De Partijen bevorderen culturele uitwisselingen en ontplooien gezamenlijke initiatieven op verschillende culturele gebieden binnen de beschikbare samenwerkingskaders.

4.    De Partijen bevorderen samenwerking en gezamenlijke initiatieven in verband met het creëren, bevorderen en verspreiden van digitale inhoud op artistiek en cultureel gebied binnen een juridisch kader dat het werk van de makers erkent en waardeert, als een manier om de universele toegang tot cultuur en de bestanddelen daarvan te verbeteren.


5.    De Partijen moedigen de interculturele dialoog tussen hun respectieve maatschappelijke organisaties en individuele personen aan.

6.    De Partijen erkennen de rol van cultuur als katalysator en motor van de economische, sociale en ecologische aspecten van conflictpreventie en duurzame ontwikkeling, in de wetenschap dat de culturele en de creatieve sector belangrijke motoren van de economieën van ontwikkelde en ontwikkelingslanden zijn.

ARTIKEL 8.3

Werkgelegenheid en sociale vraagstukken

1.    De Partijen erkennen dat het verbeteren van de levensstandaard, het scheppen van hoogwaardige banen en het bevorderen van fatsoenlijk werk centraal moeten staan in het werkgelegenheids- en sociaal beleid.

2.    De Partijen eerbiedigen en bevorderen de fundamentele beginselen en rechten op het werk die zijn neergelegd in de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna de “IAO” genoemd) betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in Genève op 18 juni 1998, en in de overeenkomstige IAO-verdragen waarbij zij partij zijn.


3.    De Partijen versterken de samenwerking op het gebied van werkgelegenheid, sociale dialoog en sociale zaken en bevorderen de uitwisseling van informatie over werkgelegenheid, gezondheid en veiligheid op het werk, arbeidsvraagstukken en sociale bescherming.

ARTIKEL 8.4

Exponentiële technologische verandering

De Partijen wisselen ervaringen en beste praktijken uit om de gevolgen van exponentiële technologische verandering, automatisering en de gevolgen daarvan voor de volledige uitvoering van de SDG’s op doeltreffende en alomvattende wijze aan te pakken.

ARTIKEL 8.5

Sociale cohesie en inclusie

De Partijen werken samen om de sociale cohesie te versterken door armoede in al haar vormen, ongelijkheid en sociale uitsluiting terug te dringen, teneinde de SDG’s overal ter wereld te verwezenlijken en eerlijke mondialisering, volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor alle mannen en vrouwen te bevorderen, onder meer door:

a)    de versterking van de socialezekerheidsstelsels;


b)    de bevordering van gelijke toegang en non-discriminatie in het sociaal beleid;

c)    de bevordering van innovatie om sociale uitdagingen aan te pakken door de uitwisseling van informatie over beste praktijken en de bevordering van dialoog en onderzoek in deze sector; en

d)    de bevordering van de sociale en solidaire economie met het oog op inclusie en armoedebestrijding.

ARTIKEL 8.6

Gezondheid

1.    De Partijen werken samen op het gebied van volksgezondheid, met inbegrip van preventie en gezondheidsbevordering, om het veiligheidsniveau van de volksgezondheid te verhogen en universele gezondheidszorg te bevorderen.

2.    Deze samenwerking kan bestaan uit:

a)    informatie-uitwisseling en samenwerking bij vraagstukken van wederzijds belang;

b)    bevordering van de uitvoering van internationale gezondheidsovereenkomsten; en

c)    vergemakkelijking van uitwisselingen, beurzen en opleidingsprogramma’s op de in lid 1 genoemde gebieden.


ARTIKEL 8.7

Toerisme

1.    De Partijen werken samen op het gebied van toerisme. Deze samenwerking is in de eerste plaats gericht op de verbetering van de uitwisseling van informatie en beste praktijken, om de evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het toerisme te waarborgen en de werkgelegenheid en economische ontwikkeling te ondersteunen.

2.    De samenwerking is met name gericht op:

a)    behoud en vergroting van het potentieel van het natuurlijke en culturele erfgoed;

b)    praktijken die verantwoord toerisme en respect voor lokale gemeenschappen aanmoedigen;

c)    uitwisseling van informatie en beste praktijken over acties ter verbetering van vaardigheden en competenties in de toeristische sector;

d)    bevordering van informatie-uitwisseling en samenwerking voor creatieve sectoren en innovatie in de toeristische sector; en

e)    uitwisseling van beste praktijken met het oog op de integratie van duurzaamheidsbeginselen, met name biodiversiteit, in het toerisme.


HOOFDSTUK 9

ONDERZOEK, INNOVATIE EN DIGITALE ECONOMIE

ARTIKEL 9.1

Onderzoek en innovatie

1.    De Partijen werken samen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie op basis van wederzijds belang en voordeel en overeenkomstig hun respectieve wetgeving. Deze samenwerking is gericht op het bevorderen van duurzame ontwikkeling, het aanpakken van mondiale maatschappelijke uitdagingen, het bereiken van wetenschappelijke excellentie, het verbeteren van het regionale concurrentievermogen en het versterken van de betrekkingen tussen de Partijen, hetgeen zal leiden tot langdurige partnerschappen. De Partijen bevorderen de beleidsdialoog op bilateraal en regionaal niveau en gebruiken hun verschillende instrumenten, waaronder overeenkomsten voor wetenschappelijke en technologische samenwerking, op complementaire wijze.

2.    De Partijen streven naar:

a)    het verbeteren van de voorwaarden voor de mobiliteit van onderzoekers, wetenschappers, deskundigen, studenten en ondernemers en voor het grensoverschrijdend verkeer van materiaal en apparatuur;


b)    het vergemakkelijken van de wederzijdse toegang tot elkaars programma’s voor wetenschap, technologie en innovatie (hierna “WTI” genoemd), onderzoeksinfrastructuren en -faciliteiten, publicaties en wetenschappelijke gegevens;

c)    het opvoeren van de samenwerking op het gebied van normvoorbereidend onderzoek en normalisatie; en

d)    het bevorderen van gemeenschappelijke beginselen om te komen tot een toereikend en doeltreffend niveau van bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in onderzoeks- en innovatieprojecten.

3.    De Partijen bevorderen de volgende activiteiten van overheidsorganisaties, openbare en particuliere onderzoekscentra, hogeronderwijsinstellingen, innovatieagentschappen en ‑netwerken en andere belanghebbenden, waaronder kmo’s:

a)    gezamenlijke initiatieven om meer bekendheid te geven aan programma’s voor wetenschap, technologie, innovatie en voor capaciteitsopbouw en aan de mogelijkheden om aan elkaars programma’s deel te nemen;

b)    gezamenlijke bijeenkomsten en workshops om informatie en beste praktijken uit te wisselen en gebieden voor gezamenlijk onderzoek aan te wijzen;

c)    gezamenlijke onderzoeksacties op gebieden van wederzijds belang;

d)    wederzijds erkende beoordeling en evaluatie van de wetenschappelijke samenwerking en verspreiding van de resultaten daarvan.


ARTIKEL 9.2

Digitale economie

1.    De Partijen erkennen dat informatie- en communicatietechnologieën (hierna “ICT” genoemd) essentiële elementen van het moderne leven zijn en van vitaal belang zijn als bijdrage tot de versterking van informatie en kennis in een samenleving teneinde de economische, educatieve en sociale ontwikkeling te bevorderen. De Partijen wisselen standpunten over hun respectieve beleid op dit gebied uit.

2.    Deze samenwerking kan bestaan uit:

a)    gedachtewisseling over de verschillende aspecten van het beleid inzake de digitale interne markt, met name beleid en regelgeving op het gebied van elektronische communicatie, waaronder toegang tot breedbanddiensten, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, e-overheid, open overheid, open gegevens, internetbeveiliging, e-gezondheid en de onafhankelijkheid van de regelgevende instanties;

b)    de inzet van ICT als middel ter bevordering van economische, sociale en culturele ontwikkeling, sociale en digitale inclusie en culturele diversiteit, waarbij de nadruk wordt gelegd op ondernemingsgeest en participatieve samenwerking, op het stimuleren van connectiviteit in scholen en het ontwikkelen van academische en onderzoeksnetwerken;

c)    de ontwikkeling van de koppeling en interoperabiliteit van onderzoeksnetwerken, van computerinfrastructuur en van infrastructuur en diensten voor wetenschappelijke gegevens, ook in regionaal verband;


d)    de samenwerking op het gebied van e-overheid en vertrouwensdiensten, zoals elektronische handtekening en elektronische identificatie, met de nadruk op de uitwisseling van beleidsbeginselen, informatie en beste praktijken inzake het gebruik van ICT voor de modernisering van overheidsinstanties, de bevordering van hoogwaardige openbare diensten, de verbetering van organisatorische efficiëntie en een transparant beheer van overheidsmiddelen;

e)    de uitwisseling van informatie over normen, conformiteitsbeoordeling en typegoedkeuring; en

f)    de bevordering van de uitwisseling en opleiding van met name jonge specialisten.

BIJLAGE bij Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds

Brussel, 3.9.2025

COM(2025) 810 final

DEEL III 1

HANDEL EN INVESTERINGEN

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE EN INSTITUTIONELE BEPALINGEN

AFDELING A

Algemene bepalingen

ARTIKEL 1.1

Oprichting van een vrijhandelsruimte

De Partijen richten bij dit deel van de overeenkomst een vrijhandelsruimte op, in overeenstemming met artikel XXIV van de GATT 1994 en artikel V van de GATS.


ARTIKEL 1.2

Doelstellingen

Dit deel van de overeenkomst heeft de volgende doelstellingen:

a)    de uitbreiding en diversificatie van de handel in goederen tussen de Partijen, overeenkomstig artikel XXIV van de GATT 1994, door verlaging of afschaffing van douanerechten en niet-tarifaire handelsbelemmeringen;

b)    de bevordering van de handel in goederen, met name door middel van de bepalingen inzake douane en handelsbevordering, normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures alsook sanitaire en fytosanitaire maatregelen, met behoud van het recht van elke Partij om regelgeving voor haar eigen grondgebied vast te stellen en doelstellingen van openbaar beleid te verwezenlijken;

c)    de liberalisering van de handel in diensten, overeenkomstig artikel V van de GATS;

d)    de ontwikkeling van een kader dat bevorderlijk is voor grotere investeringsstromen door te voorzien in transparante, stabiele en voorspelbare regels inzake de voorwaarden voor de vestiging van ondernemingen en het daarmee verband houdende kapitaalverkeer, en door te zorgen voor een passend evenwicht tussen de liberalisering en de bescherming van investeringen en het recht van elke Partij om regelgeving vast te stellen teneinde legitieme beleidsdoelstellingen te verwezenlijken;


e)    de instelling van een stelsel van investeringsgerechten om geschillen tussen investeerders en staten op effectieve, onpartijdige en voorspelbare wijze te beslechten;

f)    de effectieve wederzijdse openstelling van de markten voor overheidsopdrachten van de Partijen;

g)    de bevordering van innovatie en creativiteit door te zorgen voor een adequate en effectieve bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, overeenkomstig de tussen de Partijen geldende internationale verplichtingen, en het evenwicht tussen deze bescherming en het algemeen belang;

h)    het onderhouden van handels- en investeringsbetrekkingen tussen de Partijen overeenkomstig het beginsel van vrije en onvervalste mededinging;

i)    de bevordering van duurzame ontwikkeling en van de ontwikkeling van de internationale handel op een wijze die bijdraagt tot duurzame ontwikkeling, met inbegrip van economische ontwikkeling, sociale ontwikkeling en milieubescherming;

j)    de instelling van een effectief, eerlijk en voorspelbaar geschillenbeslechtingsmechanisme om geschillen tussen de Partijen over de uitlegging of toepassing van dit deel van de overeenkomst te beslechten.


ARTIKEL 1.3

Algemeen toepasselijke definities

Voor de toepassing van dit deel van de overeenkomst wordt, tenzij anders aangegeven, verstaan onder:

a)    “administratief besluit van algemene strekking”: een administratief besluit of administratieve interpretatie die van toepassing is op alle personen en feitelijke situaties die in het algemeen binnen het toepassingsgebied van dat administratieve besluit of van die administratieve interpretatie vallen en waarbij een gedragsnorm wordt vastgesteld, met uitzondering van:

i)    een vaststelling of beslissing in het kader van een administratieve of buitengerechtelijke procedure die in een concreet geval van toepassing is op een bepaalde persoon, een bepaald goed of een bepaalde dienst van de andere Partij, of

ii)    enige andere beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan met betrekking tot een bepaalde handeling of een bepaalde praktijk;

b)    “Overeenkomst inzake de landbouw”: de Overeenkomst inzake de landbouw, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst;

c)    “landbouwproduct”: een in bijlage 1 bij de Overeenkomst inzake de landbouw opgenomen product;

d)    “reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld”: de reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan een buiten dienst gesteld luchtvaartuig of een onderdeel daarvan, met uitzondering van het lijnonderhoud;


e)    “Antidumpingovereenkomst”: de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst;

f)    “geautomatiseerde boekingssystemen”: dienstverlening door middel van computersystemen die informatie bevatten over dienstregeling, beschikbaarheid, tarieven en tariefvoorwaarden van luchtvaartmaatschappijen, en met behulp waarvan boekingen kunnen worden gedaan of vervoerbewijzen kunnen worden uitgegeven;

g)    “douanerechten”: alle rechten en heffingen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen, die worden opgelegd op of in verband met de invoer van goederen, met uitzondering van:

i)    heffingen gelijkwaardig aan interne belastingen die overeenkomstig artikel 2.3 worden opgelegd;

ii)    antidumpingrechten en compenserende rechten 2 die worden opgelegd overeenkomstig de GATT 1994, de Antidumpingovereenkomst en de SCM-overeenkomst, naargelang van het geval;

iii)    retributies of andere heffingen die bij invoer of in verband met invoer van een goed worden opgelegd en die beperkt zijn tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten; en


iv)    de premie die voor ingevoerde goederen wordt uitgekeerd of geïnd in het kader van een inschrijvingssysteem dat is goedgekeurd voor het beheer van tariefcontingenten krachtens aanhangsel 2-A-4 (Tariefcontingenten van Mexico);

h)    “Overeenkomst inzake de douanewaarde”: de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst;

i)    “dagen”: kalenderdagen, inclusief weekenden en vakantiedagen;

j)    “DSU”: het Memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen, opgenomen in bijlage 2 bij de WTO-overeenkomst;

k)    “onderneming”: een juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, en in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;

l)    “bestaand”: geldend op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst;

m)    “vrij converteerbare valuta”: een valuta die op grote schaal op internationale deviezenmarkten verhandeld en bij internationale transacties gebruikt wordt;


n)    “GATS”: de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten, opgenomen in bijlage 1B bij de WTO-overeenkomst;

o)    “GATT 1994”: de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst;

p)    “goederen”: zowel materialen als producten;

q)    “goed van een Partij”: een binnenlands goed in de zin van de GATT 1994, waaronder de goederen van oorsprong van die Partij;

r)    “grondafhandelingsdiensten”: de verlening op een luchthaven, op basis van een vast tarief of een contract, van vertegenwoordiging van, beheer van en toezicht op een luchtvaartmaatschappij; passagiersafhandeling; bagageafhandeling; platformdiensten; catering 3 ; luchtvracht- en -postafhandeling; brandstofvoorziening van luchtvaartuigen, onderhoud en schoonmaak van luchtvaartuigen; vervoer op de grond; vluchtuitvoeringen, bemanningsadministratie en vluchtplanning. Grondafhandelingsdiensten omvatten niet: zelfafhandeling; veiligheid; lijnonderhoud; reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen, en het beheer of de exploitatie van essentiële gecentraliseerde luchthaveninfrastructuur, zoals ontijzingsinstallaties, brandstofdistributiesystemen, bagageafhandelingssystemen en vaste interne luchthaventransportsystemen;

s)    “geharmoniseerd systeem” of “GS”: het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, met inbegrip van de bijbehorende algemene interpretatieregels en de aantekeningen op de afdelingen, hoofdstukken en onderverdelingen, en wijzigingen daarvan;


t)    “maatregel”: elke wet, elke regeling, elk voorschrift, elke procedure, elk besluit, elke administratieve handeling, eis of praktijk 4 ;

u)    “onderdaan”: een natuurlijke persoon met de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie of van Mexico overeenkomstig hun respectieve recht of die permanent ingezetene van een Partij is;

v)    “natuurlijke persoon 5 ”:

i)    wat de Europese Unie betreft, een persoon met de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat 6 ; en

ii)    wat Mexico betreft, een persoon met de nationaliteit van Mexico overeenkomstig de wetgeving van Mexico;

een natuurlijke persoon die onderdaan van Mexico is en de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie bezit, wordt geacht uitsluitend een natuurlijke persoon van de Partij van zijn of haar overheersende en feitelijke nationaliteit te zijn;


w)    “OESO”: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;

x)    “goed van oorsprong”: een goed dat geldt als goed van oorsprong uit hoofde van de oorsprongsregels in hoofdstuk 3 (Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures);

y)    “persoon”: een natuurlijke persoon of een onderneming;

z)    “persoon van een Partij”: een onderdaan of een onderneming van een Partij;

aa)    “preferentiële tariefbehandeling”: het douanerecht dat krachtens artikel 2.4 (Afschaffing of verlaging van douanerechten) van toepassing is op een goed van oorsprong;

bb)    “Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen”: de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst;

cc)    “SCM-overeenkomst”: de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst;

dd)    “verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten”: de mogelijkheid voor de betrokken luchtvaartmaatschappij haar luchtvervoerdiensten vrij te verkopen en in de handel te brengen, met inbegrip van alle marketingaspecten zoals marktonderzoek, reclame en distributie, maar met uitzondering van de tarifering van luchtvervoerdiensten en de toepasselijke voorwaarden;

ee)    “dienstverlener”: een persoon die een dienst verleent of aanbiedt;


ff)    “SPS-overeenkomst”: de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst;

gg)    “staatsonderneming”: een onderneming die eigendom is van of onder zeggenschap staat van een Partij;

hh)    “TBT-overeenkomst”: de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst;

ii)    “grondgebied”: het grondgebied waar deze overeenkomst van toepassing is krachtens artikel 2.2 (Territoriale toepassing) van deel IV van deze overeenkomst;

jj)    “derde land”: een land of grondgebied gelegen buiten het territoriale toepassingsgebied van deze overeenkomst;

kk)    “Trips-overeenkomst”: de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, opgenomen in bijlage 1C bij de WTO-overeenkomst;

ll)    “Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht”: het te Wenen op 23 mei 1969 tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht;

mm)    “WTO”: de Wereldhandelsorganisatie; en

nn)    “WTO-overeenkomst”: de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, gedaan te Marrakesh op 15 april 1994.


ARTIKEL 1.4

Verhouding tot de WTO-overeenkomst

De Partijen bevestigen hun wederzijdse rechten en verplichtingen uit hoofde van de WTO-overeenkomst.

ARTIKEL 1.5

Verwijzingen naar wetten en andere overeenkomsten

1.    Elke verwijzing in dit deel van de overeenkomst naar wetgeving, hetzij in het algemeen, hetzij door verwijzing naar specifieke wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of richtlijnen, wordt uitgelegd als een verwijzing naar de wetgeving met inbegrip van de wijzigingen ervan, tenzij anders is aangegeven.

2.    Elke verwijzing of opneming door middel van een verwijzing in dit deel van de overeenkomst naar andere overeenkomsten of rechtsinstrumenten in hun geheel of gedeeltelijk, wordt, tenzij anders aangegeven, zodanig uitgelegd dat zij het volgende omvat:

a)    de bijbehorende bijlagen, protocollen, voetnoten, aantekeningen en toelichtingen; en


b)    de vervolgovereenkomsten waarbij de Partijen partij zijn, of de wijzigingen die bindend zijn voor de Partijen, tenzij de verwijzing bestaande rechten en verplichtingen bevestigt.

ARTIKEL 1.6

Nakoming van verplichtingen

1.    Elke Partij stelt alle algemene of specifieke maatregelen vast die vereist zijn om aan de verplichtingen uit hoofde van dit deel van de overeenkomst te voldoen, met inbegrip van de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat die door centrale, regionale of lokale overheden en autoriteiten, alsook door niet-gouvernementele entiteiten bij de uitoefening van aan hen gedelegeerde bevoegdheden, worden nageleefd.

2.    Voor alle duidelijkheid: een Partij kan rechten en verplichtingen uit hoofde van dit deel van de overeenkomst opschorten, met uitzondering van het bepaalde in artikel 2.3, lid 3, van deel IV van deze overeenkomst (Nakoming van verplichtingen), uitsluitend wegens inbreuken op dit deel van de overeenkomst door de andere Partij en in overeenstemming met de daarin vervatte voorschriften, met inbegrip van hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting).


AFDELING B

Institutionele bepalingen

ARTIKEL 1.7

Specifieke taken van de Gezamenlijke Raad

1.    Wanneer de Gezamenlijke Raad taken uitvoert die hem bij dit deel van de overeenkomst zijn toegekend, bestaat hij, op ministerieel niveau, uit vertegenwoordigers van de EU met verantwoordelijkheid voor handels- en investeringsaangelegenheden, enerzijds, en uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Economische Zaken van Mexico, anderzijds, of uit de door hen aangewezen personen.

2.    De Gezamenlijke Raad kan ter verwezenlijking van de doelstellingen van dit deel van de overeenkomst wijzigingen aanbrengen in:

a)    bijlage 2-A (Tijdschema voor tariefafschaffing) en bijlage 2-E (Relevante maatregelen inzake wijnproducten en gedistilleerde dranken);

b)    hoofdstuk 3 (Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures), met inbegrip van de bijlagen 3-A tot en met 3-D;

c)    bijlage 10-D (Gedragscode voor leden van het Gerecht, leden van de Beroepsinstantie en bemiddelaars);


d)    de desbetreffende lijsten en tijdschema’s van Mexico krachtens artikel 10.12 (Niet-conforme maatregelen en uitzonderingen), lid 6, en artikel 11.8 (Niet-conforme maatregelen en uitzonderingen), lid 4;

e)    bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) en bijlage 21-B (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico);

f)    bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen);

g)    bijlage 31-A (Reglement van orde) en bijlage 31-B (Gedragscode voor panelleden en bemiddelaars).

3.    De Gezamenlijke Raad kan ter verwezenlijking van de doelstellingen van dit deel van de overeenkomst voorts:

a)    bindende uitleggingen van de bepalingen van dit deel van de overeenkomst vaststellen;

b)    andere besluiten nemen als bepaald in dit deel van de overeenkomst; en

c)    andere maatregelen in het kader van de uitvoering van zijn taken nemen zoals de Partijen overeenkomen.

4.    Elke Partij voert elke in lid 2, punt a), bedoelde wijziging overeenkomstig haar toepasselijke wettelijke procedures uit binnen een door de Partijen overeen te komen termijn.


ARTIKEL 1.8

Specifieke taken van het Gemengd Comité

1.    Wanneer het Gemengd Comité taken uitvoert die het bij dit deel van de overeenkomst zijn toegekend, bestaat het uit vertegenwoordigers van de EU op hoog ambtelijk niveau met verantwoordelijkheid voor handels- en investeringsaangelegenheden, enerzijds, en uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Economische Zaken van Mexico, anderzijds, overeenkomstig de respectieve voorschriften van elke Partij, of uit de door hen aangewezen personen.

2.    Het Gemengd Comité heeft de volgende taken:

a)    zij verleent de Gezamenlijke Raad bijstand bij de uitvoering van zijn taken, wanneer deze betrekking hebben op de handel;

b)    zij is verantwoordelijk voor de correcte uitvoering en toepassing van de bepalingen van dit deel van de overeenkomst en voor de evaluatie van de met de toepassing ervan behaalde resultaten;

c)    zij tracht, onverminderd hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting), eventuele meningsverschillen of geschillen in verband met de uitlegging of de toepassing van dit deel van deze overeenkomst te voorkomen en op te lossen;

d)    zij houdt toezicht op de werkzaamheden van alle krachtens dit deel van de overeenkomst ingestelde subcomités en andere organen; en

e)    zij bespreekt manieren om de handels- en investeringsbetrekkingen tussen de Partijen te verbeteren.


3.    Bij de uitvoering van haar taken op grond van lid 2 kan het Gemengd Comité:

a)    verdere subcomités en andere organen oprichten naast die zoals vastgesteld in dit deel van de overeenkomst, bestaande uit vertegenwoordigers van de Partijen, die subcomités en andere organen belasten met taken binnen haar bevoegdheden en besluiten om de taken ervan te wijzigen of om die subcomités en andere organen te ontbinden;

b)    de vaststelling van besluiten overeenkomstig de specifieke doelstellingen van dit deel van de overeenkomst aanbevelen aan de Gezamenlijke Raad, met inbegrip van de in alinea 2, punt a), van artikel 1.7 bedoelde wijzigingen, of dergelijke besluiten vaststellen in de perioden tussen de vergaderingen van de Gezamenlijke Raad, met inbegrip van de gevallen waarin de Gezamenlijke Raad niet in de gelegenheid is bijeen te komen, en

c)    andere maatregelen in het kader van de uitvoering van haar taken nemen zoals de Partijen overeenkomen of zoals de Gezamenlijke Raad bepaalt.

ARTIKEL 1.9

Coördinatoren van deel III van deze overeenkomst

1.    Elke Partij wijst een coördinator aan voor dit deel van de overeenkomst en stelt de andere Partij daarvan binnen zestig dagen na de inwerkingtreding van de overeenkomst in kennis.


2.    De coördinatoren:

a)     vergemakkelijken de communicatie tussen de Partijen over alle onder dit deel van de overeenkomst vallende aangelegenheden, alsook met andere uit hoofde daarvan opgerichte contactpunten;

b)    stellen gezamenlijk de agenda op en treffen alle overige nodige voorbereidingen voor de vergaderingen van de Gezamenlijke Raad en het Gemengd Comité overeenkomstig dit artikel; en

c)    geven in voorkomend geval vervolg aan de besluiten van de Gezamenlijke Raad en het Gemengd Comité.

ARTIKEL 1.10

Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst

1.    De Partijen richten hierbij de volgende subcomités en andere organen op, bestaande uit vertegenwoordigers van de EU, enerzijds, en uit vertegenwoordigers van Mexico, anderzijds:

a)    Comité voor de handel in goederen

b)    Subcomité Landbouw;

c)    Subcomité Handel in wijn en gedistilleerde dranken

d)    Subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels


e)    Subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen

f)    gezamenlijke werkgroep inzake dierenwelzijn en antimicrobiële resistentie;

g)    Subcomité Technische handelsbelemmeringen

h)    Subcomité Diensten en investeringen

i)    Subcomité Financiële diensten;

j)    Subcomité Overheidsopdrachten;

k)    Subcomité Intellectuele eigendom;

l)    Subcomité Handel en duurzame ontwikkeling.

2.    Tenzij in dit deel van de overeenkomst anders is bepaald, is artikel 1.4 van deel IV van deze overeenkomst van toepassing op de in lid 1 vermelde subcomités en andere organen.

3.    De in lid 1 vermelde subcomités en andere organen kunnen passende aanbevelingen doen in de gevallen zoals bepaald in dit deel van de overeenkomst.

4.    De aanbevelingen worden in onderlinge overeenstemming gedaan.


ARTIKEL 1.11

Betrekkingen met het maatschappelijk middenveld

1.    Elke Partij komt ten minste eenmaal per jaar bijeen met haar in artikel 1.7 (Interne adviesgroepen) van deel IV van deze overeenkomst bedoelde interne adviesgroep om kwesties in verband met de toepassing van dit deel van de overeenkomst te bespreken.

2.    Wanneer de Gezamenlijke Raad of het Gemengd Comité in de samenstelling voor handelsvraagstukken bijeenkomt, roept deze een vergadering van het in artikel 1.8 van deel IV van deze overeenkomst (Forum voor het maatschappelijk middenveld) genoemde forum voor het maatschappelijk middenveld bijeen voor overleg over de toepassing van dit deel van de overeenkomst.


HOOFDSTUK 2

HANDEL IN GOEDEREN

AFDELING A

Algemene bepalingen

ARTIKEL 2.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “consulaire formaliteiten”: de procedure om van een consul van de Partij van invoer op het grondgebied van de Partij van uitvoer, of op het grondgebied van een derde, een consulaire factuur of een consulair visum voor een handelsfactuur, oorsprongscertificaat, manifest, aangifte ten uitvoer door de verlader, of enig ander douanedocument in verband met de invoer van een goed te verkrijgen;


b)    “uitvoervergunningsprocedure”: administratieve procedure in het kader waarvan als eerste voorwaarde voor de uitvoer uit het grondgebied van de Partij van uitvoer wordt gesteld dat aan de bevoegde administratieve instantie(s) van de Partij van uitvoer een aanvraag of andere documenten dan die welke in het algemeen voor douaneafhandeling zijn vereist, worden overgelegd;

c)    “Overeenkomst inzake invoervergunningen”: de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen, zoals uiteengezet in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst;

d)    “invoervergunningsprocedure”: administratieve procedure in het kader waarvan als eerste voorwaarde voor de invoer in het grondgebied van de Partij van invoer wordt gesteld dat aan de bevoegde administratieve instantie(s) van de Partij van invoer een aanvraag of andere documenten dan die welke in het algemeen voor douaneafhandeling zijn vereist, worden overgelegd.

ARTIKEL 2.2

Toepassingsgebied

Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op de handel in goederen van een Partij.


ARTIKEL 2.3

Nationale behandeling

1.    Elke Partij behandelt goederen van de andere Partij als nationale goederen overeenkomstig artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij. Daartoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken zij daar integrerend deel van uit.

2.    Voor alle duidelijkheid: “nationale behandeling” betekent ten aanzien van een ander bestuursniveau in Mexico dan het federale niveau, of ten aanzien van een bestuursniveau van of in een lidstaat van de Europese Unie, een behandeling die niet minder gunstig is dan de behandeling die dat bestuursniveau toekent aan soortgelijke, rechtstreeks concurrerende of vervangbare goederen van respectievelijk Mexico of de lidstaat.

ARTIKEL 2.4

Afschaffing of verlaging van douanerechten

1.    Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, schaft elke Partij haar douanerechten op goederen van oorsprong af of verlaagt zij deze overeenkomstig bijlage 2-A (Tijdschema voor tariefafschaffing) en past zij vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst geen douanerechten toe op goederen van oorsprong die zijn ingedeeld onder de tariefposten van de hoofdstukken 1 tot en met 97 van het geharmoniseerd systeem, behalve die in respectievelijk aanhangsel 2-A-1 (Tijdschema voor tariefafschaffing van de Europese Unie) of aanhangsel 2-A-2 (Tijdschema voor tariefafschaffing van Mexico) van bijlage 2-A (Tijdschema voor tariefafschaffing).


2.    Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, verhoogt een Partij geen bestaande douanerechten en stelt zij evenmin nieuwe douanerechten vast op een goed van oorsprong uit de andere Partij 7 .

3.    Wanneer een Partij het door haar toegepaste meestbegunstigingsdouanerecht verlaagt, wordt dat douanerecht toegepast op goederen van oorsprong uit de andere Partij indien en zolang het lager is dan het krachtens bijlage 2-A (Tijdschema voor tariefafschaffing) berekende douanerecht.

4.    Op verzoek van een Partij voeren de Partijen overleg over de mogelijkheid om de tariefbehandeling voor de markttoegang van goederen van oorsprong uiteengezet in bijlage 2-A (Tijdschema voor tariefafschaffing) te verbeteren. De Gezamenlijke Raad kan besluiten om bijlage 2-A (Tijdschema voor tariefafschaffing) te wijzigen 8 .

5.    Voor alle duidelijkheid: een Partij kan een douanerecht op het goed van oorsprong handhaven of verhogen indien het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO daar toestemming voor verleent.


ARTIKEL 2.5

Uitvoerrechten, belastingen of andere heffingen

1.    Een Partij mag geen hogere belastingen of heffingen op de uitvoer van een goed naar het grondgebied van de andere Partij vaststellen of handhaven dan de belastingen of heffingen die op dat goed van toepassing zijn wanneer het bestemd is voor binnenlands verbruik.

2.    Een Partij mag geen hogere belastingen of heffingen van welke aard ook vaststellen of handhaven ter zake van of in verband met de uitvoer van een goed naar het grondgebied van de andere Partij dan de belastingen of heffingen die op dat goed van toepassing zijn wanneer het bestemd is voor binnenlands verbruik.

3.    Niets in dit artikel belet een Partij om bij de uitvoer van een goed een retributie of heffing op te leggen die krachtens artikel 2.6 is toegestaan.

ARTIKEL 2.6

Retributies en formaliteiten

1.    Retributies en andere heffingen die door een Partij worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer van een goed van de andere Partij of de uitvoer van een goed naar de andere Partij, blijven beperkt tot het bedrag bij benadering van de kosten van de verleende diensten, en mogen geen indirecte bescherming van binnenlandse goederen of een belasting op de in- of uitvoer voor fiscale doeleinden beogen.


2.    Een Partij mag geen retributie voor de douaneafhandeling aanrekenen voor goederen van oorsprong 9 .

3.    Elke Partij maakt alle retributies en heffingen die zij in verband met de invoer of de uitvoer aanrekent, op zodanige wijze bekend dat overheden, handelaren en andere belanghebbenden daarvan kennis kunnen nemen.

4.    Een Partij legt in verband met de invoer van goederen van de andere Partij geen consulaire formaliteiten, waaronder retributies en heffingen, op 10 .

ARTIKEL 2.7

Na reparatie of wijziging opnieuw binnengekomen goederen

1.    Onder “reparatie of wijziging” wordt verstaan elke bewerkingshandeling ten aanzien van goederen die ten doel heeft een gebrekkige werking of materiële schade te herstellen zodat de oorspronkelijke functie ervan wordt hersteld of ervoor te zorgen dat de goederen aan de technische voorschriften voor gebruik ervan voldoen, zonder welke handeling de goederen niet meer op de normale wijze kunnen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn bestemd. De reparatie van goederen omvat het herstel en onderhoud, maar omvat geen bewerkingen of processen waardoor:

a)    de wezenlijke kenmerken van een goed teniet worden gedaan, of een nieuw of commercieel verschillend goed ontstaat;


b)    een onafgewerkt goed in een afgewerkt goed wordt getransformeerd; of

c)    de functie van een goed ingrijpend wijzigt.

2.    Een Partij past geen douanerechten toe op goederen die, ongeacht de oorsprong ervan, haar grondgebied opnieuw binnenkomen nadat zij tijdelijk, ter reparatie of wijziging, uit haar grondgebied naar het grondgebied van de andere Partij waren uitgevoerd, ongeacht of die reparatie of wijziging kon worden verricht op het grondgebied van de Partij waaruit de goederen ter reparatie of wijziging waren uitgevoerd.

3.    Lid 2 is niet van toepassing op goederen die in een douane-entrepot, in een vrijhandelszone of met een soortgelijke status worden ingevoerd, vervolgens ter reparatie worden uitgevoerd en niet opnieuw in een douane-entrepot, in een vrijhandelszone of met een soortgelijke status worden ingevoerd.

4.    Een Partij past geen douanerechten toe op goederen, ongeacht de oorsprong ervan, die ter reparatie of wijziging tijdelijk zijn ingevoerd uit het grondgebied van de andere Partij.


ARTIKEL 2.8

Gereviseerde goederen

1.    Onder “gereviseerd goed” wordt verstaan een goed dat is ingedeeld onder de hoofdstukken 84 tot en met 90 of rubriek 9402 van het geharmoniseerd systeem, met uitzondering van de goederen in bijlage 2-B (Lijst met van de definitie van gereviseerde goederen uitgesloten goederen), en:

a)    dat volledig of gedeeltelijk is geproduceerd uit teruggewonnen materialen van gebruikte goederen;

b)    dat op een vergelijkbare wijze presteert en werkt en een vergelijkbare levensduur heeft als het gelijkaardige nieuwe goed; en

c)    waarvoor dezelfde garantie als voor het gelijkaardige nieuwe goed wordt gegeven.

2.    Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, kent een Partij aan gereviseerde goederen van de andere Partij geen minder gunstige behandeling toe dan zij aan gelijkaardige nieuwe goederen toekent.

3.    Met inachtneming van haar verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst en de WTO-overeenkomst kan een Partij verlangen dat gereviseerde goederen:

a)    als zodanig herkenbaar zijn in geval van distributie of verkoop op haar grondgebied, met inbegrip van een specifiek etiket om misleiding van de consument te voorkomen; en


b)    voldoen aan alle technische eisen en voorschriften die van toepassing zijn op het gelijkaardige nieuwe product.

4.    Voor alle duidelijkheid: artikel 2.9 is van toepassing op gereviseerde goederen. Indien een Partij invoer- en uitvoerverboden of invoer- en uitvoerbeperkingen instelt of handhaaft met betrekking tot gebruikte goederen, past zij deze maatregelen niet toe op gereviseerde goederen.

ARTIKEL 2.9

Invoer- en uitvoerbeperkingen

Tenzij anders is bepaald in bijlage 2-C (Uitzonderingen op de invoer- en uitvoerbeperkingen van Mexico), stelt een Partij geen verboden of beperkingen in en handhaaft deze evenmin ter zake van de invoer van een goed van de andere Partij of van de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere Partij is bestemd, tenzij dit in overeenstemming is met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij. Daartoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maken zij integrerend deel hiervan uit.


ARTIKEL 2.10

Invoervergunningen

1.    Elke Partij stelt invoervergunningsprocedures vast en beheert deze overeenkomstig de artikelen 1 tot en met 3 van de Overeenkomst inzake invoervergunningen.

2.    De Partijen stellen elkaar in kennis van nieuwe invoervergunningsprocedures en van wijzigingen van bestaande invoervergunningsprocedures en doen dat uiterlijk zestig dagen na de datum van bekendmaking ervan en zo mogelijk niet later dan zestig dagen voordat de nieuwe procedure of de wijziging van kracht wordt. De kennisgeving omvat de in artikel 5, lid 2, van de Overeenkomst inzake invoervergunningen gespecificeerde informatie, alsook de elektronische adressen van de in lid 4 van dit artikel bedoelde officiële websites. Een Partij wordt geacht aan deze bepaling te voldoen wanneer zij de in artikel 4 van de Overeenkomst inzake invoervergunningen bedoelde Commissie Invoervergunningen overeenkomstig artikel 5, leden 1 tot en met 3, van die overeenkomst in kennis stelt van de desbetreffende nieuwe invoervergunningsprocedure of de wijzigingen daarvan.

3.    Op verzoek van een Partij verstrekt de andere Partij onverwijld alle relevante informatie, met inbegrip van de in artikel 5, lid 2, van de Overeenkomst inzake invoervergunningen bedoelde informatie, over elke invoervergunningsprocedure die zij voornemens is vast te stellen, heeft vastgesteld of handhaaft, en over wijzigingen van bestaande vergunningsprocedures.


4.    Elke Partij maakt op de desbetreffende officiële websites de informatie bekend die zij krachtens artikel 1, lid 4, punt a), van de Overeenkomst inzake invoervergunningen moet publiceren en ziet erop toe dat de in artikel 5, lid 2, van die overeenkomst gespecificeerde informatie openbaar beschikbaar is.

ARTIKEL 2.11

Uitvoervergunningen

1.    Elke Partij maakt nieuwe uitvoervergunningsprocedures en wijzigingen van bestaande uitvoervergunningsprocedures bekend, in voorkomend geval ook op de desbetreffende officiële websites. Deze bekendmaking vindt, voor zover uitvoerbaar, plaats uiterlijk 45 dagen voordat de procedure of wijziging van kracht wordt, en in elk geval niet later dan de datum waarop de procedure of wijziging van kracht wordt.

2.    Elke Partij stelt de andere Partij binnen zestig dagen na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst in kennis van haar bestaande uitvoervergunningsprocedures. Elke Partij stelt de andere Partij binnen zestig dagen na de bekendmaking van nieuwe uitvoervergunningsprocedures en van wijzigingen van bestaande uitvoervergunningsprocedures, in kennis van die procedures en wijzigingen. Die kennisgevingen omvatten een verwijzing naar de bron waar de op grond van lid 3 vereiste informatie wordt bekendgemaakt en, in voorkomend geval, het adres van de desbetreffende officiële website.


3.    De bekendmaking van uitvoervergunningsprocedures omvat de volgende informatie:

a)    de teksten van de uitvoervergunningsprocedures van de Partij en van alle wijzigingen ervan;

b)    de goederen die het voorwerp zijn van elke uitvoervergunningsprocedure;

c)    voor elke procedure, een beschrijving van de procedure voor het aanvragen van een uitvoervergunning en alle criteria waaraan een aanvrager moet voldoen om een uitvoervergunning te kunnen aanvragen, zoals het bezitten van een activiteitenvergunning, het opzetten of handhaven van een investering of het actief zijn via een bepaalde vorm van vestiging op het grondgebied van een Partij;

d)    een contactpunt of contactpunten waar belanghebbenden nadere inlichtingen kunnen verkrijgen over de voorwaarden voor het verkrijgen van een uitvoervergunning;

e)    de administratieve instantie(s) waarbij een aanvraag of andere relevante documenten moeten worden ingediend;

f)    een beschrijving van de maatregel(en) die in het kader van de uitvoervergunningsprocedure worden uitgevoerd;

g)    de periode waarin elke uitvoervergunningsprocedure van kracht zal zijn, tenzij de procedure van kracht blijft tot de intrekking of herziening ervan in een nieuwe bekendmaking;


h)    als de Partij voornemens is van een uitvoervergunningsprocedure gebruik te maken voor het beheer van een uitvoercontingent, de totale omvang, de openings- en sluitingsdata van het contingent en in voorkomend geval de waarde van het contingent; en

i)    alle vrijstellingen van of uitzonderingen op het vereiste een uitvoervergunning te verkrijgen, hoe die vrijstellingen of uitzonderingen kunnen worden aangevraagd of gebruikt, en de criteria voor het verlenen of toekennen ervan.

4.    Voor alle duidelijkheid: geen van de bepalingen van dit artikel verplicht een Partij een uitvoervergunning te verlenen of belet een Partij haar verplichtingen of verbintenissen uit hoofde van resoluties van de VN-Veiligheidsraad of multilaterale regelingen inzake non-proliferatie en uitvoercontrole na te komen.

ARTIKEL 2.12

Douanewaarde

De Partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst inzake de douanewaarde.


ARTIKEL 2.13

Tijdelijke invoer van goederen

1.    Elke Partij staat tijdelijke invoer toe, met volledige voorwaardelijke vrijstelling van invoerrechten, zoals bepaald in haar wet- en regelgeving, voor de volgende goederen, ongeacht hun oorsprong:

a)    goederen die bestemd zijn op tentoonstellingen, beurzen, bijeenkomsten, demonstraties en dergelijke te worden getoond of gebruikt;

b)    beroepsuitrusting, met inbegrip van apparatuur voor de pers of voor geluids- of televisie-uitzendingen, software, filmmateriaal en hulptoestellen of toebehoren daarvoor, die nodig is voor de uitoefening van de bedrijfs-, handels- of beroepsactiviteit van een persoon die het grondgebied van de Partij bezoekt om een bepaalde taak uit te voeren;

c)    verpakkingsmiddelen, handelsmonsters en reclamefilms en -opnamen en andere goederen die in het kader van een handelsactiviteit worden ingevoerd;

d)    goederen die voor sportdoeleinden worden ingevoerd;

e)    goederen die voor humanitaire doeleinden worden ingevoerd; en

f)    dieren die voor specifieke doeleinden worden ingevoerd.


2.    Elke Partij kan verlangen dat de goederen die overeenkomstig lid 1 voor tijdelijke invoer in aanmerking komen:

a)    bestemd zijn voor wederuitvoer zonder dat zij een wijziging hebben ondergaan, met uitzondering van een normale waardevermindering als gevolg van het gebruik dat van die goederen is gemaakt;

b)    uitsluitend worden gebruikt door of onder persoonlijk toezicht van een onderdaan van de andere Partij bij de uitoefening van de bedrijfs-, handels- of beroepsactiviteit of de sportbeoefening door die persoon van de andere Partij;

c)    niet worden verkocht of verhuurd terwijl zij zich op haar grondgebied bevinden;

d)    op verzoek van de Partij van invoer vergezeld gaan van een zekerheid voor een bedrag van ten hoogste de kosten die anders bij binnenkomst of definitieve invoer verschuldigd zouden zijn, en die bij uitvoer van de goederen wordt vrijgegeven;

e)    bij invoer en uitvoer kunnen worden geïdentificeerd;

f)    worden wederuitgevoerd binnen een bepaalde periode die in redelijke verhouding staat tot het doel van de tijdelijke invoer; en

g)    niet in grotere hoeveelheden worden toegelaten dan gelet op het beoogde gebruik redelijk is.


3.    Elke Partij staat toe dat uit hoofde van dit artikel tijdelijk toegelaten goederen worden wederuitgevoerd via een andere douanepost of een ander douanekantoor dan de post of het kantoor waarlangs zij zijn toegelaten.

4.    Elke Partij bepaalt dat de importeur of andere persoon die verantwoordelijk is voor overeenkomstig dit artikel toegelaten goederen niet aansprakelijk is voor verzuim om de goederen binnen de voor de tijdelijke invoer vastgestelde termijn uit te voeren, met inbegrip van rechtmatige verlengingen, indien aan de Partij van invoer, overeenkomstig haar douanewetgeving, bevredigend bewijs wordt overgelegd dat de goederen volledig zijn vernietigd of onherstelbaar verloren zijn gegaan.

ARTIKEL 2.14

Samenwerking

1.    Bijlage 2-D (Bijzondere bepalingen inzake administratieve samenwerking) bevat bijzondere bepalingen inzake administratieve samenwerking tussen de Partijen met betrekking tot preferentiële tariefbehandeling.

2.    De Partijen wisselen met ingang van een jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst jaarlijks invoerstatistieken uit, totdat het Comité voor de handel in goederen anders besluit. De uitwisseling van invoerstatistieken heeft betrekking op gegevens over het recentste beschikbare jaar, met inbegrip van de waarde en het volume, op het niveau van de tariefpost voor de invoer van goederen van de andere Partij waaraan in het kader van deze overeenkomst een preferentiëlerechtenbehandeling wordt toegekend en voor goederen waaraan geen preferentiële behandeling wordt toegekend.


ARTIKEL 2.15

Comité voor de handel in goederen

Het bij artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst), lid 1, punt a), ingestelde Comité voor de handel in goederen heeft tot taak:

a)    toezicht te houden op de uitvoering en het beheer van dit hoofdstuk en de bijlagen daarbij;

b)    de handel in goederen tussen de Partijen te bevorderen, onder meer via overleg over de verbetering van de tariefbehandeling in verband met markttoegang in het kader van deze overeenkomst en over andere kwesties, in voorkomend geval;

c)    een forum te bieden om problemen in verband met dit hoofdstuk te bespreken en op te lossen;

d)    belemmeringen voor de handel in goederen tussen de Partijen onverwijld aan te pakken, met name wanneer zij verband houden met de toepassing van niet-tarifaire maatregelen, en deze kwesties zo nodig ter beoordeling voor te leggen aan het Gemengd Comité;

e)    het Gemengd Comité aanbevelingen te doen over wijzigingen van of toevoegingen aan dit hoofdstuk;

f)    de uitwisseling van gegevens voor preferentiegebruik of enige andere uitwisseling van informatie inzake het goederenverkeer tussen de Partijen waartoe hij kan besluiten, te coördineren;


g)    alle toekomstige wijzigingen van het geharmoniseerd systeem te herzien om ervoor te zorgen dat de verplichtingen van elke Partij uit hoofde van deze overeenkomst niet worden gewijzigd, en overleg te plegen om alle geschillen in dit verband op te lossen;

h)    andere taken uit te voeren waarmee het Gemengd Comité het comité kan belasten.

AFDELING B

Handel in landbouwproducten

ARTIKEL 2.16

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen inzake de handel in landbouwproducten.


ARTIKEL 2.17

Samenwerking in multilaterale fora

1.    De Partijen werken in het kader van de WTO samen om een universeel, op regels gebaseerd, open, niet-discriminerend en billijk multilateraal handelsstelsel te bevorderen, vorderingen te boeken met landbouwonderhandelingen en de vaststelling te stimuleren van nieuwe voorschriften om de handel in landbouwproducten te bevorderen.

2.    De Partijen erkennen dat bepaalde uitvoermaatregelen, zoals uitvoerverboden, -beperkingen of -belastingen, nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kritische aanvoer van landbouwproducten. In dit verband ondersteunen de Partijen de vaststelling van voorschriften door actief deel te nemen aan de desbetreffende internationale fora.

ARTIKEL 2.18

Uitvoerconcurrentie

1.    Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)    “uitvoersubsidies”: subsidies in de zin van artikel 1, punt e), van de Overeenkomst inzake de landbouw; en


b)    “maatregelen van gelijke werking”: exportkredieten, exportkredietgaranties of -verzekeringsprogramma’s alsook andere maatregelen van gelijke werking als een uitvoersubsidie 11 .

2.    De Partijen bevestigen hun verbintenissen uit hoofde van het op 19 december 2015 door de Ministeriële Conferentie van de WTO in Nairobi aangenomen besluit inzake uitvoerconcurrentie om zich zo terughoudend mogelijk op te stellen ten aanzien van alle vormen van uitvoersubsidies en alle uitvoermaatregelen van gelijke werking en om de transparantie te vergroten en het toezicht te verbeteren ten aanzien van alle vormen van uitvoersubsidies en alle uitvoermaatregelen van gelijke werking.

3.    Een Partij mag geen uitvoersubsidie vaststellen of handhaven voor een landbouwproduct dat wordt uitgevoerd, of is verwerkt in een product dat wordt uitgevoerd, naar het grondgebied van de andere Partij.

4.    Een Partij mag geen andere maatregel met gelijke werking handhaven, invoeren of opnieuw invoeren met betrekking tot een landbouwproduct dat wordt uitgevoerd, of is verwerkt in een product dat wordt uitgevoerd, naar het grondgebied van de andere Partij, tenzij die maatregel met gelijke werking voldoet aan de voorwaarden in de desbetreffende WTO-overeenkomst, het desbetreffende WTO-besluit of de desbetreffende WTO-verbintenis.

5.    Om de transparantie en het toezicht met betrekking tot uitvoersubsidies en andere maatregelen met gelijke werking te verbeteren, kan een Partij die gerede twijfel heeft over een uitvoersubsidie of andere maatregel met gelijke werking die de andere Partij toepast op een voor uitvoer naar de eerstgenoemde Partij bestemd landbouwproduct, de nodige informatie over de toegepaste maatregelen opvragen bij de andere Partij. De gevraagde informatie moet onverwijld worden verstrekt.


ARTIKEL 2.19

Toewijzing van de tariefcontingenten

1.    Een Partij die tariefcontingenten toepast overeenkomstig bijlage 2-A (Tijdschema voor tariefafschaffing) moet:

a)    die tariefcontingenten tijdig en op transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze toewijzen overeenkomstig haar recht; en

b)    tijdig en voortdurend alle relevante informatie over het beheer van de contingenten openbaar maken, met inbegrip van de beschikbare hoeveelheid, de benuttingsgraad en de criteria om in aanmerking te komen.

2.    De Partijen overleggen regelmatig over kwesties in verband met de toewijzing van de tariefcontingenten. Daartoe wijst elke Partij een contactpunt aan om de communicatie tussen de Partijen te vergemakkelijken en stelt zij de andere Partij in kennis van de contactgegevens ervan. De Partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen van die contactgegevens.


ARTIKEL 2.20

Subcomité Landbouw

1.    Het bij artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst), lid 1, punt b), ingestelde Subcomité Landbouw heeft tot taak:

a)    toe te zien op de uitvoering en het beheer van deze afdeling en de samenwerking te bevorderen om de handel in landbouwproducten tussen de Partijen te bevorderen;

b)    de Partijen een forum te bieden om de ontwikkelingen in hun landbouwprogramma’s en de handel in landbouwproducten tussen de Partijen te bespreken;

c)    belemmeringen, waaronder niet-tarifaire belemmeringen, voor de handel in landbouwproducten tussen de Partijen aan te pakken;

d)    het effect van dit hoofdstuk op de landbouwsector van elke Partij alsook de werking van de instrumenten van dit hoofdstuk te evalueren en passende maatregelen aan te bevelen aan het Comité voor de handel in goederen;

e)    een forum te bieden om te beraadslagen over kwesties in verband met deze afdeling, in overleg met andere relevante commissies, werkgroepen of andere gespecialiseerde organen die krachtens deze overeenkomst zijn opgericht;


f)    andere taken uit te voeren waarmee het Comité voor de handel in goederen haar kan belasten; en

g)    de resultaten van haar werkzaamheden uit hoofde van dit lid ter overweging voor te leggen aan het Comité voor de handel in goederen.

3.    Het Subcomité Landbouw komt ten minste eenmaal per jaar bijeen, tenzij anders overeengekomen.

4.    Onder bijzondere omstandigheden komt het Subcomité Landbouw op verzoek van een Partij en met instemming van de andere Partij uiterlijk dertig dagen na de datum van dat verzoek bijeen.

AFDELING C

Handel in wijn en gedistilleerde dranken

ARTIKEL 2.21

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op wijnproducten 12 en gedistilleerde dranken die onder de posten 2204, 2205 en 2208 van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld.


ARTIKEL 2.22

Oenologische procedés

1.    De Europese Unie staat de invoer en de afzet op haar grondgebied voor menselijke consumptie toe van wijn van oorsprong uit Mexico die is geproduceerd volgens:

a)    productdefinities die in Mexico zijn toegestaan bij de in deel A van bijlage 2-E (Relevante maatregelen inzake wijnproducten en gedistilleerde dranken) bedoelde wet- en regelgeving; en

b)    de in Mexico bij de in deel A van bijlage 2-E (Relevante maatregelen inzake wijnproducten en gedistilleerde dranken) bedoelde wet- en regelgeving of anderszins voor gebruik bij voor uitvoer bestemde wijn door de bevoegde autoriteit van Mexico goedgekeurde oenologische procedés en beperkingen, voor zover de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding, hierna “OIV” genoemd, deze heeft bekendgemaakt en aanbeveelt.

De in dit lid bedoelde toelating is gekoppeld aan de voorwaarde dat aan de wijnen geen alcohol of gedistilleerde dranken worden toegevoegd, met uitzondering van likeurwijnen waaraan alcohol uit wijnbouwproducten of druiven-eau-de-vie mag worden toegevoegd. Deze alinea laat de mogelijkheid onverlet om bij de bereiding van “vino generoso” andere alcohol dan alcohol uit wijnbouwproducten toe te voegen, mits deze toevoeging duidelijk op het etiket wordt vermeld.


2.    Mexico staat de invoer en de afzet op zijn grondgebied voor menselijke consumptie toe van wijnbouwproducten van oorsprong uit de Europese Unie die zijn geproduceerd in overeenstemming met:

a)    productdefinities die in de Europese Unie zijn toegestaan bij de wet- en regelgeving als bedoeld in deel B van bijlage 2-E (Relevante maatregelen inzake wijnproducten en gedistilleerde dranken);

b)    in de Europese Unie toegestane oenologische procedés en toegepaste beperkingen op grond van de in deel B van bijlage 2-E (Relevante maatregelen inzake wijnproducten en gedistilleerde dranken) bedoelde wet- en regelgeving; en

c)    het feit dat de toevoeging van alcohol of gedistilleerde dranken aan alle andere wijnen dan likeurwijnen waaraan alleen alcohol uit wijnbouwproducten of druiven-eau-de-vie mag worden toegevoegd, is uitgesloten.

3.    De wijnstokrassen die mogen worden gebruikt voor wijn die wordt ingevoerd vanuit de ene Partij en in de handel wordt gebracht op het grondgebied van de andere Partij, zijn rassen van Vitis vinifera-planten en kruisingen daarvan, ongeacht restrictievere wet- en regelgeving die een Partij voor op haar grondgebied geproduceerde wijn kan hebben vastgesteld.

4.    De Gezamenlijke Raad kan de delen A en B van bijlage 2-E (Relevante maatregelen inzake wijnproducten en gedistilleerde dranken) wijzigen door toevoeging, schrapping of bijwerking van de verwijzingen naar de productdefinities en van de oenologische procedés en beperkingen.


ARTIKEL 2.23

Etikettering van wijnproducten en gedistilleerde dranken

1.    Een Partij mag niet verlangen dat een van de volgende data of het equivalent daarvan op het recipiënt, het etiket of de verpakking van wijnproducten of gedistilleerde dranken wordt opgenomen:

a)    de datum van verpakking;

b)    de datum van botteling;

c)    de datum van productie of vervaardiging;

d)    de geldigheidsdatum, de uiterste consumptiedatum, de uiterste datum voor gebruik of verbruik, de vervaldatum;

e)    de datum van minimale houdbaarheid, de �“ten minste houdbaar tot”-datum, de “beste kwaliteit tot”-datum; of

f)    de uiterste verkoopdatum.

Een Partij kan verlangen dat een datum van minimale houdbaarheid wordt vermeld wanneer bederfelijke ingrediënten zijn toegevoegd of wanneer de houdbaarheid volgens de producent maximaal twaalf maanden bedraagt.


2.    Een Partij mag niet verlangen dat vertalingen van handelsmerken, merknamen of geografische aanduidingen op recipiënten, etiketten of verpakkingen van wijnproducten of gedistilleerde dranken worden opgenomen.

3.    Een Partij staat toe dat verplichte informatie, met inbegrip van vertalingen, wordt vermeld op een bijkomend etiket dat op een recipiënt van wijnproducten of gedistilleerde dranken wordt aangebracht. Bijkomende etiketten kunnen op een ingevoerde recipiënt met wijn of gedistilleerde drank worden aangebracht na de invoer maar voordat het product op het grondgebied van de Partij in de handel wordt gebracht, op voorwaarde dat de verplichte informatie van het oorspronkelijke etiket volledig en nauwkeurig wordt weergegeven.

4.    Een Partij staat het gebruik van identificatiecodes voor Partijen toe, op voorwaarde dat die codes niet worden geschrapt.

5.    Een Partij past een etiketteringsmaatregel niet toe op wijnproducten en gedistilleerde dranken die vóór de datum waarop de maatregel in werking treedt op het grondgebied van die Partij in de handel zijn gebracht, behalve in uitzonderlijke omstandigheden.

6.    Een Partij staat het gebruik van tekeningen, figuren, illustraties en aanspraken of legenda’s op flessen toe, op voorwaarde dat zij de verplichte informatie op het etiket niet vervangen en de consument niet misleiden ten aanzien van de werkelijke kenmerken en samenstelling van de wijnbouwproducten en gedistilleerde dranken.

7.    Een Partij vereist niet dat op etiketten van wijnproducten en gedistilleerde dranken allergenen worden vermeld die zijn gebruikt bij de productie en bereiding van de wijnproducten of gedistilleerde dranken en die niet aanwezig zijn in het eindproduct.


8.    Voor de handel in wijn tussen de Partijen mag op wijn van oorsprong uit de Europese Unie in Mexico een etiket worden aangebracht met vermelding van het in deel C (Etikettering van wijnen) van bijlage 2-E (Relevante maatregelen inzake wijnproducten en gedistilleerde dranken) gespecificeerde producttype.

9.    Elke Partij beschermt de volgende namen met betrekking tot wijnproducten en gedistilleerde dranken in overeenstemming met het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, gedaan te Parijs op 20 maart 1883 (hierna “het Verdrag van Parijs” genoemd):

a)    de naam van een lidstaat; en

b)    de naam van de Verenigde Mexicaanse Staten of Mexico en de staten van Mexico.

10.    Een Partij staat toe dat het alcoholvolumegehalte op etiketten van wijnproducten en gedistilleerde dranken wordt uitgedrukt met de volgende afkortingen:

a)    “% Alc. Vol.”;

b)    “% Alc Vol.”;

c)    “% alc. vol.”;

d)    “% alc vol.”;


e)    “% Alc.”;

f)    “% Alc./Vol.”;

g)    “Alc( )%vol.”;

h)    “% alc/vol”;

i)    “alc( )%vol”.

ARTIKEL 2.24

Certificering van wijnproducten en gedistilleerde dranken

1.    Een Partij mag voor uit de andere Partij ingevoerde en op haar markt gebrachte wijnproducten alleen de in deel D (Documentatie en certificering) van bijlage 2-E (Relevante maatregelen inzake wijnproducten en gedistilleerde dranken) vermelde documentatie en certificering verlangen.

2.    Een Partij mag de invoer van op het grondgebied van de andere Partij geproduceerde wijnproducten niet onderwerpen aan strengere eisen inzake certificering bij invoer dan de in deze overeenkomst vastgestelde eisen.


3.    Elke Partij kan haar wet- en regelgeving toepassen om vervalste of verontreinigde producten na de uiteindelijke invoer ervan te identificeren.

4.    Bij geschillen erkent elke Partij als referentiemethoden de analysemethoden die voldoen aan de door internationale organisaties zoals de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) aanbevolen normen of, bij ontstentenis van dergelijke methoden, de methoden van de OIV.

5.    Elke Partij staat de invoer van gedistilleerde dranken op haar grondgebied toe overeenkomstig de regels betreffende de invoerdocumenten of -certificaten en analyseverslagen zoals bepaald in haar wet- en regelgeving.

6.    De Europese Unie vereist bij de invoer van tequila en mescal in de Europese Unie dat een certificaat van echtheid bij uitvoer van deze producten, dat is afgegeven door de door de Mexicaanse autoriteiten erkende en geaccrediteerde conformiteitsbeoordelingsinstanties, wordt overgelegd aan haar douaneautoriteiten 13 . Mexico verstrekt modellen voor het certificaat van echtheid bij uitvoer van tequila en mescal en stelt het Subcomité Handel in wijn en gedistilleerde dranken in kennis van wijzigingen van die certificaten.


7.    De Partijen mogen op grond van legitieme beleidsbelangen, zoals bescherming van de volksgezondheid, bescherming van de consument of bestrijding van fraude, tijdelijk aanvullende eisen inzake invoercertificering vaststellen voor wijnbouwproducten en gedistilleerde dranken die uit de andere Partij worden ingevoerd. In dergelijke gevallen verstrekt de Partij de andere Partij de nodige informatie en biedt zij de andere Partij voldoende tijd om aan de aanvullende eisen te kunnen voldoen.

Die eisen mogen niet langer gelden dan nodig is om het specifieke beleidsbelang of frauderisico op grond waarvan zij zijn vastgesteld te vrijwaren.

8.    De Gezamenlijke Raad kan deel D (Documentatie en certificering) van bijlage 2-E (Relevante maatregelen inzake wijnproducten en gedistilleerde dranken) wijzigen wat betreft de in lid 1 bedoelde documentatie en certificering.

ARTIKEL 2.25

Toepasselijke regels

Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, vinden de invoer en afzet van producten die onder deze afdeling vallen en tussen de Partijen worden verhandeld, plaats overeenkomstig de wet- en regelgeving die op het grondgebied van de Partij van invoer van toepassing is.


ARTIKEL 2.26

Overgangsmaatregelen

Producten die op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de wet- en regelgeving van een Partij en de bestaande overeenkomsten tussen de Partijen, maar niet voldoen aan deze afdeling, mogen in de volgende omstandigheden in de Partij van invoer in de handel worden gebracht:

a)    door groothandelaren en producenten, gedurende twee jaar; of

b)    door detailhandelaren, tot de voorraden zijn uitgeput.

ARTIKEL 2.27

Kennisgevingen

Elke Partij stelt de andere Partij tijdig in kennis van wijzigingen in de wet- en regelgeving inzake onder deze afdeling vallende aangelegenheden die van invloed zijn op de tussen hen verhandelde producten.


ARTIKEL 2.28

Samenwerking inzake de handel in wijn en gedistilleerde dranken

1.    De Partijen werken en handelen samen in aangelegenheden in verband met de handel in wijn en gedistilleerde dranken, met name:

a)    de productomschrijvingen, de certificering en de etikettering; en

b)    het gebruik van druivenrassen bij de vinificatie en de vermelding daarvan op het etiket.

2.    Om de wederzijdse bijstand tussen de handhavingsautoriteiten van de Partijen te vergemakkelijken, wijst elke Partij de bevoegde autoriteiten en instanties aan die belast zijn met de uitvoering en toepassing van de onder deze afdeling vallende aangelegenheden. Indien een Partij meer dan één bevoegde autoriteit of instantie aanwijst, zorgt zij voor de coördinatie tussen die autoriteiten en instanties. In dat geval wijst een Partij ook een verbindingsautoriteit aan die fungeert als enig contactpunt voor de autoriteit of instantie van de andere Partij.

3.    De Partijen stellen elkaar uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst in kennis van de namen en adressen van de in lid 2 bedoelde bevoegde autoriteiten en instanties en van wijzigingen daarvan.


4.    De in dit artikel bedoelde autoriteiten en instanties werken nauw samen en zoeken naar manieren om de wederzijdse bijstand bij de toepassing van deze afdeling verder te verbeteren, met name bij de bestrijding van frauduleuze praktijken.

ARTIKEL 2.29

Subcomité Handel in wijn en gedistilleerde dranken

1.     Het bij artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst), lid 1, punt c), ingestelde Subcomité Handel in wijn en gedistilleerde dranken heeft tot taak:

a)    toezicht te houden op de uitvoering en het beheer van deze afdeling;

b)    een forum te bieden voor samenwerking inzake kwesties die verband houden met deze afdeling en om informatie uit te wisselen; en

c)    toe te zien op de goede werking van deze afdeling.

2.    Het Subcomité Handel in wijn en gedistilleerde dranken kan aanbevelingen doen en besluiten voorbereiden voor de Gezamenlijke Raad, die overeenkomstig deze afdeling kunnen worden aangenomen.


AFDELING D

Niet-tarifaire verbintenissen betreffende markttoegang voor andere sectoren

ARTIKEL 2.30

Farmaceutische producten

Bijlage 2-F (Farmaceutische producten) bevat specifieke niet-tarifaire verbintenissen betreffende markttoegang van elke Partij met betrekking tot farmaceutische producten en medische hulpmiddelen.

ARTIKEL 2.31

Motorvoertuigen

Bijlage 2-G (Motorvoertuigen en uitrustingsstukken en onderdelen daarvan) bevat specifieke niet-tarifaire verbintenissen betreffende markttoegang van elke partij met betrekking tot motorvoertuigen en uitrustingsstukken en onderdelen daarvan.


HOOFDSTUK 3

OORSPRONGSREGELS EN OORSPRONGSPROCEDURES

AFDELING A

Oorsprongsregels

ARTIKEL 3.1

Definities

1.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “hoofdstuk”, “post” en “onderverdeling”: het hoofdstuk (tweecijfercode), de post (viercijfercode) en de postonderverdeling (zescijfercode) die in de nomenclatuur van het geharmoniseerd systeem worden gebruikt;

b)    “bevoegde overheidsinstantie”: in het geval van Mexico, de aangewezen instantie binnen het Ministerie van Economische Zaken (Secretaría de Economía), of de opvolger daarvan;


c)    “zending”: goederen die gelijktijdig van één exporteur naar één geadresseerde worden verzonden of die vergezeld gaan van één enkel vervoersdocument voor de verzending van de exporteur naar de geadresseerde, of bij gebreke daarvan, van één enkele factuur;

d)    “douaneautoriteiten”: de overheidsinstantie die uit hoofde van het recht van de Partij belast is met het beheer, de toepassing en de handhaving van de wet- en regelgeving op douanegebied;

e)    “exporteur”: een op het grondgebied van een Partij gevestigde persoon die goederen uitvoert vanaf het grondgebied van die Partij en een attest van oorsprong opstelt;

f)    “importeur”: een op het grondgebied van een Partij gevestigde persoon die goederen invoert en om een preferentiële tariefbehandeling verzoekt;

g)    “materiaal”: alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen enz. die bij de vervaardiging van het product worden gebruikt;

h)    “niet van oorsprong zijnde materialen”: materialen die krachtens de voorwaarden van dit hoofdstuk niet van oorsprong zijn;

i)    “van oorsprong zijnde materialen” of “van oorsprong zijnde producten”: materialen of producten die krachtens de voorwaarden van dit hoofdstuk van oorsprong zijn;


j)    “product”: het product dat wordt vervaardigd, ook indien het bedoeld is om later als materiaal bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt; en

k)    “productie”: elke soort be- of verwerking of specifieke handeling, met inbegrip van assemblage.

ARTIKEL 3.2

Algemene vereisten

1.    Voor de toepassing door een Partij van de preferentiële tariefbehandeling op het goed van oorsprong van de andere Partij overeenkomstig deze overeenkomst, worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit de Partij waar de laatste productie heeft plaatsgevonden:

a)    volledig in die Partij verkregen producten in de zin van artikel 3.4;

b)    in die Partij uitsluitend uit materialen van oorsprong vervaardigde producten; of

c)    in die Partij vervaardigde producten waarin niet van oorsprong zijnde materialen zijn verwerkt voor zover zij voldoen aan de eisen van bijlage 3-A (Productspecifieke oorsprongsregels).

2.    Een product dat overeenkomstig lid 1 wordt beschouwd als van oorsprong uit een Partij moet aan alle overige toepasselijke vereisten van dit hoofdstuk voldoen met het oog op de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling op basis van een verzoek krachtens artikel 3.16.


3.    Als een product de oorsprongsstatus heeft verkregen, worden de niet van oorsprong zijnde materialen die zijn gebruikt bij de productie van dat product niet als niet van oorsprong beschouwd wanneer dat product als materiaal in een ander product wordt verwerkt.

4.    Om de oorsprongsstatus te verkrijgen moet het product zonder onderbreking in een Partij worden vervaardigd als bedoeld in lid 1, punten a) tot en met c).

ARTIKEL 3.3

Cumulatie van oorsprong

1.    Een product van oorsprong uit een Partij wordt beschouwd als product van oorsprong uit de andere Partij wanneer het als materiaal bij de vervaardiging van een ander product in die andere Partij wordt gebruikt 14 .

2.    Lid 1 is niet van toepassing indien:

a)    de vervaardiging van een product niet meer behelst dan de in artikel 3.6 bedoelde behandelingen; en

b)    uit doorslaggevend bewijs blijkt dat deze vervaardiging tot doel heeft het financieel of belastingrecht van de Partijen te omzeilen.


ARTIKEL 3.4

Volledig verkregen producten

1.    De volgende producten worden beschouwd als volledig in een Partij verkregen:

a)    aldaar uit de bodem of uit de zee- of oceaanbodem gewonnen minerale producten;

b)    aldaar gekweekte of geoogste planten en producten van het plantenrijk;

c)    aldaar geboren en opgefokte levende dieren;

d)    producten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren;

e)    producten afkomstig van aldaar geboren en opgefokte geslachte dieren;

f)    producten afkomstig van aldaar bedreven jacht en visserij;

g)    producten afkomstig van aquacultuur aldaar, indien aquatische organismen, met inbegrip van vis, weekdieren, schaaldieren, andere ongewervelde waterdieren en waterplanten zijn geboren of opgefokt uit uitgangsmateriaal zoals eieren, hom en kuit, visbroed, pootvis of larven, door ingrepen in het kweek- en groeiproces teneinde de productie te vergroten, zoals het uitzetten, voeren, of beschermen tegen predatoren;


h)    producten van de zeevisserij en andere buiten een territoriale zee door een vaartuig van een Partij uit de zee gewonnen producten;

i)    producten die, uitsluitend uit de in punt h) bedoelde producten, aan boord van een fabrieksschip van een Partij zijn vervaardigd;

j)    aldaar verzamelde gebruikte artikelen, die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen, met inbegrip van die grondstoffen;

k)    resten of afval afkomstig van aldaar verrichte productiehandelingen;

l)    producten die buiten de territoriale zee van een Partij uit de zeebodem of ondergrond daarvan worden gewonnen, voor zover rechten zijn toegekend om deze zeebodem of ondergrond te exploiteren of te bewerken; of

m)    goederen die aldaar uitsluitend uit de in de punten a) tot en met l) bedoelde producten zijn vervaardigd.

2.    Onder “vaartuig van een Partij” respectievelijk “fabrieksschip van een Partij” in lid 1, punten h) en i), wordt verstaan een vaartuig respectievelijk fabrieksschip dat:

a)    in een lidstaat of in Mexico is geregistreerd;

b)    onder de vlag van een lidstaat of van Mexico vaart; en


c)    aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

i)    het is ten minste voor 50 % eigendom van onderdanen van een lidstaat of van Mexico; of

ii)    het is eigendom van ondernemingen die elk:

A)    hun hoofdkantoor en hun belangrijkste economische activiteit in de Europese Unie of Mexico hebben; en

B)    voor ten minste 50 % in handen zijn van publieke entiteiten, onderdanen of ondernemingen van een lidstaat of Mexico.

ARTIKEL 3.5

Toleranties

1.    Wanneer een product niet aan de vereisten van bijlage 3-A (Productspecifieke oorsprongsregels) voldoet wegens het gebruik van een niet van oorsprong zijnd materiaal bij de vervaardiging ervan, wordt dat product toch als van oorsprong uit een Partij beschouwd op voorwaarde dat:

a)    de totale waarde van dat niet van oorsprong zijnde materiaal niet meer dan 10 % van de prijs af fabriek van het product bedraagt; en


b)    geen van de in bijlage 3-A (Productspecifieke oorsprongsregels) vermelde percentages voor de maximumwaarde of het maximumgewicht van niet van oorsprong zijnde materialen wordt overschreden door de toepassing van dit lid.

2.    Lid 1 is niet van toepassing op producten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 zijn ingedeeld, waarop de in de aantekeningen 5 en 6 van afdeling A van bijlage 3-A (Productspecifieke oorsprongsregels) vermelde toleranties van toepassing zijn.

3.    Lid 1 is niet van toepassing op volledig in een Partij verkregen producten in de zin van artikel 3.4. Indien uit hoofde van bijlage 3-A (Productspecifieke oorsprongsregels) is vereist dat de bij de vervaardiging van een product gebruikte materialen volledig moeten zijn verkregen, is de in lid 1 vermelde tolerantie van toepassing op de som van die materialen.

ARTIKEL 3.6

Ontoereikende be- of verwerking

1.    Niettegenstaande artikel 3.2, lid 1, punt c), wordt een product niet als van oorsprong uit een Partij beschouwd indien de productie van het product in een Partij slechts bestaat in de volgende behandelingen ten aanzien van niet van oorsprong zijnde materialen:

a)    behandelingen om de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren, zoals luchten, uitspreiden, drogen, invriezen, koelen, in water zetten waaraan zout, zwaveldioxide of andere producten zijn toegevoegd, verwijderen van beschadigde gedeelten en soortgelijke behandelingen;


b)    het eenvoudig toevoegen van water of het verdunnen dat de kenmerken van het product niet wezenlijk wijzigt, of het drogen of denatureren 15 van producten;

c)    het zeven, sorteren, classificeren of assorteren, daaronder begrepen het samenstellen van stellen of assortimenten van artikelen;

d)    het aanscherpen, eenvoudig vermalen of eenvoudig versnijden;

e)    het pellen, ontpitten of schillen van vruchten, noten of groenten;

f)    het ontvliezen of doppen;

g)    het verwijderen van korrels;

h)    het polijsten of glanzen van granen en rijst; het geheel of gedeeltelijk vermalen van rijst;

i)    het kleuren of aromatiseren van suiker of vormen van suikerklonten; het geheel of gedeeltelijk vermalen van kristalsuiker;

j)    het veranderen van verpakkingen, het splitsen en samenvoegen van colli;

k)    eenvoudige handelingen in verband met de verpakking;


l)    het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;

m)    het wassen, schoonmaken of verwijderen van stof, roest, olie, verf of dergelijke;

n)    het eenvoudig schilderen en polijsten;

o)    het eenvoudig mengen van producten 16 , ook van verschillende soorten 17 ;

p)    het samenvoegen van delen die zijn aangemerkt als volledig of afgewerkt artikel overeenkomstig algemene regel 2, punt a), voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, of de overige eenvoudige samenvoeging van delen;

q)    het uit elkaar nemen van een product in onderdelen of componenten;

r)    het strijken of persen van textielstoffen en textielwaren;

s)    het slachten van dieren; of

t)    het uitvoeren van twee of meer in de punten a) tot en met s) genoemde behandelingen tezamen.


2.    Voor de toepassing van lid 1 worden behandelingen als eenvoudig beschouwd wanneer voor het uitvoeren daarvan geen bijzondere vaardigheden noch speciaal daarvoor gemaakte of geïnstalleerde machines, apparaten of gereedschappen nodig zijn of wanneer de behandelingen in het kader van die vaardigheden, machines, apparaten of gereedschappen het goed niet zijn essentiële kenmerken en eigenschappen verlenen.

ARTIKEL 3.7

In aanmerking te nemen eenheid

1.    De voor de toepassing van dit hoofdstuk in aanmerking te nemen eenheid is het product dat bij de indeling van het product in het geharmoniseerd systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

2.    Wanneer een product, bestaande uit een groep of verzameling van artikelen, onder een enkele post van het geharmoniseerd systeem wordt ingedeeld, vormt het geheel de in aanmerking te nemen eenheid.

3.    Wanneer een zending uit een aantal identieke producten bestaat die onder dezelfde post zijn ingedeeld, wordt elk product afzonderlijk beschouwd bij de toepassing van dit hoofdstuk.


ARTIKEL 3.8

Gescheiden boekhouding

1.    Indien zowel van oorsprong als niet van oorsprong zijnde onderling vervangbare materialen worden gebruikt bij de vervaardiging van een goed, kunnen die materialen met behulp van een gescheiden boekhouding worden beheerd, zonder dat die materialen apart worden opgeslagen.

2.    Indien van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde onderling vervangbare producten van de hoofdstukken 10, 15, 27, 28, 29, posten 32.01 tot en met 32.07, of posten 39.01 tot en met 39.14 in de ene Partij fysiek worden gecombineerd of vermengd in een voorraad vóór uitvoer naar de andere Partij, kunnen die producten met behulp van een gescheiden boekhouding worden beheerd, zonder dat die producten apart worden opgeslagen.

3.    Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt onder “onderling vervangbare materialen of producten” verstaan: materialen of producten van dezelfde soort en handelskwaliteit, met dezelfde technische en fysieke kenmerken, waartussen geen onderscheid mogelijk is, in het geval van materialen, zodra zij in het eindproduct zijn verwerkt.

4.    De voor het voorraadbeheer gebruikte methode van gescheiden boekhouding omvat een voorraadbeheersysteem dat in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen van de Partij.


5.    Het voorraadbeheersysteem moet ervoor zorgen dat te allen tijde kan worden vastgesteld dat de hoeveelheid verkregen producten die als van oorsprong uit een Partij kan worden beschouwd, niet groter is dan de hoeveelheid die zou zijn verkregen bij een fysieke scheiding van de voorraden.

6.    Een fabrikant die een voorraadbeheersysteem gebruikt, moet een administratie van de werking van het systeem bijhouden die de douaneautoriteiten van de betrokken Partij nodig hebben om na te gaan of de bepalingen van dit hoofdstuk worden nageleefd.

7.    Een Partij kan eisen dat voor een gescheiden boekhouding krachtens dit artikel een voorafgaande vergunning van de douaneautoriteiten van die Partij nodig is.

8.    De douaneautoriteiten van een Partij kunnen aan de verlening van de in lid 7 bedoelde vergunning alle voorwaarden verbinden die zij passend achten en kunnen de vergunning intrekken indien de fabrikant er oneigenlijk gebruik van maakt of een van de andere in dit hoofdstuk neergelegde voorwaarden niet naleeft.

ARTIKEL 3.9

Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

1.    Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden verzonden en die deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs ervan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht een geheel te vormen met het materieel of de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.


2.    Het toebehoren en de vervangingsonderdelen en gereedschappen als bedoeld in lid 1 worden bij het bepalen van de oorsprong van het product buiten beschouwing gelaten, behalve wat de berekening van de maximumwaarde van de niet van oorsprong zijnde materialen betreft indien voor een product een maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen als vastgesteld in bijlage 3-A (Productspecifieke oorsprongsregels) van toepassing is.

ARTIKEL 3.10

Stellen of assortimenten

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem worden als van oorsprong uit een Partij beschouwd wanneer alle samenstellende delen ervan van oorsprong zijn. Indien een stel of assortiment bestaat uit van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde samenstellende delen, wordt het stel of assortiment als geheel beschouwd als van oorsprong uit een Partij indien de waarde van de niet van oorsprong zijnde samenstellende delen niet meer dan 15 % van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

ARTIKEL 3.11

Neutrale elementen

Om te bepalen of een product van oorsprong is uit een Partij, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van de volgende mogelijk bij de vervaardiging van dat product gebruikte elementen:

a)    brandstof, energie, katalysatoren en oplosmiddelen;


b)    materieel, apparatuur en benodigdheden voor het testen of inspecteren van het product;

c)    handschoenen, brillen, schoeisel, kleding, veiligheidsuitrusting en benodigdheden;

d)    machines, werktuigen, matrijzen en gietvormen;

e)    installatie, uitrusting, vervangingsonderdelen en materialen voor het onderhoud van materieel en gebouwen;

f)    smeermiddelen, vetten, samenstellende materialen en andere materialen die worden gebruikt bij de productie of om materieel en gebouwen te laten functioneren; en

g)    andere materialen die niet in de uiteindelijke samenstelling van het product zijn verwerkt en niet bedoeld zijn om daarin te worden verwerkt.

ARTIKEL 3.12

Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen

1.    Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen waarin het product is verpakt voor detailhandelsverkoop, indien zij samen met het product zijn ingedeeld krachtens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, worden bij het bepalen van de oorsprong van het product buiten beschouwing gelaten, behalve wat de berekening van de maximumwaarde van de niet van oorsprong zijnde materialen betreft indien voor het product een maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen als vastgesteld in bijlage 3-A (Productspecifieke oorsprongsregels) geldt.


2.    Met verpakkingsmateriaal en -middelen waarin een product voor verzending is verpakt, wordt geen rekening gehouden bij de vaststelling van de oorsprong van het product.

ARTIKEL 3.13

Terugkerende goederen

Wanneer goederen van oorsprong van een Partij die uit die Partij naar een derde land zijn uitgevoerd, worden geretourneerd, worden zij als niet van oorsprong aangemerkt tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat de terugkerende goederen:

a)    dezelfde goederen zijn als de uitgevoerde goederen; en

b)    terwijl zij zich in dat derde land bevonden of toen zij werden uitgevoerd, geen andere behandelingen hebben ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om ze in goede staat te bewaren.


ARTIKEL 3.14

Geen wijziging

1.    De voor invoer in een Partij aangegeven goederen zijn dezelfde goederen als die welke zijn uitgevoerd uit de andere Partij waarin zij worden beschouwd als van oorsprong. De goederen zijn niet gewijzigd en hebben ook geen andere be- of verwerkingen ondergaan dan die welke noodzakelijk waren voor hun bewaring in goede staat of welke bestaan in toevoeging of aanbrenging van merken, etiketten, zegels of andere onderscheidingstekens om te waarborgen dat aan specifieke interne vereisten van de Partij van invoer wordt voldaan, voordat zij ten invoer werden aangegeven.

2.    Goederen of zendingen mogen in een derde land worden opgeslagen, op voorwaarde dat zij in dat derde land onder douanetoezicht blijven.

3.    Onverminderd het bepaalde in afdeling B kunnen zendingen in een derde land worden gesplitst wanneer dit door de exporteur of onder zijn verantwoordelijkheid geschiedt en op voorwaarde dat de goederen in dat derde land onder douanetoezicht blijven.

4.    Aan de voorwaarden in de leden 1 tot en met 3 wordt geacht te zijn voldaan, tenzij de douaneautoriteiten redenen hebben om het tegendeel aan te nemen. In dergelijke gevallen verstrekt de importeur overeenkomstig de bepalingen van het recht van elke Partij passend bewijs waaruit blijkt dat hij aan de voorwaarden voldoet, onder meer aan de hand van vervoersovereenkomsten zoals vrachtbrieven of feitelijk of concreet bewijsmateriaal zoals merktekens of nummering van de colli of ander bewijsmateriaal betreffende de goederen zelf.


ARTIKEL 3.15

Tentoonstellingen

1.    Op producten van oorsprong die voor een tentoonstelling naar een derde land zijn verzonden en die na de tentoonstelling voor invoer in een Partij zijn verkocht, zijn bij die invoer de bepalingen van deze overeenkomst van toepassing voor zover ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

a)    een exporteur deze producten vanuit een Partij naar het derde land van de tentoonstelling heeft verzonden en deze daar heeft tentoongesteld;

b)    de exporteur de producten heeft verkocht of op andere wijze heeft afgestaan aan een geadresseerde in een van de Partijen;

c)    de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat zijn verzonden als waarin zij naar de tentoonstelling zijn verzonden; en

d)    de producten vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.

2.    Er moet een attest van oorsprong worden opgesteld overeenkomstig afdeling B dat op de gebruikelijke wijze bij de douaneautoriteiten van de Partij van invoer moet worden ingediend. Op dat attest moeten de naam en het adres van de tentoonstelling vermeld zijn.


3.    Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van die producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht blijven.

4.    De douaneautoriteiten van de Partij van invoer kunnen een bewijs verlangen waaruit blijkt dat de producten in het derde land van de tentoonstelling onder douanecontrole zijn gebleven, alsmede aanvullende bewijsstukken met betrekking tot de voorwaarden waaronder zij zijn tentoongesteld.

AFDELING B

Oorsprongsprocedures

ARTIKEL 3.16

Verzoek om preferentiële tariefbehandeling en attest van oorsprong

1.    De Partij van invoer kent bij invoer de preferentiële tariefbehandeling toe aan een product van oorsprong uit de andere Partij in de zin van artikel 3.2, op grond van een verzoek van de importeur om preferentiële tariefbehandeling, op voorwaarde dat aan alle andere toepasselijke vereisten van dit hoofdstuk is voldaan.


2.    Het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een attest van oorsprong dat overeenkomstig artikel 3.18 door de exporteur is afgegeven op een factuur of op een ander handelsdocument.

3.    Het verzoek om preferentiële tariefbehandeling en het attest van oorsprong als bedoeld in lid 2 worden opgenomen in de douaneaangifte ten invoer overeenkomstig de wet- en regelgeving van de Partij van invoer.

4.    De importeur die een verzoek indient op basis van een in lid 2 bedoeld attest van oorsprong, moet in het bezit zijn van dat attest en, op verzoek, een afschrift ervan verstrekken aan de douaneautoriteiten van de Partij van invoer.

5.    De leden 2, 3 en 4 zijn niet van toepassing in de gevallen als bedoeld in artikel 3.23.

ARTIKEL 3.17

Verzoeken om preferentiële behandeling na invoer

1.    Elke Partij bepaalt dat een importeur na invoer om de preferentiële tariefbehandeling kan verzoeken en het voor het ingevoerde goed teveel betaalde recht terugbetaald kan krijgen, indien de importeur op het tijdstip van invoer geen verzoek om preferentiële tariefbehandeling heeft ingediend en het betrokken goed op het tijdstip van invoer in het kader van een dergelijke aanvraag in aanmerking zou zijn gekomen voor de oorsprongsstatus overeenkomstig artikel 3.2.


2.    De importeur dient een verzoek om preferentiële tariefbehandeling uiterlijk een jaar na de datum van invoer in. Als voorwaarde voor de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling krachtens lid 1 kan een Partij eisen dat de importeur:

a)    een afschrift van het attest van oorsprong voor het betrokken goed overlegt;

b)    de andere documenten overlegt die nodig zijn voor de invoer van het goed; en

c)    verklaart dat het goed op het tijdstip van invoer een goed van oorsprong was.

ARTIKEL 3.18

Voorwaarden voor het opstellen van een attest van oorsprong

1.    Een in artikel 3.16, lid 2, bedoeld attest van oorsprong kan worden opgesteld door een exporteur die is geregistreerd:

a)    in Mexico, als exporteur die een vergunning heeft gekregen van de bevoegde overheidsinstantie en aan alle voorwaarden voldoet die passend worden geacht om de oorsprongsstatus van de goederen en de naleving van de andere vereisten van dit hoofdstuk te controleren; en

b)    in de Europese Unie, als exporteur overeenkomstig het desbetreffende recht van de Europese Unie (systeem van geregistreerde exporteurs).


2.    De douaneautoriteit of bevoegde overheidsinstantie kent de geregistreerde exporteur een nummer toe dat in het attest van oorsprong moet worden vermeld. De douaneautoriteit of bevoegde overheidsinstantie beheert het registratieproces en kan de registratie intrekken in geval van oneigenlijk gebruik door de exporteur.

3.    Een exporteur kan een in artikel 3.16, lid 2, bedoeld attest van oorsprong opstellen voor zendingen bestaande uit een of meer colli met producten van oorsprong waarvan de totale waarde niet meer dan 6 000 EUR bedraagt.

4.    De exporteur stelt een attest van oorsprong op in een van de in bijlage 3-B (Tekst van het attest van oorsprong) opgenomen taalversies, op een factuur of ander handelsdocument waarin het product van oorsprong voldoende duidelijk is omschreven om het te kunnen identificeren.

5.    Attesten van oorsprong worden door de exporteur eigenhandig ondertekend. Een overeenkomstig lid 1 geregistreerde exporteur is niet verplicht dergelijke attesten te ondertekenen, op voorwaarde dat hij de volledige verantwoordelijkheid jegens de douaneautoriteit of de bevoegde overheidsinstantie van de Partij van uitvoer aanvaardt voor elk attest van oorsprong waarin hij wordt geïdentificeerd als had hij het attest van oorsprong eigenhandig ondertekend.

6.    De exporteur die een attest van oorsprong opstelt moet op verzoek van de douaneautoriteit of de bevoegde overheidsinstantie van de Partij van uitvoer te allen tijde bereid zijn de nodige documenten over te leggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere vereisten van dit hoofdstuk is voldaan.

7.    De exporteur kan een attest van oorsprong opstellen op het tijdstip van uitvoer of na de uitvoer van de desbetreffende goederen.


ARTIKEL 3.19

Geldigheid van het attest van oorsprong

1.    Een attest van oorsprong is een jaar geldig vanaf de datum waarop het is opgesteld.

2.    Een attest van oorsprong kan van toepassing zijn op:

a)    een enkele zending van een product; of

b)    meerdere zendingen van identieke producten binnen een in het attest van oorsprong aangegeven periode van maximaal twaalf maanden.

ARTIKEL 3.20

Invoer in deelzendingen

Wanneer, op verzoek van een importeur en overeenkomstig de door de douaneautoriteiten van de Partij van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde goederen in de zin van algemene regel 2, punt a), voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XV tot en met XXI van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt bij de invoer van de eerste deelzending een enkel attest van oorsprong ingediend zoals vereist door de douaneautoriteiten.


ARTIKEL 3.21

Verschillen en kleine verschrijvingen

1.    Geringe verschillen tussen het attest van oorsprong en de documenten die voor het vervullen van de invoerformaliteiten bij het douanekantoor worden ingediend, maken het bewijs van oorsprong niet automatisch ongeldig indien blijkt dat het document met de betrokken producten overeenstemt.

2.    De douaneautoriteiten van de Partij van invoer mogen een verzoek om preferentiële tariefbehandeling niet afwijzen wegens kleine verschrijvingen in het attest van oorsprong, zoals tikfouten.

ARTIKEL 3.22

Verplichting tot bewaren van gegevens

1.    Een importeur die om de preferentiële tariefbehandeling verzoekt voor een in een Partij ingevoerd goed, bewaart het door de exporteur opgestelde attest van oorsprong gedurende drie jaar na de datum van invoer van het product of gedurende een langere periode die de Partij van invoer kan vaststellen.


2.    Een exporteur die een attest van oorsprong heeft opgesteld, bewaart gedurende drie jaar na het opstellen van dat attest of gedurende een langere periode die de Partij van uitvoer kan vaststellen, een afschrift van dat attest en van alle andere documenten waaruit blijkt dat het product aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus voldoet.

3.    De overeenkomstig dit artikel te bewaren gegevens mogen in elektronische vorm worden opgeslagen.

ARTIKEL 3.23

Vrijstellingen van het attest van oorsprong

1.    Goederen die in colli van geringe waarde door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, worden als goederen van oorsprong toegelaten zonder dat een bewijs van oorsprong vereist is, op voorwaarde dat die goederen niet als handelsgoederen worden ingevoerd en bij hun aangifte verklaard is dat zij aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoen en er over de juistheid van die verklaring geen twijfel bestaat.

2.    Invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de ontvangers, de reizigers of de leden van hun gezin wordt niet als invoer van handelsgoederen aangemerkt indien noch de aard, noch de hoeveelheid van de goederen op commerciële doeleinden wijst, op voorwaarde dat de ingevoerde producten geen deel uitmaken van invoer waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die afzonderlijk is verricht om te ontkomen aan het vereiste inzake een attest van oorsprong.


3.    De totale waarde van de in lid 1 bedoelde goederen mag niet meer bedragen dan 500 EUR of het gelijkwaardige bedrag hiervan in de valuta van de Partij in geval van colli van geringe waarde, of 1 200 EUR of het gelijkwaardige bedrag hiervan in de valuta van de Partij in geval van goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

4.    Niets in dit artikel wordt zodanig uitgelegd dat een Partij wordt belet om passende douanecontroles in te stellen teneinde de naleving van de leden 1 tot en met 3 te waarborgen.

ARTIKEL 3.24

Controle van de oorsprong en administratieve samenwerking

1.    De Partijen verstrekken elkaar de adressen en contactgegevens van de douaneautoriteit of de bevoegde overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor de controle van de attesten van oorsprong.

2.    Met het oog op de correcte toepassing van dit hoofdstuk verlenen de Partijen elkaar via hun douaneautoriteit of de bevoegde overheidsinstantie bijstand bij de controle op de oorsprong van goederen, de echtheid van de attesten van oorsprong en de juistheid van de daarin vermelde gegevens.


3.    De attesten van oorsprong worden door middel van steekproeven gecontroleerd of wanneer de douaneautoriteit van de Partij van invoer gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de echtheid van de attesten, de oorsprongsstatus van de betrokken goederen of de naleving van de andere voorwaarden van dit hoofdstuk.

4.    Met het oog op de toepassing van lid 3 verzoekt de douaneautoriteit van de Partij van invoer de douaneautoriteit of de bevoegde overheidsinstantie van de Partij van uitvoer schriftelijk om een controle van de oorsprong door de volgende gegevens te verstrekken:

a)    de identiteit van de douaneautoriteit waarvan het verzoek afkomstig is;

b)    de naam van de te controleren exporteur;

c)    het onderwerp en de reikwijdte van de controle; en

d)    een afschrift van het attest van oorsprong en, in voorkomend geval, van alle andere relevante documenten.

5.    De douaneautoriteit of de bevoegde overheidsinstantie van de Partij van uitvoer voert de controle uit. Te dien einde is die autoriteit of instantie gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen en de boeken van de exporteur in te zien en elke andere controle te verrichten die zij passend acht.


6.    De douaneautoriteit of de bevoegde overheidsinstantie van de Partij van uitvoer stelt de douaneautoriteit die om de controle verzoekt zo spoedig mogelijk in kennis van de resultaten van de controle. De resultaten worden vervat in een schriftelijk verslag waarin duidelijk wordt aangegeven of de betrokken goederen als van oorsprong kunnen worden beschouwd, of het attest van oorsprong authentiek is en of aan de andere voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan. Dat schriftelijke verslag bevat:

a)    de resultaten van de controle;

b)    de omschrijving van de gecontroleerde goederen en de voor de toepassing van de oorsprongsregels geldende tariefindeling;

c)    een beschrijving van en een toelichting op het beginsel dat ten grondslag ligt aan de oorsprongsstatus van het goed; en

d)    indien beschikbaar, bewijsstukken.

7.    Wanneer bij gegronde twijfel binnen tien maanden na het controleverzoek geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord onvoldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de oorsprong van het goed vast te stellen, kan de verzoekende douaneautoriteit de preferentiële tariefbehandeling niet toekennen, behoudens buitengewone omstandigheden.


8.    De Partij van invoer stelt de Partij van uitvoer binnen zestig dagen na ontvangst van het schriftelijk verslag in kennis van eventuele meningsverschillen in verband met de controleprocedures van dit artikel of in verband met de uitlegging van de oorsprongsregels bij de vaststelling of een product als van oorsprong kan worden beschouwd, en deze meningsverschillen niet kunnen worden opgelost door overleg tussen de douaneautoriteit die de controle heeft aangevraagd en de douaneautoriteit of bevoegde overheidsinstantie die belast is met de uitvoering van de controle.

9.    Op verzoek van een van de Partijen plegen de Partijen overleg met het oog op het oplossen van de meningsverschillen en sluiten dit overleg uiterlijk negentig dagen na de datum van de in lid 8 bedoelde kennisgeving af. Door middel van schriftelijke wederzijdse toestemming van de Partijen kan de termijn voor de afsluiting van het overleg per geval worden verlengd. De Partijen trachten deze meningsverschillen op te lossen in het bij artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst), lid 1, punt d), opgerichte Subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels.

10.    Dit hoofdstuk belet een douaneautoriteit van een Partij niet om andere maatregelen vast te stellen die zij noodzakelijk acht, in afwachting van een oplossing voor de in lid 8 bedoelde meningsverschillen in verband met deze overeenkomst.


ARTIKEL 3.25

Vertrouwelijkheid

1.    Elke Partij eerbiedigt overeenkomstig haar recht de vertrouwelijke aard van de haar door de andere Partij op grond van dit hoofdstuk verstrekte informatie en beschermt die informatie tegen openbaarmaking.

2.    De douaneautoriteit of de bevoegde overheidsinstantie van de Partij van invoer mag de van de andere Partij verkregen informatie alleen gebruiken voor de toepassing van dit hoofdstuk.

3.    De douaneautoriteit of de bevoegde overheidsinstantie van de Partij van uitvoer maakt de van de exporteur verkregen vertrouwelijke bedrijfsinformatie niet bekend, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.

4.    De Partij van invoer gebruikt de door haar douaneautoriteiten op grond van dit hoofdstuk verkregen informatie niet in een strafrechtelijke procedure van een rechtbank of een rechter, tenzij zij de Partij van uitvoer formeel schriftelijk in kennis stelt van de informatie die zij voornemens is te gebruiken en van de redenen voor dat gebruik, en op voorwaarde dat de Partij van uitvoer daartegen geen bezwaar maakt.


5.    Niets in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat een Partij wordt belet om vertrouwelijke informatie te gebruiken voor het beheer of de handhaving van de douanewetgeving met betrekking tot dit hoofdstuk, of zoals anderszins vereist door het recht van de Partij, inclusief in administratieve, buitengerechtelijke of gerechtelijke procedures.

ARTIKEL 3.26

Administratieve maatregelen en sancties

Een Partij legt administratieve maatregelen en sancties op aan eenieder die een document heeft opgesteld of laat opstellen dat onjuiste informatie bevat ter verkrijging van een preferentiële tariefbehandeling voor goederen.

AFDELING C

Overige bepalingen

ARTIKEL 3.27

Toepassing van dit hoofdstuk op Ceuta en Melilla

1.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk vallen van de zijde van de Europese Unie Ceuta en Melilla niet onder de term “Partij”.


2.    Goederen van oorsprong uit Mexico die in Ceuta of Melilla worden ingevoerd, zijn in elk opzicht uit hoofde van deze overeenkomst voorwerp van dezelfde douanebehandeling als die welke uit hoofde van Protocol nr. 2 bij de Akte van Toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Republiek Portugal tot de Europese Unie van toepassing is op goederen van oorsprong uit het douanegebied van de Europese Unie. Mexico past bij de invoer van onder de overeenkomst vallende goederen van oorsprong uit Ceuta en Melilla dezelfde douaneregeling toe als op goederen ingevoerd uit en van oorsprong uit de Europese Unie.

3.    De oorsprongsregels en oorsprongsprocedures in het kader van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op goederen die vanuit Mexico naar Ceuta en Melilla worden uitgevoerd en op goederen die vanuit Ceuta en Melilla naar Mexico worden uitgevoerd.

4.    Ceuta en Melilla worden als een enkel grondgebied beschouwd.

5.    De exporteur vermeldt in veld 3 van de tekst van het attest van oorsprong “Mexico” of “Ceuta en Melilla”, afhankelijk van de oorsprong van het goed.

6.    De Spaanse douaneautoriteiten zijn verantwoordelijk voor de toepassing en uitvoering van dit hoofdstuk in Ceuta en Melilla.


ARTIKEL 3.28

Het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino

De preferentiële tariefbehandeling van goederen van oorsprong uit Andorra en San Marino en de vaststelling van de oorsprong van die goederen worden uiteengezet in bijlage 3-C (Het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino).

ARTIKEL 3.29

Toelichting

Bijlage 3-D (Toelichting) bevat een toelichting op de uitlegging, de toepassing en het beheer van dit hoofdstuk.

ARTIKEL 3.30

Overgangsbepalingen

1.    Op goederen waarvoor vóór de inwerkingtreding van deze overeenkomst een verzoek om preferentiële tariefbehandeling en invoer is ingediend, zijn de regels en voorwaarden van bijlage III bij Besluit nr. 2/2000 van de Gezamenlijke Raad EG-Mexico van 23 maart 2000 en de aanhangsels I tot en met V daarvan van toepassing gedurende ten hoogste drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.


2.    Een attest van oorsprong dat overeenkomstig de bepalingen van bijlage III bij Besluit nr. 2/2000 van de Gezamenlijke Raad EG-Mexico van 23 maart 2000 en de aanhangsels I tot en met V daarvan is afgegeven voor goederen waarvoor op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst geen verzoek om preferentiële tariefbehandeling is ingediend, is niet geldig.

3.    Voor goederen die zich op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst hetzij in doorvoer tussen de Partij van uitvoer en de Partij van invoer hetzij onder douanetoezicht in de Partij van invoer bevinden zonder dat invoerrechten en belastingen zijn betaald, wordt een verzoek om preferentiële tariefbehandeling ingediend overeenkomstig artikel 3.16, mits die goederen aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoen.

ARTIKEL 3.31

Wijzigingen van dit hoofdstuk

De Gezamenlijke Raad kan bij besluit de bepalingen van dit hoofdstuk en de bijlagen 3-A tot en met 3-D wijzigen.

ARTIKEL 3.32

Het Subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels

Met het oog op de doeltreffende uitvoering en werking van dit hoofdstuk is de Subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels belast met de in artikel 4.17 (Subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels) vermelde taken.


HOOFDSTUK 4

DOUANE EN HANDELSBEVORDERING

ARTIKEL 4.1

Algemene doelstellingen

1.    De Partijen erkennen het belang van de douane en handelsbevordering bij de ontwikkeling van het mondiale handelsstelsel.

2.    De partijen erkennen dat zij in het kader van hun vereisten en procedures inzake invoer, uitvoer en doorvoer rekening moeten houden met de instrumenten en normen op het gebied van douane en internationale handel, zoals de inhoudelijke elementen van de Herziene Overeenkomst van Kyoto inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, gedaan te Kyoto op 18 mei 1973 en aangenomen door de Raad van de Werelddouaneorganisatie in juni 1999, het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, gedaan te Brussel op 14 juni 1983, alsook het Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade van de Werelddouaneorganisatie zoals aangenomen in juni 2005 (hierna het “SAFE-normenkader” genoemd).


3.    De Partijen komen overeen dat hun wet- en regelgeving niet-discriminerend moet zijn en dat de douaneprocedures moeten zijn gebaseerd op het gebruik van moderne methoden en doeltreffende controles om de legitieme handel te beschermen en te bevorderen.

4.    De Partijen erkennen tevens dat hun douaneprocedures niet meer administratieve lasten of handelsbeperkingen mogen meebrengen dan nodig is om de legitieme doelstellingen te verwezenlijken en dat zij op voorspelbare, consistente en transparante wijze moeten worden toegepast.

5.    Om te zorgen voor een transparante, efficiënte en integere werkwijze waarvoor verantwoording wordt afgelegd, zal elke Partij:

a)    waar mogelijk de vereisten en formaliteiten vereenvoudigen en evalueren met het oog op een snelle vrijgave en douaneafhandeling van goederen;

b)    streven naar verdere vereenvoudiging en standaardisering van de door de douane en andere instanties vereiste gegevens en documentatie opdat handelaren of marktdeelnemers, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, tijd en kosten kunnen besparen; en

c)    erop toezien dat de strengste integriteitsnormen worden nageleefd, door toepassing van maatregelen overeenkomstig de beginselen van de desbetreffende internationale overeenkomsten en instrumenten op het gebied van douane en handelsbevordering.


6.    De Partijen komen overeen nauwer samen te werken om ervoor te zorgen dat de toepasselijke wetgeving en procedures, alsook de bestuurlijke capaciteit van de desbetreffende diensten, voldoen aan de doelstellingen van stimulering van het handelsverkeer en doeltreffende douanecontrole.

ARTIKEL 4.2

Transparantie en bekendmaking

1.    Elke Partij voorziet in voorkomend geval in regelmatig overleg tussen de grensinstanties en de handelaren of andere belanghebbenden die zich op haar grondgebied bevinden.

2.    Elke Partij publiceert onverwijld, op niet-discriminerende en gemakkelijk toegankelijke wijze, ook online en voor zover mogelijk in de Engelse taal, haar wet- en regelgeving en algemene administratieve procedures en richtsnoeren in verband met douaneaangelegenheden en handelsbevordering. Die aangelegenheden omvatten:

a)    de procedures bij invoer, uitvoer en doorvoer (met inbegrip van de procedures bij binnenkomst via havens, luchthavens en andere punten van binnenkomst), en de daarvoor vereiste formulieren en documenten;

b)    de toegepaste tarieven van rechten en belastingen van welke aard ook ter zake van of in verband met de invoer of uitvoer;

c)    de retributies en heffingen die worden opgelegd door of voor overheidsinstanties ter zake van of in verband met de invoer, uitvoer of doorvoer;


d)    de voorschriften voor de indeling of waardebepaling van goederen voor douanedoeleinden;

e)    de algemeen toepasselijke wet- en regelgeving en administratieve besluiten van algemene strekking die betrekking hebben op de oorsprongsregels;

f)    de beperkingen of verboden met betrekking tot invoer, uitvoer of doorvoer;

g)    de sanctiebepalingen ten aanzien van niet-inachtneming van de invoer-, uitvoer- of doorvoerformaliteiten;

h)    bezwaar- en beroepsprocedures;

i)    de overeenkomsten of delen daarvan met welk land of welke landen dan ook in verband met de invoer, uitvoer of doorvoer;

j)    de procedures voor het beheer van tariefcontingenten;

k)    de openingstijden en werkwijzen van douanekantoren in havens en bij grensposten; en

l)    informatiepunten voor verzoeken om inlichtingen.

3.    Elke Partij biedt handelaren en andere belanghebbenden overeenkomstig haar wet- en regelgeving mogelijkheden om binnen een redelijke termijn opmerkingen te maken over de voorgestelde invoering of wijziging van wet- en regelgeving van algemene strekking op het gebied van douaneaangelegenheden en handelsbevordering.


4.    Elke Partij zorgt er overeenkomstig haar wet- en regelgeving voor dat nieuwe of gewijzigde wet- en regelgeving van algemene strekking met betrekking tot douaneaangelegenheden en handelsbevordering en enige informatie daarover zo spoedig mogelijk vóór de inwerkingtreding ervan openbaar wordt gemaakt, teneinde handelaren en andere belanghebbenden in staat te stellen daarvan kennis te nemen.

5.    Elke Partij kan bepalen dat de leden 3 en 4 niet van toepassing zijn op wijzigingen in de rechten of tarieven, maatregelen met een verlichtend effect, maatregelen waarvan de doeltreffendheid door de naleving van de leden 3 en 4 zou worden ondermijnd, maatregelen die in dringende omstandigheden worden toegepast of kleine wijzigingen in haar interne wetgeving en rechtsstelsel.

6.    Elke Partij creëert of handhaaft een of meer informatiepunten om verzoeken om inlichtingen van handelaren en andere belanghebbenden betreffende douaneaangelegenheden en andere kwesties op het gebied van handelsbevordering te beantwoorden en stelt online informatie over de procedures voor het indienen van dergelijke verzoeken om inlichtingen ter beschikking van het publiek.

7.    De Partijen eisen geen betaling van een retributie voor het beantwoorden van verzoeken om inlichtingen of het verstrekken van de nodige formulieren en documenten.

8.    De informatiepunten beantwoorden de verzoeken om inlichtingen en verstrekken de formulieren en documenten binnen een door elke Partij vastgestelde redelijke termijn, die kan verschillen naargelang de aard of de ingewikkeldheid van het verzoek.


ARTIKEL 4.3

Vereisten ten aanzien van gegevens en documentatie

1.    Teneinde de formaliteiten en de vereisten ten aanzien van gegevens en documentatie bij invoer, uitvoer en doorvoer te vereenvoudigen en de frequentie en complexiteit ervan tot een minimum te beperken, zorgt elke Partij ervoor dat die formaliteiten en vereisten ten aanzien van gegevens en documentatie:

a)    worden vastgesteld en toegepast met het oog op een snelle vrijgave van goederen, mits aan de voorwaarden voor de vrijgave is voldaan;

b)    zodanig worden vastgesteld en toegepast dat de voor het naleven van de voorschriften benodigde tijd en de daarmee verbonden kosten voor handelaren en marktdeelnemers worden verminderd;

c)    het minst handelsbeperkende alternatief zijn, indien er redelijkerwijs twee of meer alternatieven beschikbaar zijn om de betrokken beleidsdoelstelling(en) te verwezenlijken; en

d)    niet worden gehandhaafd wanneer zij niet langer nodig zijn, ook wat onderdelen daarvan betreft.

2.    Elke Partij past voor de vrijgave van goederen op haar grondgebied gemeenschappelijke douaneprocedures en uniforme vereisten ten aanzien van douanegegevens en -documentatie toe. Niets in dit lid belet een Partij haar douaneprocedures en vereisten ten aanzien van gegevens en documentatie te differentiëren op basis van elementen zoals risicobeheer, de aard en het type van de goederen of de vervoerswijze.


ARTIKEL 4.4

Automatisering en gebruik van informatietechnologie

1.    Elke Partij zal:

a)    gebruikmaken van informatietechnologieën die de procedures voor de vrijgave van goederen versnellen, teneinde de handel tussen de Partijen te bevorderen;

b)    elektronische systemen toegankelijk maken voor douanegebruikers;

c)    toestaan dat douaneaangiften in elektronisch formaat worden ingediend; en

d)    elektronische of geautomatiseerde risicobeheersystemen gebruiken.

2.    Elke Partij stelt procedures in dan wel handhaaft procedures die de elektronische betaling van door de douaneautoriteiten bij in- en uitvoer geïnde rechten, belastingen, retributies en heffingen mogelijk maken.


ARTIKEL 4.5

Vrijgave van goederen

1.    Elke Partij stelt procedures in dan wel handhaaft procedures die:

a)    voorzien in de onmiddellijke vrijgave van goederen binnen een tijdvak dat niet langer is dan vereist om te waarborgen dat aan haar douane- en andere handelsgerelateerde wet- en regelgeving wordt voldaan;

b)    voorzien in de voorafgaande elektronische indiening en verwerking van douanegegevens en -documentatie en andere informatie vóór de aankomst van de goederen, zodat de douane de goederen bij aankomst kan vrijgeven;

c)    de vrijgave van goederen mogelijk maken op de plaats van aankomst zonder tijdelijke overbrenging naar entrepots of andere inrichtingen; en

d)    de vrijgave van goederen mogelijk maken vóór de definitieve vaststelling van douanerechten, belastingen, retributies en heffingen, indien deze vaststelling niet vóór of zo snel mogelijk na aankomst plaatsvindt voor zover aan alle andere wettelijke voorschriften is voldaan. Alvorens de goederen vrij te geven, kan een Partij eisen dat een importeur voldoende zekerheid stelt in de vorm van een borgstelling, een deposito of een ander passend instrument, tot maximaal het bedrag dat nodig is ter garantie van de betaling van de douanerechten, belastingen, retributies en heffingen die verschuldigd zijn voor de door de zekerheid gedekte goederen, waarbij de zekerheid wordt vrijgegeven zodra die niet langer nodig is.


2.    Elke Partij kan maatregelen vaststellen of handhaven op grond waarvan handelaren of marktdeelnemers voor verdere vereenvoudiging van douaneprocedures in aanmerking kunnen komen overeenkomstig haar wet- en regelgeving.

ARTIKEL 4.6

Risicobeheer

1.    Elke Partij zet een risicobeheersysteem voor douanecontrole op dan wel handhaaft een dergelijk systeem dat haar douaneautoriteiten in staat stelt de inspectieactiviteiten op hoogrisicozendingen toe te spitsen en laagrisicozendingen snel vrij te geven.

2.    Elke Partij ontwerpt en past het risicobeheer toe op zodanige wijze dat willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte beperking van de internationale handel wordt vermeden.

3.    Elke Partij baseert haar risicobeheer op een beoordeling van de risico’s aan de hand van passende selectiecriteria.

4.    Elke Partij kan als onderdeel van zijn risicobeheer ook op willekeurige basis zendingen voor douanecontroles selecteren.

5.    Teneinde de handel te bevorderen evalueert en actualiseert elke Partij op gezette tijden het in lid 1 genoemde risicobeheersysteem.


ARTIKEL 4.7

Voorafgaande besluiten

1.    Een voorafgaand besluit is een schriftelijk besluit dat door een Partij via haar douaneautoriteiten aan een aanvrager wordt verstrekt vóór de invoer op haar grondgebied van een goed waarop het verzoek betrekking heeft en waarin wordt toegelicht hoe de Partij het goed op het tijdstip van invoer zal behandelen wat betreft:

a)    de tariefindeling van het goed;

b)    de oorsprong van het goed 18 ; en

c)    elke andere aangelegenheid waarover de Partijen overeenstemming kunnen bereiken.

2.    Een Partij stelt het voorafgaande besluit op passende wijze en tijdig vast ten aanzien van een aanvrager die een verzoek met alle nodige gegevens, ook in elektronische vorm, heeft ingediend overeenkomstig de wet- en regelgeving van die Partij. Een Partij mag een monster verlangen van het goed waarvoor de aanvrager het voorafgaande besluit aanvraagt.

3.    Het voorafgaande besluit is ten minste drie jaar na vaststelling ervan geldig, tenzij het toepasselijke recht of de aan het besluit ten grondslag liggende feiten of omstandigheden zijn gewijzigd.


4.    Een Partij kan weigeren een voorafgaand besluit vast te stellen indien de aan dat besluit ten grondslag liggende feiten en omstandigheden het voorwerp zijn van een administratieve of rechterlijke toetsing, of indien het verzoek niet op reële en concrete feiten berust of geen betrekking heeft op het voorgenomen gebruik van het voorafgaande besluit. Wanneer een Partij weigert een voorafgaand besluit vast te stellen, stelt zij de aanvrager hiervan onverwijld schriftelijk in kennis, met vermelding van de relevante feiten en de redenen voor haar besluit.

5.    Elke Partij maakt ten minste het volgende bekend:

a)    de vereisten voor de aanvraag voor een voorafgaand besluit, met inbegrip van de te verstrekken informatie en het formaat;

b)    de termijn waarbinnen zij een voorafgaand besluit zal vaststellen; en

c)    de geldigheidsduur van het voorafgaande besluit.

6.    Wanneer een Partij een voorafgaand besluit intrekt, wijzigt of nietig verklaart, stelt zij de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis, met vermelding van de relevante feiten en de redenen voor haar besluit. Een Partij kan een voorafgaand besluit alleen met terugwerkende kracht intrekken, wijzigen of nietig verklaren wanneer het was gebaseerd op door de aanvrager verstrekte onvolledige, onjuiste, onnauwkeurige, bedrieglijke of misleidende informatie.

7.    Een door een Partij vastgesteld voorafgaand besluit is bindend voor die Partij ten aanzien van de aanvrager, alsook voor de aanvrager.


8.    Een Partij verstrekt, op schriftelijk verzoek van een aanvrager, een herziening van het voorafgaande besluit of van het besluit tot intrekking, wijziging of nietigverklaring ervan.

9.    Een Partij spant zich ervoor in de inhoudelijke elementen van haar voorafgaande besluiten openbaar te maken, waaronder online, met inachtneming van eventuele vertrouwelijkheidsvereisten in haar wet- en regelgeving.

ARTIKEL 4.8

Geautoriseerde marktdeelnemers

1.    Elke Partij stelt voor marktdeelnemers die aan bepaalde criteria voldoen (geautoriseerde marktdeelnemers) een partnerschapsprogramma voor handelsbevordering op of handhaaft dit, overeenkomstig het SAFE-normenkader.

2.    De specifieke criteria 19 om als geautoriseerde marktdeelnemer te worden aangemerkt, moeten worden bekendgemaakt en verband houden met de naleving, of het risico van niet-naleving, van de in de wet- en regelgeving van elke Partij gespecificeerde voorschriften.


3.    De specifieke criteria om als geautoriseerde marktdeelnemer te worden aangemerkt, worden niet zodanig ontworpen of toegepast dat ze in gelijke omstandigheden willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen marktdeelnemers in de hand werken of meebrengen en maken het voor kleine en middelgrote ondernemingen mogelijk om deel te nemen.

4.    Het partnerschapsprogramma voor handelsbevordering omvat specifieke voordelen voor geautoriseerde marktdeelnemers, rekening houdend met de verbintenissen van de Partijen overeenkomstig artikel 7, lid 7.3, van de op 27 november 2014 aangenomen WTO-overeenkomst inzake handelsfacilitatie.

5.    De Partijen werken samen bij de vaststelling, voor zover relevant en passend, van de wederzijdse erkenning van hun partnerschapsprogramma’s voor handelsbevordering, op voorwaarde dat die programma’s op elkaar zijn afgestemd en gebaseerd zijn op gelijkwaardige criteria en voordelen.

ARTIKEL 4.9

Toetsing en beroep

1.    Elke Partij voorziet in doeltreffende, snelle, niet-discriminerende en gemakkelijk toegankelijke procedures ter waarborging van het recht om beroep aan te tekenen tegen een besluit over een douaneaangelegenheid.


2.    Elke Partij zorgt ervoor dat een persoon ten aanzien van wie zij een besluit over een douaneaangelegenheid neemt, op haar grondgebied toegang heeft tot:

a)    administratieve toetsing door of administratief beroep bij een hoger bestuursorgaan of een bestuursorgaan dat onafhankelijk is van de functionaris of de dienst die het besluit heeft genomen; of

b)    rechterlijke toetsing van of beroep tegen het besluit.

3.    Elke Partij bepaalt dat een persoon die de douaneautoriteiten om een besluit heeft verzocht en in dat verband binnen de geldende termijnen geen besluit heeft verkregen, het recht heeft om beroep in te stellen.

4.    Elke Partij ziet erop toe dat de in lid 2 bedoelde persoon een administratief besluit ontvangt met de redenen voor dat besluit, zodat hij of zij indien nodig gebruik kan maken van de toetsings- of beroepsprocedures.

ARTIKEL 4.10

Sancties

1.    Elke Partij voorziet in sancties voor niet-naleving van haar wet- en regelgeving of procedurele vereisten in verband met douane- of andere wetgeving inzake de invoer, uitvoer en doorvoer van goederen.


2.    Elke Partij zorgt ervoor dat haar wet- en regelgeving op douanegebied bepaalt dat sancties wegens schendingen van haar wet- en regelgeving of procedurele vereisten op douanegebied evenredig en niet-discriminerend zijn.

3.    Elke Partij zorgt ervoor dat een door haar douaneautoriteiten opgelegde sanctie voor een schending van haar wet- en regelgeving of procedurele vereisten op douanegebied alleen wordt opgelegd aan de persoon die wettelijk verantwoordelijk is voor de schending.

4.    Elke Partij zorgt ervoor dat de opgelegde sanctie afhangt van de feiten en omstandigheden van het geval en in verhouding staat tot de mate en de ernst van de schending.

5.    Elke Partij vermijdt stimulansen of belangenconflicten bij het opleggen en innen van sancties en rechten.

6.    Elke Partij wordt aangemoedigd om vrijwillige openbaarmaking voordat de douaneautoriteiten een schending van haar wet- en regelgeving en procedurele vereisten op douanegebied ontdekken, te beschouwen als mogelijke verzachtende omstandigheid bij de vaststelling van een sanctie.

7.    Elke Partij zorgt ervoor dat wanneer een sanctie wordt opgelegd wegens schending van de wet- en regelgeving of procedurele vereisten op douanegebied, een schriftelijke toelichting wordt verstrekt aan de persoon aan wie de sanctie wordt opgelegd, met vermelding van de aard van de schending en de toepasselijke wet- of regelgeving of procedure krachtens welke het bedrag of de duur van de sanctie wegens schending is vastgesteld.


8.    Elke Partij neemt een vaste termijn in haar wet- en regelgeving en procedures op waarbinnen haar douaneautoriteiten een procedure kunnen inleiden om een sanctie op te leggen wegens een schending van haar wet- en regelgeving en procedures op douanegebied.

ARTIKEL 4.11

Douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand

1.    De Partijen zorgen ervoor dat hun respectieve autoriteiten samenwerken in douaneaangelegenheden om te waarborgen dat de doelstellingen van artikel 4.1 worden verwezenlijkt.

2.    De Partijen werken onder meer samen door:

a)    informatie uit te wisselen betreffende hun wet- en regelgeving op douanegebied en de uitvoering daarvan, en hun douaneprocedures, in het bijzonder op de volgende gebieden:

i)    vereenvoudiging en modernisering van de douaneprocedures;

ii)    handhaving aan de grens door hun douaneautoriteiten;

iii)    vergemakkelijking van doorvoer en overlading;

iv)    overleg met het bedrijfsleven; en

v)    veiligheid van de toeleveringsketen en risicobeheer;


b)    samen te werken rond de douanegerelateerde aspecten van de beveiliging en vergemakkelijking van de internationale handelstoeleveringsketen overeenkomstig het SAFE-normenkader, onder meer met betrekking tot hun partnerschapsprogramma’s voor handelsbevordering en hun wederzijdse erkenning als bedoeld in artikel 4.8;

c)    de ontwikkeling van gezamenlijke initiatieven met betrekking tot invoer-, uitvoer-, andere douaneprocedures en handelsbevordering, met inbegrip van technische bijstand, te overwegen;

d)    binnen internationale organisaties als de WTO en de Werelddouaneorganisatie (hierna “WDO” genoemd) beter samen te werken op douanegebied;

e)    voor zover praktisch mogelijk minimumnormen voor risicobeheertechnieken en daarmee samenhangende vereisten en programma’s vast te stellen; waar relevant en passend overwegen de Partijen tevens wederzijdse erkenning van risicobeheertechnieken, risiconormen en veiligheidscontroles;

f)    te streven naar harmonisering van hun gegevensvereisten met betrekking tot invoer-, uitvoer- en andere douaneprocedures, door gemeenschappelijke normen en gegevenselementen toe te passen overeenkomstig het datamodel van de WDO; en

g)    een dialoog tussen elkaars beleidsdeskundigen te onderhouden om het nut, de efficiëntie en de toepasbaarheid van voorafgaande besluiten te bevorderen.


3.    De Partijen verlenen elkaar wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden overeenkomstig de bepalingen van de bijlage betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden zoals vastgesteld bij Besluit nr. 5/2004 van de Gezamenlijke Raad EU-Mexico van 15 december 2004, die hierbij in deze overeenkomst wordt opgenomen en er integrerend deel van uitmaakt. De uitwisseling van informatie tussen de Partijen overeenkomstig dit hoofdstuk is mutatis mutandis onderworpen aan de vereisten inzake vertrouwelijkheid van informatie en bescherming van persoonsgegevens van artikel 10 van die bijlage en aan alle in de respectieve wet- en regelgeving van de Partijen vastgestelde vereisten inzake vertrouwelijkheid en privacy.

ARTIKEL 4.12

Eén loket

1.    Elke Partij streeft ernaar om éénloketsystemen te ontwikkelen of te behouden teneinde het gemakkelijker te maken om alle bij de douane- en andere wetgeving vereiste informatie voor de uitvoer, invoer en doorvoer van goederen in één keer elektronisch in te dienen.

2.    De Partijen spannen zich ervoor in samen te werken aan de interoperabiliteit en stroomlijning van hun éénloketsystemen, onder meer door hun ervaringen met de ontwikkeling en uitrol van hun éénloketsystemen uit te wisselen.


ARTIKEL 4.13

Doorvoer en overlading

1.    Elke Partij vergemakkelijkt en controleert op doeltreffende wijze de doorvoer over en overlading op haar grondgebied.

2.    Elke Partij bevordert regionale doorvoerregelingen en voert deze uit teneinde de handel tussen de Partijen te bevorderen.

3.    Elke Partij zorgt voor samenwerking en coördinatie tussen alle betrokken autoriteiten en instanties op haar grondgebied om de doorvoer te bevorderen.

4.    Elke Partij staat toe dat voor invoer bestemde goederen worden vervoerd onder douanetoezicht van een douanekantoor van binnenkomst naar een ander douanekantoor op haar grondgebied vanwaar de goederen zouden worden vrijgegeven of ingeklaard.

ARTIKEL 4.14

Controle na douaneafhandeling

1.    Om de vrijgave van de goederen te bespoedigen voorziet elke Partij in een controle na douaneafhandeling, of handhaaft deze, teneinde de naleving van haar wet- en regelgeving op douanegebied te verzekeren.


2.    Elke Partij voert de controles na douaneafhandeling op risicogebaseerde wijze uit.

3.    Elke Partij voert de controles na douaneafhandeling op transparante wijze uit. Wanneer een controle is verricht en de controle uitsluitsel heeft gegeven, stelt de Partij de persoon wiens administratie het voorwerp van de controle is, zonder vertraging in kennis van de resultaten, van de redenen voor de resultaten en van zijn of haar rechten en verplichtingen.

4.    De Partijen erkennen dat de bij controles na douaneafhandeling verkregen informatie kan worden gebruikt in verdere administratieve of gerechtelijke procedures.

5.    De Partijen gebruiken de resultaten van een controle na douaneafhandeling in het kader van risicobeheer, voor zover uitvoerbaar.

ARTIKEL 4.15

Douane-expediteurs

1.    Een Partij schrijft in haar wet- en regelgeving op douanegebied niet de inschakeling van douane-expediteurs voor.

2.    Elke Partij maakt haar maatregelen inzake de gebruikmaking van douane-expediteurs bekend.

3.    Elke Partij past transparante en objectieve voorschriften toe indien en wanneer zij douane-expediteurs een vergunning verleent.


ARTIKEL 4.16

Inspectie vóór verzending

Met betrekking tot de tariefindeling en de douanewaarde verlangt een Partij geen verplichte uitvoering van inspecties vóór verzending zoals gedefinieerd in de WTO-overeenkomst inzake inspectie vóór verzending 20 .

ARTIKEL 4.17

Subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels

1.    Het Subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels brengt verslag uit aan het Gemengd Comité.

2.    Het krachtens artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst) opgerichte Subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels ziet toe op de goede werking van dit hoofdstuk, hoofdstuk 3 (Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures), de bijlage betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden als bedoeld in artikel 4.11, lid 3, en alle aanvullende bepalingen op douanegebied die de Partijen zijn overeengekomen, en onderzoekt alle vraagstukken in verband met de toepassing daarvan.


3.    Het subcomité heeft de volgende taken:

a)    aan het Gemengd Comité zo nodig passende aanbevelingen doen over:

i)    de uitvoering en het beheer van hoofdstuk 3 (Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures); en

ii)    wijzigingen van hoofdstuk 3 (Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures);

b)    toelichtingen opstellen om de toepassing van hoofdstuk 3 (Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures) te vergemakkelijken;

c)    toezicht te houden op de uitvoering en het beheer van dit hoofdstuk;

d)    een forum bieden voor overleg en discussie over alle douaneaangelegenheden, zoals specifieke douaneprocedures, douanewaarde, tariefstelsels, douanenomenclatuur, samenwerking tussen douanediensten en wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden;

e)    een forum bieden voor overleg en discussie over aangelegenheden met betrekking tot oorsprongsregels, oorsprongsprocedures en administratieve samenwerking;


f)    versterken van de samenwerking bij de ontwikkeling, toepassing en handhaving van douaneprocedures, wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden, oorsprongsregels, oorsprongsprocedures en administratieve samenwerking; en

g)    beraadslagen over andere aangelegenheden met betrekking tot dit hoofdstuk of hoofdstuk 3 (Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures) zoals de Partijen overeenkomen.

4.    Het Subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels kan onderzoeken of er behoefte is aan besluiten of aanbevelingen over alle aangelegenheden die verband houden met de uitvoering van dit hoofdstuk, en kan die voor de Gezamenlijke Raad opstellen. De Gezamenlijke Raad is bevoegd om in voorkomend geval besluiten aan te nemen over de uitvoering van dit hoofdstuk, ook wat betreft partnerschapsprogramma’s voor handelsbevordering en de wederzijdse erkenning daarvan, gezamenlijke initiatieven in verband met douaneprocedures en handelsbevordering, en technische bijstand.

5.    De Partijen kunnen besluiten tot het houden van ad-hocvergaderingen over aangelegenheden met betrekking tot douanesamenwerking, oorsprongsregels of wederzijdse administratieve bijstand.


HOOFDSTUK 5

HANDELSBESCHERMENDE MAATREGELEN

AFDELING A

Antidumping- en compenserende maatregelen

ARTIKEL 5.1

Algemene bepalingen

1.    De Partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van artikel VI van de GATT 1994, de Antidumpingovereenkomst en de SCM-Overeenkomst.

2.    Voor de toepassing van voorlopige en definitieve maatregelen wordt de oorsprong van de betrokken goederen vastgesteld overeenkomstig de niet-preferentiële oorsprongsregels van elke Partij.


ARTIKEL 5.2

Transparantie en eerlijke rechtsgang

1.    Elke Partij zorgt voor een eerlijke en transparante uitvoering en toepassing van haar procedures en antidumping- en compenserende maatregelen, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de Antidumpingovereenkomst en de SCM-overeenkomst.

2.    Elke Partij stelt alle belanghebbenden in een vroeg stadium van de procedure en in ieder geval voordat een definitieve vaststelling wordt gedaan in kennis van de onderzochte belangrijkste feiten die ten grondslag liggen aan het besluit om definitieve maatregelen toe te passen. Dit doet geen afbreuk aan artikel 6.5 van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12.4 van de SCM-overeenkomst.

3.    Elke Partij biedt elke belanghebbende bij een onderzoek van antidumping- of compenserende rechten alle gelegenheid zijn belangen te verdedigen, mits dit het verloop van het onderzoek niet onnodig vertraagt.

4.    De in artikel 6.11 van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12.9 van de SCM-overeenkomst gegeven definitie van “belanghebbenden” is van toepassing.


ARTIKEL 5.3

Opleggen van antidumping- en compenserende rechten

De autoriteiten van de Partij van invoer besluiten overeenkomstig het recht van die Partij of de hoogte van de in te stellen antidumping- of compenserende rechten de volledige dumpingmarge of het volledige subsidiebedrag zal betreffen, dan wel een lager bedrag.

ARTIKEL 5.4

Definitieve vaststelling

Bij de definitieve vaststelling houdt een Partij rekening met de informatie die alle belanghebbenden die overeenkomstig haar recht als zodanig worden beschouwd, naar behoren hebben verstrekt.

ARTIKEL 5.5

Niet-toepassing van geschillenbeslechting

Een Partij kan geen beroep doen op de geschillenbeslechting op grond van hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting) betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van deze afdeling.


AFDELING B

Algemene vrijwaringsmaatregelen

ARTIKEL 5.6

Algemene bepalingen

Elke Partij behoudt haar rechten en verplichtingen uit hoofde van artikel XIX van de GATT 1994 en artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw, alsook uit hoofde van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen.

ARTIKEL 5.7

Transparantie

1.    Niettegenstaande artikel 5.6 geeft de Partij die een algemeen vrijwaringsonderzoek opent of voornemens is algemene vrijwaringsmaatregelen in te stellen, op verzoek van de andere Partij en op voorwaarde dat deze laatste daar aanmerkelijk belang bij heeft, onmiddellijk ad hoc schriftelijk kennis van alle relevante informatie die tot de opening van het algemene vrijwaringsonderzoek of de instelling van algemene vrijwaringsmaatregelen heeft geleid, met inbegrip van, in voorkomend geval, informatie over de voorlopige bevindingen. Dit laat de toepassing van artikel 3.2 van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen onverlet.


2.    Een Partij die algemene vrijwaringsmaatregelen instelt, spant zich in om dat te doen op een wijze die de bilaterale handel zo min mogelijk beïnvloedt.

3.    Wanneer een Partij in het kader van de toepassing van lid 2 van mening is dat aan de juridische vereisten voor de instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen is voldaan en deze Partij voornemens is dergelijke maatregelen in te stellen, stelt zij de andere Partij daarvan in kennis en biedt zij deze de mogelijkheid tot het voeren van bilateraal overleg. Indien binnen dertig dagen na de kennisgeving geen bevredigende oplossing wordt gevonden, kan de Partij van invoer de definitieve vrijwaringsmaatregel vaststellen die passend is om het probleem op te lossen.

4.    Voor de toepassing van dit artikel wordt een Partij geacht aanmerkelijk belang te hebben indien zij, uitgedrukt in absoluut volume of waarde, in de meest recente periode van drie jaar tot de vijf grootste leveranciers van het ingevoerde goed behoorde.

ARTIKEL 5.8

Niet-toepassing van geschillenbeslechting

Een Partij kan geen beroep doen op de geschillenbeslechting op grond van hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting) betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van deze afdeling wat betreft de rechten en verplichtingen uit hoofde van de WTO-overeenkomst.


AFDELING C

Bilaterale vrijwaringsmaatregelen

ONDERAFDELING C.1

Algemene bepalingen

ARTIKEL 5.9

Definities

Voor de toepassing van afdeling C wordt verstaan onder:

a)    “bevoegde onderzoeksautoriteit”:

i)    in het geval van de Europese Unie, de Europese Commissie; en

ii)    in het geval van Mexico, de Unidad de Prácticas Comerciales Internacionales de la Secretaría de Economía (Eenheid internationale handelspraktijken van het Ministerie van Economische Zaken), of de opvolger daarvan;


b)    “interne bedrijfstak”: wat betreft een ingevoerd product, alle producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten die bedrijvig zijn op het grondgebied van een Partij, of producenten waarvan de gezamenlijke productie van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten een groot deel van de totale interne productie van die producten vormt;

c)    “soortgelijk product”: een product dat identiek is, hetgeen wil zeggen een product dat in ieder opzicht gelijk aan het betrokken product is of, bij gebreke van een dergelijk product, een ander product dat, hoewel het niet in ieder opzicht gelijk is, kenmerken vertoont die sterk op die van het betrokken product gelijken;

d)    “rechtstreeks concurrerend product”: een product dat mogelijk niet in alle opzichten gelijk aan, maar in hoge mate substitueerbaar met het betrokken product is omdat het dezelfde functies vervult 21 ;

e)    “ernstige schade”: een aanmerkelijke algemene achteruitgang van de situatie van een interne bedrijfstak;

f)    “dreiging van ernstige schade”: ernstige schade die, op basis van feiten en niet louter van beweringen, vermoedens of vage mogelijkheden, duidelijk ophanden is; en


g)    “overgangsperiode”:

i)    een periode van tien jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst; of

ii)    de in het tijdschema voor de afschaffing van tarieven van een Partij in bijlage 2-A (Tijdschema voor tariefafschaffing) vermelde termijn voor de afschaffing van de tarieven voor de goederen, voor zover die termijn voor het betrokken goed tien jaar of meer bedraagt, plus drie jaar.

ARTIKEL 5.10

Toepassing van bilaterale vrijwaringsmaatregelen

1.    Niettegenstaande afdeling B en indien, wegens de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst, de invoer van een goed van oorsprong uit een Partij naar het grondgebied van de andere Partij dermate is toegenomen, in absolute termen of in verhouding tot de interne productie, en onder zodanige voorwaarden dat de interne bedrijfstak die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt, ernstige schade lijdt of dreigt te lijden, kan de Partij van invoer overeenkomstig de voorwaarden en procedures van deze afdeling de in lid 2 bedoelde maatregelen vaststellen.


2.    Indien aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, mag de Partij van invoer alleen bilaterale vrijwaringsmaatregelen nemen die het volgende behelzen:

a)    opschorting van de in deze overeenkomst voorziene verdere verlaging van het douanerecht op het betrokken product; of

b)    verhoging van het douanerecht op het betrokken product tot maximaal het laagste van de volgende rechten:

i)    het op het product toegepaste meestbegunstigingsdouanerecht dat geldt op het tijdstip waarop de maatregel wordt genomen; of

ii)    het meestbegunstigingsdouanerecht dat op het product van toepassing was op de dag onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

3.    De Partijen zijn het erover eens dat noch tariefcontingenten noch kwantitatieve beperkingen een toelaatbare vorm van bilaterale vrijwaringsmaatregelen zijn.


ARTIKEL 5.11

Voorwaarden en beperkingen

1.    Een Partij mag past een bilaterale vrijwaringsmaatregel niet toe:

a)    tenzij, voor zover en zo lang als noodzakelijk is, om de in artikel 5.10 en artikel 5.15 beschreven situaties te voorkomen of te herstellen;

b)    de maatregel mag niet langer dan twee jaar worden toegepast; of

c)    de maatregel mag niet worden toegepast na afloop van de overgangsperiode.

De in punt b) genoemde periode mag met een jaar worden verlengd indien de bevoegde autoriteiten van de Partij van invoer overeenkomstig de in afdeling C gespecificeerde procedures vaststellen dat de maatregel noodzakelijk blijft om de in artikel 5.10 of artikel 5.15 beschreven situaties te voorkomen of te herstellen en aanpassing te vergemakkelijken, waarbij de totale toepassingsperiode van een vrijwaringsmaatregel, met inbegrip van de initiële toepassingsperiode en elke verlenging daarvan, maximaal drie jaar mag bedragen.

2.    Een Partij past een bilaterale vrijwaringsmaatregel alleen toe op de in bijlage 2-A (Tijdschema voor tariefafschaffing) vermelde goederen van oorsprong die uit hoofde van deze overeenkomst een preferentiële behandeling krijgen.


3.    Om de aanpassing te vergemakkelijken wanneer de verwachte duur van een bilaterale vrijwaringsmaatregel meer dan één jaar bedraagt, liberaliseert de Partij die de maatregel toepast de maatregel geleidelijk op gezette tijden tijdens de toepassingsduur ervan.

4.    Wanneer een Partij een bilaterale vrijwaringsmaatregel niet langer toepast, is het douanerecht gelijk aan het recht dat overeenkomstig artikel 2.4 (Afschaffing of verlaging van douanerechten) op het product van toepassing zou zijn geweest.

ARTIKEL 5.12

Voorlopige maatregelen

1.    In kritieke omstandigheden waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, mag een Partij een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel toepassen zonder te voldoen aan de vereisten van artikel 5.22, lid 1, nadat voorlopig is vastgesteld dat er duidelijke bewijzen zijn voor een toename van de invoer van een goed van oorsprong uit de andere Partij als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst, en dat dergelijke invoer de in artikel 5.10 of artikel 5.15 beschreven situaties veroorzaakt of dreigt te veroorzaken.


2.    De duur van een voorlopige maatregel is beperkt tot tweehonderd dagen, gedurende welke periode de Partij moet voldoen aan de desbetreffende procedureregels van onderafdeling C.2. De Partij betaalt eventuele tariefverhogingen onmiddellijk terug indien het in onderafdeling C.2 beschreven daaropvolgende onderzoek niet resulteert in de instelling van een definitieve maatregel overeenkomstig artikel 5.10 of artikel 5.15. De duur van een voorlopige maatregel wordt gerekend als een deel van de in artikel 5.11, lid 1, punt b), bedoelde periode. De Partij van invoer stelt de andere Partij in kennis van de instelling van dergelijke voorlopige maatregelen en legt de kwestie op verzoek van de andere Partij onmiddellijk ter beoordeling voor aan het Gemengd Comité.

ARTIKEL 5.13

Compensatie en opschorting van concessies

1.    Een Partij die een bilaterale vrijwaringsmaatregel toepast, treedt in overleg met de andere Partij, teneinde overeenstemming te bereiken over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel die de vorm heeft van concessies met in wezen gelijkwaardige gevolgen voor de handel. De Partij die een bilaterale vrijwaringsmaatregel toepast, biedt uiterlijk dertig dagen na de toepassing van de bilaterale vrijwaringsmaatregel gelegenheid voor dergelijk overleg.


2.    Indien het in lid 1 bedoelde overleg niet binnen dertig dagen na aanvang ervan leidt tot overeenstemming over een compensatie in het kader van de liberalisering van de handel, kan de Partij die het voorwerp van de vrijwaringsmaatregel is de toepassing van concessies met in wezen gelijkwaardige gevolgen voor de handel als de bilaterale vrijwaringsmaatregel van de andere Partij, uiterlijk binnen negentig dagen na de toepassing van de maatregel opschorten.

3.    De Partij die het voorwerp van de bilaterale vrijwaringsmaatregel is, stelt de andere Partij ten minste dertig dagen vóór de opschorting van de concessies overeenkomstig lid 2 schriftelijk daarvan in kennis.

4.    De verplichting tot compensatie krachtens lid 1 en het recht tot het opschorten van concessies krachtens lid 2 vervallen op de datum waarop de bilaterale vrijwaringsmaatregel afloopt.

ARTIKEL 5.14

Gebruik van vrijwaringsmaatregelen en tijdsverloop tussen de maatregelen

1.    Een Partij past een in deze afdeling bedoelde vrijwaringsmaatregel niet toe op de invoer van een product dat reeds aan een dergelijke maatregel onderworpen is geweest, tenzij een periode is verstreken die gelijk is aan de helft van de periode waarin de vrijwaringsmaatregel in de onmiddellijk daaraan voorafgaande periode werd toegepast.


2.    Een Partij mag met betrekking tot hetzelfde product en dezelfde periode niet tegelijkertijd:

a)    een bilaterale vrijwaringsmaatregel of een voorlopige vrijwaringsmaatregel op grond van deze overeenkomst; en

b)    een vrijwaringsmaatregel als bedoeld in artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen toepassen.

ARTIKEL 5.15

Ultraperifere gebieden

1.    Indien goederen van oorsprong uit Mexico rechtstreeks op het grondgebied van een of meer ultraperifere gebieden van de Europese Unie in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige voorwaarden worden ingevoerd dat de economische situatie van het betrokken ultraperifere gebied ernstig verslechtert of dreigt te verslechteren, kan de Europese Unie, na alternatieve oplossingen te hebben onderzocht, bij wijze van uitzondering vrijwaringsmaatregelen nemen die beperkt zijn tot het grondgebied van het betrokken ultraperifere gebied.

2.    Onverminderd lid 1 zijn alle bepalingen van afdeling C die van toepassing zijn op bilaterale vrijwaringsmaatregelen ook van toepassing op vrijwaringsmaatregelen die worden ingesteld ten aanzien van de ultraperifere gebieden van de Europese Unie.

3.    Een bilaterale vrijwaringsmaatregel die beperkt is tot de ultraperifere gebieden van de Europese Unie is alleen van toepassing op goederen die op grond van deze overeenkomst een preferentiële behandeling genieten.


4.    Voor de toepassing van lid 1 wordt onder “ernstige verslechtering” verstaan grote moeilijkheden in een economische bedrijfstak die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt. Een ernstige verslechtering wordt vastgesteld op basis van objectieve factoren, met inbegrip van de volgende elementen:

a)    de toename van het volume van de invoer in absolute termen of in verhouding tot de interne productie en tot de invoer uit andere bronnen; en

b)    het effect van die invoer op de situatie van de betrokken bedrijfstak of economische sector, met inbegrip van het effect op de verkoop, de productie, de financiële situatie en de werkgelegenheid.

ONDERAFDELING C.2

Procedureregels voor bilaterale vrijwaringsmaatregelen

ARTIKEL 5.16

Toepasselijk recht

Voor de toepassing van bilaterale vrijwaringsmaatregelen leeft de bevoegde onderzoeksautoriteit de bepalingen van deze onderafdeling na en past zij, in gevallen die niet onder deze onderafdeling vallen, de regels toe die zijn vastgesteld bij het recht van de betrokken Partij, voor zover die regels in overeenstemming zijn met de bepalingen van afdeling C.


ARTIKEL 5.17

Inleiding van een vrijwaringsprocedure

1.    Een bevoegde onderzoeksautoriteit kan een vrijwaringsprocedure inleiden op schriftelijk verzoek van of namens de interne bedrijfstak of, in uitzonderlijke omstandigheden, op eigen initiatief. Wat de Europese Unie betreft kan dat verzoek door een of meer lidstaten van de Europese Unie worden ingediend namens de interne bedrijfstak. Het verzoek wordt geacht door of namens de interne bedrijfstak te zijn gedaan indien het gesteund wordt door interne producenten wier gezamenlijke productie meer dan 50 % bedraagt van de totale productie van het soortgelijke of rechtstreeks concurrerende product dat vervaardigd wordt door dat deel van de interne bedrijfstak dat zich voor of tegen het verzoek heeft uitgesproken. Er wordt daarentegen geen onderzoek geopend wanneer de interne producenten die het verzoek uitdrukkelijk steunen minder dan 25 % vertegenwoordigen van de totale nationale productie van de soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten die worden vervaardigd door de interne bedrijfstak.

2.    Zodra het onderzoek is geopend, wordt het in lid 1 bedoelde verzoek onverwijld ter kennis gebracht van eenieder die het aangaat, met uitzondering van de daarin vervatte vertrouwelijke informatie.


3.    Bij de inleiding van een vrijwaringsprocedure maakt de bevoegde onderzoeksautoriteit een bericht van inleiding van de procedure bekend in het publicatieblad of staatsblad van de Partij. In het bericht wordt in voorkomend geval de entiteit vermeld die het schriftelijke verzoek heeft ingediend, het betrokken ingevoerde goed, de post, de onderverdeling of het tariefpostnummer waaronder het in het geharmoniseerd systeem is ingedeeld, de aard en het tijdstip van de vaststelling, de termijn waarbinnen belanghebbenden hun standpunt schriftelijk kenbaar kunnen maken en informatie kunnen verstrekken, de plaats waar het schriftelijke verzoek en eventuele andere in de loop van de procedure ingediende niet-vertrouwelijke documenten kunnen worden ingezien, en de naam, het adres en het telefoonnummer van het bureau waarmee men voor nadere informatie contact kan opnemen. Indien de bevoegde onderzoeksautoriteit besluit een openbare hoorzitting te houden, kunnen het tijdstip en de plaats daarvan worden vermeld in het bericht van inleiding of in een latere fase van de procedure worden meegedeeld, mits die kennisgeving ruim van tevoren wordt gedaan. Indien aan het begin van het onderzoek geen openbare hoorzitting is gepland, wordt in het bericht van inleiding vermeld binnen welke termijn belanghebbenden kunnen verzoeken om te worden gehoord door de bevoegde onderzoeksautoriteit.

4.    Met betrekking tot een vrijwaringsprocedure die is ingeleid naar aanleiding van een schriftelijk verzoek van een entiteit die aanvoert dat zij representatief is voor de interne bedrijfstak, maakt de bevoegde onderzoeksautoriteit het bericht van inleiding krachtens lid 3 pas bekend nadat zij zorgvuldig is nagegaan of het verzoek voldoet aan de vereisten van de voor haar geldende wetgeving en de vereisten van lid 1, en redelijk bewijs bevat dat de invoer van een goed van oorsprong uit de andere Partij is toegenomen als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht op grond van deze overeenkomst, en dat die invoer de vermeende ernstige schade of de vermeende ernstige verslechtering van de economische situatie veroorzaakt of dreigt te veroorzaken.


ARTIKEL 5.18

Onderzoek

1.    Een Partij mag een vrijwaringsmaatregel pas toepassen nadat haar bevoegde onderzoeksautoriteit een onderzoek heeft verricht volgens de in deze onderafdeling vastgestelde procedures. Dat onderzoek omvat een redelijke openbare kennisgeving aan alle belanghebbenden en openbare hoorzittingen of andere passende wijzen waarop importeurs, exporteurs en andere belanghebbenden bewijsmateriaal en standpunten kunnen indienen en kunnen reageren op de inbreng van de andere Partijen.

2.    Elke Partij waarborgt dat haar bevoegde onderzoeksautoriteit dergelijke onderzoeken afsluit binnen een jaar na de datum waarop ze zijn geopend.

ARTIKEL 5.19

Vaststelling van ernstige schade of dreiging daarvan en oorzakelijk verband

1.    Tijdens het onderzoek naar de vraag of er door de toegenomen invoer sprake is van ernstige schade dan wel dreiging van ernstige schade aan een interne bedrijfstak, beoordeelt de bevoegde onderzoeksautoriteit alle ter zake doende factoren van objectieve en kwantificeerbare aard die van invloed zijn op de situatie van de interne bedrijfstak, met name het tempo en de omvang van de toename van de invoer van het betrokken product in absolute termen en in verhouding tot de interne productie, het door de toegenomen invoer ingenomen deel van de binnenlandse markt en de wijzigingen in de omvang van de verkoop, de productie, de productiviteit, de bezettingsgraad, winst en verlies en de werkgelegenheid.


2.    De vaststelling dat de toegenomen invoer de in artikel 5.10 of artikel 5.15 beschreven situaties veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, wordt slechts gedaan indien uit het onderzoek op basis van objectief bewijsmateriaal blijkt dat er een duidelijk oorzakelijk verband bestaat tussen de toegenomen invoer van het betrokken product en de in artikel 5.10 of artikel 5.15 beschreven situaties. Indien andere factoren dan de toegenomen invoer tezelfdertijd de in artikel 5.10 of artikel 5.15 beschreven situaties veroorzaken, wordt deze schade of de dreiging daarvan, dan wel de ernstige verslechtering van de economische situatie of de dreiging daarvan, niet aan de toegenomen invoer toegeschreven.

ARTIKEL 5.20

Hoorzittingen

In de loop van elke vrijwaringsprocedure moet de bevoegde onderzoeksautoriteit:

a)    na een redelijke kennisgeving een openbare hoorzitting houden om alle belanghebbenden die uit hoofde van het recht van de betrokken Partij als zodanig worden beschouwd, in de gelegenheid te stellen persoonlijk of via een raadsman te verschijnen, bewijsmateriaal te presenteren en te worden gehoord over de ernstige schade of de dreiging daarvan, of over de ernstige verslechtering van de economische situatie of de dreiging daarvan, alsmede over de passende corrigerende maatregelen; of


b)    als alternatief, in het geval van de Europese Unie, alle belanghebbenden in de gelegenheid stellen te worden gehoord, mits zij binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn een schriftelijk verzoek hebben ingediend waaruit blijkt dat de uitkomsten van het onderzoek waarschijnlijk invloed op hen zullen hebben en dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen.

ARTIKEL 5.21

Vertrouwelijke informatie

Inlichtingen die vanwege hun aard vertrouwelijk zijn of die vertrouwelijk worden verstrekt, worden, na opgave van redenen, vertrouwelijk behandeld door de bevoegde onderzoeksautoriteit. Deze inlichtingen worden niet bekendgemaakt dan na machtiging van de partij die ze heeft verstrekt. Partijen die vertrouwelijke informatie verstrekken, wordt verzocht niet-vertrouwelijke samenvattingen daarvan te verstrekken of, indien die partijen aangeven dat die informatie niet kan worden samengevat, de redenen waarom dat niet mogelijk is. De samenvattingen moeten voldoende gedetailleerd zijn om een redelijk inzicht te verschaffen in de wezenlijke inhoud van de als vertrouwelijk verstrekte informatie. Indien de bevoegde onderzoeksautoriteit van oordeel is dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gegrond is en de betrokken partij niet bereid is de informatie bekend te maken of de bekendmaking ervan in algemene bewoordingen of in samengevatte vorm toe te staan, kan de autoriteit deze informatie buiten beschouwing laten tenzij ten genoegen van de autoriteit uit goede bronnen blijkt dat de inlichtingen juist zijn.


ARTIKEL 5.22

Vaststelling, kennisgeving, raadpleging en bekendmaking

1.    Indien een Partij van mening is dat een van de in artikel 5.10 of artikel 5.15 genoemde situaties zich voordoet, legt zij de kwestie onmiddellijk ter beoordeling voor aan het Gemengd Comité. Het Gemengd Comité kan elke aanbeveling doen die nodig is om de ontstane situatie te verhelpen. Indien het Gemengd Comité geen aanbevelingen heeft gedaan om de situatie te verhelpen, of indien er binnen dertig dagen nadat de aangelegenheid aan de Gemengde Commissie werd voorgelegd geen bevredigende oplossing is bereikt, kan de Partij van invoer een passende bilaterale vrijwaringsmaatregel vaststellen om de situatie te verhelpen overeenkomstig afdeling C.

2.    De bevoegde onderzoeksautoriteit verstrekt alle ter zake doende informatie aan de Partij van uitvoer, waaronder bewijs voor ernstige schade of voor dreiging daarvan, of voor ernstige verslechtering van de economische situatie als gevolg van toegenomen invoer of voor dreiging daarvan, een nauwkeurige beschrijving van het betrokken product en de voorgestelde bilaterale vrijwaringsmaatregel, de voorgestelde datum van instelling en de verwachte duur van de voorgestelde bilaterale vrijwaringsmaatregel.

3.    Een Partij stelt de andere Partij onverwijld schriftelijk in kennis wanneer zij:

a)    een bilaterale vrijwaringsprocedure op grond van afdeling C inleidt;

b)    besluit een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel in te stellen;


c)    vaststelt dat er sprake is van ernstige schade of dreiging daarvan, of van ernstige verslechtering van de economische situatie of dreiging daarvan, die wordt veroorzaakt door toegenomen invoer, krachtens artikel 5.19;

d)    besluit een bilaterale vrijwaringsmaatregel toe te passen of te verlengen; en

e)    besluit een eerder vastgestelde bilaterale vrijwaringsmaatregel te wijzigen.

4.    Een kennisgeving die een Partij doet op grond van lid 3, punt a), omvat:

a)    een afschrift van de openbare versie van het verzoek en de bijlagen daarbij of, indien er een onderzoek is ingesteld op initiatief van de bevoegde onderzoeksautoriteit, van de relevante documenten waaruit blijkt dat aan de vereisten van artikel 5.17 is voldaan, alsook een vragenlijst met de punten waarover de belanghebbenden informatie moeten verstrekken; en

b)    een nauwkeurige omschrijving van het betrokken ingevoerde goed.

5.    Indien een Partij een kennisgeving doet op grond van lid 3, punt b) of c), voegt zij een afschrift bij van de openbare versie van haar vaststelling en, in voorkomend geval, van het document met de technische redenen die aan de vaststelling ten grondslag liggen.


6.    Een kennisgeving die een Partij doet op grond van lid 3, punt d), betreffende de toepassing of verlenging van een bilaterale vrijwaringsmaatregel, omvat:

a)    een afschrift van de openbare versie van haar vaststelling en, in voorkomend geval, van het document met de technische redenen die aan de vaststelling ten grondslag liggen;

b)    bewijs voor ernstige schade of dreiging daarvan, of ernstige verslechtering van de economische situatie of dreiging daarvan, die wordt veroorzaakt door toegenomen invoer van een goed van oorsprong uit de andere Partij, als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst;

c)    een nauwkeurige omschrijving van het goed van oorsprong waarop de bilaterale vrijwaringsmaatregel van toepassing is, met inbegrip van de post, de onderverdeling of de tariefpost waaronder het in het geharmoniseerd systeem is ingedeeld;

d)    een nauwkeurige omschrijving van de toegepaste of verlengde bilaterale vrijwaringsmaatregel;

e)    de begindatum van toepassing van de bilaterale vrijwaringsmaatregel, de verwachte duur ervan en, in voorkomend geval, een tijdschema voor de geleidelijke liberalisering van de maatregel; en

f)    in geval van verlenging van de bilaterale vrijwaringsmaatregel, bewijs waaruit blijkt dat de betrokken interne bedrijfstak aanpassingen doorvoert.


7.    Op verzoek van de Partij waarop de bilaterale vrijwaringsprocedure op grond van afdeling C van toepassing is, pleegt de andere Partij overleg met de verzoekende Partij om een krachtens lid 3, punt a) of b), gedane kennisgeving te herzien.

8.    De Partij die voornemens is een bilaterale vrijwaringsmaatregel toe te passen of te verlengen, stelt de andere Partij daarvan in kennis en biedt de mogelijkheid van voorafgaand overleg om de eventuele toepassing of verlenging te bespreken. Indien binnen dertig dagen na de datum van de kennisgeving geen bevredigende oplossing wordt gevonden, kan eerstgenoemde Partij de maatregel toepassen of verlengen.

9.    De bevoegde onderzoeksautoriteit maakt tevens haar bevindingen en met redenen omklede conclusies ten aanzien van alle relevante feitelijke en juridische aangelegenheden bekend in het publicatieblad of staatsblad van de betrokken Partij, met inbegrip van de beschrijving van het ingevoerde goed en de situatie die aanleiding heeft gegeven tot de instelling van de maatregelen overeenkomstig artikel 5.10 of artikel 5.15, van het oorzakelijk verband tussen die situatie en de toegenomen invoer, alsook de vorm, het niveau en de duur van de maatregelen.

10.    De bevoegde onderzoeksautoriteiten behandelen vertrouwelijke informatie volledig in overeenstemming met artikel 5.21.


HOOFDSTUK 6

SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN

ARTIKEL 6.1

Definities

1.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “bevoegde autoriteiten”: de in bijlage 6-A (Bevoegde autoriteiten) bedoelde bevoegde autoriteiten van elke Partij;

b)    “noodmaatregel”: een sanitaire of fytosanitaire maatregel die door de Partij van invoer wordt toegepast op goederen van de andere Partij om een dringend probleem in verband met de bescherming van het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten aan te pakken dat zich in de Partij van invoer voordoet of dreigt voor te doen; en

c)    “SPS-Commissie van de WTO”: de bij artikel 12 van de SPS-overeenkomst ingestelde Commissie voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen.


2.    De definities in bijlage A bij de SPS-overeenkomst, alsook die van de Codex Alimentarius (Codex), de Wereldorganisatie voor diergezondheid (hierna “WOAH” genoemd) en het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, ondertekend te Rome op 6 december 1951 (hierna “IPPC” genoemd), zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

ARTIKEL 6.2

Doelstellingen

Dit hoofdstuk heeft tot doel:

a)    het leven of de gezondheid van mensen, dieren en planten op het respectieve grondgebied van de Partijen te beschermen en tegelijkertijd de handel tussen de Partijen te bevorderen;

b)    de uitvoering van de SPS-overeenkomst te versterken en te bevorderen;

c)    de communicatie, het overleg en de samenwerking tussen de Partijen, met name tussen hun bevoegde autoriteiten, te versterken;

d)    erop toe te zien dat de door de Partijen uitgevoerde sanitaire en fytosanitaire maatregelen geen onnodige handelsbelemmeringen opwerpen;


e)    de samenhang, zekerheid en transparantie van de sanitaire en fytosanitaire maatregelen van elke Partij en de uitvoering daarvan te verbeteren; en

f)    de ontwikkeling en vaststelling van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen door de bevoegde internationale organisaties aan te moedigen en de toepassing daarvan door de Partijen te verbeteren.

ARTIKEL 6.3

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen van een Partij die de handel tussen de Partijen al dan niet rechtstreeks kunnen beïnvloeden.

ARTIKEL 6.4

Verhouding tot de SPS-overeenkomst

De Partijen bevestigen hun wederzijdse rechten en verplichtingen uit hoofde van de SPS-overeenkomst.


ARTIKEL 6.5

Uitvoeringsmiddelen

Elke Partij gebruikt de nodige middelen om dit hoofdstuk op doeltreffende wijze uit te voeren.

ARTIKEL 6.6

Gelijkwaardigheid

1.    De Partijen erkennen dat de erkenning van de gelijkwaardigheid van de sanitaire en fytosanitaire maatregelen van de andere Partij een belangrijk middel is om de handel te bevorderen.

2.    De Partij van invoer erkent de sanitaire en fytosanitaire maatregelen van de Partij van uitvoer als gelijkwaardig aan haar eigen maatregelen indien de Partij van uitvoer op objectieve wijze ten genoegen van de Partij van invoer aantoont dat haar maatregelen het door de Partij van invoer vastgestelde adequate niveau van sanitaire en fytosanitaire bescherming bieden.

3.    De Partij van invoer is gerechtigd om definitief vast te stellen of een door de Partij van uitvoer toegepaste sanitaire of fytosanitaire maatregel het door haar vastgestelde adequate niveau van sanitaire en fytosanitaire bescherming verwezenlijkt.


4.    Een Partij houdt bij de beoordeling of vaststelling van de gelijkwaardigheid van een maatregel van de andere Partij onder meer en in voorkomend geval rekening met:

a)    de besluiten van de SPS-Commissie van de WTO;

b)    de werkzaamheden van de relevante internationale organisaties;

c)    alle kennis en ervaring die zij in het verleden bij de handel met de andere Partij heeft opgedaan; en

d)    de door de andere Partij verstrekte informatie.

5.    Elke Partij baseert haar beoordeling, vaststelling en handhaving van de gelijkwaardigheid op normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de relevante internationale normalisatie-instellingen of, in voorkomend geval, op een risicobeoordeling.

6.    De Partij van invoer begint onverwijld met de beoordeling ter vaststelling van de gelijkwaardigheid zodra zij van de andere Partij een door de nodige informatie ondersteund verzoek om een gelijkwaardigheidsbeoordeling ontvangt.

7.    Wanneer de Partij van invoer de gelijkwaardigheidsbeoordeling afrondt, stelt zij de andere Partij onverwijld in kennis van haar vaststelling.


8.    Wanneer de Partij van invoer heeft vastgesteld dat zij de maatregel van de Partij van uitvoer als gelijkwaardig erkent, neemt de Partij van invoer onverwijld de nodige wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen om uitvoering te geven aan de erkenning.

9.    Onverminderd artikel 6.16 moet een Partij die voornemens is een maatregel vast te stellen, te wijzigen of in te trekken die is onderworpen aan een gelijkwaardigheidsbeoordeling die het handelsverkeer tussen de Partijen beïnvloedt:

a)    de andere Partij van haar voornemen in kennis stellen in een passend vroeg stadium waarin rekening kan worden gehouden met eventuele opmerkingen van de andere Partij;

b)    de andere Partij op diens verzoek informatie en de redenen voor de voorgenomen wijzigingen verstrekken.

10.    De Partij van invoer handhaaft haar erkenning van de gelijkwaardigheid zolang de maatregel waarop de voorgenomen wijziging betrekking heeft, van kracht blijft.

11.    Op verzoek van een Partij bespreken de Partijen de voorgenomen wijzigingen waarvan krachtens lid 9, punt a), kennis is gegeven. De Partij van invoer onderzoekt onverwijld alle krachtens lid 9, punt b), ingediende informatie.


12.    Indien een Partij een sanitaire of fytosanitaire maatregel die is onderworpen aan een vaststelling van de gelijkwaardigheid door de andere Partij, vaststelt, wijzigt of intrekt, handhaaft de Partij van invoer haar erkenning van de gelijkwaardigheid op voorwaarde dat de maatregelen van de Partij van uitvoer met betrekking tot het product het adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming van de Partij van invoer blijven verwezenlijken. Op verzoek van een Partij bespreken de Partijen onverwijld de vaststelling van de Partij van invoer.

ARTIKEL 6.7

Risicobeoordeling

1.    De Partijen erkennen dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat hun respectieve sanitaire en fytosanitaire maatregelen gebaseerd zijn op wetenschappelijke beginselen en in overeenstemming zijn met de toepasselijke internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen.

2.    Wanneer een Partij van mening is dat een specifieke, door de andere Partij vastgestelde of gehandhaafde sanitaire of fytosanitaire maatregel haar uitvoer belemmert of kan belemmeren en die maatregel niet gebaseerd is op toepasselijke internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen, of wanneer er geen toepasselijke normen, richtsnoeren of aanbevelingen zijn, kan die Partij de andere Partij om inlichtingen verzoeken. De aangezochte Partij stelt de verzoekende Partij in kennis van de redenen voor, en verstrekt haar relevantie informatie over, die maatregel.


3.    Wanneer het wetenschappelijk bewijs niet toereikend is, kan een Partij een voorlopige sanitaire of fytosanitaire maatregel treffen op grond van de beschikbare relevante gegevens, waaronder gegevens van de relevante internationale organisaties. In die situatie moet die Partij inspanningen leveren om de bijkomende gegevens te verzamelen die nodig zijn voor een objectievere risicobeoordeling en om de sanitaire of fytosanitaire maatregel binnen een redelijke termijn dienovereenkomstig te evalueren.

4.    Onverminderd de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van de desbetreffende bepalingen van de SPS-overeenkomst, wordt niets in dit hoofdstuk uitgelegd als een beletsel voor een Partij om:

a)    het niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming vast te stellen dat zij adequaat acht overeenkomstig artikel 5 van de SPS-overeenkomst;

b)    een goedkeuringsprocedure vast te stellen of te handhaven waarbij een risicobeoordeling moet worden verricht voordat die Partij een product toelaat op haar markt; of

c)    sanitaire of fytosanitaire voorzorgsmaatregelen overeenkomstig artikel 5, lid 7, van de SPS-overeenkomst vast te stellen of te handhaven.

5.    Elke Partij zorgt ervoor dat haar sanitaire en fytosanitaire maatregelen niet leiden tot een willekeurig of ongerechtvaardigd onderscheid tussen de Partijen waar dezelfde of soortgelijke omstandigheden bestaan. Een Partij mag sanitaire en fytosanitaire maatregelen niet toepassen op een wijze die een verkapte beperking van de handel tussen de Partijen zou vormen.


6.    Een Partij die een risicobeoordeling uitvoert, moet:

a)    rekening houden met de desbetreffende richtsnoeren van de SPS-Commissie van de WTO alsook met de internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen;

b)    risicobeheersopties overwegen die de handel niet meer beperken dan nodig is om het niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming te verwezenlijken dat zij adequaat acht overeenkomstig artikel 5, lid 3, van de SPS-overeenkomst, rekening houdend met de technische en economische haalbaarheid; en

c)    rekening houden met de doelstelling om de negatieve gevolgen voor de handel tot een minimum te beperken bij de vaststelling van het adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming overeenkomstig artikel 5, lid 4, van de SPS-overeenkomst, en een risicobeheersoptie kiezen die de handel niet meer beperkt dan nodig is om de sanitaire of fytosanitaire doelstelling te verwezenlijken, rekening houdend met de technische en economische haalbaarheid.

7.    De Partij van invoer stelt de Partij van uitvoer op verzoek van die laatste in kennis van de voortgang van een specifieke risicobeoordeling met betrekking tot een verzoek van de Partij van uitvoer om markttoegang, en van vertragingen die tijdens het proces kunnen optreden.


8.    Onverminderd artikel 6.16 zet een Partij de invoer van een product van de andere Partij niet stop om het enkele feit dat die Partij haar sanitaire of fytosanitaire maatregelen herziet, indien de Partij van invoer de invoer van dat product van de andere Partij toestond op het tijdstip waarop de herziening in gang werd gezet.

ARTIKEL 6.8

Aanpassing aan de regionale omstandigheden, waaronder ziekte- of plagenvrije gebieden of gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen

Algemeen

1.    De Partijen erkennen dat de aanpassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen aan de regionale omstandigheden met betrekking tot plaagorganismen en ziekten een belangrijk instrument is om het leven of de gezondheid van dieren en planten te beschermen en de handel te bevorderen.

2.    De Partijen erkennen de concepten ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen. Dergelijke gebieden worden bepaald aan de hand van factoren zoals geografie, ecosystemen, epidemiologisch toezicht en de doeltreffendheid van sanitaire of fytosanitaire controles.


3.    De Partij van uitvoer die stelt dat gebieden binnen haar grondgebied vrij van ziekten of plagen zijn of een lage prevalentie van ziekten of plagen hebben, moet ter zake de nodige bewijzen leveren om aan de Partij van invoer objectief aan te tonen dat dergelijke gebieden ziekte- of plagenvrije gebieden zijn en waarschijnlijk zullen blijven, respectievelijk gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen zijn of waarschijnlijk zullen blijven. Daartoe verleent de Partij van uitvoer de Partij van invoer op verzoek redelijke toegang met het oog op inspectie, proeven en andere relevante procedures.

4.    Bij de vaststelling van de in lid 2 bedoelde gebieden via regionalisatiebesluiten houden de Partijen rekening met de desbetreffende richtsnoeren van de SPS-Commissie van de WTO en baseren zij hun maatregelen op internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen of, indien daarmee niet het door de Partij vastgestelde adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming wordt verwezenlijkt, op een risicobeoordeling die op de omstandigheden is afgestemd.

5.    Voor de bepaling van de in lid 2 bedoelde gebieden houdt de Partij van invoer rekening met alle relevante informatie van en eerdere ervaringen met de autoriteiten van de Partij van uitvoer.

6.    De Partij van invoer kan bepalen dat een verzoek van de Partij van uitvoer om erkenning van ziekte- of plagenvrije gebieden of gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen kan worden behandeld via een versnelde procedure.

7.    Indien de Partij van uitvoer het niet eens is met de vaststelling van de Partij van invoer, moet die laatste Partij de Partij van uitvoer een motivering verstrekken.


8.    Op verzoek van de Partij van invoer verstrekt de Partij van uitvoer een volledige toelichting op en ondersteunende gegevens voor de vaststellingen en besluiten op grond van dit artikel. Tijdens deze procedures spannen de Partijen zich in om onnodige verstoringen van het handelsverkeer te vermijden.

Dieren, dierlijke producten en dierlijke bijproducten

9.    De Partijen erkennen het beginsel van zonering, dat zij in hun handelsverkeer zullen toepassen. De Partijen erkennen tevens de officiële diergezondheidsstatus als vastgesteld door de WOAH.

10.    De Partij van invoer baseert haar eigen vaststelling van de diergezondheidsstatus van de partij van uitvoer gewoonlijk op het door de Partij van uitvoer overeenkomstig de SPS-overeenkomst en de Gezondheidscode voor landdieren van de WOAH en de Gezondheidscode voor waterdieren van de WOAH verstrekte bewijsmateriaal.

11.    De Partij van invoer beoordeelt alle van de Partij van uitvoer ontvangen aanvullende informatie onverwijld en gewoonlijk binnen negentig dagen na ontvangst. De Partij van invoer kan de Partij van uitvoer om een inspectie ter plaatse verzoeken en verricht de inspectie overeenkomstig de beginselen van artikel 6.11, en binnen negentig dagen nadat de Partij van uitvoer het verzoek om inspectie heeft ontvangen, tenzij de Partijen anders zijn overeengekomen.

12.    De Partijen erkennen het beginsel van compartimentering en werken op dit punt samen.


Planten en plantaardige producten

13.    De Partijen erkennen de begrippen plagenvrije gebieden, plagenvrije productieplaatsen en plagenvrije productieterreinen alsook gebieden met een lage prevalentie van plagen als middelen ter bescherming van het leven of de gezondheid van planten en ter vergemakkelijking van de handel, zoals gespecificeerd in de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen van het IPPC (hierna “ISPM” genoemd), die zij overeenkomen toe te passen op de tussen hen verhandelde goederen.

14.    Op verzoek van de Partij van uitvoer houdt de Partij van invoer bij de vaststelling of handhaving van fytosanitaire maatregelen rekening met de plagenvrije gebieden, plagenvrije productieplaatsen, plagenvrije productieterreinen alsook gebieden met een lage prevalentie van plagen die door de Partij van uitvoer zijn vastgesteld overeenkomstig de toepasselijke internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen.

15.    De Partij van uitvoer wijst haar plagenvrije gebieden, plagenvrije productieplaatsen, plagenvrije productieterreinen of gebieden met een lage prevalentie van plagen aan en stelt de andere Partij daarvan in kennis. Op verzoek verstrekt de Partij van uitvoer een volledige toelichting en ondersteunende gegevens overeenkomstig de desbetreffende ISPM of anderszins, naargelang van het geval.

16.    Onverminderd artikel 6.16 baseert de Partij van invoer haar eigen vaststelling van de plantgezondheidsstatus van de Partij van uitvoer of gedeelten daarvan in beginsel op de informatie die de Partij van uitvoer heeft verstrekt overeenkomstig de SPS-overeenkomst en de desbetreffende ISPM.


17.    De Partij van invoer beoordeelt alle van de Partij van uitvoer ontvangen aanvullende informatie onverwijld en gewoonlijk binnen negentig dagen na ontvangst. De Partij van invoer kan de Partij van uitvoer om een inspectie ter plaatse verzoeken en voert de inspecties uit overeenkomstig de beginselen van artikel 6.11, en binnen zes maanden nadat de Partij van uitvoer het verzoek om inspectie heeft ontvangen, tenzij de Partijen anders zijn overeengekomen. Bij het overeenkomen van een andere termijn houden de Partijen rekening met de biologische kenmerken van het betrokken plaagorganisme en het betrokken gewas.

ARTIKEL 6.9

Transparantie

1.    De Partijen erkennen hoe belangrijk het is om op permanente basis informatie over hun sanitaire en fytosanitaire maatregelen uit te wisselen en om de andere Partij de mogelijkheid te bieden opmerkingen te maken over voorgestelde sanitaire en fytosanitaire maatregelen.

2.    Bij de uitvoering van dit artikel houdt elke Partij rekening met de desbetreffende richtsnoeren van de SPS-Commissie van de WTO alsook met de internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen.


3.    Tenzij zich dringende problemen voordoen of dreigen voor te doen met betrekking tot de bescherming van het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten, of de maatregel van handelsbevorderende aard is, geeft een Partij kennis van een voorgestelde sanitaire of fytosanitaire maatregel die het handelsverkeer tussen de Partijen kan beïnvloeden, en geeft zij de andere Partij gewoonlijk ten minste zestig dagen na de kennisgeving de tijd om schriftelijke opmerkingen te maken. Voor zover haalbaar en passend moet die Partij meer dan zestig dagen de tijd laten voor de indiening van opmerkingen en elk redelijk verzoek van de andere Partij om verlenging van die termijn in overweging nemen. Op verzoek reageert de Partij op passende wijze op de schriftelijke opmerkingen van de andere Partij.

4.    De Partijen:

a)    streven doorzichtigheid na op het gebied van sanitaire en fytosanitaire maatregelen die op de handel van toepassing zijn;

b)    verbeteren het wederzijdse begrip van elkaars sanitaire of fytosanitaire maatregelen en van de toepassing ervan; en

c)    wisselen informatie uit over aangelegenheden met betrekking tot de ontwikkeling en de toepassing van sanitaire of fytosanitaire maatregelen om de negatieve gevolgen daarvan voor het handelsverkeer tussen de Partijen tot een minimum te beperken.


5.    Elke Partij verstrekt, op verzoek van de andere Partij en gewoonlijk binnen 15 dagen na ontvangst van het verzoek, informatie over:

a)    de invoervereisten die van toepassing zijn op de invoer van specifieke producten; en

b)    de voortgang van de aanvraag om goedkeuring van specifieke producten.

6.    De in lid 4, punt c), en lid 5 bedoelde informatie wordt geacht te zijn verstrekt indien zij beschikbaar is gesteld door kennisgeving aan de WTO overeenkomstig de desbetreffende regels en procedures of indien de informatie kosteloos beschikbaar is gesteld op een openbaar toegankelijke officiële website van de Partij.

7.    Op verzoek verstrekt een Partij aan de andere Partij de relevante informatie die zij in aanmerking heeft genomen bij de ontwikkeling van de voorgestelde maatregel, in voorkomend geval en voor zover dat mogelijk is op grond van de vertrouwelijkheids- en privacyvoorschriften van de Partij die de informatie verstrekt.

8.    Een Partij kan de andere Partij verzoeken om, voor zover dat passend en haalbaar is, te overleggen over handelsproblemen in verband met een voorgestelde sanitaire of fytosanitaire maatregel en over de beschikbaarheid van alternatieve manieren om het doel van de maatregel te verwezenlijken waarbij het handelsverkeer aanzienlijk minder wordt beperkt.

9.    Elke Partij maakt, bij voorkeur langs elektronische weg, kennisgevingen van sanitaire of fytosanitaire maatregelen bekend in een officieel publicatieblad of staatsblad of op een website.


10.    Elke Partij zorgt ervoor dat in de tekst of de kennisgeving van een sanitaire of fytosanitaire maatregel de datum waarop de maatregel van kracht wordt en de rechtsgrondslag van de maatregel worden vermeld.

11.    De Partij van uitvoer stelt de Partij van invoer tijdig en op passende wijze in kennis van:

a)    een aanzienlijk sanitair of fytosanitair risico in verband met het bestaande handelsverkeer;

b)    dringende situaties waarin een verandering in de dier- of plantgezondheidsstatus op het grondgebied van de Partij van uitvoer het bestaande handelsverkeer kan beïnvloeden;

c)    aanzienlijke veranderingen in de status van plaagorganismen of ziekten, zoals de aanwezigheid en de ontwikkeling van plaagorganismen of ziekten, met inbegrip van de toepassing van regionalisatiebesluiten; en

d)    aanzienlijke veranderingen in het beleid of de praktijken inzake voedselveiligheid en het beheer, de bestrijding of uitroeiing van plaagorganismen of ziekten die het bestaande handelsverkeer kunnen beïnvloeden.

12.    Voor zover haalbaar en passend moet een Partij meer dan zes maanden laten verstrijken tussen de datum van bekendmaking van een sanitaire of fytosanitaire maatregel die het handelsverkeer tussen de Partijen kan beïnvloeden en de datum waarop de maatregel van kracht wordt, tenzij de maatregel bedoeld is om een dringend probleem in verband met de bescherming van het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten aan te pakken of de maatregel het handelsverkeer bevordert.

13.    Een Partij stelt de andere Partij op verzoek in kennis van alle sanitaire of fytosanitaire maatregelen in verband met de invoer van een product op haar grondgebied.


ARTIKEL 6.10

Handelsbevordering

Goedkeuringsprocedures

1.    De Partijen erkennen dat elke Partij het recht heeft goedkeuringsprocedures te ontwikkelen en toe te passen om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan het door de Partij van invoer vastgestelde adequate niveau van sanitaire en fytosanitaire bescherming en dat tegelijkertijd de negatieve gevolgen voor de handel tot een minimum worden beperkt.

2.    Elke Partij zorgt ervoor dat alle sanitaire en fytosanitaire goedkeuringsprocedures die het handelsverkeer tussen de Partijen beïnvloeden:

a)    onverwijld worden uitgevoerd en afgerond; en

b)    niet worden toegepast op een wijze die willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie jegens de andere Partij vormt.

3.    Elke Partij spant zich in om ervoor te zorgen dat de producten die naar een andere Partij worden uitgevoerd, voldoen aan het door de Partij van invoer vastgestelde adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming. Daartoe stelt de Partij van uitvoer passende controlemaatregelen vast en voert die uit, waaronder in voorkomend geval risicogebaseerde inspecties ter plaatse. De Partij van invoer kan verlangen dat de desbetreffende bevoegde autoriteit van de Partij van uitvoer objectief en ten genoegen van de Partij van invoer aantoont dat aan haar invoervereisten is voldaan.


4.    Indien de Partij van invoer eist dat een product vóór invoer wordt goedgekeurd, stelt zij op verzoek van de Partij van uitvoer onverwijld informatie ter beschikking over de sanitaire en fytosanitaire invoerprocedures. De Partij van invoer ziet er met name op toe dat:

a)    de normale duur van elke procedure wordt bekendgemaakt of dat de verwachte duur van de procedure op verzoek wordt meegedeeld aan de Partij van uitvoer;

b)    de bevoegde autoriteit van de Partij van invoer, wanneer zij een aanvraag ontvangt, onverwijld nagaat of de documentatie volledig is en de Partij van uitvoer precies en volledig laat weten welke elementen ontbreken;

c)    de bevoegde autoriteit van de Partij van invoer de resultaten van de procedure zo spoedig mogelijk precies en volledig doorgeeft aan de Partij van uitvoer, zodat in voorkomend geval corrigerende maatregelen kunnen worden genomen;

d)    de bevoegde autoriteit van de Partij van invoer de procedure, ook indien elementen van de aanvraag ontbreken, zoveel mogelijk voortzet indien de Partij van uitvoer daarom verzoekt; en

e)    de bevoegde autoriteit van de Partij van invoer de Partij van uitvoer op verzoek in kennis stelt van de stage waarin de procedure zich bevindt, met inbegrip van een verklaring voor eventuele vertragingen.


5.    Indien een Partij in het kader van de goedkeuringsprocedure een risicobeoordeling verlangt, stelt zij die onder normale omstandigheden onverwijld en gewoonlijk binnen een jaar na de datum van ontvangst van de voor de uitvoer van het product vereiste informatie ter beschikking.

6.    Elke Partij spant zich in om alle stappen van haar goedkeuringsprocedures binnen een redelijke termijn uit te voeren en zet die procedures onmiddellijk na ontvangst van een aanvraag van de andere Partij in gang.

7.    Elke Partij vermijdt onnodige doublures en administratieve lasten met betrekking tot:

a)    de documentatie, informatie of acties die zij in het kader van haar goedkeuringsprocedures van de aanvrager verlangt; en

b)    de informatie die de Partij in het kader van de goedkeuringsprocedure beoordeelt.

8.    Elke Partij geeft wijzigingen in haar vereiste goedkeuringsprocedures of daarmee verband houdende voorschriften onverwijld door. Behalve in naar behoren gemotiveerde omstandigheden die verband houden met haar beschermingsniveau, voorziet elke Partij in een overgangsperiode tussen de bekendmaking van wijzigingen in haar goedkeuringsprocedures of daarmee verband houdende voorschriften en de inwerkingtreding daarvan, zodat de andere Partij zich vertrouwd kan maken met en zich kan aanpassen aan dergelijke wijzigingen. Elke Partij spant zich in voor de afhandeling van aanvragen die vóór de bekendmaking van de wijzigingen zijn ingediend, en om de goedkeuringsprocedure voor dergelijke aanvragen niet te verlengen. Indien de wijziging van de goedkeuringsprocedure tot minder belasting leidt, mag de inwerkingtreding ervan niet onnodig worden vertraagd.


9.    Op verzoek licht een Partij de andere Partij tijdig in over de voortgang van de goedkeuringsprocedure.

Specifieke fytosanitaire voorwaarden

10.    Overeenkomstig de toepasselijke normen die zijn overeengekomen in het kader van het IPPC, houdt elke Partij adequate informatie bij over haar status inzake plaagorganismen, waaronder in voorkomend geval over haar programma’s voor de bewaking, uitroeiing en indamming en de resultaten ervan, ter ondersteuning van de categorisering van plaagorganismen en ter rechtvaardiging van fytosanitaire invoermaatregelen.

11.    Elke Partij spant zich in om een lijst van gereglementeerde plaagorganismen op te stellen en bij te houden voor producten waarvoor een fytosanitair punt van zorg bestaat. In de lijst worden opgenomen:

a)    de quarantaineorganismen die nergens op haar grondgebied voorkomen;

b)     de quarantaineorganismen die voorkomen op haar grondgebied, maar niet wijdverbreid zijn en onder officiële controle staan; en

c)    de gereglementeerde niet-quarantaineorganismen.

12.    Elke Partij beperkt haar invoervereisten voor planten of plantaardige producten waarvoor een fytosanitair punt van zorg bestaat tot maatregelen om te waarborgen dat gereglementeerde plaagorganismen afwezig zijn. Die invoervereisten gelden voor het gehele grondgebied van de Partij van uitvoer, rekening houdend met de regionale omstandigheden.


13.    Zendingen van producten waarop fytosanitaire maatregelen van toepassing zijn, worden aanvaard op basis van adequate garanties van de Partij van uitvoer zonder voorafgaande inklaring. De Partij van invoer kan, op basis van een systeembenadering, de activiteiten in verband met de handel in producten overdragen aan de bevoegde autoriteit van de Partij van uitvoer.

14.    De Partijen mogen alleen fytosanitaire maatregelen nemen die technisch gerechtvaardigd zijn, in overeenstemming zijn met het betrokken fytosanitaire risico en de minst beperkende optie zijn.

15.    Voor de uitvoering van de leden 10 tot en met 14 houden de Partijen rekening met de desbetreffende ISPM.

Specifieke sanitaire en fytosanitaire invoervereisten

16.    Wanneer verschillende sanitaire of fytosanitaire maatregelen beschikbaar zijn om het door de Partij van invoer vastgestelde adequate beschermingsniveau te verwezenlijken, zetten de Partijen op verzoek van de Partij van uitvoer een technische dialoog op om onnodige verstoring van het handelsverkeer te vermijden en de best uitvoerbare oplossing te selecteren.


ARTIKEL 6.11

Controles

1.    Om te bepalen of de Partij van uitvoer in staat is de vereiste garanties te bieden en de sanitaire en fytosanitaire maatregelen van de Partij van invoer na te leven, is de Partij van invoer gerechtigd om, met inachtneming van dit artikel, de bevoegde autoriteiten en de bijbehorende of aangewezen inspectiesystemen van de Partij van uitvoer aan een controle te onderwerpen.

2.    De Partij van invoer kan vaststellen dat er een controle moet worden uitgevoerd in het kader van de beoordeling van de officiële inspectie- en certificeringssystemen van de Partij van uitvoer. Bij die controle wordt een systeemgerichte aanpak gevolgd waarbij een steekproef van procedures, documenten of registers van het systeem wordt beoordeeld en, indien nodig, binnen het toepassingsgebied van de controle vallende inrichtingen aan een inspectie ter plaatse worden onderworpen.

3.    De controles zijn in de eerste plaats bedoeld om te beoordelen hoe doeltreffend de officiële inspectie- en certificeringssystemen zijn en in hoeverre de Partij van uitvoer in staat is om te voldoen aan de sanitaire en fytosanitaire invoervereisten en de daarmee verband houdende controlemaatregelen, en niet zozeer om specifieke inrichtingen of voorzieningen te beoordelen, teneinde vast te stellen of de bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer in staat zijn controle uit te oefenen en uit te blijven oefenen en het land van invoer de vereiste garanties te bieden.


4.    Bij de verrichting van een controle houdt de Partij van invoer rekening met de desbetreffende richtsnoeren van de SPS-Commissie van de WTO en handelt zij in overeenstemming met de toepasselijke internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen.

5.    De Partij van invoer bepaalt de aard en de frequentie van de controles, rekening houdend met de inherente risico’s van het product, de resultaten van eerdere invoercontroles en andere beschikbare informatie, zoals door de bevoegde autoriteit van de Partij van uitvoer verrichte controles en inspecties.

6.    Elke Partij spant zich in om de controles qua frequentie en aantal te verminderen. Indien de Partij van invoer het nodig acht een controle uit te voeren in het kader van de beoordeling van de officiële inspectie- en certificeringssystemen van de Partij van uitvoer en van het vermogen van die Partij om de sanitaire en fytosanitaire invoervereisten en de daarmee verband houdende controlemaatregelen na te leven, geldt het volgende:

a)    voor het eerste uitvoerverzoek voor een specifiek product controleert de Partij van invoer een representatieve steekproef van de andere Partij; en

b)    voor alle latere uitvoerverzoeken voor hetzelfde product verricht de Partij van invoer, teneinde de duur van de goedkeuringsprocedure te verkorten, alleen in naar behoren gemotiveerde omstandigheden een controle bij de Partij van uitvoer. Indien de Partij van invoer een controle uitvoert, geeft zij de Partij van uitvoer een toelichting.


7.    Voorafgaand aan de controle bespreken de bevoegde autoriteiten van de Partij van invoer en van de Partij van uitvoer de volgende punten, die zij in een controleplan vastleggen:

a)     de beweegredenen voor en de doelstellingen en het toepassingsgebied van de controle;

b)    de criteria of eisen waaraan de Partij van uitvoer zal worden getoetst; en

c)    de stappen en procedures voor de uitvoering van de controle.

Tenzij de Partijen anders overeenkomen, verstrekt de Partij van invoer de Partij van uitvoer ten minste dertig dagen voorafgaand aan de controle een controleplan.

8.    De Partij van invoer stelt de Partij van uitvoer schriftelijk op de hoogte van de resultaten van de controle door middel van een controleverslag waarin de bevindingen, conclusies en aanbevelingen zijn opgenomen.

9.    De Partij van invoer dient gewoonlijk binnen dertig dagen na de voltooiing van de controle een ontwerpcontroleverslag in bij de Partij van uitvoer.

10.    De Partij van invoer stelt de Partij van uitvoer in de gelegenheid opmerkingen over de bevindingen van de controle te maken. De Partij van invoer kan deze opmerkingen in aanmerking nemen alvorens conclusies te trekken en eventuele maatregelen te treffen. De Partij van invoer verstrekt de Partij van uitvoer normaliter binnen twee maanden na de datum van ontvangst van die opmerkingen een schriftelijk eindverslag.


11.    De Partij van uitvoer stelt de Partij van invoer in kennis van eventuele corrigerende maatregelen die naar aanleiding van de bevindingen en conclusies van de Partij van invoer zijn genomen.

12.    Elke Partij zorgt ervoor dat er procedures zijn om te voorkomen dat vertrouwelijke informatie die bij een controle van de bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer is verkregen, openbaar wordt gemaakt, met inbegrip van procedures om vertrouwelijke informatie uit een definitief controleverslag te schrappen voordat dat verslag openbaar wordt gemaakt.

13.    De naar aanleiding van de controles genomen maatregelen moeten in verhouding staan tot de geconstateerde risico’s en mogen de handel niet meer beperken dan nodig is om het door de Partij van invoer vastgestelde adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming te verwezenlijken. Op verzoek wordt over de situatie overleg gepleegd overeenkomstig artikel 6.19. De Partijen nemen de bij dat overleg verstrekte informatie in overweging.

14.    Elke Partij draagt haar eigen kosten in verband met de controle.

ARTIKEL 6.12

Invoercontroles

1.    Elke Partij zorgt ervoor dat haar invoercontroles risicogebaseerd zijn, onverwijld worden verricht en op evenredige en niet-discriminerende wijze worden toegepast.


2.    Elke Partij zorgt ervoor dat de producten die naar de andere Partij worden uitgevoerd, voldoen aan de sanitaire en fytosanitaire voorschriften van de Partij van invoer.

3.    Elke Partij licht de andere Partij op verzoek in over haar invoerprocedures, met inbegrip van de frequentie van de invoercontroles met betrekking tot sanitaire en fytosanitaire maatregelen en de factoren die zij beschouwt als bepalend voor de aan invoer verbonden risico’s.

4.    Indien bij een invoercontrole blijkt dat een product niet aan de betrokken invoervereisten voldoet, moet de Partij van invoer:

a)    haar maatregelen baseren op een beoordeling van het betrokken risico en ervoor zorgen dat de maatregel de handel niet meer beperkt dan nodig is om haar adequate niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming te verwezenlijken;

b)    de importeur of diens vertegenwoordiger op de hoogte stellen van de redenen voor de niet-naleving, de rechtsgrondslag voor de maatregel en, in voorkomend geval, de plaats waar de zending is verwijderd; en

c)    de importeur of diens vertegenwoordiger in de gelegenheid stellen aanvullende informatie te verstrekken om die Partij te helpen bij het nemen van een besluit.


5.    Indien een Partij de invoer van een goed van de andere Partij verbiedt of beperkt op basis van een invoercontrole met een negatieve uitkomst, licht de Partij van invoer, overeenkomstig haar recht, de bevoegde autoriteit van de Partij van uitvoer of de voor de zending verantwoordelijke marktdeelnemer, op diens verzoek, langs de gebruikelijke kanalen schriftelijk in over de reden voor het verbod of de beperking, de rechtsgrond of de goedkeuring voor de maatregel en, in voorkomend geval, over de plaats van verwijdering van die zending 22 .

6.    Indien de geweigerde zending vergezeld gaat van een sanitair of fytosanitair certificaat, stelt de Partij van invoer de bevoegde autoriteit van de Partij van uitvoer daarvan in kennis en verstrekt zij alle passende informatie, met inbegrip van de rechtsgrond voor de actie en gedetailleerde laboratoriumresultaten en -methoden. De Partij van invoer houdt fysieke en elektronische documentatie bij over de identificatie, de verzameling, de bemonstering, het vervoer en de opslag van het proefmonster en de op het proefmonster toegepaste analysemethoden. De Partij van invoer informeert de importeur of haar vertegenwoordiger ook over de verwijdering van die zending. Wanneer plaagorganismen worden onderschept, wordt in de kennisgeving, voor zover mogelijk, op soortniveau vermeld welke plaagorganismen het betreft.

7.    Indien de Partij van invoer een aanmerkelijke, aanhoudende of terugkerende niet-naleving van een sanitaire of fytosanitaire maatregel constateert, stelt de Partij van invoer de Partij van uitvoer in kennis van de niet-naleving.


8.    Niettegenstaande lid 6 verstrekt de Partij van invoer de Partij van uitvoer op verzoek de beschikbare informatie over goederen van de Partij van uitvoer die niet in overeenstemming met een sanitaire of fytosanitaire maatregel van de Partij van invoer zijn bevonden.

9.    De vergoedingen die worden aangerekend voor een procedure om de naleving van sanitaire of fytosanitaire maatregelen te controleren en te garanderen, mogen niet hoger zijn dan de werkelijke kosten van de dienst.

ARTIKEL 6.13

Certificering

1.    Indien een Partij voor de invoer van een goed een sanitair of fytosanitair certificaat verlangt, moet dat certificaat gebaseerd zijn op de internationale normen van de Codex, het IPPC en de WOAH.

2.    Elke Partij ziet erop toe dat haar certificaten, met inbegrip van eventuele attesten, zodanig worden opgesteld dat het handelsverkeer tussen de Partijen niet onnodig wordt belast.

3.    De Partij van invoer verstrekt de andere Partij op verzoek onverwijld informatie over de voor een specifiek product vereiste certificaten.

4.    De Partijen versterken hun samenwerking bij de ontwikkeling van modelcertificaten teneinde de administratieve lasten te verminderen en de toegang tot hun respectieve markten te vergemakkelijken.


5.    De Partijen bevorderen de toepassing van elektronische certificering en andere technologieën om de onderlinge handel te bevorderen.

6.    Elke Partij staat de uitwisseling van originele certificaten toe middels een op papier gebaseerd systeem of een beveiligde methode van elektronische gegevensoverdracht die een gelijkwaardige certificering garandeert. De Partij van uitvoer kan de officiële certificering langs elektronische weg verstrekken indien de Partij van invoer heeft bepaald dat gelijkwaardige veiligheidsgaranties worden verstrekt, met inbegrip van het gebruik van een digitale handtekening en de garantie van de echtheid van het document.

ARTIKEL 6.14

Toepassing van SPS-maatregelen

1.    Onverminderd artikel 6.8 past elke Partij haar sanitaire of fytosanitaire maatregelen toe op het grondgebied van de andere Partij.

2.    Om willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie te voorkomen, gelden dezelfde invoervereisten op het grondgebied van de Partij van uitvoer wanneer gelijke of gelijkaardige sanitaire of fytosanitaire omstandigheden bestaan.


3.    Voor het eerste uitvoerverzoek voor een specifiek product, ingediend door de andere Partij of, in voorkomend geval, door een lidstaat of een groep lidstaten van de Europese Unie, zet de Partij van invoer de goedkeuringsprocedure onverwijld in gang. De goedkeuringsprocedure volgt de procedure van artikel 6.10 en mag, in geval van een aanvraag van een groep lidstaten waar gelijke of gelijkaardige sanitaire of fytosanitaire omstandigheden bestaan, niet langer duren dan de procedure voor een aanvraag van één lidstaat.

4.    De Partij van invoer keurt een volgend uitvoerverzoek met betrekking tot hetzelfde product uiterlijk zes maanden na ontvangst van het verzoek goed, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen. Verzoeken om inlichtingen blijven beperkt tot wat noodzakelijk is en daarbij wordt rekening gehouden met informatie waarover de Partij van invoer reeds beschikt, zoals informatie over het wetgevingskader en eerdere controleverslagen.

ARTIKEL 6.15

Afschaffing van overbodige controlemaatregelen

1.    De Partijen erkennen dat de Partij van uitvoer erop moet toezien dat voor uitvoer in aanmerking komende inrichtingen, voorzieningen en producten voldoen aan de toepasselijke sanitaire vereisten van de Partij van invoer.


2.    Indien de Partij van invoer een lijst bijhoudt van erkende inrichtingen of voorzieningen voor de invoer van een bepaald goed, erkent zij naar aanleiding van een verzoek van de Partij van uitvoer dat van de nodige garanties vergezeld gaat, een inrichting of voorziening op het grondgebied van de Partij van uitvoer zonder voorafgaande inspectie, mits de volgende voorwaarden en procedures in acht worden genomen:

a)    de Partij van invoer heeft de invoer van het goed toegestaan op basis van een evaluatie van het door de bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer toegepaste controlesysteem inzake diergezondheid en voedselveiligheid;

b)    de desbetreffende inrichting of voorziening is erkend door de bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer;

c)    de bevoegde autoriteit van de Partij van uitvoer is bevoegd de erkenning van een inrichting of voorziening op te schorten of in te trekken; en

d)    de Partij van uitvoer heeft de relevante informatie verstrekt waarom de Partij van invoer heeft verzocht.

3.    De Partij van invoer neemt de inrichtingen of voorzieningen normaliter binnen 45 dagen na ontvangst van het verzoek van de Partij van uitvoer op in de lijst van erkende inrichtingen of voorzieningen. De lijst wordt openbaar gemaakt.


4.    De Partij van invoer heeft het recht het controlesysteem van de Partij van uitvoer na de goedkeuring van de uitvoer aan een controle te onderwerpen. Die controles kunnen een inspectie ter plaatse omvatten van een representatief aantal inrichtingen of voorzieningen die zijn opgenomen in de lijst van erkende inrichtingen of voorzieningen, of van de inrichtingen of voorzieningen waarvoor de Partij van uitvoer om erkenning verzoekt. Indien de Partij van invoer bij de controle herhaaldelijke ernstige gevallen van niet-naleving vaststelt, kan zij de erkenning van het controlesysteem van de bevoegde autoriteit van de Partij van uitvoer opschorten.

5.    In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Partij van invoer inrichtingen of voorzieningen die geacht worden niet aan haar eisen te voldoen, weigeren te erkennen. In dat geval stelt de Partij van invoer de Partij van uitvoer met vermelding van redenen in kennis van de weigering om inrichtingen of voorzieningen te erkennen.

6.    De Partij van invoer mag in het kader van de goedkeuringsprocedure controles verrichten overeenkomstig artikel 6.11. Die controles blijven beperkt tot de structuur, de organisatie en de taken van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de erkenning van de inrichting of voorziening en voor de garantie dat aan de sanitaire vereisten van de Partij van invoer wordt voldaan. Die controles kunnen een inspectie ter plaatse omvatten van een representatief aantal inrichtingen of voorzieningen op de lijst van erkende inrichtingen of voorzieningen, of van de inrichtingen of voorzieningen waarvoor de Partij van uitvoer om erkenning verzoekt.

7.    De Partij van invoer kan de lijst van inrichtingen of voorzieningen op basis van de uitkomsten van die controles wijzigen.

8.    Dit artikel is niet van toepassing op maatregelen met betrekking tot planten en plantaardige producten.


ARTIKEL 6.16

Noodmaatregelen

1.    De Partij van invoer kan om ernstige redenen de voorlopige noodmaatregelen vaststellen die nodig zijn om het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten te beschermen.

2.    Een Partij die een noodmaatregel neemt, stelt de andere Partij daarvan onverwijld schriftelijk in kennis. De Partij die een noodmaatregel heeft genomen, houdt rekening met alle door de andere Partij verstrekte informatie.

3.    Na de vaststelling van een noodmaatregel evalueert de Partij de redenen die eraan ten grondslag liggen gewoonlijk binnen zes maanden, mits de relevante informatie beschikbaar is, en stelt zij de andere Partij op verzoek in kennis van de resultaten van de evaluatie. Een Partij handhaaft de noodmaatregel niet, tenzij het dringende probleem of de dreiging blijft bestaan. Indien de Partij de noodmaatregel handhaaft, moet de maatregel periodiek worden geëvalueerd.

4.    Een Partij die een noodmaatregel vaststelt, past, om onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen, de meest geschikte en evenredige oplossing toe voor zendingen die tussen de Partijen worden vervoerd, rekening houdend met het geconstateerde risico.


ARTIKEL 6.17

Samenwerking

1.    De Partijen onderzoeken overeenkomstig dit hoofdstuk de mogelijkheden voor verdere onderlinge samenwerking en informatie-uitwisseling wat betreft sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden van wederzijds belang. Die mogelijkheden kunnen handelsbevorderende initiatieven omvatten.

2.    De Partijen werken samen om de uitvoering van dit hoofdstuk te vergemakkelijken en kunnen gezamenlijk initiatieven op sanitair en fytosanitair gebied vaststellen om onnodige belemmeringen van het handelsverkeer tussen de Partijen weg te nemen.

3.    De Partijen kunnen de samenwerking in alle multilaterale fora bevorderen, in het bijzonder met de relevante internationale normalisatie-instellingen.

ARTIKEL 6.18

Uitwisseling van informatie

Onverminderd de andere bepalingen van dit hoofdstuk kan een Partij de andere Partij om informatie verzoeken over aangelegenheden die onder dit hoofdstuk vallen. De aangezochte Partij spant zich, met inachtneming van haar eigen vertrouwelijkheids- en privacyvoorschriften, in om de beschikbare informatie binnen een redelijke termijn en zo mogelijk langs elektronische weg aan de verzoekende Partij te verstrekken.


ARTIKEL 6.19

Overleg

1.    Elke Partij kan verzoeken om overleg over specifieke handelsproblemen in verband met sanitaire en fytosanitaire maatregelen.

2.    De Partijen houden dat overleg binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek, tenzij de Partijen anders overeenkomen.

3.    De Partijen spannen zich in om alle relevante informatie te verstrekken die nodig is om gezamenlijk tot een oplossing te komen waarbij onnodige verstoring van het handelsverkeer wordt vermeden.

ARTIKEL 6.20

Contactpunten

1.    Elke Partij wijst een contactpunt voor de uitvoering van dit hoofdstuk aan en stelt de andere Partij in kennis van de contactgegevens, met vermelding van de verantwoordelijke ambtenaar.

2.    De Partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen van die contactgegevens.


ARTIKEL 6.21

Subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen

1.    Het bij artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst), lid 1, punt e), ingestelde Subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen heeft tot taak:

a)    een forum te bieden om de Partijen een beter inzicht te verschaffen in sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden die verband houden met de uitvoering van dit hoofdstuk, met inbegrip van de regelgevingsprocedures in verband met SPS-maatregelen;

b)    toe te zien op de uitvoering van dit hoofdstuk en alle kwesties die op dit hoofdstuk betrekking hebben, in overweging te nemen, waaronder alle vragen die naar aanleiding van de uitvoering ervan rijzen;

c)    een forum te bieden voor discussie over problemen die zich voordoen door de toepassing van sanitaire of fytosanitaire maatregelen, teneinde wederzijds aanvaardbare oplossingen te vinden en onverwijld een onderzoek in te stellen naar alle aangelegenheden waardoor de handel tussen de Partijen onnodig kan worden belemmerd;

d)    informatie, deskundigheid en ervaringen op sanitair en fytosanitair gebied uit te wisselen.

2.    Het Subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen kan:

a)    gebieden voor samenwerking met betrekking tot sanitaire en fytosanitaire maatregelen aanwijzen, waaronder eventueel technische bijstand;


b)    de samenwerking bevorderen met betrekking tot de sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden die worden besproken in multilaterale fora, waaronder de SPS-Commissie van de WTO en internationale normalisatie-instellingen; en

c)    werkgroepen oprichten bestaande uit vertegenwoordigers van de Partijen op deskundigenniveau om specifieke sanitaire of fytosanitaire aangelegenheden te behandelen; deze werkgroepen kunnen op nader te bepalen wijze andere deskundigen, waaronder van niet-gouvernementele organisaties, uitnodigen om deel te nemen.


HOOFDSTUK 7

SAMENWERKING INZAKE DIERENWELZIJN EN RESISTENTIE TEGEN ANTIMICROBIËLE STOFFEN

ARTIKEL 7.1

Doelstellingen

Dit hoofdstuk heeft tot doel een kader te bieden voor dialoog en samenwerking teneinde de bescherming en het welzijn van dieren te verbeteren en tot een gemeenschappelijk begrip van de dierenwelzijnsnormen te komen en de ontwikkeling van resistentie tegen antimicrobiële stoffen sterker te bestrijden.

ARTIKEL 7.2

Dierenwelzijn

1.    De Partijen erkennen dat dieren wezens met gevoel zijn.


2.    De Partijen erkennen de waarde van de dierenwelzijnsnormen van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH) en streven ernaar de uitvoering ervan te verbeteren, waarbij zij het recht behouden om het niveau van hun wetenschappelijk onderbouwde maatregelen te bepalen op basis van de dierenwelzijnsnormen van de WOAH.

3.    De Partijen spannen zich in om in internationale fora samen te werken teneinde de verdere ontwikkeling van de goede praktijken op dierenwelzijnsgebied en de uitvoering daarvan te bevorderen. De Partijen erkennen de waarde van meer samenwerking inzake onderzoek op dierenwelzijnsgebied.

ARTIKEL 7.3

Resistentie tegen antimicrobiële stoffen

1.    De Partijen erkennen dat resistentie tegen antimicrobiële stoffen een ernstige bedreiging voor de gezondheid van mens en dier vormt. Verkeerd gebruik van antimicrobiële stoffen bij de dierlijke productie, waaronder niet-therapeutisch gebruik, kan bijdragen tot resistentie tegen antimicrobiële stoffen die een risico kan vormen voor de gezondheid van mens en dier. De Partijen erkennen dat de aard van de bedreiging een transnationale en een “één gezondheid”-benadering 23 vereist.

2.    De Partijen werken samen om het gebruik van antimicrobiële stoffen bij de dierlijke productie te verminderen en het gebruik ervan als groeibevorderaar te verbieden teneinde de resistentie tegen antimicrobiële stoffen te bestrijden overeenkomstig de “één gezondheid”-benadering.


3.    De Partijen werken samen op het gebied van, en volgen, bestaande en toekomstige richtsnoeren, normen, aanbevelingen en acties die zijn ontwikkeld in relevante internationale organisaties, initiatieven en nationale plannen ter bevordering van een verstandig en verantwoord gebruik van antimicrobiële stoffen in de veehouderij- en dierenartspraktijken.

4.    De Partijen bevorderen de samenwerking in alle multilaterale fora, met name in de internationale normalisatie-instellingen.

ARTIKEL 7.4

Werkgroep inzake dierenwelzijn en resistentie tegen antimicrobiële stoffen

1.    De Partijen spannen zich in om informatie, deskundigheid en ervaringen op het gebied van dierenwelzijn en de bestrijding van resistentie tegen antimicrobiële stoffen uit te wisselen met het oog op de uitvoering van de artikelen 7.2 en 7.3.

2.    Daartoe richten de Partijen een werkgroep inzake dierenwelzijn en resistentie tegen antimicrobiële stoffen op, die in voorkomend geval informatie uitwisselt met het Subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen. De vertegenwoordigers van de Partijen in de werkgroep kunnen gezamenlijk beslissen deskundigen uit te nodigen voor specifieke activiteiten.


ARTIKEL 7.5

Niet-toepassing van geschillenbeslechting

Een Partij kan geen beroep doen op de geschillenbeslechting van in hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting) wat betreft de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk.


HOOFDSTUK 8

ERKENNING VAN HET RECHT VAN DE PARTIJEN OM REGELGEVING VOOR DE ENERGIESECTOR VAST TE STELLEN

ARTIKEL 8.1

Erkenning van het recht van de Partijen om regelgeving voor de energiesector vast te stellen

1.    De Partijen bevestigen dat zij hun respectieve soevereiniteit ten volle eerbiedigen, met inbegrip van de eigendom en het beheer van alle koolwaterstoffen in de ondergrond van hun respectieve grondgebied door de staat of de betrokken overheidsinstanties en hun respectieve soevereine recht om overeenkomstig hun respectieve wetgeving, met volledige inachtneming van hun democratische processen, regelgeving vast te stellen met betrekking tot aangelegenheden die in dit hoofdstuk aan bod komen.

2.    In het geval van Mexico erkent de Europese Unie, onverminderd haar rechten en verhaalsmogelijkheden uit hoofde van deze overeenkomst 24 , dat:

a)    Mexico zich het soevereine recht voorbehoudt om zijn grondwet (Constitución Política de los Estados Unidos Mexicanos) en zijn nationale wetgeving inzake de energiesector, met inbegrip van koolwaterstoffen en elektriciteit, te wijzigen;


b)    Mexico overeenkomstig zijn grondwet alle koolwaterstoffen in de ondergrond van het nationale grondgebied, waaronder het continentale plat en de exclusieve economische zone buiten de territoriale wateren en aangrenzend daaraan, in strata of afzettingen, ongeacht de fysieke omstandigheden ervan, in directe, onvervreemdbare en onaantastbare eigendom heeft, en

c)    Mexico zich het soevereine recht voorbehoudt om maatregelen vast te stellen of te handhaven met betrekking tot de energiesector, met inbegrip van koolwaterstoffen en elektriciteit.


HOOFDSTUK 9

TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN

ARTIKEL 9.1

Doelstelling

Dit hoofdstuk heeft tot doel de handel in goederen tussen de Partijen te bevorderen door onnodige technische handelsbelemmeringen te voorkomen, op te sporen en weg te nemen, de transparantie te verbeteren en verdere samenwerking op regelgevingsgebied te bevorderen.

ARTIKEL 9.2

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op de opstelling, vaststelling en toepassing van in bijlage 1 bij de TBT-overeenkomst omschreven normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures die de handel in goederen tussen de Partijen kunnen beïnvloeden.


2.    Niettegenstaande het bepaalde in lid 1 is dit hoofdstuk niet van toepassing op:

a)    technische specificaties die door aanbestedende diensten zijn opgesteld om in hun eigen productie- of verbruiksbehoeften te voorzien; of

b)    sanitaire en fytosanitaire maatregelen die vallen onder hoofdstuk 6 (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen).

3.    Alle verwijzingen in dit hoofdstuk naar normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures omvatten tevens wijzigingen daarvan en aanvullingen op de desbetreffende voorschriften of op de producten waarop zij van toepassing zijn, met uitzondering van wijzigingen of aanvullingen van gering belang.

ARTIKEL 9.3

Verband met de TBT-overeenkomst

De artikelen 2 tot en met 9 en de bijlagen 1 en 3 bij de TBT-overeenkomst worden mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken hiervan integrerend deel uit.


ARTIKEL 9.4

Internationale normen

1.    De Partijen erkennen de belangrijke rol die internationale normen, leidraden en aanbevelingen kunnen spelen bij de ondersteuning van een betere afstemming van de regelgeving, goede regelgevingspraktijken en de vermindering van onnodige technische handelsbelemmeringen. Daartoe gebruiken de Partijen toepasselijke internationale normen als basis voor hun technische voorschriften, tenzij de Partij die het technisch voorschrift ontwikkelt kan aantonen dat die internationale normen ondoelmatig of ongeschikt zijn voor de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelstellingen.

2.    Naast de in de artikelen 2 en 5 van en bijlage 3 bij de TBT-overeenkomst omschreven verplichtingen, houdt elke Partij onder meer rekening met de besluiten en aanbevelingen van de WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen sinds 1 januari 1995 25 .

3.    Door internationale organisaties ontwikkelde normen, waaronder die in bijlage 9-A (Door internationale organisaties ontwikkelde normen), worden beschouwd als toepasselijke internationale normen, mits die organisaties ze hebben ontwikkeld met inachtneming van de beginselen en procedures die zijn uiteengezet in het Besluit van de WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen inzake de beginselen voor de ontwikkeling van internationale normen, leidraden en aanbevelingen 26 .


4.    Op verzoek van een Partij kan het Gemengd Comité de lijst in bijlage 9-A (Door internationale organisaties ontwikkelde normen) bij besluit bijwerken.

5.    Teneinde normen op een zo breed mogelijke grondslag te harmoniseren, moedigt elke Partij de normalisatie-instellingen op haar grondgebied, alsmede de regionale normalisatie-instellingen waarvan de Partij of de normalisatie-instellingen op haar grondgebied lid zijn, ertoe aan:

a)    binnen hun mogelijkheden mee te werken aan de opstelling van internationale normen door de bevoegde internationale normalisatie-instellingen;

b)    de toepasselijke internationale normen te gebruiken als grondslag voor de normen die zij formuleren, behalve wanneer dergelijke internationale normen ondoeltreffend of ongeschikt zouden zijn, bijvoorbeeld omdat zij onvoldoende bescherming bieden of wegens fundamentele klimatologische of geografische omstandigheden of fundamentele technologische problemen;

c)    doublures of overlappingen met de werkzaamheden van de internationale normalisatie-instellingen te voorkomen;

d)    niet op de toepasselijke internationale normen gebaseerde nationale en regionale normen regelmatig te evalueren, teneinde de convergentie ervan met de toepasselijke internationale normen te verbeteren;


e)    bij internationale normalisatieactiviteiten samen te werken met de betrokken normalisatie-instellingen van de andere Partij om ervoor te zorgen dat de internationale normen, leidraden en aanbevelingen die waarschijnlijk ten grondslag zullen liggen aan technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, geen onnodige belemmeringen voor de internationale handel opwerpen. Die samenwerking kan plaatsvinden binnen internationale normalisatie-instellingen of op regionaal niveau;

f)    bilaterale samenwerking te bevorderen met de normalisatie-instellingen op het grondgebied van de andere Partij, alsook met de regionale normalisatie-instellingen waarvan de andere Partij of de normalisatie-instellingen op haar grondgebied lid zijn;

g)    hun werkprogramma’s met een lijst van de normen die zij momenteel voorbereiden en de normen die zij reeds hebben vastgesteld, openbaar te maken op een website.

6.    Artikel 9.6 van dit hoofdstuk en artikel 2 of 5 van de TBT-overeenkomst zijn van toepassing op een ontwerp van technisch voorschrift of een ontwerp van conformiteitsbeoordelingsprocedure dat een norm verplicht stelt door opneming van of verwijzing naar de norm.


ARTIKEL 9.5

Conformiteitsbeoordelingsprocedures

1.    De Partijen erkennen dat er verschillende mechanismen bestaan om ervoor te zorgen dat de resultaten van conformiteitsbeoordelingen gemakkelijker worden aanvaard, waaronder:

a)    vrijwillige regelingen tussen de conformiteitsbeoordelingsinstanties op het grondgebied van de Partijen;

b)    overeenkomsten betreffende wederzijdse aanvaarding van de resultaten van conformiteitsbeoordelingen die specifieke technische voorschriften betreffen en zijn verricht door op het grondgebied van de andere Partij gevestigde instanties;

c)    gebruik van accreditatieprocedures voor de kwalificatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties;

d)    aanwijzing of, indien van toepassing, goedkeuring van conformiteitsbeoordelingsinstanties door de overheid;

e)    erkenning door een Partij van de resultaten van conformiteitsbeoordelingsinstanties op het grondgebied van de andere Partij; en

f)    aanvaarding van de conformiteitsverklaring van de leverancier door de Partij van invoer.


2.    Met inachtneming van de verschillen in de conformiteitsbeoordelingprocedures op hun respectieve grondgebied:

a)    past de Europese Unie, overeenkomstig haar wet- en regelgeving, de regeling van de conformiteitsverklaring van de leverancier toe; en

b)    aanvaardt Mexico, overeenkomstig zijn wet- en regelgeving, als garantie dat een product voldoet aan de technische voorschriften van Mexico, met inbegrip van de technische voorschriften die na de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden vastgesteld, en zonder aanvullende eisen, certificaten die zijn afgegeven door conformiteitsbeoordelingsinstanties op het grondgebied van de Europese Unie en die door een Mexicaanse accreditatie-instantie zijn geaccrediteerd en door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd.

In dit verband behandelt Mexico de conformiteitsbeoordelingsinstanties op het grondgebied van de Europese Unie niet minder gunstig dan conformiteitsbeoordelingsinstanties op zijn eigen grondgebied.

Niets in dit lid belet Mexico om de resultaten van afzonderlijke conformiteitsbeoordelingsprocedures te verifiëren, zolang Mexico niet eist dat een product op het grondgebied van Mexico wordt onderworpen aan conformiteitsbeoordelingsprocedures die een doublure vormen van de reeds op het grondgebied van de Europese Unie verrichte conformiteitsbeoordelingsprocedures, behalve op willekeurige of onregelmatige basis met het oog op toezicht, controles of naar aanleiding van informatie waaruit blijkt dat er sprake is van non-conformiteit.


3.    Niettegenstaande lid 2 kan een Partij eisen inzake verplichte beproeving of certificering van producten door derden stellen indien dwingende redenen in verband met de bescherming van de menselijke gezondheid en veiligheid de invoering van dergelijke eisen of certificering rechtvaardigen.

4.    Niets in dit artikel belet een Partij te eisen dat de conformiteitsbeoordeling voor specifieke producten door haar specifieke overheidsinstanties wordt uitgevoerd. In dergelijke gevallen doet de Partij het volgende:

a)    zij beperkt de vergoedingen voor conformiteitsbeoordeling tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten en licht, op verzoek van een aanvrager van een conformiteitsbeoordeling, toe hoe de aangerekende vergoedingen beperkt blijven tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten;

b)    zij maakt de vergoedingen voor conformiteitsbeoordeling openbaar; en

c)    zij licht het volgende toe, op verzoek van de andere Partij en in aanvulling op de verplichtingen van de artikelen 5.2.3, 5.2.4 en 5.2.8 van de TBT-overeenkomst:

i)    waarom de gevraagde informatie nodig is om de conformiteit te beoordelen en vergoedingen vast te stellen;

ii)    hoe de Partij ervoor zorgt dat de vertrouwelijkheid van de vereiste informatie zodanig wordt geëerbiedigd dat de legitieme commerciële belangen worden beschermd; en


iii)    de procedure voor de behandeling van klachten betreffende de werking van de conformiteitsbeoordelingsprocedure.

5.    Elke Partij maakt online en bij voorkeur op één website het volgende bekend:

a)    alle procedures, criteria en andere voorwaarden aan de hand waarvan zij kan bepalen of conformiteitsbeoordelingsinstanties in aanmerking kunnen komen voor accreditatie, goedkeuring, aanwijzing of een andere vorm van erkenning, in voorkomend geval, waaronder erkenning die krachtens een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning wordt verleend; en

b)    een lijst van de instanties die zij heeft goedgekeurd, aangewezen of anderszins erkend voor de verrichting van dergelijke conformiteitsbeoordelingen en relevante informatie over de reikwijdte van de goedkeuring, aanwijzing of andere erkenning van elke instantie.

6.    Een Partij kan bij de andere Partij een met redenen omkleed verzoek indienen om onderhandelingen te openen met het oog op de sluiting van een overeenkomst inzake de wederzijdse erkenning van de resultaten van conformiteitsbeoordelingsprocedures voor een bepaalde bedrijfstak. Indien de andere Partij het verzoek om te onderhandelen afwijst, licht zij de redenen voor haar besluit toe.

7.    Artikel 9.7 is van overeenkomstige toepassing op conformiteitsbeoordelingsprocedures.


8.    Een Partij die een conformiteitsbeoordelingsprocedure verlangt:

a)    selecteert conformiteitsbeoordelingsprocedures die evenredig zijn aan de betrokken risico’s, zoals bepaald op basis van een risicobeoordeling; en

b)    verstrekt de andere Partij op verzoek informatie over de criteria die worden gebruikt voor de conformiteitsbeoordelingsprocedures voor specifieke producten.

9.    Een Partij die verlangt dat een conformiteitsbeoordelingsprocedure wordt verricht door een derde en die deze taak niet heeft voorbehouden aan een specifieke overheidsinstantie als bedoeld in lid 4:

a)    maakt bij voorkeur gebruik van accreditatie voor de kwalificatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties;

b)    maakt optimaal gebruik van internationale normen voor accreditatie en conformiteitsbeoordeling, alsook van internationale overeenkomsten waarbij de accreditatie-instanties van de Partijen betrokken zijn, bijvoorbeeld via de mechanismen van de International Laboratory Accreditation Cooperation (ILAC) en het International Accreditation Forum (IAF);

c)    sluit zich aan bij of, naargelang het geval, moedigt haar conformiteitsbeoordelingsinstanties aan zich aan te sluiten bij alle geldende internationale overeenkomsten of regelingen voor harmonisatie of bevordering van de aanvaarding van conformiteitsbeoordelingsresultaten;


d)    zorgt ervoor dat, wanneer voor een bepaald product of een reeks producten meer dan één conformiteitsbeoordelingsinstantie is aangewezen, de marktdeelnemers kunnen kiezen welke van deze instanties de conformiteitsbeoordelingsprocedure uitvoert;

e)    zorgt ervoor dat er geen sprake is van belangenconflicten tussen de accreditatie-instanties en de conformiteitsbeoordelingsinstanties; en

f)    staat de conformiteitsbeoordelingsinstanties toe te vertrouwen op tests of inspecties die in verband met de conformiteitsbeoordeling zijn verricht door conformiteitsbeoordelingsinstanties op het grondgebied van de andere Partij. Niets in dit lid wordt zodanig uitgelegd dat een Partij wordt belet van die conformiteitsbeoordelingsinstanties op het grondgebied van de andere Partij te verlangen dat zij aan de eisen voldoen die aan haar eigen conformiteitsbeoordelingsorgaan worden gesteld.

ARTIKEL 9.6

Transparantie

1.    Overeenkomstig haar respectieve regels en procedures en onverminderd hoofdstuk 28 (Goede regelgevingspraktijken) moet elke Partij bij de ontwikkeling van technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures die aanzienlijke gevolgen voor het handelsverkeer kunnen hebben, behalve wanneer zich dringende problemen voordoen of dreigen voor te doen op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid:

a)    belanghebbenden van de andere Partij toestaan deel te nemen aan haar overlegprocedures die voor het publiek openstaan, onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan de voorwaarden die zij aan haar eigen belanghebbenden biedt; en


b)    de resultaten van het overleg openbaar maken op een officiële website.

2.    Elke Partij zoekt naar manieren om de ontwikkeling van technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures transparanter te maken, met inbegrip van het gebruik van elektronische hulpmiddelen en publieksvoorlichting of openbare raadplegingen.

3.    In voorkomend geval moedigt elke Partij niet-gouvernementele entiteiten, met inbegrip van normalisatie-instellingen, op haar grondgebied aan de leden 1 en 2 na te leven.

4.    Elke Partij zorgt ervoor dat elk document waarin een technisch voorschrift of een conformiteitsbeoordelingsprocedure wordt vastgesteld, voldoende gedetailleerd is zodat de belanghebbenden en de andere Partij naar behoren worden geïnformeerd over de vraag of en op welke wijze hun handelsbelangen erdoor kunnen worden beïnvloed.

5.    Elke Partij maakt online en bij voorkeur op één website of in een officieel publicatieblad alle voorstellen voor nieuwe of gewijzigde technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures van centrale en niet-centrale overheden bekend, alsook de definitieve versies daarvan, waarvan zij overeenkomstig de TBT-overeenkomst kennis moet geven of die zij overeenkomstig de TBT-overeenkomst moet bekendmaken 27 .

6.    Elke Partij zorgt ervoor dat de door haar vastgestelde technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures kosteloos op een website worden bekendgemaakt.


7.    Elke Partij maakt voorstellen voor nieuwe technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures bekend die overeenstemmen met de technische inhoud van eventuele toepasselijke internationale normen, leidraden of aanbevelingen en die aanzienlijke gevolgen voor het handelsverkeer kunnen hebben, behalve in de in artikel 2.10 en artikel 5.7 van de TBT-overeenkomst bedoelde gevallen.

8.    Elke Partij spant zich in om voorstellen voor nieuwe technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures van niet-centrale of lokale overheden, naargelang van het geval, bekend te maken die overeenstemmen met de technische inhoud van eventuele toepasselijke internationale normen, leidraden en aanbevelingen en die aanzienlijke gevolgen voor het handelsverkeer kunnen hebben, overeenkomstig de in artikel 2.9 of artikel 5.6 van de TBT-overeenkomst uiteengezette procedures.

9.    Bij de vaststelling of een voorgesteld technisch voorschrift of een voorgestelde conformiteitsbeoordelingsprocedure aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het handelsverkeer en dus moet worden aangemeld overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de TBT-overeenkomst die ingevolge artikel 9.3 in deze overeenkomst zijn opgenomen, houdt een Partij onder meer rekening met de desbetreffende besluiten en aanbevelingen die sinds 1 januari 1995 zijn aangenomen door de WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen als genoemd in artikel 9.4, lid 2.

10.    Elke Partij verstrekt de andere Partij desgevraagd nadere informatie over het doel van, de rechtsgrondslag en de grondgedachte voor een technisch voorschrift dat of een conformiteitsbeoordelingsprocedure die zij heeft vastgesteld of voornemens is vast te stellen.


11.    Elke Partij laat, nadat zij voorgestelde technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures aan het centrale register voor kennisgevingen van de WTO heeft doorgegeven, een periode van ten minste zestig dagen aan de andere Partij waarin deze schriftelijke opmerkingen kan indienen, tenzij er zich dringende problemen op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid voordoen of dreigen voor te doen. Een Partij neemt elk redelijk verzoek van de andere Partij om verlenging van de termijn voor het indienen van opmerkingen in overweging. Een Partij die in de gelegenheid is de termijn voor het indienen van opmerkingen te verlengen tot meer dan zestig dagen, bijvoorbeeld tot negentig dagen, wordt aangemoedigd dat te doen.

12.    Elke Partij spant zich in om tussen het verstrijken van de termijn voor het indienen van opmerkingen en de vaststelling van het aangemelde technische voorschrift of de aangemelde conformiteitsbeoordelingsprocedure voldoende tijd te laten om de ontvangen opmerkingen te bestuderen en een reactie erop te formuleren.

13.    Indien een Partij van de andere Partij schriftelijke opmerkingen over haar voorstel voor een technisch voorschrift of voor een conformiteitsbeoordelingsprocedure ontvangt, dan:

a)    bespreekt zij, op verzoek van de andere Partij, de schriftelijke opmerkingen met de medewerking van haar bevoegde regelgevende instantie, op een tijdstip waarop met die opmerkingen rekening kan worden gehouden; en

b)    antwoordt zij uiterlijk op de dag van de bekendmaking van het technisch voorschrift of de conformiteitsbeoordelingsprocedure schriftelijk op de opmerkingen.

14.    Elke Partij maakt haar antwoorden op de door haar ontvangen opmerkingen, zo mogelijk uiterlijk op de datum van de bekendmaking van het vastgestelde technische voorschrift of van de vastgestelde conformiteitsbeoordelingsprocedure, bekend op een website.


15.    Elke Partij geeft op het tijdstip van vaststelling of bekendmaking van de definitieve tekst van een technisch voorschrift of conformiteitsbeoordelingsprocedure, kennis van die tekst als addendum bij de oorspronkelijke kennisgeving van de voorgestelde maatregel die krachtens artikel 2.9, 3.2, 5.6 of 7.2 van de TBT-overeenkomst is gedaan.

16.    Uiterlijk op de datum van bekendmaking van een definitief technisch voorschrift of een definitieve conformiteitsbeoordelingsprocedure die aanzienlijke gevolgen voor het handelsverkeer kan hebben, maakt elke Partij het volgende online openbaar:

a)    een toelichting op de doelstellingen en op de wijze waarop die met het definitieve technische voorschrift of de definitieve conformiteitsbeoordelingsprocedure worden verwezenlijkt; en

b)    de resultaten van de in artikel 9.7 bedoelde effectbeoordeling, indien die overeenkomstig haar regels en procedures is verricht.

17.    Voor de toepassing van de artikelen 2.12 en 5.9 van de TBT-overeenkomst wordt onder “redelijke termijn” in de regel verstaan een periode van niet minder dan zes maanden, tenzij dat de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelstellingen in de weg zou staan.

18.    Elke Partij streeft ernaar een termijn van meer dan zes maanden aan te houden tussen de bekendmaking van definitieve technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures en de inwerkingtreding daarvan, tenzij dat de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelstellingen in de weg zou staan.


ARTIKEL 9.7

Technische voorschriften

1.    Elke Partij onderwerpt voorgenomen technische voorschriften overeenkomstig haar respectieve regels en procedures aan een effectbeoordeling op regelgevingsgebied.

2.    Elke Partij beoordeelt de beschikbare regelgevings- en niet-regelgevingsalternatieven voor het voorgestelde technisch voorschrift waarmee de legitieme doelstellingen van de Partij kunnen worden verwezenlijkt, overeenkomstig artikel 2.2 van de TBT-overeenkomst.

3.    Wanneer een Partij geen internationale normen als basis voor haar technische voorschriften heeft gebruikt, stelt zij op verzoek van de andere Partij elke substantiële afwijking van de toepasselijke internationale normen vast, licht zij toe waarom die normen ongeschikt of ondoeltreffend werden geacht voor het nagestreefde doel, en verstrekt zij het wetenschappelijke of technische bewijsmateriaal waarop deze beoordeling werd gebaseerd.

4.    In aanvulling op artikel 2.3 van de TBT-overeenkomst evalueert elke Partij de technische voorschriften teneinde de convergentie ervan met de toepasselijke internationale normen te verbeteren. Elke Partij houdt onder meer rekening met eventuele nieuwe ontwikkelingen bij de toepasselijke internationale normen en met de vraag of de omstandigheden op grond waarvan wordt afgeweken van een toepasselijke internationale norm, nog steeds bestaan.


ARTIKEL 9.8

Samenwerking op regelgevingsgebied

1.    De Partijen erkennen dat er een brede waaier van samenwerkingsmechanismen op regelgevingsgebied bestaat die kunnen helpen om technische handelsbelemmeringen weg te nemen of te voorkomen.

2.    Een Partij kan de andere Partij voorstellen doen voor sectorspecifieke samenwerkingsactiviteiten op regelgevingsgebied op gebieden die onder dit hoofdstuk vallen. Die voorstellen worden doorgezonden naar het krachtens artikel 9.11 aangewezen contactpunt en omvatten:

a)    de uitwisseling van informatie over regelgevingsbenaderingen en -praktijken;

b)    initiatieven om technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures verder af te stemmen op toepasselijke internationale normen; of

c)    technisch advies en technische bijstand onder onderling overeengekomen voorwaarden ter verbetering van de praktijken met betrekking tot de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures en metrologie.

De andere Partij neemt het voorstel in overweging en antwoordt binnen een redelijke termijn.


3.    De Partijen stimuleren de samenwerking tussen hun respectieve publieke dan wel particuliere organisaties die verantwoordelijk zijn voor normalisatie, conformiteitsbeoordeling, accreditering en metrologie wat betreft de onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden.

4.    Niets in dit artikel wordt zodanig uitgelegd dat een Partij verplicht is:

a)    af te wijken van haar interne procedures ter voorbereiding en vaststelling van regelgevingsmaatregelen;

b)    te handelen op een wijze die de tijdige vaststelling van regelgevingsmaatregelen ter verwezenlijking van haar doelstellingen van openbaar beleid zou ondermijnen of belemmeren; of

c)    een specifiek resultaat inzake regelgeving te bereiken.

ARTIKEL 9.9

Merktekens en etikettering

1.    Voor de toepassing van dit artikel en overeenkomstig lid 1 van bijlage 1 bij de TBT-overeenkomst kan een technisch voorschrift de op een product, procedé of productiemethode toegepaste markerings- en etiketteringsvoorschriften omvatten of uitsluitend daarop betrekking hebben.


2.    De Partijen bevestigen dat hun technische voorschriften die markerings- of etiketteringsvoorschriften omvatten of uitsluitend daarop betrekking hebben, in overeenstemming zijn met artikel 2 van de TBT-overeenkomst.

3.    Wanneer een Partij merktekens of etikettering van producten verplicht stelt:

a)    verlangt zij uitsluitend informatie die van belang is voor de consumenten of de gebruikers van het product of die aangeeft dat het product voldoet aan de verplichte technische vereisten;

b)    verlangt zij geen voorafgaande goedkeuring, registratie of certificering van de etiketten of merktekens van producten, noch de betaling van een vergoeding, als voorwaarde voor het in de handel brengen van producten die anderszins in overeenstemming zijn met haar verplichte technische vereisten, tenzij zulks noodzakelijk is met het oog op het risico van de producten voor het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten, het milieu of de nationale veiligheid;

c)    kent zij, indien zij verlangt dat marktdeelnemers een uniek identificatienummer gebruiken, dat nummer onverwijld en op niet-discriminerende grondslag toe aan de marktdeelnemers uit de andere Partij;

d)    staat zij het volgende toe, tenzij dit misleidend, tegenstrijdig of verwarrend is ten opzichte van de informatie die in de Partij van invoer van de goederen moet worden verstrekt:

i)    dat informatie wordt verstrekt in meer talen dan alleen de taal die in de Partij van invoer van de goederen is voorgeschreven;


ii)    dat internationaal aanvaarde nomenclaturen, pictogrammen, symbolen of afbeeldingen worden gebruikt; en

iii)    dat meer informatie wordt verstrekt dan die welke in de Partij van invoer van de goederen is voorgeschreven;

e)    aanvaardt zij dat de etikettering, met inbegrip van aanvullende etikettering en correcties van de etikettering, plaatsvindt na de invoer maar voordat het product in de handel wordt gebracht, als alternatief voor etikettering op de plaats van oorsprong, tenzij die etikettering om redenen van openbare gezondheid of veiligheid of wegens een vereiste in verband met een geografische aanduiding van de Partij van uitvoer moet plaatsvinden op de plaats van oorsprong; en

f)    spant zij zich in om niet-permanente of verwijderbare etiketten te aanvaarden, of te aanvaarden dat voor merktekens of etikettering relevante informatie wordt opgenomen in de begeleidende documenten in plaats van in fysiek op het product aangebrachte etiketten, tenzij die etikettering om redenen van openbare gezondheid of veiligheid vereist is.

ARTIKEL 9.10

Uitwisseling en bespreking van informatie

1.    Een Partij kan de andere Partij verzoeken informatie te verstrekken over elke onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheid. De andere Partij verstrekt die informatie binnen een redelijke termijn.


2.    Een Partij kan de andere Partij verzoeken om overleg over elk punt van zorg dat zich in het kader van dit hoofdstuk voordoet, met inbegrip van ontwerpen van of voorstellen voor technische voorschriften of conformiteitsbeoordelingsprocedures van de andere Partij, indien zij van oordeel is dat die voorschriften of procedures aanzienlijke nadelige gevolgen voor het handelsverkeer tussen de Partijen kunnen hebben. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend en vermeldt:

a)    het punt van zorg;

b)    de bepalingen van dit hoofdstuk waarop het punt van zorg betrekking heeft; en

c)    de redenen voor het verzoek, met inbegrip van een beschrijving van het punt van zorg van de verzoekende Partij.

3.    Voor alle duidelijkheid: een Partij kan de andere Partij ook verzoeken om overleg over elk punt van zorg dat zich in het kader van dit hoofdstuk voordoet ten aanzien van technische voorschriften of conformiteitsbeoordelingsprocedures van regionale of lokale overheden, naargelang van het geval, op het niveau direct onder dat van de centrale overheid, die aanzienlijke gevolgen voor het handelsverkeer kunnen hebben.

4.    De Partijen bespreken het punt van zorg binnen zestig dagen na de datum van het verzoek in persoon of per video- of teleconferentie en leveren inspanningen om het zo spoedig mogelijk te verhelpen. Indien een verzoekende Partij van mening is dat het punt van zorg dringend is, kan zij verzoeken dat het overleg binnen een kortere termijn plaatsvindt. De andere Partij neemt dat verzoek welwillend in overweging. De Partijen doen alles wat in hun vermogen ligt om de aangelegenheid op een voor beide Partijen bevredigende wijze op te lossen.


5.    Tenzij de Partijen anders overeenkomen laten het overleg en de daarin uitgewisselde informatie de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van deze overeenkomst, de WTO-overeenkomst of enige andere overeenkomst waarbij beide Partijen partij zijn, onverlet.

6.    Verzoeken om inlichtingen of om overleg worden ingediend bij het krachtens artikel 9.11 aangewezen respectieve contactpunt.

ARTIKEL 9.11

Contactpunten

1.    Elke Partij wijst een contactpunt aan om samenwerking en coördinatie in het kader van dit hoofdstuk te vergemakkelijken en deelt de andere Partij de contactgegevens daarvan mee. De Partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen van die contactgegevens.

2.    De contactpunten werken samen om de uitvoering van dit hoofdstuk en de samenwerking tussen de Partijen bij alle TBT-aangelegenheden te vergemakkelijken. De contactpunten hebben met name tot taak:

a)    de in artikel 9.10, lid 6, bedoelde uitwisseling van informatie en overleggen te organiseren;


b)    onverwijld een onderzoek in te stellen wanneer door de andere Partij een kwestie wordt voorgelegd in verband met het ontwikkelen, het vaststellen, de toepassing of de handhaving van normen, technische voorschriften of conformiteitsbeoordelingsprocedures;

c)    op verzoek van een Partij overleggen te organiseren over aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen;

d)    informatie uit te wisselen over ontwikkelingen in niet-gouvernementele, regionale en multilaterale fora in verband met normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures; en

e)    de vaststelling van mogelijke behoeften aan technische bijstand te vergemakkelijken.

ARTIKEL 9.12

Subcomité Technische handelsbelemmeringen

Het bij artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst) ingestelde Subcomité Technische handelsbelemmeringen heeft tot taak:

a)    toezicht te houden op de uitvoering en het beheer van dit hoofdstuk;

b)    de samenwerking bij de ontwikkeling en verbetering van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures te verbeteren;


c)    prioritaire gebieden van wederzijds belang vast te stellen met het oog op toekomstige werkzaamheden in het kader van dit hoofdstuk en voorstellen voor nieuwe initiatieven in overweging te nemen;

d)    de ontwikkelingen in het kader van de TBT-overeenkomst te monitoren en te bespreken; en

e)    alle overige stappen te nemen die de Partijen behulpzaam achten bij de uitvoering van dit hoofdstuk en de TBT-overeenkomst.


HOOFDSTUK 10

INVESTERINGEN

AFDELING A

Algemene bepalingen

ARTIKEL 10.1

Definities

1.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “onder de overeenkomst vallende investering”: een investering overeenkomstig het toepasselijke recht die een investeerder van een Partij rechtstreeks of indirect in eigendom heeft, of waarover hij rechtstreeks of indirect zeggenschap uitoefent, op het grondgebied van de andere Partij, en die op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bestaat of daarna wordt gedaan;

b)    “economische activiteit”: een activiteit van industriële, commerciële of professionele aard en een activiteit van ambachtslieden, met inbegrip van het verlenen van diensten, met uitzondering van activiteiten verricht in het kader van de uitoefening van overheidsgezag;


c)    “onderneming”: een onderneming zoals omschreven in artikel 1.3 (Algemeen toepasselijke definities), of een filiaal of een vertegenwoordigingskantoor daarvan 28 ;

d)    “onderneming van de Europese Unie” of “onderneming van Mexico”: een onderneming die overeenkomstig het recht van de Europese Unie of haar lidstaten of van Mexico is opgericht en die daadwerkelijke zakelijke transacties verricht 29 op het grondgebied van de Europese Unie respectievelijk Mexico 30 ;

buiten de Europese Unie of Mexico gevestigde scheepvaartondernemingen waarover onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie respectievelijk Mexico zeggenschap hebben, vallen ook onder de bepalingen van dit hoofdstuk, met uitzondering van de afdelingen C (Investeringsbescherming) en D (Beslechting van investeringsgeschillen), indien hun vaartuigen overeenkomstig het recht van een lidstaat van de Europese Unie of van Mexico, al naargelang het geval, zijn geregistreerd en zij de vlag van die lidstaat van de Europese Unie of van Mexico voeren;


e)    “vestiging”: het oprichten of opzetten, met inbegrip van de verwerving 31 , van een onderneming in de Europese Unie of in Mexico;

f)    “investeerder van een Partij”: een Partij of een natuurlijke persoon of een onderneming van een Partij, anders dan een filiaal of een vertegenwoordigingskantoor, die een investering op het grondgebied van de andere Partij wil verrichten, verricht of heeft verricht;

g)    “investeerder van een derde land”: een investeerder die een investering op het grondgebied van een Partij wil verrichten, verricht of heeft verricht en die geen investeerder van een Partij is;

h)    “exploitatie”: de uitbating, het beheer, het aanhouden, het gebruik, het genot en het verkopen of een andere vorm van beschikken over een investering;

i)    “rendement”: de bedragen verkregen uit een investering, met inbegrip van in het bijzonder, maar niet beperkt tot, winsten, rente, dividenden, kapitaalwinsten, royalty’s, betalingen in verband met intellectuele-eigendomsrechten, betalingen in natura, beheervergoedingen en andere uit die investering voortvloeiende vergoedingen 32 .


2.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder “investering” verstaan elk type activum dat rechtstreeks of indirect eigendom is van of rechtstreeks of indirect onder zeggenschap staat van een investeerder en dat verworven is in de verwachting van, of wordt gebruikt met het oog op, een economisch voordeel of andere zakelijke doeleinden en dat de kenmerken heeft van een investering, waaronder een zekere duur, de vastlegging van kapitaal of andere middelen, de verwachting van winst of voordelen of het aangaan van een risico. Investeringen kunnen onder meer de volgende vormen aannemen:

a)    een onderneming;

b)    aandelen en andere vormen van deelneming in het aandelenkapitaal van een onderneming;

c)    obligaties, niet-gegarandeerde schuldbekentenissen, leningen en andere schuldinstrumenten van een onderneming 33 ;

d)    rente in verband met:

i)    krachtens intern recht toegekende concessies, vergunningen, machtigingen, toestemmingen en soortgelijke rechten;


ii)    sleutelklaar-, bouw-, beheers-, productie-, concessie- of inkomstendelingscontracten, en andere soortgelijke contracten;

e)    intellectuele-eigendomsrechten;

f)    overige lichamelijke of onlichamelijke, roerende of onroerende zaken en aanverwante eigendomsrechten, zoals huur-, retentie- en pandrechten 34 ; of

g)    geldvorderingen die betrekking hebben op de in de punten a) tot en met f) genoemde soorten belangen, met uitzondering van geldvorderingen die uitsluitend voortvloeien uit:

i)    commerciële overeenkomsten voor de verkoop van goederen of diensten door een natuurlijke persoon of een onderneming op het grondgebied van een Partij aan een natuurlijke persoon of een onderneming op het grondgebied van de andere Partij; of


ii)    kredietverstrekking in verband met een commerciële transactie, zoals handelsfinanciering, met uitzondering van een lening als bedoeld in punt c).

Onder “investering” wordt niet verstaan een beschikking of uitspraak in het kader van een gerechtelijke of administratieve procedure.

Wijzigingen van de vorm waarin activa worden geïnvesteerd of geherinvesteerd, zijn niet van invloed op de status ervan als investering, mits de investering of herinvestering een vorm aanneemt die in overeenstemming blijft met de definitie van “investering”.

ARTIKEL 10.2

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen die worden genomen of gehandhaafd door 35 :

a)    de centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten van die Partij; en

b)    een persoon, met inbegrip van een staatsonderneming of een andere niet-gouvernementele instantie die door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden uitoefent.


2.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op maatregelen van een Partij voor zover die maatregelen onder hoofdstuk 18 (Financiële diensten) vallen.

ARTIKEL 10.3

Recht om regelgeving vast te stellen

De Partijen bevestigen hun recht op hun respectieve grondgebied regelgeving vast te stellen ter verwezenlijking van legitieme beleidsdoelstellingen, bijvoorbeeld inzake volksgezondheid, sociale diensten, openbaar onderwijs, veiligheid, milieu of openbare zeden, sociale of consumentenbescherming, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming, bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid, en mededinging.

ARTIKEL 10.4

Verhouding tot andere hoofdstukken

1.    In geval van strijdigheid tussen dit hoofdstuk en hoofdstuk 18 (Financiële diensten) heeft dat laatste hoofdstuk voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft.


2.    De door een Partij aan een dienstverlener uit de andere Partij gestelde voorwaarde dat hij enkel tegen borgstelling of door het stellen van een andere vorm van financiële zekerheid een grensoverschrijdende dienst kan verlenen, volstaat op zich niet om dit hoofdstuk toe te passen op de door de Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen met betrekking tot de verlening van de dienst. Dit hoofdstuk is van toepassing op door de Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen met betrekking tot de borgstelling of de financiële zekerheid voor zover die borgstelling of die financiële zekerheid een onder de overeenkomst vallende investering is.

AFDELING B

Liberalisering van investeringen

ARTIKEL 10.5

Toepassingsgebied

1.    Deze afdeling is van toepassing op door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen ter zake van de vestiging van een onderneming of de exploitatie van een investering van een investeerder uit de andere Partij op haar grondgebied.

2.    Deze afdeling is niet van toepassing op:

a)    activiteiten die op het grondgebied van de respectieve Partij worden uitgevoerd bij de uitoefening van overheidsgezag;


b)    overheidsopdrachten voor goederen of diensten aangekocht voor overheidsdoeleinden en niet met het oog op commerciële wederverkoop of gebruik bij de productie van een goed of de verlening van een dienst voor commerciële verkoop, ongeacht of die opdrachten onder deze overeenkomst vallende opdrachten zijn in de zin van artikel 21.1 (Definities);

c)    audiovisuele diensten;

d)    nationale cabotage in het zeevervoer 36 ;

e)    luchtdiensten of daarmee verband houdende diensten ter ondersteuning van luchtdiensten 37 , andere dan:

i)    reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;


ii)    verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;

iii)    geautomatiseerde boekingssystemen; en

iv)    grondafhandelingsdiensten.

3.    De artikelen 10.6 tot en met 10.8 zijn niet van toepassing op door een Partij verstrekte subsidies 38 of toelagen, met inbegrip van leningen, garanties en verzekeringen die door de overheid worden gesteund.

4.    De artikelen 10.6 tot en met 10.10 zijn niet van toepassing op nieuwe diensten zoals uiteengezet in bijlage VII (Memorandum van overeenstemming betreffende nieuwe diensten die niet zijn ingedeeld in de voorlopige centrale productenclassificatie van de Verenigde Naties van 1991).

5.    Onverminderd artikel 10.54 is dit hoofdstuk voor een Partij niet bindend wat betreft een handeling die of een feit dat heeft plaatsgevonden, of een situatie die heeft opgehouden te bestaan, vóór de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.


ARTIKEL 10.6

Markttoegang

In de sectoren of subsectoren waar verbintenissen betreffende markttoegang zijn aangegaan, mag een Partij met betrekking tot markttoegang door middel van vestiging of exploitatie door investeerders uit de andere Partij of door ondernemingen die onder deze overeenkomst vallende investeringen vormen, noch op basis van haar gehele grondgebied, noch op basis van een territoriale onderverdeling, een maatregel 39 vaststellen of handhaven die:

a)    het aantal ondernemingen die een specifieke economische activiteit mogen verrichten, beperkt, in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve rechten of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;

b)    de totale waarde van transacties of activa beperkt, in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;

c)    een beperking inhoudt van het totale aantal transacties of het totale volume van de output, uitgedrukt in bepaalde numerieke eenheden, in de vorm van een quotum of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;


d)    specifieke soorten juridische entiteiten of joint ventures via welke een investeerder van de andere Partij een economische activiteit kan uitoefenen, vereist of ten aanzien van die entiteiten of joint ventures beperkingen oplegt; of

e)    het totale aantal natuurlijke personen dat in een bepaalde sector mag zijn tewerkgesteld of dat een onderneming in dienst mag hebben, en dat nodig is voor en zich rechtstreeks bezighoudt met het uitvoeren van een economische activiteit, beperkt, in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.

ARTIKEL 10.7

Nationale behandeling

1.    Elke Partij behandelt investeerders van de andere Partij en hun ondernemingen die onder deze overeenkomst vallende investeringen vormen niet minder gunstig dan haar eigen investeerders en hun ondernemingen in vergelijkbare situaties, wat de vestiging ervan op haar grondgebied betreft.

2.    Elke Partij behandelt investeerders van de andere Partij en hun onder deze overeenkomst vallende investeringen niet minder gunstig dan haar eigen investeerders en hun investeringen in vergelijkbare situaties, wat hun exploitatie op haar grondgebied betreft.


3.    De door een Partij krachtens de leden 1 en 2 toe te kennen behandeling houdt, met betrekking tot een regionale overheid van Mexico, een behandeling in die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling die in vergelijkbare situaties door die regionale overheid wordt toegekend aan investeerders uit Mexico, en aan hun ondernemingen op het grondgebied van die regionale overheid.

4.    De door een Partij krachtens de leden 1 en 2 toe te kennen behandeling houdt, met betrekking tot een overheid van of in een lidstaat van de Europese Unie, een behandeling in die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling die in vergelijkbare situaties door die overheid wordt toegekend aan haar eigen investeerders, en aan hun ondernemingen op haar grondgebied.

ARTIKEL 10.8

Meestbegunstigingsbehandeling

1.    Elke Partij behandelt investeerders van de andere Partij en hun ondernemingen die onder deze overeenkomst vallende investeringen vormen niet minder gunstig dan investeerders en ondernemingen van een derde land in vergelijkbare situaties, wat de vestiging ervan op haar grondgebied betreft.

2.    Elke Partij behandelt investeerders van de andere Partij en hun onder deze overeenkomst vallende investeringen niet minder gunstig dan investeerders en investeringen van een derde land in vergelijkbare situaties, wat de exploitatie van de investeringen op haar grondgebied betreft.


3.    De leden 1 en 2 worden niet uitgelegd als een verplichting voor een Partij om het voordeel van een behandeling dat voortvloeit uit maatregelen die voorzien in de erkenning van onder meer de normen of criteria voor machtiging, vergunningverlening of certificering van een natuurlijke persoon of onderneming om een economische activiteit uit te oefenen, of het voordeel van prudentiële maatregelen, uit te breiden tot de investeerders van de andere Partij.

4.    Voor alle duidelijkheid: de in dit artikel bedoelde behandeling omvat niet de behandeling die aan investeerders van een derde land en hun investeringen wordt toegekend op grond van bepalingen inzake de beslechting van investeringsgeschillen waarin deze overeenkomst of andere internationale overeenkomsten tussen een Partij en een derde land voorzien. De materiële bepalingen van andere internationale overeenkomsten vormen op zichzelf geen behandeling als bedoeld in de leden 1 en 2 en kunnen derhalve geen aanleiding geven tot een inbreuk op dit artikel. Maatregelen die krachtens dergelijke bepalingen worden toegepast, kunnen een behandeling uit hoofde van dit artikel vormen.

ARTIKEL 10.9

Prestatievereisten

1.    Een Partij mag, in verband met de vestiging van een onderneming of de exploitatie van een investering van een investeerder van een Partij of van een derde land op het grondgebied van die Partij, geen eisen stellen of afdwingen, noch verbintenissen of toezeggingen afdwingen met de strekking 40 :

a)    dat er een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten wordt uitgevoerd;


b)    dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten interne goederen of diensten betreft;

c)    dat op haar grondgebied geproduceerde goederen of verleende diensten worden gekocht of gebruikt of die goederen of diensten de voorkeur krijgen, of dat goederen of diensten bij natuurlijke personen of ondernemingen op haar grondgebied worden gekocht;

d)    dat de omvang of de waarde van de invoer op welke wijze dan ook wordt gekoppeld aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen in verband met die investering;

e)    dat de verkoop van met behulp van de investering geproduceerde goederen of verleende diensten op haar grondgebied aan banden wordt gelegd door die verkoop op enige wijze te koppelen aan de omvang of de waarde van de uitvoer of deviezenopbrengsten daarvan;

f)    dat toegang wordt geboden tot of overdracht plaatsvindt van een bepaalde technologie, een productieprocedé of andere bedrijfsspecifieke knowhow aan natuurlijke personen of ondernemingen op haar grondgebied;

g)    dat de met behulp van de investering geproduceerde goederen of diensten vanaf het grondgebied van de Partij exclusief aan een specifieke regionale markt of de wereldmarkt worden geleverd;

h)    dat het hoofdkantoor van die investeerder voor een specifieke regionale markt of de wereldmarkt wordt gevestigd op haar grondgebied; of

k)    dat de uitvoer of verkoop voor uitvoer wordt beperkt.


2.    Een Partij stelt het genot of het voortgezette genot van een voordeel in verband met de vestiging van een onderneming of de exploitatie van een investering van een investeerder van een Partij of van een derde land op haar grondgebied niet afhankelijk van de voorwaarde dat een van de volgende eisen wordt vervuld:

a)    dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten interne goederen of diensten betreft;

b)    dat op haar grondgebied geproduceerde goederen of verleende diensten worden gekocht of gebruikt of die goederen of diensten de voorkeur krijgen, of dat er goederen bij natuurlijke personen of ondernemingen op haar grondgebied worden gekocht;

c)    dat de omvang of de waarde van de invoer op welke wijze dan ook wordt gekoppeld aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen in verband met die investering;

d)    dat de verkoop van met behulp van de investering geproduceerde goederen of verleende diensten op haar grondgebied aan banden wordt gelegd door die verkoop op enige wijze te koppelen aan de omvang of de waarde van de uitvoer of deviezenopbrengsten daarvan; of

e)    dat de uitvoer of verkoop voor uitvoer wordt beperkt.

3.    Niets in lid 2 wordt uitgelegd als een beletsel voor een Partij om het genot of het voortgezette genot van een voordeel in verband met een investering van een investeerder uit een Partij of uit een derde land afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de productie naar haar grondgebied wordt verplaatst of dat aldaar diensten worden verleend, werknemers worden opgeleid of in dienst worden genomen, bepaalde installaties worden gebouwd of uitgebreid, of onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten worden verricht.


4.    Lid 1, punt f), is niet van toepassing indien:

a)    de eis wordt gesteld of de verbintenis of toezegging wordt afgedwongen door een gerecht, een administratief gerecht of een mededingingsautoriteit om een einde te maken aan een praktijk die na een gerechtelijke of administratieve procedure is aangemerkt als een inbreuk op het mededingingsrecht van de Partij; of

b)    een Partij toestemming verleent voor het gebruik van een intellectuele-eigendomsrecht overeenkomstig artikel 31 en artikel 31 bis van de Trips-Overeenkomst, of in geval van maatregelen op grond waarvan de openbaarmaking van informatie inzake eigendomsrechten wordt verlangd die binnen het toepassingsgebied vallen van en in overeenstemming zijn met artikel 39 van de Trips-Overeenkomst.

5.    Lid 1, punten a), b) en c), en lid 2, punten a) en b), zijn niet van toepassing op de kwalificatievereisten waaraan goederen of diensten moeten voldoen om in aanmerking te komen voor programma’s voor uitvoerbevordering en buitenlandse hulp.

6.    Lid 2, punten a) en b), zijn niet van toepassing op de eisen die worden gesteld door een Partij van invoer met betrekking tot het volume van goederen dat nodig is om in aanmerking te komen voor preferentiële tarieven of preferentiële contingenten.

7.    Voor alle duidelijkheid: de leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op andere verbintenissen, toezeggingen en eisen dan die welke in die leden zijn vermeld.


8.    Dit artikel vormt geen beletsel voor het afdwingen van verbintenissen, toezeggingen of eisen tussen andere particuliere partijen dan een Partij, wanneer een Partij de verbintenis, toezegging of eis niet heeft opgelegd of geëist.

9.    Dit artikel laat de verplichtingen van de Partijen uit hoofde van de WTO-overeenkomst onverlet.

ARTIKEL 10.10

Hoger management en raad van bestuur

1.    Een Partij verlangt niet dat een onderneming van die Partij die een onder de overeenkomst vallende investering is, natuurlijke personen met een bepaalde nationaliteit benoemt in hogere managementfuncties.

2.    Een Partij verlangt niet dat de raad van bestuur van een onderneming van de andere Partij die een onder de overeenkomst vallende investering is, bestaat uit onderdanen of ingezetenen van het grondgebied van de Partij, of een combinatie daarvan.


ARTIKEL 10.11

Formele vereisten

Niettegenstaande de artikelen 10.7 en 10.8 kan een Partij van een investeerder van de andere Partij of van diens onder de overeenkomst vallende investering, uitsluitend voor informatieve of statistische doeleinden, routinematige inlichtingen over die investering verlangen. De Partij beschermt die inlichtingen voor zover zij vertrouwelijk zijn tegen enigerlei openbaarmaking die de concurrentiepositie van de investeerder of de onder de overeenkomst vallende investering zou aantasten. Niets in dit artikel wordt uitgelegd als een beletsel voor een Partij om anderszins inlichtingen in verband met het op billijke wijze en te goeder trouw toepassen van haar recht te verkrijgen of openbaar te maken.

ARTIKEL 10.12

Niet-conforme maatregelen en uitzonderingen

1.    De artikelen 10.7 tot en met 10.10 zijn niet van toepassing op:

a)    bestaande niet-conforme maatregelen die door een Partij worden gehandhaafd op het niveau van:

i)    de Europese Unie, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I (Voorbehouden voor bestaande maatregelen);


ii)    een centrale overheid, zoals door die Partij opgenomen in haar lijst in bijlage I (Voorbehouden voor bestaande maatregelen);

iii)    een regionale overheid, zoals door die Partij opgenomen in haar lijst in bijlage I (Voorbehouden voor bestaande maatregelen); of

iv)    een lokale overheid;

b)    de handhaving of onverwijlde verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld in punt a); of

c)    een wijziging van niet-conforme maatregelen als bedoeld in punt a), voor zover de wijziging de maatregelen zoals deze onmiddellijk voor de wijziging bestonden, niet minder conform maakt met de artikelen 10.7 tot en met 10.10.

2.    De artikelen 10.7 tot en met 10.10 zijn niet van toepassing op een maatregel die een Partij vaststelt of handhaaft met betrekking tot sectoren, subsectoren of activiteiten zoals opgenomen in haar lijst in bijlage II (Voorbehouden in verband met toekomstige maatregelen).

3.    Een Partij verlangt noch rechtstreeks, noch indirect, in het kader van een maatregel die na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst is vastgesteld en die onder haar lijst in bijlage II (Voorbehouden in verband met toekomstige maatregelen) valt, van een investeerder van de andere Partij op grond van zijn nationaliteit dat deze een investering die bestaat op het moment waarop de maatregel van kracht wordt, verkoopt of anderszins vervreemdt.


4.    Artikel 10.6 is niet van toepassing op een maatregel die een Partij vaststelt of handhaaft met betrekking tot sectoren of subsectoren zoals opgenomen in haar lijst in bijlage III (Verbintenissen inzake markttoegang).

5.    De artikelen 10.7 en 10.8 zijn niet van toepassing op maatregelen die een uitzondering op of een vrijstelling of afwijking van artikel 3 of 4 van de Trips-overeenkomst vormen, als bepaald in de artikelen 3 tot en met 5 van die overeenkomst.

6.    Onverminderd de leden 1 tot en met 5 kan Mexico binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst de Europese Unie in kennis stellen van een ontwerpbesluit van de Gezamenlijke Raad tot wijziging van de bijlagen I (Voorbehouden voor bestaande maatregelen), II (Voorbehouden in verband met toekomstige maatregelen) en III (Verbintenissen inzake markttoegang):

a)    in aanhangsel I-B-2 (Lijst van Mexico. Voorbehouden op subcentraal niveau) van bijlage I (Voorbehouden voor bestaande maatregelen) en aanhangsel III-B-2 (Tijdschema van Mexico. Beperkingen van toepassing op subcentraal niveau) van bijlage III (Verbintenissen inzake markttoegang) alle bestaande niet-conforme, op subfederaal niveau gehandhaafde maatregelen; en


b)    in aanhangsel I-B-1 (Lijst van Mexico. Voorbehouden op centraal niveau) van bijlage I (Voorbehouden voor bestaande maatregelen) en aanhangsel II-B (Lijst van Mexico. Voorbehouden op centraal niveau) van bijlage II (Voorbehouden in verband met toekomstige maatregelen) de prestatievereisten.

De Europese Unie evalueert dat ontwerp binnen een termijn van drie maanden en overlegt met Mexico over alle daarmee verband houdende vraagstukken. Na het overleg neemt de Gezamenlijke Raad de wijzigingen van de in dit lid genoemde bijlagen aan. De gewijzigde bijlagen zijn van toepassing met ingang van de datum waarop de wijzigingen worden vastgesteld.

AFDELING C

Investeringsbescherming

ARTIKEL 10.13

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen ter zake van:

a)    onder de overeenkomst vallende investeringen; of


b)    investeerders van een Partij wat betreft een onder de overeenkomst vallende investering.

ARTIKEL 10.14

Investeringen en regelgevingsmaatregelen en -doelstellingen

1.    De bepalingen van deze afdeling worden niet uitgelegd als een verbintenis van een Partij om het op haar grondgebied geldende juridisch en regelgevend kader niet te wijzigen, waaronder op een wijze die de exploitatie van de onder de overeenkomst vallende investeringen of de winstverwachtingen van de investeerder negatief kan beïnvloeden.

2.    Voor alle duidelijkheid: niets in deze afdeling wordt zodanig uitgelegd dat een Partij wordt belet om de toekenning van een subsidie 41 te beëindigen of te verzoeken om terugbetaling daarvan, wanneer een dergelijke maatregel is gelast door een bevoegd gerecht, administratief gerecht of een andere bevoegde autoriteit, of als verplichting voor die Partij om de investeerder daarvoor te compenseren.


3.    Voor alle duidelijkheid: het besluit van een Partij om een subsidie niet toe te kennen, te verlengen of te handhaven vormt geen schending van deze afdeling indien het besluit is genomen:

a)    bij ontstentenis van een bij wet of overeenkomst vastgelegde specifieke verbintenis om die subsidie toe te kennen, te verlengen of te handhaven;

b)    overeenkomstig eventuele aan de toekenning, verlenging of handhaving van de subsidie verbonden voorwaarden; of

c)    overeenkomstig lid 2.

ARTIKEL 10.15

Behandeling van investeerders en van onder de overeenkomst vallende investeringen

1.    Elke Partij zorgt, in overeenstemming met de volgende leden, op haar grondgebied voor eerlijke en billijke behandeling alsmede volledige bescherming en veiligheid van de onder de overeenkomst vallende investeringen van de andere Partij en van de investeerders met betrekking tot hun onder de overeenkomst vallende investeringen.


2.    Een Partij handelt in strijd met de verplichting tot eerlijke en billijke behandeling als bedoeld in lid 1, wanneer bij een maatregel of reeks maatregelen sprake is van 42 :

a)    rechtsweigering in strafrechtelijke, civiele of administratieve procedures;

b)    een wezenlijke schending van het recht op een eerlijke rechtsgang;

c)    kennelijke willekeur, met inbegrip van kennelijk ongegronde gerichte discriminatie, bijvoorbeeld op basis van geslacht, ras of godsdienstige overtuiging;


d)    intimidatie, dwang of machtsmisbruik; of

e)    schending van eventuele, door de Partijen bij de overeenkomst overeenkomstig lid 7 vastgestelde aanvullende elementen van de verplichting tot eerlijke en billijke behandeling.

3.    Een Partij wordt geacht de in lid 1 vermelde verplichting tot volledige bescherming en veiligheid te schenden indien een maatregel of reeks maatregelen de investeerders en hun onder de overeenkomst vallende investeringen geen fysieke veiligheid biedt.

4.    Bij de beoordeling van een vermeende schending op grond van dit artikel kan het Gerecht er rekening mee houden of een Partij tegenover een investeerder, met het doel om hem tot een onder de overeenkomst vallende investering aan te zetten, een specifieke verklaring heeft afgelegd die een gewettigd vertrouwen heeft gewekt en op basis waarvan de investeerder heeft besloten de onder de overeenkomst vallende investering te verrichten of te handhaven, maar die de Partij nadien heeft geschonden. Het loutere feit dat een Partij een maatregel neemt of verzuimt een maatregel te nemen die niet in overeenstemming is met het gewettigd vertrouwen van een investeerder van een Partij vormt geen schending van dit artikel, ook niet indien de onder de overeenkomst vallende investering daardoor verlies of schade lijdt.

5.    De vaststelling dat een andere bepaling van deze overeenkomst of een afzonderlijke internationale overeenkomst is geschonden, houdt op zichzelf geen schending van dit artikel in.


6.    Het feit dat een maatregel het recht van een Partij schendt, houdt op zichzelf geen schending van dit artikel in. Om na te gaan of de maatregel een schending van dit artikel inhoudt, moet het Gerecht onderzoeken of een Partij heeft gehandeld in strijd met de leden 1 tot en met 4.

7.    De Partijen evalueren, op verzoek van een Partij, de inhoud van de verplichting tot eerlijke en billijke behandeling. Het bij artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst) ingestelde Subcomité Diensten en investeringen kan in dit verband analyses opstellen en indienen bij het Gemengd Comité. Het Gemengd Comité onderzoekt of het wenselijk is een wijziging van de overeenkomst aan te bevelen overeenkomstig artikel 2.4 (Wijziging) van deel IV van deze overeenkomst.

ARTIKEL 10.16

Overmakingen

1.    Elke Partij staat toe dat alle overmakingen met betrekking tot een onder de overeenkomst vallende investering van en naar haar grondgebied vrijelijk en zonder beperking of vertraging kunnen worden verricht. Die overmakingen omvatten:

a)    kapitaalinbreng, zoals aanvangskapitaal en extra middelen voor het aanhouden, uitbreiden of verhogen van de onder de overeenkomst vallende investering;


b)    winsten, dividenden, kapitaalwinsten, rente, royalty’s, beheervergoedingen en andere vormen van rendement;

c)    opbrengsten uit de verkoop van de onder de overeenkomst vallende investering of een deel daarvan, of opbrengsten uit de gedeeltelijke of gehele liquidatie van de onder de overeenkomst vallende investering;

d)    betalingen in het kader van een contract gesloten door de investeerder van een Partij, of een onder deze overeenkomst vallende investering, met inbegrip van betalingen uit hoofde van een leningsovereenkomst;

e)    inkomsten en andere bezoldigingen van uit het buitenland aangeworven personeel dat werkzaam is in verband met een onder de overeenkomst vallende investering;

f)    betalingen op grond van de artikelen 10.17 en 10.18; en

g)    betalingen van schadevergoedingen ingevolge een uitspraak van het Gerecht op grond van afdeling D.

2.    Elke Partij staat toe dat een onder de overeenkomst vallende investering een rendement in natura oplevert zoals toegestaan of gespecificeerd in een schriftelijke overeenkomst tussen de Partij en een onder de overeenkomst vallende investering of een investeerder van de andere Partij.


3.    Elke Partij staat toe dat overmakingen met betrekking tot een onder de overeenkomst vallende investering worden verricht in een vrij converteerbare valuta tegen de op de datum van overmaking geldende marktkoers voor die valuta.

4.    Niettegenstaande lid 2 kan een Partij de overmaking van rendementen in natura in verband met een onder de overeenkomst vallende investering beperken in omstandigheden waarin zij die overmakingen op grond van deze overeenkomst anderszins zou kunnen beperken.

ARTIKEL 10.17

Compensatie voor verliezen

1.    Elke Partij behandelt de investeerders van de andere Partij die met betrekking tot hun onder de overeenkomst vallende investeringen verliezen lijden ten gevolge van oorlog of een ander gewapend conflict, revolutie, een nationale noodtoestand, opstand, onlusten of andere soortgelijke gebeurtenissen, wat restitutie, schadevergoeding, compensatie of een andere vorm van vergelijk betreft niet minder gunstig dan de eigen investeerders of de investeerders van een derde land, naargelang van welke behandeling gunstiger is.


2.    Onverminderd lid 1 wordt aan investeerders van een Partij passende en doeltreffende restitutie of compensatie toegekend indien zij in een van de in lid 1 bedoelde situaties op het grondgebied van de andere Partij verliezen lijden als gevolg van:

a)    de vordering van hun onder de overeenkomst vallende investering of een deel daarvan door de strijdkrachten of de overheid van de andere Partij; of

b)    de vernietiging van hun onder de overeenkomst vallende investering of een deel daarvan door de strijdkrachten of de overheid van de andere Partij, anders dan onder dwang van de omstandigheden.

3.    Betalingen in verband met compensatie overeenkomstig lid 2 zijn vrij converteerbaar en overdraagbaar.

ARTIKEL 10.18

Onteigening en compensatie

1.    Een Partij mag rechtstreeks noch indirect een door de overeenkomst bestreken investering onteigenen of nationaliseren door middel van maatregelen van gelijke werking als onteigening of nationalisering (hierna “onteigening” genoemd), behalve wanneer de maatregel:

a)    geschiedt ten algemenen nutte;


b)    niet-discriminerend is;

c)    geschiedt tegen betaling van snelle, adequate en doeltreffende compensatie overeenkomstig de leden 2 tot en met 4; en

d)    geschiedt met inachtneming van een eerlijke rechtsgang.

2.    Lid 1 wordt uitgelegd overeenkomstig bijlage 10-A (Onteigening).

3.    De in lid 1 bedoelde compensatie:

a)    wordt onverwijld betaald;

b)    is gelijk aan de reële marktwaarde van de onteigende investering op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de onteigening;

c)    mag geen waardeverandering weerspiegelen die is opgetreden omdat de voorgenomen onteigening eerder bekend was geworden;

d)    is onverwijld volledig opeisbaar en onverwijld vrij overdraagbaar naar het door de investeerder aangewezen land; en


e)    wordt met een commercieel redelijke rente vermeerderd vanaf de datum van onteigening tot de datum van betaling.

4.    De waarderingscriteria omvatten de goingconcernwaarde, de waarde van de activa, inclusief de aangegeven fiscale waarde van lichamelijke zaken, alsmede, in voorkomend geval, andere criteria voor de bepaling van de billijke marktwaarde.

5.    De compensatie wordt betaald in de valuta van het land waarvan de investeerder onderdaan is of in een vrij converteerbare valuta.

6.    Dit artikel is niet van toepassing op de verlening van dwanglicenties met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten overeenkomstig de Trips-Overeenkomst, noch op de intrekking, beperking of instelling van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover die verlening, intrekking, beperking of instelling verenigbaar is met hoofdstuk 25 (Intellectuele eigendom) en de Trips-Overeenkomst 43 .


ARTIKEL 10.19

Subrogatie

1.    Indien een Partij of een door haar aangewezen instantie een betaling verricht uit hoofde van een garantie, een verzekeringsovereenkomst of een andere vorm van schadevergoeding waartoe zij zich heeft verplicht met betrekking tot een onder de overeenkomst vallende investering, erkent de andere Partij dat die Partij of instantie ten aanzien van die investering in alle rechten of vorderingen treedt en dat alle rechten of vorderingen van de investeerder op grond van dit hoofdstuk aan die Partij of instantie worden overgedragen. De Partij of haar aangewezen instantie is bij wege van subrogatie gerechtigd de rechten van die investeerder uit te oefenen en diens vorderingen af te dwingen. Het gesubrogeerde of overgedragen recht of de gesubrogeerde of overgedragen vordering mag niet groter zijn dan het oorspronkelijke recht of de oorspronkelijke vordering van die investeerder.

2.    Indien een Partij of de door haar aangewezen instantie een betaling aan haar investeerder heeft verricht en de rechten en vorderingen van de investeerder heeft overgenomen, mag die investeerder die rechten en vorderingen niet doen gelden tegen de andere Partij, tenzij zij gemachtigd is om op te treden namens de Partij of de door de Partij aangewezen instantie die de betaling verricht.


AFDELING D

Beslechting van investeringsgeschillen

ARTIKEL 10.20

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

1.    “eiser”: een natuurlijke persoon of onderneming van een Partij, anders dan een filiaal of een vertegenwoordigingskantoor, die een onder de overeenkomst vallende investering heeft gedaan en die een verzoek op grond van deze afdeling wil indienen of heeft ingediend:

a)    namens zichzelf; of

b)    namens een plaatselijk gevestigde onderneming waarvan hij of zij de eigenaar is of waarover hij of zij zeggenschap heeft 44 .

2.    “partijen bij het geschil”: de eiser en de verweerder;


3.    “partij bij het geschil”: de eiser of de verweerder;

4.    “Icsid”: het bij het Icsid-verdrag opgerichte Internationaal Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen;

5.    “Icsid-bepalingen betreffende aanvullende mogelijkheden”: de bepalingen betreffende de opening van aanvullende mogelijkheden voor het verlenen van administratieve diensten bij geschillen door het secretariaat van het Internationaal Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen;

6.    “Icsid-verdrag”: het Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen staten en onderdanen van andere staten, gedaan te Washington op 18 maart 1965;

7.    “plaatselijk gevestigde onderneming”: een rechtspersoon die gevestigd is op het grondgebied van een Partij en die eigendom is dan wel onder zeggenschap staat van een investeerder uit de andere Partij;

8.    “Verdrag van New York”: het Verdrag van de Verenigde Naties over de erkenning en uitvoering van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, gedaan te New York op 10 juni 1958;

9.    “niet bij het geschil betrokken Partij”: hetzij Mexico, wanneer de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Unie de verweerder is; of de Europese Unie, wanneer Mexico de verweerder is;


10.    “verweerder”: hetzij Mexico, hetzij — in het geval van de Europese Unie — de Europese Unie zelf of de betrokken lidstaat van de Europese Unie als bepaald krachtens artikel 10.24;

11.    “financiering door derden”: financiering door een natuurlijke of rechtspersoon die geen partij bij het geschil is maar die een overeenkomst sluit met een partij bij het geschil met het oog op de financiering van alle of een deel van de kosten van de procedure, hetzij tegen een vergoeding die afhangt van de uitkomst van het geschil, hetzij bij wijze van donatie of de verstrekking van financiële steun;

12.    “Uncitral-arbitragevoorschriften”: de arbitragevoorschriften van de Commissie van de Verenigde Naties voor internationaal handelsrecht (Uncitral), zoals goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 15 december 1976 en zoals herzien in 2010.


ARTIKEL 10.21

Toepassingsgebied

1.    Deze afdeling is van toepassing op geschillen tussen een Partij en een eiser van de andere Partij die voortvloeien uit een vermeende schending van artikel 10.7, lid 2, artikel 10.8, lid 2 45 , of afdeling C, waarbij wordt gesteld dat die verlies of schade voor de eiser of zijn plaatselijk gevestigde onderneming meebrengt.

2.    Bijlage 10-B (Overheidsschuld) is van toepassing op verzoeken in verband met de herstructurering van de schuld van een Partij.

3.    Het Gerecht en de Beroepsinstantie, zoals ingesteld bij deze afdeling, beslissen niet over verzoeken die buiten het toepassingsgebied van deze afdeling vallen.


ARTIKEL 10.22

Overleg

1.    Alle geschillen dienen voor zover mogelijk in der minne te worden geschikt. Een dergelijke schikking kan te allen tijde worden overeengekomen, ook nadat een verzoek krachtens artikel 10.26 is ingediend.

2.    Tenzij de partijen bij het geschil een langere periode overeenkomen, vindt het overleg plaats binnen zestig dagen na de indiening van het verzoek om overleg krachtens lid 5.

3.    Tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen, wordt het overleg gehouden:

a)    te Mexico-Stad, indien de aangevochten maatregelen maatregelen van Mexico zijn;

b)    te Brussel, indien de aangevochten maatregelen een maatregel van de Europese Unie omvatten; of

c)    in de hoofdstad van de betrokken lidstaat van de Europese Unie, indien het bij de aangevochten maatregelen uitsluitend om maatregelen van die lidstaat gaat.

4.    Indien de partijen bij het geschil zulks overeenkomen, kan overleg worden gepleegd door middel van een videoconferentie of op een andere passende wijze.


5.    De eiser dient bij de andere Partij een verzoek om overleg in, met vermelding van:

a)    de naam en het adres van de eiser en, indien het verzoek wordt ingediend namens een plaatselijk gevestigde onderneming, de naam, het adres en de plaats van vestiging of oprichting, in voorkomend geval, van de plaatselijk gevestigde onderneming;

b)    de bepalingen van artikel 10.21, lid 1, die zouden zijn geschonden;

c)    de wettelijke en de feitelijke basis van elk verzoek, met inbegrip van de maatregel of maatregelen die de in artikel 10.21, lid 1, bedoelde bepalingen zouden schenden;

d)    de gevraagde maatregel(en) en het geraamde bedrag van de gevorderde schadevergoeding; en

e)    bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de eiser een investeerder van de andere Partij is en dat hij eigenaar is van of zeggenschap heeft over de onder de overeenkomst vallende investering en, indien hij optreedt namens een plaatselijk gevestigde onderneming, dat hij eigenaar is van of zeggenschap heeft over de plaatselijk gevestigde onderneming.

Wanneer een verzoek om overleg wordt ingediend door meer dan één eiser, of namens meer dan één plaatselijk gevestigde onderneming, wordt de in de punten a) en e) bedoelde informatie overgelegd voor elke eiser of plaatselijk gevestigde onderneming, naargelang van het geval.


6.    Aan de in lid 5 bedoelde vereisten voor het verzoek om overleg moet op zodanig specifieke wijze worden voldaan dat de verweerder in staat is op doeltreffende wijze overleg te plegen en zijn verweer voor te bereiden.

7.    Een verzoek om overleg wordt ingediend binnen drie jaar na de datum waarop de eiser of, in voorkomend geval, de plaatselijk gevestigde onderneming voor het eerst kennis kreeg of had moeten krijgen van de vermeende schending en van het verlies of de schade die de eiser of, in voorkomend geval, de plaatselijk gevestigde onderneming daardoor zou hebben geleden.

8.    Niettegenstaande lid 7 wordt het verzoek om overleg — indien het een maatregel of maatregelen van de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Unie betreft en de in lid 7 genoemde termijn is verstreken terwijl de eiser of, in voorkomend geval, de plaatselijk gevestigde onderneming krachtens het recht van een Partij een procedure bij een rechterlijke instantie heeft ingeleid met betrekking tot die maatregel of maatregelen — ingediend:

a)    binnen twee jaar na de datum waarop de eiser of, in voorkomend geval, de plaatselijk gevestigde onderneming ervan afziet die procedure voor een rechterlijke instantie krachtens het recht van een Partij te voeren; en

b)    in geen geval later dan tien jaar na de datum waarop de eiser of, in voorkomend geval, zijn plaatselijk gevestigde onderneming voor het eerst kennis kreeg of had moeten krijgen van de maatregel of maatregelen waarvan wordt gesteld dat zij een schending van de in artikel 10.21, lid 1, bedoelde bepalingen vormen en van het verlies of de schade die daardoor zou zijn geleden.


9.    Een verzoek om overleg betreffende een vermeende schending door de Europese Unie of door een lidstaat van de Europese Unie moet aan de Europese Unie worden gericht. Indien de eiser in zijn verzoek om overleg een maatregel of maatregelen van een lidstaat van de Europese Unie aanwijst, wordt het verzoek ook aan de betrokken lidstaat toegezonden.

10.    Indien de investeerder binnen 18 maanden na de indiening van het verzoek om overleg geen verzoek krachtens artikel 10.26 heeft ingediend, wordt hij geacht zijn verzoek om overleg en, indien van toepassing, zijn mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder krachtens artikel 10.24 te hebben ingetrokken, en kan hij uit hoofde van deze afdeling geen verzoek met betrekking tot dezelfde maatregel of maatregelen indienen. De bij het overleg betrokken partijen kunnen overeenkomen deze termijn te verlengen.

ARTIKEL 10.23

Bemiddeling

1.    De partijen bij het geschil kunnen te allen tijde overeenkomen een beroep op bemiddeling te doen.

2.    Een beroep op bemiddeling laat de rechtspositie of de rechten van de partijen bij het geschil op grond van dit hoofdstuk onverlet en wordt beheerst door de door de partijen bij het geschil overeengekomen regels, met inbegrip van eventuele door de Gezamenlijke Raad vastgestelde regels inzake bemiddeling, voor zover beschikbaar.


3.    De bemiddelaar wordt benoemd met instemming van de partijen bij het geschil. De partijen bij het geschil kunnen ook gezamenlijk de president van het Gerecht verzoeken de bemiddelaar te benoemen.

4.    De partijen bij het geschil streven ernaar binnen zestig dagen na de benoeming van de bemiddelaar tot een oplossing van het geschil te komen.

5.    Indien de partijen bij het geschil overeenkomen een beroep te doen op bemiddeling, worden de in artikel 10.22, leden 7 en 8, artikel 10.48, lid 7, en artikel 10.49, lid 3, vastgestelde termijnen opgeschort vanaf de datum waarop de partijen bij het geschil overeenkomen een beroep te doen op bemiddeling tot de datum waarop een van de partijen bij het geschil besluit de bemiddeling te beëindigen. De beslissing van een partij bij het geschil om de bemiddeling te beëindigen, wordt de bemiddelaar en de andere partij bij het geschil via brief toegezonden.

ARTIKEL 10.24

Bepaling van de verweerder in geschillen met de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Unie

1.    Indien het geschil niet binnen negentig dagen na de indiening van het verzoek om overleg kan worden beslecht, het verzoek betrekking heeft op een vermeende schending van de in artikel 10.21, lid 1, bedoelde bepalingen door de Europese Unie of door een lidstaat van de Europese Unie en de eiser voornemens is een verzoek krachtens artikel 10.26 in te dienen, zendt de eiser aan de Europese Unie een mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder.


2.    In de in lid 1 genoemde mededeling wordt aangegeven met betrekking tot welke maatregel of maatregelen de eiser een verzoek wil indienen. Indien een maatregel van een lidstaat van de Europese Unie wordt aangewezen, wordt de mededeling ook aan de betrokken lidstaat toegezonden.

3.    De Europese Unie deelt de eiser, nadat zij tot een vaststelling is gekomen, binnen zestig dagen na ontvangst van de in lid 1 genoemde mededeling mee of de Europese Unie dan wel een lidstaat van de Europese Unie als verweerder optreedt.

4.    Indien de eiser niet binnen zestig dagen na indiening van de in lid 1 genoemde mededeling in kennis is gesteld van de vaststelling, is de verweerder:

a)    de lidstaat, indien de in de mededeling aangewezen maatregel of maatregelen exclusief maatregelen van een lidstaat van de Europese Unie betreffen; of

b)    de Europese Unie, indien de in de mededeling aangewezen maatregel of maatregelen maatregelen van de Europese Unie omvatten.

5.    De eiser kan een verzoek overeenkomstig artikel 10.26 indienen op basis van de krachtens lid 3 gedane vaststelling en, indien die vaststelling niet binnen zestig dagen aan de eiser is medegedeeld, overeenkomstig lid 4.


6.    Indien ingevolge lid 3 of lid 4 de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Unie de verweerder is, kan noch de Europese Unie noch de lidstaat van de Europese Unie stellen dat het verzoek niet-ontvankelijk is of dat het Gerecht onbevoegd is, of anderszins bezwaar maken tegen het verzoek of de uitspraak op grond dat de verweerder niet op de juiste wijze is bepaald krachtens lid 3 of is vastgesteld overeenkomstig lid 4.

7.    Het Gerecht en de Beroepsinstantie zijn gebonden door de krachtens lid 3 gedane vaststelling en, indien die vaststelling niet binnen zestig dagen aan de eiser is medegedeeld, door de vaststelling overeenkomstig lid 4.

8.    Niets in deze overeenkomst, noch de in artikel 10.26, lid 2, bedoelde toepasselijke regels inzake geschillenbeslechting beletten de uitwisseling van alle informatie betreffende een geschil tussen de Europese Unie en de betrokken lidstaat.

ARTIKEL 10.25

Procedurele en andere vereisten voor indiening van een verzoek bij het Gerecht

1.    Een eiser kan een verzoek op grond van artikel 10.26 slechts indienen indien hij:

a)    bij de indiening van het verzoek tegenover de verweerder schriftelijk verklaart ermee in te stemmen dat het geschil door het Gerecht wordt beslecht overeenkomstig de in deze afdeling vastgestelde procedures;


b)    ten minste honderdtachtig dagen na de datum van indiening van het verzoek om overleg en, in voorkomend geval, ten minste negentig dagen na de datum van indiening van de mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder laat verstrijken;

c)    overeenkomstig artikel 10.24, in voorkomend geval, een mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder heeft ingediend;

d)    voldoet aan de vereisten met betrekking tot het verzoek om overleg;

e)    in zijn of haar verzoek alleen de maatregel of maatregelen aanwijst waarvan wordt gesteld dat zij de in artikel 10.21, lid 1, bedoelde bepalingen schendt of schenden en die in zijn of haar verzoek om overleg zijn aangewezen;

f)    afstand van instantie doet in het kader van naar intern of internationaal recht voor een rechterlijke instantie aanhangige procedures met betrekking tot een maatregel of maatregelen waarvan wordt gesteld dat die een in zijn of haar verzoek bedoelde schending vormt of vormen;

g)    schriftelijk afstand doet van zijn of haar recht om naar intern of internationaal recht bij een rechterlijke instantie een procedure aanhangig te maken met betrekking tot een maatregel of maatregelen waarvan wordt gesteld dat die een in zijn of haar verzoek bedoelde schending vormt of vormen; en


h)    verklaart dat hij of zij een uitspraak op grond van deze afdeling niet zal uitvoeren alvorens die definitief is geworden krachtens artikel 10.48, leden 8 en 9, of artikel 10.49, lid 2, en bij een internationale of interne rechter niet in hoger beroep zal gaan tegen of niet zal verzoeken om toetsing van, vernietiging van, nietigverklaring van, herziening van of inleiding van een andere soortgelijke procedure met betrekking tot een uitspraak op grond van deze afdeling.

2.    Indien het krachtens artikel 10.26 ingediende verzoek betrekking heeft op verlies of schade voor een plaatselijk gevestigde onderneming of voor een belang in een plaatselijk gevestigde onderneming die rechtstreeks of indirect eigendom is van of rechtstreeks of indirect onder zeggenschap staat van de eiser, zijn de vereisten bedoeld in lid 1, punten f) en g), van dit artikel zowel op de eiser als op de plaatselijk gevestigde onderneming van toepassing. De eis tot afstand van instantie in het kader van aanhangige procedures krachtens lid 1, punt f), van dit artikel is ook van toepassing:

a)    indien het verzoek wordt ingediend door een namens zichzelf optredende eiser, op alle personen die rechtstreeks of indirect een eigendomsbelang hebben in of onder zeggenschap staan van de eiser en beweren hetzelfde verlies of dezelfde schade 46 te hebben geleden als de eiser; of

b)    indien het verzoek wordt ingediend door een eiser die namens een plaatselijk gevestigde onderneming optreedt, op alle personen die rechtstreeks of indirect een eigendomsbelang hebben in of onder zeggenschap staan van de plaatselijk gevestigde onderneming en beweren hetzelfde verlies of dezelfde schade te hebben geleden als de plaatselijk gevestigde onderneming.


3.    De vereisten van lid 1, punten f) en g), en lid 2 zijn niet van toepassing op een plaatselijk gevestigde onderneming wanneer de verweerder of de gaststaat van de eiser de eiser de zeggenschap over de plaatselijk gevestigde onderneming heeft ontnomen of anderszins heeft belet dat de plaatselijk gevestigde onderneming aan deze vereisten voldoet.

4.    Op verzoek van de verweerder verklaart het Gerecht zich onbevoegd wanneer de eiser of, naargelang het geval, de plaatselijk gevestigde onderneming niet voldoet aan een van de vereisten van de leden 1 en 2.

5.    De vrijstelling krachtens lid 1, punt g), geldt niet meer wanneer het verzoek wordt afgewezen op grond dat niet is voldaan aan de nationaliteitsvereisten om een verzoek in te dienen uit hoofde van deze afdeling.

6.    Indien de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Unie de verweerder is, wordt door lid 1, punten f) en g), niet belet dat de eiser voorlopige beschermingsmaatregelen vordert bij de rechterlijke instanties van de verweerder. Indien Mexico de verweerder is, wordt door lid 1, punten f) en g), niet belet dat de eiser voorlopige beschermingsmaatregelen vordert of een procedure met het oog op een vordering tot staking, een declaratoire uitspraak of andere buitengewone maatregelen, die geen schadevergoeding inhoudt, instelt of voortzet bij een administratieve rechterlijke instantie krachtens het recht van de verweerder.


7.    Voor alle duidelijkheid: een investeerder kan geen verzoek uit hoofde van deze afdeling indienen wanneer de investering is verricht door middel van bedrieglijke onjuiste voorstelling, het achterhouden van informatie, omkoping of gedragingen die misbruik van procedure opleveren.

8.    Een Partij mag geen verzoek uit hoofde van deze afdeling indienen.

ARTIKEL 10.26

Indiening van een verzoek bij het Gerecht

1.    Indien een geschil niet is beslecht door middel van overleg, kan een verzoek worden ingediend door:

a)    een eiser, namens zichzelf; of

b)    een eiser, namens een plaatselijk gevestigde onderneming waarvan hij of zij rechtstreeks of indirect de eigenaar is of waarover hij of zij rechtstreeks of indirect zeggenschap heeft.

Voor alle duidelijkheid: een plaatselijk gevestigde onderneming kan geen verzoek indienen dat gericht is tegen de Partij waar zij gevestigd is.


2.    De eiser dient het verzoek in op grond van een van de volgende regels inzake geschillenbeslechting:

a)    het Icsid-verdrag en het Icsid-reglement van orde voor arbitrage;

b)    de Icsid-bepalingen betreffende aanvullende mogelijkheden indien de voorwaarden voor het indienen van een verzoek krachtens punt a) niet van toepassing zijn;

c)    de Uncitral-arbitragevoorschriften; of

d)    alle andere voorschriften waarover de partijen bij het geschil overeenstemming bereiken.

3.    Indien de eiser regels voorstelt krachtens lid 2, punt d), reageert de verweerder binnen twintig dagen na ontvangst op het voorstel van de eiser. Indien de partijen bij het geschil binnen dertig dagen na de datum van ontvangst van het voorstel geen overeenstemming over dergelijke regels bereiken, kan de investeerder een verzoek indienen ingevolge de regels bedoeld in lid 2, punt a), b) of c).

4.    Indien een verzoek wordt ingediend krachtens lid 2, punt b), c) of d), kunnen de partijen bij het geschil overeenstemming bereiken over de plaats van de procedure. Indien de partijen bij het geschil geen overeenstemming bereiken, bepaalt de formatie van het Gerecht dat het verzoek behandelt, de plaats overeenkomstig de toepasselijke regels inzake geschillenbeslechting, met dien verstande dat de plaats zich moet bevinden op het grondgebied van een staat die partij is bij het Verdrag van New York.


5.    De overeenkomstig lid 2 toepasselijke regels inzake geschillenbeslechting zijn die welke van kracht zijn op de indieningsdatum van het verzoek op grond van deze afdeling bij het Gerecht, met inachtneming van de in deze afdeling uiteengezette specifieke regels. De Gezamenlijke Raad kan regels aannemen ter aanvulling van de toepasselijke regels inzake geschillenbeslechting en die regels zijn bindend voor het Gerecht en de Beroepsinstantie.

6.    Een verzoek wordt geacht op grond van deze afdeling te zijn ingediend voor geschillenbeslechting wanneer het verzoek of bericht van inleiding van de procedure is ontvangen overeenkomstig de toepasselijke regels inzake geschillenbeslechting.

7.    Elke Partij stelt de andere Partij in kennis van de plaats waar de eiser de mededelingen en andere documenten op grond van deze afdeling moet bezorgen. Elke Partij zorgt ervoor dat deze informatie openbaar wordt gemaakt.


ARTIKEL 10.27

Gelijktijdige procedures

Indien een verzoek wordt ingediend krachtens deze afdeling en hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting) of een andere internationale overeenkomst, en er een mogelijke overlappende compensatie is of het andere internationale verzoek aanzienlijke gevolgen zou kunnen hebben voor de afhandeling van het krachtens deze afdeling ingediende verzoek, gaat het Gerecht zo spoedig mogelijk nadat de partijen bij het geschil zijn gehoord over tot schorsing van zijn procedure of zorgt het er anderszins voor dat de krachtens hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting) of een andere internationale overeenkomst ingeleide procedures in aanmerking worden genomen in zijn beslissing, beschikking of uitspraak.

ARTIKEL 10.28

Instemming met geschillenbeslechting door het Gerecht

1.    De verweerder stemt ermee in dat het geschil door het Gerecht wordt beslecht overeenkomstig de in deze afdeling vastgestelde procedures.


2.    De in lid 1 bedoelde instemming en de indiening van een verzoek bij het Gerecht op grond van deze afdeling worden geacht te voldoen aan de voorschriften van:

a)    artikel 25 van het Icsid-verdrag en hoofdstuk II van bijlage C bij de Icsid-bepalingen betreffende aanvullende mogelijkheden, wat betreft de schriftelijke instemming van de partijen bij het geschil; en

b)    artikel II van het Verdrag van New York, wat betreft een schriftelijke overeenkomst.

ARTIKEL 10.29

Financiering door derden

1.    Een partij bij het geschil die van derden financiering ontvangt, deelt aan de andere partij bij het geschil en aan de formatie van het Gerecht dat het verzoek behandelt, of, indien die formatie niet is samengesteld, aan de president van het Gerecht, de naam en het adres van de derde financier mee.

2.    Die mededeling geschiedt ten tijde van de indiening van een verzoek of, wanneer de financieringsovereenkomst wordt gesloten of de donatie of de financiële steun wordt verstrekt na de indiening van een verzoek, onverwijld na de sluiting van de financieringsovereenkomst of de verstrekking van de donatie of de financiële steun.


ARTIKEL 10.30

Gerecht

1.    Er wordt een Gerecht ingesteld voor de behandeling van krachtens artikel 10.26 ingediende verzoeken.

2.    De Gezamenlijke Raad wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst negen leden van het Gerecht aan. Drie leden zijn onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, drie zijn onderdaan van Mexico en drie zijn onderdaan van derde landen 47 .

3.    De Gezamenlijke Raad kan besluiten het aantal leden van het Gerecht met een veelvoud van drie te verhogen of te verlagen. Voor de aanwijzing van extra leden geldt het bepaalde in lid 2.

4.    De leden moeten over de vereiste kwalificaties beschikken om het ambt van rechter bij het Internationaal Gerechtshof te bekleden of moeten erkende rechtsgeleerden zijn. Zij beschikken over aantoonbare ervaring op het gebied van internationaal publiekrecht. Het is wenselijk dat zij met name op het gebied van internationaal investeringsrecht, internationaal handelsrecht en geschillenbeslechting in het kader van internationale investerings- of internationale handelsovereenkomsten en handelsonderhandelingen over deskundigheid beschikken.


5.    De leden van het Gerecht worden benoemd voor een ambtstermijn van vijf jaar. De ambtstermijn van vier van de negen leden die onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze overeenkomst door middel van loting worden aangewezen, bedraagt evenwel zeven jaar. Vacatures worden opgevuld zodra zij ontstaan. Een persoon die wordt aangewezen ter vervanging van een persoon wiens ambtstermijn nog niet is geëindigd, oefent het ambt uit voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn van zijn of haar voorganger. Een persoon die bij het verstrijken van zijn of haar ambtstermijn zitting heeft in een formatie van het Gerecht kan met toestemming van de president van het Gerecht na overleg met de andere leden van de formatie aanblijven als lid van die formatie totdat de procedures bij die formatie beëindigd zijn, en wordt uitsluitend met het oog daarop geacht lid te blijven van het Gerecht.

6.    Het Gerecht behandelt de zaken in formaties bestaande uit drie leden, van wie één onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, één onderdaan van Mexico en één onderdaan van een derde land is. De formatie wordt voorgezeten door het lid dat onderdaan van een derde land is.

7.    Niettegenstaande lid 6 en indien de partijen bij het geschil zulks overeenkomen, wordt een zaak behandeld door een formatie van een enkel lid dat onderdaan is van een derde land en dat wordt geselecteerd door de president van het Gerecht.

8.    Binnen negentig dagen na de indiening van een verzoek overeenkomstig artikel 10.26 wijst de president van het Gerecht, overeenkomstig de krachtens lid 10 vastgestelde werkwijzen, bij toerbeurt het lid of de leden aan die deel uitmaken van de formatie van het Gerecht die de zaak behandelt, waarbij hij of zij erop toeziet dat de samenstelling van de formatie willekeurig en niet voorspelbaar is en dat alle leden gelijke kansen hebben om te worden geselecteerd.


9.    De president van het Gerecht is verantwoordelijk voor organisatorische aangelegenheden en wordt door middel van loting voor twee jaar aangewezen uit de leden die onderdaan van derde landen zijn. De presidenten oefenen het ambt bij toerbeurt uit en worden bij loting aangewezen door de voorzitter van de Gezamenlijke Raad. De krachtens lid 10 vastgestelde werkwijzen moeten de nodige voorschriften omvatten voor het geval de president tijdelijk niet beschikbaar is.

10.    Het Gerecht stelt zijn eigen werkwijzen vast na overleg met de Partijen.

11.    De leden dienen te allen tijde en op korte termijn beschikbaar te zijn en dienen zich op de hoogte te houden van de activiteiten ter zake van de geschillenbeslechting in het kader van deze overeenkomst.

12.    Om hun beschikbaarheid te waarborgen, ontvangen de leden een maandelijks voorschot waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij besluit van de Gezamenlijke Raad. Voor iedere dag die hij of zij als president van het Gerecht heeft gewerkt, ontvangt de president een vergoeding die gelijk is aan de vergoeding die krachtens artikel 10.31, lid 11, aan de president van de Beroepsinstantie is toegekend.

13.    Het voorschot en de dagvergoeding als bedoeld in lid 12 worden door beide Partijen, rekening houdend met hun respectieve ontwikkelingsniveau, gestort op een rekening die wordt beheerd door het secretariaat van het Icsid. Betaalt één van de Partijen die vergoedingen niet, dan kan de andere Partij ervoor kiezen de vergoedingen te betalen. Dergelijke achterstallige betalingen blijven verschuldigd, met passende rentevergoeding. Het Subcomité Diensten en investeringen evalueert regelmatig het bedrag en de verdeling van de bovengenoemde vergoedingen en kan aanpassingen ter zake aanbevelen met het oog op een besluit van de Gezamenlijke Raad.


14.    Tenzij de Gezamenlijke Raad een besluit neemt op grond van lid 15, worden de andere honoraria en kostenvergoedingen van de leden van het Gerecht die zitting hebben in een formatie vastgesteld krachtens artikel 14, lid 1, van het administratief en financieel reglement van het Icsid-verdrag zoals dit geldt op de datum van indiening van het verzoek en door het Gerecht overeenkomstig artikel 10.48, lid 5, verdeeld over de partijen bij het geschil.

15.    Bij besluit van de Gezamenlijke Raad kunnen het voorschot en andere honoraria en kostenvergoedingen permanent worden omgezet in een reguliere bezoldiging. In dat geval fungeren de leden voltijds en stelt de Gezamenlijke Raad hun salaris en daarmee verband houdende organisatorische maatregelen vast. In dat geval mogen de leden geen andere beroepswerkzaamheid, al dan niet tegen beloning, verrichten, tenzij van deze bepaling door de president van het Gerecht bij uitzondering afwijking is toegestaan.

16.    Het secretariaat van het Icsid treedt op als secretariaat voor het Gerecht en verleent het passende ondersteuning. De kosten voor die ondersteuning worden door het Gerecht overeenkomstig artikel 10.48, lid 5, verdeeld over de partijen bij het geschil.

ARTIKEL 10.31

Beroepsinstantie

1.    Er wordt een permanente Beroepsinstantie ingesteld die hogere beroepen tegen uitspraken van het Gerecht behandelt.


2.    De Gezamenlijke Raad wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst zes leden van de Beroepsinstantie aan. Twee leden zijn onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, twee zijn onderdaan van Mexico en twee zijn onderdaan van derde landen. In dit verband stelt elke Partij drie kandidaten voor, van wie er twee onderdaan van die Partij kunnen zijn en één geen onderdaan is.

3.    De Gezamenlijke Raad kan besluiten het aantal leden met een veelvoud van drie te verhogen. Voor de aanwijzing van extra leden geldt het bepaalde in lid 2.

4.    De leden moeten over de vereiste kwalificaties beschikken om het ambt van rechter bij het Internationaal Gerechtshof te bekleden of moeten erkende rechtsgeleerden zijn. Zij moeten beschikken over aantoonbare deskundigheid op het gebied van internationaal publiekrecht en de onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden. Het is wenselijk dat zij over deskundigheid beschikken op het gebied van internationaal handelsrecht en geschillenbeslechting in het kader van internationale investerings- of internationale handelsovereenkomsten.

5.    De leden worden benoemd voor een ambtstermijn van vijf jaar. De ambtstermijn van drie van de zes leden die onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze overeenkomst door middel van loting worden aangewezen, bedraagt evenwel zeven jaar. Vacatures worden opgevuld zodra zij ontstaan. Een persoon die wordt aangewezen ter vervanging van een persoon wiens ambtstermijn nog niet is geëindigd, oefent het ambt uit voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn van zijn of haar voorganger. Een persoon die bij het verstrijken van zijn of haar ambtstermijn zitting heeft in een formatie van de Beroepsinstantie kan met toestemming van de president van de Beroepsinstantie na overleg met de andere leden van de formatie aanblijven als lid van die formatie totdat de procedures bij die formatie beëindigd zijn, en wordt uitsluitend met het oog daarop geacht lid te blijven van de Beroepsinstantie.


6.    De Beroepsinstantie behandelt de hogere beroepen in formaties bestaande uit drie leden, van wie één onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, één onderdaan van Mexico en één onderdaan van een derde land is. De formatie wordt voorgezeten door het lid dat onderdaan van een derde land is.

7.    De president van de Beroepsinstantie wijst overeenkomstig de krachtens lid 9 vastgestelde werkwijzen bij toerbeurt de leden aan die deel uitmaken van de formatie van de Beroepsinstantie die elke zaak behandelt, waarbij hij of zij erop toeziet dat de samenstelling van elke formatie willekeurig en niet voorspelbaar is en dat alle leden gelijke kansen hebben om te worden aangewezen als lid van een formatie.

8.    De president van de Beroepsinstantie is verantwoordelijk voor organisatorische aangelegenheden en wordt door middel van loting voor twee jaar aangewezen uit de leden die onderdaan van derde landen zijn. De presidenten oefenen het ambt bij toerbeurt uit en worden bij loting aangewezen door de voorzitter van de Gezamenlijke Raad. De krachtens lid 9 vastgestelde werkwijzen moeten de nodige voorschriften omvatten voor het geval de president tijdelijk niet beschikbaar is.

9.    De Beroepsinstantie stelt haar eigen werkwijzen vast na overleg met de Partijen.

10.    De leden dienen te allen tijde en op korte termijn beschikbaar te zijn en dienen zich op de hoogte te houden van andere activiteiten ter zake van de geschillenbeslechting in het kader van deze overeenkomst.


11.    De leden van de Beroepsinstantie ontvangen een maandelijks voorschot om hun beschikbaarheid te waarborgen, alsook een dagvergoeding voor elke dag dat zij als lid fungeren; de hoogte daarvan wordt vastgesteld bij besluit van Gezamenlijke Raad. De president van de Beroepsinstantie ontvangt voor elke dag dat hij of zij de functie van president van de Beroepsinstantie uitoefent een dagvergoeding.

12.    Het voorschot en de dagvergoedingen als bedoeld in lid 11 worden door beide Partijen, rekening houdend met hun respectieve ontwikkelingsniveau, gestort op een rekening die wordt beheerd door het secretariaat van het Icsid. Betaalt één van de Partijen die vergoedingen niet, dan kan de andere Partij ervoor kiezen de vergoedingen te betalen. Dergelijke achterstallige betalingen blijven verschuldigd, met passende rentevergoeding. Het Subcomité Diensten en investeringen evalueert regelmatig het bedrag en de verdeling van bovengenoemde vergoedingen en kan aanpassingen ter zake aanbevelen met het oog op een besluit van de Gezamenlijke Raad.

13.    Bij besluit van de Gezamenlijke Raad kunnen het voorschot en de dagvergoedingen permanent worden omgezet in een reguliere bezoldiging. In dat geval fungeren de leden van de Beroepsinstantie voltijds en stelt de Gezamenlijke Raad hun bezoldiging en daarmee verband houdende organisatorische maatregelen vast. In dat geval mogen de leden geen andere beroepswerkzaamheid, al dan niet tegen beloning, verrichten, tenzij van deze bepaling door de president van de Beroepsinstantie bij uitzondering afwijking is toegestaan.

14.    Het secretariaat van het Icsid treedt op als secretariaat voor de Beroepsinstantie en verleent het passende ondersteuning. De kosten voor die ondersteuning worden door de Beroepsinstantie overeenkomstig artikel 10.48, lid 5, verdeeld over de partijen bij het geschil.


ARTIKEL 10.32

Ethische code

1.    De leden van het Gerecht en van de Beroepsinstantie worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden. Zij zijn niet verbonden aan enige overheid 48 . Zij nemen geen instructies van enige regering of organisatie aan met betrekking tot aangelegenheden in verband met onder deze afdeling vallende geschillen. Zij nemen niet deel aan de behandeling van geschillen die rechtstreeks of indirect tot een belangenconflict zouden kunnen leiden. Daarbij voldoen zij aan de voorschriften van bijlage 10-D (Gedragscode voor leden van het Gerecht, leden van de Beroepsinstantie en bemiddelaars). Daarnaast treden zij na hun aanwijzing niet op als raadsman of als door een partij bij het geschil aangewezen deskundige of getuige in het kader van lopende of nieuwe investeringsgeschillen uit hoofde van deze of enige andere overeenkomst of intern recht.


2.    Wanneer een partij bij het geschil van mening is dat een lid van een formatie niet aan de vereisten van lid 1 voldoet, zendt zij de president van het Gerecht of de president van de Beroepsinstantie, naargelang van het geval, een bericht van wraking van dat lid. Het bericht van wraking wordt verzonden binnen 15 dagen na de datum waarop de samenstelling van de formatie van het Gerecht of de Beroepsinstantie is meegedeeld aan de partij bij het geschil, dan wel binnen 15 dagen na de datum waarop de partij bij het geschil kennis heeft gekregen van de relevante feiten, indien die redelijkerwijs niet bekend konden zijn geweest op het tijdstip van de samenstelling van de formatie. In het bericht van wraking worden de gronden voor wraking vermeld.

3.    Indien het gewraakte lid er binnen 15 dagen na de datum van het bericht van wraking voor kiest zijn functie in de formatie niet neer te leggen, neemt de president van het Gerecht, respectievelijk de president van de Beroepsinstantie, na de partijen bij het geschil te hebben gehoord en na het lid in de gelegenheid te hebben gesteld opmerkingen in te dienen, binnen 45 dagen na ontvangst van het bericht van wraking een besluit en stelt hij of zij de partijen bij het geschil en de andere leden van de formatie daarvan onverwijld in kennis.

4.    Over de wraking van de president van het Gerecht als lid van een formatie beslist de president van de Beroepsinstantie, en omgekeerd.


5.    De Partijen kunnen op grond van een met redenen omklede aanbeveling van de president van de Beroepsinstantie of op gezamenlijk initiatief, bij besluit van de Gezamenlijke Raad, een lid van het Gerecht of van de Beroepsinstantie van zijn of haar mandaat ontheffen wanneer zijn of haar gedrag in strijd is met de in lid 1 bedoelde verplichtingen en onverenigbaar is met de voortzetting van zijn of haar mandaat van lid van het Gerecht of van de Beroepsinstantie. Indien wordt gesteld dat het gedrag in kwestie dat is van de president van de Beroepsinstantie, doet de president van het Gerecht de met redenen omklede aanbeveling. Artikel 10.30, lid 2, en artikel 10.31, lid 2, zijn van overeenkomstige toepassing voor het opvullen van vacatures die op grond van dit lid ontstaan.

ARTIKEL 10.33

Multilateraal geschillenbeslechtingsmechanisme

1.    De Partijen moeten samenwerken bij de vaststelling van een multilateraal mechanisme voor de beslechting van investeringsgeschillen.

2.    Bij de inwerkingtreding tussen de Partijen van een internationale overeenkomst die voorziet in een dergelijk multilateraal mechanisme dat van toepassing is op geschillen in het kader van deze overeenkomst, wordt de toepassing van de desbetreffende delen van deze afdeling opgeschort en kan de Gezamenlijke Raad een besluit vaststellen waarin eventuele overgangsregelingen worden gespecificeerd.


ARTIKEL 10.34

Toepasselijk recht

1.    Het Gerecht stelt vast of de maatregel of maatregelen waarop het verzoek betrekking heeft, enige van de in artikel 10.21, lid 1, bedoelde bepalingen schendt zoals de eiser stelt.

2.    Bij deze vaststelling past het Gerecht de bepalingen van deze overeenkomst toe, alsook, in voorkomend geval, andere internationaalrechtelijke regels en beginselen die tussen de Partijen van toepassing zijn. Het legt deze overeenkomst uit volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van het internationaal publiekrecht, zoals neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht.

3.    Voor alle duidelijkheid: het Gerecht neemt, bij de vaststelling of een maatregel verenigbaar is met de in artikel 10.21, lid 1, bedoelde bepalingen, in voorkomend geval het interne recht van een Partij in aanmerking. Daarbij volgt het Gerecht de heersende uitlegging van het interne recht door de rechterlijke instanties of de autoriteiten van die Partij, en de rechterlijke instanties of de autoriteiten van die Partij zijn niet gebonden aan de uitlegging die het Gerecht aan het interne recht geeft.

4.    Voor alle duidelijkheid: het Gerecht is niet bevoegd de wettigheid van een maatregel waarvan wordt gesteld dat die een schending van de in artikel 10.21, lid 1, genoemde bepalingen vormt, te toetsen aan het interne recht van de Partij bij het geschil.


5.    Een Partij die problemen ondervindt met betrekking tot de uitlegging van dit hoofdstuk, kan de Gezamenlijke Raad verzoeken de kwestie te onderzoeken. De Gezamenlijke Raad kan besluiten nemen over de uitlegging van de betrokken bepalingen. Een dergelijke uitlegging is bindend voor het Gerecht en de Beroepsinstantie. De Gezamenlijke Raad kan beslissen dat een uitlegging met ingang van een specifieke datum een bindend karakter heeft.

6.    Indien een verweerder ter verdediging aanvoert dat de maatregel ten aanzien waarvan wordt gesteld dat die een in artikel 10.21, lid 1, bedoelde bepaling schendt, binnen het toepassingsgebied valt van een niet-conforme maatregel zoals uiteengezet in bijlage I (Voorbehouden voor bestaande maatregelen) of bijlage II (Voorbehouden in verband met toekomstige maatregelen), verzoekt het Gerecht, op verzoek van de verweerder, de Gezamenlijke Raad om interpretatie ter zake van de kwestie. De Gezamenlijke Raad legt elk besluit over de interpretatie ervan krachtens artikel 1.7 (Specifieke taken van de Gezamenlijke Raad) binnen negentig dagen na de indiening van het verzoek voor aan het Gerecht.

7.    Een krachtens lid 6 door de Gezamenlijke Raad voorgelegd besluit is bindend voor het Gerecht, en elke beslissing of uitspraak van het Gerecht moet met dat besluit in overeenstemming zijn. Indien de Gezamenlijke Raad niet binnen negentig dagen een besluit neemt, beslist het Gerecht.


ARTIKEL 10.35

Omzeilingsclausule

Voor alle duidelijkheid: het Gerecht verklaart zich onbevoegd wanneer het geschil is gerezen, of met hoge mate van waarschijnlijkheid voorzienbaar was, op het tijdstip waarop de eiser de eigendom van of de zeggenschap over de in geschil zijnde investering verkreeg, en het Gerecht op basis van de feiten van het geval vaststelt dat de eiser de eigendom van of de zeggenschap over de investering heeft verkregen met als hoofddoel overeenkomstig deze afdeling een verzoek in te dienen. De mogelijkheid om zich in dergelijke omstandigheden onbevoegd te verklaren laat eventuele andere voor het Gerecht opgeworpen excepties ten aanzien van de bevoegdheid onverlet.

ARTIKEL 10.36

Kennelijk oneigenlijke verzoeken

1.    De verweerder kan, uiterlijk dertig dagen na de instelling van de formatie van het Gerecht en in elk geval vóór de eerste zitting daarvan, of uiterlijk dertig dagen nadat de verweerder op de hoogte kwam van de feiten waarop de exceptie gebaseerd is, de exceptie opwerpen dat een verzoek kennelijk oneigenlijk is.


2.    Een exceptie in de zin van lid 1 kan niet worden opgeworpen wanneer de verweerder een exceptie krachtens artikel 10.37 heeft opgeworpen.

3.    De verweerder geeft de gronden voor de exceptie zo nauwkeurig mogelijk aan.

4.    Na ontvangst van een exceptie krachtens dit artikel schorst het Gerecht de procedure ten gronde en stelt het een tijdschema voor het onderzoek van die exceptie op dat is afgestemd op het tijdschema dat het voor het onderzoek van eventuele andere preliminaire kwesties heeft opgesteld.

5.    Nadat het Gerecht de partijen bij het geschil in de gelegenheid heeft gesteld om hun opmerkingen te maken, neemt het op zijn eerste zitting of zo spoedig mogelijk daarna een besluit over of doet het uitspraak op de exceptie, met opgave van de redenen. Daarbij worden de vermeende feiten geacht juist te zijn.

6.    Dit artikel laat de bevoegdheid van het Gerecht om vóór de behandeling ten principale andere excepties te onderzoeken, alsook het recht van de verweerder om tijdens de procedure aan te voeren dat een verzoek oneigenlijk is, onverlet.


ARTIKEL 10.37

Rechtens ongegronde verzoeken

1.    Onverminderd de bevoegdheid van het Gerecht om vóór de behandeling ten principale andere excepties te onderzoeken en onverminderd het recht van de verweerder om op een gepast tijdstip excepties op te werpen, onderzoekt het Gerecht vóór de behandeling ten principale en doet het vóór de behandeling ten principale uitspraak op elke door de verweerder opgeworpen exceptie dat ten aanzien van een krachtens artikel 10.26 ingediend verzoek, of onderdeel daarvan, rechtens geen voor de eiser gunstige uitspraak kan worden gedaan krachtens deze afdeling, ook indien de vermeende feiten geacht worden juist te zijn.

2.    Een exceptie krachtens lid 1 moet uiterlijk op de door het Gerecht vastgestelde datum waarop de verweerder zijn contramemorie of verweerschrift moet indienen bij het Gerecht worden opgeworpen.

3.    Wanneer een exceptie krachtens artikel 10.36 is opgeworpen, kan het Gerecht, rekening houdend met de omstandigheden in verband met die exceptie, volgens de in dit artikel vastgelegde procedures weigeren een krachtens lid 1 opgeworpen exceptie te onderzoeken.

4.    Na ontvangst van een exceptie krachtens lid 1 en, in voorkomend geval, na te hebben besloten een exceptie krachtens lid 3 niet af te wijzen, en tenzij het van oordeel is dat de exceptie kennelijk ongegrond is, schorst het Gerecht de procedure ten gronde, stelt het een tijdschema voor het onderzoek van de exceptie op dat is afgestemd op de tijdschema’s die het voor het onderzoek van eventuele andere preliminaire kwesties heeft opgesteld, en neemt het een besluit over of doet het voorlopig uitspraak op de exceptie, met opgave van de redenen.


ARTIKEL 10.38

Transparantie van de procedure

1.    Het Gerecht maakt onverwijld alle schriftelijke stukken die de partijen bij het geschil bij het Gerecht hebben ingediend, alsook alle beschikkingen, beslissingen en uitspraken van het Gerecht of, in voorkomend geval, van de president van het Gerecht, openbaar, met uitzondering van beschermde informatie die bestaat uit:

a)    vertrouwelijke bedrijfsinformatie 49 ;

b)    vertrouwelijke informatie die bij wet beschermd is tegen openbaarmaking; en

c)    informatie waarvan openbaarmaking de rechtshandhaving zou belemmeren.


2.    Het Gerecht houdt openbare zittingen en stelt in overleg met de partijen bij het geschil de nodige logistieke regelingen vast. Indien een partij bij het geschil voornemens is in een zitting informatie te gebruiken die beschermd is, stelt zij het Gerecht hiervan in kennis. Het Gerecht treft passende regelingen om dergelijke informatie te beschermen tegen openbaarmaking, wat kan inhouden dat de zitting zolang die informatie wordt besproken achter gesloten deuren plaatsvindt.

3.    De in lid 1 bedoelde schriftelijke stukken omvatten de memorie, de contramemorie, de memorie van repliek, de memorie van dupliek en elk ander stuk dat een partij bij het geschil tijdens de procedure indient, zoals een bericht van wraking krachtens artikel 10.32, lid 2, of het verzoek om voeging krachtens artikel 10.47.

4.    De notulen of afschriften van de zittingen worden, indien beschikbaar, openbaar gemaakt, met dien verstande dat de in lid 1 bedoelde beschermde informatie wordt weggelaten.

5.    Elke Partij maakt tijdig en vóór de samenstelling van een formatie van het Gerecht het in artikel 10.22 bedoelde verzoek om overleg, het verzoek om vaststelling van de verweerder en de in artikel 10.24 bedoelde bepaling van de verweerder openbaar, waarbij de beschermde informatie wordt weggelaten. Daartoe verstrekt de eiser een openbare versie van zijn verzoek om overleg en zijn mededeling met het verzoek om bepaling van de verweerder, waarin de beschermde informatie is weggelaten, bij voorkeur op hetzelfde tijdstip maar uiterlijk 15 dagen na de indiening van de niet-openbare versie. Indien de eiser geen openbare versie verstrekt, wordt hij geacht ermee in te stemmen dat de ingediende documenten openbaar worden gemaakt.


6.    Het Gerecht kan op verzoek alle stukken openbaar maken, na overleg met de betrokken partij bij het geschil om openbaarmaking van beschermde informatie te voorkomen, en na deze partij een redelijke termijn te hebben gegeven om in voorkomend geval de desbetreffende gedeelten van de stukken te bewerken.

7.    Voor de toepassing van lid 1 is elke partij bij het geschil eraan gehouden om binnen dertig dagen na de indiening van haar schriftelijke stukken of binnen een andere door het Gerecht gestelde termijn bewerkte versies van die stukken in te dienen bij het Gerecht. Het Gerecht kan de bewerkte versies van de partijen bij het geschil bestuderen en beoordelen of de bewerkte informatie moet worden beschermd. Het Gerecht beslist, na raadpleging van de partijen bij het geschil, over eventuele bezwaren betreffende de kwalificatie of de redactie van informatie die als beschermde informatie wordt aangemerkt. Indien het Gerecht bepaalt dat informatie niet uit een stuk wordt weggelaten of dat de openbaarmaking van het stuk niet wordt verhinderd, wordt elke partij bij het geschil die het stuk vrijwillig heeft ingediend, toegestaan het stuk geheel of gedeeltelijk uit het dossier van de procedure terug te trekken.

8.    Het Gerecht overlegt vóór de bekendmaking ervan met de partijen bij het geschil of een door het Gerecht gegeven beschikking, beslissing of uitspraak beschermde informatie als bedoeld in lid 1, punt a), b) of c), bevat.


9.    Indien een partij bij het geschil het Gerecht niet binnen dertig dagen na indiening van een stuk of raadpleging van de partij bij het geschil krachtens de leden 6 en 8, of binnen een andere door het Gerecht gestelde termijn, verzoekt om een vertrouwelijke behandeling van beschermde informatie in een bepaald stuk of een bepaalde beschikking, beslissing of uitspraak, wordt die partij geacht in te stemmen met de openbaarmaking van dat stuk of die beschikking, beslissing of uitspraak.

10.    Het Gerecht kan de in dit artikel bedoelde stukken openbaar maken door ze aan te melden bij het register waarnaar wordt verwezen in de Uncitral-voorschriften betreffende transparantie van op een verdrag gebaseerde arbitrage tussen investeerders en staten.

11.    Niets in deze afdeling vereist dat een verweerder informatie achterhoudt voor het publiek waarvan openbaarmaking op grond van zijn recht is voorgeschreven.

ARTIKEL 10.39

Voorlopige beschermingsmaatregelen

1.    Het Gerecht kan een voorlopige beschermingsmaatregel gelasten om de rechten van een partij bij het geschil te vrijwaren of om ervoor te zorgen dat het Gerecht zijn bevoegdheid volledig kan uitoefenen, met inbegrip van een beschikking tot bewaring van bewijsmateriaal dat een partij bij het geschil bezit of waarover die partij controle heeft.


2.    Het Gerecht kan noch een bevel tot beslaglegging uitvaardigen noch de toepassing verbieden van een maatregel waarvan wordt gesteld dat hij een schending als bedoeld in artikel 10.26 vormt. Voor de toepassing van dit lid omvat een beschikking ook een aanbeveling.

ARTIKEL 10.40

Afstand van instantie

Wanneer de eiser, na de indiening van een verzoek krachtens deze afdeling, gedurende honderdtachtig opeenvolgende dagen of gedurende een door de partijen bij het geschil overeengekomen periode geen procedurele maatregelen heeft genomen, wordt hij geacht zijn verzoek te hebben ingetrokken en afstand van instantie te hebben gedaan. Op verzoek van de verweerder en na kennisgeving aan de partijen bij het geschil neemt het Gerecht middels een beschikking akte van de afstand van instantie en beslist het over de kosten. Nadat een dergelijke beschikking is gegeven, is het Gerecht niet langer bevoegd. De eiser kan niet in een later stadium een verzoek met betrekking tot dezelfde kwestie indienen dat verband houdt met dezelfde maatregel of maatregelen.


ARTIKEL 10.41

Zekerheidstelling voor kosten

1.    Voor alle duidelijkheid: het Gerecht kan, op verzoek, de eiser gelasten een zekerheid te stellen voor alle kosten of een deel ervan indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de eiser de kosten niet zal kunnen voldoen wanneer hij in de kosten wordt verwezen.

2.    Indien de zekerheid voor de kosten niet volledig wordt gesteld binnen dertig dagen na de uitvaardiging van een bevel krachtens lid 1 of binnen een andere door het Gerecht gestelde termijn, stelt het Gerecht de partijen bij het geschil daarvan in kennis. Het Gerecht kan de schorsing of de beëindiging van de procedure gelasten.

ARTIKEL 10.42

Niet bij het geschil betrokken Partij

1.    De verweerder verstrekt binnen dertig dagen na ontvangst ervan of onmiddellijk nadat een geschil betreffende beschermde informatie is beslecht 50 , aan de niet bij het geschil betrokken Partij:

a)    het in artikel 10.22 bedoelde verzoek om overleg, de in artikel 10.24 bedoelde mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder en het in artikel 10.26 bedoelde verzoek;


b)    op verzoek:

i)    de procedurestukken, dossierstukken, verzoekschriften en andere door een partij bij het geschil bij het Gerecht ingediende stukken;

ii)    schriftelijke opmerkingen die derden krachtens artikel 10.43 indienen bij het Gerecht;

iii)    de processen-verbaal of verslagen van de zittingen van het Gerecht, indien beschikbaar; en

iv)    de beschikkingen, uitspraken en beslissingen van het Gerecht; en

c)    op verzoek en voor rekening van de niet bij het geschil betrokken Partij, al het bewijsmateriaal dat aan het Gerecht is voorgelegd, of een deel ervan, met inbegrip van bewijsstukken die zijn gevoegd bij de in de punten a) en b) bedoelde documenten.

2.    De niet bij het geschil betrokken Partij is gerechtigd een uit hoofde van deze afdeling gehouden zitting bij te wonen en bij het Gerecht mondelinge en schriftelijke opmerkingen te maken over de uitlegging van deze overeenkomst. Het Gerecht ziet erop toe dat de partijen bij het geschil een redelijke gelegenheid wordt geboden om hun opmerkingen in te dienen over opmerkingen van de niet bij het geschil betrokken Partij.


ARTIKEL 10.43

Interventie door derden

1.    Na overleg met de partijen bij het geschil kan het Gerecht schriftelijke opmerkingen van een amicus curiae betreffende een feitelijke of juridische kwestie met betrekking tot het geschil aanvaarden en in overweging nemen.

2.    Elke bijdrage van een amicus curiae wordt schriftelijk ingediend in de proceduretaal, tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen. In elke bijdrage worden de identiteit van de auteur, elke rechtstreekse of indirecte band met een partij bij het geschil vermeld alsook elke persoon, overheid of andere entiteit die financiële of andere bijstand heeft verleend of zal verlenen bij het opstellen van de bijdrage. Bovendien moet de auteur van de bijdrage bewijs verstrekken dat hij of zij rechtstreeks of indirect verbonden is met een van de partijen bij het geschil en aangeven wat de aard van zijn of haar belang bij het geschil is.

3.    Indien het Gerecht de krachtens de leden 1 en 2 ingediende opmerkingen aanvaardt, stelt het de partijen bij het geschil in de gelegenheid daarop te reageren.


ARTIKEL 10.44

Deskundigenverslagen

Onverminderd de benoeming van deskundigen van andere aard wanneer de in artikel 10.26, lid 2, bedoelde toepasselijke regels zulks toestaan, kan het Gerecht, op verzoek van een partij bij het geschil of op eigen initiatief na overleg met de partijen bij het geschil, een of meer deskundigen aanwijzen om hem schriftelijk verslag uit te brengen over een wetenschappelijk feit, zoals milieu-, gezondheids- of veiligheidskwesties, of andere kwesties die door een partij bij het geschil in de procedure aan de orde worden gesteld, met inachtneming van de voorwaarden die de partijen bij het geschil kunnen overeenkomen.

ARTIKEL 10.45

Schadevergoeding of andere vorm van compensatie

De verweerder mag niet bij wijze van verweer, tegenvordering of compensatierecht dan wel om enige andere reden aanvoeren, en het Gerecht mag niet als zodanig aanvaarden, dat de eiser of de plaatselijk gevestigde onderneming namens wie het verzoek wordt ingediend, met betrekking tot de volledige of een deel van de schadevergoeding die wordt gevorderd, uit hoofde van een verzekerings- of garantieovereenkomst een schadevergoeding of andere vorm van compensatie heeft of zal ontvangen.


ARTIKEL 10.46

Rol van de Partijen

1.    Een Partij mag geen internationaal verzoek indienen met betrekking tot een krachtens artikel 10.26 ingediend verzoek, tenzij de andere Partij de in het geschil gedane uitspraak niet heeft geëerbiedigd of niet is nagekomen.

2.    Lid 1 sluit niet uit dat in verband met een algemeen toepasselijke maatregel een beroep kan worden gedaan op geschillenbeslechting krachtens hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting), ook indien wordt gesteld dat die maatregel deze overeenkomst heeft geschonden met betrekking tot een specifieke investering ten aanzien waarvan een verzoek is ingediend krachtens artikel 10.26; laat artikel 10.42 onverlet.

3.    Lid 1 vormt geen beletsel voor informele uitwisselingen die uitsluitend tot doel hebben de beslechting van het geschil te vergemakkelijken.


ARTIKEL 10.47

Voeging

1.    Wanneer in twee of meer krachtens artikel 10.26 afzonderlijk ingediende verzoeken eenzelfde rechtsvraag of feitelijke vraag aan de orde is en die verzoeken uit dezelfde gebeurtenissen of omstandigheden voortvloeien, kan een partij bij het geschil of kunnen de partijen bij het geschil gezamenlijk op grond van dit artikel verzoeken om de samenstelling van een afzonderlijke formatie van het Gerecht en vragen dat deze formatie een voegingsbeschikking geeft (hierna “verzoek om voeging” genoemd).

2.    De partij bij het geschil die om een voegingsbeschikking verzoekt, zendt eerst een kennisgeving aan de partijen bij het geschil tot welke zij wenst dat de voegingsbeschikking gericht zal zijn.

3.    Indien de in lid 2 bedoelde partijen bij het geschil overeenstemming hebben bereikt over het verzoeken om een voegingsbeschikking, kunnen zij een gezamenlijk verzoek om voeging indienen. Indien die partijen bij het geschil niet binnen dertig dagen na de kennisgeving overeenstemming hebben bereikt over het verzoek om voeging, kan een partij bij het geschil een verzoek om voeging indienen.

4.    Het verzoek om voeging wordt schriftelijk meegedeeld aan de president van het Gerecht en aan alle partijen bij het geschil waaraan de voegingsbeschikking gericht zal zijn, en in het verzoek wordt het volgende vermeld:

a)    de naam en het adres van de partijen bij het geschil waaraan de voegingsbeschikking gericht zal zijn;


b)    het verzoek of onderdelen daarvan waarvoor om voeging wordt verzocht; en

c)    de gronden voor het verzoek om voeging.

5.    Voor een verzoek om voeging waarbij meer dan één verweerder is betrokken, is de instemming van alle verweerders vereist.

6.    De voorschriften die van toepassing zijn op de in dit artikel bedoelde procedures, worden als volgt vastgesteld:

a)    wanneer alle verzoeken waarvoor om voeging wordt verzocht, op grond van dezelfde voorschriften overeenkomstig artikel 10.26, lid 2, zijn ingediend met het oog op geschillenbeslechting, zijn die voorschriften van toepassing;

b)    wanneer de verzoeken waarvoor om voeging wordt verzocht, niet op grond van dezelfde voorschriften overeenkomstig artikel 10.26, lid 2, zijn ingediend met het oog op geschillenbeslechting:

i)    kunnen de eisers overeenstemming bereiken over de toepasselijke voorschriften als bedoeld in artikel 10.26, lid 2; of

ii)    indien de eisers het binnen dertig dagen nadat de voorzitter van het Gerecht het verzoek om voeging heeft ontvangen, niet eens zijn geworden over de toepasselijke voorschriften, zijn de Uncitral-arbitragevoorschriften van toepassing, met inachtneming van de in deze afdeling uiteengezette specifieke voorschriften.


7.    De president van het Gerecht stelt, na ontvangst van een verzoek om voeging en overeenkomstig artikel 10.30, lid 8, een nieuwe formatie van het Gerecht (hierna “formatie die uitspraak over de voeging doet” genoemd) samen die bevoegd is om, geheel of ten dele, kennis te nemen van alle of een deel van de verzoeken die het voorwerp van het verzoek om voeging zijn.

8.    Wanneer de formatie die uitspraak over de voeging doet, na de partijen bij het geschil te hebben gehoord, vaststelt dat in de krachtens artikel 10.26 ingediende verzoeken eenzelfde rechtsvraag of feitelijke vraag aan de orde is en die verzoeken uit dezelfde gebeurtenissen of omstandigheden voortvloeien, en dat voeging het belang van een eerlijke en doeltreffende afhandeling van de verzoeken zou dienen, kan zij zich, met het oog op de consistentie van de uitspraken, bij beschikking bevoegd verklaren om, geheel of ten dele, kennis te nemen van alle of een deel van de verzoeken.

9.    Wanneer de formatie die uitspraak over de voeging doet, zich op grond van lid 8 bevoegd heeft verklaard, kan een eiser die krachtens artikel 10.26 een verzoek heeft ingediend dat niet is gevoegd, het Gerecht schriftelijk verzoeken dat de voegingsbeschikking ook tot hem gericht zal zijn, op voorwaarde dat het verzoek voldoet aan de voorwaarden van lid 4. De formatie die uitspraak over de voeging doet, geeft een voegingsbeschikking wanneer zij vaststelt dat aan de voorwaarden van lid 8 is voldaan en dat het geven van de beschikking de partijen bij het geschil niet onnodig zou belasten of op onbillijke wijze zou benadelen dan wel de procedure niet onnodig zou verstoren.

10.    Op verzoek van een partij bij het geschil kan de formatie die uitspraak over de voeging doet, alvorens haar beschikking krachtens lid 8 te geven, gelasten dat de behandeling door een op grond van artikel 10.30 ingestelde formatie van het Gerecht wordt geschorst, tenzij laatstbedoeld Gerecht zijn zitting reeds heeft verdaagd.


11.    Een krachtens artikel 10.30 ingestelde formatie van het Gerecht ziet af van de bevoegdheid ten aanzien van de verzoeken, of onderdelen daarvan, waarvoor een formatie die uitspraak over de voeging doet zich bevoegd heeft verklaard.

12.    De uitspraak van een formatie die uitspraak over de voeging doet met betrekking tot de verzoeken, of delen daarvan, waarvoor zij zich bevoegd heeft verklaard, is bindend voor de krachtens artikel 10.30 ingestelde formatie van het Gerecht wat die verzoeken of delen daarvan betreft.

13.    Een eiser kan een krachtens artikel 10.26 in het kader van een voegingsprocedure behandeld verzoek intrekken, en dat verzoek mag niet opnieuw worden ingediend krachtens dat artikel.

14.    Op verzoek van een eiser kan een formatie die uitspraak over de voeging doet maatregelen nemen om de vertrouwelijkheid van de in artikel 10.38, lid 1, bedoelde beschermde gegevens van die eiser ten aanzien van andere eisers te waarborgen. Die maatregelen kunnen onder meer inhouden dat bewerkte versies van documenten die beschermde informatie bevatten, worden overgelegd aan de andere eisers of dat de zitting gedeeltelijk achter gesloten deuren plaatsvindt.


ARTIKEL 10.48

Uitspraak

1.    Indien het Gerecht tot de conclusie komt dat de verweerder een van de in artikel 10.21, lid 1, bedoelde, door de eiser aangevoerde bepalingen heeft geschonden, kan het Gerecht uitsluitend, op verzoek van de eiser en na de partijen bij het geschil te hebben gehoord, afzonderlijk dan wel in combinatie:

a)    een financiële schadevergoeding, vermeerderd met eventueel toepasselijke rente, toekennen; en

b)    de teruggave van eigendom gelasten, in welk geval in de uitspraak wordt bepaald dat de verweerder over de mogelijkheid beschikt om in plaats daarvan een financiële schadevergoeding, vermeerderd met eventueel toepasselijke rente, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 10.18, te betalen.

2.    Met inachtneming van lid 1 wordt, indien een verzoek wordt ingediend namens een plaatselijk gevestigde onderneming en een voor die onderneming gunstige uitspraak wordt gedaan, in de uitspraak bepaald dat:

a)    de teruggave van eigendom geschiedt aan de lokaal gevestigde onderneming;


b)    de financiële schadevergoeding, vermeerderd met eventueel toepasselijke rente, wordt betaald aan de plaatselijk gevestigde onderneming; en

c)    de uitspraak enig recht dat een persoon krachtens het recht van een Partij kan hebben op de in de uitspraak voorziene maatregel, onverlet laat.

3.    Voor alle duidelijkheid: het Gerecht kan geen andere dan de in het lid 1 vermelde vormen van genoegdoening toekennen, noch de intrekking, beëindiging of wijziging van de betrokken maatregel of maatregelen gelasten.

4.    De financiële schadevergoeding mag niet meer bedragen dan het verlies dat de eiser of, in voorkomend geval, de plaatselijk gevestigde onderneming heeft geleden door de schending van de bepalingen als bedoeld in artikel 10.21, lid 1, verminderd met de eventueel reeds door de betrokken Partij betaalde schadevergoeding of compensatie. Het Gerecht kent geen punitieve schadevergoeding toe. Voor alle duidelijkheid: een investeerder die een verzoek indient overeenkomstig artikel 10.26, lid 1, punt a), kan alleen de schade verhalen die hij heeft geleden als investeerder van een Partij.


5.    Het Gerecht verwijst de in het ongelijk gestelde partij bij het geschil in de kosten van de procedure. In uitzonderlijke omstandigheden kan het Gerecht, indien het zulks in de omstandigheden van het geval passend acht, de kosten over de partijen bij het geschil verdelen. Andere redelijke kosten, met inbegrip van de redelijke kosten in verband met vertegenwoordiging in rechte en rechtsbijstand, worden gedragen door de in het ongelijk gestelde partij bij het geschil, tenzij het Gerecht zulks in de omstandigheden van het geval onredelijk acht. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de kosten of van de verdeling ervan kan het Gerecht ook rekening houden met de vraag of de aan de in het gelijk gestelde partij te vergoeden kosten buitensporig hoger zijn dan de door de in het ongelijk gestelde partij gemaakte kosten. Indien het verzoek slechts op bepaalde onderdelen wordt toegewezen, dan vindt de verwijzing in de kosten van de procedure en in de andere redelijke kosten plaats naar evenredigheid van het aantal of de omvang van de onderdelen waarop het verzoek is toegewezen. De Beroepsinstantie beslist over de kosten overeenkomstig dit artikel.

6.    Uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst stelt de Gezamenlijke Raad aanvullende voorschriften inzake honoraria vast teneinde een maximum te bepalen van de kosten in verband met vertegenwoordiging in rechte en rechtsbijstand die moeten worden gedragen door bepaalde categorieën in het ongelijk gestelde partijen bij een geschil, rekening houdend met hun financiële middelen.


7.    Het Gerecht en de partijen bij het geschil stellen alles in het werk om ervoor te zorgen dat de geschillenbeslechtingsprocedure tijdig wordt uitgevoerd. Het Gerecht geeft zijn uitspraak binnen dertig maanden na de datum waarop het verzoek krachtens artikel 10.26 is ingediend. Indien het Gerecht meer tijd nodig heeft om zijn uitspraak te geven, doet het de partijen bij het geschil opgave van de redenen voor de vertraging.

8.    Een uitspraak wordt definitief indien negentig dagen zijn verstreken en geen van de partijen bij het geschil tegen de uitspraak hoger beroep heeft ingesteld bij de Beroepsinstantie.

9.    Elke partij bij het geschil kan overeenkomstig artikel 10.49 beroep instellen tegen de uitspraak. In dat geval is het Gerecht, indien de Beroepsinstantie de uitspraak van het Gerecht wijzigt of vernietigt en de zaak terugverwijst naar het Gerecht, gebonden aan de bevindingen van de Beroepsinstantie en herziet het, na de partijen bij het geschil zo nodig te hebben gehoord, zijn uitspraak om rekening te houden met de bevindingen en conclusies van de Beroepsinstantie. Het Gerecht tracht zijn herziene uitspraak te geven binnen negentig dagen nadat de Beroepsinstantie de verwijzing heeft ontvangen. De herziene uitspraak wordt negentig dagen na de uitspraak definitief.


ARTIKEL 10.49

Procedure in hoger beroep

1.    Een partij bij het geschil kan binnen negentig dagen na de datum van een uitspraak hoger beroep daartegen instellen bij de Beroepsinstantie. De gronden voor hoger beroep zijn:

a)    dat het Gerecht het toepasselijke recht onjuist heeft uitgelegd of toegepast;

b)    dat het Gerecht de feiten, met inbegrip van het desbetreffende interne recht, kennelijk onjuist heeft beoordeeld; of

c)    de in artikel 52 van het Icsid-verdrag genoemde gronden voor zover zij niet onder de punten a) of b) van dit lid vallen.

2.    Indien de Beroepsinstantie het hoger beroep afwijst, wordt de uitspraak definitief. De Beroepsinstantie kan het hoger beroep ook versneld afwijzen wanneer duidelijk is dat het beroep kennelijk ongegrond is; in dat geval wordt de uitspraak definitief. Als het hoger beroep gegrond is, wijzigt of vernietigt de Beroepsinstantie de juridische bevindingen en conclusies in de uitspraak geheel of ten dele. In haar beslissing preciseert zij hoe zij de desbetreffende bevindingen en conclusies van het Gerecht heeft gewijzigd of vernietigd.


3.    In de regel duurt de procedure in hoger beroep niet langer dan honderdtachtig dagen vanaf de datum waarop een partij bij het geschil hoger beroep instelt tot de datum waarop de Beroepsinstantie haar beslissing bekendmaakt. Als de Beroepsinstantie van oordeel is dat zij haar beslissing niet binnen honderdtachtig dagen kan nemen, deelt zij de partijen bij het geschil schriftelijk de redenen voor de vertraging mee en verstrekt zij een raming van de termijn waarbinnen zij haar beslissing zal nemen. De procedure duurt in geen geval langer dan tweehonderdzeventig dagen.

4.    De Beroepsinstantie kan de partij bij het geschil die beroep instelt, gelasten zekerheid te stellen voor alle kosten van de procedure in hoger beroep of een deel daarvan.

5.    Het bepaalde in de artikelen 10.23, 10.27, 10.29, 10.34, 10.38, 10.39, 10.40, 10.42 en 10.43 is van overeenkomstige toepassing op de procedure in hoger beroep.

6.    De Gezamenlijke Raad kan voorschriften vaststellen om de Beroepsinstantie richtsnoeren te geven voor het voeren van de procedure in hoger beroep in geval van splitsing van de procedure voor het Gerecht.


ARTIKEL 10.50

Uitvoering van uitspraken

1.    Een uitspraak op grond van deze afdeling is slechts afdwingbaar als zij definitief is geworden krachtens artikel 10.48, lid 8, artikel 10.48, lid 9, of artikel 10.49. Een overeenkomstig deze afdeling gedane definitieve uitspraak van het Gerecht of de Beroepsinstantie is bindend voor de partijen bij het geschil en is niet vatbaar voor hoger beroep, toetsing, vernietiging, nietigverklaring of enig ander rechtsmiddel 51 .

2.    Een Partij erkent een op grond van deze afdeling gegeven uitspraak als bindend en voert de geldelijke verplichting op haar grondgebied uit alsof het een definitieve beslissing van een rechterlijke instantie in die Partij was.

3.    De uitvoering van de uitspraak is onderworpen aan de wettelijke regelingen en internationale verbintenissen betreffende de uitvoering van vonnissen of uitspraken die gelden op de plaats waar om de uitvoering wordt verzocht.

4.    Voor alle duidelijkheid: artikel 2.11 van hoofdstuk IV van deze overeenkomst belet niet dat uitspraken op grond van deze afdeling worden erkend, uitgevoerd en afgedwongen.


5.    Voor de toepassing van artikel 1 van het Verdrag van New York is een definitieve uitspraak krachtens deze afdeling een arbitrale uitspraak die verband houdt met een geschil dat geacht wordt voort te vloeien uit een handelsrechtelijke betrekking of een handelstransactie.

6.    Voor alle duidelijkheid en met inachtneming van lid 1 geldt een definitieve uitspraak op grond van deze afdeling, wanneer een geschil krachtens artikel 10.26, lid 2, punt a), aan geschillenbeslechting is onderworpen, als een uitspraak in de zin van afdeling 6 van hoofdstuk IV van het Icsid-verdrag.

ARTIKEL 10.51

Betekening of kennisgeving van stukken

Verzoeken om overleg, mededelingen en andere aan een Partij gerichte documenten worden afgeleverd op de voor die Partij in bijlage 10-E, of haar respectieve opvolgers, vermelde plaatsen. Een Partij maakt elke wijziging van de in die bijlage genoemde plaats onverwijld openbaar en stelt de andere Partij daarvan in kennis.


DEEL E

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 10.52

Weigering van toekenning van voordelen

Een Partij kan weigeren de voordelen van dit hoofdstuk toe te kennen aan een investeerder uit de andere Partij die een onderneming uit deze Partij is en aan de investeringen van die investeerder indien:

a)    een investeerder uit een derde land eigenaar is van of zeggenschap heeft over de onderneming; en

b)    de Partij die de voordelen weigert toe te kennen, ten aanzien van dat derde land of ten aanzien van natuurlijke personen of ondernemingen uit dat derde land een maatregel vaststelt of handhaaft die transacties met de onderneming verbiedt of die zou worden geschonden of omzeild indien de voordelen van dit hoofdstuk aan die investeerder of aan diens investeringen zouden worden toegekend.


ARTIKEL 10.53

Beëindiging

1.    Indien deze overeenkomst wordt beëindigd krachtens artikel 2.13 van deel IV van deze overeenkomst, blijven artikel 10.7, lid 2, artikel 10.8, lid 2, en artikel 10.12 en de afdelingen C, D en E van dit hoofdstuk, alsook alle andere relevante bepalingen van deze overeenkomst, nog eens vijf jaar vanaf de datum van beëindiging van toepassing wat betreft de onder de overeenkomst vallende investeringen die vóór de datum van beëindiging van deze overeenkomst zijn verricht.

2.    De in lid 1 bedoelde periode wordt eenmaal met vijf jaar verlengd, mits er geen andere investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Partijen van kracht is.

3.    Dit artikel is niet van toepassing wanneer de voorlopige toepassing van deze overeenkomst wordt beëindigd en deze overeenkomst niet in werking treedt.


ARTIKEL 10.54

Verhouding tot andere overeenkomsten

1.    Op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst zijn de in bijlage 10-C genoemde tussen de lidstaten van de Europese Unie en Mexico gesloten overeenkomsten, met inbegrip van de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen 52 , niet langer van kracht en komen zij te vervallen en worden zij door deze overeenkomst vervangen.

2.    Indien de voorlopige toepassing van deze overeenkomst overeenkomstig artikel 2.5, lid 4, van deel IV van deze overeenkomst betrekking heeft op deze afdeling en op de afdelingen C en D van dit hoofdstuk, wordt de toepassing van de in bijlage 10-C vermelde overeenkomsten, alsmede van de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen, opgeschort met ingang van de datum van voorlopige toepassing. Indien de voorlopige toepassing van deze overeenkomst wordt beëindigd en deze overeenkomst niet in werking treedt, wordt de opschorting opgeheven en worden de in bijlage 10-C vermelde overeenkomsten van kracht vanaf de datum waarop de voorlopige toepassing wordt beëindigd.


3.    Niettegenstaande de leden 1 en 2 kan een verzoek op grond van een in bijlage 10-C vermelde overeenkomst worden ingediend overeenkomstig de in die overeenkomst vastgestelde regels en procedures, op voorwaarde dat:

a)    het verzoek voortvloeit uit een vermeende schending van die overeenkomst die heeft plaatsgevonden vóór de datum van opschorting van die overeenkomst op grond van lid 2 of, indien die overeenkomst niet langer van kracht is op grond van lid 1, vóór de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst; en

b)    niet meer dan drie jaar zijn verstreken vanaf de datum van opschorting van die overeenkomst op grond van lid 2 of, indien die overeenkomst niet langer van kracht is op grond van lid 1, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst tot de datum van indiening van het verzoek.

4.    Niettegenstaande lid 2 kan, indien de voorlopige toepassing van deze overeenkomst, met inbegrip van de in lid 2 gespecificeerde bepalingen van dit hoofdstuk, wordt beëindigd en deze overeenkomst niet in werking treedt, een verzoek uit hoofde van dit hoofdstuk worden ingediend, in overeenstemming met de in dit hoofdstuk vastgestelde regels en procedures, op voorwaarde dat:

a)    het verzoek voortvloeit uit een vermeende schending van dit hoofdstuk die plaatsvond gedurende de periode van voorlopige toepassing van deze overeenkomst; en

b)    niet meer dan drie jaar zijn verstreken vanaf de datum van beëindiging van de voorlopige toepassing van deze overeenkomst tot de datum van indiening van het verzoek.


5.    Voor de toepassing van dit artikel is de definitie van “inwerkingtreding van deze overeenkomst” in artikel 2.5, lid 7, van deel IV niet van toepassing.

ARTIKEL 10.55

Subcomité Diensten en investeringen

Het bij artikel 1.10 ingestelde Subcomité Diensten en investeringen heeft tot taak:

a)    de Partijen een forum te bieden om problemen in verband met dit hoofdstuk te bespreken, met inbegrip van:

i)    de moeilijkheden die zich kunnen voordoen bij de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk;

ii)    de mogelijke verbeteringen van dit hoofdstuk, met name in het licht van de opgedane ervaring en de ontwikkelingen in andere internationale fora en in het kader van de andere overeenkomsten die de Partijen hebben gesloten; en

iii)    op verzoek van een Partij, de uitvoering van een onderling overeengekomen oplossing met betrekking tot een geschil in het kader van afdeling D; en

b)    de voorbereiding van door de Gezamenlijke Raad krachtens dit hoofdstuk vast te stellen besluiten of maatregelen.


HOOFDSTUK 11

GRENSOVERSCHRIJDENDE HANDEL IN DIENSTEN

ARTIKEL 11.1

Definities

1.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “grensoverschrijdende handel in diensten” of “grensoverschrijdende dienstverlening”: het verlenen van een dienst:

i)    vanaf het grondgebied van een Partij naar het grondgebied van de andere Partij; of

ii)    op het grondgebied van een Partij ten behoeve van een gebruiker van de dienst uit de andere Partij;

b)    “onderneming”: een onderneming zoals omschreven in artikel 1.3, of een filiaal of een vertegenwoordigingskantoor daarvan;


c)    “onderneming van de Europese Unie” of “onderneming van Mexico”: een onderneming die overeenkomstig het recht van de Europese Unie of haar lidstaten of van Mexico is opgericht en die daadwerkelijke zakelijke transacties verricht 53 op het grondgebied van de Europese Unie respectievelijk Mexico 54 ;

buiten de Europese Unie of Mexico gevestigde scheepvaartondernemingen waarover onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie respectievelijk Mexico zeggenschap hebben, vallen ook onder de bepalingen van dit hoofdstuk indien hun vaartuigen overeenkomstig het recht van een lidstaat van de Europese Unie of van Mexico, al naargelang het geval, zijn geregistreerd en zij de vlag van die lidstaat van de Europese Unie of van Mexico voeren;

d)    “diensten die worden verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag”: voor elke Partij, diensten die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer dienstverleners worden verleend; en


e)    “dienstverlener uit een Partij”: een natuurlijke persoon of een onderneming van een Partij, anders dan een filiaal of een vertegenwoordigingskantoor, die een dienst aanbiedt of verleent.

ARTIKEL 11.2

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen van een Partij die gevolgen hebben voor de grensoverschrijdende handel in diensten door dienstverleners uit de andere Partij. Die maatregelen omvatten maatregelen die van invloed zijn op:

a)    de productie, distributie, marketing, verkoop of levering van een dienst;

b)    de aankoop of het gebruik van, of de betaling voor, een dienst;

c)    de met een verlening van een dienst samenhangende toegang tot en het gebruik van diensten waarvan een Partij eist dat deze algemeen aan het publiek worden aangeboden, met inbegrip van distributie-, vervoers- of telecommunicatienetwerken; en

d)    het stellen van enige vorm van financiële zekerheid, met inbegrip van een obligatie, als voorwaarde voor het verlenen van een dienst.


2.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

a)    audiovisuele diensten;

b)    nationale cabotage in het zeevervoer 55 ;

c)    maatregelen van een Partij voor zover die maatregelen onder hoofdstuk 18 vallen;

d)    diensten die worden verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag;


e)    overheidsopdrachten voor goederen of diensten aangekocht voor overheidsdoeleinden en niet met het oog op commerciële wederverkoop of gebruik bij de productie van een goed of de verlening van een dienst voor commerciële verkoop, ongeacht of die opdrachten onder deze overeenkomst vallende opdrachten zijn in de zin van artikel 21.1;

f)    door een Partij verstrekte subsidies 56 of toelagen, met inbegrip van leningen, garanties en verzekeringen die door de overheid worden gesteund; en

g)    luchtdiensten of daarmee verband houdende diensten ter ondersteuning van luchtdiensten 57 , met uitzondering van:

i)    reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;

ii)    verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;


iii)    geautomatiseerde boekingssystemen; en

iv)    grondafhandelingsdiensten.

3.    De artikelen 11.4 tot en met 11.7 zijn niet van toepassing op nieuwe diensten zoals uiteengezet in bijlage VII.

ARTIKEL 11.3

Recht om regelgeving vast te stellen

De Partijen bevestigen hun recht op hun respectieve grondgebied regelgeving vast te stellen ter verwezenlijking van legitieme beleidsdoelstellingen, bijvoorbeeld inzake volksgezondheid, sociale diensten, openbaar onderwijs, veiligheid, milieu of openbare zeden, sociale of consumentenbescherming, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming, bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid, en mededinging.


ARTIKEL 11.4

Markttoegang

Een Partij mag in de sectoren of subsectoren waar verbintenissen betreffende markttoegang zijn aangegaan noch op basis van haar gehele grondgebied, noch op basis van een territoriale onderverdeling maatregelen vaststellen of handhaven die beperkingen opleggen ten aanzien van:

a)    het aantal dienstverleners, ongeacht of dit geschiedt in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;

b)    de totale waarde van dienstentransacties of activa, in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte; of

c)    het totale aantal dienstentransacties of het totale volume van de output aan diensten uitgedrukt in bepaalde numerieke eenheden, in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.


ARTIKEL 11.5

Lokale aanwezigheid

Een Partij mag een dienstverlener uit de andere Partij niet verplichten een vertegenwoordigingskantoor of een onderneming in enige vorm op te richten of in stand te houden of op haar grondgebied te verblijven als voorwaarde voor de grensoverschrijdende verlening van een dienst.

ARTIKEL 11.6

Nationale behandeling

1.    Elke Partij behandelt diensten en dienstverleners uit de andere Partij niet minder gunstig dan haar eigen diensten en dienstverleners in soortgelijke situaties.

2.    De door Mexico krachtens lid 1 toe te kennen behandeling houdt met betrekking tot een regionale overheid van Mexico een behandeling in die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling die in vergelijkbare situaties door die regionale overheid wordt toegekend aan haar eigen diensten en dienstverleners.


3.    De door de Europese Unie krachtens lid 1 toe te kennen behandeling houdt met betrekking tot een overheid van of in een lidstaat van de Europese Unie een behandeling in die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling die in vergelijkbare situaties door die overheid wordt toegekend aan haar eigen diensten en dienstverleners.

ARTIKEL 11.7

Meestbegunstigingsbehandeling

1.    Elke Partij behandelt de diensten en dienstverleners van de andere Partij niet minder gunstig dan de diensten en dienstverleners uit een derde land.

2.    Lid 1 wordt niet uitgelegd als een verplichting voor een Partij om het voordeel van een behandeling dat voortvloeit uit maatregelen die voorzien in de erkenning van onder meer de normen of criteria voor machtiging, vergunningverlening of certificering van een natuurlijke persoon of onderneming om een economische activiteit uit te oefenen, of het voordeel van prudentiële maatregelen, uit te breiden tot de diensten en dienstverleners van de andere Partij.


ARTIKEL 11.8

Niet-conforme maatregelen en uitzonderingen

1.    De artikelen 11.5 tot en met 11.7 zijn niet van toepassing op:

a)    elke bestaande niet-conforme maatregel van een Partij die wordt gehandhaafd door:

i)    de Europese Unie, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I;

ii)    een nationale overheid, zoals door die Partij opgenomen in haar lijst in bijlage I;

iii)    een regionale overheid, zoals door die Partij opgenomen in haar lijst in bijlage I, of

iv)    een lokale overheid;

b)    de handhaving of onverwijlde verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld in punt a); of


c)    een wijziging van niet-conforme maatregelen als bedoeld in punt a), voor zover de wijziging de maatregelen zoals deze onmiddellijk voor de wijziging bestonden, niet minder conform maakt met de artikelen 11.5 tot en met 11.7.

2.    De artikelen 11.5 tot en met 11.7 zijn niet van toepassing op een maatregel die een Partij vaststelt of handhaaft met betrekking tot sectoren, subsectoren of activiteiten zoals opgenomen in haar lijst in bijlage II.

3.    Artikel 11.4 is niet van toepassing op maatregelen van een Partij met betrekking tot de sectoren of subsectoren waarvoor verbintenissen zijn aangegaan zoals opgenomen in haar lijst in bijlage III.

4.    Mexico kan de Europese Unie binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst in kennis stellen van een ontwerpbesluit van de Gezamenlijke Raad tot wijziging van aanhangsel I-B-2 van bijlage I en aanhangsel III-B-2 van bijlage III wat betreft bestaande niet-conforme, op subfederaal niveau gehandhaafde maatregelen.

De Europese Unie evalueert dat ontwerp binnen een termijn van drie maanden en overlegt met Mexico over alle daarmee verband houdende vraagstukken. Na het overleg neemt de Gezamenlijke Raad de wijzigingen van de in dit lid genoemde bijlagen aan. De gewijzigde bijlagen zijn van toepassing met ingang van de datum waarop de wijzigingen worden vastgesteld.


ARTIKEL 11.9

Weigering van toekenning van voordelen

Een Partij kan weigeren de voordelen van dit hoofdstuk toe te kennen aan een dienstverlener uit de andere Partij die een onderneming is van deze Partij en aan diensten van die dienstverlener indien:

a)    een persoon uit een derde land eigenaar is van of zeggenschap heeft over de onderneming; en

b)    de Partij die de voordelen weigert toe te kennen, ten aanzien van dat derde land of ten aanzien van ondernemingen of natuurlijke personen van dat derde land een maatregel vaststelt of handhaaft die transacties met de onderneming verbiedt of die zou worden geschonden of omzeild indien de voordelen van dit hoofdstuk aan de onderneming zouden worden toegekend.


HOOFDSTUK 12

TIJDELIJKE AANWEZIGHEID VAN NATUURLIJKE PERSONEN VOOR ZAKELIJKE DOELEINDEN

ARTIKEL 12.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “ondernemer”: voor Mexico, een onderdaan van de Europese Unie die het grondgebied van Mexico betreedt, zonder het doel een tijdelijk of permanent verblijf te vestigen, om:

i)    commercieel goederen te verhandelen of diensten te verlenen;

ii)    investeringen van buitenlands kapitaal op te zetten, te ontwikkelen of te beheren;

iii)    zakelijke contacten te onderhouden en onderhandelingen te voeren over de verkoop van goederen en diensten, of soortgelijke activiteiten;


iv)    gespecialiseerde diensten te verlenen voor installatie, reparatie, onderhoud, toezicht op of opleiding van arbeidskrachten, zoals eerder overeengekomen of overwogen in een contract inzake technologieoverdracht, octrooien en handelsmerken, de verkoop van commerciële of industriële uitrusting of machines, of enig ander productieproces van een op het grondgebied van een Partij gevestigde onderneming, gedurende de looptijd van de garantieovereenkomst, de verkoop of de dienst;

v)    vergaderingen of bijeenkomsten van de raad van bestuur van een wettelijk in Mexico gevestigde onderneming bij te wonen; of

vi)    goederen of diensten te promoten, klanten te adviseren, orders te ontvangen, over contracten te onderhandelen en congressen, beurzen, conferenties of dergelijke bij te wonen of daaraan deel te nemen;

b)    “zakelijke bezoekers voor investeringsdoeleinden”: natuurlijke personen met een staffunctie die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een onderneming, die geen diensten aanbieden noch verlenen en evenmin enige andere economische activiteit verrichten dan vereist is voor investeringsdoeleinden, en die geen beloning ontvangen uit een in de gastPartij gevestigde bron;


c)    “dienstverleners op contractbasis”: natuurlijke personen in dienst bij een onderneming uit een Partij, welke onderneming zelf geen bureau voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening is en welke evenmin via een dergelijk bureau optreedt, die niet op het grondgebied van de andere Partij is gevestigd en die een bonafide contract voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in de andere Partij heeft gesloten, zodat de tijdelijke aanwezigheid van haar werknemers in die Partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract 58 ;

d)    “vrijberoepsbeoefenaren”: voor de Europese Unie, natuurlijke personen die als zelfstandige dienstverlener op het grondgebied van een Partij zijn gevestigd, niet gevestigd zijn op het grondgebied van de andere Partij en een bonafide contract (anders dan via een agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening) voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in de andere Partij hebben gesloten, zodat hun tijdelijke aanwezigheid op het grondgebied van die Partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract 59 ;


e)    “binnen een onderneming overgeplaatste personen”: natuurlijke personen die werknemer of vennoot zijn van een onderneming uit een Partij en die tijdelijk zijn overgeplaatst naar een onderneming uit een Partij, met inbegrip van een dochteronderneming, filiaal of moedervennootschap daarvan, op het grondgebied van de andere Partij 60 , en die vallen in een van de volgende categorieën:

i)    “leidinggevenden” of “kaderleden”: personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel van een onderneming, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de onderneming 61 in de andere Partij, die onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of de aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen staan, en die ten minste:

A)    leiding geven aan een onderneming of een afdeling of onderafdeling daarvan;

B)    toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze werkzaamheden controleren; en

C)    persoonlijk bevoegd zijn werknemers in dienst te nemen en te ontslaan of de indienstneming of het ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen;


ii)    “specialisten”: personen die in een onderneming werkzaam zijn en over specialistische kennis beschikken die van wezenlijk belang is voor de werkterreinen, de technieken of het beheer van de onderneming, rekening houdend met de specifieke kennis van de onderneming en de vraag of de persoon hooggekwalificeerd is; of

iii)    “stagiair-werknemers”: voor de Europese Unie, personen die ten minste een jaar in dienst zijn van een onderneming die geen vertegenwoordigingskantoor is, die in het bezit zijn van een universitaire graad en die met het oog op loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfskundige technieken of methoden tijdelijk worden overgeplaatst 62 ;

f)    “investeerders”: voor Mexico, natuurlijke personen van de Europese Unie die Mexico willen binnenkomen voor tijdelijk verblijf of die reeds in Mexico verblijven en voornemens zijn:

i)    verschillende investeringsmogelijkheden te onderzoeken;

ii)    een directe investering te doen of daarop toe te zien;


iii)    een buitenlandse onderneming te vertegenwoordigen of zakelijke transacties te verrichten; of

iv)    advies of belangrijke technische diensten te ontwikkelen, toe te passen of te verstrekken in verband met de exploitatie van een onderneming waarvoor de ondernemer of diens onderneming een aanzienlijk bedrag aan kapitaal heeft uitgetrokken of uittrekt, en daarbij op te treden in een rol van toezichthoudende of uitvoerende aard of in een rol die essentiële vaardigheden vereist; en

g)    “zakelijke bezoekers voor een kort verblijf”: natuurlijke personen die toegang willen krijgen tot het grondgebied van de andere Partij en er tijdelijk willen verblijven, die geen directe transacties verrichten met het publiek, die geen beloning ontvangen uit een in de Gastpartij gevestigde bron, en die vallen in een van de volgende categorieën:

i)    “handelsvertegenwoordigers”: zakelijke bezoekers voor een kort verblijf die vertegenwoordigers zijn van een leverancier van diensten of goederen uit een Partij en beogen te onderhandelen over de verkoop van diensten of goederen of overeenkomsten te sluiten voor de verkoop van diensten of goederen voor die leverancier, die niet betrokken zijn bij de verlening van een dienst in het kader van een contract dat is gesloten tussen een onderneming die geen commerciële aanwezigheid heeft op het grondgebied van de andere Partij en een consument op dat grondgebied, en die geen commissionair zijn;


ii)    “installateurs en onderhoudspersoneel”: wat betreft de toegang tot en het tijdelijke verblijf in de Europese Unie, zakelijke bezoekers voor een kort verblijf die over gespecialiseerde kennis beschikken die van essentieel belang is voor de contractuele verplichtingen van een verkoper of verhuurder, die diensten verlenen of personeel opleiden om diensten te verlenen, uit hoofde van een garantie- of andere dienstenovereenkomst in verband met de verkoop of verhuur van commerciële of industriële apparatuur of machines, met inbegrip van computer- en aanverwante diensten, die zijn gekocht of gehuurd van een buiten het grondgebied van de Europese Unie gevestigde onderneming, voor de duur van de garantie- of dienstenovereenkomst en, wat betreft de toegang tot en het tijdelijke verblijf in Mexico, zakelijke bezoekers voor een kort verblijf die gespecialiseerde diensten verlenen, met inbegrip van diensten na verkoop of na verhuur, zoals vooraf overeengekomen of zoals bedoeld in een overeenkomst inzake de overdracht van technologie, octrooien en handelsmerken, inzake de verkoop van machines en apparatuur, technische opleiding van personeel of enig ander productieproces voor een in Mexico gevestigde onderneming; of

iii)    “overige zakelijke bezoekers voor een kort verblijf”: voor Mexico, kortdurig verblijvende bezoekers die bedrijfskundige bijeenkomsten, conferenties of handelsbeurzen bijwonen en leidinggevende of uitvoerende taken verrichten bij een onderneming of dochterondernemingen of filialen ervan die in Mexico zijn gevestigd.


ARTIKEL 12.2

Doelstellingen, toepassingsgebied en algemene bepalingen

1.    Dit hoofdstuk is ingegeven door de wens van de Partijen om de toegang van natuurlijke personen van een Partij tot het grondgebied van de andere Partij voor zakelijke doeleinden en hun tijdelijke verblijf aldaar te vergemakkelijken en door de noodzaak om daartoe transparante criteria vast te stellen.

2.    Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen die rechtstreeks verband houden met de toegang tot en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen van een Partij op het grondgebied van de andere Partij voor zakelijke doeleinden, zoals zakelijke bezoekers voor investeringsdoeleinden, binnen een onderneming overgeplaatste personen, investeerders, handelsvertegenwoordigers, dienstverleners op contractbasis en vrijberoepsbeoefenaren.

3.    Dit hoofdstuk is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een Partij zoeken, noch op maatregelen inzake staatsburgerschap of nationaliteit, verblijf of werk op permanente basis.

4.     Dit hoofdstuk belet een Partij niet maatregelen toe te passen tot regeling van de toegang van natuurlijke personen tot of hun tijdelijke verblijf op haar grondgebied, daarbij inbegrepen de maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van haar grenzen of voor het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, mits die maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die de andere Partij op grond van dit hoofdstuk toekomen, worden tenietgedaan of uitgehold. Het feit alleen dat voor natuurlijke personen afkomstig uit bepaalde landen wel en voor die uit andere landen geen visum vereist is, wordt niet geacht voordelen op grond van dit hoofdstuk teniet te doen of uit te hollen.


5.    Elke Partij past de onder dit hoofdstuk vallende maatregelen spoedig toe om vertragingen of onnodige schade bij de handel in goederen of diensten of bij investeringsactiviteiten in het kader van deze overeenkomst te voorkomen.

6.    De Partijen spannen zich in om gemeenschappelijke criteria en interpretaties ten behoeve van de uitvoering van dit hoofdstuk te ontwikkelen en vast te stellen.

7.    Elke Partij verleent natuurlijke personen van de andere Partij toegang tot en tijdelijk verblijf op haar grondgebied voor zakelijke doeleinden, wanneer die personen voldoen aan de immigratiewet- en regelgeving van eerstgenoemde Partij die van toepassing is op toegang en tijdelijk verblijf, overeenkomstig dit hoofdstuk, met inbegrip van de bepalingen van de bijlagen I, II, III, IV, V en VI.


8.    Een Partij kan overeenkomstig haar wet- en regelgeving en op niet-discriminerende basis afwijken van haar verbintenissen inzake toegang en tijdelijk verblijf als bedoeld in haar bijlagen IV en V wanneer de toegang en het tijdelijke verblijf van een natuurlijke persoon van een andere Partij nadelige gevolgen kan hebben voor:

a)    de beslechting van een collectief arbeidsgeschil dat zich op de plaats of de beoogde plaats van tewerkstelling voordoet; of

b)    de tewerkstelling van een persoon die bij dat geschil betrokken is.

ARTIKEL 12.3

Verplichtingen in andere hoofdstukken

1.    Dit hoofdstuk legt een Partij geen verplichting op met betrekking tot haar immigratiemaatregelen, tenzij hierin specifiek anders is bepaald.


2.    Onverminderd besluiten tot tijdelijke toegang en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen uit de andere Partij overeenkomstig dit hoofdstuk, de toegestane duur van het verblijf op grond van een dergelijke toelating daaronder begrepen, geldt het volgende:

a)    de verplichtingen van de artikelen 10.6, 10.7, 10.9 en 10.10, met inachtneming van de artikelen 10.5, 10.12, 18.2 en 18.12, voor zover de maatregel gevolgen heeft voor de behandeling van natuurlijke personen die voor zakelijke doeleinden op het grondgebied van de andere Partij verblijven, worden hierbij opgenomen in en onderdeel gemaakt van dit hoofdstuk en zijn van toepassing op maatregelen die gevolgen hebben voor de behandeling van natuurlijke personen die voor zakelijke doeleinden op het grondgebied van de andere Partij aanwezig zijn in de categorieën zakelijke bezoekers met het oog op de vestiging van een onderneming, binnen een onderneming overgeplaatste personen en, voor Mexico, investeerders, zoals gedefinieerd in artikel 12.1 van dit hoofdstuk, en


b)    de verplichtingen van de artikelen 11.4, 11.5 en 11.6, met inachtneming van de artikelen 11.2, lid 2, 11.8, 18.2 en 18.12, voor zover de maatregel gevolgen heeft voor de behandeling van natuurlijke personen die voor zakelijke doeleinden op het grondgebied van de andere Partij aanwezig zijn, worden hierbij opgenomen in en onderdeel gemaakt van dit hoofdstuk en zijn van toepassing op de maatregelen die gevolgen hebben voor de behandeling van natuurlijke personen die voor zakelijke doeleinden op het grondgebied van de andere Partij verblijven in de categorieën dienstverleners op contractbasis en, voor de Europese Unie, vrijberoepsbeoefenaren, voor alle in bijlage V vermelde sectoren, en zakelijke bezoekers voor een kort verblijf, overeenkomstig bijlage IV.

3.    Voor alle duidelijkheid: lid 2 is van toepassing op maatregelen die van invloed zijn op de behandeling van natuurlijke personen die voor zakelijke doeleinden op het grondgebied van de andere Partij aanwezig zijn, onder de desbetreffende categorieën vallen en financiële diensten verlenen, zoals gedefinieerd in artikel 18.1 (Definities). Lid 2 is niet van toepassing op maatregelen inzake toestemming voor tijdelijke toegang aan natuurlijke personen uit een Partij of uit een derde land.


ARTIKEL 12.4

Zakelijke bezoekers voor investeringsdoeleinden, binnen een onderneming overgeplaatste personen en investeerders

1.    Met inachtneming van artikel 10.5 verleent elke Partij toegang tot en tijdelijk verblijf op haar grondgebied aan zakelijke bezoekers voor investeringsdoeleinden en binnen een onderneming overgeplaatste personen van de andere Partij overeenkomstig bijlage IV.

2.    Met inachtneming van artikel 10.5 verleent Mexico toegang tot en tijdelijk verblijf op haar grondgebied aan investeerders overeenkomstig bijlage IV.

3.    Een Partij mag geen beperkingen vaststellen of handhaven ten aanzien van het totale aantal natuurlijke personen aan wie toegang en tijdelijk verblijf wordt verleend in overeenstemming met de leden 1 en 2, in een specifieke sector of subsector, in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte, noch op basis van een regionale onderverdeling, noch op basis van het gehele grondgebied.


4.    De toegestane verblijfsduur is als volgt 63 :

a)    voor de Europese Unie, maximaal drie jaar voor leidinggevenden, kaderleden en specialisten, maximaal één jaar voor stagiair-werknemers en maximaal negentig dagen binnen een periode van zes maanden voor zakelijke bezoekers voor investeringsdoeleinden; en

b)    voor Mexico, één jaar, met de mogelijkheid om deze duur driemaal met telkens een jaar te verlengen, voor binnen een onderneming overgeplaatste personen en voor investeerders, en tot honderdtachtig dagen voor zakelijke bezoekers voor investeringsdoeleinden.

5.    De Partijen behandelen de gezinsleden van binnen een onderneming overgeplaatste personen overeenkomstig bijlage 12-A.


ARTIKEL 12.5

Zakelijke bezoekers voor een kort verblijf

Met inachtneming van artikel 11.2 en bijlage IV geldt dat een Partij:

a)    de toegang tot en het tijdelijke verblijf van zakelijke bezoekers voor een kort verblijf toestaat;

b)    geen beperkingen vaststelt of handhaaft ten aanzien van het totale aantal zakelijke bezoekers voor een kort verblijf in een specifieke sector in de vorm van numerieke quota, noch op basis van een regionale onderverdeling, noch op basis van het gehele grondgebied; en

c)    geen onderzoek naar de economische behoeften aan zakelijke bezoekers voor een kort verblijf instelt of handhaaft.

ARTIKEL 12.6

Dienstverleners op contractbasis

1.    Elke Partij staat de toegang tot en het tijdelijke verblijf op haar grondgebied toe van dienstverleners op contractbasis uit de andere Partij overeenkomstig bijlage V.


2.    Tenzij anders aangegeven in bijlage V, onthoudt elke Partij zich ervan om ten aanzien van het totale aantal dienstverleners op contractbasis van de andere Partij aan wie toegang en tijdelijk verblijf wordt verleend, beperkingen vast te stellen of te handhaven in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.

ARTIKEL 12.7

Vrijberoepsbeoefenaren

1.    De Europese Unie staat de toegang tot en het tijdelijke verblijf op haar grondgebied toe van vrijberoepsbeoefenaren uit Mexico overeenkomstig bijlage V.

2.    Tenzij anders aangegeven in bijlage V, onthoudt de Europese Unie zich ervan om ten aanzien van het totale aantal vrijberoepsbeoefenaren uit Mexico aan wie toegang en tijdelijk verblijf wordt verleend, beperkingen vast te stellen of te handhaven in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.


ARTIKEL 12.8

Transparantie

1.    Elke Partij stelt informatie over de vereisten en procedures voor toegang en tijdelijk verblijf, met inbegrip van desbetreffende formulieren en documenten, alsook verklarend materiaal, ter beschikking van het publiek, zodat belangstellenden van de andere Partij kennis kunnen nemen van de geldende vereisten en procedures.

2.    De in lid 1 bedoelde informatie bevat, voor zover van toepassing, informatie over:

a)    categorieën van visa, verblijfstitels of soortgelijke vergunningen voor toegang en tijdelijk verblijf;

b)    vereiste documentatie en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan;

c)    wijze van indiening van een aanvraag en mogelijkheden om die in te dienen, zoals via consulaten of online;

d)    kosten om een aanvraag in te dienen en een indicatief tijdschema voor de behandeling;


e)    de maximale verblijfsduur in het kader van elke soort vergunning als omschreven in punt a);

f)    voorwaarden voor eventuele verlenging of vernieuwing;

g)    voorschriften over begeleidende personen ten laste;

h)    beschikbare toetsings- of beroepsprocedures; en

i)    relevante wetgeving van algemene strekking met betrekking tot toegang en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen.

ARTIKEL 12.9

Geschillenbeslechting

Een Partij kan geen beroep doen op de geschillenregeling van hoofdstuk 31 in geval van een weigering om toegang en tijdelijk verblijf te verlenen uit hoofde van dit hoofdstuk, tenzij de kwestie een vaste praktijk betreft.


HOOFDSTUK 13

INTERNE REGELGEVING

ARTIKEL 13.1

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen met betrekking tot vergunnings- en kwalificatievereisten en -procedures, alsook technische normen 64 , die van invloed zijn op de handel in diensten of de uitoefening van enige andere economische activiteit ten aanzien waarvan een Partij een verbintenis is aangegaan krachtens de artikelen 10.6, 10.7, 11.4 of 11.6, met inachtneming van de voorwaarden, beperkingen of kwalificaties zoals opgenomen in haar lijst krachtens de artikelen 10.12 en 11.8.

2.    Niettegenstaande lid 1 is artikel 13.6 van toepassing op door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen met betrekking tot vergunnings- en kwalificatievereisten en -procedures, alsook technische normen, die van invloed zijn op de handel in diensten of de uitoefening van enige andere economische activiteit.


3.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen uit hoofde van hoofdstuk 18.

ARTIKEL 13.2

Ontwikkeling van maatregelen

Een Partij die maatregelen vaststelt of handhaaft met betrekking tot vergunningsvereisten en -procedures of kwalificatievereisten en -procedures, moet:

a)    ervoor zorgen dat die maatregelen gebaseerd zijn op objectieve en transparante criteria 65 ;

b)    ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteit haar besluiten op onafhankelijke wijze neemt en uitvoert;

c)    ervoor zorgen dat de procedures op zich de naleving van de vereisten niet onnodig belemmeren;


d)    ervoor zorgen dat de procedures onpartijdig en passend zijn zodat aanvragers kunnen aantonen dat zij aan de eventuele vereisten voldoen; en

e)    voor zover praktisch haalbaar vermijden om van een aanvrager te verlangen dat hij zich voor elke vergunningsaanvraag tot meer dan één bevoegde autoriteit wendt 66 .

ARTIKEL 13.3

Uitvoering van maatregelen

Indien een vergunning vereist is voor de verlening van een dienst of het uitoefenen van enige andere economische activiteit, moeten de bevoegde autoriteiten van een Partij:

a)    aanvragers, voor zover praktisch haalbaar, toestaan te allen tijde een aanvraag in te dienen;

b)    een redelijke termijn hanteren voor het indienen van een aanvraag indien specifieke termijnen voor aanvragen bestaan;

c)    indien tests vereist zijn, met redelijke tussenpozen tests plannen en een redelijke termijn vaststellen waarbinnen een kandidaat kan verzoeken om de test af te leggen;


d)    inspanningen leveren om aanvragen in elektronisch formaat te aanvaarden, rekening houdend met hun verschillende prioriteiten en beperkte middelen;

e)    in plaats van originele documenten kopieën aanvaarden van documenten die overeenkomstig de interne wetgeving van de Partij zijn gewaarmerkt, tenzij zij originele documenten verlangen om de integriteit van het vergunningsproces te beschermen;

f)    erop toezien dat de door haar bevoegde autoriteiten aangerekende vergunningsvergoedingen 67 redelijk en transparant zijn en op zichzelf de verlening van de betrokken dienst of de uitoefening van enige andere economische activiteit niet beperken;

g)    voor zover praktisch haalbaar, een indicatief tijdschema voor de behandeling van een aanvraag verstrekken;

h)    onverwijld, voor zover praktisch haalbaar, nagaan of een aanvraag voor behandeling krachtens het recht van de Partij volledig is;


i)    indien een aanvraag krachtens het recht van de Partij wordt beschouwd als volledig zodat deze in behandeling kan worden genomen, ervoor zorgen dat de behandeling van de aanvraag wordt afgerond en dat de aanvrager binnen een redelijke termijn na de indiening van de aanvraag, voor zover mogelijk schriftelijk 68 , van het besluit in kennis wordt gesteld;

j)    op verzoek van de aanvrager en onverwijld informatie over de status van de aanvraag verstrekken;

k)    indien een aanvraag krachtens het recht van de Partij wordt beschouwd als onvolledig zodat deze niet in behandeling kan worden genomen, binnen een redelijke termijn en voor zover praktisch haalbaar:

i)    de aanvrager ervan in kennis stellen dat de aanvraag onvolledig is;

ii)    op verzoek van de aanvrager aangeven waarom de aanvraag als onvolledig wordt beschouwd;


iii)    de aanvrager de mogelijkheid 69 bieden de aanvullende informatie te verstrekken die nodig is om de aanvraag te vervolledigen; en

iv)    indien geen van de bovenstaande mogelijkheden praktisch haalbaar is en de aanvraag wegens onvolledigheid wordt afgewezen, ervoor zorgen dat zij de aanvrager daarvan binnen een redelijke termijn in kennis stellen;

l)    indien een aanvraag wordt afgewezen, voor zover mogelijk, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de aanvrager, de aanvrager in kennis stellen van de redenen voor de afwijzing en, indien van toepassing, van de procedures voor het opnieuw indienen van een aanvraag; en

m)    ervoor zorgen dat een eenmaal verleende vergunning onverwijld in werking treedt, met inachtneming van de toepasselijke voorwaarden.


ARTIKEL 13.4

Beperkte aantallen vergunningen

1.    Indien het aantal voor een bepaalde activiteit beschikbare vergunningen beperkt is vanwege de schaarste aan beschikbare natuurlijke hulpbronnen of technische capaciteit, zorgt elke Partij ten aanzien van potentiële kandidaten voor een selectieprocedure die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt, met inbegrip van in het bijzonder een passende bekendmaking wat de aanvang, het verloop en de afronding van de procedure betreft.

2.    Bij de vaststelling van de regels voor de selectieprocedure kan een Partij rekening houden met legitieme beleidsdoelstellingen, waaronder overwegingen op het gebied van gezondheid, veiligheid, consumentenbescherming, mededinging, milieubescherming en het behoud van cultureel erfgoed.

ARTIKEL 13.5

Technische normen

Elke Partij moedigt haar bevoegde autoriteiten aan om, wanneer zij technische normen vaststellen, daarbij technische normen vast te stellen die via open en transparante procedures zijn ontwikkeld, en moedigt elke instantie die is aangewezen om technische normen ontwikkelen, aan om dat te doen aan de hand van open en transparante procedures.


ARTIKEL 13.6

Transparantie

Een Partij die een vergunning vereist voor het verlenen van een dienst of het uitoefenen van een andere economische activiteit, verstrekt de informatie die dienstverleners of personen die een dienst willen verlenen en personen die enige andere economische activiteit uitoefenen of willen uitoefenen, nodig hebben om te voldoen aan de vereisten en procedures voor het verkrijgen, handhaven, wijzigen en verlengen van die vergunning. Die informatie omvat, voor zover zij bestaat:

a)    vergunningsvergoedingen;

b)    contactgegevens van de relevante bevoegde autoriteiten;

c)    procedures voor het instellen van beroep tegen of het herzien van beslissingen inzake aanvragen;

d)    procedures voor het toezicht op of de handhaving van de naleving van de vergunningsvoorwaarden;

e)    mogelijkheden voor inspraak van het publiek, bijvoorbeeld via hoorzittingen of opmerkingen;

f)    indicatieve termijnen voor de behandeling van een aanvraag;


g)    de vereisten en procedures; en

h)    de geldende technische normen.

ARTIKEL 13.7

Evaluatie

Na de inwerkingtreding van overeenkomstig artikel VI, lid 4, van de GATS ontwikkelde aanvullende voorschriften, evalueren de Partijen die voorschriften. Indien de evaluatie uitwijst dat die voorschriften zouden leiden tot een verbetering van deze overeenkomst, bepalen de Partijen of zij in deze overeenkomst moeten worden opgenomen.


HOOFDSTUK 14

WEDERZIJDSE ERKENNING VAN BEROEPSKWALIFICATIES

ARTIKEL 14.1

Algemene bepalingen

1.    Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk belet een Partij te eisen dat natuurlijke personen de kwalificaties of de beroepservaring hebben die op het grondgebied waar de dienst wordt verleend, voor de betrokken sector van activiteit zijn voorgeschreven.

2.    Elke Partij moedigt de desbetreffende beroepsorganisaties of autoriteiten, indien van toepassing, op hun respectieve grondgebied aan gezamenlijke aanbevelingen over wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties te ontwikkelen en voor te leggen aan het op grond van artikel 1.10 ingestelde Subcomité Diensten en investeringen.

3.    De in lid 2 bedoelde gezamenlijke aanbevelingen worden gestaafd met bewijs inzake:

a)    de economische waarde van een voorgenomen overeenkomst inzake de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties (hierna “overeenkomst inzake wederzijdse erkenning” genoemd); en


b)    de verenigbaarheid van de respectieve regelingen, dat wil zeggen de mate waarin de door elke Partij toegepaste criteria inzake machtiging en vergunningverlening verenigbaar zijn.

4.    Het Subcomité beoordeelt gezamenlijke aanbevelingen binnen een redelijke termijn na ontvangst.

5.    Indien de gezamenlijke aanbeveling in overeenstemming is met deze overeenkomst, nemen de Partijen de nodige stappen om via onderhandelingen een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning te sluiten, in voorkomend geval via hun bevoegde autoriteiten of via door een Partij gemachtigde vertegenwoordigers. In voorkomend geval kan de Gezamenlijke Raad de regelingen voor de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties vaststellen bij besluit.

6.    De Partijen of, respectievelijk, de desbetreffende beroepsorganisaties of autoriteiten worden aangemoedigd om bij de onderhandelingen over overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning of bij de opstelling van gezamenlijke aanbevelingen de in bijlage 14-A vervatte richtsnoeren voor de onderhandelingen over een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning te volgen.


HOOFDSTUK 15

BESTELDIENSTEN

ARTIKEL 15.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “besteldiensten”: post-, koeriers- en expresdiensten, met inbegrip van het ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van postzendingen;

b)    “expresbesteldiensten”: het ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van postzendingen tegen verhoogde snelheid en betrouwbaarheid, waarbij elementen met toegevoegde waarde inbegrepen kunnen zijn, zoals ophaling vanaf het punt van herkomst, persoonlijke bezorging aan de geadresseerde, tracering, mogelijkheid om de bestemming en de geadresseerde in doorvoer te veranderen of ontvangstbevestiging;

c)    “exprespostdiensten”: internationale expresbesteldiensten die worden verleend via een vrijwillige vereniging van aangewezen postexploitanten in het kader van de Wereldpostunie (UPU), zoals het samenwerkingsverband EMS;


d)    “vergunning”: een door een regelgevende autoriteit aan een individuele leverancier afgegeven machtiging waarin de voor de sector besteldiensten specifieke procedures, verplichtingen en vereisten zijn vastgelegd;

e)    “postzending”: een zending tot 31,5 kg, geadresseerd in de definitieve vorm waarin de zending moet worden vervoerd door ongeacht welk type aanbieder van besteldiensten, zowel publiek- als privaatrechtelijk, met inbegrip van zendingen zoals brieven, pakketten, kranten en catalogi;

f)    “postmonopolie”: het exclusieve recht om krachtens het recht van een Partij bepaalde besteldiensten te verlenen op het grondgebied van die Partij; en

g)    “universele dienst”: het overal op het grondgebied van een Partij permanent aanbieden van een besteldienst van een gespecificeerde kwaliteit tegen prijzen die voor alle gebruikers betaalbaar zijn.

ARTIKEL 15.2

Doelstelling

In dit hoofdstuk worden de beginselen van het voor alle besteldiensten specifieke regelgevingskader uiteengezet.


ARTIKEL 15.3

Universele dienst

1.    Elke Partij is gerechtigd het type universeledienstverplichting te definiëren dat zij wenst vast te stellen of te handhaven en beheert die verplichting op transparante, niet-discriminerende en neutrale wijze ten aanzien van alle leveranciers die aan de verplichting worden onderworpen.

2.    Indien een Partij verlangt dat inkomende exprespostdiensten worden verleend in het kader van een universele dienst, verleent zij die dienst geen voorkeursbehandeling ten opzichte van andere internationale expresbesteldiensten.

ARTIKEL 15.4

Financiering van een universele dienst

1.    Een Partij mag geen vergoedingen of andere kosten in rekening brengen voor de levering van een besteldienst die geen universele dienst is met het oog op de financiering van de levering van een universele dienst.

2.    Lid 1 is niet van toepassing op algemeen toepasselijke belastingmaatregelen of administratieve vergoedingen.


ARTIKEL 15.5

Preventie van marktverstorende praktijken

Elke Partij garandeert dat een aanbieder van besteldiensten die onder een universeledienstverplichting valt of een postmonopolie heeft, geen marktverstorende praktijken opzet, zoals:

a)    het gebruik van inkomsten die zijn verkregen uit dergelijke diensten, om de levering van expresbesteldiensten of enige andere niet-universele besteldienst te kruissubsidiëren; en

b)    onrechtmatig differentiëren tussen afnemers, zoals bedrijven, aanbieders van grote partijen post of tussenpersonen, met betrekking tot tarieven of andere voorwaarden voor de levering van een besteldienst die onder een universeledienstverplichting valt of waarvoor een postmonopolie geldt.


ARTIKEL 15.6

Vergunningen

1.    Indien een Partij een vergunning voor het verlenen van besteldiensten vereist, maakt zij het volgende openbaar:

a)    alle vergunningsvereisten en de periode die nodig is om een beslissing over de aanvraag van een vergunning te nemen; en

b)    de vergunningsvoorwaarden.

2.    De procedures, verplichtingen en vereisten van een vergunning moeten transparant en niet-discriminerend zijn en op objectieve criteria gebaseerd zijn.

3.    Een Partij ziet erop toe dat de aanvrager schriftelijk de redenen voor de afwijzing van een vergunningsaanvraag ontvangt.


ARTIKEL 15.7

Onafhankelijkheid van de regelgevende instantie

1.    Elke Partij richt regelgevende instanties op of houdt die in stand, die juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk zijn van alle aanbieders van besteldiensten. Een Partij die de eigendom van of de zeggenschap over aanbieders van besteldiensten behoudt, zorgt voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met eigendom of zeggenschap verband houdende activiteiten.

2.    Elke Partij zorgt ervoor dat de in lid 1 bedoelde regelgevende instanties hun taken op transparante en tijdige wijze uitvoeren en over voldoende financiële en personele middelen beschikken om de hun toegewezen taken uit te voeren.

3.    De besluiten die de regelgevende instantie neemt en de procedures die zij volgt, zijn voor alle marktdeelnemers gelijk.

BIJLAGE bij Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds

Brussel, 3.9.2025

COM(2025) 810 final

HOOFDSTUK 16

TELECOMMUNICATIEDIENSTEN

ARTIKEL 16.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “bijbehorende faciliteiten”: diensten, fysieke infrastructuren en andere faciliteiten in verband met een telecommunicatienetwerk of -dienst die de verlening van diensten via dat netwerk of die dienst mogelijk maken of ondersteunen of daartoe het potentieel hebben;

b)    “eindgebruiker”: een eindgebruiker of abonnee van een openbare telecommunicatiedienst, andere dienstverleners dan aanbieders van openbare telecommunicatiediensten daaronder begrepen;

c)    “essentiële faciliteiten”: faciliteiten van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst die:

i)    uitsluitend of voornamelijk ter beschikking worden gesteld door een enkele of een beperkt aantal aanbieders; en

ii)    bij het verlenen van een dienst niet op haalbare wijze economisch of technisch kunnen worden vervangen;


d)    “interconnectie”: de koppeling met de openbare telecommunicatienetwerken van aanbieders die openbare telecommunicatiediensten verlenen zodat de gebruikers van de ene aanbieder kunnen communiceren met gebruikers van een andere aanbieder en toegang krijgen tot diensten die worden verleend door eender welke aanbieder die betrokken is bij dan wel toegang heeft tot het netwerk;

e)    “interne bedrijfscommunicatie”: telecommunicatie waardoor een onderneming intern of met haar dochterondernemingen, filialen en, afhankelijk van het interne recht van de betrokken Partij, gelieerde ondernemingen kan communiceren, en deze laatste onderling kunnen communiceren, met uitzondering van al dan niet op commerciële basis verleende diensten aan ondernemingen die geen dochteronderneming, filiaal of gelieerde onderneming zijn, of aangeboden aan klanten of potentiële klanten 1 ;

f)    “huurlijnen”: telecommunicatiediensten of -faciliteiten, met inbegrip van die met een virtueel of niet-fysiek karakter, tussen twee of meer bepaalde aansluitpunten die zijn gereserveerd voor het specifieke gebruik door of de beschikbaarheid voor een gebruiker;

g)    “vergunning”: een toestemming die een Partij van een natuurlijke persoon of een onderneming kan verkrijgen, overeenkomstig haar recht, om een telecommunicatiedienst aan te bieden, met inbegrip van, maar niet beperkt tot concessies, registraties of aanmeldingen;


h)    “grote aanbieder”: een aanbieder van telecommunicatienetwerken of -diensten die, wat prijs en aanbod betreft, de voorwaarden voor deelneming op de relevante markt voor openbare telecommunicatienetwerken of -diensten wezenlijk kan beïnvloeden ten gevolge van zeggenschap over essentiële faciliteiten of de wijze waarop hij van zijn positie op die markt gebruikmaakt;

i)    “netwerkelement”: een voorziening of uitrusting die wordt gebruikt voor het verlenen van een telecommunicatiedienst, met inbegrip van kenmerken, functies en mogelijkheden die door middel van die faciliteit of uitrusting worden geleverd;

j)    “niet-discriminerend”: voldoen aan de meestbegunstigingsbehandeling zoals gedefinieerd in artikel 10.8 (Meestbegunstigingsbehandeling) en artikel 11.7 (Meestbegunstigingsbehandeling) en de nationale behandeling zoals gedefinieerd in artikel 10.7 (Nationale behandeling) en artikel 11.6 (Nationale behandeling), alsook het toekennen van een behandeling die niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan elke andere gebruiker van soortgelijke openbare telecommunicatiediensten in soortgelijke situaties, onder meer met betrekking tot tijdigheid;

k)    “nummerportabiliteit”: de mogelijkheid voor eindgebruikers van openbare telecommunicatiediensten om, indien zij daarom verzoeken, op dezelfde locatie in geval van een vaste verbinding dezelfde telefoonnummers te houden wanneer binnen dezelfde categorie aanbieders van telecommunicatiediensten van aanbieder wordt veranderd;

l)    “openbaar telecommunicatienetwerk”: een telecommunicatienetwerk dat wordt gebruikt voor het verlenen van openbare telecommunicatiediensten tussen eindpunten van een netwerk;


m)    “openbare telecommunicatiedienst”: een telecommunicatiedienst die in het algemeen aan het publiek wordt aangeboden;

n)    “referentie-interconnectieaanbieding”: een interconnectieaanbieding van een grote aanbieder die openbaar beschikbaar wordt gesteld, zodat elke aanbieder van openbare telecommunicatiediensten die bereid is de aanbieding te aanvaarden op basis daarvan interconnectie met de grote aanbieder kan verkrijgen;

o)    “telecommunicatie”: de transmissie en ontvangst van signalen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen;

p)    “telecommunicatienetwerk”: de transmissiesystemen en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, met inbegrip van inactieve netwerkelementen, die telecommunicatie mogelijk maken;

q)    “regelgevende autoriteit voor telecommunicatie”: de instantie(s) die verantwoordelijk is/zijn voor de regulering van onder dit hoofdstuk vallende telecommunicatienetwerken en -diensten;

r)    “telecommunicatiedienst”: een dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat in de transmissie en ontvangst van signalen via telecommunicatienetwerken, met inbegrip van netwerken die voor omroep worden gebruikt, maar geen diensten omvat waarbij met behulp van telecommunicatienetwerken en -diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of redactioneel wordt gecontroleerd;


s)    “universele dienst”: het minimale pakket aan diensten dat op het grondgebied van een Partij beschikbaar moet worden gesteld voor alle gebruikers, waarvan de omvang door die Partij wordt bepaald; en

t)    “gebruiker”: een consument of dienstverlener die gebruik maakt van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst.

ARTIKEL 16.2

Toepassingsgebied en beginselen van het regelgevingskader

1.    Dit hoofdstuk bevat de beginselen van het regelgevingskader voor de verstrekking van telecommunicatienetwerken en -diensten die op grond van hoofdstuk 10 (Investeringen) en hoofdstuk 11 (Grensoverschrijdende handel in diensten) zijn geliberaliseerd, en is van toepassing op door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen die van invloed zijn op de handel in openbare telecommunicatiediensten.

2.    Voor alle duidelijkheid: dit hoofdstuk is niet van toepassing op door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen die gevolgen hebben voor diensten waarbij met behulp van telecommunicatienetwerken of -diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of redactioneel wordt gecontroleerd.


ARTIKEL 16.3

Regelgevende autoriteit voor telecommunicatie

1.    Elke Partij ziet erop toe dat haar regelgevende autoriteit voor telecommunicatie juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk is van een aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten of telecommunicatieapparatuur. Om te waarborgen dat regelgevende autoriteiten voor telecommunicatie onafhankelijk en onpartijdig zijn, zorgt elke Partij ervoor dat haar regelgevende autoriteit voor telecommunicatie geen financieel belang heeft in, noch een bestuursfunctie of leidinggevende functie bekleedt bij een aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten of telecommunicatieapparatuur. Een Partij die de eigendom van of de zeggenschap over aanbieders van telecommunicatienetwerken of -diensten behoudt, zorgt voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met eigendom of zeggenschap verband houdende activiteiten.

2.    Elke Partij ziet erop toe dat de regelgevingsbesluiten en -procedures van haar regelgevende autoriteit voor telecommunicatie, in verband met dit hoofdstuk, voor alle marktdeelnemers onpartijdig zijn.

3.    Elke Partij ziet erop toe dat haar regelgevende autoriteit voor telecommunicatie onafhankelijk handelt en geen instructies vraagt of aanvaardt van andere instanties met betrekking tot de uitoefening van de taken die haar bij het recht van een Partij zijn opgedragen om de verplichtingen van de artikelen 16.5, 16.6, 16.7, 16.9 en 16.10 te handhaven.


4.    Elke Partij ziet erop toe dat haar regelgevende autoriteit voor telecommunicatie over de regelgevende bevoegdheid en over voldoende financiële en personele middelen beschikt om de haar opgedragen taken uit te voeren, teneinde de verplichtingen van dit hoofdstuk te handhaven. Die bevoegdheid wordt op transparante wijze en tijdig uitgeoefend. De taken van de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie worden duidelijk en in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekendgemaakt, in het bijzonder wanneer meer dan één instantie met die taken belast is.

5.    Elke Partij verleent haar regelgevende autoriteit voor telecommunicatie de bevoegdheid om ervoor te zorgen dat aanbieders van telecommunicatienetwerken of -diensten haar op verzoek onverwijld alle informatie, met inbegrip van financiële informatie, verstrekken die de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie nodig heeft om haar taken overeenkomstig dit hoofdstuk uit te oefenen. De ontvangen informatie wordt behandeld in overeenstemming met de toepasselijke vertrouwelijkheidsvereisten van de Partijen.

6.    Elke Partij ziet erop toe dat een gebruiker of aanbieder van telecommunicatienetwerken of -diensten die gevolgen ondervindt van een besluit van de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie het recht heeft tegen dat besluit beroep in te stellen bij een instantie die onafhankelijk is van de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie en van de partijen die de gevolgen van het besluit ondervinden 2 . In afwachting van de uitkomst van deze procedure wordt de beslissing van de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie gehandhaafd, behalve wanneer overeenkomstig het recht van de betrokken Partij voorlopige maatregelen worden toegestaan.


ARTIKEL 16.4

Vergunningsprocedures

1.    Indien een Partij voor een aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten een vergunning vereist, zorgt zij ervoor dat de volgende informatie openbaar beschikbaar is:

a)    de soorten telecommunicatiediensten waarvoor een vergunning is vereist;

b)    alle door haar gehanteerde criteria en procedures voor de vergunning;

c)    de termijn die normaliter nodig is om een besluit over een vergunningsaanvraag te nemen indien een besluit is vereist; en

d)    de voorwaarden die in het algemeen op een vergunning van toepassing zijn.

2.    Een Partij die van een aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten verlangt over een vergunning te beschikken, neemt binnen een redelijke termijn een besluit over het al dan niet verlenen van de vergunning, zodat de aanbieder onverwijld kan beginnen met het verlenen van zijn telecommunicatienetwerken of -diensten.

3.    Alle criteria voor het verlenen van de vergunning, toepasselijke procedures en, indien deze worden opgelegd, verplichtingen of voorwaarden, houden verband met de verstrekte telecommunicatiediensten, en zijn objectief, evenredig, transparant en niet-discriminerend.


4.    Elke Partij ziet erop toe dat een aanvrager of een vergunninghouder, als procedurele vereiste of op verzoek, de schriftelijke redenen ontvangt voor:

a)    afwijzing van een vergunning;

b)    oplegging van voor de aanbieder specifieke voorwaarden of verplichtingen in verband met een vergunning;

c)    intrekking van de vergunning; of

d)    weigering een vergunning te verlengen.

5.    Eventuele aan aanbieders opgelegde administratieve vergoedingen moeten objectief, transparant en niet-discriminerend zijn en evenredig zijn met de administratieve kosten die redelijkerwijs worden gemaakt bij het beheer, de controle en de handhaving van de in dit hoofdstuk vastgestelde verplichtingen 3 .

ARTIKEL 16.5

Interconnectie

Elke Partij ziet erop toe dat een aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten het recht en, op verzoek van een andere aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten, de verplichting heeft om te onderhandelen over interconnectie met het oog op het aanbieden van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten.


ARTIKEL 16.6

Toegang tot en gebruik van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten

1.    Elke Partij ziet erop toe dat alle dienstverleners uit de andere Partij onder redelijke en niet-discriminerende voorwaarden toegang hebben tot en gebruik kunnen maken van de openbare telecommunicatienetwerken of -diensten, met inbegrip van huurlijnen, die op haar grondgebied of over haar grenzen heen worden aangeboden, voor de verlening van een dienst die op grond van hoofdstuk 10 (Investeringen) en hoofdstuk 11 (Grensoverschrijdende handel in diensten) is geliberaliseerd. Deze verplichting wordt, onder meer, door naleving van de leden 2 tot en met 6 uitgevoerd.

2.    Elke Partij ziet erop toe dat een dienstverlener uit de andere Partij:

a)    eind- of andere apparatuur die is verbonden met een openbaar telecommunicatienetwerk kan kopen of huren en daaraan kan koppelen;

b)    over eigen of gehuurde lijnen diensten kan verstrekken aan individuele of meerdere eindgebruikers;

c)    particuliere huurlijnen of lijnen in particuliere eigendom kan verbinden met openbare telecommunicatienetwerken en -diensten of met lijnen die worden gehuurd door of in eigendom zijn van een andere dienstverlener; en

d)    exploitatieprotocollen van zijn keuze kan gebruiken voor de verlening van alle diensten, andere dan die welke noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat telecommunicatiediensten voor het algemene publiek beschikbaar zijn.


3.    Elke Partij ziet erop toe dat dienstverleners uit de andere Partij openbare telecommunicatienetwerken en -diensten kunnen gebruiken voor het verkeer van informatie op haar grondgebied en over haar grenzen heen, daarbij inbegrepen de interne bedrijfscommunicatie van deze dienstverleners, en voor toegang tot informatie in databanken of tot informatie die op andere wijze in machineleesbare vorm is opgeslagen op het grondgebied van een der Partijen.

4.    Niettegenstaande het bepaalde in lid 3 kan een Partij maatregelen nemen of handhaven die noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en vertrouwelijkheid van communicatie, mits deze maatregelen niet op zodanige wijze worden toegepast dat zij een arbitraire of ongerechtvaardigde discriminatie dan wel een verkapte beperking van de handel in diensten vormen.

5.    Elke Partij ziet erop toe dat voor de toegang tot en het gebruik van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten uitsluitend voorwaarden worden gesteld die noodzakelijk zijn:

a)    ter vrijwaring van de verantwoordelijkheid als openbare instantie van aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten en met name hun bevoegdheid hun openbare telecommunicatiediensten aan het algemene publiek ter beschikking te stellen; of

b)    ter bescherming van de technische integriteit van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten.


6.    Mits de voorwaarden voor toegang tot en het gebruik van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten aan de in lid 5 genoemde criteria voldoen, mogen zij het volgende omvatten:

a)    beperkingen ter zake van wederverkoop en medegebruik van die diensten;

b)    de eis gespecificeerde technische interfaces te gebruiken, daarbij inbegrepen interfaceprotocollen, voor interconnectie met die netwerken en diensten;

c)    indien nodig, eisen voor de interoperabiliteit van die diensten en om aan te sporen tot het bereiken van de doelstellingen van artikel 16.18;

d)    type-goedkeuring van eind- of andere apparatuur die is verbonden met het netwerk, en technische eisen voor de koppeling van die apparatuur aan die netwerken;

e)    beperkingen ter zake van de koppeling van lijnen, in particuliere huur of eigendom, aan die netwerken, diensten of lijnen, gehuurd door of in eigendom van een andere dienstverlener; of

f)    eisen inzake aanmelding, registratie en verlening van vergunningen.


ARTIKEL 16.7

Beslechting van telecommunicatiegeschillen

1.    Elke Partij ziet erop toe dat in een geschil tussen aanbieders van telecommunicatienetwerken of -diensten in verband met de rechten en verplichtingen van dit hoofdstuk, haar regelgevende autoriteit voor telecommunicatie op verzoek van een van de bij het geschil betrokken partijen een bindend besluit neemt om het geschil binnen de in het recht van die Partij bepaalde termijn te beslechten.

2.    Elke Partij ziet erop toe dat het besluit van de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie openbaar wordt gemaakt, met inachtneming van de vereisten inzake vertrouwelijke bedrijfsgegevens. Elke Partij ziet erop toe dat de bij het geschil betrokken partijen een volledige verklaring ontvangen van de redenen waarop het besluit is gebaseerd en het recht hebben tegen dat besluit beroep in te stellen overeenkomstig artikel 16.3.6.

3.    De leden 1 en 2 laten het recht van elk van de bij het geschil betrokken partijen om bij de rechterlijke instanties een procedure in te leiden, onverlet 4 .


ARTIKEL 16.8

Concurrentiewaarborgen ten aanzien van grote aanbieders

1.    Elke Partij neemt of handhaaft passende maatregelen om te voorkomen dat aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten die, alleen of samen met anderen, grote aanbieders zijn, overgaan tot concurrentiebeperkende praktijken of deze voortzetten.

2.    De in lid 1 bedoelde concurrentiebeperkende praktijken omvatten met name:

a)    het op concurrentiebeperkende wijze toepassen van kruissubsidiëring;

b)    het op concurrentiebeperkende wijze gebruiken van informatie van concurrenten; en

c)    het niet tijdig aan andere dienstverleners beschikbaar stellen van technische informatie over essentiële faciliteiten en van commercieel relevante informatie die deze dienstverleners voor het leveren van hun diensten nodig hebben.


ARTIKEL 16.9

Interconnectie met grote aanbieders

1.    Elke Partij ziet erop toe dat een grote aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten op haar grondgebied interconnectie met de aanbieders van openbare telecommunicatiediensten uit de andere Partij aanbiedt:

a)    op elk technisch haalbaar punt in het netwerk van die grote aanbieder;

b)    onder niet-discriminerende voorwaarden, onder meer wat betreft tarieven, technische normen, specificaties, kwaliteit en onderhoud;

c)    van een kwaliteit die niet lager is dan die welke wordt geboden voor de eigen soortgelijke diensten, of voor de soortgelijke diensten van haar dochterondernemingen of andere gelieerde ondernemingen;

d)    binnen een redelijke termijn, en op voorwaarden, onder meer tarieven 5 , technische normen en specificaties, die transparant, economisch redelijk en voldoende gescheiden zijn, zodat de aanbieders van openbare telecommunicatiediensten niet hoeven te betalen voor netwerkonderdelen of -faciliteiten die zij voor de levering van hun diensten niet nodig hebben; en


e)    op verzoek via extra aansluitpunten, in aanvulling op de aan de meeste gebruikers aangeboden netwerkaansluitpunten, tegen een vergoeding die gebaseerd is op de kosten voor het aanleggen van de noodzakelijke aanvullende faciliteiten.

2.    Elke Partij ziet erop toe dat grote aanbieders op haar grondgebied, naargelang van het geval, het volgende bekendmaken:

a)    een referentie-interconnectieaanbieding of een andere standaardinterconnectieaanbieding met de voorwaarden en tarieven die de grote aanbieder in het algemeen aanbiedt aan aanbieders van openbare telecommunicatiediensten; of

b)    de voorwaarden van een van kracht zijnde interconnectieovereenkomst.

3.    Elke Partij maakt de toepasselijke procedures voor onderhandelingen over interconnectie met een grote aanbieder op haar grondgebied bekend.


ARTIKEL 16.10

Toegang tot essentiële faciliteiten

1.    Elke Partij ziet erop toe dat een grote aanbieder op haar grondgebied tegen redelijke, transparante en niet-discriminerende voorwaarden op basis van een algemeen beschikbare aanbieding toegang tot zijn essentiële faciliteiten verleent aan aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten met het oog op het aanbieden van openbare telecommunicatiediensten, tenzij dat niet noodzakelijk is om daadwerkelijke mededinging tot stand te brengen op basis van de verzamelde feiten en de beoordeling van de marktvoorwaarden door de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie. De essentiële faciliteiten van een grote aanbieder kunnen netwerkelementen, huurlijnen en bijbehorende faciliteiten omvatten.

2.    Elke Partij verleent haar regelgevende autoriteit voor telecommunicatie de bevoegdheid om de essentiële faciliteiten vast te stellen die op haar grondgebied door een grote aanbieder beschikbaar moeten worden gesteld, en om te bepalen in hoeverre die essentiële faciliteiten moeten worden gescheiden. Een dergelijke vaststelling wordt onder meer gebaseerd op de doelstelling daadwerkelijke mededinging tot stand te brengen en op het voordeel van het langetermijnbelang van eindgebruikers.

3.    Indien een Partij van een grote aanbieder verlangt dat hij zijn openbare telecommunicatiediensten voor wederverkoop aanbiedt, ziet zij erop toe dat de grote aanbieder geen onredelijke of discriminerende voorwaarden betreffende de wederverkoop van zijn openbare telecommunicatiediensten oplegt.


ARTIKEL 16.11

Schaarse middelen

1.    Elke Partij ziet erop toe dat de toewijzing en verlening van gebruiksrechten voor schaarse middelen, met inbegrip van radiospectrum, nummers en doorgangsrechten, geschiedt op een open, objectieve, tijdige, transparante, niet-discriminerende en evenredige wijze, waarbij doelstellingen van algemeen belang, zoals de bevordering van de mededinging, worden nagestreefd. De procedures en de aan gebruiksrechten verbonden voorwaarden en verplichtingen zijn gebaseerd op objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria.

2.    Elke Partij ziet erop toe dat het huidige gebruik van toegewezen frequentiebanden algemeen wordt bekendgemaakt, maar een gedetailleerde vermelding van radiospectra die voor specifieke doeleinden door de overheid zijn toegewezen, is niet vereist.

3.    Elke Partij kan gebruikmaken van marktgebaseerde benaderingen, zoals biedprocedures, om radiospectrum toe te wijzen voor commercieel gebruik.


4.    Maatregelen van een Partij voor de toewijzing en toekenning van radiospectra en voor het beheer van de frequenties zijn niet per definitie in strijd met artikel 10.6 (Markttoegang) en artikel 11.4 (Markttoegang). Elke Partij behoudt het recht maatregelen voor het beheer van spectra en frequenties vast te stellen en te handhaven die tot gevolg kunnen hebben dat het aantal aanbieders van communicatiediensten wordt beperkt, op voorwaarde dat die maatregelen in overeenstemming zijn met andere bepalingen van deze overeenkomst. Dit recht omvat de mogelijkheid om frequentiebanden toe te wijzen, rekening houdend met bestaande en toekomstige behoeften en beschikbaarheid van radiospectrum.

ARTIKEL 16.12

Nummerportabiliteit

Elke Partij ziet er op haar grondgebied op toe dat aanbieders van openbare telecommunicatiediensten tijdig en onder redelijke en niet-discriminerende voorwaarden nummerportabiliteit aanbieden, zonder dat de kwaliteit, de betrouwbaarheid of het gemak er onder lijden.

ARTIKEL 16.13

Universele dienst

1.    Elke Partij heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij in stand wenst te houden.


2.    Elke Partij wijst alle door haar gehandhaafde universeledienstverplichtingen toe op een transparante en niet-discriminerende wijze die neutraal is ten aanzien van de mededinging. Elke Partij ziet erop toe dat de universeledienstverplichtingen die zij oplegt, niet belastender zijn dan voor de door haar vastgestelde soort universele dienst noodzakelijk is. De overeenkomstig deze beginselen vastgestelde universeledienstverplichtingen worden niet per definitie als concurrentiebeperkend beschouwd.

3.    Elke Partij ziet erop toe dat de procedures voor de aanwijzing van universeledienstverleners openstaan voor alle aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten. De aanwijzing geschiedt door middel van een efficiënt, transparant en niet-discriminerend mechanisme.

4.    Indien een Partij besluit de universeledienstverleners te compenseren, ziet zij erop toe dat die compensatie niet hoger is dan de behoeften die rechtstreeks zijn toe te schrijven aan de universeledienstverplichting, zoals bepaald door middel van een concurrerende procedure of een vaststelling van de nettokosten.

ARTIKEL 16.14

Vertrouwelijke informatie

1.    Elke Partij ziet erop toe dat aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten die bij onderhandelingen over regelingen op grond van de artikelen 16.5, 16.9 of 16.10 informatie van een andere aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten ontvangen, die informatie uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor die is verstrekt en de vertrouwelijkheid van die informatie te allen tijde eerbiedigen.


2.    Elke Partij waarborgt de vertrouwelijkheid van de telecommunicatie en daarmee verband houdende verkeersgegevens die bij het gebruik van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten worden doorgegeven, met dien verstande dat de daartoe genomen maatregelen geen middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte beperking van de handel in diensten vormen.

ARTIKEL 16.15

Technologische neutraliteit

De Partijen erkennen de voordelen van technologische neutraliteit, vooral wat betreft het toestaan aan aanbieders van openbare telecommunicatiediensten om de technologieën te kiezen die zij voor hun dienstverlening willen gebruiken. Een Partij kan die keuze beperken door vereisten vast te stellen of te handhaven die nodig zijn om aan legitieme doelstellingen van het overheidsbeleid te beantwoorden, op voorwaarde dat die vereisten geen onnodige handelsbelemmeringen opwerpen.


ARTIKEL 16.16

Behandeling door grote aanbieders

Elke Partij verleent haar regelgevende autoriteit voor telecommunicatie de bevoegdheid om, in voorkomend geval, te verlangen dat een grote aanbieder op haar grondgebied aan aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten uit de andere Partij een behandeling toekent die niet minder gunstig is dan die welke door de grote aanbieder in soortgelijke situaties wordt toegekend aan haar dochterondernemingen of gelieerde ondernemingen, met betrekking tot:

a)    de beschikbaarheid, verstrekking, tarieven of kwaliteit van soortgelijke telecommunicatiediensten; en

b)    de beschikbaarheid van technische interfaces voor interconnectie.

ARTIKEL 16.17

Internationale mobiele roaming

1.    De Partijen spannen zich in om samen te werken aan de bevordering van transparante en redelijke tarieven voor internationale mobiele roamingdiensten teneinde de groei van de handel tussen de Partijen te bevorderen en het welzijn van de consumenten te vergroten.


2.    Een Partij kan de transparantie en de mededinging op het gebied van internationale mobiele roamingkosten en technologische alternatieven voor roamingdiensten verbeteren, met name door:

a)    te waarborgen dat informatie over retailtarieven gemakkelijk toegankelijk is voor de consumenten; en

b)    de belemmeringen voor het gebruik van technologische alternatieven voor roaming te verminderen, waarbij consumenten die haar grondgebied bezoeken toegang hebben tot telecommunicatiediensten met gebruikmaking van het apparaat van hun keuze.

ARTIKEL 16.18

Internationale normen en organisaties

De Partijen erkennen het belang van internationale normen voor de wereldwijde compatibiliteit en interoperabiliteit van telecommunicatienetwerken of -diensten, en bevorderen deze normen via de werkzaamheden van de betrokken internationale organen, daarbij inbegrepen de Internationale Telecommunicatie-unie en de Internationale Organisatie voor normalisatie.


HOOFDSTUK 17

INTERNATIONALE ZEEVERVOERDIENSTEN

ARTIKEL 17.1

Definities

1.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk, afdeling B van hoofdstuk 10 (Liberalisering van investeringen), en hoofdstuk 11 (Grensoverschrijdende handel in diensten), hoofdstuk 12 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden) en hoofdstuk 18 (Financiële diensten) wordt verstaan onder:

a)    “diensten in verband met de opslag van containers”: de opslag van containers op haventerreinen of verder landinwaarts, om deze te laden of te lossen, te repareren en gereed te maken voor verzending;

b)    “in- en uitklaring”: de afhandeling van douaneformaliteiten namens een derde met betrekking tot de in-, uit- of doorvoer van vracht, ongeacht of deze dienst de hoofdactiviteit van de dienstverlener is of een gebruikelijke aanvulling op diens hoofdactiviteit;


c)    “vervoer van deur tot deur of multimodaal vervoer”: het vervoer van vracht met een enkel vervoersdocument, waarbij gebruik wordt gemaakt van meer dan één wijze van vervoer en dat een internationaal traject over zee omvat;

d)    “expediteursdiensten”: de activiteit waarbij namens een verzender de verzending wordt georganiseerd en gemonitord, door vervoersdiensten en aanverwante diensten te contracteren, documenten op te stellen en bedrijfsinformatie te verschaffen;

e)    “internationale vracht”: vracht die wordt vervoerd tussen een haven van de ene Partij en een haven van de andere Partij of van een derde land, of tussen een haven van een lidstaat van de Europese Unie en een haven van een andere lidstaat van de Europese Unie;

f)    “internationale zeevervoerdiensten”: het vervoer van passagiers of van vracht door zeeschepen tussen een haven van de ene Partij en een haven van de andere Partij of van een derde land, of tussen een haven van een lidstaat van de Europese Unie en een haven van een andere lidstaat van de Europese Unie, evenals het rechtstreeks contracten sluiten met aanbieders van andere vervoerdiensten ter waarborging van vervoer van deur tot deur of van multimodaal vervoer met een enkel vervoersdocument, maar niet het recht om dergelijke andere vervoerdiensten te verlenen;

g)    “ondersteunende diensten voor zeevervoer”: behandeling van zeevracht, in- en uitklaring, diensten in verband met de opslag van containers, diensten van scheepsagenten en maritieme expediteursdiensten;


h)    “diensten van scheepsagenten”: de behartiging van de zakelijke belangen van een of meer scheepvaartlijnen of scheepvaartmaatschappijen binnen een bepaald geografisch gebied door een agent, voor de volgende doeleinden:

i)    marketing en verkoop van zeevervoer- en aanverwante diensten, van de prijsopgave tot de facturering, alsmede het afgeven van vrachtbrieven namens de maatschappijen, het kopen en weer verkopen van de nodige aanverwante diensten, het opstellen van documenten en het verschaffen van bedrijfsinformatie; of

ii)    organisatorische werkzaamheden namens de maatschappijen betreffende het aanlopen van schepen of het overnemen van vracht in voorkomend geval; en

i)    “behandeling van zeevracht”: activiteiten van stuwadoorsbedrijven en terminalexploitanten, met uitzondering van de directe werkzaamheden van dokwerkers wanneer deze onafhankelijk van de stuwadoorsbedrijven of terminalexploitanten zijn tewerkgesteld; daarbij inbegrepen de organisatie van en het toezicht op:

i)    het laden of lossen van schepen;

ii)    het sjorren of losmaken van vracht; of

iii)    het in ontvangst nemen of afleveren en bewaken van vracht vóór verscheping of na lossing.


ARTIKEL 17.2

Doelstelling

Dit hoofdstuk bevat de beginselen inzake de liberalisering van de internationale zeevervoerdiensten overeenkomstig afdeling B van hoofdstuk 10 (Liberalisering van investeringen), en hoofdstuk 11 (Grensoverschrijdende handel in diensten), hoofdstuk 12 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden) en hoofdstuk 18 (Financiële diensten).

ARTIKEL 17.3

Beginselen

1.    Met inachtneming van alle maatregelen die een Partij vaststelt of handhaaft met betrekking tot sectoren, subsectoren of activiteiten, overeenkomstig de bijlagen I (Bestaande maatregelen), II (Toekomstige maatregelen), III (Verbintenissen inzake markttoegang) en VI (Financiële diensten):

a)    past elke Partij het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale markten voor zeevervoer op commerciële en niet-discriminatoire grondslag daadwerkelijk toe; en


b)    kent elke Partij aan vaartuigen die de vlag voeren van de andere Partij of die worden geëxploiteerd door dienstverleners uit de andere Partij, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke aan haar eigen vaartuigen wordt toegekend met betrekking tot onder meer de toegang tot havens, het gebruik van infrastructuur en havendiensten, het gebruik van ondersteunende diensten voor zeevervoer, evenals de daarmee verband houdende vergoedingen en heffingen, toegang tot douanefaciliteiten en de toewijzing van aanlegplaatsen en laad- en losinstallaties.

2.    Bij het toepassen van de in lid 1, punten a) en b) beschreven beginselen:

a)    nemen de Partijen in toekomstige overeenkomsten met derde landen geen vrachtverdelingsregelingen op met betrekking tot zeevervoerdiensten, met inbegrip van het vervoer van droge en vloeibare bulkladingen en het lijnverkeer, en zullen zij dergelijke vrachtverdelingsregelingen, wanneer zij in eerdere overeenkomsten voorkomen, binnen een redelijke termijn beëindigen; en

b)    heffen de Partijen bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst alle unilaterale maatregelen of administratieve, technische of andere belemmeringen op die een verkapte beperking kunnen zijn van of een discriminatoir effect kunnen hebben op het vrij verrichten van diensten in het internationale zeevervoer, en zien zij af van invoering ervan.

3.    Elke Partij staat toe dat aanbieders van internationale zeevervoerdiensten uit de andere Partij op haar grondgebied een onderneming hebben die gevestigd is en activiteiten verricht overeenkomstig de bijlagen I (Bestaande maatregelen), II (Toekomstige maatregelen), III (Verbintenissen inzake markttoegang) en VI (Financiële diensten).


4.    De Partijen geven aanbieders van internationale zeevervoerdiensten uit de andere Partij op redelijke en niet-discriminerende voorwaarden toegang tot de volgende havendiensten: loodsen, hulp van duw- en sleepboten, bevoorrading, brandstof- en waterlevering, ophaling en verwerking van afval, kapiteinsdiensten, navigatiehulp, faciliteiten voor noodreparaties, verankering en aan- en afmeren, alsmede diensten vanaf de wal die essentieel zijn voor het functioneren van een schip, waaronder communicatie, water- en elektriciteitsvoorzieningen.


HOOFDSTUK 18

FINANCIËLE DIENSTEN

ARTIKEL 18.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “verlener van grensoverschrijdende financiële diensten uit een Partij”: een persoon uit een Partij die op het grondgebied van de Partij actief is in de financiële dienstverlening en die een financiële dienst wil verlenen of verleent door grensoverschrijdende verlening van die dienst;

b)    “grensoverschrijdende handel in financiële diensten” of “grensoverschrijdende verlening van financiële diensten”: het verlenen van een financiële dienst:

i)    vanaf het grondgebied van een Partij naar het grondgebied van de andere Partij; of

ii)    op het grondgebied van een Partij ten behoeve van een gebruiker van de dienst uit de andere Partij; waarbij het verlenen van een financiële dienst op het grondgebied van een Partij door een investering in dat grondgebied niet onder deze definitie valt;


c)    “financiële instelling”: een verlener van financiële diensten die een financiële dienst verricht indien die dienstverlener een vergunning heeft om zaken te doen en hij naar het interne recht van de Partij op het grondgebied waarvan hij is gevestigd, als financiële instelling onder regelgeving of toezicht valt, met inbegrip van filialen op het grondgebied van de Partij van die verlener van financiële diensten waarvan het hoofdkantoor zich op het grondgebied van de andere Partij bevindt;

d)    “financiële instelling uit de andere Partij”: een financiële instelling die zich op het grondgebied van een Partij bevindt en waarover een persoon uit de andere Partij zeggenschap heeft;

e)    “financiële dienst”: een dienst van financiële aard, met inbegrip van verzekeringen en aanverwante diensten, bankdiensten en andere financiële diensten (met uitzondering van verzekeringen); Financiële diensten omvatten de volgende activiteiten:

i)    verzekeringen en aanverwante diensten:

A)    directe verzekering met inbegrip van medeverzekering:

1)    levensverzekering;

2)    schadeverzekering;

B)    herverzekering en retrocessie;


C)    verzekeringsbemiddeling, zoals diensten van makelaars en agenten; en

D)    ondersteunende diensten in de verzekeringssector, zoals adviesverstrekking, actuariaat, risicobeoordeling en regeling van schade-eisen; en

ii)    bankdiensten en andere financiële diensten (met uitzondering van verzekeringen):

A)    aanvaarding van deposito’s en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek;

B)    alle soorten leningen, waaronder consumentenkrediet en hypotheken, factoring en financiering van commerciële transacties;

C)    financiële leasing;

D)    alle diensten in verband met het betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder krediet-, betaal- en debetkaarten, reischeques en bankwissels;

E)    verlenen van garanties en stellen van borgtochten;


F)    transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten, op de beurs, de onderhandse markt of anderszins, ten aanzien van:

1)    geldmarktinstrumenten (met inbegrip van cheques, effecten en depositocertificaten);

2)    deviezen;

3)    derivaten, met inbegrip van termijninstrumenten en opties;

4)    wisselkoers- en rentetariefinstrumenten, waaronder producten als swaps en rentetermijncontracten;

5)    verhandelbare effecten; en

6)    andere verhandelbare stukken en financiële activa, met inbegrip van ongemunt goud en zilver;

G)    deelneming in de uitgifte van alle soorten effecten, met inbegrip van garantieverlening en plaatsing in de hoedanigheid van agent (openbaar dan wel particulier) en verlening van daarmee verband houdende diensten;

H)    financiële bemiddeling;


I)    beheer van activa, zoals beheer van contanten of portefeuillebeheer, alle vormen van beheer van collectieve investeringen, beheer van pensioenfondsen, diensten aangaande bewaarneming, depositodiensten en fiduciaire diensten;

J)    vereffenings- en verrekeningsdiensten in verband met financiële activa, met inbegrip van effecten, derivaten en andere verhandelbare instrumenten;

K)    verstrekking en doorgifte van financiële informatie, verwerking van financiële gegevens en daarop betrekking hebbende software door verleners van andere financiële diensten; en

L)    advies- en bemiddelingsdiensten en andere ondersteunende financiële diensten voor alle onder de bovenstaande punten A) tot en met K) vermelde activiteiten, met inbegrip van kredietonderzoek en -analyse, onderzoek en advies aangaande investeringen en beleggingen, advies over overnames, bedrijfsreorganisaties en -strategieën;

f)    “verlener van financiële diensten”: een persoon uit een Partij die op het grondgebied van die Partij een financiële dienst wil verlenen of verleent, met uitzondering van overheidsinstanties;


g)    “investering”: een investering zoals gedefinieerd in artikel 10.1 (Definities), lid 2, met dien verstande dat voor de toepassing van dit hoofdstuk met betrekking tot leningen en andere schuldbewijzen zoals bedoeld in dat artikel het volgende geldt:

i)    een lening aan of een schuldbewijs uitgegeven door een financiële instelling is alleen dan een investering indien die lening of dat schuldbewijs door de Partij op het grondgebied waarvan de financiële instelling is gevestigd, als eigen vermogen wordt behandeld, ongeacht de looptijd ervan; en

ii)    een lening verstrekt door of een schuldbewijs in eigendom van een financiële instelling, anders dan een lening aan of een schuldbewijs van een financiële instelling zoals bedoeld onder i), is geen investering;

voor alle duidelijkheid: een lening verstrekt door of een schuldbewijs in eigendom van een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten, anders dan een lening aan of een schuldbewijs uitgegeven door een financiële instelling, is een investering wat de toepassing van hoofdstuk 10 (Investeringen) betreft, indien die lening of dat schuldinstrument de criteria voor investeringen van artikel 10.1 (Definities) vervult;

h)    “investeerder uit een Partij”: een investeerder uit een Partij zoals gedefinieerd in artikel 10.1 (Definities).

i)    “nieuwe financiële dienst”: een niet op het grondgebied van een Partij maar wel op het grondgebied van de andere Partij verleende financiële dienst omvattend alle nieuwe vormen van financiële dienstverlening of de verkoop van een financieel product dat niet op het grondgebied van de Partij wordt verkocht;


j)    “overheidsinstantie”:

i)    een overheid, centrale bank of monetaire autoriteit van een Partij, of een entiteit die eigendom is of onder zeggenschap staat van een Partij en die zich in hoofdzaak bezighoudt met het uitvoeren van overheidstaken of activiteiten voor overheidsdoeleinden, met uitzondering van instanties die zich in hoofdzaak bezighouden met het verlenen van financiële diensten op commerciële basis; of

ii)    een particuliere entiteit die taken vervult welke normaliter door een centrale bank of monetaire autoriteit worden vervuld; en

k)    “zelfregulerende organisatie”: een niet-gouvernementeel orgaan, met inbegrip van effecten- of termijnbeurzen of -markten, verrekenkantoren of andere organisaties of verenigingen, dat ten aanzien van verleners van financiële diensten zijn eigen of door een Partij gedelegeerde regelgevings- of toezichtsbevoegdheden uitoefent.

ARTIKEL 18.2

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen inzake:

a)    de financiële instellingen uit de andere Partij;


b)    de investeerders uit de andere Partij, en de investeringen van die investeerders, in financiële instellingen op het grondgebied van de Partij; en

c)    de grensoverschrijdende handel in financiële diensten.

2.    Voor alle duidelijkheid: hoofdstuk 10 (Investeringen) is van toepassing op de maatregelen die door een Partij worden vastgesteld of gehandhaafd:

a)    ten aanzien van de investeerders uit een Partij en de investeringen van die investeerders in verleners van financiële diensten die geen financiële instelling zijn; en

b)    andere maatregelen dan maatregelen inzake het verlenen van financiële diensten, ten aanzien van investeerders uit een Partij of investeringen van die investeerders in financiële instellingen.

3.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen inzake:

a)    activiteiten of diensten die onderdeel vormen van een pensioenregeling van de overheid of een wettelijk stelsel van sociale zekerheid; of


b)    activiteiten of diensten verricht voor rekening van een Partij, met garantiestelling door of gebruikmaking van de financiële middelen van de Partij, haar overheidsinstanties daaronder begrepen,

met dien verstande dat dit hoofdstuk wel van toepassing is voor zover een Partij toestaat dat de in punt a) of b) bedoelde activiteiten of diensten door haar financiële instellingen in mededinging met een overheidsinstantie of een financiële instelling worden verricht.

4.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op overheidsopdrachten inzake financiële diensten.

5.    Geen enkele bepaling in deze overeenkomst is van toepassing op de activiteiten van een centrale bank of een monetaire autoriteit of van enige andere overheidsinstantie die bevoegd is voor het monetaire beleid of het wisselkoersbeleid.

6.    De bepalingen van hoofdstuk 10 (Investeringen) en hoofdstuk 11 (Grensoverschrijdende handel in diensten) zijn slechts van toepassing op maatregelen die binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen voor zover die bepalingen in dit hoofdstuk zijn opgenomen en er integrerend deel van uitmaken.


7.    De volgende bepalingen worden hierbij opgenomen in en maken integrerend deel uit van dit hoofdstuk en zijn van overeenkomstige toepassing op maatregelen die door een Partij worden vastgesteld of gehandhaafd met betrekking tot financiële instellingen uit de andere Partij, investeerders uit de andere Partij en de investeringen van die investeerders in financiële instellingen op het grondgebied van de Partij:

a)    de artikelen 10.11 (Formele vereisten), 10.14 (Investeringen en regelgevingsmaatregelen en -doelstellingen), 10.15 (Behandeling van investeerders en van onder de overeenkomst vallende investeringen), 10.16 (Overmakingen), 10.17 (Compensatie voor verliezen), 10.18 (Onteigening en compensatie), 10.19 (Subrogatie), 10.52 (Weigering van toekenning van voordelen) en 11.9 (Weigering van toekenning van voordelen); en

b)    afdeling D van hoofdstuk 10 (Beslechting van investeringsgeschillen), uitsluitend wat betreft verzoeken wegens niet-nakoming door een Partij van artikel 18.3 of 18.4 met betrekking tot de exploitatie van een financiële instelling of een investering in een financiële instelling, of van artikel 10.11 (Formele vereisten), 10.15 (Behandeling van investeerders en van onder de overeenkomst vallende investeringen), 10.16 (Overmakingen), 10.17 (Compensatie voor verliezen), 10.18 (Onteigening en compensatie), 10.52 (Weigering van toekenning van voordelen) of 11.9 (Weigering van toekenning van voordelen).

8.    In geval van strijdigheid tussen het bepaalde in dit hoofdstuk en een ander hoofdstuk van de overeenkomst, heeft het bepaalde in dit hoofdstuk voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft.


ARTIKEL 18.3

Nationale behandeling

1.    Artikel 10.7 (Nationale behandeling) wordt hierbij opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk en is van toepassing op investeerders en financiële instellingen uit de andere Partij en hun investeringen in financiële instellingen.

2.    Onder de behandeling die door een Partij aan haar eigen investeerders en hun investeringen wordt toegekend overeenkomstig artikel 10.7 (Nationale behandeling) wordt hier verstaan de behandeling die wordt toegekend aan haar eigen financiële instellingen en investeringen van haar eigen investeerders in financiële instellingen.

ARTIKEL 18.4

Meestbegunstigingsbehandeling

1.    Artikel 10.8 (Meestbegunstigingsbehandeling) wordt hierbij opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk en is van toepassing op de maatregelen die door een Partij worden vastgesteld of gehandhaafd met betrekking tot investeerders en financiële instellingen uit de andere Partij en hun investeringen in financiële instellingen.


2.    Onder de behandeling die door een Partij aan investeerders uit een derde land en investeringen van investeerders uit een derde land wordt toegekend overeenkomstig artikel 10.8 (Meestbegunstigingsbehandeling), wordt hier verstaan de behandeling die wordt toegekend aan financiële instellingen uit een derde land en aan investeringen van investeerders uit een derde land in financiële instellingen.

ARTIKEL 18.5

Markttoegang

1.    Een Partij mag met betrekking tot een financiële instelling uit de andere Partij of met betrekking tot markttoegang door vestiging van een financiële instelling door een investeerder uit de andere Partij geen maatregelen vaststellen of handhaven die voor haar gehele grondgebied of het grondgebied van een territoriale overheid:

a)    beperkingen opleggen ten aanzien van:

i)    het aantal financiële instellingen, al dan niet in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;

ii)    de totale waarde van de met de financiële diensten verband houdende transacties of activa in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;


iii)    het totale aantal met de financiële diensten verband houdende transacties of het totale volume van de output aan financiële diensten, uitgedrukt in bepaalde numerieke eenheden, in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte; of

iv)    het totale aantal natuurlijke personen die kunnen worden tewerkgesteld in een bepaalde financiëledienstensector of die een financiële instelling in dienst mag hebben en die nodig zijn voor en zich rechtstreeks bezighouden met het verlenen van een specifieke financiële dienst, door middel van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte; of

b)    specifieke soorten juridische entiteiten of joint ventures via welke een financiële instelling een economische activiteit kan uitoefenen, vereisen of ten aanzien van die juridische entiteiten of joint ventures beperkingen opleggen.

2.    Voor alle duidelijkheid: dit artikel mag niet aldus worden uitgelegd dat het een Partij belet van een financiële instelling te verlangen dat zij bepaalde financiële diensten door middel van afzonderlijke juridische entiteiten verleent indien volgens het recht van die Partij het scala van de door de financiële instelling verleende diensten niet door een enkele entiteit kan worden verleend.


ARTIKEL 18.6

Hoger management en raad van bestuur

Artikel 10.10 (Hoger management en raad van bestuur) wordt hierbij opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk en is van toepassing op maatregelen die door een Partij worden vastgesteld of gehandhaafd met betrekking tot financiële instellingen.

ARTIKEL 18.7

Grensoverschrijdende handel in financiële diensten

1.    Artikel 11.4 (Markttoegang) en artikel 11.6 (Nationale behandeling) worden hierbij opgenomen in en maken deel uit van dit hoofdstuk en zijn van toepassing op maatregelen die door een Partij worden vastgesteld en gehandhaafd met betrekking tot verleners van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere Partij die de in bijlage 18-A (Grensoverschrijdende handel in financiële diensten) bedoelde financiële diensten verlenen.

2.    Onder de door een Partij aan haar eigen diensten en dienstverleners overeenkomstig artikel 11.6 (Nationale behandeling) toegekende behandeling wordt hier verstaan de behandeling die wordt toegekend aan haar eigen financiële diensten en verleners van financiële diensten.


3.    Onder de maatregelen die een Partij niet vaststelt of handhaaft met betrekking tot diensten en dienstverleners uit de andere Partij overeenkomstig artikel 11.4 (Markttoegang) worden hier verstaan maatregelen met betrekking tot verleners van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere Partij wanneer deze financiële diensten verlenen.

4.    Artikel 11.7 (Meestbegunstigingsbehandeling) wordt hierbij opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk en is van toepassing op de maatregelen die door een Partij worden vastgesteld of gehandhaafd met betrekking tot verleners van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere Partij.

5.    Onder de behandeling die door een Partij wordt toegekend aan diensten en dienstverleners uit een derde land overeenkomstig artikel 11.7 (Meestbegunstigingsbehandeling) wordt hier verstaan de behandeling die wordt toegekend aan financiële diensten uit een derde land en aan verleners van financiële diensten uit een derde land.

6.    Artikel 11.5 (Lokale aanwezigheid) wordt hierbij opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk en is van toepassing op verleners van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere Partij die de in bijlage 18-A (Grensoverschrijdende handel in financiële diensten) bedoelde financiële diensten verlenen.

7.    Elke Partij staat op haar grondgebied gevestigde personen en haar onderdanen, ongeacht waar zij zijn gevestigd, toe financiële diensten te kopen van verleners van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere Partij die op het grondgebied van die andere Partij zijn gevestigd. Deze verbintenis houdt voor een Partij geen verplichting in om dergelijke dienstverleners toe te staan zaken te doen of klanten te werven op haar grondgebied. Elke Partij kan de begrippen “zaken doen” en “klanten werven” voor de toepassing van deze verplichting definiëren, op voorwaarde dat die definities niet strijdig zijn met lid 1.


8.    Dit artikel mag niet aldus worden uitgelegd dat het een Partij belet een maatregel vast te stellen of te handhaven waarmee zij formele vereisten voorschrijft in verband met de levering van een grensoverschrijdende financiële dienst, zoals registratie of machtiging van verleners van grensoverschrijdende financiële diensten en van financiële instrumenten, op voorwaarde dat die vereisten niet op discriminerende wijze worden toegepast.

ARTIKEL 18.8

Prestatievereisten

1.    Met betrekking tot investeringen in financiële instellingen bepalen de Partijen samen regels inzake prestatievereisten zoals die welke zijn vervat in artikel 10.9 (Prestatievereisten).

2.    Binnen honderdtachtig dagen na de gezamenlijke bepaling van de regels inzake prestatievereisten overeenkomstig lid 1, wijzigt de Gezamenlijke Raad bij besluit lid 1, teneinde die regels in dit artikel op te nemen, en kan hij, in voorkomend geval, de voorbehouden en niet-conforme maatregelen van elke Partij in bijlage VI (Financiële diensten) wijzigen.

3.    Artikel 18.12 is van toepassing op maatregelen met betrekking tot de in lid 1 bedoelde regels inzake prestatievereisten.


ARTIKEL 18.9

Financiële diensten die nieuw zijn op het grondgebied van een Partij

1.    Een Partij staat een financiële instelling uit de andere Partij toe een nieuwe financiële dienst te verlenen waarvoor de eerstgenoemde Partij zou toestaan dat die overeenkomstig haar interne recht in vergelijkbare situaties door haar eigen financiële instellingen wordt verleend, zonder een wet aan te nemen of een bestaande wet te wijzigen.

2.    Niettegenstaande het bepaalde in artikel 18.8, lid 1), in samenhang met artikel 11.4 (Markttoegang), kan een Partij de institutionele en rechtsvorm vaststellen waarin de nieuwe financiële dienst kan worden verleend en kan zij de verlening daarvan aan een vergunningsplicht onderwerpen. Indien een vergunning vereist is, wordt hierover binnen een redelijke termijn een besluit genomen en kan de vergunning uitsluitend worden geweigerd om prudentiële redenen.

ARTIKEL 18.10

Herzieningsclausule inzake gegevensstromen

De Partijen beoordelen binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst of het noodzakelijk is om bepalingen op te nemen over het vrije verkeer van gegevens voor het verrichten van de activiteiten die binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen.


ARTIKEL 18.11

Behandeling van informatie

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst wordt op zodanige wijze geïnterpreteerd dat zij een Partij ertoe verplicht informatie betreffende de zaken en de boekhouding van individuele klanten dan wel vertrouwelijke of gepatenteerde informatie te verstrekken die in het bezit is van overheidsinstanties.

ARTIKEL 18.12

Voorbehouden en niet-conforme maatregelen

1.    De artikelen 18.3 tot en met 18.7 zijn niet van toepassing op:

a)    bestaande niet-conforme maatregelen die door een Partij worden gehandhaafd op het niveau van:

i)    de Europese Unie, als opgenomen in aanhangsel VI-A (Lijst van de EU) van bijlage VI (Financiële diensten);

ii)    een centrale overheid, als opgenomen door die Partij in afdeling A van haar lijst in het aanhangsel van bijlage VI (Financiële diensten);


iii)    een regionale overheid, als opgenomen door die Partij in afdeling A van haar lijst in het aanhangsel van bijlage VI (Financiële diensten), of

iv)    een lokale overheid;

b)    de handhaving of onverwijlde verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld in punt a); of

c)    een wijziging van een niet-conforme maatregel als bedoeld in punt a), voor zover de wijziging de maatregel zoals deze:

i)    onmiddellijk vóór de wijziging bestond, niet minder conform maakt met de artikelen 18.3, 18.4, 18.5, of 18.6; of

ii)    op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst bestond, niet minder conform maakt met artikel 18.7.

2.    De artikelen 18.3 tot en met 18.7 zijn niet van toepassing op maatregelen die een Partij vaststelt of handhaaft met betrekking tot sectoren, subsectoren of activiteiten, zoals door die Partij zijn opgenomen in afdeling B van haar lijst van het aanhangsel van bijlage VI (Financiële diensten).


3.    Indien een Partij een voorbehoud heeft geformuleerd bij de artikelen 10.6 (Markttoegang), 10.7 (Nationale behandeling), 10.8 (Meestbegunstigingsbehandeling), 10.10 (Hoger management en raad van bestuur), 11.4 (Markttoegang), 11.5 (Lokale aanwezigheid), 11.6 (Nationale behandeling) of 11.7 (Meestbegunstigingsbehandeling) in haar lijst in het aanhangsel van de bijlagen I of II vormt dit ook een voorbehoud bij de artikelen 18.3, 18.4, 18.5, 18.6 of 18.7, al naargelang het geval, voor zover de in het voorbehoud bedoelde maatregel, sector, subsector of activiteit binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt.

4.    Een Partij stelt geen maatregel vast die valt onder een voorbehoud dat is opgenomen in het respectieve aanhangsel van bijlage II (Toekomstige maatregelen) en die direct of indirect van een investeerder uit de andere Partij verlangt dat hij, op grond van zijn nationaliteit, een investering die bestaat op het moment waarop de maatregel van kracht wordt, verkoopt of anderszins vervreemdt.

ARTIKEL 18.13

Prudentiële uitzonderingsbepaling

1.    Niets in deze overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat een Partij wordt belet maatregelen vast te stellen of te handhaven om prudentiële redenen 6 , zoals:

a)    het beschermen van investeerders, spaarders, polishouders of personen jegens wie een verlener van financiële diensten een fiduciaire verplichting heeft; of


b)    het verzekeren van de integriteit en stabiliteit van het financiële stelsel van die Partij.

2.    Wanneer dergelijke maatregelen strijdig zijn met de andere bepalingen van de overeenkomst mogen zij niet worden gebruikt als middel om de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen of verplichtingen van een Partij te ontduiken.

ARTIKEL 18.14

Erkenning

1.    Een Partij kan prudentiële maatregelen van de andere Partij of een derde land erkennen bij het bepalen hoe de maatregelen van de eerstgenoemde Partij met betrekking tot financiële diensten moeten worden toegepast. Een dergelijke erkenning kan autonoom, door harmonisatie of op basis van een overeenkomst of een andere regeling worden verwezenlijkt.

2.    Indien een Partij een prudentiële maatregel van een derde land erkent overeenkomstig lid 1, biedt die Partij de andere Partij adequate gelegenheid om aan te tonen dat de omstandigheden waarin de Partij de prudentiële maatregel van het derde land heeft erkend in de andere Partij bestaan en dat er onder die omstandigheden in de andere Partij gelijkwaardige regelgeving, gelijkwaardig toezicht en gelijkwaardige uitvoering voorhanden zijn of zullen zijn alsook, waar passend, procedures voor de uitwisseling van informatie tussen de Partijen.


3.    Geen enkele bepaling in deze overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat van een Partij wordt verlangd een prudentiële maatregel van de andere Partij te erkennen.

ARTIKEL 18.15

Internationale normen

Elke Partij streeft ernaar dat internationaal overeengekomen normen voor de regelgeving en het toezicht in de financiëledienstensector en voor de strijd tegen belastingontwijking en -ontduiking op haar grondgebied worden geïmplementeerd en toegepast. Die internationaal overeengekomen normen omvatten onder andere de normen die zijn goedgekeurd door de G20, de Raad voor financiële stabiliteit (FSB), het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS), de Internationale vereniging van verzekeringstoezichthouders (IAIS), de Internationale organisatie van effectentoezichthouders (Iosco), de Financiële-actiegroep (FATF) en het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden van de OESO.


ARTIKEL 18.16

Zelfregulerende organisaties

Indien een Partij verlangt dat een financiële instelling of een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere Partij lid is van, participeert in of toegang heeft tot een zelfregulerende organisatie om een financiële dienst te mogen verlenen op of naar het grondgebied van die Partij, dan draagt die Partij er zorg voor dat de zelfregulerende organisatie de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 18.3, 18.4 en 18.7 nakomt.

ARTIKEL 18.17

Betalings- en clearingsystemen

Onder de voorwaarden van nationale behandeling verschaft elke Partij aan op haar grondgebied gevestigde financiële instellingen uit de andere Partij toegang tot betalings- en clearingsystemen van overheidsinstanties, alsmede tot voor de normale bedrijfsvoering beschikbare officiële financierings- en herfinancieringsfaciliteiten. Dit artikel verleent geen toegang tot de kredietfaciliteiten in laatste instantie van de Partij.


ARTIKEL 18.18

Interne regelgeving en transparantie

1.    Hoofdstuk 13 (Interne regelgeving) en hoofdstuk 28 (Goede regelgevingspraktijken) zijn niet van toepassing op maatregelen die door een Partij worden vastgesteld of gehandhaafd met betrekking tot het toepassingsgebied van dit hoofdstuk.

2.    Elke Partij ziet erop toe dat alle algemeen toepasselijke maatregelen waarop dit hoofdstuk van toepassing is, op een redelijke, objectieve en onpartijdige wijze worden toegepast.

3.    Voor de toepassing van lid 2 en voor zover praktisch haalbaar en op een wijze die strookt met haar recht:

a)    publiceert elke Partij vooraf haar voorgestelde wetten en regelgeving in verband met aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen, of publiceert zij vooraf documenten die voldoende bijzonderheden over dergelijke potentiële nieuwe wetten en regelgeving bevatten zodat belanghebbenden en de andere Partij kunnen beoordelen of en hoe hun belangen aanmerkelijk geraakt zouden kunnen worden;

b)    biedt elke Partij belanghebbenden en de andere Partij een redelijke gelegenheid om opmerkingen te maken over de voorgestelde maatregelen of documenten als bedoeld in punt a); en

c)    neemt elke Partij de overeenkomstig punt b) ontvangen opmerkingen in overweging.


4.    Indien een Partij een vergunning nodig heeft voor het verlenen van een financiële dienst, moeten de bevoegde autoriteiten van die Partij:

a)    een aanvrager, voor zover praktisch haalbaar, toestaan te allen tijde een aanvraag in te dienen;

b)    een redelijke termijn toestaan voor het indienen van een aanvraag indien specifieke termijnen voor aanvragen bestaan;

c)    dienstverleners en personen die een dienst willen verlenen de informatie verschaffen die zij nodig hebben om te voldoen aan de eisen en procedures voor het verkrijgen, handhaven, wijzigen en verlengen van een dergelijke vergunning;

d)    voor zover praktisch haalbaar, een indicatief tijdschema voor de behandeling van een aanvraag verstrekken;

e)    ernaar streven aanvragen in elektronisch formaat te aanvaarden;

f)    in plaats van originele documenten kopieën aanvaarden van documenten die overeenkomstig het recht van de Partij zijn gewaarmerkt, tenzij originele documenten moeten worden overgelegd om de integriteit van het vergunningsproces te beschermen;

g)    op verzoek van de aanvrager zonder onnodige vertraging informatie over de status van de aanvraag verstrekken;


h)    indien een aanvraag als volledig wordt beschouwd voor verwerkingsdoeleinden krachtens het recht van de Partij, erop toezien dat de verwerking van een aanvraag wordt afgerond, en dat de aanvrager binnen een redelijke termijn na de indiening van de aanvraag van de beslissing in kennis wordt gesteld, voor zover mogelijk schriftelijk 7 ;

i)    indien een aanvraag als onvolledig wordt beschouwd voor verwerkingsdoeleinden krachtens het recht van de Partij, binnen een redelijke termijn en voor zover praktisch haalbaar:

i)    de aanvrager ervan in kennis stellen dat de aanvraag onvolledig is;

ii)    op verzoek van de aanvrager aangeven waarom de aanvraag als onvolledig wordt beschouwd;

iii)    de aanvrager de mogelijkheid bieden 8 de aanvullende informatie in te dienen die nodig is om de aanvraag te vervolledigen; en


iv)    indien geen van de bovenstaande mogelijkheden haalbaar is en de aanvraag wegens onvolledigheid wordt afgewezen, ervoor zorgen dat de aanvrager binnen een redelijke termijn in kennis wordt gesteld;

j)    indien een aanvraag wordt afgewezen, voor zover praktisch haalbaar, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de aanvrager, de aanvrager in kennis stellen van de redenen voor de afwijzing en, in voorkomend geval, van de procedures voor het opnieuw indienen van een aanvraag;

k)    erop toezien dat de door de bevoegde autoriteit aangerekende vergunningsvergoedingen 9 redelijk en transparant zijn en op zichzelf de verlening van de betrokken dienst of de uitoefening van enige andere economische activiteit niet beperken; en

l)    erop toezien dat de vergunning, zodra zij is verleend, zonder onnodige vertraging in werking treedt, met inachtneming van de toepasselijke voorwaarden.


ARTIKEL 18.19

Subcomité Financiële Diensten

1.    Het Subcomité Financiële Diensten dat is opgericht bij artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst), lid 1, punt i), komt, tenzij anders overeengekomen, jaarlijks bijeen om:

a)    toezicht te houden op de toepassing en werking van dit hoofdstuk;

b)    problemen in verband met financiële diensten in overweging te nemen die haar door een Partij worden voorgelegd;

c)    te voorzien in een forum voor dialoog tussen de Partijen over de regulering van de financiëledienstensector teneinde wederzijdse kennis van hun respectieve regelgevingssystemen te verbeteren en samen te werken aan de ontwikkeling van internationale normen;

d)    deel te nemen aan geschillenbeslechtingsprocedures overeenkomstig artikel 18.22 (Investeringsgeschillen op het gebied van financiële diensten); en

e)    de werking van deze overeenkomst te beoordelen voor zover deze van toepassing is op financiële diensten.


2.    Ingevolge artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst), lid 1, omvat de samenstelling van het Subcomité Financiële Diensten deskundigen voor financiële diensten en vertegenwoordigers van autoriteiten die belast zijn met het beleid inzake financiële diensten. Voor Mexico is de autoriteit die verantwoordelijk is voor het beleid inzake financiële diensten het Ministerie van Financiën en Overheidskrediet (Secretaría de Hacienda y Crédito Público), of de opvolger daarvan.

3.    Op verzoek van een van de Partijen bespreekt het Subcomité Financiële Diensten de ontwikkeling van passende richtsnoeren voor de interpretatie van dit hoofdstuk. De Gezamenlijke Raad kan dergelijke richtsnoeren goedkeuren door middel van een aanbeveling.

ARTIKEL 18.20

Overleg

1.    Een Partij kan schriftelijk verzoeken om overleg met de andere Partij over elke uit deze overeenkomst voortvloeiende aangelegenheid die van invloed is op financiële diensten. De andere Partij neemt dat verzoek welwillend in overweging. De overleg plegende Partijen stellen het Subcomité Financiële Diensten in kennis van de resultaten van dit overleg.


2.    Elke Partij ziet erop toe dat haar delegatie in het overleg ambtenaren bevat met relevante kennis op het gebied van de financiële diensten of financiële instellingen waarop dit hoofdstuk van toepassing is. Voor Mexico voldoen de ambtenaren van het Ministerie van Financiën en Overheidskrediet (Secretaría de Hacienda y Crédito Público), of de opvolger daarvan, aan dit vereiste.

3.    Geen enkele bepaling in dit artikel mag op zodanige wijze worden uitgelegd dat een Partij verplicht is van haar recht af te wijken met betrekking tot het delen van informatie tussen financiële autoriteiten of de vereisten van een overeenkomst of regeling tussen financiële autoriteiten van de Partijen, of van financiële autoriteiten te verlangen dat zij maatregelen nemen die een belemmering vormen of lijken te vormen voor specifieke kwesties in verband met regelgeving, toezicht, administratie of handhaving.

4.    Geen enkele bepaling in dit artikel mag op zodanige wijze worden uitgelegd dat een Partij ervan wordt weerhouden informatie te verlangen voor toezichtdoeleinden met betrekking tot een financiële instelling, of een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten, die op het grondgebied van de andere Partij is gevestigd. Die Partij mag de financiële autoriteit van de andere Partij benaderen om de informatie in te winnen.


ARTIKEL 18.21

Geschillenbeslechting

1.    Hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting), met inbegrip van bijlage 31-A (Reglement van orde) en bijlage 31-B (Gedragscode), is als gewijzigd bij dit artikel van toepassing op de geschillenbeslechting met betrekking tot de toepassing en interpretatie van de bepalingen van dit hoofdstuk.

2.    Naast de vereisten van artikel 31.9 (Vereisten voor panelleden) moeten panelleden beschikken over expertise op het gebied van of ervaring met wetgeving inzake financiële diensten of de praktijk op dat gebied, waaronder bijvoorbeeld de regelgeving van financiële instellingen, tenzij de Partijen anders overeenkomen.

3.    Het Gemengd Comité stelt uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst vast van ten minste 15 personen die aan de vereisten van lid 2 voldoen en bereid en in staat zijn om als panellid op te treden. Die lijst bestaat uit drie deellijsten:

a)    een deellijst van personen van de Europese Unie;

b)    een deellijst van personen van Mexico; en

c)    een deellijst van personen die als voorzitter van het panel zullen optreden.


4.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk komen de in lid 3 bedoelde deellijsten na vaststelling in de plaats van de deellijsten als bedoeld in artikel 31.8 (Lijsten van panelleden), lid 1.

5.    In elk geschil waarin een panel oordeelt dat een maatregel niet in overeenstemming is met de verplichtingen van deze overeenkomst en de maatregel:

a)    van invloed is op de financiëledienstensector en enige andere sector, mag de klagende Partij overgaan tot opschorting van voordelen in de financiëledienstensector waarvan het effect gelijkwaardig is aan het effect van de maatregel op de financiëledienstensector van de andere Partij; of

b)    uitsluitend van invloed is op een andere sector dan de financiëledienstensector, mag de klagende Partij geen voordelen in de financiëledienstensector opschorten.


ARTIKEL 18.22

Investeringsgeschillen op het gebied van financiële diensten

1.    Afdeling D (Beslechting van investeringsgeschillen) van hoofdstuk 10 (Investeringen) zoals bij artikel 18.2.8 opgenomen in en deel uitmakend van dit hoofdstuk is, zoals gewijzigd bij dit artikel, van toepassing op:

a)    investeringsgeschillen met betrekking tot maatregelen waarop dit hoofdstuk van toepassing is en waarin een investeerder beweert dat een Partij inbreuk heeft gemaakt op artikel 10.7 (Nationale behandeling), lid 2, artikel 10.8 (Meestbegunstigingsbehandeling), lid 2, artikel 10.15 (Behandeling van investeerders en van onder de overeenkomst vallende investeringen), artikel 10.16 (Overmakingen), artikel 10.17 (Compensatie voor verliezen), artikel 10.18 (Onteigening en compensatie) of artikel 10.52 (Weigering van toekenning van voordelen); of

b)    investeringsgeschillen die zijn ontstaan overeenkomstig afdeling D (Beslechting van investeringsgeschillen) van hoofdstuk 10 (Investeringen) en waarin artikel 18.13 (Prudentiële uitzonderingsbepaling) is ingeroepen.


2.    In geval van een investeringsgeschil overeenkomstig punt 1, a), of indien de verweerder overeenkomstig punt 1, b) artikel 18.13 (Prudentiële uitzonderingsbepaling) inroept binnen zestig dagen na de indiening van een verzoek bij het Gerecht overeenkomstig artikel 10.26 (Indiening van verzoek bij Gerecht), wijst de formatie van het Gerecht die de zaak behandelt, na overleg met de partijen bij het geschil en overeenkomstig artikel 10.44 (Deskundigenverslagen), een of meer deskundigen aan van de lijst van deskundigen die is vastgesteld door de Gemengde Commissie om aan haar verslag uit te brengen over alle feitelijke kwesties betreffende financiële diensten die een partij bij het geschil in de procedure aan de orde heeft gesteld. De lijst van deskundigen wordt uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst vastgesteld door de Gezamenlijke Raad en bestaat uit zes deskundigen die hebben aangetoond te beschikken over expertise op het gebied van of ervaring met wetgeving inzake financiële diensten of de praktijk op dat gebied, waaronder bijvoorbeeld de regelgeving van financiële instellingen. Indien de lijst niet is vastgesteld op de dag dat het verzoek overeenkomstig artikel 10.26 (Indiening van verzoek bij Gerecht) wordt ingediend, worden de deskundigen aangesteld uit de personen die voor de vaststelling van die lijst door een Partij of beide Partijen zijn aangewezen en aan de andere Partij zijn meegedeeld.

3.    De verweerder kan de zaak schriftelijk verwijzen naar het Subcomité Financiële Diensten voor een besluit inzake de vraag of, en zo ja in welke mate, de uitzondering krachtens artikel 18.13 (Prudentiële uitzonderingsbepaling) een geldig verweer vormt tegen het verzoek. Deze verwijzing geschiedt uiterlijk op de datum die het Gerecht vaststelt voor de verweerder wat betreft diens indiening. Indien de verweerder de zaak verwijst naar het Subcomité Financiële Diensten overeenkomstig dit lid, worden de in afdeling D (Beslechting van investeringsgeschillen) van hoofdstuk 10 (Investeringen) bedoelde termijnen of procedures geschorst.


4.    Het Subcomité Financiële diensten mag in een verwijzing overeenkomstig lid 3 een gezamenlijke vaststelling doen over de vraag of en in welke mate een prudentiële uitzonderingsbepaling overeenkomstig artikel 18.13 een geldig verweer vormt tegen het verzoek, en een kopie daarvan versturen naar de investeerder en het Gerecht. Indien in de gezamenlijke vaststelling wordt geconcludeerd dat artikel 18.13 een geldig verweer vormt tegen alle onderdelen van het verzoek in hun geheel, dan wordt de investeerder geacht zijn verzoek te hebben ingetrokken en wordt de procedure beëindigd zoals bedoeld in artikel 10.40 (Afstand van instantie). Indien in de gezamenlijke vaststelling wordt geconcludeerd dat artikel 18.13 enkel een geldig verweer vormt tegen onderdelen van het verzoek, dan is de gezamenlijke vaststelling bindend voor het Gerecht met betrekking tot die onderdelen van het verzoek. In dat geval is de schorsing van de termijnen of van de procedures zoals omschreven in lid 3 niet van toepassing en kan de investeerder zijn verzoek wat de overige onderdelen ervan betreft, voortzetten.

5.    Indien het Subcomité Financiële Diensten binnen drie maanden na de verwijzing van de aangelegenheid door de verweerder geen gezamenlijke vaststelling heeft gedaan, dan is de in lid 3 bedoelde schorsing van de termijnen of procedures niet van toepassing en kan de investeerder zijn verzoek voortzetten.

6.    Op verzoek van de verweerder en indien het Subcomité Financiële Diensten niet binnen de in lid 5 bedoelde termijn van drie maanden een gezamenlijke vaststelling heeft gedaan, besluit het Gerecht preliminair of en in hoeverre artikel 18.13 een geldig verweer vormt. Laat de verweerder na dit verzoek in te dienen, dan doet dit niet af aan zijn recht om bij wijze van verweer artikel 18.13 in een latere fase van de procedure in te roepen. Het Gerecht verbindt geen negatieve gevolgtrekkingen aan het feit dat het Subcomité Financiële Diensten geen overeenstemming heeft bereikt over een gezamenlijke vaststelling.


7.    De procedure op grond van artikel 6 wordt uitgevoerd door de formatie van het Gerecht die is ingesteld voor de behandeling van het verzoek, en zorgt er in het bijzonder voor dat de partijen bij het geschil de mogelijkheid hebben ten minste eenmaal schriftelijke stukken in te dienen. De formatie van het Gerecht neemt binnen 120 dagen na ontvangst van de recentste indiening een voorlopig besluit. Indien het Gerecht meer tijd nodig heeft om zijn voorlopige besluit te nemen, geeft het de redenen voor de vertraging op. Indien de formatie van het Gerecht concludeert dat artikel 18.13 een geldig verweer vormt dat van toepassing is op het volledige verzoek, dan wordt de investeerder geacht zijn verzoek te hebben ingetrokken en wordt de procedure beëindigd zoals bedoeld in artikel 10.40 (Afstand van instantie). Indien de formatie van het Gerecht concludeert dat artikel 18.13 een geldig verweer vormt dat slechts op delen van het verzoek van toepassing is, wordt de procedure met de resterende onderdelen van het verzoek voortgezet.


HOOFDSTUK 19

DIGITALE HANDEL

ARTIKEL 19.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “consument”: elke natuurlijke persoon, of onderneming indien vastgelegd in het recht van de betrokken Partij, die een openbaar beschikbare telecommunicatiedienst gebruikt of aanvraagt voor doeleinden buiten zijn of haar handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit;

b)    “databericht”: informatie die is voortgebracht, verzonden, ontvangen of opgeslagen via elektronische, optische of soortgelijke middelen;

c)    “elektronische authenticatiedienst”: een dienst die het mogelijk maakt het volgende te bevestigen:

i)    de identiteit van een natuurlijke persoon of een onderneming; of


ii)    de herkomst en integriteit van een databericht vanaf het moment dat het voor het eerst werd voortgebracht in zijn definitieve vorm;

d)    “elektronische handtekening”: gegevens in elektronische vorm die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met een databericht, die kunnen worden gebruikt om de ondertekenaar van dat databericht te identificeren en om zijn goedkeuring van de in dat databericht vervatte informatie aan te geven, teneinde de herkomst en integriteit ervan op zodanige wijze te waarborgen dat eventuele latere wijziging van de gegevens kan worden ontdekt;

e)    “elektronische vertrouwensdienst”: een elektronische dienst bestaande uit het aanmaken, verifiëren en valideren van elektronische handtekeningen, elektronische tijdstempels, diensten voor elektronisch aangetekende bezorging, gecertificeerde digitaliseringsdiensten, authenticatie van websites en op die diensten betrekking hebbende certificaten;

f)    “eindgebruiker”: elke natuurlijke persoon, of onderneming indien vastgelegd in het recht van de betrokken Partij, die een openbaar beschikbare telecommunicatiedienst gebruikt of aanvraagt, als consument of voor handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsdoeleinden;

g)    “verlener van vertrouwensdiensten”: een natuurlijke persoon of onderneming die elektronische vertrouwensdiensten verleent; en


h)    “ongevraagd commercieel elektronisch bericht”: een elektronisch bericht, daarbij inbegrepen ten minste e-mail, berichten via short messaging systems (SMS) en multimedia messaging systems (MMS), dat voor commerciële doeleinden, zonder toestemming van de ontvanger of ondanks de uitdrukkelijke afwijzing door de ontvanger, rechtstreeks naar eindgebruikers wordt verstuurd via een telecommunicatienetwerk en, voor zover bepaald in het recht van een Partij, andere telecommunicatiediensten.

ARTIKEL 19.2

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen van een Partij die de handel langs elektronische weg beïnvloeden.

2.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

a)    kansspelen;

b)    omroepdiensten;

c)    audiovisuele diensten;


d)    diensten van notarissen of vergelijkbare beroepen;

e)    juridische vertegenwoordiging; en

f)    overheidsopdrachten met uitzondering van de artikelen 19.7, 19.8 en 19.11.

ARTIKEL 19.3

Algemene beginselen

De Partijen erkennen dat digitale handel leidt tot economische groei en mogelijkheden en dat het belangrijk is kaders vast te stellen waarmee het consumentenvertrouwen in digitale handel wordt bevorderd, en onnodige belemmeringen voor het gebruik en de ontwikkeling van digitale handel te voorkomen.

ARTIKEL 19.4

Recht om regelgeving vast te stellen

De Partijen bevestigen het recht op hun respectieve grondgebied regelgeving vast te stellen om legitieme beleidsdoelstellingen te verwezenlijken, zoals die met betrekking tot de volksgezondheid, de sociale diensten, het openbaar onderwijs, de veiligheid, het milieu, de openbare zeden, sociale of consumentenbescherming, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming, de bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid, of de mededinging.


ARTIKEL 19.5

Douanerechten op elektronische transmissies

1.    Een Partij heft geen douanerechten op elektronische transmissies tussen een persoon uit een Partij en een persoon uit de andere Partij.

2.    Voor alle duidelijkheid: lid 1 belet niet dat een Partij interne belastingen, heffingen of andere vergoedingen heft op elektronische transmissies, op voorwaarde dat die belastingen, heffingen of vergoedingen in overeenstemming met deze overeenkomst worden geheven.

ARTIKEL 19.6

Geen voorafgaande toestemming

1.    Elke Partij ziet erop toe dat voor het verlenen van diensten langs elektronische weg geen voorafgaande toestemming is vereist.

2.    Lid 1 doet geen afbreuk aan vergunningsvereisten die niet specifiek en uitsluitend betrekking hebben op langs elektronische weg verleende diensten, of die van toepassing zijn op telecommunicatiediensten.


ARTIKEL 19.7

Elektronische contracten

Elke Partij ziet erop toe dat haar rechtsstelsel toestaat contracten langs elektronische weg te sluiten en dat die contracten niet hun rechtskracht, geldigheid of uitvoerbaarheid verliezen louter op grond van het feit dat zij langs elektronische weg zijn gesloten 10 .

ARTIKEL 19.8

Elektronische vertrouwens- en authenticatiediensten

1.    Een Partij ontzegt niet de wettelijke geldigheid van een elektronische vertrouwensdienst of een elektronische authenticatiedienst louter op grond van het feit dat de dienst langs elektronische weg wordt verleend.


2.    Een Partij stelt geen maatregelen vast en handhaaft geen maatregelen ter regeling van elektronische vertrouwens- en authenticatiediensten die:

a)    partijen bij een elektronische transactie zouden verbieden om onderling de meest geschikte elektronische methode voor hun transactie te bepalen; of

b)    partijen bij een elektronische transactie de mogelijkheid ontzeggen om door gerechtelijke of administratieve autoriteiten te laten vaststellen dat hun elektronische transactie voldoet aan eventuele wettelijke vereisten met betrekking tot elektronische vertrouwens- en authenticatiediensten.

3.    Niettegenstaande het bepaalde in lid 2 kan een Partij vereisen dat voor een bepaalde categorie elektronische transacties de wijze van elektronische authenticatie voldoet aan bepaalde prestatienormen of is gecertificeerd door een instantie die overeenkomstig haar recht is geaccrediteerd. Deze eisen moeten objectief, transparant en niet-discriminerend zijn en mogen slechts op de specifieke kenmerken van de betrokken categorie elektronische transacties betrekking hebben.

4.    De Partijen moedigen het gebruik van interoperabele elektronische vertrouwens- en authenticatiediensten aan, alsook de wederzijdse erkenning van elektronische vertrouwens- en authenticatiediensten die door erkende verleners van vertrouwensdiensten worden verstrekt.


ARTIKEL 19.9

Bescherming van consumenten online

1.    De Partijen erkennen dat het belangrijk is transparante en doeltreffende maatregelen vast te stellen en te handhaven die bijdragen tot het consumentenvertrouwen, met inbegrip van maar niet beperkt tot maatregelen die consumenten beschermen tegen frauduleuze en bedrieglijke handelspraktijken wanneer zij betrokken zijn bij elektronische handelstransacties.

2.    Elke Partij stelt maatregelen vast of handhaaft maatregelen die bijdragen tot het consumentenvertrouwen, met inbegrip van maatregelen die frauduleuze en bedrieglijke handelspraktijken verbieden die schade berokkenen of zouden kunnen berokkenen aan consumenten.

3.    De Partijen erkennen het belang van samenwerking tussen hun respectieve instanties voor consumentenbescherming of andere relevante organen voor activiteiten in verband met elektronische handel tussen de Partijen, teneinde het consumentenvertrouwen te verbeteren en derhalve het welzijn van de consumenten te vergroten.


ARTIKEL 19.10

Ongevraagde commerciële elektronische berichten

1.    Elke Partij stelt maatregelen vast dan wel handhaaft maatregelen die:

a)    afzenders van ongevraagde commerciële elektronische berichten verplichten de eindgebruikers in staat te stellen verdere ontvangst van deze berichten stop te zetten; of

b)    van ontvangers toestemming vereisen, zoals bepaald in de wet- en regelgeving van elke Partij, voor het ontvangen van commerciële elektronische berichten.

2.    Elke Partij ziet erop toe dat ongevraagde commerciële elektronische berichten als zodanig duidelijk herkenbaar zijn, duidelijk vermelden namens wie zij worden verstuurd, en de nodige informatie bevatten aan de hand waarvan de eindgebruiker op elk moment gratis kan vragen om beëindiging.

3.    Elke Partij voorziet in rechtsmiddelen tegen afzenders van ongevraagde commerciële elektronische berichten die niet voldoen aan de maatregelen die uit hoofde van de leden 1 en 2 zijn vastgesteld of worden gehandhaafd.

4.    De Partijen streven ernaar in voorkomende gevallen van wederzijds belang samen te werken met betrekking tot de regulering van ongevraagde commerciële elektronische berichten.


ARTIKEL 19.11

Broncode

1.    Een Partij mag geen overdracht van of toegang tot de broncode van software eisen, die eigendom is van een natuurlijke persoon of een onderneming uit de andere Partij.

2.    Voor alle duidelijkheid: lid 1:

a)    belet een Partij niet maatregelen vast te stellen of te handhaven om een legitieme doelstelling van het overheidsbeleid te verwezenlijken, onder andere om de veiligheid en beveiliging te garanderen, bijvoorbeeld in het kader van een certificeringsprocedure, overeenkomstig artikel 18.13 (Prudentiële uitzonderingsbepaling), artikel 32.1 (Algemene uitzonderingen) en artikel 2.8 (Uitzonderingen met betrekking tot de staatsveiligheid) van deel IV van de overeenkomst; en

b)    is niet van toepassing op de vrijwillige overdracht van of het verlenen van toegang tot een broncode op commerciële basis door een persoon uit de andere Partij, bijvoorbeeld in het kader van een overheidsopdracht of een contract waarover vrij onderhandeld is.

3.    Geen enkele bepaling in dit artikel kan afbreuk doen aan:

a)    uitspraken van een gerechtelijke instantie, een administratief gerecht of een mededingingsautoriteit om een einde te maken aan een inbreuk op het mededingingsrecht;


b)    intellectuele-eigendomsrechten en de handhaving ervan; en

c)    het recht van een Partij om maatregelen te nemen of informatie niet te verstrekken indien zij dit noodzakelijk acht ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen met betrekking tot de aanschaf van wapens, munitie of oorlogsmateriaal of met betrekking tot aanschaffingen die onmisbaar zijn voor de nationale veiligheid of voor nationale defensiedoeleinden.

ARTIKEL 19.12

Open internettoegang

Elke Partij tracht ervoor te zorgen dat, met inachtneming van de toepasselijke beleidsmaatregelen en wet- en regelgeving, eindgebruikers op haar grondgebied:

a)    toegang hebben tot via het internet beschikbare diensten en toepassingen van hun keuze en deze kunnen verspreiden en gebruiken, op redelijke en niet-discriminerende wijze van netwerkbeheer;

b)    apparaten van hun keuze kunnen verbinden met het internet, op voorwaarde dat die apparaten geen schade toebrengen aan het netwerk; en

c)    toegang hebben tot informatie over de methoden voor het netwerkbeheer van hun aanbieder van internettoegangsdiensten.


ARTIKEL 19.13

Samenwerking

1.    De Partijen erkennen het mondiale karakter van digitale handel en werken samen op het gebied van regelgevingskwesties en beste praktijken via de bestaande sectorale dialogen waarin onder meer het volgende aan bod komt:

a)    de erkenning en facilitering van interoperabele grensoverschrijdende elektronische vertrouwens- en authenticatiediensten;

b)    de behandeling van directmarketingberichten;

c)    de uitdagingen voor kleine en middelgrote ondernemingen in digitale handel;

d)    de consumentenbescherming en het opbouwen van consumentenvertrouwen op het gebied van elektronische handel;

e)    gemeenschappelijke cyberbeveiligingskwesties; en

f)    alle andere aangelegenheden die relevant zijn voor de ontwikkeling van de digitale handel.


2.    De in lid 1 bedoelde samenwerking op het gebied van regelgevingskwesties en beste praktijken is gericht op de uitwisseling van informatie en standpunten ten aanzien van de respectieve wetgeving van de Partijen dienaangaande alsook inzake de uitvoering van die wetgeving.

3.    De Partijen bevestigen het belang van actieve deelname aan multilaterale fora om de ontwikkeling van de digitale handel te bevorderen.

ARTIKEL 19.14

Herzieningsclausule inzake gegevensstromen

De Partijen beoordelen binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst of het noodzakelijk is om bepalingen over het vrije verkeer van gegevens in deze overeenkomst op te nemen.


HOOFDSTUK 20

KAPITAALVERKEER, BETALINGEN EN OVERMAKINGEN EN TIJDELIJKE VRIJWARINGSMAATREGELEN

ARTIKEL 20.1

Lopende rekening

Onverminderd andere bepalingen van deze overeenkomst staat elke Partij, in voorkomend geval, alle overmakingen of betalingen toe met betrekking tot transacties op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen de Partijen die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen, in vrij converteerbare valuta, overeenkomstig de Statuten van het Internationale Monetaire Fonds die op 22 juli 1944 in Bretton Woods, New Hampshire, zijn aangenomen.


ARTIKEL 20.2

Kapitaalverkeer

Onverminderd andere bepalingen van deze overeenkomst stemt elke Partij met betrekking tot de verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans in met het vrije verkeer van kapitaal met het oog op de liberalisering van investeringen en andere transacties als bedoeld in afdeling B (Liberalisering van investeringen) van hoofdstuk 10 (Investeringen), hoofdstuk 11 (Grensoverschrijdende handel in diensten), hoofdstuk 12 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden) en hoofdstuk 18 (Financiële diensten).

ARTIKEL 20.3

Toepassing van wet- en regelgeving met betrekking tot kapitaalverkeer, betalingen of overmakingen

1.    Artikel 10.16 (Overmakingen) en artikel 18.2 (Toepassingsgebied), punt 6, a), alsook de artikelen 20.1 en 20.2 beletten een Partij niet toepassing te geven aan haar wet- en regelgeving betreffende:

a)    faillissement, insolventie en crediteurenbescherming;


b)    de uitgifte van, de handel in of de verhandeling van financiële instrumenten;

c)    de financiële verslaglegging of registratie van kapitaalverkeer, betalingen of overmakingen waar dat nodig is ter ondersteuning van de met de rechtshandhaving of financiële regelgeving belaste autoriteiten;

d)    overtredingen of misdrijven, of misleidende of frauduleuze praktijken;

e)    het waarborgen dat wordt voldaan aan beschikkingen of uitspraken van rechterlijke of soortgelijke instanties; of

f)    socialezekerheidsregelingen, wettelijke pensioenregelingen of verplichte spaarregelingen.

2.    Die wet- en regelgeving mag niet willekeurig of discriminerend worden toegepast, noch anderszins een verkapte beperking van kapitaalverkeer, betalingen of overmakingen vormen.


ARTIKEL 20.4

Tijdelijke vrijwaringsmaatregelen

1.    In uitzonderlijke omstandigheden bij ernstige moeilijkheden, of dreigende ernstige moeilijkheden, voor de werking van haar economische en monetaire unie, kan de Europese Unie vrijwaringsmaatregelen vaststellen of handhaven met betrekking tot kapitaalverkeer, betalingen of overmakingen. Die maatregelen worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om die moeilijkheden aan te pakken en mogen niet langer dan zes maanden geldig zijn.

2.    Door de Europese Unie overeenkomstig lid 1 opgelegde maatregelen vormen geen middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie ten aanzien van Mexico in vergelijking met een derde land. De Europese Unie stelt Mexico onverwijld in kennis en legt zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de opheffing van de desbetreffende maatregelen voor.


ARTIKEL 20.5

Beperkingen in geval van moeilijkheden met betrekking tot de betalingsbalans, externe financiering en macro-economische problemen

1.    Een Partij kan beperkende maatregelen vaststellen of handhaven met betrekking tot kapitaalverkeer, betalingen of overmakingen 11 :

a)    in gevallen van ernstige moeilijkheden met betrekking tot de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie, of een dreiging daarvan 12 ; of

b)    in gevallen van uitzonderlijke omstandigheden waarin betalingen of overmakingen in verband met het kapitaalverkeer ernstige macro-economische moeilijkheden in verband met het monetair en het wisselkoersbeleid in Mexico of een lidstaat van de Europese Unie veroorzaken of dreigen te veroorzaken.

2.    De in lid 1 bedoelde maatregelen:

a)    zijn in overeenstemming met de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds, in voorkomend geval;


b)    gaan niet verder dan noodzakelijk is om de in lid 1 beschreven situatie aan te pakken;

c)    zijn tijdelijk en worden geleidelijk opgeheven naarmate de in lid 1 omschreven situatie verbetert;

d)    brengen geen onnodig nadeel toe aan de commerciële, economische en financiële belangen van de andere Partij;

e)    zijn in soortgelijke situaties niet minder gunstig voor de andere Partij dan voor een derde land; en

f)    worden niet gebruikt ter vervanging van macro-economisch beleid dat nodig is voor de gewenste aanpassing van de buitenlandse financiële positie.

3.    Ten aanzien van de handel in goederen kan een Partij beperkende maatregelen nemen of handhaven ter bescherming van haar buitenlandse financiële positie of haar betalingsbalans. Die maatregelen moeten in overeenstemming zijn met artikel XII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (GATT 1994) en het Memorandum van Overeenstemming betreffende de betalingsbalansbepalingen van de GATT 1994.

4.    Ten aanzien van de handel in diensten kan een Partij beperkende maatregelen vaststellen of handhaven ter bescherming van haar buitenlandse financiële positie of haar betalingsbalans. Die maatregelen moeten in overeenstemming zijn met artikel XII van de GATS.


5.    Een Partij streeft ernaar geen maatregelen vast te stellen of te handhaven die de vorm aannemen van tariefverhogingen, contingenten, vergunningen of soortgelijke maatregelen. De Partij geeft toelichting bij de redenen voor het gebruik van deze beperkende maatregelen wanneer zij de andere Partij in kennis stelt van de maatregelen.

6.    Een Partij die de in lid 1 bedoelde maatregelen vaststelt of handhaaft, stelt de andere Partij daarvan onverwijld in kennis.

7.    Indien beperkende maatregelen worden vastgesteld of gehandhaafd overeenkomstig artikel 20.4 of dit artikel, plegen de Partijen onverwijld overleg in het Subcomité Diensten en Investeringen, tenzij overleg wordt gepleegd in andere internationale fora waarvan beide Partijen lid zijn. Tijdens het overleg worden de moeilijkheden met betrekking tot de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie die tot de respectieve maatregelen hebben geleid, beoordeeld, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met factoren als:

a)     de aard en de omvang van de moeilijkheden;

b)     de economische positie en de handelssituatie ten opzichte van het buitenland; en

c)    de beschikbaarheid van alternatieve corrigerende maatregelen.


8.    Het overleg als bedoeld in lid 7 omvat de verenigbaarheid van de beperkende maatregelen met artikel 20.4 of de leden 1 en 2 van dit artikel. De Partijen aanvaarden, indien beschikbaar, alle relevante bevindingen van statistische of feitelijke aard van het Internationaal Monetair Fonds (“IMF”), en bij hun conclusies wordt rekening gehouden met het oordeel van het IMF over de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie van de desbetreffende Partij.


HOOFDSTUK 21

OVERHEIDSOPDRACHTEN

ARTIKEL 21.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “handelsgoederen of -diensten”: goederen of diensten die in de regel in de handel worden verkocht of te koop worden aangeboden aan, en in de regel worden aangekocht door niet-overheidskopers voor niet-overheidsdoeleinden;

b)    “dienst in verband met de bouw”: een dienst die gericht is op de uitvoering, ongeacht op welke wijze, van bouwwerkzaamheden of civieltechnische werken in de zin van afdeling 51 van de voorlopige centrale productenclassificatie van de Verenigde Naties (“CPC”);


c)    “onder dit hoofdstuk vallende opdracht”: opdracht betreffende de aanschaf voor overheidsdoeleinden:

i)    van goederen, diensten of een combinatie daarvan:

A)    zoals voor elke Partij gespecificeerd in respectievelijk bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico); en

B)    die niet worden aangeschaft met het oog op commerciële verkoop of wederverkoop of voor gebruik bij de productie of levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop of wederverkoop;

ii)    met welke contractuele middelen dan ook, waaronder:

A)    aankoop;

B)    leasing; en

C)    huur of huurkoop, met of zonder koopoptie;

iii)    waarvan de waarde, zoals geraamd overeenkomstig artikel 21.2, ten tijde van de publicatie van een bericht van aanbesteding overeenkomstig artikel 21.6, gelijk is aan of meer bedraagt dan de desbetreffende drempelwaarde die voor elke Partij vermeld is in bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) respectievelijk bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico);


iv)    door een aanbestedende entiteit; en

v)    die niet anderszins van het toepassingsgebied van artikel 21.2, lid 2, of van bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) is uitgesloten;

d)    “elektronische veiling”: een zich herhalend proces waarbij aanbieders langs elektronische weg nieuwe prijzen en/of nieuwe waarden voor kwantificeerbare, niet op de prijs betrekking hebbende en met de beoordelingscriteria samenhangende onderdelen van de inschrijving opgeven, waardoor een rangorde van de inschrijvingen tot stand komt of de rangorde wordt gewijzigd;

e)    “schriftelijk”: elke formulering in woorden of cijfers die gelezen, gereproduceerd en later meegedeeld kan worden, met inbegrip van elektronisch doorgegeven en opgeslagen informatie;

f)    “onderhandse aanbesteding”: een aanbestedingsprocedure waarbij de aanbestedende entiteit contact zoekt met een aanbieder of aanbieders van haar keuze;

g)    “lijst voor veelvuldig gebruik”: een lijst van aanbieders die volgens een aanbestedende entiteit voldoen aan de voorwaarden om op die lijst te worden geplaatst en van wie de aanbestedende entiteit meer dan eens gebruik denkt te maken;


h)    “bericht van aanbesteding”: een bekendmaking van een aanbestedende entiteit waarbij belangstellende aanbieders worden uitgenodigd een verzoek om deelname in te dienen, in te schrijven of beide;

i)    “compensatie”: een voorwaarde of verbintenis die de lokale ontwikkeling aanmoedigt of de betalingsbalans van een Partij verbetert, bijvoorbeeld betreffende het gebruik van interne producten, het in licentie geven van technologie, investeringen, compenserende handel en vergelijkbare maatregelen of vereisten;

j)    “openbare aanbesteding”: een aanbestedingsprocedure waarbij alle belangstellende aanbieders kunnen inschrijven;

k)    “aanbestedende entiteit”: een entiteit die valt onder de afdelingen A, B en C van bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) en bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico);

l)    “erkende aanbieder”: een aanbieder die door een aanbestedende entiteit is erkend als aanbieder die aan de voorwaarden voor deelname voldoet;

m)    “aanbesteding met voorafgaande selectie”: een aanbestedingsprocedure waarbij de aanbestedende entiteit uitsluitend erkende aanbieders tot inschrijven uitnodigt;

n)    “diensten”: ook diensten in verband met de bouw, tenzij anders bepaald;


o)    “norm”: een door een erkende instantie goedgekeurd document dat voor algemeen en herhaald gebruik bestemde regels, richtsnoeren of kenmerken voor goederen of diensten of daarmee verband houdende processen en productiemethoden bevat, waarvan de naleving niet verplicht is. Zij kan ook geheel of ten dele betrekking hebben op terminologische elementen, symbolen en voorschriften betreffende verpakking, markering of etikettering die van toepassing zijn op een goed, dienst, proces of productiemethode;

p)    “aanbieder”: een persoon of groep personen die goederen of diensten levert of kan leveren; en

q)    “technische specificatie”: een vereiste in een aanbestedingsprocedure waarin:

i)    de kenmerken van de aan te schaffen goederen of diensten worden omschreven, zoals kwaliteit, prestaties en veiligheid en afmetingen, dan wel de processen of methoden voor productie of levering; of

ii)    terminologische elementen, symbolen en voorschriften betreffende verpakking, markering of etikettering die van toepassing zijn op een goed of dienst, worden omschreven.


ARTIKEL 21.2

Toepassingsgebied en reikwijdte

Toepassing van het hoofdstuk

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op alle maatregelen inzake onder dit hoofdstuk vallende opdrachten, ongeacht of deze geheel of gedeeltelijk elektronisch worden aanbesteed.

2.    Tenzij in bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) en bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) anders is bepaald, is dit hoofdstuk niet van toepassing op:

a)    de verwerving of huur van grond, bestaande gebouwen of andere onroerende goederen of de rechten daarop;

b)    niet-contractuele overeenkomsten of enige vorm van bijstand die een Partij verleent, met inbegrip van samenwerkingsovereenkomsten, subsidies, leningen, kapitaalinjecties, garanties en fiscale stimuleringsmaatregelen;

c)    de aanschaf of verwerving van diensten van belastingadviseurs of depositarissen, vereffenings- en managementdiensten voor gereglementeerde financiële instellingen of diensten in verband met de verkoop, aflossing en distributie van de overheidsschuld, met inbegrip van leningen, staatsobligaties, promessen en andere effecten;


d)    arbeidsovereenkomsten voor werk bij de overheid;

e)    opdrachten die worden aanbesteed:

i)    met het specifieke doel internationale bijstand, met inbegrip van ontwikkelingshulp, te verlenen;

ii)    in het kader van een bijzondere procedure of krachtens een bijzondere voorwaarde van een internationale overeenkomst betreffende de legering van strijdkrachten of betreffende de gezamenlijke uitvoering van een project door de ondertekenende landen; of

iii)    in het kader van een bijzondere procedure of krachtens een bijzondere voorwaarde van een internationale organisatie, of gefinancierd door een internationale subsidie, lening of andere vorm van steun, wanneer die procedure of voorwaarde niet in overeenstemming is met dit hoofdstuk.

3.    De verbintenissen van elke Partij ten aanzien van onder dit hoofdstuk vallende opdrachten worden in bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) en bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) als volgt uiteengezet:

a)    in afdeling A: de centrale overheidsentiteiten waarvan de aanbestedingen onder dit hoofdstuk vallen;

b)    in afdeling B, de niet-centrale overheidsentiteiten waarvan de aanbestedingen onder dit hoofdstuk vallen, met inbegrip van, met betrekking tot Mexico, andere diensten op niet-centraal niveau;


c)    in afdeling C: alle overige entiteiten waarvan de aanbestedingen onder dit hoofdstuk vallen;

d)    in afdeling D: de goederen die onder dit hoofdstuk vallen;

e)    in afdeling E: de diensten, andere dan diensten in verband met de bouw, die onder dit hoofdstuk vallen;

f)    in afdeling F: de diensten in verband met de bouw die onder dit hoofdstuk vallen;

g)    in afdeling G, de publiek-private partnerschappen of concessies voor werken die onder dit hoofdstuk vallen;

h)    in afdeling H: algemene aantekeningen en afwijkingen; en

i)    in afdeling I: de media waarin de Partij haar berichten van aanbesteding, gunningsberichten en andere informatie met betrekking tot haar systeem voor overheidsopdrachten bekendmaakt.

4.    Indien het recht van een Partij toestaat dat een onder dit hoofdstuk vallende opdracht namens de aanbestedende entiteit wordt uitgevoerd door andere diensten of personen waarvan de opdrachten niet onder dit hoofdstuk vallen wat de betrokken goederen en diensten betreft, is dit hoofdstuk eveneens van toepassing.


Waardebepaling

5.    Bij het ramen van de waarde van een opdracht om te bepalen of deze onder dit hoofdstuk valt:

a)    mag een aanbestedende entiteit de opdracht niet in afzonderlijke opdrachten verdelen noch een bijzondere methode voor het ramen van de waarde van de opdracht kiezen of gebruiken om deze geheel of gedeeltelijk buiten de toepassing van dit hoofdstuk te doen vallen; en

b)    moet een aanbestedende entiteit uitgaan van de geraamde maximale totale waarde van de opdracht over de gehele looptijd daarvan, ongeacht of de opdracht aan een of meer aanbieders wordt gegund, waarbij rekening wordt gehouden met alle vormen van vergoeding, met inbegrip van:

i)    premies, honoraria, commissielonen en rente; en

ii)    indien de aanbesteding de mogelijkheid van opties biedt, de totale waarde van deze opties.


6.    Indien een bepaald vereiste met betrekking tot een aanbesteding aanleiding geeft tot het plaatsen van meer dan één opdracht of tot het plaatsen van de opdracht in afzonderlijke percelen (hierna “herhalingsopdrachten” genoemd), moet de berekening van de geschatte maximale totale waarde gebaseerd zijn op:

a)    de waarde van herhalingsopdrachten voor soortgelijke goederen of diensten die gedurende de voorafgaande twaalf maanden of het voorafgaande begrotingsjaar van de aanbestedende entiteit zijn gegund, zo mogelijk gecorrigeerd op grond van verwachte wijzigingen in de hoeveelheid of waarde van de desbetreffende goederen of diensten in de volgende periode van twaalf maanden; of

b)    de geraamde waarde van herhalingsopdrachten voor soortgelijke goederen of diensten die gedurende de twaalf maanden na de gunning van de eerste opdracht of gedurende het begrotingsjaar van de aanbestedende entiteit zullen worden gegund.

7.    In geval van een aanbesteding door middel van leasing, huur of huurkoop van goederen of diensten of van een aanbesteding waarvoor geen totale prijs is opgegeven, wordt de waarde op de volgende grondslag bepaald:

a)    bij opdrachten met een vastgestelde looptijd:

i)    de totale geraamde maximale waarde voor de looptijd van de opdracht indien de looptijd daarvan ten hoogste twaalf maanden bedraagt; of

ii)    indien de looptijd meer dan twaalf maanden bedraagt, de totale geraamde maximale waarde, met inbegrip van de geraamde restwaarde;


b)    bij opdrachten voor onbepaalde duur, het geraamde maandelijks te betalen bedrag vermenigvuldigd met 48; en

c)    wanneer het onduidelijk is of de opdracht een vaste looptijd heeft dan wel voor onbepaalde tijd is, wordt het bepaalde in punt b) toegepast.

ARTIKEL 21.3

Veiligheid en algemene uitzonderingen

1.    Geen enkele bepaling in dit hoofdstuk mag worden uitgelegd als een beletsel voor een Partij om maatregelen te nemen of informatie niet te verstrekken indien zij dit noodzakelijk acht ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen met betrekking tot de aanschaf van wapens, munitie of oorlogsmateriaal of met betrekking tot aanschaffingen die onmisbaar zijn voor de nationale veiligheid of aanschaffingen voor nationale defensiedoeleinden.

2.    Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij in gelijke omstandigheden een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen Partijen dan wel een verkapte beperking van het internationale handelsverkeer vormen, wordt geen enkele bepaling in dit hoofdstuk uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of handhaven door een Partij van maatregelen die:

a)    noodzakelijk zijn ter bescherming van de openbare zeden, orde of veiligheid;


b)    noodzakelijk zijn ter bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;

c)    noodzakelijk zijn ter bescherming van de intellectuele eigendom; of

d)    betrekking hebben op goederen of diensten van mensen met een handicap, liefdadigheidsinstellingen of gevangenisarbeid.

ARTIKEL 21.4

Algemene beginselen

Non-discriminatie

1.    Niettegenstaande het toepassingsgebied van artikel 21.2 mag een onderneming uit een Partij die door middel van de oprichting, verwerving of instandhouding van een commerciële aanwezigheid overeenkomstig de wet op het grondgebied van de andere Partij is gevestigd, aan aanbestedingen van die andere Partij deelnemen onder dezelfde voorwaarden als de ondernemingen uit die andere Partij, zoals bepaald in het recht van die andere Partij.


2.    Ten aanzien van alle maatregelen betreffende de onder dit hoofdstuk vallende opdrachten behandelt een Partij, met inbegrip van haar aanbestedende entiteiten, goederen en diensten uit de andere Partij en aanbieders uit de andere Partij die die goederen of diensten aanbieden, onmiddellijk en onvoorwaardelijk niet minder gunstig dan zij, met inbegrip van haar aanbestedende entiteiten, interne goederen, diensten en aanbieders behandelt.

3.    Ten aanzien van alle maatregelen betreffende de onder dit hoofdstuk vallende opdrachten ziet een Partij, met inbegrip van haar aanbestedende entiteiten, erop toe:

a)    dat een lokaal gevestigde aanbieder niet minder gunstig wordt behandeld dan een andere lokaal gevestigde aanbieder op grond van de mate waarin het kapitaal ervan of de zeggenschap erover in buitenlandse handen is; of

b)    dat een lokaal gevestigde aanbieder niet wordt gediscrimineerd op grond van het feit dat door die aanbieder voor een bepaalde opdracht aangeboden goederen of diensten afkomstig zijn uit de andere Partij.

Gebruik van elektronische middelen

4.    Wanneer een onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdracht wordt aanbesteed met elektronische middelen:

a)    ziet de aanbestedende entiteit erop toe dat voor de aanbesteding informatietechnologiesystemen en software, die betreffende de authenticatie en encryptie van informatie daaronder begrepen, worden gebruikt die algemeen beschikbaar zijn en interoperabel met andere algemeen beschikbare informatietechnologiesystemen en software;


b)    hanteert de aanbestedende entiteit mechanismen die de integriteit van verzoeken om deelname en van inschrijvingen waarborgen, onder meer door het tijdstip van ontvangst te registreren en ongeoorloofde toegang te voorkomen; en

c)    gebruikt de aanbestedende entiteit elektronische informatie- en communicatiemiddelen voor de bekendmaking van berichten en aanbestedingsdossiers in aanbestedingsprocedures en, voor zover mogelijk, voor de indiening van inschrijvingen.

Verloop van de aanbesteding

5.    Een aanbestedende entiteit ziet erop toe dat onder dit hoofdstuk vallende opdrachten worden aanbesteed op een transparante en onpartijdige wijze:

a)    die in overeenstemming is met dit hoofdstuk, waarbij gebruik wordt gemaakt van een van de volgende methoden: openbare aanbesteding, aanbesteding met voorafgaande selectie of onderhandse aanbesteding;

b)    waarbij belangenconflicten worden vermeden en corruptie wordt voorkomen, overeenkomstig het recht van de betrokken Partij.


Maatregelen ter bestrijding van corruptie

6.    Elke Partij ziet erop toe dat zij over passende maatregelen beschikt om corruptie bij haar overheidsopdrachten te voorkomen. Deze maatregelen omvatten procedures om aanbieders die door de rechterlijke instanties van een Partij in laatste aanleg werden vastgesteld betrokken te zijn bij frauduleuze of andere onwettige handelingen met betrekking tot overheidsopdrachten op het grondgebied van die Partij, voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde periode niet in aanmerking te laten komen voor deelname aan aanbestedingen van die Partij. Elke Partij zorgt er ook voor dat zij beschikt over beleid en procedures om mogelijke belangenconflicten namens personen die betrokken zijn bij of invloed hebben op aanbestedingen, zoveel mogelijk uit te sluiten of te beheersen.

Oorsprongsregels

7.    Met betrekking tot onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdrachten mag een Partij op uit de andere Partij ingevoerde goederen of uit de andere Partij verleende diensten geen oorsprongsregels toepassen die afwijken van de oorsprongsregels die zij in het normale handelsverkeer toepast op de invoer van dezelfde goederen of de verlening van dezelfde diensten.

Weigering toekenning voordelen

8.    Een Partij kan de voordelen van dit hoofdstuk weigeren aan een dienstverlener uit de andere Partij, met voorafgaande kennisgeving en overleg, wanneer de Partij vaststelt dat de dienst wordt verleend door een onderneming die geen wezenlijke zakelijke activiteiten heeft op het grondgebied van een der Partijen.


Compensatie

9.    Met betrekking tot onder dit hoofdstuk vallende opdrachten mogen de Partijen en hun aanbestedende entiteiten geen compensatie vragen, in aanmerking nemen, opleggen of afdwingen.

Maatregelen die niet specifiek betrekking hebben op overheidsopdrachten

10.    De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op:

a)    douanerechten en heffingen van ongeacht welke aard die bij invoer of in verband met invoer worden geïnd;

b)    de wijze van inning van deze rechten en heffingen; en

c)    andere invoerregelingen of -formaliteiten, en maatregelen die gevolgen hebben voor de handel in diensten, andere dan maatregelen betreffende onder dit hoofdstuk vallende opdrachten.


ARTIKEL 21.5

Informatie over het systeem voor overheidsopdrachten

1.    Elke Partij:

a)    publiceert onverwijld alle wetgeving, regelgeving, gerechtelijke uitspraken, algemene administratieve beschikkingen en standaardclausules die bij wet- of regelgeving verplicht zijn gesteld en door verwijzing zijn opgenomen in berichten van aanbesteding, aanbestedingsdossiers en procedures inzake onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdrachten, alsmede alle wijzigingen daarvan, in officieel daartoe aangewezen elektronische of gedrukte media die op ruime schaal worden verspreid en gemakkelijk toegankelijk blijven voor het publiek; en

b)    verstrekt desgevraagd een uitleg daarvan aan de andere Partij.

2.    Elke Partij vermeldt in afdeling I van bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) respectievelijk bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico):

a)    de elektronische of gedrukte media waarin de Partij de in lid 1, punt a), omschreven informatie publiceert;

b)    de elektronische of gedrukte media waarin de Partij de berichten overeenkomstig artikel 21.6, artikel 21.8, lid 9, en artikel 21.15, lid 2, publiceert; en


c)    het internetadres of de internetadressen waarop de Partij de volgende informatie publiceert:

i)    haar statistische gegevens inzake overheidsopdrachten als bedoeld in artikel 21.15, lid 4; of

ii)    haar berichten betreffende gegunde contracten conform artikel 21.15, lid 6.

3.    Elke Partij stelt het Subcomité Overheidsopdrachten onverwijld in kennis van alle wijzigingen van haar informatie in afdeling I van bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico).

ARTIKEL 21.6

Berichten

Bericht van aanbesteding

1.    Voor elke onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdracht publiceert de aanbestedende entiteit, behalve in de omstandigheden beschreven in artikel 21.12, een bericht van aanbesteding.


2.    Tenzij anders bepaald in dit hoofdstuk, worden in alle berichten van aanbesteding de volgende gegevens opgenomen:

a)    de naam en het adres van de aanbestedende entiteit en andere informatie die nodig is om contact met de aanbestedende entiteit op te nemen en alle relevante documentatie in verband met de aanbesteding te verkrijgen, alsmede de eventuele kosten en betalingsvoorwaarden;

b)    een omschrijving van de opdracht, met inbegrip van de aard en de hoeveelheid van de goederen of diensten die worden aanbesteed, ofwel een raming van de hoeveelheid, indien deze niet exact bekend is;

c)    voor herhalingsopdrachten zo mogelijk een raming van de timing voor de volgende berichten van aanbesteding;

d)    een beschrijving van eventuele facultatieve onderdelen;

e)    de termijnen voor de levering van goederen of diensten of de looptijd van de opdracht;

f)    de te gebruiken aanbestedingsprocedure, met vermelding of daarbij gebruik zal worden gemaakt van onderhandelingen of elektronische veilingen;

g)    in voorkomend geval, het adres en de eventuele termijn voor de indiening van verzoeken om deelname aan de aanbesteding;


h)    het adres en de uiterste datum voor de indiening van inschrijvingen;

i)    de taal of talen waarin inschrijvingen of verzoeken om deelname mogen worden ingediend, indien zij mogen worden ingediend in een andere taal dan een officiële taal van de Partij waartoe de aanbestedende entiteit behoort;

j)    een lijst en korte omschrijving van de voorwaarden voor de deelname van aanbieders, waaronder de eventuele verplichte verstrekking van specifieke documenten in verband met die deelname, tenzij deze vereisten zijn opgenomen in het aanbestedingsdossier dat aan alle belangstellende aanbieders ter beschikking wordt gesteld op hetzelfde tijdstip als het bericht van aanbesteding;

k)    indien de aanbestedende entiteit voornemens is overeenkomstig artikel 21.8 een beperkt aantal erkende aanbieders uit te nodigen in te schrijven: de criteria aan de hand waarvan zij zullen worden gekozen en eventuele beperkingen van het aantal aanbieders dat mag inschrijven; en

l)    een vermelding dat de opdracht onder dit hoofdstuk valt.


Samenvatting

3.    Voor iedere voorgenomen aanbesteding publiceert de aanbestedende entiteit in een van de talen van de WTO, op hetzelfde tijdstip als het bericht van aanbesteding, een gemakkelijk toegankelijke samenvatting.

Dit samenvattend bericht van aanbesteding bevat ten minste de volgende informatie:

a)    de inhoud van de opdracht;

b)    de termijn voor de indiening van inschrijvingen en in voorkomend geval de termijn voor de indiening van verzoeken om deelname aan de aanbesteding of aanvragen tot plaatsing op de lijst voor veelvuldig gebruik; en

c)    het adres waar documenten met betrekking tot de opdracht kunnen worden opgevraagd.

Aankondiging van geplande aanbestedingen

4.    De aanbestedende entiteiten worden aangemoedigd hun aanbestedingsplannen zo vroeg mogelijk in elk begrotingsjaar aan te kondigen (hierna “aankondiging van geplande aanbestedingen” genoemd). De aankondiging van geplande aanbestedingen moet de inhoud van de opdrachten en bij benadering de datum van de publicatie van het bericht van aanbesteding of bij benadering de periode binnen welke de aanbesteding kan worden gehouden, bevatten.


5.    Een aanbestedende entiteit die vermeld is in afdeling B of C van bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) kan de aankondiging van geplande aanbestedingen als bericht van aanbesteding gebruiken, mits de aankondiging zoveel mogelijk van de in lid 2 bedoelde informatie bevat waarover de aanbestedende entiteit beschikt, alsmede een verklaring dat aanbieders hun belangstelling voor de opdracht bij de aanbestedende entiteit bekend kunnen maken.

Algemene regels voor berichten

6.    Alle berichten van aanbesteding, samenvattende berichten en aankondigingen van geplande aanbestedingen zijn kosteloos rechtstreeks en langs elektronische weg toegankelijk via één enkel online toegangspunt. Voorts kunnen de kennisgevingen ook worden gepubliceerd in een geschikte gedrukte vorm die op ruime schaal wordt verspreid en gemakkelijk toegankelijk blijven voor het publiek, ten minste totdat de in het bericht aangegeven termijn is verstreken.

ARTIKEL 21.7

Voorwaarden voor deelname

1.    Aanbestedende entiteiten beperken de voorwaarden voor deelname aan een aanbesteding tot wat noodzakelijk is om te waarborgen dat een aanbieder over de juridische en financiële capaciteit en de commerciële en technische vaardigheden beschikt om de desbetreffende opdracht uit te voeren.


2.    Bij de vaststelling van de voorwaarden voor deelname mag een aanbestedende entiteit:

a)    de deelname van een aanbieder aan een aanbesteding niet afhankelijk stellen van de voorwaarde dat aan de betrokken aanbieder reeds eerder een of meer opdrachten zijn gegund door een aanbestedende entiteit van een Partij;

b)    desbetreffende eerdere werkervaring verlangen indien deze van wezenlijk belang is om aan de eisen van de opdracht te kunnen voldoen; en

c)    als voorwaarde bij de aanbesteding niet stellen dat er sprake is van eerdere werkervaring op het grondgebied van de Partij.

3.    Bij de beoordeling of een aanbieder aan de voorwaarden voor deelname voldoet:

a)    evalueert de aanbestedende entiteit de financiële capaciteit en de commerciële en technische vaardigheden van de aanbieder aan de hand van diens zakelijke activiteiten op en buiten het grondgebied van de Partij waartoe de aanbestedende entiteit behoort; en

b)    baseert de aanbestedende entiteit zich bij deze beoordeling op de voorwaarden die hij vooraf in berichten betreffende de aanbesteding of in het aanbestedingsdossier heeft gespecificeerd.


4.    Een Partij en haar aanbestedende entiteiten kunnen, indien zij over bewijs beschikken, een aanbieder uitsluiten op gronden zoals:

a)    faillissement;

b)    valsheid in geschrifte;

c)    aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijke eis of verplichting in het kader van een eerdere opdracht;

d)    definitieve veroordelingen wegens een ernstig misdrijf of een ander strafbaar feit krachtens het recht van die Partij;

e)    fouten bij de beroepsuitoefening of handelingen of nalatigheden die de commerciële integriteit van de aanbieder aantasten; of

f)    het verzuimen om belastingen te betalen.


ARTIKEL 21.8

Erkenning van aanbieders

Registratiesystemen en erkenningsprocedures

1.    Een Partij en haar aanbestedende entiteiten kunnen een systeem aanhouden voor de registratie van aanbieders in het kader waarvan belangstellende aanbieders zich moeten laten registreren en bepaalde informatie moeten verstrekken. In dat geval ziet de Partij erop toe dat belangstellende aanbieders langs elektronische weg volledige toegang hebben tot informatie over het registratiesysteem en dat zij gedurende de geldigheidsduur ervan te allen tijde om registratie kunnen verzoeken. De bevoegde autoriteit stelt hen binnen een redelijke termijn in kennis van het besluit om dit verzoek in te willigen of af te wijzen. Indien het verzoek wordt afgewezen, wordt het besluit naar behoren met redenen omkleed.

2.    Elke Partij ziet erop toe dat:

a)    haar aanbestedende entiteiten zich inspannen om verschillen in hun erkenningsprocedures tot een minimum te beperken; en

b)    indien haar aanbestedende entiteiten registratiesystemen aanhouden, zij zich inspannen om verschillen in hun registratiesystemen tot een minimum te beperken.

3.    Een Partij en haar aanbestedende entiteiten mogen geen registratiesysteem of erkenningsprocedure vaststellen of toepassen met als doel of gevolg dat onnodige belemmeringen voor de deelname van aanbieders uit de andere Partij aan de aanbesteding ontstaan.


Aanbesteding met voorafgaande selectie

4.    Indien een aanbestedende entiteit een opdracht wil aanbesteden met voorafgaande selectie:

a)    neemt zij in het bericht van aanbesteding ten minste de in artikel 21.6, lid 2, punten a), b), f), g), j), k) en l), vermelde informatie op en nodigt zij aanbieders uit een verzoek om deelname in te dienen; en

b)    verstrekt zij erkende aanbieders bij aanvang van de inschrijvingstermijn in het in artikel 21.10, lid 3, punt b), bedoelde bericht ten minste de in artikel 21.6, lid 2, punten c), d), e), h) en i), gespecificeerde informatie.

5.    De aanbestedende entiteit staat alle erkende aanbieders toe om aan een bepaalde aanbesteding deel te nemen, tenzij de aanbestedende entiteit in het bericht van aanbesteding vermeldt dat het aantal aanbieders dat tot de aanbesteding wordt toegelaten, beperkt is en daarbij de criteria voor de selectie van dit beperkte aantal aanbieders opgeeft. Een uitnodiging tot het indienen van inschrijvingen wordt gericht tot het aantal aanbieders dat nodig is om een daadwerkelijke mededinging te waarborgen.

6.    Indien het aanbestedingsdossier niet vanaf de datum van publicatie van het in lid 4 bedoelde bericht openbaar toegankelijk is, ziet de aanbestedende entiteit erop toe dat het dossier voor alle overeenkomstig lid 5 geselecteerde erkende aanbieders op hetzelfde tijdstip beschikbaar komt.


Lijsten voor veelvuldig gebruik

7.    Aanbestedende entiteiten mogen een lijst voor veelvuldig gebruik aanhouden op voorwaarde dat een bericht waarbij belangstellende aanbieders worden uitgenodigd een aanvraag tot plaatsing op de lijst in te dienen jaarlijks wordt gepubliceerd in het daartoe bestemde medium als vermeld in afdeling I van de bijlagen 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) en 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) en in geval van elektronische publicatie permanent beschikbaar wordt gesteld.

8.    In het in lid 7 bedoelde bericht worden de volgende gegevens opgenomen:

a)    een omschrijving van de goederen of diensten, of de categorieën goederen of diensten, waarvoor de lijst kan worden gebruikt;

b)    de voorwaarden voor deelname waaraan aanbieders moeten voldoen om op de lijst te worden geplaatst en de methoden die de aanbestedende entiteit zal gebruiken om te controleren of een aanbieder aan de voorwaarden voldoet;

c)    de naam en het adres van de aanbestedende entiteit en andere informatie die nodig is om contact met de aanbestedende entiteit op te nemen en alle relevante documentatie in verband met de lijst te verkrijgen;

d)    de geldigheidsduur van de lijst en de wijze waarop deze wordt vernieuwd of beëindigd, of wanneer er geen geldigheidsduur is voorzien, een aanwijzing over de wijze waarop de beëindiging van het gebruik van de lijst wordt meegedeeld; en

e)    een vermelding dat de lijst kan worden gebruikt voor opdrachten die onder dit hoofdstuk vallen.


9.    In afwijking van lid 7 is het toegestaan dat een aanbestedende entiteit, indien zij een lijst voor veelvuldig gebruik met een geldigheidsduur van drie jaar of minder bijhoudt, het in lid 7 bedoelde bericht slechts eenmaal, bij aanvang van de geldigheidsduur van de lijst, publiceert, mits:

a)    in het bericht wordt vermeld wat de geldigheidsduur is en dat tijdens die periode geen verdere berichten zullen worden gepubliceerd; en

b)    het bericht elektronisch wordt gepubliceerd en gedurende de geldigheidsduur ervan permanent beschikbaar wordt gesteld.

10.    Aanbestedende entiteiten staan aanbieders toe te allen tijde een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik in te dienen en plaatsen alle erkende aanbieders binnen redelijk korte tijd op die lijst.

11.    Indien een aanbieder die niet is opgenomen op een lijst voor veelvuldig gebruik, een verzoek indient tot deelname aan een aanbestedingsprocedure waarbij een dergelijke lijst wordt gehanteerd en alle vereiste documenten indient binnen de in artikel 21.10, lid 2, bedoelde termijn, wordt dit verzoek door de aanbestedende entiteit onderzocht. De aanbestedende entiteit sluit de aanbieder niet uit van beoordeling in het kader van de aanbesteding op grond dat zij onvoldoende tijd heeft om het verzoek te onderzoeken, tenzij zij, in uitzonderlijke gevallen, wegens de complexiteit van de aanbesteding, het onderzoek van het verzoek niet kan afronden binnen de voor de indiening van inschrijvingen gestelde termijn.


Andere entiteiten van de afdelingen B en C van de bijlagen 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) en 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico).

12.    Een in afdeling B of C van de bijlagen 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) genoemde aanbestedende entiteit van een Partij kan een bericht waarbij aanbieders worden uitgenodigd een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik in te dienen, gebruiken als bericht van aanbesteding, mits:

a)    het bericht wordt gepubliceerd overeenkomstig lid 7 en de in lid 8 vermelde informatie en de in artikel 21.6.2 voorgeschreven informatie die beschikbaar is, bevat, alsmede een verklaring dat het bericht als bericht van aanbesteding geldt of dat alleen de aanbieders op de lijst voor veelvuldig gebruik verdere berichten van aanbesteding waarop de lijst voor veelvuldig gebruik betrekking heeft, zullen ontvangen; en

b)    de aanbestedende entiteit aan aanbieders die belangstelling hebben geuit voor een bepaalde opdracht, onverwijld voldoende informatie verstrekt aan de hand waarvan de aanbieder kan beoordelen in hoeverre de opdracht voor hem relevant is, alsmede alle overige in artikel 21.6, lid 2, voorgeschreven informatie, voor zover beschikbaar.

13.    Aanbestedende entiteiten die onder afdeling B of C van de bijlagen 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) vallen, mogen aanbieders die overeenkomstig lid 10 een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik hebben ingediend toestaan in te schrijven op een bepaalde opdracht, indien de aanbestedende entiteit voldoende tijd heeft om te onderzoeken of de aanbieder aan de voorwaarden voor deelname voldoet.


Informatie inzake besluiten van aanbestedende entiteiten

14.    Een aanbestedende entiteit stelt aanbieders die een verzoek tot deelname aan een aanbesteding of een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik hebben ingediend, onverwijld in kennis van haar besluit inzake dat verzoek of die aanvraag.

15.    Indien een aanbestedende entiteit een verzoek van een aanbieder om deelname of opname op een lijst voor veelvuldig gebruik afwijst, de erkenning van een aanbieder intrekt of een aanbieder van een lijst voor veelvuldig gebruik schrapt, stelt de entiteit de aanbieder daarvan onverwijld in kennis en verstrekt zij de aanbieder desgevraagd onverwijld een schriftelijke motivering van haar besluit.

ARTIKEL 21.9

Technische specificaties en aanbestedingsdossier

Technische specificaties

1.    Een aanbestedende entiteit mag geen technische specificaties op- of vaststellen of toepassen of conformiteitsbeoordelingsprocedures voorschrijven met als doel of gevolg dat onnodige belemmeringen voor de handel tussen de Partijen ontstaan.


2.    Bij het voorschrijven van de technische specificaties van de goederen of diensten die het voorwerp van de aanbesteding zijn, zal de aanbestedende entiteit in voorkomend geval:

a)    de technische specificaties specificeren aan de hand van prestatie-eisen of functionele eisen en niet aan de hand van descriptieve of ontwerpkenmerken; en

b)    de technische specificaties baseren op internationale normen, indien deze bestaan, en anders op nationale technische voorschriften, erkende nationale normen of bouwvoorschriften.

3.    Indien in de technische specificaties descriptieve of ontwerpkenmerken worden genoemd, geeft de aanbestedende entiteit in voorkomend geval aan dat inschrijvingen voor gelijkwaardige goederen of diensten die aantoonbaar aan de voorwaarden van de opdracht voldoen eveneens in aanmerking komen, door in het aanbestedingsdossier woorden als “of gelijkwaardig” op te nemen.

4.    Een aanbestedende entiteit schrijft geen technische specificaties voor waarin vereisten inzake of verwijzingen naar bepaalde merken of handelsnamen, octrooien, auteursrechten, ontwerpen, typen, of naar een bepaalde oorsprong, producent of aanbieder zijn opgenomen, tenzij er geen andere voldoende nauwkeurige of begrijpelijke manier is om de voorwaarden van de opdracht te beschrijven, en op voorwaarde dat termen zoals “of gelijkwaardig” in het aanbestedingsdossier zijn opgenomen.


5.    Een aanbestedende entiteit vraagt of aanvaardt van personen die een commercieel belang bij een specifieke aanbesteding kunnen hebben, geen advies dat kan worden gebruikt bij het opstellen of vaststellen van een technische specificatie voor die aanbesteding wanneer dat advies tot gevolg kan hebben dat mededinging wordt uitgesloten.

6.    Een Partij mag haar aanbestedende entiteiten toestaan rekening te houden met milieu- en sociale overwegingen, mits deze niet-discriminerend zijn en verband houden met het voorwerp van de opdracht.

7.    Voor alle duidelijkheid: een Partij, met inbegrip van haar aanbestedende entiteiten, mag overeenkomstig dit artikel technische specificaties opstellen, vaststellen of toepassen met als doel het behoud van natuurlijke hulpbronnen of de bescherming van het milieu te bevorderen.

Aanbestedingsdossier

8.    De aanbestedende entiteit stelt aanbieders een aanbestedingsdossier ter beschikking met alle informatie die zij nodig hebben om geldige inschrijvingen op te stellen en in te dienen. Tenzij deze informatie reeds in het bericht van aanbesteding is opgenomen, bevat het aanbestedingsdossier alle onderstaande gegevens:

a)    een omschrijving van de opdracht, met inbegrip van de aard en de hoeveelheid van de goederen of diensten die worden aanbesteed, ofwel een raming van de hoeveelheid, indien deze niet exact bekend is, alsmede alle eventuele vereisten waaraan moet zijn voldaan, met inbegrip van eventuele technische specificaties, certificering met betrekking tot de conformiteitsbeoordeling, plannen, tekeningen of instructiemateriaal;


b)    alle eventuele voorwaarden voor de deelname van aanbieders, met inbegrip van een lijst met informatie en documenten die de aanbieders in verband met de voorwaarden voor deelname moeten verstrekken;

c)    alle beoordelingscriteria die de aanbestedende entiteit bij de gunning van de opdracht zal toepassen, alsmede, tenzij de prijs het enige criterium is, het relatieve gewicht van deze criteria;

d)    wanneer de aanbestedende entiteit een opdracht aanbesteedt langs elektronische weg: alle authenticatie- en encryptievereisten of andere vereisten inzake de indiening van informatie langs elektronische weg;

e)    wanneer de aanbestedende entiteit een elektronische veiling organiseert: de regels, met inbegrip van de vaststelling van met de beoordelingscriteria samenhangende onderdelen van de inschrijving, die voor de elektronische veiling zullen gelden;

f)    indien de inschrijvingen in het openbaar worden geopend: de datum en het tijdstip waarop en de plaats waar de inschrijvingen zullen worden geopend en de personen die daarbij in voorkomend geval aanwezig mogen zijn;

g)    alle andere voorwaarden, zoals betalingsvoorwaarden of eventuele beperkingen op de wijze waarop inschrijvingen kunnen worden ingediend, bijvoorbeeld op papier of op elektronische wijze; en

h)    de data voor de levering van de goederen of diensten.


9.    Bij de vaststelling van een datum voor de levering van de goederen of diensten die het voorwerp van de aanbesteding zijn, houdt de aanbestedende entiteit rekening met factoren zoals de complexiteit van de opdracht, de omvang van de verwachte onderaanneming en de tijd die realistisch gesproken nodig is voor de productie, het uit voorraad halen en het vervoer van goederen uit de plaats vanuit welke zij worden geleverd of voor het verlenen van diensten.

10.    De in het bericht van aanbesteding of in het aanbestedingsdossier vermelde beoordelingscriteria kunnen onder meer de prijs en andere kostenfactoren, de kwaliteit, de technische waarde, de milieukenmerken en de leveringsvoorwaarden omvatten.

11.    De aanbestedende entiteit:

a)    stelt onverwijld het aanbestedingsdossier ter beschikking om ervoor te zorgen dat belangstellende aanbieders voldoende tijd hebben om een geldige inschrijving in te dienen;

b)    verstrekt desgevraagd onverwijld het aanbestedingsdossier aan alle belangstellende aanbieders; en

c)    beantwoordt onverwijld elk redelijk verzoek om relevante informatie van een belangstellende of deelnemende aanbieder, mits dergelijke informatie die aanbieder niet bevoordeelt ten opzichte van andere aanbieders.


Wijzigingen

12.    Indien een aanbestedende entiteit voorafgaand aan de gunning van een opdracht de criteria of vereisten wijzigt die in het bericht van aanbesteding of in het aanbestedingsdossier dat aan de deelnemende aanbieders is verstrekt, zijn vermeld, of een bericht van aanbesteding of aanbestedingsdossier wijzigt of opnieuw publiceert, geeft zij schriftelijk kennis van alle wijzigingen of verstrekt zij een gewijzigd of nieuw bericht van aanbesteding of aanbestedingsdossier:

a)    aan alle aanbieders die op het tijdstip dat de informatie gewijzigd of opnieuw gepubliceerd wordt, aan de procedure deelnemen, indien deze bekend zijn bij de aanbestedende entiteit, en in alle andere gevallen, op dezelfde wijze als de oorspronkelijke informatie; en

b)    op een zodanig tijdstip dat deze aanbieders voldoende tijd hebben om, indien nodig, hun inschrijving te wijzigen en opnieuw in te dienen.

ARTIKEL 21.10

Termijnen

1.    Aanbestedende entiteiten geven, overeenkomstig hun eigen redelijke behoeften, de aanbieders voldoende tijd om verzoeken om deelname en geldige inschrijvingen op te stellen en in te dienen, waarbij rekening wordt gehouden met factoren zoals:

a)    de aard en de complexiteit van de opdracht;


b)    de omvang van de verwachte onderaanneming; en

c)    de tijd die nodig is voor de verzending van inschrijvingen vanaf punten in de andere Partij of op het grondgebied van de aanbestedende entiteit, indien geen gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen.

De termijnen en eventuele verlengingen ervan moeten voor alle belangstellende of deelnemende aanbieders gelijk zijn.

2.    Wanneer een aanbestedende entiteit gebruik maakt van voorafgaande selectie, mag de termijn voor de indiening van verzoeken tot deelname in beginsel niet minder dan 25 dagen vanaf de datum van publicatie van het bericht van aanbesteding bedragen. Indien als gevolg van een door de aanbestedende entiteit naar behoren gemotiveerde urgente situatie een dergelijke termijn onhaalbaar is, mag deze worden verkort tot ten minste tien dagen.

3.    Tenzij de leden 4, 5, 7 en 8 van toepassing zijn, bepalen aanbestedende entiteiten dat de termijn voor de indiening van inschrijvingen niet minder bedraagt dan veertig dagen vanaf de datum waarop:

a)    in het geval van openbare aanbesteding, het bericht van aanbesteding is gepubliceerd; of

b)    in het geval van aanbesteding met voorafgaande selectie, de aanbestedende entiteit de aanbieders heeft meegedeeld dat zij worden uitgenodigd in te schrijven, ongeacht of op een lijst voor veelvuldig gebruik beroep wordt gedaan.


4.    Een aanbestedende entiteit mag de in lid 3 bedoelde termijn voor de indiening van inschrijvingen verkorten tot ten minste tien dagen, indien:

a)    de aanbestedende entiteit in overeenstemming met artikel 21.6, lid 4, ten minste veertig dagen, maar niet meer dan twaalf maanden vóór de publicatie van het bericht van aanbesteding, een aankondiging van geplande aanbestedingen heeft gepubliceerd, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:

i)    een omschrijving van de opdracht;

ii)    bij benadering de uiterste data voor de indiening van inschrijvingen of verzoeken om deelname;

iii)    een verklaring dat de belangstellende aanbieders hun belangstelling voor de opdracht aan de aanbestedende entiteit kenbaar moeten maken;

iv)    het adres waar documenten met betrekking tot de opdracht kunnen worden opgevraagd; en

v)    zoveel mogelijk van de in artikel 21.6, lid 2, gespecificeerde informatie die vereist is voor het bericht van aanbesteding, voor zover beschikbaar;

b)    de aanbestedende entiteit, in het geval van herhalingsopdrachten, in een eerste bericht van aanbesteding aangeeft dat in volgende berichten termijnen voor inschrijving zullen worden gehanteerd; of


c)    de in lid 3 genoemde termijn wegens een door de aanbestedende entiteit naar behoren gemotiveerde urgente situatie onhaalbaar is.

5.    Een aanbestedende entiteit mag de in lid 3 genoemde termijn voor de inschrijving met vijf dagen verkorten in elk van de volgende situaties:

a)    het bericht van aanbesteding wordt elektronisch gepubliceerd;

b)    het gehele aanbestedingsdossier is elektronisch beschikbaar vanaf de datum van publicatie van het bericht van aanbesteding; en

c)    de aanbestedende entiteit aanvaardt elektronische inschrijvingen.

6.    De toepassing van lid 5, in combinatie met lid 4, mag in geen geval leiden tot een verkorting van de in lid 3 bepaalde termijn voor het indienen van een inschrijving tot minder dan tien dagen vanaf de datum van publicatie van het bericht van aanbesteding.

7.    In afwijking van andere bepalingen van dit artikel mag een aanbestedende entiteit, indien zij handelsgoederen of -diensten of een combinatie daarvan aanschaft, de in lid 3 bedoelde termijn voor de indiening van inschrijvingen verkorten tot ten minste 13 dagen, op voorwaarde dat deze aanbestedende entiteit op hetzelfde tijdstip elektronisch zowel het bericht van aanbesteding als het aanbestedingsdossier publiceert. Wanneer de aanbestedende entiteit bovendien elektronische inschrijvingen voor handelsgoederen of -diensten aanvaardt, mag zij de in lid 3 bedoelde termijn verkorten tot ten minste tien dagen.


8.    Indien een onder afdeling B of C van de bijlagen 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) vallende aanbestedende entiteit alle of een beperkt aantal erkende aanbieders heeft geselecteerd, kan de termijn voor de indiening van inschrijvingen in onderling overleg tussen de aanbestedende entiteit en de geselecteerde aanbieders worden vastgesteld. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient de termijn ten minste tien dagen te bedragen.

ARTIKEL 21.11

Onderhandelingen

1.    Een Partij kan bepalen dat haar aanbestedende entiteiten onderhandelingen met aanbieders kunnen voeren indien:

a)    de aanbestedende entiteit het voornemen daartoe heeft vermeld in het overeenkomstig artikel 21.6, lid 2, vereiste bericht van aanbesteding; of

b)    bij de beoordeling blijkt dat geen van de inschrijvingen duidelijk de gunstigste is volgens de specifieke beoordelingscriteria die in het bericht van aanbesteding of in het aanbestedingsdossier zijn vermeld.


2.    Een aanbestedende entiteit:

a)    ziet erop toe dat iedere uitsluiting van aanbieders tijdens onderhandelingen plaatsvindt in overeenstemming met de in het bericht van aanbesteding of het aanbestedingsdossier vermelde evaluatiecriteria; en

b)    stelt, wanneer de onderhandelingen zijn afgesloten, voor de resterende deelnemers een voor iedereen gelijke termijn vast om een nieuwe of herziene inschrijving in te dienen.

ARTIKEL 21.12

Onderhandse aanbesteding

1.    Mits onderhandse aanbesteding niet wordt toegepast met het oogmerk de mededinging tussen aanbieders te verhinderen of op een wijze waardoor aanbieders van de andere Partij worden gediscrimineerd of interne aanbieders worden beschermd, kunnen aanbestedende entiteiten gebruikmaken van onderhandse aanbesteding en besluiten de artikelen 21.6 tot en met 21.8, artikel 21.9, leden 8 tot en met 12, en de artikelen 21.10, 21.11, 21.13 en 21.14 niet toe te passen, in een van de volgende omstandigheden:

a)    op voorwaarde dat de vereisten van het aanbestedingsdossier niet wezenlijk worden gewijzigd in het geval dat:

i)    geen inschrijvingen zijn ingediend of geen aanbieders om deelname hebben verzocht;


ii)    geen inschrijvingen zijn ingediend die aan de essentiële eisen van het aanbestedingsdossier voldoen;

iii)    geen aanbieders aan de voorwaarden voor deelname voldoen; of

iv)    de ingediende inschrijvingen onderling zijn afgestemd;

b)    indien de goederen of diensten slechts door een bepaalde aanbieder kunnen worden geleverd en er geen redelijk alternatief of substituut bestaat om een van de volgende redenen:

i)    de opdracht betreft een kunstwerk;

ii)    de bescherming van octrooien, auteursrechten of andere exclusieve rechten; of

iii)    concurrentie ontbreekt om technische redenen;

c)    voor aanvullende leveringen, door de oorspronkelijke aanbieder, van goederen of diensten die niet in de oorspronkelijke opdracht waren opgenomen, indien verandering van aanbieder voor de aanvullende goederen of diensten:

i)    niet mogelijk is om economische of technische redenen, zoals wanneer de aanvullende goederen of diensten uitwisselbaar of interoperabel moeten zijn met bestaande uitrusting, software, diensten of installaties die in het kader van de oorspronkelijke opdracht zijn geleverd; en


ii)    tot aanzienlijk ongemak of aanzienlijke kostenstijgingen zou leiden voor de aanbestedende entiteit;

d)    in strikt noodzakelijke gevallen, indien de goederen of diensten om uiterst dringende redenen, wegens gebeurtenissen die door de aanbestedende entiteit niet konden worden voorzien, niet tijdig kunnen worden verkregen door middel van openbare aanbesteding of aanbesteding met voorafgaande selectie;

e)    voor goederen die op een grondstoffenmarkt worden aangekocht;

f)    indien een aanbestedende entiteit een prototype of een nieuw goed of een nieuwe dienst aanschaft die op haar verzoek tijdens de uitvoering van een specifieke opdracht inzake onderzoek, proefneming, studie of oorspronkelijke ontwikkeling ten behoeve van die opdracht is ontwikkeld;

de originele ontwikkeling van een nieuw goed of een nieuwe dienst kan een beperkte productie of levering omvatten om de resultaten van veldproeven te incorporeren en aan te tonen dat het goed of de dienst geschikt is voor productie of levering in grotere hoeveelheden volgens aanvaardbare kwaliteitsnormen, maar omvat geen serieproductie of levering om commerciële levensvatbaarheid te bereiken of onderzoeks- en ontwikkelingskosten te recupereren;


g)    voor aankopen onder uitzonderlijk voordelige voorwaarden die alleen op zeer korte termijn ontstaan in het geval van ongebruikelijke verkopen, zoals bij liquidatie, curatele of faillissement, maar niet bij normale aankopen bij normale aanbieders; of

h)    indien opdrachten worden gegund aan de winnaar van een ontwerpwedstrijd, mits:

i)    de wedstrijd is georganiseerd op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van dit hoofdstuk, met name met betrekking tot de publicatie van een bericht van aanbesteding; en

ii)    de deelnemers worden beoordeeld door een onafhankelijke jury met het oog op de gunning van een ontwerpopdracht aan de winnaar.

2.    Aanbestedende entiteiten stellen een schriftelijk verslag op over elke opdracht die in het kader van lid 1 wordt gegund. Dit verslag vermeldt de naam van de aanbestedende entiteit, de waarde en het soort aangeschafte goederen of diensten, en bevat tevens een verklaring met daarin een vermelding van de in lid 1 beschreven omstandigheden en voorwaarden die deze procedure rechtvaardigden.


ARTIKEL 21.13

Elektronische veilingen

Indien een aanbestedende entiteit een onder dit hoofdstuk vallende opdracht wil aanbesteden met een elektronische veiling, stelt zij, alvorens de elektronische veiling te openen, ieder deelnemer in kennis van:

a)    de methode voor automatische beoordeling, met inbegrip van de wiskundige formule, gebaseerd op de in het aanbestedingsdossier opgenomen beoordelingscriteria, die gebruikt wordt om automatisch de rangorde vast te stellen of te wijzigen tijdens de veiling;

b)    de resultaten van een eventuele eerste beoordeling van de onderdelen van zijn inschrijving, indien de opdracht wordt gegund aan de indiener van de voordeligste inschrijving; en

c)    alle andere relevante informatie over de uitvoering van de veiling.


ARTIKEL 21.14

Behandeling van inschrijvingen en gunning van opdrachten

Behandeling van inschrijvingen

1.    De aanbestedende entiteit neemt bij het ontvangen, openen en behandelen van inschrijvingen procedures in acht die garanderen dat het aanbestedingsproces eerlijk en onpartijdig verloopt en de inschrijvingen vertrouwelijk worden behandeld.

2.    Indien de aanbestedende entiteit een aanbieder de gelegenheid biedt om tussen de opening van de inschrijvingen en de gunning van de opdracht onbedoelde vormfouten te corrigeren, biedt de aanbestedende entiteit alle deelnemende aanbieders daartoe de gelegenheid.

Gunning van opdrachten

3.    Om voor gunning in aanmerking te komen, moet een inschrijving schriftelijk worden ingediend, bij de opening voldoen aan de essentiële vereisten die in de berichten betreffende de aanbesteding en het aanbestedingsdossier zijn opgenomen, en afkomstig zijn van een aanbieder die aan de voorwaarden voor deelname voldoet.


4.    Tenzij de aanbestedende entiteit besluit dat het niet in het algemeen belang is de opdracht te gunnen, wordt deze gegund aan de aanbieder die volgens de bevindingen van de aanbestedende entiteit de voorwaarden van de opdracht kan vervullen en van wie de inschrijving, uitsluitend beoordeeld aan de hand van de beoordelingscriteria in de berichten en het aanbestedingsdossier:

a)    de voordeligste is; of

b)    indien de prijs het enige criterium is, de laagste prijs biedt.

5.    Indien de aanbestedende entiteit een inschrijving ontvangt met een prijs die in verhouding tot de andere inschrijvingen abnormaal laag is, kan zij inlichtingen inwinnen bij de aanbieder om zich ervan te vergewissen dat de aanbieder aan de voorwaarden voor deelname voldoet en de opdracht volgens de gestelde voorwaarden kan uitvoeren.

6.    De aanbestedende entiteit mag geen gebruik maken van opties, geen aanbesteding annuleren en geen gegunde opdrachten wijzigen op een wijze die in strijd is met haar verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk.

7.    Elke Partij mag in de regel voorzien in een status-quoperiode tussen de gunning en de sluiting van een overeenkomst, zodat afgewezen inschrijvers voldoende tijd krijgen om het gunningsbesluit te herzien en aan te vechten.


ARTIKEL 21.15

Transparantie van informatie over overheidsopdrachten

Aan aanbieders verstrekte informatie

1.    Aanbestedende entiteiten stellen de deelnemende aanbieders onverwijld in kennis van besluiten aangaande de gunning van een opdracht en doen dat op verzoek van een aanbieder schriftelijk. Met inachtneming van artikel 21.16, leden 2 en 3, stelt de aanbestedende entiteit een afgewezen aanbieder op diens verzoek in kennis van de redenen voor de afwijzing van zijn inschrijving en van de relatieve voordelen van de inschrijving van de gekozen aanbieder.

Publicatie van informatie over de gunning

2.    Aanbestedende entiteiten publiceren uiterlijk 72 dagen na de gunning van elke onder dit hoofdstuk vallende opdracht een bericht in de daartoe bestemde gedrukte of elektronische media als vermeld in afdeling I van bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico). Wanneer alleen gebruik wordt gemaakt van een elektronisch medium, dient de informatie gedurende een redelijke termijn gemakkelijk toegankelijk te blijven. Het bericht bevat ten minste de volgende gegevens:

a)    een beschrijving van de aangeschafte goederen of diensten;


b)    de naam en het adres van de aanbestedende entiteit;

c)    de naam en het adres van de aanbieder aan wie de opdracht is gegund;

d)    de waarde van de geselecteerde inschrijving of de hoogste en de laagste inschrijving die bij de gunning van de opdracht in aanmerking zijn genomen;

e)    de datum waarop de opdracht is gegund; en

f)    de gebruikte aanbestedingsmethode, en in geval van onderhandse aanbesteding overeenkomstig artikel 21.12, een beschrijving van de omstandigheden die deze procedure rechtvaardigden.

Bewaren van documentatie, verslagen en elektronische traceerbaarheid

3.    Een aanbestedende entiteit bewaart gedurende ten minste drie jaar vanaf de datum waarop zij een opdracht gunt:

a)    de documentatie en verslagen betreffende aanbestedingsprocedures en gunningen in verband met onder dit hoofdstuk vallende opdrachten, met inbegrip van de op grond van artikel 21.12 vereiste verslagen; en

b)    gegevens die waarborgen dat het verloop van onder dit hoofdstuk vallende opdrachten elektronisch naar behoren traceerbaar is.


Uitwisseling van statistieken

4.    Elke Partij verzamelt statistische gegevens over haar onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdrachten en wisselt deze jaarlijks uit 13 . Die statistische verslagen bevatten, met betrekking tot door alle aanbestedende entiteiten van de betrokken Partij gegunde opdrachten die onder dit hoofdstuk vallen, statistieken over de geraamde waarde van de gegunde contracten voor onder dit hoofdstuk vallende opdrachten, in totaal en opgesplitst per categorie aanbestedende entiteiten.

5.    Voor zover dergelijke informatie beschikbaar is, verstrekt elke Partij statistische gegevens betreffende het land van oorsprong van de door haar aanbestedende entiteiten aangekochte producten en diensten. Om ervoor te zorgen dat dergelijke statistieken vergelijkbaar zijn, verstrekt het overeenkomstig artikel 21.19 opgerichte Subcomité Overheidsopdrachten richtsnoeren voor de te gebruiken methoden. Om ervoor te zorgen dat de onder dit hoofdstuk vallende opdrachten op doeltreffende wijze worden gemonitord, kan de Gezamenlijke Raad besluiten de vereisten van lid 4 te wijzigen.

6.    Indien een Partij verlangt dat kennisgevingen over gegunde opdrachten langs elektronische weg worden gepubliceerd, overeenkomstig lid 2, en indien deze kennisgevingen voor het publiek toegankelijk zijn via één enkele databank in een vorm die een analyse van de gegunde opdrachten mogelijk maakt, kan de Partij in plaats van verslag aan het Subcomité Overheidsopdrachten uit te brengen, het adres van de website meedelen, samen met alle noodzakelijke instructies met betrekking tot de toegang tot en het gebruik van de gegevens.


ARTIKEL 21.16

Bekendmaking van informatie

Verstrekking van informatie aan Partijen

1.    Indien de andere Partij daarom verzoekt, verstrekt een Partij onverwijld alle informatie die nodig is om te bepalen of de onder dit hoofdstuk vallende opdracht eerlijk, onpartijdig en overeenkomstig dit hoofdstuk is verlopen, met inbegrip van informatie over de kenmerken en relatieve voordelen van de inschrijving van de gekozen aanbieder. De Partij die de informatie ontvangt maakt die informatie niet bekend aan aanbieders indien die informatie de mededinging bij toekomstige aanbestedingen zou kunnen schaden, behalve nadat zij de toestemming heeft verkregen van de Partij die de informatie heeft verstrekt.

Niet-bekendmaking van informatie

2.    Niettegenstaande de overige bepalingen van dit hoofdstuk verstrekken een Partij en haar aanbestedende entiteiten geen informatie aan een bepaalde aanbieder die de eerlijke mededinging tussen aanbieders kan verstoren.

3.    Geen van de bepalingen in dit hoofdstuk mag zodanig worden uitgelegd dat zij verlangt dat een Partij en haar aanbestedende entiteiten, autoriteiten en toetsingsinstanties vertrouwelijke informatie openbaar maken indien die openbaarmaking:

a)    de rechtshandhaving zou belemmeren;


b)    de eerlijke mededinging tussen aanbieders kan verstoren;

c)    de legitieme handelsbelangen van bepaalde personen, met inbegrip van de bescherming van de intellectuele eigendom, zou schaden; of

d)    anderszins in strijd zou zijn met het algemeen belang.

ARTIKEL 21.17

Interne toetsingsprocedures

1.    Elke Partij voorziet in een passende, effectieve, transparante en niet-discriminerende procedure voor administratieve of rechterlijke toetsing, waarmee een aanbieder die belang heeft of heeft gehad bij een onder dit hoofdstuk vallende opdracht bezwaar of beroep kan aantekenen:

a)    tegen een inbreuk op dit hoofdstuk; of

b)    indien de aanbieder volgens het recht van een Partij niet rechtstreeks een beroep kan instellen tegen een inbreuk op dit hoofdstuk, tegen de niet-naleving van de maatregelen die een Partij ter uitvoering van dit hoofdstuk heeft ingesteld.

De procedurele regels voor alle bezwaar- en beroepsprocedures worden op schrift gesteld en openbaar gemaakt.


2.    Indien een aanbieder in het kader van een onder dit hoofdstuk vallende opdracht waarbij hij een belang heeft of heeft gehad, een klacht indient wegens inbreuk of niet-naleving als bedoeld in lid 1, moedigt de Partij waartoe de aanbestedende entiteit behoort, de aanbestedende entiteit en de aanbieder aan het geschil door overleg te beslechten. De aanbestedende entiteit neemt dergelijke klachten onpartijdig en tijdig in beraad op een wijze die geen afbreuk doet aan de deelname van de aanbieder aan lopende of toekomstige aanbestedingen of aan diens recht om door middel van de procedure voor administratieve of rechterlijke toetsing corrigerende maatregelen te vragen.

3.    Elke aanbieder krijgt voldoende tijd om een bezwaar of beroep voor te bereiden en in te stellen; deze termijn bedraagt ten minste tien dagen vanaf het tijdstip waarop de grond voor het bezwaar of beroep voor de aanbieder bekend is geworden of redelijkerwijs bekend had moeten worden.

4.    Door elke Partij wordt ten minste één onpartijdige en van de aanbestedende entiteiten onafhankelijke administratieve of rechterlijke instantie ingesteld of aangewezen om een bezwaar of beroep door een aanbieder in verband met een onder dit hoofdstuk vallende opdracht te ontvangen en te beoordelen.

5.    Indien een beroep in eerste aanleg wordt beoordeeld door een andere dan een van de in lid 4 bedoelde instanties, ziet de Partij erop toe dat de aanbieder tegen de oorspronkelijke beslissing beroep kan instellen bij een onpartijdige bestuurlijke of rechterlijke instantie die onafhankelijk is van de aanbestedende entiteit die de aanbesteding heeft uitgeschreven waarop het beroep betrekking heeft.


6.    Elke Partij ziet erop toe dat, indien het een beslissing van een niet-rechterlijke beroepsinstantie betreft, rechterlijke toetsing mogelijk is of dat de regels inzake procesvoering bepalen dat:

a)    de aanbestedende entiteit schriftelijk op het beroep reageert en alle relevante documenten aan de beroepsinstantie ter beschikking stelt;

b)    de partijen bij de procedure het recht hebben te worden gehoord alvorens de beroepsinstantie een beslissing neemt over het beroep;

c)    de partijen bij de procedure het recht hebben zich te laten vertegenwoordigen en vergezellen;

d)    de partijen bij de procedure toegang hebben tot alle zittingen in het kader van de procedure;

e)    de partijen het recht hebben te verzoeken dat de zittingen in het openbaar plaatsvinden en dat getuigen deze mogen bijwonen; en

f)    de beroepsinstantie haar beslissingen of aanbevelingen tijdig schriftelijk vaststelt en de grondslag van elke beslissing of aanbeveling daarbij toelicht.


7.    Elke Partij stelt procedures in, of handhaaft deze, die voorzien in snelle voorlopige maatregelen die de mogelijkheid van de aanbieder om aan de aanbesteding deel te nemen in stand houden. Dergelijke voorlopige maatregelen kunnen aanleiding geven tot schorsing van de aanbestedingsprocedure. Er kan worden bepaald dat bij het nemen van de beslissing over het al dan niet toepassen van dergelijke maatregelen rekening mag worden gehouden met doorslaggevende negatieve gevolgen voor de belangen die op het spel staan, waaronder het algemeen belang. Een rechtvaardiging om niet op te treden wordt schriftelijk verstrekt.

8.    Elke Partij stelt procedures vast, of handhaaft deze, die voorzien in corrigerende maatregelen of compensatie voor het geleden verlies of de geleden schade indien een beroepsinstantie heeft vastgesteld dat er sprake is van een inbreuk of een verzuim als bedoeld in lid 1. De vergoeding voor het geleden verlies of de geleden schade kan worden beperkt tot hetzij de kosten voor het opstellen van de inschrijving, hetzij de kosten in verband met de betwisting, hetzij beide.

ARTIKEL 21.18

Wijziging en rectificatie van het toepassingsgebied

1.    De Europese Unie kan bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) wijzigen of rectificeren en Mexico kan bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) wijzigen of rectificeren.


Wijzigingen

2.    Indien een Partij voornemens is respectievelijk bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) te wijzigen, moet die Partij:

a)    de andere Partij daarvan schriftelijk in kennis stellen; en

b)    in die kennisgeving een voorstel voor passende compenserende aanpassingen voor de andere Partij doen om het toepassingsgebied op een niveau te houden dat vergelijkbaar is met dat van vóór de wijziging.

3.    Niettegenstaande punt 2, b), hoeft een Partij geen compenserende aanpassingen aan te bieden indien de wijziging betrekking heeft op een aanbestedende entiteit ten aanzien waarvan de Partij haar zeggenschap of invloed daadwerkelijk heeft beëindigd. De overheidscontrole over of de overheidsinvloed op de onder dit hoofdstuk vallende opdrachten van aanbestedende entiteiten die onder afdeling C van de bijlagen 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of onder deellijst 2 van elke staat van afdeling B of afdeling C van bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) vallen, wordt geacht daadwerkelijk te zijn beëindigd als de aanbestedende entiteit blootstaat aan mededinging op markten waartoe de toegang niet beperkt is.

4.    De andere Partij kan bezwaar maken tegen de voorgestelde wijziging, waarvan overeenkomstig lid 2 kennis is gegeven, indien zij betwist dat:

a)    een overeenkomstig punt 2, b), voorgestelde aanpassing voldoende is om het bestaande toepassingsgebied van dit hoofdstuk op een vergelijkbaar niveau te houden;


b)    de wijziging betrekking heeft op een aanbestedende entiteit ten aanzien waarvan de Partij haar zeggenschap of invloed daadwerkelijk heeft beëindigd overeenkomstig lid 3.

Het bezwaar moet binnen 45 dagen na ontvangst van de in punt 2, a), bedoelde kennisgeving schriftelijk worden gemaakt, zo niet wordt de Partij geacht, ook voor de toepassing van hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting), met de aanpassing of wijziging te hebben ingestemd.

Rectificaties

5.    De volgende wijzigingen van bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) worden beschouwd als een rectificatie van louter formele aard, mits zij geen invloed hebben op het bestaande toepassingsgebied waarin dit hoofdstuk voorziet:

a)    een wijziging in de naam van een aanbestedende entiteit;

b)    een fusie van twee of meer entiteiten die vallen onder de afdelingen A tot en met C van bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico); en

c)    de splitsing van een onder de afdelingen A tot en met C van bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) vallende entiteit in twee of meer entiteiten die allemaal worden toegevoegd aan de onder dezelfde afdeling van bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) vallende aanbestedende entiteiten.


6.    Elke Partij stelt de andere Partij om de drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst in kennis van voorgestelde rectificaties van bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico).

7.    Een Partij kan de andere Partij binnen 45 dagen na ontvangst van de kennisgeving in kennis stellen van een bezwaar tegen een voorgestelde rectificatie. Indien een Partij een bezwaar indient, legt zij uit waarom zij van mening is dat de voorgestelde rectificatie geen wijziging als bedoeld in lid 5 is, en beschrijft zij het effect van de voorgestelde rectificatie op het toepassingsgebied waarin dit hoofdstuk voorziet. Als binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving geen schriftelijk bezwaar is ingediend, wordt de andere Partij geacht de voorgestelde rectificatie te hebben aanvaard.

Overleg en geschillenbeslechting

8.    Indien de andere Partij bezwaar maakt tegen de voorgestelde wijziging of rectificatie, trachten de Partijen de kwestie door middel van overleg op te lossen. Indien binnen zestig dagen na de datum van ontvangst van het bezwaar geen overeenstemming wordt bereikt, kan de Partij die bijlage 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) of bijlage 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico) wenst te wijzigen of te rectificeren, de zaak naar de geschillenbeslechtingsprocedure van hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting) verwijzen. De voorgestelde wijziging of rectificatie wordt alleen van kracht indien beide Partijen overeenstemming hebben bereikt of indien de uitspraak van een panel in een eindverslag overeenkomstig artikel 31.13 (Eindverslag) hierin voorziet.


ARTIKEL 21.19

Subcomité Overheidsopdrachten

De overeenkomstig artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III) opgerichte Subcomité Overheidsopdrachten behandelt aangelegenheden in verband met de uitvoering en werking van dit hoofdstuk, zoals:

a)    de wijziging van de bijlagen 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) en 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico);

b)    de voorbereiding voor de Gezamenlijke Raad van de besluiten tot wijziging van de bijlagen 21-A (Onder deze overeenkomst vallende overheidsopdrachten van de Europese Unie) en 21-B (Onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten van Mexico);

c)    aangelegenheden met betrekking tot overheidsopdrachten in verband met dit hoofdstuk die haar door een Partij worden voorgelegd; en

d)    alle andere aangelegenheden met betrekking tot de werking van dit hoofdstuk.


HOOFDSTUK 22

OVERHEIDSONDERNEMINGEN, ONDERNEMINGEN WAARAAN BIJZONDERE RECHTEN OF VOORRECHTEN ZIJN TOEGEKEND EN AANGEWEZEN MONOPOLIES

ARTIKEL 22.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “Regeling”: de Regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten, die is ontwikkeld in het kader van de OESO, of een opvolger daarvan, ongeacht of die is ontwikkeld in het kader van de OESO, die is aanvaard door ten minste twaalf oorspronkelijke leden van de WTO die op 1 januari 1979 deelnamen aan de Regeling;

b)    “commerciële activiteiten”: activiteiten die resulteren in de productie van goederen of de verlening van diensten die op de relevante markt zullen worden verkocht in hoeveelheden en tegen prijzen die door een onderneming op basis van de omstandigheden van vraag en aanbod worden bepaald, en die met een winstoogmerk worden verricht 14 ;


c)    “commerciële overwegingen”: overwegingen inzake prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid, vervoer en andere voorwaarden van aankoop of verkoop; of andere factoren waarmee normaal rekening zou worden gehouden bij commerciële beslissingen van een particuliere onderneming die in de relevante sector of industrie werkt volgens de beginselen van de markteconomie;

d)    “aanwijzen”: een monopolie instellen of toestaan, of de werkingssfeer van een monopolie uitbreiden teneinde een nieuw goed of een nieuwe dienst daaronder te laten vallen;

e)    “aangewezen monopolie”: een publieke of particuliere entiteit, met inbegrip van een consortium of een overheidsorgaan, die op elke relevante markt op het grondgebied van een Partij is aangewezen als enige aanbieder of enige koper van een goed of dienst; een entiteit waaraan exclusieve intellectuele-eigendomsrechten zijn verleend, valt echter niet onder die term om de enkele reden dat haar dergelijke rechten zijn verleend 15 ;

f)    “onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend”: een publieke of particuliere onderneming, met inbegrip van een dochteronderneming, waaraan een Partij in rechte of in feite bijzondere rechten of voorrechten heeft toegekend; er is sprake van bijzondere rechten of voorrechten indien een Partij de onderneming die een goed mag leveren of een dienst mag verlenen, aanwijst, of het aantal van dergelijke ondernemingen beperkt aan de hand van criteria die niet objectief, evenredig en niet-discriminerend zijn, waardoor de mogelijkheid van een andere onderneming om in hetzelfde geografische gebied en onder substantieel dezelfde voorwaarden hetzelfde goed te leveren of dezelfde dienst te verlenen, ernstig wordt beperkt;


g)    “financiële instelling” en “financiële dienst” hebben dezelfde betekenis als in artikel 18.1 (Definities);

h)    “dienst die wordt verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag”: een dienst die wordt verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag zoals gedefinieerd in de GATS en, in voorkomend geval, in de bijlage betreffende financiële diensten bij de GATS 16 ;

i)    “overheidsonderneming”: onderneming die eigendom is van of onder zeggenschap staat van een Partij 17 .

ARTIKEL 22.2

Gedelegeerde instantie

Tenzij anderszins bepaald in deze overeenkomst, draagt elke Partij er zorg voor dat om het even welke persoon, inclusief een overheidsonderneming, een bedrijf waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of een aangewezen monopolie, waaraan door haar regelgevende, administratieve dan wel andere overheidsbevoegdheid is gedelegeerd, bij de uitoefening van die bevoegdheid handelt in overeenstemming met haar verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst.


ARTIKEL 22.3

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies die commerciële activiteiten verrichten. Indien een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie commerciële en niet-commerciële activiteiten combineert 18 , is dit hoofdstuk alleen op de commerciële activiteiten van toepassing.

2.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

a)    overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies die handelen als aanbestedende entiteiten die onder hoofdstuk 21 vallende opdrachten aanbesteden als bedoeld in artikel 21.1 (Definities), punt c);

b)    diensten die worden verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag;


c)    activiteiten die worden uitgevoerd door:

i)    een financiële instelling of een andere rechtspersoon, die eigendom is van of onder zeggenschap staat van een Partij, die tijdelijk en uitsluitend voor afwikkelingsdoeleinden wordt opgericht of geëxploiteerd 19 ;

ii)    een overheidsinstantie, daarbij inbegrepen een openbare trust, die uitsluitend op grond van een openbaredienstopdracht die bestemd is om bij te dragen tot de evenwichtige en stabiele ontwikkeling van de betrokken Partij, financiële diensten verleent voor rekening van of met garantiestelling door of gebruikmaking van de financiële middelen van die Partij; en

iii)    een overheidsinstantie op grond van een openbaredienstopdracht met betrekking tot een wettelijk stelsel van sociale zekerheid of een wettelijke pensioenregeling; en

d)    overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies indien, op het moment dat het bedrag van de drempel wordt vastgesteld, de jaarlijkse inkomsten uit hun commerciële activiteiten in een van de vorige drie opeenvolgende jaren minder bedroegen dan 200 miljoen bijzondere trekkingsrechten.


3.    Artikel 22.6 is niet van toepassing op de financiële diensten die een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie verleent in opdracht van de overheid, indien die verlening van financiële diensten:

a)    de uitvoer of invoer ondersteunt, mits die diensten:

i)    niet beogen commerciële financiering te vervangen; of

ii)    worden aangeboden tegen voorwaarden die niet gunstiger zijn dan die welke voor vergelijkbare financiële diensten kunnen worden verkregen op de commerciële markt 20 ;

b)    particuliere investeringen buiten het grondgebied van de Partij ondersteunt, mits die diensten:

i)    niet beogen commerciële financiering te vervangen; of

ii)    worden aangeboden tegen voorwaarden die niet gunstiger zijn dan die welke voor vergelijkbare financiële diensten kunnen worden verkregen op de commerciële markt; of


c)    wordt aangeboden tegen voorwaarden die stroken met de Regeling, mits zij valt binnen het toepassingsgebied van de Regeling.

4.    Artikel 22.6 is niet van toepassing op de sectoren die zijn vermeld in artikel 10.5 (Toepassingsgebied), punt 2, c) tot en met e).

5.    Artikel 22.6 is niet van toepassing voor zover overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies van een Partij goederen of diensten kopen en verkopen op grond van:

a)    bestaande niet-conforme maatregelen die de Partij handhaaft, voortzet, verlengt of wijzigt overeenkomstig artikel 10.12 (Niet-conforme maatregelen en uitzonderingen), artikel 11.8 (Niet-conforme maatregelen en uitzonderingen) of artikel 18.12 (Voorbehouden en niet-conforme maatregelen) zoals uiteengezet in bijlage I (Bestaande maatregelen), en afdeling B van bijlage VI (Financiële diensten); of

b)    niet-conforme maatregelen die de Partij vaststelt of handhaaft met betrekking tot sectoren, subsectoren of activiteiten overeenkomstig artikel 10.12 (Niet-conforme maatregelen en uitzonderingen), artikel 11.8 (Niet-conforme maatregelen en uitzonderingen) of artikel 18.12 (Voorbehouden en niet-conforme maatregelen) zoals uiteengezet in bijlage II (Toekomstige maatregelen), en afdeling B (Toekomstige maatregelen) van bijlage VI (Financiële diensten).


6.    De Partijen zijn het erover eens dat een maatregel die wordt vastgesteld of gehandhaafd op grond van bijlage 22-A (Niet-conforme activiteiten van Mexico), of wordt uitgesloten van het toepassingsgebied van dit hoofdstuk, kan worden gehandhaafd, op voorwaarde dat die maatregel, voor zover deze binnen de werkingssfeer van de WTO-Overeenkomst valt, wordt toegepast in overeenstemming met de rechten en verplichtingen van de Partij die de betrokken maatregel neemt in het kader van de WTO-Overeenkomst 21 .

ARTIKEL 22.4

Niet-conforme activiteiten

Artikel 22.6 is niet van toepassing met betrekking tot de niet-conforme activiteiten van overheidsondernemingen of aangewezen monopolies die zijn vermeld in bijlage 22-A (Niet-conforme activiteiten van Mexico) in overeenstemming met de voorwaarden van die bijlage.


ARTIKEL 22.5

Algemene bepalingen

1.    Onverminderd de rechten en verplichtingen van elke Partij uit hoofde van dit hoofdstuk, mag geen enkele bepaling in dit hoofdstuk op zodanige wijze worden uitgelegd dat een Partij wordt belet een overheidsonderneming op te richten of in stand te houden, een onderneming bijzondere rechten of voorrechten toe te kennen of een monopolie aan te wijzen of te handhaven.

2.    Een Partij verplicht of spoort een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie niet aan te handelen op een wijze die niet strookt met dit hoofdstuk.

ARTIKEL 22.6

Niet-discriminerende behandeling en commerciële overwegingen

1.    Elke Partij zorgt ervoor dat haar overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies bij het verrichten van commerciële activiteiten:

a)    handelen overeenkomstig commerciële overwegingen wanneer zij goederen of diensten aankopen of verkopen, behalve wanneer zij moeten voldoen aan de voorwaarden van een openbaredienstopdracht die niet strijdig is met het bepaalde onder b) of c);


b)    bij het aankopen van goederen of diensten:

i)    aan goederen of diensten die door een onderneming uit de andere Partij worden aangeboden, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan soortgelijke goederen of diensten die door ondernemingen uit de Partij worden aangeboden; en

ii)    aan goederen of diensten die door een onderneming die een onder de overeenkomst vallende investering in de zin van artikel 10.1.1 (Definities), punt c), is, op het grondgebied van de Partij worden aangeboden, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan soortgelijke goederen of diensten die door ondernemingen van de Partij op de desbetreffende markt op het grondgebied van de Partij worden aangeboden; en

c)    bij het verkopen van goederen of diensten:

i)    aan een onderneming van de andere Partij een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan ondernemingen van de Partij; en

ii)    aan een onderneming die een onder de overeenkomst vallende investering is in de zin van artikel 10.1 (Definities), lid 1, punt c), op het grondgebied van de Partij een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan ondernemingen van de Partij op de desbetreffende markt op het grondgebied van de Partij 22 .


2.    Op voorwaarde dat die verschillende voorwaarden of die weigering in overeenstemming zijn met commerciële overwegingen, belet lid 1 een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of privileges zijn toegekend of een aangewezen monopolie niet om:

a)    goederen of diensten te kopen of aan te bieden op verschillende voorwaarden, ook wat betreft prijs; of

b)    te weigeren goederen of diensten te kopen of te verkopen.

ARTIKEL 22.7

Regelgevingskader

1.    De Partijen streven ernaar de relevante internationale normen, waaronder de richtsnoeren van de OESO betreffende corporate governance in overheidsondernemingen, te eerbiedigen en daar optimaal gebruik van te maken.


2.    Elke Partij ziet erop toe dat elk regelgevend orgaan dat of elke bevoegde autoriteit met een regelgevende functie die de Partij opricht of in stand houdt:

a)    onafhankelijk is van de bedrijven die dat regelgevend orgaan of die bevoegde autoriteit reguleert en er geen rekenschap aan verschuldigd is om te waarborgen dat de regelgevende functies doeltreffend worden verricht; en

b)    in soortgelijke omstandigheden onpartijdig handelt 23 ten aanzien van alle ondernemingen die dat regelgevend orgaan of die bevoegde autoriteit reguleert, met inbegrip van overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, en aangewezen monopolies 24 .

3.    Elke Partij handhaaft haar wet- en regelgeving op een samenhangende en niet-discriminerende wijze, ook ten aanzien van overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies.


ARTIKEL 22.8

Transparantie

1.    Een Partij verstrekt, op schriftelijk verzoek van de andere Partij, onverwijld de volgende informatie met betrekking tot een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie, op voorwaarde dat in het verzoek wordt uitgelegd hoe de activiteiten van die overheidsonderneming, die onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of dat aangewezen monopolie gevolgen kunnen hebben voor de belangen van de verzoekende Partij in het kader van dit hoofdstuk:

a)    het percentage van de aandelen dat de aangezochte Partij, haar overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of aangewezen monopolies samen bezitten, en het percentage van de stemrechten dat zij van die overheidsonderneming, onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of dat aangewezen monopolie samen in handen hebben;

b)    een beschrijving van de eventuele bijzondere aandelen of bijzondere stemrechten of andere rechten waarover de aangezochte Partij, haar overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of aangewezen monopolies beschikken, voor zover die rechten verschillen van de rechten die verbonden zijn aan de gewone aandelen van die overheidsonderneming, onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of dat aangewezen monopolie;


c)    de organisatiestructuur van de overheidsonderneming, onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of het aangewezen monopolie, de samenstelling van de raad van bestuur of van een equivalent orgaan ervan, de officiële titels van elke ambtenaar die optreedt als functionaris of lid van de raad van bestuur of van dat equivalente orgaan;

d)    een beschrijving van de overheidsdiensten of -instanties die belast zijn met de reglementering van of het toezicht op de overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of aangewezen monopolies, een beschrijving van de rapportagevereisten die hen door die overheidsdiensten of -instanties worden opgelegd, indien praktisch haalbaar, en de rechten en praktijken 25 van de overheidsdiensten of -instanties met betrekking tot de benoeming, het ontslag of de bezoldiging van het hoger leidinggevend personeel en de leden van de raad van bestuur of een ander gelijkwaardig orgaan;

e)    de jaarlijkse inkomsten en de totale activa van de overheidsonderneming, onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of het aangewezen monopolie gedurende de recentste periode van drie jaar waarvoor informatie beschikbaar is;

f)    eventuele vrijstellingen en immuniteiten waarvoor de overheidsonderneming, onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of het aangewezen monopolie uit hoofde van het recht van de aangezochte Partij in aanmerking komt; en


g)    eventuele aanvullende informatie met betrekking tot de overheidsonderneming, onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of het aangewezen monopolie die openbaar beschikbaar is, met inbegrip van de jaarlijkse financiële verslagen en audits door derden.

2.    Indien de gevraagde informatie niet beschikbaar is, deelt de aangezochte Partij de verzoekende Partij de redenen daarvoor schriftelijk mee.

3.    Indien een Partij schriftelijke informatie verstrekt naar aanleiding van een verzoek overeenkomstig dit artikel en zij de verzoekende Partij meedeelt dat zij die informatie als vertrouwelijk beschouwt, maakt de verzoekende Partij die informatie niet openbaar zonder voorafgaande toestemming van de Partij die de informatie verstrekt.


HOOFDSTUK 23

MEDEDINGINGSBELEID

ARTIKEL 23.1

Algemene beginselen

De Partijen erkennen het belang van vrije en onvervalste mededinging voor hun handels- en investeringsbetrekkingen. De Partijen erkennen dat concurrentiebeperkende zakelijke activiteiten en overheidsmaatregelen de goede werking van de markten kunnen verstoren en de voordelen van de liberalisering van de handel en investeringen kunnen ondergraven. De Partijen zijn het erover eens dat het verbieden van dergelijk gedrag, het uitvoeren van mededingingsbeleid, het bevorderen van acties ter verdediging van de mededinging en het samenwerken aan onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden ertoe zullen bijdragen dat de voordelen van deze overeenkomst worden verwezenlijkt.


ARTIKEL 23.2

Mededingingsrecht en concurrentiebeperkende zakelijke praktijken

1.    Elke Partij stelt op haar grondgebied uitgebreid mededingingsrecht op dat van toepassing is op alle sectoren van de economie 26 , of handhaaft dit, en pakt de volgende zakelijke praktijken op doeltreffende wijze aan:

a)    overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die ertoe strekken of die ten gevolge hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst;

b)    misbruik door een of meer ondernemingen, die individueel of gezamenlijk aanzienlijke macht hebben op de betrokken markt, dat ertoe strekt of ten gevolge heeft dat de mededinging op die relevante markt of elke verbonden markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst; en


c)    concentraties van ondernemingen die een substantiële afname van de mededinging tot gevolg hebben of kunnen hebben of die aanzienlijke hinder veroorzaken of kunnen veroorzaken voor een doeltreffende mededinging, in het bijzonder als gevolg van de totstandbrenging of versterking van een machtspositie.

2.    Alle ondernemingen, openbare of particuliere, zijn onderworpen aan het mededingingsrecht als bedoeld in dit artikel.

3.    Elke Partij neemt passende maatregelen met betrekking tot concurrentiebeperkende zakelijke praktijken, met als doel het mededingingsbeleid te bevorderen.

4.    Voor zover dit is bepaald in het recht van een Partij, belemmert de toepassing van het mededingingsrecht niet de wettelijke of feitelijke uitvoering van de eventueel aan de ondernemingen opgedragen bijzondere taken van algemeen belang. Uitzonderingen op het mededingingsrecht van een Partij moeten beperkt blijven tot taken van algemeen belang, en zijn evenredig met de nagestreefde doelstelling van het overheidsbeleid en transparant.

ARTIKEL 23.3

Uitvoering

1.    Elke Partij behoudt haar autonomie bij de wijziging en de handhaving van haar mededingingsrecht.


2.    Elke Partij richt een functioneel onafhankelijke autoriteit of autoriteiten op of houdt deze in stand, die verantwoordelijk is of zijn voor en naar behoren is of zijn uitgerust met de nodige bevoegdheden en middelen voor de volledige toepassing en effectieve handhaving van hun respectieve mededingingsrecht.

3.    Elke Partij past haar mededingingsrecht op transparante en niet-discriminerende wijze toe, met inachtneming van de beginselen van een billijke rechtsgang en van het recht van verweer van de betrokken ondernemingen, met inbegrip van het recht om vóór een definitieve beslissing of resolutie te worden gehoord.

4.    De mededingingsautoriteit of -autoriteiten van een Partij discrimineert of discrimineren in zijn of hun handhavingsbeleid niet op grond van de nationaliteit van de verweerder in een handhavingsprocedure 27 of van de derde personen aan wie het recht wordt verleend aan een dergelijke handhavingsprocedure deel te nemen.

5.    Elke Partij ziet erop toe dat een verweerder in een handhavingsprocedure, die wordt uitgevoerd om te bepalen of de gedragingen van die verweerder inbreuk maken op het mededingingsrecht, of welke administratieve sancties of corrigerende maatregelen moeten worden opgelegd voor de schending van dat recht, de mogelijkheid krijgt te worden gehoord en bewijs voor zijn verdediging aan te leveren. Elke Partij ziet er in het bijzonder op toe dat de verweerder een redelijke mogelijkheid krijgt het bewijs waarop de vaststelling kan worden gebaseerd te toetsen en te betwisten.


6.    Elke Partij garandeert dat de geadresseerde van een beslissing of resolutie waarmee een administratieve sanctie of een corrigerende maatregel wordt opgelegd voor schending van haar mededingingsrecht de mogelijkheid krijgt rechterlijke toetsing van die beslissing of resolutie te verkrijgen.

ARTIKEL 23.4

Transparantie

1.    De Partijen erkennen de waarde van transparantie in hun beleidsmaatregelen voor de handhaving van het mededingingsrecht.

2.    Elke Partij maakt haar in rechtshandelingen vervatte administratieve of procedurele regels bekend op grond waarvan haar onderzoeken in het kader van het mededingingsrecht en haar handhavingsprocedures worden uitgevoerd. Die administratieve of procedurele regels kunnen, voor zover het mededingingsrecht van elke Partij hierin voorziet, procedures met redelijke termijnen voor het aanleveren van bewijs in die procedures omvatten.

3.    Elke Partij ziet erop toe dat een niet-vertrouwelijke versie van elke definitieve beslissing of resolutie tot vaststelling van een schending van haar mededingingsrecht en, al naargelang het geval, elk besluit ter uitvoering van een resolutie, wordt bekendgemaakt om belanghebbenden in staat te stellen daarvan kennis te nemen.

4.    Elke Partij ziet erop toe dat alle definitieve beslissingen of resoluties tot vaststelling van een schending van haar mededingingsrecht schriftelijk zijn opgesteld en de bevindingen van de feiten en redenering bevatten, met inbegrip van de juridische en, in voorkomend geval, economische analyse, waarop de beslissing of resolutie wordt gebaseerd.


ARTIKEL 23.5

Samenwerking en coördinatie

1.    De Partijen erkennen het belang van samenwerking en coördinatie tussen hun respectieve mededingingsautoriteiten betreffende aangelegenheden in verband met hun mededingingsrecht en -beleid in de vrijhandelszone. Dienovereenkomstig streven de mededingingsautoriteiten van de Partijen ernaar samen te werken voor aangelegenheden in verband met hun respectieve mededingingsrecht, onder andere door middel van bijstand, kennisgeving, overleg en uitwisseling van informatie.

2.    De Partijen gaan nauwer samenwerken bij de handhaving van hun mededingingsrecht voor zover dit verenigbaar is met hun respectieve wetten en belangrijke belangen, en binnen de grenzen van hun redelijkerwijs beschikbare middelen. Daartoe streven de mededingingsautoriteiten van de Partijen ernaar niet-vertrouwelijke informatie, ervaringen en standpunten uit te wisselen met betrekking tot:

a)    hun respectieve mededingingsrecht, -beleid en -praktijken, met inbegrip van informatie over uitzonderingen die uit hoofde van hun mededingingsrecht worden toegekend;

b)    de handhaving van hun respectieve mededingingsrecht; en

c)    hun respectieve maatregelen inzake verdediging van de mededinging.


3.    De Partijen streven ernaar de coördinatie tussen hun respectieve mededingingsautoriteiten te versterken op gebieden van wederzijds belang en voor zover dit verenigbaar is met hun respectieve wetten en gewichtige belangen, en binnen de grenzen van hun redelijkerwijs beschikbare middelen. Hiertoe streven de Partijen ernaar om, voor zover mogelijk, hun handhavingsactiviteiten met betrekking tot dezelfde of verwante zaken te coördineren.

4.    De Partijen bevestigen dat hun mededingingsautoriteiten het gebruik van opheffing van de geheimhoudingsplicht op hun gebieden van handhaving erkennen, en erkennen dat het besluit van een onderneming om afstand te doen van haar recht op bescherming van vertrouwelijke informatie vrijwillig is.

5.    Geen enkele bepaling in dit artikel beperkt de discretionaire bevoegdheid van de mededingingsautoriteiten van een Partij om te beslissen of er gevolg moet worden gegeven aan bepaalde verzoeken van de mededingingsautoriteiten van de andere Partij.

6.    Geen enkele bepaling in dit artikel belet de mededingingsautoriteiten van elk van de Partijen om met betrekking tot bepaalde zaken maatregelen te treffen.

7.    De mededingingsautoriteiten van de Partijen kunnen overwegen een afzonderlijke samenwerkingsovereenkomst te sluiten waarin gezamenlijk overeengekomen voorwaarden voor de uitvoering van de samenwerking worden vastgesteld.


ARTIKEL 23.6

Technische samenwerking

De Partijen erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is de doelstellingen van deze overeenkomst te ondersteunen met technische samenwerking met als doel ervaringen met het ontwikkelen en uitvoeren van mededingingsbeleid en met de handhaving van hun respectieve mededingingsrecht te delen, al naargelang de middelen die elke Partij redelijkerwijs te beschikking staan.

ARTIKEL 23.7

Overleg

1.    Om het wederzijdse begrip tussen de Partijen te bevorderen, of om specifieke problemen met de interpretatie of toepassing van dit hoofdstuk te behandelen, gaat een Partij op verzoek van de andere Partij in overleg over kwesties die door de andere Partij aan de orde zijn gesteld. De Partij die om overleg verzoekt, geeft in voorkomend geval in haar verzoek aan in welk opzicht de aangelegenheid het handelsverkeer of investeringen tussen de Partijen ongunstig beïnvloedt.

2.    De Partijen bespreken onverwijld alle vragen die voortvloeien uit de interpretatie of toepassing van dit hoofdstuk.


3.    Om de bespreking van de aangelegenheid die het onderwerp van het overleg is, te vergemakkelijken, streeft elke Partij ernaar de andere Partij van relevante niet-vertrouwelijke informatie te voorzien.

ARTIKEL 23.8

Vertrouwelijke informatie

1.    Niettegenstaande enige andere bepaling van dit hoofdstuk is een Partij niet verplicht informatie te verstrekken indien de openbaarmaking van die informatie verboden is op grond van het recht van de Partij die de informatie bezit.

2.    Indien een Partij informatie verstrekt in het kader van dit hoofdstuk, respecteert de andere Partij de vertrouwelijke aard van die informatie.

3.    Indien de mededingingsautoriteiten van een Partij van de mededingingsautoriteiten van de andere Partij vertrouwelijke informatie ontvangen waarvoor opheffing van de geheimhoudingsplicht geldt, gebruiken de mededingingsautoriteiten van de Partij de ontvangen informatie in overeenstemming met de voorwaarden van die opheffing.


ARTIKEL 23.9

Mededingingsautoriteiten

Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de mededingingsautoriteiten de volgende autoriteiten, of de opvolgers daarvan:

a)    voor de Europese Unie:

de Europese Commissie; en

b)    voor Mexico:

i)    de Nationale Antitrustcommissie (Comisión Nacional Antimonopolio), en

ii)    De Reguleringscommissie voor telecommunicatie (Comisión Reguladora de Telecomunicaciones (CRT)).


ARTIKEL 23.10

Niet-toepassing van geschillenbeslechting

Een Partij kan met betrekking tot de interpretatie of toepassing van dit hoofdstuk geen beroep doen op geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting).


HOOFDSTUK 24

SUBSIDIES

ARTIKEL 24.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “subsidie voor goederen”: een maatregel die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1.1 van de SCM-Overeenkomst en die specifiek is in overeenstemming met en in de zin van artikel 2 van de SCM-Overeenkomst.

b)    “subsidie voor diensten”: een maatregel die een financiële bijdrage van een overheid of overheidsinstantie impliceert, een voordeel oplevert en specifiek is voor een onderneming of bedrijfstak of een groep ondernemingen of bedrijfstakken in overeenstemming met en in de zin van artikel 2 van de SCM-Overeenkomst 28 .


ARTIKEL 24.2

Algemene beginselen

De Partijen erkennen dat er subsidies kunnen worden verleend indien dat nodig is om een doelstelling van het overheidsbeleid te bereiken. De Partijen erkennen echter dat bepaalde subsidies de goede werking van de markten kunnen verstoren en de voordelen van de liberalisering van de handel en investeringen kunnen ondergraven. In beginsel verleent een Partij geen subsidies aan ondernemingen die goederen of diensten aanbieden, indien dergelijke subsidies een negatief effect hebben op het handelsverkeer of investeringen, of dat kunnen hebben.

ARTIKEL 24.3

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op alle ondernemingen die een economische activiteit uitoefenen. Indien een onderneming economische en niet-economische activiteiten combineert, is dit hoofdstuk alleen van toepassing op de economische activiteiten van die onderneming.


2.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op subsidies die worden verleend aan ondernemingen die zijn belast met het verlenen van diensten van algemeen belang, met inbegrip van diensten die worden opgedragen door middel van speciale rechten of voorrechten, voor zover die subsidies niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de desbetreffende dienst te dekken.

3.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op subsidies die worden verleend voor landbouwproducten en subsidies die worden verleend voor vis en visserijproducten.

4.    Met uitzondering van artikel 24.5, is dit hoofdstuk niet van toepassing op subsidies die worden verleend in de audiovisuele sector.

5.    Artikel 24.7 is niet van toepassing op subsidies die worden verleend voor diensten.

ARTIKEL 24.4

Verhouding tot de WTO

De Partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel XV van de GATS, artikel XVI van de GATT 1994, en in het kader van de SCM-Overeenkomst.


ARTIKEL 24.5

Transparantie

1.    Elke Partij maakt met betrekking tot een op haar grondgebied verleende of in stand gehouden subsidie de volgende informatie openbaar:

a)    de rechtsgrondslag voor de subsidie;

b)    de vorm van de subsidie;

c)    het bedrag van de subsidie of het bedrag dat voor de subsidie is begroot; en

d)    indien mogelijk, de naam van de ontvanger 29 .

2.    Een Partij wordt geacht aan lid 1 te voldoen indien:

a)    een kennisgeving wordt gedaan aan de WTO overeenkomstig artikel 25.1 van de SCM-Overeenkomst en, indien mogelijk, de naam van de ontvanger bekend is gemaakt; of


b)    de in lid 1 vereiste informatie uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin een subsidie werd gehandhaafd of verleend door die Partij of namens haar op een voor het publiek toegankelijke website wordt gepubliceerd 30 .

3.    Met betrekking tot subsidies die voor diensten worden verleend, is dit artikel alleen van toepassing indien:

a)    het bedrag van de subsidie per begunstigde gedurende een periode van drie opeenvolgende jaren hoger is dan 400 000 bijzondere trekkingsrechten; en

b)    de subsidie wordt verleend voor dienstverlening in de volgende sectoren: de audiovisuele sector, telecommunicatie, financiële diensten, vervoer (met inbegrip van zeevervoer), energie (met inbegrip van distributie van elektriciteit), milieu, computers, diensten van architecten en ingenieurs, bouw, en post- en koeriersdiensten.


ARTIKEL 24.6

Overleg

1.    Indien een Partij van mening is dat een door de andere Partij verleende subsidie haar handelsverkeer of investeringen schaadt of waarschijnlijk zal schaden, kan de eerstgenoemde Partij haar bezorgdheid jegens de andere Partij uiten en verzoeken om overleg over de kwestie. De aangezochte Partij neemt dit in zorgvuldige en welwillende overweging.

2.    Tijdens het overleg kan de verzoekende Partij de andere Partij om aanvullende informatie over de subsidie verzoeken, zoals:

a)    de rechtsgrondslag en de beleidsdoelstelling of het oogmerk van de subsidie;

b)    de vorm van de subsidie;

c)    het tijdstip en de duur van de subsidie en alle andere daarvoor geldende termijnen;

d)    de subsidiabiliteitsvoorwaarden;

e)    het totale bedrag of het jaarlijkse bedrag dat voor de subsidie is begroot;


f)    de naam van de begunstigde van de subsidie, indien mogelijk; en

g)    enige andere informatie aan de hand waarvan de negatieve gevolgen van de subsidie voor de handel of de investeringen kunnen worden beoordeeld.

3.    De aangezochte Partij verstrekt uiterlijk zestig dagen na ontvangst van het in lid 2 bedoelde verzoek relevante informatie over de betrokken subsidie. Indien de overeenkomstig lid 2 verzochte relevante informatie niet in het schriftelijke antwoord wordt verstrekt, geeft de aangezochte Partij in haar schriftelijk antwoord een verklaring voor het ontbreken daarvan.

4.    Indien de verzoekende Partij, na de overeenkomstig de leden 2 en 3 verstrekte informatie te hebben ontvangen, de aangezochte Partij meedeelt dat zij van oordeel is dat de betrokken subsidie een aanzienlijk negatief effect op haar handelsverkeer of investeringen heeft of kan hebben, doet de aangezochte Partij al het nodige om die aanzienlijk negatieve effecten binnen een jaar na die mededeling weg te nemen of tot een minimum te beperken.


ARTIKEL 24.7

Subsidies onder voorwaarden

1.    Elke Partij stelt de volgende subsidies afhankelijk van voorwaarden, voor zover zij een negatief effect hebben op het handelsverkeer of de investeringen van de andere Partij, of het waarschijnlijk is dat zij dat zullen hebben:

a)    subsidies of wettelijke regelingen waarbij een overheid verantwoordelijk is voor schulden of verplichtingen van bepaalde ondernemingen, zijn toegestaan, op voorwaarde dat de verantwoordelijkheid voor die schulden en verplichtingen geldt voor een beperkt bedrag van die schulden en verplichtingen of voor een beperkte duur;

b)    subsidies voor noodlijdende of insolvente ondernemingen of ondernemingen die op de rand van een faillissement staan, zijn toegestaan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)    er is een geloofwaardig herstructureringsplan opgesteld; dat plan is gebaseerd op realistische veronderstellingen, met als doel ervoor te zorgen dat de onderneming binnen redelijke tijd weer op lange termijn levensvatbaar wordt; en

ii)    andere ondernemingen dan kleine en middelgrote ondernemingen dragen zelf bij aan de herstructureringskosten.


2.    Punt 1, b), mag niet aldus worden uitgelegd dat het een Partij belet tijdelijke liquiditeitssteun te bieden in de vorm van leninggaranties of leningen voor de tijd die redelijkerwijs nodig is om een herstructureringsplan voor te bereiden. Dergelijke tijdelijke liquiditeitssteun is beperkt tot het bedrag dat nodig is om de onderneming in bedrijf te houden.

ARTIKEL 24.8

Gebruik van subsidies

Elke Partij ziet erop toe dat ondernemingen de door haar verleende subsidies alleen gebruiken voor de beleidsdoelstelling of het specifieke doel waarvoor zij werden verleend 31 .

ARTIKEL 24.9

Niet-toepassing van geschillenbeslechting

Een Partij kan met betrekking tot de interpretatie of toepassing van artikel 24.5, voor zover het voor diensten verleende subsidies betreft, en van artikel 24.6, lid 4, geen beroep doen op geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting).


HOOFDSTUK 25

INTELLECTUELE EIGENDOM

AFDELING A

Algemene bepalingen

ARTIKEL 25.1

Doelstellingen en beginselen

1.    Dit hoofdstuk heeft tot doel een adequaat en doeltreffend beschermings- en handhavingsniveau voor intellectuele-eigendomsrechten te bereiken om:

a)    bij te dragen tot de bevordering van technologische vernieuwing en de overdracht en verspreiding van technologie, tot wederzijds voordeel van producenten en gebruikers van technologische kennis en op een wijze die bevorderlijk is voor het sociaal en economisch welzijn, en tot een evenwicht tussen rechten en verplichtingen; en

b)    de handel tussen de Partijen te bevorderen en te regelen en verstoringen van en belemmeringen voor de handel te verminderen.


2.    Een Partij kan, bij het opstellen of wijzigen van haar wet- en regelgeving, de maatregelen aannemen die nodig zijn ter bescherming van de volksgezondheid en de voeding en ter bevordering van het algemeen belang in sectoren die van vitaal belang zijn voor hun sociaal-economische en technologische ontwikkeling, mits dergelijke maatregelen in overeenstemming zijn met dit hoofdstuk.

3.    Een Partij kan passende maatregelen nemen, mits in overeenstemming met de bepalingen van dit hoofdstuk, ter voorkoming van misbruik van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom door bezitters van die rechten of van het toevlucht nemen tot gedragingen die het handelsverkeer op onredelijke wijze beperken of de internationale overdracht van technologie nadelig beïnvloeden.

4.    Rekening houdend met de aan de interne stelsels ten grondslag liggende doelstellingen van het overheidsbeleid, erkennen de Partijen de noodzaak om:

a)    innovatie en creativiteit te bevorderen;

b)    de verspreiding van informatie, kennis, technologie, kunst en cultuur te vergemakkelijken; en

c)    de mededinging en open en goed functionerende markten te bevorderen,

door hun respectieve systemen voor intellectuele eigendom, met inachtneming van het beginsel van transparantie, en rekening houdend met de belangen van alle belanghebbenden, waaronder houders van rechten, gebruikers en het publiek.


ARTIKEL 25.2

Aard en toepassingsgebied van verplichtingen

1.    De Partijen verbinden zich ertoe een adequate en doeltreffende uitvoering te waarborgen van de internationale verdragen op het gebied van intellectuele eigendom waarbij zij partij zijn, waaronder de Trips-overeenkomst. Dit hoofdstuk vormt een aanvulling op en specificatie van de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van de Trips-overeenkomst en andere internationale verdragen op het gebied van intellectuele eigendom waarbij zij partij zijn.

2.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder “intellectuele-eigendomsrechten” verstaan alle categorieën intellectuele-eigendomsrechten die vallen onder deel II, afdelingen 1 tot en met 7, van de Trips-Overeenkomst, alsook kwekersrechten. De bescherming van intellectuele eigendom omvat ook de bescherming tegen oneerlijke mededinging zoals bedoeld in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883, laatstelijk herzien te Stockholm op 14 juli 1967 (hierna “het Verdrag van Parijs” genoemd).


3.    Elke Partij geeft uitvoering aan de bepalingen van dit hoofdstuk. Een Partij kan in haar recht voorzien in een verdergaande bescherming of handhaving van intellectuele-eigendomsrechten dan dit hoofdstuk vereist, mits die bescherming of handhaving niet indruist tegen dit hoofdstuk; zij is daartoe echter niet verplicht. Elke Partij mag binnen haar eigen rechtsstelsel en -praktijk zelf de passende methode voor de uitvoering van dit hoofdstuk bepalen.

ARTIKEL 25.3

Uitputting

Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de vrijheid van de Partijen om te bepalen of en onder welke voorwaarden het beginsel van uitputting van intellectuele-eigendomsrechten van toepassing is.


ARTIKEL 25.4

Nationale behandeling

1.    Elke Partij behandelt de onderdanen 32 van de andere Partij niet minder gunstig dan haar eigen onderdanen wat betreft de bescherming 33 van onder dit hoofdstuk vallende intellectuele-eigendomsrechten, met inachtneming van de uitzonderingen waarin is voorzien in respectievelijk het Verdrag van Parijs, de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, laatstelijk herzien te Parijs op 24 juli 1971 (hierna “de Berner Conventie” genoemd), het te Rome op 26 oktober 1961 tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties (hierna “het Verdrag van Rome” genoemd), of het te Washington D.C. op 26 mei 1989 tot stand gekomen Verdrag betreffende de intellectuele eigendom op het gebied van de geïntegreerde schakeling. Wat betreft uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties geldt deze verplichting slechts met betrekking tot de in deze overeenkomst bepaalde rechten.


2.    Een Partij mag houders van rechten, als voorwaarde voor het toekennen van nationale behandeling overeenkomstig dit artikel, niet verplichten om formaliteiten in acht te nemen of aan voorwaarden te voldoen om rechten te verwerven met betrekking tot auteursrechten en naburige rechten 34 .

3.    Een Partij kan gebruikmaken van de op grond van lid 1 toegestane uitzonderingen met betrekking tot gerechtelijke en administratieve procedures, waaronder het kiezen van domicilie of het benoemen van een gemachtigde binnen haar jurisdictie, indien die uitzonderingen:

a)    noodzakelijk zijn om de naleving te waarborgen van wetten of voorschriften die niet strijdig zijn met dit hoofdstuk; en

b)    niet worden toegepast op een wijze die een verkapte beperking van de handel zou vormen.

4.    Een Partij heeft geen verplichtingen overeenkomstig dit artikel met betrekking tot procedures waarin wordt voorzien in multilaterale overeenkomsten die onder auspiciën van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (hierna “WIPO” genoemd) zijn gesloten met betrekking tot de verwerving of instandhouding van intellectuele-eigendomsrechten.


AFDELING B

Normen betreffende intellectuele-eigendomsrechten

ONDERAFDELING B.1

Auteursrecht en naburige rechten

ARTIKEL 25.5

Internationale verdragen

1.    De Partijen bevestigen hun verbintenis om de verplichtingen na te komen uit hoofde van de volgende internationale overeenkomsten:

a)    de Berner Conventie;

b)    het Verdrag van Rome;

c)    het WIPO-verdrag inzake auteursrecht, aangenomen te Genève op 20 december 1996; en

d)    het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen, aangenomen te Genève op 20 december 1996.


2.    De Partijen stellen alles in het werk wat redelijkerwijs in hun vermogen ligt om te voldoen aan de bepalingen van het Verdrag van Peking inzake audiovisuele uitvoeringen, aangenomen te Peking op 24 juni 2012, en het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben, aangenomen te Marrakesh op 27 juni 2013.

ARTIKEL 25.6

Auteurs

Elke Partij verleent auteurs het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a)    de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, van hun werken;

b)    elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins;

c)    het al dan niet draadloos meedelen van hun werken aan het publiek, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken aan het publiek, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn; en

d)    de commerciële verhuur aan het publiek van originelen of kopieën van hun werken.


ARTIKEL 25.7

Uitvoerend kunstenaars

Elke Partij verleent uitvoerende kunstenaars het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a)    de vastlegging 35 van hun uitvoeringen;

b)    de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van vastleggingen van hun uitvoeringen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;

c)    de distributie onder het publiek van vastleggingen van hun uitvoeringen, door verkoop of anderszins;

d)    het al dan niet draadloos beschikbaar stellen van vastleggingen van hun uitvoeringen aan het publiek, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn;

e)    de draadloze uitzending en de mededeling van hun uitvoeringen aan het publiek, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is of op basis van een vastlegging is gemaakt; en


f)    de commerciële verhuur aan het publiek van de vastlegging van hun uitvoeringen.

ARTIKEL 25.8

Producenten van fonogrammen

Elke Partij verleent producenten het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a)    de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van hun fonogrammen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;

b)    de distributie onder het publiek van hun fonogrammen, met inbegrip van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins;

c)    het al dan niet draadloos beschikbaar stellen van hun fonogrammen aan het publiek, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn; en

d)    de commerciële verhuur van hun fonogrammen aan het publiek.


ARTIKEL 25.9

Omroeporganisaties

Elke Partij verleent omroeporganisaties het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden 36 :

a)    de vastlegging van hun uitzendingen, ongeacht of die uitzendingen via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen;

b)    de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van vastleggingen van hun uitzendingen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, ongeacht of die uitzendingen via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen;

c)    het al dan niet draadloos beschikbaar stellen van vastleggingen van hun uitzendingen aan het publiek, ongeacht of deze uitzendingen via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn;


d)    de distributie onder het publiek van vastleggingen van hun uitzendingen, met inbegrip van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, ongeacht of die uitzendingen via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen; en

e)    de draadloze heruitzending van hun uitzendingen, alsmede de mededeling aan het publiek van hun uitzendingen indien die mededeling geschiedt op plaatsen die tegen betaling van een entreeprijs voor het publiek toegankelijk zijn.

ARTIKEL 25.10

Uitzending en mededeling aan het publiek van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen 37

1.    Elk van beide Partijen verleent uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen recht op een door de gebruiker betaalde enkele billijke vergoeding voor het gebruik van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen of reproducties daarvan ten behoeve van draadloze uitzending of enigerlei mededeling aan het publiek 38 .


2.    De Partijen erkennen dat de enkele billijke vergoeding moet worden verdeeld tussen de uitvoerend kunstenaars en de producenten van de overeenkomstige fonogrammen. Elke Partij kan in haar wetgeving de voorwaarden bepalen volgens welke uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen de enkele billijke vergoeding moeten verdelen wanneer hierover tussen de uitvoerend kunstenaar en de producent van een fonogram geen overeenstemming is bereikt.

ARTIKEL 25.11

Beschermingstermijn

1.    De rechten van de auteur van een werk gelden gedurende het leven van de respectieve auteurs en voor ten minste zeventig jaar na hun overlijden, ongeacht de datum waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt.

2.    De beschermingstermijn voor een muziekwerk met tekst bedraagt niet minder dan zeventig jaar na het overlijden van de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen: de tekstschrijver en de componist van het muziekwerk 39 .


3.    Voor anonieme of pseudonieme werken verstrijkt de beschermingstermijn ten minste zeventig jaar na het tijdstip waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt. Indien evenwel het door de auteur aangenomen pseudoniem geen enkele twijfel aan de identiteit van de auteur laat of de auteur zijn of haar identiteit tijdens de in de eerste zin aangegeven termijn openbaart, is de in lid 1 vastgestelde beschermingstermijn van toepassing.

4.    De beschermingstermijn van een cinematografisch of audiovisueel werk bedraagt ten minste zeventig jaar na de dood van ten minste de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen: de hoofdregisseur, de scenarioschrijver, de auteur van de dialogen en de componist van de muziek 40 .

5.    De rechten van omroeporganisaties vervallen niet eerder dan vijftig jaar na de eerste uitzending van een programma, ongeacht of die uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen.


6.    Elke Partij voorziet erin 41 dat:

a)    de beschermingstermijn van de rechten van uitvoerend kunstenaars 75 jaar na de eerste vastlegging van de interpretatie of uitvoering in een fonogram, of de eerste interpretatie of uitvoering van niet in fonogrammen vastgelegde werken, of de transmissie voor de eerste keer, met welk middel dan ook, verstrijkt; en

b)    de beschermingstermijn van de rechten van producenten van fonogrammen 75 jaar na de eerste vastlegging van de geluid in het fonogram verstrijkt.

Een Partij kan er anderzijds ook in voorzien dat:

c)    de rechten van uitvoerend kunstenaars op hun anders dan in fonogrammen vastgelegde uitvoeringen niet eerder vervallen dan vijftig jaar na de vastlegging van de uitvoering en, indien de uitvoering binnen deze termijn op geoorloofde wijze is gepubliceerd, niet eerder dan vijftig jaar na de datum van die eerste publicatie; en

d)    de rechten van uitvoerend kunstenaars op hun anders dan in fonogrammen vastgelegde uitvoeringen en die van producenten van fonogrammen niet eerder vervallen dan vijftig jaar na de vastlegging van de uitvoering of de fonogram en, indien de uitvoering binnen deze termijn op geoorloofde wijze is gepubliceerd, niet eerder dan zeventig jaar na de datum van die eerste publicatie. De Partij neemt doeltreffende maatregelen om ervoor te zorgen dat de winst die wordt gegenereerd in de twintig jaar van bescherming volgend op de vijftig jaar na de eerste geoorloofde publicatie, eerlijk wordt verdeeld tussen de uitvoerend kunstenaars en de producenten van fonogrammen.


7.    De in dit artikel vastgestelde beschermingstermijnen worden berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de termijn doet ingaan.

ARTIKEL 25.12

Volgrecht

1.    Elke Partij stelt ten behoeve van de auteur van werken van grafische of beeldende kunst, behalve voor werken van toegepaste kunst, een volgrecht in, dat wordt omschreven als een onvervreemdbaar recht waarvan geen afstand kan worden gedaan, zelfs niet op voorhand, om een aandeel 42 in de prijs te ontvangen, telkens wanneer dat werk na de eerste overdracht door de auteur wordt doorverkocht 43 .

2.    Het in lid 1 bedoelde recht is van toepassing op elke doorverkoop waarbij actoren uit de professionele kunsthandel, zoals veilinghuizen, kunstgalerieën of andere kunsthandelaren, betrokken zijn als verkoper, koper, of tussenpersoon.


ARTIKEL 25.13

Samenwerking bij het collectieve beheer van rechten

1.    De Partijen streven ernaar de samenwerking tussen hun respectieve organisaties voor collectief beheer te bevorderen teneinde de beschikbaarheid van werken en ander beschermd materiaal op het grondgebied van de Partijen en de overdracht van inkomsten uit de rechten voor het gebruik van dergelijke werken of ander beschermd materiaal te bevorderen.

2.    De Partijen komen overeen transparantie en niet-discriminatie tussen gemachtigde leden van organisaties voor collectief beheer te bevorderen, met name wat betreft de door hen geïnde inkomsten uit rechten, de inhoudingen die zij toepassen op die inkomsten uit rechten, het gebruik van de geïnde inkomsten uit rechten, het distributiebeleid en hun repertoire.

ARTIKEL 25.14

Uitzonderingen en beperkingen

Elke Partij beperkt de uitzonderingen op en de beperkingen van de in deze onderafdeling bedoelde rechten tot bepaalde bijzondere gevallen die niet in strijd zijn met een normale exploitatie van het werk, de uitvoering, het fonogram of de uitzending en die de rechtmatige belangen van de houder van het recht niet op onredelijke wijze schaden.


ARTIKEL 25.15

Bescherming van technische voorzieningen

1.    Elke Partij voorziet in een passende rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen door een persoon die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij/zij de doelstelling van omzeilen aldus nastreeft.

2.    Elke Partij voorziet in een passende rechtsbescherming tegen de vervaardiging, invoer, distributie, verkoop, verhuur, reclame voor verkoop of verhuur, of het bezit voor commerciële doeleinden van inrichtingen, producten of onderdelen, of het verrichten van diensten die:

a)    gestimuleerd, aangeprezen of in de handel gebracht worden om doeltreffende technische voorzieningen te omzeilen;

b)    slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben, naast de omzeiling van de bescherming van; of

c)    in het bijzonder ontworpen, geproduceerd of aangepast zijn dan wel verricht worden met het doel de omzeiling van doeltreffende technische voorzieningen mogelijk of gemakkelijker te maken.


3.    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “technische voorzieningen” verstaan: technologie, toestellen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of ander beschermd materiaal, die niet zijn toegestaan door de houders van een auteursrecht of naburig recht overeenkomstig het recht van de betrokken Partij. Technische voorzieningen worden geacht doeltreffend te zijn indien het gebruik van een beschermd werk of van ander beschermd materiaal door de houder van het recht wordt gecontroleerd door toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocedé zoals encryptie, versluiering of een andere transformatie van het werk of ander materiaal, of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming bereikt.

4.    Niettegenstaande de in lid 1 bedoelde rechtsbescherming en bij gebreke aan vrijwillige maatregelen door de houders van het recht kan elke Partij waar nodig passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de passende rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen waarin dit artikel voorziet, niet belet dat begunstigden van overeenkomstig artikel 25.14 vastgestelde uitzonderingen en beperkingen gebruik kunnen maken.


ARTIKEL 25.16

Verplichtingen betreffende informatie over het beheer van rechten

1.    Elke Partij voorziet in passende rechtsbescherming tegen eenieder die bewust zonder toestemming een van de volgende handelingen verricht, indien die persoon weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij zodoende aanzet tot een inbreuk op een auteursrecht of naburig recht, dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, vergemakkelijkt of verbergt:

a)    de verwijdering of wijziging van elektronische informatie betreffende het beheer van rechten; of

b)    de verspreiding, de invoer ter verspreiding, de uitzending, de mededeling of beschikbaarstelling aan het publiek van werken of ander krachtens deze onderafdeling beschermd materiaal, waaruit op ongeoorloofde wijze elektronische informatie betreffende het beheer van rechten is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is gewijzigd.

2.    Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder “informatie over het beheer van rechten” verstaan alle door de houders van een recht verstrekte informatie die dient ter identificatie van het werk of het andere materiaal bedoeld in deze onderafdeling, de auteur of een andere houder van het recht, alle informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van het werk of het andere materiaal, of de cijfers of codes waarin die informatie is vervat.


3.    Lid 2 is van toepassing wanneer de in dat lid bedoelde bestanddelen zijn verbonden met een kopie, of kenbaar worden bij de mededeling aan het publiek, van een werk of ander materiaal bedoeld in deze onderafdeling.

ONDERAFDELING B.2

Merken

ARTIKEL 25.17

Internationale overeenkomsten

Elke Partij:

a)    stelt alles wat redelijkerwijs in haar vermogen ligt in het werk om het Verdrag inzake het merkenrecht, aangenomen te Genève op 27 oktober 1994, en het Verdrag van Singapore inzake het merkenrecht, aangenomen te Singapore op 27 maart 2006, in acht te nemen;


b)    neemt het Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken, aangenomen te Madrid op 27 juni 1989, zoals laatstelijk gewijzigd op 12 november 2007, en de Overeenkomst van Nice betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, aangenomen te Nice op 15 juni 1957, zoals gewijzigd op 28 september 1979 (hierna “de classificatie van Nice” genoemd), in acht.

ARTIKEL 25.18

Inschrijvingsprocedure

1.    Elke Partij stelt een systeem in voor de inschrijving van merken waarbij elke definitieve negatieve beslissing, met inbegrip van de gedeeltelijke weigering van inschrijving door het betrokken merkenbureau, schriftelijk wordt meegedeeld, naar behoren wordt gemotiveerd en vatbaar is voor beroep.

2.    Elke Partij zorgt voor de mogelijkheid om tegen aanvragen om inschrijving van een merk of, in voorkomend geval, inschrijvingen van merken, verzet aan te tekenen, en voor de aanvrager van inschrijving van een merk om daarop te antwoorden 44 .


3.    Elke Partij voorziet in een openbaar toegankelijke elektronische databank voor aanvragen voor en de registratie van merken.

ARTIKEL 25.19

Aan een merk verbonden rechten

1.    Een ingeschreven merk geeft de houder een uitsluitend recht. Dit recht staat de houder toe iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken in het economisch verkeer te verbieden:

a)    wanneer dat teken gelijk is aan het merk en gebruikt wordt voor dezelfde goederen of diensten als die waarvoor het merk is geregistreerd; en

b)    wanneer dat teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk en gebruikt wordt voor dezelfde of soortgelijke goederen of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van associatie met het merk.


2.    De houder van een ingeschreven merk heeft het recht derden te beletten om in het handelsverkeer goederen binnen te brengen op het grondgebied van de Partij waar het merk is ingeschreven zonder dat deze daar in de vrije handel worden gebracht, indien deze goederen, met inbegrip van de verpakking, uit derde landen afkomstig zijn en zonder toestemming een merk dragen dat identiek is met het voor deze goederen ingeschreven merk of in zijn belangrijkste onderdelen niet van dat merk kan worden onderscheiden 45 .

ARTIKEL 25.20

Algemeen bekende merken

Om uitvoering te geven aan de bescherming van algemeen bekende handelsmerken als bedoeld in artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs en artikel 16, leden 2 en 3, van de Trips-Overeenkomst, past elke Partij de gezamenlijke aanbeveling betreffende bepalingen inzake de bescherming van algemeen bekende handelsmerken van de vergadering van de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom en de algemene vergadering van de WIPO tijdens de 34e reeks bijeenkomsten van de vergaderingen van de WIPO-lidstaten van 20 tot en met 29 september 1999 toe.


ARTIKEL 25.21

Aanvragen te kwader trouw

Elke Partij kan bepalen dat een merk niet wordt ingeschreven indien de aanvraag om inschrijving van het merk te kwader trouw door de aanvrager is ingediend. Elke Partij voorziet erin dat een dergelijk merk ongeldig wordt verklaard indien het is ingeschreven.

ARTIKEL 25.22

Annulering

1.    Elke Partij zorgt ervoor dat een handelsmerk kan worden geannuleerd 46 wanneer het handelsmerk binnen een in haar recht vastgestelde periode niet op het desbetreffende grondgebied is gebruikt 47 voor de goederen of diensten waarvoor het is ingeschreven, en er geen geldige reden is voor niet-gebruik ervan.


2.    Een merk kan ook worden geannuleerd indien het, na de datum waarop het is ingeschreven, door toedoen of nalaten van de merkhouder tot de in de handel gebruikelijke benaming is geworden van een product of dienst waarvoor het is ingeschreven.

3.    Een merk kan ook worden geannuleerd indien het werd ingeschreven ondanks het feit dat het merk het publiek zou kunnen misleiden met betrekking tot de aard, kwaliteit of geografische herkomst van de goederen of diensten waarvoor het was ingeschreven 48 .

ARTIKEL 25.23

Uitzonderingen op de rechten die aan een merk zijn verbonden

Elke Partij:

a)    zorgt voor een eerlijk gebruik van beschrijvende termen 49 als beperkte uitzondering op de rechten

die aan een handelsmerk zijn verbonden; en


b)    kan in andere beperkte uitzonderingen voorzien,

mits bij die uitzonderingen rekening wordt gehouden met de legitieme belangen van de houders van de

handelsmerken en van derden.

ONDERAFDELING B.3

Tekeningen of modellen van nijverheid

ARTIKEL 25.24

Internationale overeenkomsten

Elke Partij stelt alles in het werk wat redelijkerwijs in haar vermogen ligt om toe te treden tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van ‘s-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid, aangenomen te Genève op 2 juli 1999.


ARTIKEL 25.25

Bescherming van ingeschreven tekeningen of modellen van nijverheid

1.    Elke Partij voorziet in de bescherming van onafhankelijk gecreëerde tekeningen of modellen van nijverheid die nieuw of oorspronkelijk zijn 50 . In deze bescherming wordt voorzien door inschrijving, die de houder van het recht een uitsluitend recht overeenkomstig het bepaalde in deze onderafdeling verleent.

2.    De houder van een ingeschreven tekening of model van nijverheid heeft het recht derden die geen toestemming van de houder hebben ten minste te verbieden producten te gebruiken en met name te vervaardigen, te koop aan te bieden, te verkopen, op de markt te brengen of in te voeren, of artikelen te gebruiken die hetzelfde uiterlijk vertonen als de beschermde tekening of het beschermde model van nijverheid of waarin een beschermde tekening of model van nijverheid is belichaamd, indien dergelijke handelingen voor commerciële doeleinden worden verricht, de normale exploitatie van de tekening of het model van nijverheid onnodig benadelen, of niet in overeenstemming zijn met een eerlijke handelspraktijk.

3.    Een tekening of model van nijverheid die of dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, wordt slechts geacht nieuw of oorspronkelijk te zijn:

a)    voor zover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste zichtbaar blijft; en

b)    voor zover die zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid of oorspronkelijkheid voldoen.


4.    Onder “normaal gebruik” in de zin van punt 3, a), wordt verstaan het gebruik door de eindgebruiker, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud, service of reparatie.

ARTIKEL 25.26

Beschermingstermijn

De beschermingstermijn wordt door elke Partij bepaald en kan met een of meer perioden van vijf jaar worden verlengd tot een totale beschermingstermijn van 25 jaar vanaf de datum van indiening van de aanvraag.

ARTIKEL 25.27

Uitzonderingen en uitsluitingen

1.    Elke Partij kan beperkte uitzonderingen op de bescherming van tekeningen of modellen van nijverheid vaststellen, mits deze uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van beschermde tekeningen of modellen van nijverheid en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de eigenaar van de beschermde tekening of het model van nijverheid schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.


2.    De bescherming van tekeningen of modellen van nijverheid strekt zich niet uit tot tekeningen of modellen waarvoor hoofdzakelijk technische of functionele overwegingen bepalend zijn. Een tekening of model van nijverheid wordt in het bijzonder niet beschermd indien die tekening of dat model de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel heeft die noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moeten worden om het voortbrengsel waarin de tekening of het model van nijverheid verwerkt is of waarop zij of het toegepast is, mechanisch met een ander voortbrengsel te kunnen verbinden of om haar of het in, rond of in contact met een ander voortbrengsel te kunnen plaatsen, zodat elk van beide voortbrengselen zijn functie kan vervullen.

3.    In afwijking van lid 2 kan een recht op een tekening of model van nijverheid bestaan op een tekening of model van nijverheid die of dat tot doel heeft binnen een modulair systeem de meervoudige samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken.

ARTIKEL 25.28

Verhouding tot auteursrechten

Een tekening of model van nijverheid kan vanaf de datum waarop zij of het is gecreëerd of in een vorm is vastgelegd, tevens beschermd worden krachtens het auteursrecht van een Partij. De mate waarin en de voorwaarden waaronder een dergelijke auteursrechtelijke bescherming wordt verleend, met inbegrip van het vereiste oorspronkelijkheidsgehalte, worden door elke Partij vastgesteld.


ONDERAFDELING B.4

Geografische aanduidingen

ARTIKEL 25.29

Definities

Voor de toepassing van deze onderafdeling betekent:

a)    “geografische aanduiding”: een aanduiding die aangeeft dat een goed zijn oorsprong op het grondgebied van een Partij of in een regio of plaats op dat grondgebied heeft, voor zover een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van het goed hoofdzakelijk aan zijn geografische oorsprong is toe te schrijven; en

b)    “productcategorie”: de lijst van categorieën rekening houdend met de classificatie van Nice.


ARTIKEL 25.30

Internationale overeenkomsten

De Partijen bevestigen hun verbintenis om geografische aanduidingen op hun grondgebied te beschermen overeenkomstig de artikelen 22, 23 en 24 van de Trips-Overeenkomst.

Elke Partij stelt alles in het werk wat redelijkerwijs in haar vermogen ligt om toe te treden tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende de bescherming van herkomstbenamingen en hun internationale inschrijving, aangenomen te Genève op 20 mei 2015.

ARTIKEL 25.31

Toepassingsgebied

1.    Deze onderafdeling is van toepassing op de erkenning en bescherming van geografische aanduidingen die aangeven dat goederen onder de desbetreffende productcategorie vallen en zijn opgenomen in bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen).


2.    De Partijen overwegen het toepassingsgebied van de onder deze onderafdeling vallende geografische aanduidingen uit te breiden naar geografische aanduidingen in andere productcategorieën dan levensmiddelen en landbouwproducten. Om die reden hebben de Partijen in bijlage 25-C (Geografische aanduidingen van Mexico zoals bedoeld in artikel 25.31, lid 2) benamingen die aangeven dat goederen van oorsprong uit hun grondgebied zijn en op hun grondgebied beschermd worden, opgenomen die, mits de reikwijdte van bescherming van deze overeenkomst wordt uitgebreid, zullen worden geacht in de reikwijdte van bescherming van deze overeenkomst te zijn opgenomen onder voorbehoud van de voltooiing van de in deze onderafdeling uiteengezette procedures 51 .

ARTIKEL 25.32

Opgenomen geografische aanduidingen

Voor de toepassing van deze onderafdeling zijn de geografische aanduidingen die zijn opgenomen in:

a)    afdeling A van bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen), geografische aanduidingen die aangeven dat een goed van oorsprong is uit het grondgebied van de Europese Unie of uit een regio of een plaats op dat grondgebied; en


b)    afdeling B van bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen), geografische aanduidingen die aangeven dat een goed van oorsprong is uit het grondgebied van Mexico of uit een regio of een plaats op dat grondgebied.

ARTIKEL 25.33

Gevestigde geografische aanduidingen

Na de benamingen in bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen) in overweging te hebben genomen en een bezwaarprocedure te hebben afgerond overeenkomstig bijlage 25-A (Belangrijkste onderdelen van de bezwaarprocedure), beschermt elke Partij die geografische aanduidingen volgens het in deze onderafdeling neergelegde beschermingsniveau.


ARTIKEL 25.34

Bescherming van in bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen) opgenomen geografische aanduidingen

1.    Elke Partij voorziet in de wettelijke middelen ter voorkoming door de belanghebbenden van:

a)    het gebruik van een geografische aanduiding van de andere Partij die is opgenomen in bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen) 52 voor een goed dat valt onder de productcategorie voor die geografische aanduiding, en dat:

i)    niet van oorsprong is uit de in bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen) voor die geografische aanduiding vermelde plaats van oorsprong; of

ii)    van oorsprong is uit de in bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen) voor die geografische aanduiding vermelde plaats van oorsprong, maar niet is geproduceerd of vervaardigd in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de andere Partij die zou gelden wanneer het goed zou zijn bestemd voor consumptie in de andere Partij;


b)    het gebruik van middelen in de benaming of voorstelling van goederen waarmee wordt aangeduid of gesuggereerd dat de goederen in kwestie hun oorsprong hebben in een ander geografisch gebied dan de werkelijke plaats van oorsprong op een wijze die het publiek misleidt ten aanzien van de geografische oorsprong van de goederen; en

c)    elk ander gebruik dat een daad van oneerlijke mededinging vormt in de zin van artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs.

2.    Elke Partij verleent de bescherming als bedoeld in punt 1, a), zelfs wanneer de werkelijke oorsprong van het goed is aangegeven, een vertaling van de geografische aanduiding wordt gebruikt of de geografische aanduiding vergezeld gaat van uitdrukkingen als “genre”, “type”, “stijl”, “imitatie” en dergelijke.

3.    Elke Partij voorziet in handhaving, door middel van administratieve maatregelen en in de vorm waarin haar recht voorziet, tegen:

a)    direct of indirect commercieel gebruik van een beschermde benaming;

b)    imitatie, variatie en misleidend gebruik van een beschermde benaming;

c)    valse of misleidende aanduiding van een beschermde benaming; of

d)    praktijken die de consument kunnen misleiden wat de echte oorsprong, herkomst of aard van het goed betreft.


4.    De in het kader van deze onderafdeling beschermde geografische aanduidingen worden geen soortnamen op de respectieve grondgebieden van de Partijen.

5.    Geen enkele bepaling in deze onderafdeling verplicht een Partij ertoe een geografische aanduiding van de andere Partij te beschermen die op het grondgebied van de Partij van oorsprong niet of niet langer is beschermd. Elke Partij stelt de andere Partij ervan in kennis indien een geografische aanduiding op haar grondgebied niet langer wordt beschermd. Die kennisgeving vindt plaats binnen drie maanden nadat de bevoegde autoriteit haar definitieve vaststelling doet dat de geografische aanduiding niet langer wordt beschermd.

6.     De bepalingen van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing op de lijst van benamingen in de bijlagen I en II bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Mexicaanse Staten betreffende de wederzijdse erkenning en bescherming van de benamingen van gedistilleerde dranken, gedaan te Brussels op 27 mei 1997, hierna de “Overeenkomst gedistilleerde dranken” genoemd.

ARTIKEL 25.35

Wijziging van de lijst van geografische aanduidingen

1.    De Gezamenlijke Raad kan overeenkomstig artikel 25.42 besluiten bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen) te wijzigen door geografische aanduidingen toe te voegen of te corrigeren, of door geografische aanduidingen te schrappen die niet langer worden beschermd of op hun plaats van oorsprong niet langer worden gebruikt. Het Subcomité Intellectuele Eigendom stelt dergelijke besluiten op.


2.    Nieuwe geografische aanduidingen worden toegevoegd bij een besluit van de Gezamenlijke Raad nadat de voorgestelde benamingen in overweging zijn genomen en een bezwaarprocedure als bedoeld in artikel 25.33 is afgerond.

3.    In geval van nieuwe geografische aanduidingen kan de Gezamenlijke Raad de bijlagen I en II bij de Overeenkomst gedistilleerde dranken wijzigen volgens de in artikel 25.33 genoemde procedure.

ARTIKEL 25.36

Gebruiksrecht van geografische aanduidingen

1.    Een uit hoofde van deze onderafdeling beschermde geografische aanduiding kan worden gebruikt door elke marktdeelnemer die een goed in de handel brengt dat aan de desbetreffende technische specificatie voldoet.

2.    Zodra een geografische aanduiding in het kader van deze onderafdeling is beschermd, mag het gebruik van die beschermde geografische aanduiding niet afhankelijk worden gesteld van registratie van de gebruikers of andere eisen.

3.    Aanduidingen, afkortingen en symbolen die betrekking hebben op een geografische aanduiding kunnen alleen worden gebruikt in verband met het goed dat op het respectieve grondgebied wordt beschermd of is geregistreerd en dat conform de overeenkomstige technische specificatie wordt geproduceerd.


ARTIKEL 25.37

Verband tussen merken en geografische aanduidingen

1.    Deze onderafdeling doet niets af aan de rechten die worden verleend door een ouder merk dat te goeder trouw is aangevraagd of geregistreerd, of die te goeder trouw worden verworven door middel van gebruik, in een Partij. Als beperkte uitzondering op de aan een merk verbonden rechten kan de houder van een ouder merk in bepaalde situaties niet voorkomen dat een geregistreerde geografische aanduiding bescherming krijgt of wordt gebruikt in de Partij waarin het merk is aangevraagd, geregistreerd of gebruikt. De bescherming van de geregistreerde geografische aanduiding beperkt op geen enkele manier de aan dat merk verbonden rechten, met inbegrip van de mogelijkheid om verlengingen of variaties van een onderscheidend teken aan te vragen, mits de variatie geen daad van oneerlijke mededinging vormt.

2.    Van een Partij wordt niet verlangd dat zij overeenkomstig artikel 25.34 een benaming beschermt als geografische aanduiding indien deze benaming, gezien de reputatie en bekendheid van een handelsmerk en de duur van de periode waarin dat handelsmerk reeds in gebruik is, de consument waarschijnlijk zou misleiden met betrekking tot de werkelijke identiteit van het goed.

3.    Overeenkomstig artikel 25.39 en voortbouwend op artikel 22, lid 3, van de Trips-Overeenkomst weigert een Partij, indien dit is toegestaan op grond van haar recht of op verzoek van een belanghebbende, met betrekking tot geografische aanduidingen die zijn opgenomen in bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen) en die als geografische aanduidingen beschermd blijven door de Partij van oorsprong, ambtshalve de inschrijving van een handelsmerk of verklaart zij deze nietig, op voorwaarde dat:

a)    de inschrijving van het handelsmerk voor goederen niet in overeenstemming zou zijn met artikel 25.34;


b)    het merk betrekking heeft op hetzelfde of een soortgelijk goed;

c)    het merk betrekking heeft op goederen die niet de oorsprong van de betrokken geografische aanduiding hebben; en

d)    de aanvraag tot inschrijving van het merk wordt ingediend na de datum van indiening van de aanvraag tot bescherming van de geografische aanduiding op het grondgebied van de betrokken Partij.

4.    Voor de in artikel 25.32 bedoelde geografische aanduidingen is de datum van indiening van de aanvraag tot bescherming als bedoeld in punt 3, d), de datum van ondertekening van deze overeenkomst.

5.    Voor de in artikel 25.35 bedoelde geografische aanduidingen is de datum van indiening van de aanvraag tot bescherming de datum van bekendmaking van de geografische aanduiding in de bezwaarprocedure.

6.    De bescherming die wordt verleend aan de in bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen) opgenomen geografische aanduidingen gaat niet eerder in dan op de datum waarop deze overeenkomst in werking treedt.


ARTIKEL 25.38

Handhaving van bescherming

Elke Partij zorgt voor de handhaving van de bescherming waarin wordt voorzien in de artikelen 25.34 tot en met 25.37 door middel van passende administratieve of gerechtelijke procedures, overeenkomstig haar recht en praktijk. De bevoegde autoriteiten handhaven die bescherming op een van de of op beide volgende manieren:

a)    op eigen initiatief; of

b)    op verzoek van een belanghebbende.

ARTIKEL 25.39

Algemene bepalingen

1.    Van een Partij wordt niet verlangd dat zij uit hoofde van deze onderafdeling een benaming beschermt als geografische aanduiding indien deze benaming conflicteert met de benaming van een planten- of dierenras en de consument daardoor zou kunnen worden misleid met betrekking tot de werkelijke oorsprong van het goed.


2.    Een gelijkluidende benaming die bij de consument ten onrechte de indruk kan wekken dat een goed van oorsprong is uit een ander grondgebied, wordt niet geregistreerd als een geografische aanduiding, ook al is de benaming juist wat het grondgebied, de regio of de plaats betreft waaruit het goed feitelijk van oorsprong is. Onverminderd artikel 23 van de Trips-Overeenkomst bepalen de Partijen gezamenlijk de praktische voorwaarden om geheel of gedeeltelijk gelijkluidende geografische aanduidingen van elkaar te onderscheiden, er rekening mee houdend dat de betrokken producenten een billijke behandeling moeten krijgen en de consument niet mag worden misleid.

3.    Indien een Partij in het kader van bilaterale onderhandelingen met een derde land voorstelt om een geografische aanduiding van dat derde land te beschermen die geheel of gedeeltelijk gelijkluidend is met een geografische aanduiding van de andere Partij, stelt zij de andere Partij in kennis, die de gelegenheid krijgt opmerkingen te maken voordat de bescherming van de benaming van kracht wordt.

4.    Een technische specificatie als bedoeld in deze onderafdeling wordt, met inbegrip van eventuele wijzigingen, goedgekeurd door de autoriteiten van de Partij vanuit wiens grondgebied het goed van oorsprong is.


ARTIKEL 25.40

Uitzonderingen

1.    Geen enkele bepaling in deze onderafdeling vereist dat een Partij de bepalingen hiervan toepast met betrekking tot een geografische aanduiding, of een in een samengestelde geografische aanduiding vervatte afzonderlijke benaming, van de andere Partij, voor goederen of diensten waarvan de desbetreffende aanduiding identiek is met de in de omgangstaal gebruikelijke term als soortnaam voor deze goederen of diensten op het grondgebied van die Partij.

2.    Indien een vertaling van een geografische aanduiding identiek is met een in de omgangstaal gebruikelijke benaming als soortnaam voor een goed op het grondgebied van een Partij of die omvat, of indien een geografische aanduiding niet identiek is met een dergelijke benaming maar die omvat, doet deze onderafdeling geen afbreuk aan het recht van een persoon om die benaming in samenhang met dat goed op het grondgebied van die Partij te gebruiken.

3.    Bij de beoordeling van de vraag of een benaming de in de omgangstaal gebruikelijke benaming als soortnaam voor een goed op het grondgebied van een Partij is, hebben de autoriteiten van die Partij de bevoegdheid rekening te houden met de manier waarop consumenten die benaming op haar grondgebied opvatten. Factoren die relevant zijn voor die opvatting door de consument kunnen onder meer zijn:

a)    of de benaming wordt gebruikt om te verwijzen naar het soort goed in kwestie, zoals aangegeven door competente bronnen zoals woordenboeken, kranten en relevante websites; en


b)    hoe het goed waarnaar met de benaming wordt verwezen op het grondgebied van die Partij op de markt en in de handel wordt gebracht 53 .

4.    Geen enkele bepaling in deze onderafdeling belet dat op het grondgebied van een Partij met betrekking tot een goed gebruik wordt gemaakt van een gebruikelijke benaming van een planten- of dierenras dat op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst op het grondgebied van die Partij voorkomt.

5.    Deze overeenkomst doet op generlei wijze afbreuk aan het recht van een persoon om in het handelsverkeer zijn naam of de naam van zijn voorganger in zaken te gebruiken, behalve wanneer deze naam op zodanige wijze wordt gebruikt dat het publiek daardoor wordt misleid.

ARTIKEL 25.41

Opneming van de bestaande overeenkomst

1.    De Overeenkomst gedistilleerde dranken wordt opgenomen in en maakt deel uit van deze overeenkomst en is mutatis mutandis van toepassing 54 .


2.    Het bij artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst) opgerichte Subcomité Intellectuele Eigendom vervangt het bij artikel 17 van de Overeenkomst gedistilleerde dranken opgerichte Gemengd Comité en vervult de in dat artikel vastgestelde functies.

ARTIKEL 25.42

Samenwerking

1.    Het bij artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst) opgerichte Subcomité Intellectuele Eigendom is het passende forum voor het toezicht op de uitvoering en het beheer van deze onderafdeling.

2.    De Partijen stellen elkaar in kennis indien een in bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen) opgenomen geografische aanduiding niet langer wordt beschermd op het grondgebied van de betrokken Partij. Na een dergelijke kennisgeving stelt het Subcomité Intellectuele Eigendom voor de Gezamenlijke Raad het besluit op om bijlage 25-B (Lijst van geografische aanduidingen) te wijzigen in overeenstemming met de procedures van deze overeenkomst.

3.    Een Partij kan, rechtstreeks of via het Subcomité Intellectuele Eigendom, de andere Partij verzoeken informatie te verstrekken met betrekking tot technische specificaties en de wijzigingen daarvan.


4.    Elke Partij mag de technische specificaties met betrekking tot de geografische aanduidingen van de andere Partij die op grond van deze onderafdeling worden beschermd in het Spaans of het Engels bekendmaken 55 .

5.    Vragen die rijzen met betrekking tot de technische specificaties van geregistreerde geografische aanduidingen worden door het Subcomité Intellectuele Eigendom behandeld.

ARTIKEL 25.43

Bescherming uit hoofde van het recht van een Partij

Deze onderafdeling doet niets af aan het recht van een houder van een geografische aanduiding in één Partij om erkenning en bescherming van een geografische aanduiding in de andere Partij te vragen op grond van het recht van die Partij.


ONDERAFDELING B.5

Octrooien

ARTIKEL 25.44

Internationale overeenkomsten

Elke Partij neemt het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, aangenomen te Washington op 19 juni 1970, zoals gewijzigd op 28 september 1979 en laatstelijk gewijzigd op 3 oktober 2001, in acht en erkent de noodzaak procedurele normen vast te stellen of te handhaven die in overeenstemming zijn met het Verdrag inzake octrooirecht, aangenomen te Genève op 1 juni 2000.

ARTIKEL 25.45

Octrooien en volksgezondheid

1.    De in deze onderafdeling vastgestelde rechten en verplichtingen beletten een Partij in geen geval maatregelen te nemen om de volksgezondheid te beschermen. De Partijen erkennen het belang van en bevestigen hun verbintenis tot de Verklaring inzake de Trips-overeenkomst en de volksgezondheid, aangenomen te Doha op 14 november 2001 (hierna de “Verklaring van Doha” genoemd). Bij de interpretatie en uitvoering van de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze onderafdeling waarborgen de Partijen de consistentie met de Verklaring van Doha.


2.    De Partijen dragen bij aan de uitvoering en inachtneming van het Besluit van de Algemene Raad van de WTO van 30 augustus 2003 over de uitvoering van punt 6 van de Verklaring van Doha alsmede van het Protocol tot wijziging van de Trips-Overeenkomst van 6 december 2005.

ARTIKEL 25.46

Aanvullende bescherming bij vertraging bij het verkrijgen van goedkeuring tot het in de handel brengen van farmaceutische producten, met inbegrip van biologische producten 56

1.    De Partijen erkennen dat farmaceutische producten, met inbegrip van biologische producten 57 , die op hun respectieve grondgebied door een octrooi worden beschermd, aan een administratieve goedkeuringsprocedure 58 kunnen worden onderworpen voordat zij in de handel mogen worden gebracht. Zij erkennen dat de termijn tussen de indiening van de octrooiaanvraag en de goedkeuring om het product op hun respectieve grondgebied in de handel te brengen, zoals voor dat doel door het desbetreffende recht van een Partij omschreven, de termijn van daadwerkelijke bescherming uit hoofde van het octrooi kan bekorten.


2.    Elke Partij voorziet in een passend en doeltreffend mechanisme om de octrooihouder te compenseren voor de verkorting van de effectieve duur van het octrooi als gevolg van onredelijke vertraging 59 bij de verlening van de eerste goedkeuring tot het in de handel brengen op haar grondgebied. Die compensatie neemt de vorm aan van aanvullende bescherming sui generis, gelijk aan de tijd waarmee de in de voetnoot genoemde termijn van twee jaar wordt overschreden. De maximale duur van deze aanvullende bescherming bedraagt niet meer dan vijf jaar 60 .

3.    Als alternatief voor lid 2 kan een Partij de mogelijkheid bieden om de duur van de door de octrooibescherming verleende rechten met niet meer dan vijf jaar te verlengen 61 om de octrooihouder te compenseren voor de verkorting van de effectieve duur van het octrooi als gevolg van de procedure voor het verkrijgen van goedkeuring tot het in de handel brengen. Deze verlenging gaat in vanaf het verstrijken van de wettelijke duur van het octrooi, voor een duur die gelijk is aan de periode die is verstreken tussen de datum van de aanvraag voor het octrooi en de datum van de eerste goedkeuring tot het in de handel brengen op de markt van die Partij, verminderd met een periode van vijf jaar.


4.    Elke Partij kan bij de uitvoering van de verplichtingen van dit artikel voorwaarden en beperkingen vaststellen, op voorwaarde dat de Partij zich aan dit artikel blijft houden.

5.    Elke Partij stelt alles in het werk om aanvragen voor goedkeuring tot het in de handel brengen van farmaceutische producten tijdig en op doeltreffende wijze te verwerken, teneinde onredelijke of onnodige vertragingen te vermijden. Om onredelijke vertragingen te vermijden, kan een Partij procedures vaststellen of handhaven die de verwerking van aanvragen voor goedkeuring tot het in de handel brengen, bespoedigen.

ONDERAFDELING B.6

Kwekersrechten

ARTIKEL 25.47

Internationale overeenkomsten

Elke Partij beschermt kwekersrechten overeenkomstig het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten, aangenomen te Parijs op 2 december 1961, zoals laatstelijk herzien te Genève op 19 maart 1991, met inbegrip van de uitzondering op het kwekersrecht als bedoeld in artikel 15 van dat verdrag, en werkt samen om die rechten te bevorderen en te handhaven 62 .


ONDERAFDELING B.7

Bescherming van niet openbaar gemaakte informatie

ARTIKEL 25.48

Reikwijdte van de bescherming van bedrijfsgeheimen

1.    Bij het waarborgen van doeltreffende bescherming tegen oneerlijke mededinging zoals bepaald in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs, voorziet elke Partij in de rechtsmiddelen, met inbegrip van administratieve of civielrechtelijke procedures 63 , voor elke persoon om te voorkomen dat bedrijfsgeheimen zonder de toestemming van de persoon die rechtmatig over de informatie beschikt openbaar worden gemaakt aan, worden verkregen door of worden gebruikt door anderen op een wijze die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken 64 . Voor de toepassing van deze onderafdeling omvatten bedrijfsgeheimen niet openbaar gemaakte informatie als bedoeld in artikel 39, lid 2, van de Trips-Overeenkomst.


2.    Voor de toepassing van deze onderafdeling beschouwt een Partij ten minste de volgende activiteiten als in strijd met eerlijke handelsgebruiken:

a)    het verkrijgen van een bedrijfsgeheim zonder de instemming van de houder van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt door ongeoorloofde toegang tot, toe-eigening van, of vermenigvuldiging van documenten, voorwerpen, materialen of elektronische bestanden waarover de houder van het bedrijfsgeheim rechtmatig beschikt en die het bedrijfsgeheim bevatten of waaruit het bedrijfsgeheim kan worden afgeleid; of

b)    het gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim zonder toestemming van de houder van een bedrijfsgeheim, wanneer dit wordt gedaan door een persoon die het bedrijfsgeheim onrechtmatig heeft verworven of door inbreuk te plegen op een geheimhoudingsovereenkomst of een andere verplichting tot het niet openbaar maken van het bedrijfsgeheim 65 , 66 .


ARTIKEL 25.49

Administratieve of civielrechtelijke procedures met betrekking tot bedrijfsgeheimen

1.    Elke Partij ziet erop toe dat eenieder die deelneemt aan de procedures als bedoeld in artikel 25.48, lid 1, of toegang heeft tot documenten die deel uitmaken van die procedures, een bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim niet mag gebruiken of openbaar maken, voor zover de bevoegde instanties dat bedrijfsgeheim als reactie op een voldoende verantwoorde aanvraag van een belanghebbende hebben aangemerkt als vertrouwelijk en waarop zij zijn geattendeerd door dergelijke deelname of toegang.

2.    In de in artikel 25.48, lid 1, bedoelde procedures zorgt elke Partij ervoor dat haar bevoegde autoriteiten ten minste de bevoegdheid hebben om specifieke maatregelen te treffen om de vertrouwelijkheid te garanderen van elk bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim dat in de procedures wordt overgelegd. Dergelijke specifieke maatregelen kunnen, overeenkomstig het recht van elke Partij, de mogelijkheid omvatten om de toegang tot bepaalde documenten geheel of gedeeltelijk te beperken, de toegang te beperken tot terechtzittingen en de opnamen of transcripties daarvan, en een niet-vertrouwelijke versie ter beschikking te stellen van een rechterlijke uitspraak waarin de passages die bedrijfsgeheimen bevatten zijn verwijderd of aangepast.


ARTIKEL 25.50

Bescherming van niet openbaar gemaakte gegevens met betrekking tot farmaceutische producten met inbegrip van biologische producten 67

1.    Een Partij die als voorwaarde voor een goedkeuring tot het in de handel brengen van nieuwe 68 farmaceutische producten, met inbegrip van biologische producten 69 , de overlegging vereist van niet openbaar gemaakte test- of andere gegevens van preklinische of klinische proeven die nodig zijn om te bepalen of het gebruik van die producten veilig en doeltreffend is, beschermt die gegevens tegen openbaarmaking aan derden, indien de opstelling van die gegevens een aanmerkelijke inspanning vergt, behalve wanneer openbaarmaking nodig is om een hoger openbaar belang te dienen of tenzij maatregelen worden getroffen om te verzekeren dat de gegevens worden beschermd tegen oneerlijk commercieel gebruik.


2.    Voor farmaceutische producten, met inbegrip van biologische producten, verleent een Partij derden geen goedkeuring tot het in de handel brengen op grond waarvan zij, zonder toestemming van de persoon die de in lid 1 bedoelde gegevens eerder indiende, het product 70 in de handel kunnen brengen op basis van die gegevens of de goedkeuring tot het in de handel brengen die is verleend aan de persoon die die gegevens heeft ingediend 71 , gedurende ten minste zes jaar na de datum 72 van de goedkeuring tot het in de handel brengen van het nieuwe product op het grondgebied van die Partij 73 .

3.    Geen van de Partijen wordt belet op basis van onderzoeken naar biologische equivalentie en biologische beschikbaarheid verkorte vergunningsprocedures voor dergelijke producten toe te passen.


ARTIKEL 25.51

Bescherming van niet openbaar gemaakte gegevens met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen 74

1.    Een Partij die als voorwaarde voor een goedkeuring tot het in de handel brengen 75 van een nieuw gewasbeschermingsmiddel 76 de overlegging vereist van niet openbaar gemaakte test- of andere gegevens betreffende de veiligheid of werkzaamheid van het product 77 , beschermt die gegevens tegen openbaarmaking aan derden, behalve wanneer openbaarmaking nodig is om een hoger openbaar belang te dienen of tenzij maatregelen worden getroffen om te verzekeren dat de gegevens worden beschermd tegen oneerlijk commercieel gebruik.


2.    Voor gewasbeschermingsmiddelen verleent een Partij derden geen goedkeuring tot het in de handel brengen op grond waarvan zij, zonder toestemming van de persoon die de in lid 1 bedoelde gegevens eerder indiende, het product in de handel kunnen brengen op basis van die gegevens of de goedkeuring tot het in de handel brengen die is verleend aan de persoon die die gegevens heeft ingediend, gedurende ten minste tien jaar 78 na de datum van de goedkeuring tot het in de handel brengen van het nieuwe product op het grondgebied van die Partij.

3.    Elke Partij stelt voorschriften vast om herhaling van proeven op gewervelde dieren te voorkomen.

4.    Geen van de Partijen wordt belet op basis van onderzoeken naar equivalentie verkorte vergunningsprocedures voor dergelijke producten toe te passen.


AFDELING C

Handhaving van intellectuele-eigendomsrechten

ONDERAFDELING C.1

Algemene bepalingen

ARTIKEL 25.52

Algemene verplichtingen

1.    De Partijen bevestigen hun verbintenissen in het kader van de Trips-overeenkomst, in het bijzonder deel III daarvan. Elke Partij voorziet in de in deze afdeling uiteengezette aanvullende maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, die nodig zijn om te zorgen voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of duur zijn en mogen geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden.


2.    De in lid 1 bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik ervan.

3.    Deze afdeling schept geen verplichting voor een Partij om een rechtsstelsel in te voeren voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten naast dat voor de rechtshandhaving in het algemeen, en is evenmin van invloed op het vermogen van een Partij om haar recht in het algemeen te handhaven. Uit deze onderafdeling vloeien geen verplichtingen voort met betrekking tot de wijze waarop een Partij middelen verdeelt tussen de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en de rechtshandhaving in het algemeen.

ARTIKEL 25.53

Personen bevoegd tot het verzoeken om toepassing van maatregelen, procedures en rechtsmiddelen

Elke Partij erkent dat de volgende personen gerechtigd zijn te verzoeken om toepassing van de in deze afdeling en in deel III van de Trips-overeenkomst bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:

a)    houders van intellectuele-eigendomsrechten in overeenstemming met haar recht;

b)    alle andere personen die gemachtigd zijn die intellectuele-eigendomsrechten te gebruiken, in het bijzonder licentiehouders, voor zover toegestaan door en overeenkomstig haar recht;


c)    instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met haar recht; en

d)    beroepsorganisaties die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met haar recht.

ONDERAFDELING C.2

Civielrechtelijke en administratieve handhaving

ARTIKEL 25.54

Bewijsmateriaal

1.    Elke Partij zorgt ervoor dat de bevoegde rechterlijke instanties, al voordat een bodemprocedure is begonnen, op verzoek van een Partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van de stelling dat er inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt of zal worden gemaakt, de bevoegdheid hebben om onmiddellijk afdoende voorlopige maatregelen te gelasten om het relevante bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te beschermen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.


2.    De in lid 1 bedoelde voorlopige maatregelen kunnen de gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming, dan wel de fysieke inbeslagname van de vermeende inbreuk makende goederen en, in voorkomend geval, de bij de productie of distributie daarvan gebruikte materialen en werktuigen en de desbetreffende documenten omvatten.

3.    Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om haar bevoegde rechterlijke instanties de bevoegdheid te verlenen om, wanneer op commerciële schaal inbreuk wordt gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht, in voorkomend geval en op verzoek van een Partij in de procedure, de mededeling van bancaire, financiële of commerciële documenten die zich in de macht van de tegenpartij bevinden te gelasten, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd 79 .


ARTIKEL 25.55

Recht op informatie

1.    Elke Partij ziet erop toe dat de bevoegde rechterlijke instanties in het kader van procedures wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht naar aanleiding van een met redenen omkleed en proportioneel verzoek van de eiser de bevoegdheid hebben om te gelasten dat de inbreukmaker of iedere andere persoon die Partij of getuige bij de procedure is, informatie verstrekt over de oorsprong en het distributienetwerk van de goederen of diensten die een inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht vormen 80 .


2.    Dit artikel is van toepassing onverminderd andere bepalingen in het recht van een Partij waarin:

a)    de houder van het recht rechten op verdere informatie worden toegekend;

b)    het gebruik van de krachtens dit artikel meegedeelde informatie in civiele procedures of strafzaken wordt geregeld;

c)    de aansprakelijkheid wegens misbruik van het recht op informatie wordt geregeld;

d)    de mogelijkheid wordt geboden te weigeren gegevens te verstrekken die de in lid 1 bedoelde persoon zouden dwingen deelname door hemzelf of door naaste verwanten aan een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht toe te geven; of

e)    de bescherming van de vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens wordt geregeld.


ARTIKEL 25.56

Voorlopige en conservatoire maatregelen

1.    Elke Partij ziet erop toe dat haar rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser, de bevoegdheid hebben om tegen de vermeende inbreukmaker een voorlopig bevel uit te vaardigen dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, in voorkomend geval en indien haar recht hierin voorziet op straffe van een dwangsom, voorlopig voortzetting van de vermeende inbreuk op dat recht te verbieden, dan wel om aan die voortzetting de voorwaarde te verbinden dat voor schadeloosstelling van de houder van het recht zekerheid wordt geboden. Onder dezelfde voorwaarden kan ook een voorlopig bevel worden uitgevaardigd tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht. Voor de toepassing van dit artikel omvatten “tussenpersonen” aanbieders van internetdiensten.

2.    Een voorlopig bevel kan ook worden uitgevaardigd om de inbeslagname of afgifte te gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of zich daarin bevinden.


3.    Elke Partij zorgt ervoor dat, in geval van een vermeende inbreuk, haar rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben om conservatoir beslag te laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker of die kunnen blokkeren, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden. Met het oog daarop kunnen de bevoegde instanties overlegging van bancaire, financiële of commerciële documenten of passende inzage van de desbetreffende informatie gelasten 81 .

ARTIKEL 25.57

Corrigerende maatregelen

1.    Elke Partij ziet erop toe dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de houder van het betrokken recht wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, de bevoegdheid hebben om de vernietiging of op zijn minst de definitieve onttrekking aan het handelsverkeer te gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat zij inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht maken. Elke Partij ziet erop toe dat de bevoegde rechterlijke instanties, in voorkomend geval, ook de vernietiging kunnen gelasten van materialen en werktuigen die hoofdzakelijk zijn gebruikt voor het ontwerpen of vervaardigen van die goederen.


2.    Bij de behandeling van een verzoek om corrigerende maatregelen wordt rekening gehouden met de noodzaak van evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste corrigerende maatregelen en met de belangen van derden.

ARTIKEL 25.58

Rechterlijke bevelen

Elke Partij zorgt ervoor dat de bevoegde rechterlijke instanties, indien een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt vastgesteld, de bevoegdheid hebben een bevel tot staking van de inbreuk tegen de inbreukmaker en tegen een tussenpersoon van wie de diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht, uit te vaardigen.


ARTIKEL 25.59

Schadevergoeding

1.    Elke Partij bepaalt dat haar rechterlijke instanties ten minste de bevoegdheid hebben de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs kon weten dat hij handelde in strijd met intellectuele-eigendomsrechten, te gelasten een toereikende schadevergoeding te betalen ter compensatie van de schade die de houder van het recht door de inbreuk op zijn intellectuele-eigendomsrecht heeft geleden 82 .

2.    De rechterlijke instanties van elke Partij houden bij de vaststelling van het bedrag van de schadevergoeding overeenkomstig lid 1 rekening met alle passende aspecten en hebben de bevoegdheid om onder meer alle door de houder van het recht aangevoerde legitieme waardebepalingen, met inbegrip van gederfde winst, de marktwaarde van de goederen of diensten ten aanzien waarvan inbreuk is gemaakt of de voorgestelde detailhandelsprijs, in aanmerking te nemen.

3.    Elke Partij bepaalt dat haar rechterlijke instanties, ten minste in gevallen van inbreuk op het auteursrecht of naburige rechten en namaak van handelsmerken, de bevoegdheid hebben de inbreukmaker, ten minste in de in lid 1 bedoelde gevallen, te gelasten aan de houder van het recht de aan de inbreuk toe te schrijven winst te betalen. Een Partij kan dit lid naleven op basis van een veronderstelling dat die winst overeenkomt met de in lid 1 bedoelde schadevergoeding.


4.    Elke Partij kan bepalen dat de rechterlijke instanties ten behoeve van de benadeelde Partij invordering van winsten of betaling van een, eventueel vooraf vastgestelde, schadevergoeding kunnen gelasten, indien de inbreukmaker niet wist of niet redelijkerwijs had moeten weten dat hij of zij inbreuk pleegde.

ARTIKEL 25.60

Gerechtskosten

Elke Partij draagt er zorg voor dat, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde Partij heeft gemaakt, door de in het ongelijk gestelde Partij worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.

ARTIKEL 25.61

Openbaarmaking van rechterlijke uitspraken

Onverminderd haar recht inzake de bescherming van vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de bescherming van persoonsgegevens, ziet elke Partij erop toe dat, in juridische procedures wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, de bevoegde rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben om, op verzoek van de eiser, te gelasten dat passende maatregelen worden getroffen tot verspreiding van de informatie over de uitspraak, met inbegrip van de bekendmaking en volledige of gedeeltelijke publicatie van de uitspraak.


ARTIKEL 25.62

Vermoeden van auteurschap of houderschap van rechten

1.    Elke Partij erkent dat het voor de toepassing van de in deze onderafdeling bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, bij het ontbreken van bewijs van het tegendeel, volstaat dat de naam van de auteur van een werk van letterkunde of kunst op de gebruikelijke wijze op het werk is vermeld, zodat de auteur als zodanig wordt beschouwd en derhalve het recht heeft om een rechtsvordering wegens inbreuk in te stellen.

2.    Lid 1 is mutatis mutandis van toepassing op de houder van een naburig recht met betrekking tot zijn beschermde materiaal.

ARTIKEL 25.63

Administratieve procedures

Voor zover een civielrechtelijke corrigerende maatregel kan worden gelast als resultaat van administratieve procedures ten principale, dienen zodanige procedures in overeenstemming te zijn met beginselen die in wezen gelijkwaardig zijn aan die welke zijn bepaald in deze onderafdeling.


ARTIKEL 25.64

Vrijwillige initiatieven van belanghebbenden

Elke Partij streeft ernaar vrijwillige initiatieven van belanghebbenden om inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten terug te dringen, ook online en op andere marktplaatsen, te faciliteren, waarbij de nadruk ligt op concrete problemen en praktische oplossingen worden gezocht die realistisch, evenwichtig, proportioneel en billijk zijn voor alle betrokken belanghebbenden.

AFDELING D

Handhaving aan de grens

ARTIKEL 25.65

Overeenstemming met de GATT en de Trips-overeenkomst

Bij de uitvoering van maatregelen aan de grens ter handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door douaneautoriteiten, ongeacht of zij onder deze overeenkomst vallen, zorgt elke Partij voor overeenstemming met haar verplichtingen uit hoofde van de GATT en de Trips-Overeenkomst, met name met artikel 41 en deel III, afdeling 4, van de Trips-Overeenkomst.


ARTIKEL 25.66

Maatregelen aan de grens ter handhaving van intellectuele-eigendomsrechten

1.    Elke Partij beschikt over procedures voor de vernietiging van goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten, overeenkomstig de artikelen 46 en 59 van de Trips-Overeenkomst.

2.    Met betrekking tot goederen die onder douanetoezicht staan, ziet elke Partij erop toe dat haar douaneautoriteiten zich, in overeenstemming met haar wet- en regelgeving en in overleg met andere bevoegde autoriteiten, actief richten op het identificeren van zendingen die goederen bevatten waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op merken, auteursrechten of andere intellectuele-eigendomsrechten. Deze activiteiten moeten, ten minste met betrekking tot invoergoederen, op basis van risicoanalyse worden verricht.

3.    Elke Partij zet een centraal beheerde elektronische databank met betrekking tot ten minste merken en tekeningen of modellen van nijverheid op, en houdt deze bij, die dient als een kosteloos relevant instrument voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten en houders van rechten, en voor de verstrekking van informatie voor risicoanalyse. Elke Partij streeft ernaar de elektronische databank voor risicoanalyse uit te breiden naar andere intellectuele-eigendomsrechten.


4.    Elke Partij ziet erop toe dat door de houder van een recht verstrekte informatie automatisch in de elektronische databank wordt opgenomen, op voorwaarde dat zij aan de desbetreffende eisen voldoet, overeenkomstig haar wet- en regelgeving. De door de houder van een recht verstrekte informatie wordt automatisch of binnen een redelijke termijn gevalideerd door de bevoegde autoriteiten van elke Partij.

5.    De Partijen erkennen de voordelen van het bijhouden en verbeteren van een elektronische databank, met als doel bij te dragen tot het opsporen van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten en het verstrekken van elementen om de procedure voor opschorting van de vrijgave van goederen die onder douanetoezicht staan of voor de vasthouding ervan in te leiden.

6.    Elke Partij bepaalt dat haar douaneautoriteiten op eigen initiatief kunnen overgaan tot de opschorting van de vrijgave van of tot de vasthouding van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, of de houder van een recht of de bevoegde autoriteiten in kennis kunnen stellen zodat zij kunnen beoordelen of een procedure moet worden ingeleid die tot de opschorting van de vrijgave van die goederen of tot de vasthouding ervan kan leiden.

7.    Een Partij wordt ertoe aangemoedigd over procedures te beschikken voor de snelle vernietiging van nagemaakte merkartikelen en door piraterij verkregen goederen die via post- of expreskoerierszendingen worden verzonden.

8.    De douaneautoriteiten van elke Partij houden regelmatig overleg en bevorderen de samenwerking met belanghebbenden en andere autoriteiten die betrokken zijn bij de handhaving van de in dit artikel bedoelde intellectuele-eigendomsrechten.


9.    De Partijen werken samen met betrekking tot de internationale handel in goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten en, in het bijzonder, om informatie over die handel te delen, overeenkomstig hun wet- en regelgeving.

10.    De Partijen wisselen regelmatig van gedachten over de juiste toepassing en het beheer van dit artikel.

AFDELING E

Slotbepalingen

ARTIKEL 25.67

Samenwerking en transparantie

1.    De Partijen werken samen ter ondersteuning van de uitvoering van dit hoofdstuk.

2.    De samenwerking betreft, maar is niet beperkt tot, de volgende activiteiten:

a)    de uitwisseling van informatie over ontwikkelingen in het interne en het internationale beleid inzake intellectuele-eigendomsrechten;


b)    de uitwisseling van informatie over de wet- en regelgeving inzake intellectuele eigendom van de Partijen, met inbegrip van initiatieven of wijzigingen;

c)    de uitwisseling van ervaringen tussen de Partijen over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;

d)    coördinatie ter voorkoming van de handel in nagemaakte goederen, ook met derde landen;

e)    technische bijstand, capaciteitsopbouw, en uitwisseling en opleiding van personeel;

f)    de bescherming en verdediging van intellectuele-eigendomsrechten en de verspreiding van informatie hierover, onder meer in het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld;

g)    opleiding en bewustmaking met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van het effect van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten op de economie en de veiligheid van consumenten;

h)    uitbreiding van institutionele samenwerking, met name tussen de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor intellectuele-eigendomsrechten;


i)    de samenwerking met kmo’s, onder meer op evenementen of bijeenkomsten die op kmo’s zijn gericht, met betrekking tot het beschermen en handhaven van intellectuele-eigendomsrechten en het terugdringen van inbreuken; en

j)    de uitwisseling van informatie tussen de Partijen met betrekking tot inspanningen om vrijwillige initiatieven van belanghebbenden op hun respectieve grondgebieden te vergemakkelijken.

3.    Het overeenkomstig artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst) opgerichte Subcomité Intellectuele Eigendom houdt toezicht op de uitvoering en het beheer van dit hoofdstuk en alle andere relevante aangelegenheden.

Het Subcomité Intellectuele Eigendom komt ten minste eenmaal per jaar bijeen, behalve indien de Partijen anders overeenkomen.

4.    Elke Partij wijst een contactpunt aan om samenwerking en coördinatie in het kader van dit hoofdstuk te vergemakkelijken, en deelt de andere Partij de contactgegevens daarvan mee. De Partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen van die contactgegevens.


HOOFDSTUK 26

HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING

ARTIKEL 26.1

Doelstelling en toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk heeft tot doel de integratie van duurzame ontwikkeling in de handels- en investeringsbetrekkingen tussen de Partijen te bevorderen, met name door beginselen en maatregelen vast te stellen met betrekking tot de arbeids- 83 en milieuaspecten van duurzame ontwikkeling die specifiek relevant zijn in de context van handel en investeringen.


2.    De Partijen herinneren aan Agenda 21 en de Verklaring van Rio de Janeiro inzake milieu en ontwikkeling van 1992, door de Conferentie van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling aangenomen in 1992; het Uitvoeringsplan van Johannesburg van de wereldtop inzake duurzame ontwikkeling van 2002; de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008, aangenomen tijdens de 97e vergadering van de Internationale Arbeidsconferentie te Genève op 10 juni 2008; het slotdocument van de VN-Conferentie over duurzame ontwikkeling van 2012, opgenomen in Resolutie 66/288 van de Algemene Vergadering van de VN van 27 juli 2012, met als titel “The Future We Want”; en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van het document van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling met als titel “Transforming our World: the 2030 Agenda for Sustainable Development”.

3.    In overeenstemming met de in lid 2 bedoelde instrumenten bevorderen de Partijen:

a)    duurzame ontwikkeling, die bestaat uit economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming, die nauw samenhangen en elkaar wederzijds versterken;

b)    de ontwikkeling van internationale handel en investeringen op een wijze die bijdraagt tot de doelstelling om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken; en

c)    inclusieve groene groei en circulaire economie teneinde economische groei te bevorderen en tegelijkertijd milieubescherming te waarborgen en sociale ontwikkeling te bevorderen.


ARTIKEL 26.2

Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus

1.    De Partijen erkennen het recht van elke Partij om haar eigen beleid en prioriteiten op het gebied van duurzame ontwikkeling te bepalen, haar niveaus van interne milieu- en arbeidsbescherming vast te stellen en haar desbetreffende wet- en regelgeving vast te stellen of te wijzigen, alsook beleidsmaatregelen de zij passend acht. Dergelijke niveaus, wet- en regelgeving en beleidsmaatregelen zijn in overeenstemming met de verbintenis van de Partij op grond van internationaal erkende normen en internationale overeenkomsten als bedoeld in de artikelen 26.3 en 26.4.

2.    Elke Partij streeft ernaar te waarborgen dat haar wet- en regelgeving en beleid ter zake een hoog niveau van milieu- en arbeidsbescherming bieden en stimuleren; en blijft ernaar streven haar wet- en regelgeving en de onderliggende beschermingsniveaus te verbeteren.

3.    Een Partij mag de in haar milieu- of arbeidswetgeving vastgelegde beschermingsniveaus niet verzwakken met als doel de handel of investeringen te stimuleren.

4.    Een Partij ziet niet af van toepassing van of wijkt niet af van, of biedt niet aan af te zien van toepassing van of af te wijken van, haar milieu- of arbeidswetgeving teneinde de handel en de investeringen te stimuleren.

5.    Een Partij doet niet zodanig afbreuk aan de daadwerkelijke handhaving van haar milieu- of arbeidswetgeving door een onafgebroken of herhaald handelen of nalaten, dat dit als aanmoediging werkt voor het handelsverkeer of investeringen.


ARTIKEL 26.3

Multilaterale arbeidsnormen en -overeenkomsten

1.    De Partijen bevestigen dat zij zich inspannen om de ontwikkeling van de internationale handel zodanig te bevorderen dat deze leidt tot volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen, in het bijzonder vrouwen, jongeren en personen met een beperking.

2.    In overeenstemming met het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie en de Verklaring van de Internationale Arbeidsconferentie over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk en de follow-up daarvan, aangenomen te Genève tijdens de 86e vergadering van de Internationale Arbeidsconferentie op 18 juni 1998, neemt elke Partij de beginselen inzake de fundamentele rechten met betrekking tot werk, zoals vastgelegd in de fundamentele verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna de “IAO” genoemd), in acht en bevordert en past zij deze daadwerkelijk toe, te weten:

a)    de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve arbeidsovereenkomsten;

b)    de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;

c)    de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid; en

d)    de bestrijding van discriminatie op het gebied van werk en beroep.


3.    Overeenkomstig de leden 1 en 2 en ter bevestiging van de verbintenis van de Partijen om multilaterale governance te ondersteunen, voert elke Partij de IAO-verdragen en -protocollen die zij heeft geratificeerd daadwerkelijk uit.

4.    Elke Partij spant zich onafgebroken in voor de ratificatie van de fundamentele verdragen van de IAO.

5.    De Partijen wisselen regelmatig informatie uit over de respectieve vooruitgang die zij boeken met betrekking tot de ratificatie van de fundamentele verdragen en bijbehorende protocollen van de IAO en van andere IAO-verdragen of -protocollen waarbij zij nog geen partij zijn en die door de IAO als actueel worden beschouwd.

6.    De Partijen raadplegen elkaar waar nodig en moeten samenwerken met betrekking tot handelsgerelateerde arbeidsvraagstukken van wederzijds belang, onder andere in het kader van de IAO.

7.    De Partijen wijzen op de Verklaring van de IAO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008 en merken op dat de schending van de fundamentele beginselen en rechten met betrekking tot werk niet als legitiem comparatief voordeel mag worden ingeroepen of op andere wijze als zodanig mag worden gebruikt, en dat de arbeidsnormen niet voor protectionistische handelsdoeleinden mogen worden gebruikt.


8.    Elke Partij bevordert fatsoenlijk werk zoals gedefinieerd in de Verklaring van de IAO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008. Elke Partij besteedt overeenkomstig haar voorwaarden en prioriteiten extra aandacht aan:

a)    het ontwikkelen en aanscherpen van maatregelen voor de veiligheid en gezondheid op het werk, met inbegrip van compensatie in geval van beroepsgebonden letsel of ziekte, zoals gedefinieerd in de desbetreffende IAO-verdragen en andere internationale verbintenissen;

b)    behoorlijke arbeidsvoorwaarden voor iedereen, wat loon en inkomen, werktijden en overige arbeidsvoorwaarden betreft; en

c)    het handhaven van een doeltreffend arbeidsinspectiesysteem overeenkomstig haar internationale verbintenissen en de desbetreffende IAO-normen.

9.    Elke Partij ziet erop toe dat haar administratieve en gerechtelijke procedures en procedures voor de arbeidsrechter voor de handhaving van haar arbeidsrecht billijk, toegankelijk en transparant zijn, en een doeltreffend optreden tegen inbreuken op de in dit hoofdstuk vermelde arbeidsrechten mogelijk maken.


ARTIKEL 26.4

Multilaterale governance en overeenkomsten op milieugebied

1.    De Partijen erkennen het belang van de Milieuvergadering van de Verenigde Naties (UNEA) voor het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en van multilaterale governance en overeenkomsten op milieugebied als antwoord van de internationale gemeenschap op mondiale of regionale milieuproblemen, en zij streven ernaar de wederzijdse ondersteuning van handels- en milieubeleid te versterken.

2.    Overeenkomstig lid 1 en teneinde de multilaterale governance op milieugebied te ondersteunen, voert elke Partij de multilaterale overeenkomsten, protocollen en wijzigingen op milieugebied waarbij zij Partij is, daadwerkelijk uit.

3.    De Partijen wisselen regelmatig informatie uit over hun respectieve initiatieven met betrekking tot de ratificaties van multilaterale milieuovereenkomsten, met inbegrip van de bijbehorende protocollen en wijzigingen.

4.    De Partijen raadplegen elkaar waar nodig en moeten samenwerken met betrekking tot handelsgerelateerde milieuvraagstukken van wederzijds belang, onder andere in het kader van multilaterale milieuovereenkomsten.

5.    De Partijen erkennen het recht van elke Partij om artikel 32.1 (Algemene uitzonderingen) in te roepen met betrekking tot maatregelen die zijn genomen overeenkomstig multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij Partij zijn.


ARTIKEL 26.5

Handel en klimaatverandering

1.    De Partijen erkennen dat het belangrijk is dat de uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), gedaan te New York op 9 mei 1992, wordt nagestreefd om de dringende dreiging van klimaatverandering aan te pakken en de rol die handel daarbij speelt te erkennen.

2.    Overeenkomstig lid 1 moet elke Partij:

a)    het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs daadwerkelijk uitvoeren, onder andere door middel van maatregelen die bijdragen tot de uitvoering van de nationaal bepaalde bijdragen (NDC’s) in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs;

b)    de positieve bijdragen van het handelsverkeer aan de overgang naar een duurzame, koolstofarme economie en aan klimaatbestendige ontwikkeling bevorderen; en

c)    groene economische groei bevorderen op basis van maatregelen inzake matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, met inbegrip van op ecosystemen gebaseerde aanpassing, hernieuwbare energie en energie-efficiënte oplossingen.


3.    De Partijen moeten op het gebied van handelsgerelateerde aangelegenheden met betrekking tot klimaatverandering bilateraal, regionaal en, in voorkomend geval, in het kader van internationale fora, waaronder het UNFCCC, de WTO, het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, samenwerken.

ARTIKEL 26.6

Handel en biologische diversiteit

1.    De Partijen erkennen de noodzaak om de biologische diversiteit in stand te houden en op duurzame wijze te gebruiken, en de rol van de handel bij het nastreven van die doelstellingen, in overeenstemming met het Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD), gedaan te Rio de Janeiro op 5 juni 1992 en de protocollen daarbij, de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites), ondertekend te Washington D.C. op 3 maart 1973, en andere relevante internationale instrumenten waarbij zij partij zijn, met inbegrip van de op grond daarvan vastgestelde besluiten en resoluties.

2.    De Partijen erkennen dat het mainstreamen van de instandhouding en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit in de relevante sectoren van de economie en het versterken van de eigen juridische, institutionele en regelgevende kaders kunnen bijdragen tot het genereren van positieve effecten op de biologische diversiteit en de ecosysteemdiensten daarvan alsook tot het bereiken van duurzame ontwikkeling.


3.    Overeenkomstig lid 1:

a)    past elke Partij doeltreffende maatregelen toe ter bestrijding van de illegale handel in wilde dieren en planten, in voorkomend geval ook door middel van activiteiten voor samenwerking met derde landen;

b)    bevordert elke Partij de opneming in de aanhangsels van de Cites van dier- en plantensoorten waarvan de staat van instandhouding bedreigd wordt geacht als gevolg van de internationale handel, en voert zij periodieke evaluaties uit, die kunnen resulteren in een aanbeveling om de aanhangsels van de Cites te wijzigen om ervoor te zorgen dat zij naar behoren de behoeften inzake het behoud van internationaal verhandelde soorten weerspiegelen;

c)    bevordert elke Partij de instandhouding op lange termijn en een duurzaam gebruik van de in de Cites opgesomde soorten, met inbegrip van de legale en traceerbare handel daarin, waarbij belanghebbenden in de waardeketen van voordelen profiteren, met name de lokale gemeenschappen waar de in de Cites genoemde soorten worden verkregen;

d)    neemt elke Partij maatregelen om de biologische diversiteit in stand te houden wanneer die onder druk staat als gevolg van handel en investeringen, met name maatregelen om de verspreiding van invasieve uitheemse soorten te voorkomen; en

e)    wisselt elke Partij met de andere Partij informatie uit over initiatieven voor de handel in op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten, met als doel het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit en dergelijke handel te bevorderen.


4.    Elke Partij moet bilateraal, regionaal en in internationale fora samenwerken met de andere Partij, onder meer met de relevante belanghebbenden, bij aangelegenheden met betrekking tot handel en de instandhouding en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit, en bij het bestrijden van de illegale handel in wilde dieren en planten, onder andere door middel van initiatieven om de vraag naar illegale producten en specimens van wilde dieren en planten te doen afnemen, en om de samenwerking op het gebied van rechtshandhaving en informatie-uitwisseling te verbeteren.

ARTIKEL 26.7

Handel en duurzaam bosbeheer

1.    De Partijen erkennen het belang van duurzaam bosbeheer en de rol van de handel bij het nastreven van deze doelstelling.

2.    Overeenkomstig lid 1:

a)    moedigt elke Partij de instandhouding en het duurzame beheer van bossen en de bevordering van de handel in en het verbruik van hout en houtproducten uit duurzaam beheerde bossen aan;

b)    bevordert elke Partij de handel in bosproducten die niet tot ontbossing of bosdegradatie hebben geleid;


c)    neemt elke Partij maatregelen ter bestrijding van illegale houtkap en de daarmee verband houdende handel, in voorkomend geval ook door middel van activiteiten voor samenwerking met derde landen; en

d)    wisselt elke Partij met de andere Partij informatie uit over handelsgerelateerde initiatieven op het gebied van governance in de bosbouw en de instandhouding van de bosbedekking, en werkt zij met de andere Partij samen om de positieve effecten te maximaliseren en de wederzijdse ondersteuning van hun respectieve beleid van wederzijds belang te garanderen.

3.    Elke Partij moet bilateraal, regionaal en in internationale fora samenwerken met de andere Partij, onder meer met de relevante belanghebbenden, bij aangelegenheden met betrekking tot handel en de instandhouding van bossen alsook duurzaam bosbeheer.

ARTIKEL 26.8

Handel en duurzaam beheer van biologische rijkdommen van de zee en aquacultuur

1.    De Partijen erkennen het belang van de instandhouding en het duurzame beheer van biologische rijkdommen van de zee en mariene ecosystemen, en van het bevorderen van een verantwoorde en duurzame aquacultuur, met als doel duurzame omstandigheden op economisch, milieu- en sociaal gebied te garanderen; en de rol van de handel bij het nastreven van deze doelstellingen.


2.    De Partijen erkennen dat illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (hierna “IOO-visserij” genoemd) negatieve effecten op het handelsverkeer en het milieu heeft, en bevestigen de noodzaak van maatregelen om een einde te maken aan IOO-visserij om de problemen van overbevissing en niet-duurzaam gebruik van het visbestand aan te pakken.

3.    Overeenkomstig de leden 1 en 2:

a)    handelt elke Partij in overeenstemming met de beginselen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gedaan te Montego Bay op 10 december 1982, de Overeenkomst van de Verenigde Naties over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, ter ondertekening opengesteld te New York op 4 december 1995, de Overeenkomst van de Voedsel- en Landbouworganisatie om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op volle zee te bevorderen, op 24 november 1993 bij Resolutie 15/93 goedkeuring tijdens de 27e vergadering van de Conferentie van de Voedsel- en Landbouworganisatie, de Gedragscode voor een verantwoorde visserij van de Voedsel- en Landbouworganisatie, op 31 oktober 1995 aangenomen door de Conferentie van de Voedsel- en Landbouworganisatie, en de Overeenkomst van de Voedsel- en Landbouworganisatie inzake havenstaatmaatregelen om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, goedgekeurd op 22 november 2009 tijdens de 36e vergadering van de Conferentie van de Voedsel- en Landbouworganisatie;


b)    voert elke Partij instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de lange termijn uit en draagt zij zorg voor de duurzame exploitatie van mariene biologische rijkdommen zoals omschreven in de belangrijkste instrumenten van de Verenigde Naties en de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) in verband met deze aangelegenheden 84 ;

c)    neemt elke Partij actief deel aan de werkzaamheden van de regionale organisaties voor visserijbeheer waarvan beide Partijen lid, waarnemer of samenwerkende niet-verdrag- of overeenkomstsluitende partij zijn, met als doel de duurzame exploitatie, het duurzame beheer en de duurzame instandhouding van mariene biologische rijkdommen en het mariene milieu te waarborgen, in voorkomend geval, met inbegrip van actieve deelname aan de vaststelling van beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen door die regionale organisaties voor visserijbeheer en de daadwerkelijke uitvoering en handhaving daarvan, in voorkomend geval met inbegrip van vangstdocumentatie- of certificeringsregelingen;

d)    neemt elke Partij doeltreffende maatregelen om IOO-visserij tegen te gaan, met inbegrip van maatregelen om IOO-visserijproducten buiten de handelsstromen te houden, en om daartoe samen te werken en informatie uit te wisselen; en


e)    bevordert elke Partij de ontwikkeling van een duurzame en verantwoorde aquacultuur, onder meer met betrekking tot de uitvoering van de doelstellingen en beginselen die zijn opgenomen in de FAO-Gedragscode voor een verantwoorde visserij.

4.    Elke Partij moet samenwerken met de andere Partij en binnen regionale organisaties voor visserijbeheer en andere internationale fora met als doel duurzaam visserijbeheer te bereiken.

ARTIKEL 26.9

Handel en verantwoord beheer van toeleveringsketens

1.    De Partijen erkennen het belang van een verantwoord beheer van de toeleveringsketens door middel van verantwoord ondernemerschap en maatschappelijk verantwoord ondernemen, die bijdragen tot een gunstig klimaat, en de rol die de handel speelt bij het nastreven van de doelstelling van verantwoord beheer van toeleveringsketens.

2.    Overeenkomstig lid 1:

a)    bevordert elke Partij maatschappelijk verantwoord ondernemen of verantwoord ondernemerschap, onder meer door ondernemingen te stimuleren de desbetreffende praktijken toe te passen; en


b)    ondersteunt elke Partij de verspreiding en het gebruik van relevante internationale instrumenten, zoals de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, die in november 1977 in Genève is aangenomen, het Global Compact van de VN en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten die door de Mensenrechtenraad zijn bekrachtigd bij zijn Resolutie 17/4 van 16 juni 2011.

3.    De Partijen erkennen het nut van internationale sectorspecifieke richtsnoeren op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen of verantwoord ondernemerschap, zoals de OESO-richtsnoeren voor passende zorgvuldigheid voor verantwoorde toeleveringsketens, en bevorderen gezamenlijke werkzaamheden in dit verband, onder meer met betrekking tot derde landen. Elke Partij bevordert het gebruik van de richtsnoeren die door die Partij zijn goedgekeurd.

4.    Elke Partij wisselt informatie en beste praktijken uit en werkt in voorkomend geval bilateraal, regionaal en in internationale fora samen met de andere Partij bij aangelegenheden die onder dit artikel vallen.


ARTIKEL 26.10

Andere handels- en investeringsgerelateerde initiatieven ten behoeve van duurzame ontwikkeling

1.    De Partijen bevestigen hun verbintenis om de bijdrage van handel en investeringen aan de doelstelling van in economisch, sociaal en ecologisch opzicht duurzame ontwikkeling te versterken.

2.    Overeenkomstig lid 1 bevordert elke Partij:

a)    het handels- en het investeringsbeleid ter ondersteuning van de doelstellingen van de IAO-Agenda voor waardig werk, dat in overeenstemming is met de Verklaring van de IAO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008, waaronder beleid inzake loon, inkomen en werktijden, inclusieve sociale bescherming, gezondheid en veiligheid op het werk, en andere aspecten in verband met de arbeidsomstandigheden;

b)    vergemakkelijking van handel en investeringen in milieugoederen en -diensten, met inbegrip van die welke van bijzonder belang zijn voor matiging van de klimaatverandering, zoals duurzame en hernieuwbare energie en energiezuinige producten en diensten, onder meer door niet-tarifaire belemmeringen ter zake aan te pakken, beleidskaders die bevorderlijk zijn voor de toepassing van de beste beschikbare oplossingen vast te stellen en samen te werken met betrekking tot initiatieven op dat gebied; en


c)    de handel in goederen die bijdragen tot betere sociale voorwaarden en milieuvriendelijker werkwijzen, waaronder goederen die onder vrijwillige duurzaamheidsregelingen vallen, zoals programma’s voor eerlijke en ethische handel alsmede milieukeurmerken.

3.    Elke Partij moet bij aangelegenheden die onder dit artikel vallen bilateraal, regionaal en in internationale fora samenwerken met de andere Partij.

ARTIKEL 26.11

Wetenschappelijke en technische informatie

1.    Bij het vaststellen of toepassen van maatregelen ter bescherming van het milieu of de veiligheid en gezondheid op het werk die van invloed kunnen zijn op de handel of de investeringen, houdt elke Partij rekening met beschikbare wetenschappelijke en technische informatie, relevante internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen.

2.    Indien volledige wetenschappelijke zekerheid ontbreekt en er sprake is van gevaar voor ernstige of onomkeerbare schade voor het milieu of de veiligheid en gezondheid op het werk, kan een Partij kosteneffectieve maatregelen vaststellen op basis van het voorzorgsbeginsel. Die maatregelen zijn in overeenstemming met of gerechtvaardigd op grond van deze overeenkomst. Zij worden gebaseerd op de beschikbare relevante gegevens en worden regelmatig geëvalueerd in het licht van nieuwe wetenschappelijke informatie.


ARTIKEL 26.12

Transparantie

Wanneer een Partij maatregelen van algemene strekking vaststelt en uitvoert die gericht zijn op de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden en die de handel en investeringen tussen de Partijen negatief kunnen beïnvloeden, of handels- of investeringsmaatregelen die de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden kunnen beïnvloeden, dan doet zij dit overeenkomstig hoofdstuk 27 (Transparantie) en biedt zij belanghebbenden redelijke mogelijkheden hun standpunten ten aanzien van de voorgestelde maatregelen kenbaar te maken overeenkomstig haar interne wetten en voorschriften.

ARTIKEL 26.13

Samenwerking inzake handel en duurzame ontwikkeling

1.    De Partijen erkennen het belang van samenwerking om de doelstellingen van dit hoofdstuk te verwezenlijken.

2.    De in lid 1 bedoelde samenwerking kan betrekking hebben op gebieden als:

a)    de arbeids- en milieuaspecten van handel en duurzame ontwikkeling in internationale fora, met inbegrip van met name de WTO, de IAO, de Milieuvergadering en het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en multilaterale milieuovereenkomsten;


b)    het effect van de arbeids- en milieuwetgeving en normen op handel en investeringen; en

c)    het effect van de handels- en investeringswetgeving op arbeid en het milieu.

3.    De in lid 1 bedoelde samenwerking kan ook betrekking hebben op de handelsgerelateerde aspecten van:

a)    de fundamentele, governance- en andere bijgewerkte IAO-verdragen die relevant zijn voor de handel;

b)    de Agenda voor waardig werk van de IAO, daaronder begrepen samenwerking op het gebied van het verband tussen handel en volledige en productieve werkgelegenheid, het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt, de fundamentele arbeidsnormen, waardig werk in de mondiale toeleveringsketens, sociale bescherming en sociale integratie, sociale dialoog, de ontwikkeling van vaardigheden en gelijke kansen voor mannen en vrouwen;

c)    multilaterale milieuovereenkomsten, met inbegrip van samenwerking op douanegebied en steun voor elkaars deelname aan dergelijke overeenkomsten;

d)    de huidige en toekomstige internationale regeling in verband met klimaatverandering, daarbij inbegrepen manieren ter bevordering van koolstofarme technologieën en energie-efficiëntie, de voorbereiding en invoering van koolstofbeprijzing met inbegrip van emissiehandelssystemen, op ecosystemen en op waterbeheer gebaseerde benaderingen voor aanpassing aan de klimaatverandering;


e)    het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken en de wijziging van Kigali daarbij, in het bijzonder:

i)    maatregelen om toezicht te houden op de productie en het verbruik van en de handel in ozonaantastende stoffen en fluorkoolwaterstoffen (HFK’s);

ii)    de invoering van milieuvriendelijke alternatieven;

iii)    de actualisering van normen; en

iv)    de bestrijding van de illegale handel in onder die overeenkomst vallende stoffen;

f)    de bevordering van inclusieve groene groei en een circulaire economie;

g)    transparante particuliere en publieke duurzaamheidsregelingen, met inbegrip van milieukeuren;

h)    de bescherming en het herstel van ecosystemen, de toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik ervan, in overeenstemming met het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik bij het Verdrag inzake biologische diversiteit, gedaan te Nagoya op 29 oktober 2010, alsook de waardering van ecosystemen en de bijbehorende diensten en economische instrumenten;


i)    maatschappelijk verantwoord ondernemen, verantwoord ondernemerschap en verantwoord beheer van mondiale toeleveringsketens, onder meer met betrekking tot de naleving, de uitvoering en de verspreiding van internationaal overeengekomen instrumenten;

j)    de milieuvriendelijke verwerking van chemische stoffen en afval;

k)    de bevordering van de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit, onder meer door de bestrijding van de in artikel 26.6 bedoelde illegale handel in wilde dieren en planten;

l)    de bevordering van de instandhouding en het duurzame beheer van bossen teneinde ontbossing en houtkap een halt toe te roepen, met inbegrip van de bevordering van de handel in bosproducten die geen aanleiding hebben gegeven tot ontbossing of bosdegradatie, als bedoeld in artikel 26.7; en

m)    de bevordering van duurzame visserijpraktijken en de handel in producten afkomstig uit duurzaam beheerde visbestanden, alsook de bescherming en het herstel van het mariene milieu, als bedoeld in artikel 26.8.


ARTIKEL 26.14

Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling

1.    Het bij artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst), lid 1, punt l), opgerichte Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling komt binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, tenzij de Partijen anders zijn overeengekomen, en vervolgens wanneer het nodig is, overeenkomstig artikel 1.4 (Subcomités en andere organen) van deel IV van deze overeenkomst.

2.    Het Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling:

a)    vergemakkelijkt en houdt toezicht op de daadwerkelijke uitvoering en het beheer van dit hoofdstuk, met inbegrip van samenwerkingsactiviteiten die in het kader van dit hoofdstuk worden ondernomen;

b)    voert de in de artikelen 26.17 tot en met 26.19 bedoelde taken uit;

c)    doet aanbevelingen aan de Gemengde Commissie, onder meer met betrekking tot onderwerpen die moeten worden besproken met de interne adviesgroep en het forum voor het maatschappelijk middenveld als bedoeld in artikel 1.7 (Interne adviesgroepen) en artikel 1.8 (Forum voor het maatschappelijk middenveld) van deel IV van deze overeenkomst, en

d)    neemt alle andere aangelegenheden met betrekking tot dit hoofdstuk waarover de Partijen het eens zijn in aanmerking.


3.    Het Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling brengt na elk van haar vergaderingen een openbaar verslag uit.

4.    Elke Partij houdt terdege rekening met mededelingen en standpunten van het publiek over aangelegenheden met betrekking tot dit hoofdstuk en deelt dergelijke mededelingen en standpunten mee aan het Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling en haar mechanismen van het maatschappelijk middenveld als bedoeld in artikel 1.6 (Betrekkingen met het maatschappelijk middenveld) van deel IV van deze overeenkomst.

ARTIKEL 26.15

Contactpunten inzake handel en duurzame ontwikkeling

Elke Partij wijst een contactpunt aan om de communicatie en coördinatie tussen de Partijen aangaande aangelegenheden in verband met de uitvoering van dit hoofdstuk te vergemakkelijken, en deelt de andere Partij de contactgegevens daarvan mee. De Partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen van die contactgegevens.


ARTIKEL 26.16

Geschillenbeslechting

In geval van onenigheid tussen de Partijen over de interpretatie of de toepassing van dit hoofdstuk, maken de Partijen uitsluitend gebruik van de in de artikelen 26.17 en 26.18 bedoelde geschillenbeslechtingsprocedures.

ARTIKEL 26.17

Overleg

1.    Een Partij kan om overleg met de andere Partij verzoeken over de interpretatie en toepassing van dit hoofdstuk, door bij het overeenkomstig artikel 26.15 ingestelde contactpunt van de andere Partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen. Het verzoek bevat de redenen waarom om overleg worden verzocht, met inbegrip van een beschrijving van de aangelegenheid in kwestie. Het overleg begint onverwijld na de indiening van het verzoek om overleg door een Partij, en in elk geval uiterlijk dertig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek, tenzij de Partijen anders overeenkomen. Het overleg wordt in persoon bijgewoond of vindt, indien de Partijen dit overeenkomen, langs elektronische weg plaats.


2.    De Partijen treden in overleg teneinde een voor beide Partijen bevredigende oplossing voor de aangelegenheid te bereiken. Met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de in dit hoofdstuk bedoelde multilaterale overeenkomsten houden de Partijen rekening met informatie van de IAO of relevante multilaterale milieuorganisaties of -instanties, teneinde samenhang tussen de werkzaamheden van de Partijen en de werkzaamheden van die organisaties of instanties te waarborgen. In voorkomend geval en indien onderling overeengekomen, winnen de Partijen advies in bij die organisaties of organen, of bij elke andere deskundige die of elk ander orgaan dat zij geschikt achten.

3.    Indien een Partij, dertig dagen na de datum van ontvangst van het in lid 1 bedoelde verzoek, van oordeel is dat de zaak verder moet worden besproken, kan die Partij schriftelijk verzoeken het Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling bijeen te roepen en dat verzoek aanmelden bij het in lid 1 bedoelde contactpunt.Het Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling komt onverwijld bijeen en streeft ernaar een wederzijds bevredigende oplossing te vinden voor de kwestie.

4.    Het Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling wint, in voorkomend geval, advies in bij de in artikel 1.7 (Interne adviesgroepen) van deel IV van deze overeenkomst bedoelde interne adviesgroepen of zij wint ander deskundigenadvies in.

5.    Alle door de Partijen bereikte oplossingen worden openbaar gemaakt.


ARTIKEL 26.18

Deskundigenpanel

1.    Indien de Partijen, binnen negentig dagen na het verzoek om overleg overeenkomstig artikel 26.17, geen wederzijds bevredigende oplossing hebben bereikt, kan een Partij verzoeken een deskundigenpanel in te stellen om de zaak te onderzoeken. Dat verzoek wordt schriftelijk ingediend bij het op grond van artikel 26.15 aangewezen contactpunt van de andere Partij. Het verzoek bevat de redenen voor het verzoek om instelling van een deskundigenpanel, alsook een vermelding van de rechtsgrondslag voor de klacht.

2.    Tenzij anders bepaald in dit artikel, zijn de artikelen 31.6 (Instelling van een panel), 31.10 (Taken van het panel), 31.20 (Vervanging van panelleden), 31.21 (Reglement van orde), 31.22 (Opschorting en beëindiging), 31.23 (Ontvangst van informatie) en 31.24 (Interpretatieregels); en afdeling E (Algemene bepalingen) van hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting); alsook de bijlagen 31-A (Reglement van orde) en 31-B (Gedragscode voor panelleden en bemiddelaars) van toepassing.


3.    Het Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling stelt op haar eerste bijeenkomst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst van ten minste 15 personen op die bereid en in staat zijn om als panelleden zitting te nemen in het deskundigenpanel. Die lijst bestaat uit drie deellijsten: een deellijst voor elke Partij en een deellijst van personen die geen onderdaan van een van de Partijen zijn en als voorzitter van het deskundigenpanel kunnen optreden. Elke Partij draagt ten minste vijf personen voor haar eigen deellijst voor. De Partijen kiezen ook ten minste vijf personen voor de lijst van voorzitters. Het Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling zorgt ervoor dat de lijst wordt geactualiseerd en dat het aantal deskundigen steeds ten minste 15 personen bedraagt.

4.    De in lid 3 bedoelde personen beschikken over gespecialiseerde kennis of deskundigheid op het gebied van arbeids- of milieurecht, kwesties waarop dit hoofdstuk betrekking heeft, of de beslechting van geschillen in het kader van internationale overeenkomsten. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies van enige organisatie of regering aan met betrekking tot de onenigheid, zijn niet verbonden aan de regering van een van de Partijen, en nemen de bepalingen van bijlage 31-B (Gedragscode voor panelleden en bemiddelaars) in acht.

5.    Er wordt een deskundigenpanel ingesteld in overeenstemming met de procedures van artikel 31.6 (Instelling van een panel), leden 2 en 3. De deskundigen worden gekozen uit de personen op de in lid 3 van dit artikel bedoelde deellijsten, overeenkomstig artikel 31.7 (Samenstelling van een panel).


6.    Tenzij de Partijen binnen vijf dagen na de datum van instelling van het deskundigenpanel, zoals bepaald in artikel 31.6 (Instelling van een panel), lid 3, anders overeenkomen, luidt het mandaat van het panel als volgt:

“in het licht van de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk 26 (Handel en duurzame ontwikkeling) van deel III (Handel en investeringen) van deze overeenkomst, de aangelegenheid onderzoeken die is beschreven in het verzoek om instelling van het deskundigenpanel, tot bevindingen komen en aanbevelingen doen voor de oplossing van de kwestie, en een verslag uitbrengen overeenkomstig artikel 26.18 (Deskundigenpanel), lid 8”.

7.    In aangelegenheden met betrekking tot de naleving van de in dit hoofdstuk bedoelde multilaterale overeenkomsten streeft het deskundigenpanel ernaar inlichtingen en advies in te winnen bij de desbetreffende organen van de IAO of andere in het kader van multilaterale milieuovereenkomsten ingestelde organen.

8.    Het deskundigenpanel legt aan de Partijen binnen negentig dagen na de instelling van het deskundigenpanel een tussentijds verslag en uiterlijk dertig dagen na het uitbrengen van het tussentijdse verslag een eindverslag voor. Deze verslagen vermelden de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasbaarheid van de desbetreffende bepalingen, alsmede de beweegredenen die aan de bevindingen en aanbevelingen ten grondslag liggen. Elke Partij maakt het eindverslag openbaar binnen 15 dagen na de datum waarop het door het deskundigenpanel is voorgelegd.


9.    De Partijen bespreken, rekening houdend met het verslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel, welke passende maatregelen moeten worden getroffen. De Partij die passende maatregelen uitvoert, stelt haar in artikel 1.7 (Interne adviesgroepen) van deel IV van deze overeenkomst bedoelde interne adviesgroep en de andere Partij in kennis van eventuele acties of maatregelen die uiterlijk drie maanden nadat het verslag openbaar is gemaakt, moeten worden uitgevoerd. Het Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling houdt toezicht op de follow-up van het verslag van het deskundigenpanel en de aanbevelingen ervan. De in artikel 1.7 (Interne adviesgroepen) van deel IV van deze overeenkomst bedoelde interne adviesgroepen kunnen in dit verband opmerkingen indienen bij het Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling.

ARTIKEL 26.19

Evaluatie

1.    Ter versterking van de doeltreffende uitvoering van dit hoofdstuk starten de Partijen bij de inwerkingtreding van de overeenkomst een formeel evaluatieproces, onder meer rekening houdend met de ervaringen die zijn opgedaan met de uitvoering van dit hoofdstuk, de beleidsontwikkelingen in elke Partij, ontwikkelingen in internationale overeenkomsten en standpunten die door belanghebbenden zijn ingebracht. De Partijen zullen ernaar streven het evaluatieproces binnen 12 maanden af te ronden.


2.    Voor de toepassing van lid 1 bespreken de Partijen tijdens de vergaderingen van het Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling de werking van de institutionele bepalingen en de bepalingen inzake geschillenbeslechting zoals uiteengezet in de artikelen 26.14 tot en met 26.18, met inbegrip van een mogelijke evaluatie van de doeltreffendheid ervan en de versterking van het handhavingsmechanisme, met inbegrip van de mogelijkheid om een nalevingsfase toe te passen, alsook relevante tegenmaatregelen als uiterste redmiddel.

3.    Het Subcomité Handel en Duurzame Ontwikkeling kan wijzigingen van de desbetreffende bepalingen van dit hoofdstuk voorbereiden waarin het resultaat van de in de leden 1 en 2 bedoelde besprekingen tot uiting komen, in overeenstemming met de in artikel 2.4 (Wijziging) van deel IV van de overeenkomst vastgestelde wijzigingsprocedure.

4.    Onverminderd het resultaat van de evaluatie overwegen de Partijen ook de mogelijkheid om de Overeenkomst van Parijs als essentieel onderdeel van deze overeenkomst op te nemen, en de wijze om dat te doen.


HOOFDSTUK 27

TRANSPARANTIE

ARTIKEL 27.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “maatregelen van algemene strekking”: wet- en regelgeving, procedures en administratieve besluiten van algemene strekking;

b)    “belanghebbende”: iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een maatregel van algemene strekking kan worden geraakt; en

c)    “administratieve maatregel”: een maatregel of besluit met rechtsgevolgen die of dat in een individueel geval gevolgen heeft voor de rechten en verplichtingen van een specifieke persoon, en betrekking heeft op een administratieve maatregel of het niet nemen van een administratieve maatregel of besluit als bepaald in het recht van de Partij.


ARTIKEL 27.2

Doelstelling

De Partijen streven ernaar een transparant regelgevingskader te bevorderen.

ARTIKEL 27.3

Publicatie

1.    Elke Partij ziet erop toe dat elke maatregel van algemene strekking met betrekking tot alle aangelegenheden die onder dit deel van de overeenkomst vallen:

a)    snel en gemakkelijk wordt gepubliceerd via een officieel aangewezen medium en, indien dit haalbaar is, langs elektronische weg, of anderszins beschikbaar wordt gesteld op zodanige wijze dat handelaren en andere belanghebbenden zich ermee vertrouwd kunnen maken; en

b)    indien vastgesteld op het centrale overheidsniveau, een toelichting op het doel en de motivering ervan bevat.

2.    Bij het invoeren of wijzigen van een in lid 1 bedoelde maatregel biedt elke Partij, voor zover mogelijk, tussen de publicatie en de inwerkingtreding voldoende tijd om zich ermee vertrouwd te maken.


ARTIKEL 27.4

Informatieverstrekking

1.    Een Partij verstrekt, op verzoek van de andere Partij, onverwijld informatie en beantwoordt onverwijld vragen over bestaande of voorgestelde maatregelen van algemene strekking die de werking van deze overeenkomst wezenlijk beïnvloeden.

2.    Overeenkomstig dit artikel verstrekte informatie loopt niet vooruit op de vraag of de maatregel in overeenstemming met deze overeenkomst is.

ARTIKEL 27.5

Uitvoering van maatregelen van algemene strekking

1.    Elke Partij voert op objectieve, onpartijdige, consequente en redelijke wijze alle maatregelen van algemene strekking uit met betrekking tot alle aangelegenheden die onder dit deel van de overeenkomst vallen.


2.    Bij het toepassen van maatregelen van algemene strekking in specifieke gevallen op bepaalde personen, goederen of diensten van de andere Partij:

a)    streeft elke Partij ernaar een persoon voor wie een administratieve procedure rechtstreeks gevolgen heeft, tijdig en overeenkomstig haar wet- en regelgeving in kennis te stellen van de inleiding van een procedure, met daarbij een beschrijving van de aard van de procedure, een verklaring over de rechtsgrondslag voor de inleiding van de procedure en een algemene beschrijving van alle controversiële kwesties;

b)    biedt elke Partij die persoon een redelijke mogelijkheid om feiten en argumenten tot staving van het standpunt van die persoon naar voren te brengen voordat tot een definitieve administratieve maatregel wordt overgegaan, indien de tijd, de aard van de procedure en het openbaar belang dit toestaan; en

c)    ziet elke Partij erop toe dat de procedures in overeenstemming zijn met haar recht.


ARTIKEL 27.6

Toetsing en beroep

1.    Elke Partij voert rechterlijke, arbitrale of administratieve instanties of procedures in, of houdt deze in stand, met het oog op een onverwijlde toetsing en, indien gerechtvaardigd, correctie van een administratieve maatregel met betrekking tot aangelegenheden waarop dit deel van de overeenkomst van toepassing is 85 . Elke Partij ziet erop toe dat haar beroeps- of toetsingsprocedures op niet-discriminerende en onpartijdige wijze worden uitgevoerd door gerechten die onafhankelijk zijn van de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving en die geen materieel belang bij de uitkomst van de aangelegenheid hebben.

2.    Elke Partij ziet erop toe dat de partijen bij de in lid 1 bedoelde procedures het recht krijgen op:

a)    een redelijke mogelijkheid om hun respectieve standpunten te staven of te verdedigen; en

b)    een beslissing die is gebaseerd op bewijsmateriaal en ingediende stukken, of, indien de wet dat vereist, op het door de bevoegde administratieve autoriteit samengestelde dossier.


3.    De in punt 2, b), bedoelde beslissing wordt, onder voorbehoud van beroep of verdere toetsing overeenkomstig het recht van die Partij, uitgevoerd door, en komt ten grondslag te liggen aan de praktijk van het bureau dat of de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving.


HOOFDSTUK 28

GOEDE REGELGEVINGSPRAKTIJKEN

ARTIKEL 28.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “regelgevende autoriteit”:

i)    voor de Europese Unie: de Europese Commissie; en

ii)    voor Mexico: de federale overheid, met inbegrip van alle gedecentraliseerde organen van de federale overheid; en


b)    “regelgevingsmaatregelen”: maatregelen van algemene strekking die zijn ontwikkeld door een regelgevende autoriteit en aangenomen door een Partij en waarvan de naleving verplicht is, te weten:

i)    voor de Europese Unie:

A)    verordeningen en richtlijnen als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU); en

B)    gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen als bedoeld in artikel 290 respectievelijk artikel 291 VWEU; en

ii)    voor Mexico:

A)    wetten en wetsbesluiten van de uitvoerende macht van de federale regering; en

B)    alle overige administratieve handelingen van algemene strekking, met inbegrip van, maar niet beperkt tot verordeningen, decreten, overeenkomsten en Normas Oficiales Mexicanas (“NOM’s”, officiële Mexicaanse normen).


ARTIKEL 28.2

Algemene beginselen

1.    De Partijen erkennen het belang van:

a)    het gebruik van goede regelgevingspraktijken bij het plannen, ontwerpen, uitvaardigen, uitvoeren, evalueren en toetsen van regelgevingsmaatregelen om de interne beleidsdoelstellingen te verwezenlijken; en

b)    het behoud en de verbetering van de voordelen van deze overeenkomst door gebruik te maken van goede regelgevingspraktijken om de handel in goederen en diensten te vergemakkelijken en de investeringen tussen de Partijen te verhogen.

2.    Elke Partij heeft het recht haar benadering van goede regelgevingspraktijken in het kader van deze overeenkomst te bepalen op een wijze die in overeenstemming is met haar eigen wettelijke kader en wettelijke praktijk alsmede met de fundamentele beginselen 86 die aan haar regelgevingsstelsel ten grondslag liggen.


3.    De bepalingen in dit hoofdstuk worden niet zodanig uitgelegd dat een Partij verplicht is:

a)    af te wijken van interne procedures voor het vaststellen van haar prioriteiten op regelgevingsgebied en voor het opstellen en vaststellen van regelgevingsmaatregelen waarmee de beschermingsniveaus die zij passend acht worden gewaarborgd;

b)    te handelen op een wijze die de tijdige vaststelling van regelgevingsmaatregelen ter verwezenlijking van haar doelstellingen van overheidsbeleid zou ondermijnen of belemmeren; of

c)    een specifiek resultaat inzake regelgeving te bereiken.

ARTIKEL 28.3

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op regelgevingsmaatregelen met betrekking tot aangelegenheden waarop dit deel van de overeenkomst van toepassing is.

2.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de regelgevende autoriteiten en de regelgevingsmaatregelen, -praktijken of -benaderingen van de lidstaten.


ARTIKEL 28.4

Interne raadpleging en coördinatie van de ontwikkeling van regelgeving

1.    De Partijen erkennen dat de uitvoering van goede regelgevingspraktijken kan worden vergemakkelijkt door middel van interne mechanismen ter verbetering van de interne raadpleging en coördinatie die nodig zijn voor processen of mechanismen voor de ontwikkeling van regelgevingsmaatregelen.

2.    Elke Partij stelt procedures of mechanismen vast voor de interne coördinatie of toetsing met betrekking tot de regelgevingsmaatregelen die haar regelgevende autoriteit ontwikkelt of houdt deze procedures of mechanismen in stand.

3.    Dergelijke procedures of mechanismen moeten onder meer gericht zijn op:

a)    de bevordering van goede regelgevingspraktijken, met inbegrip van de in dit hoofdstuk beschreven praktijken;

b)    de versterking van interne raadpleging en coördinatie zodat onnodige duplicatie en strijdigheid van de vereisten in de regelgevingsmaatregelen van de Partij kunnen worden vastgesteld en vermeden;

c)    de inachtneming van de potentiële gevolgen van de regelgevingsmaatregelen die worden voorbereid, met inbegrip van maatregelen voor kleine en middelgrote ondernemingen, in het daarop volgende besluitvormingsproces;


d)    de waarborging van de naleving van de internationale handels- en investeringsverplichtingen; en

e)    de inachtneming van relevante ontwikkelingen in internationale en andere fora.

4.    De Partijen erkennen dat de in lid 2 bedoelde procedures of mechanismen afhankelijk van hun respectieve omstandigheden kunnen variëren. In dit opzicht kan elke Partij, overeenkomstig haar interne voorschriften en procedures, haar regelgevingsstelsel verbeteren door middel van aanvullende mechanismen voor interne raadpleging en coördinatie.

5.    Elke Partij kan een centrale coördinerende instantie instellen of handhaven.

ARTIKEL 28.5

Transparantie van de regelgevingsprocedures en -mechanismen

Elke Partij maakt de beschrijvingen van de procedures en mechanismen van haar regelgevende autoriteit voor het opstellen, evalueren of toetsen van regelgevingsmaatregelen openbaar. Die beschrijvingen verwijzen naar de desbetreffende richtsnoeren, regels of procedures, inclusief die betreffende de mogelijkheid voor het publiek om opmerkingen in te dienen.


ARTIKEL 28.6

Vroegtijdige informatie over voorgenomen regelgevingsmaatregelen

1.    Elke Partij maakt ten minste eenmaal per jaar een lijst openbaar van voorgenomen belangrijke 87 regelgevingsmaatregelen die haar regelgevende autoriteit redelijkerwijs binnen een jaar verwacht goed te keuren.

2.    Elke Partij maakt met betrekking tot elke regelgevingsmaatregel die is opgenomen in de in lid 1 bedoelde lijst, eveneens openbaar:

a)    een korte beschrijving van het toepassingsgebied en de doelstellingen ervan; en

b)    de raming van het tijdsbestek voor de goedkeuring ervan, indien mogelijk met inbegrip van de termijn voor openbare raadpleging.


ARTIKEL 28.7

Openbare raadplegingen

1.    Bij het ontwikkelen van een belangrijke regelgevingsmaatregel moet elke Partij, overeenkomstig haar voorschriften en procedures:

a)    ofwel een ontwerpregelgevingsmaatregel ofwel de raadplegingsdocumenten bekendmaken waarin voldoende gegevens over de nieuwe in voorbereiding zijnde regelgevingsmaatregel worden verstrekt om eenieder in staat te stellen te beoordelen of en, zo ja, op welke wijze zijn belangen aanzienlijk zouden kunnen worden geschaad;

b)    eenieder op niet-discriminerende wijze redelijke mogelijkheden bieden om opmerkingen in te dienen; en

c)    de ontvangen opmerkingen in overweging nemen.

2.    Elke Partij moet elektronische communicatiemiddelen gebruiken en ernaar streven één enkel speciaal toegangspunt te gebruiken voor het verstrekken van informatie over openbare raadplegingen, onder meer over de wijze waarop opmerkingen kunnen worden ingediend.


3.    Elke Partij maakt de opmerkingen die zij ontvangt openbaar, alsook een samenvatting van de resultaten van de raadplegingen. Deze verplichting geldt niet voor de mate waarin vertrouwelijke informatie of persoonsgegevens moeten worden beschermd, of waarin ongepaste inhoud moet worden achtergehouden.

ARTIKEL 28.8

Regelgevingseffectbeoordeling

1.    Elke Partij zorgt ervoor dat haar regelgevende autoriteit, overeenkomstig de toepasselijke voorschriften en procedures, bij het ontwikkelen van belangrijke regelgevingsmaatregelen regelgevingseffectbeoordelingen uitvoert.

2.    Bij het uitvoeren van een regelgevingseffectbeoordeling overeenkomstig lid 1 zorgt de regelgevende autoriteit van elke Partij voor de vaststelling of instandhouding van procedures en mechanismen die bevorderen dat er rekening wordt gehouden met de volgende factoren:

a)    de noodzaak van een regelgevingsmaatregel, inclusief de aard en ernst van het probleem dat de regelgevingsmaatregel beoogt aan te pakken;

b)    eventuele haalbare en passende regelgevings- en niet-regelgevingsalternatieven, waaronder de optie om niet te reguleren, waarmee de doelstelling van het overheidsbeleid van die Partij wordt verwezenlijkt;


c)    voor zover mogelijk en relevant, de eventuele kosten en baten en de sociale, economische en milieugevolgen van die alternatieven, inclusief de gevolgen voor de internationale handel en investeringen en voor kleine en middelgrote ondernemingen, waarbij wordt erkend dat sommige kosten en baten moeilijk te kwantificeren en in een geldbedrag uit te drukken zijn;

d)    de verhouding van de overwogen opties tot de desbetreffende internationale normen inclusief, in voorkomend geval, de reden voor eventuele afwijkingen daarvan; en

e)    de wijze waarop de doelstellingen van het overheidsbeleid het beste worden verwezenlijkt wat doeltreffendheid en efficiëntie betreft.

3.    De regelgevende autoriteit baseert zich bij het uitvoeren van een regelgevingseffectbeoordeling overeenkomstig lid 1 op het beste bewijs dat redelijkerwijs kan worden verkregen, met inbegrip van wetenschappelijke, technische, economische of andere informatie.

4.    Met betrekking tot een regelgevingseffectbeoordeling die een regelgevende autoriteit voor een regelgevingsmaatregel heeft uitgevoerd, bereidt de betrokken Partij een eindverslag op waarin de factoren die de regelgevende autoriteit in haar beoordeling heeft meegenomen en de relevante bevindingen uitvoerig worden beschreven. Dat verslag wordt openbaar gemaakt uiterlijk op de dag dat de regelgevingsmaatregel openbaar wordt gemaakt.


ARTIKEL 28.9

Evaluatie achteraf

1.    De regelgevende autoriteit van elke Partij houdt procedures of mechanismen in stand ter bevordering van de periodieke evaluatie of toetsing achteraf van haar regelgevingsmaatregelen, met tussenpozen die zij passend acht.

2.    Bij een periodieke evaluatie achteraf gaan de regelgevende autoriteiten van een Partij na of er mogelijkheden zijn om de doelstellingen van het overheidsbeleid op doeltreffendere wijze te bereiken, en om onnodige regelgevingslasten, ook voor kleine en middelgrote ondernemingen, te verminderen. Op basis van die periodieke evaluaties achteraf moet elke Partij bepalen of haar regelgevingsmaatregelen moeten worden gewijzigd, gestroomlijnd, uitgebreid of ingetrokken.

3.    Elke Partij maakt haar plannen voor en de resultaten van die periodieke evaluaties achteraf, openbaar.


ARTIKEL 28.10

Regelgevingsregister

Elke Partij zorgt ervoor dat van kracht zijnde regelgevingsmaatregelen, overeenkomstig haar voorschriften en procedures, op één enkele, gratis toegankelijke website beschikbaar zijn. Die website moet het mogelijk maken aan de hand van aanhalingen of woorden naar regelgevingsmaatregelen te zoeken, en moet regelmatig worden geactualiseerd.

ARTIKEL 28.11

Contactpunt

1.    De contactpunten voor communicatie tussen de Partijen over aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen zijn:

a)    voor Mexico, het directoraat-generaal Internationale Handelsregelingen van het

ondersecretariaat Buitenlandse Handel van het Ministerie van Economie (Dirección General de Disciplinas de Comercio Internacional de la Subsecretaría de Comercio Exterior de la Secretaría de Economía), of de opvolger daarvan; en

b)    voor de Europese Unie, het directoraat-generaal Handel, of de opvolger daarvan.


2.    Elk contactpunt is verantwoordelijk voor raadpleging van en coördinatie binnen zijn respectieve regelgevende autoriteit, naargelang van het geval, over aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen.

3.    Elke Partij deelt de andere Partij de contactgegevens van haar contactpunt mee en deelt de andere Partij alle wijzigingen van die contactgegevens onverwijld mee.

ARTIKEL 28.12

Samenwerking en uitwisseling van informatie

1.    De Partijen werken samen om de uitvoering van dit hoofdstuk te vergemakkelijken. Het kan hierbij onder meer gaan om het organiseren van alle relevante activiteiten, daarbij inbegrepen wederzijdse bijstand, om de samenwerking tussen hun regelgevende autoriteiten te versterken.

2.    De Partijen wisselen uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst informatie uit over hun bestaande voorschriften en procedures inzake goede regelgevingspraktijken en, in voorkomend geval, over alle ter uitvoering van dit hoofdstuk genomen maatregelen.


ARTIKEL 28.13

Geschillenbeslechting

Een Partij kan met betrekking tot de toepassing of interpretatie van dit hoofdstuk geen beroep doen op geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting).


HOOFDSTUK 29

KLEINE EN MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN

ARTIKEL 29.1

Doelstelling

De Partijen erkennen het belang van de bepalingen van dit hoofdstuk en van andere bepalingen van deze overeenkomst die strekken tot een betere samenwerking tussen de Partijen inzake aangelegenheden die van belang zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen (hierna “kmo’s” genoemd) of die anderszins voor kmo’s bijzonder voordelig kunnen zijn.

ARTIKEL 29.2

Uitwisseling van informatie

1.    Elke Partij creëert of behoudt een publiekelijk toegankelijke website met informatie over deze overeenkomst, waaronder:

a)    de tekst van deze overeenkomst, met inbegrip van alle bijlagen;


b)    een samenvatting van deze overeenkomst; en

c)    op gebruik door kmo’s toegesneden informatie met:

i)    een beschrijving van de bepalingen van deze overeenkomst die de Partij van belang acht voor kmo’s van beide Partijen; en

ii)    eventuele extra informatie die de Partij nuttig acht voor kmo’s die de in het kader van deze overeenkomst geboden kansen willen aangrijpen.

2.    Elke Partij neemt in de in lid 1 bedoelde website links op naar:

a)    de overeenkomstige website van de andere Partij; en

b)    de websites van haar overheidsinstanties en andere relevante entiteiten waarvan de Partij denkt dat die nuttige informatie kunnen verschaffen aan kmo’s die handel willen drijven of zaken willen doen in die Partij.

3.    De in punt 2, b), bedoelde websites bevatten informatie met betrekking tot het volgende:

a)    de douanewet- en regelgeving, en procedures voor invoer, uitvoer en doorvoer, alsmede daartoe vereiste formulieren en documenten;


b)    de wet- en regelgeving en de procedures inzake intellectuele-eigendomsrechten;

c)    de technische voorschriften en, in gevallen waarin conformiteitsbeoordeling door derden verplicht is als bedoeld in hoofdstuk 9 (Technische handelsbelemmeringen), de verplichte conformiteitsbeoordelingsprocedures en links naar lijsten van conformiteitsbeoordelingsinstanties;

d)    de sanitaire en fytosanitaire maatregelen die betrekking hebben op in- en uitvoer;

e)    de voorschriften inzake overheidsopdrachten, een databank met berichten van aanbesteding en de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk 21 (Overheidsopdrachten);

f)    de procedures voor de registratie van bedrijven; en

g)    andere informatie die de Partij nuttig acht voor kmo’s.

4.    Elke Partij neemt in de in lid 1 bedoelde website een link op naar een databank die elektronisch doorzoekbaar is op code van de tariefnomenclatuur. Deze databank:

a)    bevat de volgende informatie met betrekking tot de toegang van goederen tot haar markt:

i)    tarieven van douanerechten en tariefcontingenten, in voorkomend geval, met betrekking tot landen die meest begunstigde naties zijn en landen die geen meest begunstigde naties zijn, alsook preferentiële douanerechten en tariefcontingenten;


ii)    accijnzen;

iii)    de belasting over de toegevoegde waarde;

iv)    douaneheffingen of andere vergoedingen, met inbegrip van productspecifieke vergoedingen;

v)    oorsprongsregels als bedoeld in hoofdstuk 3 (Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures); en

vi)    de criteria voor het bepalen van de douanewaarde van goederen; en

b)    bevat zoveel mogelijk van de volgende informatie met betrekking tot toegang van goederen tot haar markt:

i)    andere tariefmaatregelen;

ii)    teruggave van rechten, uitstel van betaling of andere vormen van hulp ter verlaging, terugbetaling of vrijstelling van douanerechten;

iii)    in voorkomend geval, voorschriften betreffende de aanduiding van het land van oorsprong, inclusief de plaats en de methode voor het aanbrengen daarvan;


iv)    informatie die vereist is voor invoerprocedures; en

v)    informatie over niet-tarifaire maatregelen.

5.    Elke Partij werkt de overeenkomstig de leden 1 tot en met 4 verstrekte informatie en links regelmatig bij om te garanderen dat zij correct zijn.

6.    Elke Partij ziet erop toe dat de overeenkomstig dit artikel verstrekte informatie wordt gepresenteerd op een manier die passend is voor gebruik door kmo’s. Elke Partij streeft ernaar de informatie beschikbaar te stellen in het Engels.

7.    Een Partij vraagt aan personen van een Partij geen vergoeding voor de toegang tot de op grond van de leden 1 tot en met 4 verstrekte informatie.

ARTIKEL 29.3

Kmo-contactpunten

1.    Elke Partij wijst een contactpunt aan (“kmo-contactpunt”) dat belast is met de in dit artikel beschreven taken en deelt de contactgegevens daarvan aan de andere Partij mee. De Partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen van die contactgegevens.


2.    De kmo-contactpunten:

a)    zien erop toe dat de behoeften van kmo’s bij de uitvoering van deze overeenkomst in aanmerking worden genomen en overwegen manieren om de handels- en investeringsmogelijkheden voor kmo’s te vergroten door de samenwerking tussen de Partijen op het gebied van kmo-aangelegenheden te versterken;

b)    brengen manieren in kaart en wisselen informatie uit om kmo’s van de Partijen in staat te stellen de nieuwe kansen die deze overeenkomst biedt aan te grijpen;

c)    zorgen ervoor dat de in de in artikel 29.2 bedoelde websites opgenomen informatie actueel en relevant voor kmo’s is, en overwegen in die websites aanvullende informatie op te nemen die door een kmo-contactpunt kan worden aanbevolen;

d)    pakken alle overige kwesties aan die voor kmo’s van belang zijn in verband met de uitvoering van deze overeenkomst, onder meer door:

i)    onderling informatie uit te wisselen;

ii)    in voorkomend geval, deel te nemen aan de werkzaamheden van de subcomités en werkgroepen die zijn opgericht uit hoofde van deze overeenkomst, en aan die subcomités en werkgroepen, binnen hun respectieve werkgebieden, kwesties en aanbevelingen voor te leggen die van bijzonder belang zijn voor kmo’s, waarbij duplicatie van werkprogramma’s moet worden vermeden; en


iii)    mogelijke wederzijds aanvaardbare oplossingen vast te stellen en voor te stellen ter verbetering van het vermogen van kmo’s om aan de handel en investeringen tussen de Partijen deel te nemen;

e)    brengen regelmatig verslag over hun activiteiten uit ter bestudering door de Gemengde Commissie; en

f)    nemen alle andere, door de Partijen overeen te komen aangelegenheden in verband met kmo’s in het kader van deze overeenkomst in overweging.

3.    Kmo-contactpunten komen bijeen indien dat nodig is, en verrichten hun werkzaamheden via de door de kmo-contactpunten overeengekomen geëigende communicatiekanalen, waaronder e-mail, videoconferentie of andere elektronische communicatiemiddelen.

4.    Kmo-contactpunten kunnen bij het verrichten van hun activiteiten streven naar samenwerking met deskundigen en met externe organisaties, naargelang van het geval.

ARTIKEL 29.4

Niet-toepassing van geschillenbeslechting

Een Partij kan met betrekking tot de interpretatie of toepassing van dit hoofdstuk geen beroep doen op geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 31 (Geschillenbeslechting).


HOOFDSTUK 30

GRONDSTOFFEN

ARTIKEL 30.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    “vergunning”: de toestemming, licentie, concessie of een soortgelijk administratief of contractueel instrument waarmee de bevoegde autoriteit van een Partij een entiteit het recht toekent om op haar grondgebied een bepaalde economische activiteit uit te oefenen;

b)    “entiteit”: elke natuurlijke persoon, onderneming of groep daarvan; en

c)    “grondstoffen”: stoffen gebruikt bij de vervaardiging van industrieproducten, met uitzondering van verwerkte visserijproducten en landbouwproducten, en bestaande uit zout, zwavel, aarde en steen, gips, kalk en cement (GS-post 25); ertsen, slakken en assen (GS-post 26); goederen die onder GS-post 27 vallen; anorganische chemische producten (GS-post 28); organische chemische producten (GS-post 29); meststoffen (GS-post 31); natuurlijk rubber (GS-post 40); huiden, vellen en leder (GS-post 41); en onedele en edele metalen en bewerkte mineralen (ex-GS-posten 71, 72; 74 tot en met 76; 78 tot en met 81), met uitzondering van uranium en thorium (GS-post 26.12) en radioactieve elementen en isotopen (GS-posten 28.44 en 28.45).



ARTIKEL 30.2

Beginselen

1.    Elke Partij behoudt het soevereine recht om, overeenkomstig haar recht en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, ondertekend te Montego Bay op 10 december 1982, te bepalen of er op haar grondgebied gebieden beschikbaar zijn voor de exploratie en productie van grondstoffen.

2.    Overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk behouden de Partijen zich het recht voor de maatregelen vast te stellen, te handhaven en uit te voeren die noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van legitieme doelstellingen van openbaar beleid, zoals het veiligstellen van de voorziening van grondstoffen, de bescherming van de samenleving, het milieu, de volksgezondheid en de consument en de bevordering van de openbare orde en veiligheid.

ARTIKEL 30.3

Monopolies bij in- en uitvoer

Een Partij wijst geen invoer- of uitvoermonopolies voor grondstoffen aan noch handhaaft deze. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder invoer- of uitvoermonopolie verstaan het exclusieve recht of de exclusieve verlening van een machtiging door een Partij aan een entiteit om grondstoffen uit de andere Partij in te voeren of naar de andere Partij uit te voeren 88 .


ARTIKEL 30.4

Uitvoerprijzen

De Partijen stellen door middel van maatregelen geen hogere prijs vast, en handhaven die evenmin, voor de uitvoer van grondstoffen naar de andere Partij dan de prijs die voor die goederen in rekening wordt gebracht wanneer zij bestemd zijn voor de binnenlandse markt.

ARTIKEL 30.5

Binnenlandse prijzen

1.    De Partijen mogen de prijs van de binnenlandse voorziening van grondstoffen (hierna “gereguleerde prijs” genoemd) alleen reguleren door een openbaredienstverplichting op te leggen.

2.    Indien een Partij een openbaredienstverplichting oplegt, ziet zij erop toe dat de verplichting:

a)    duidelijk gedefinieerd, transparant en evenredig is; en

b)    niet wordt gehandhaafd wanneer de omstandigheden of doelstellingen die aanleiding gaven tot het opleggen ervan niet langer bestaan.

3.    Een Partij die de prijs reguleert, ziet erop toe dat de methode aan de hand waarvan de in lid 2 bedoelde gereguleerde prijs wordt berekend, wordt bekendgemaakt voordat die prijs van kracht wordt.



ARTIKEL 30.6

Samenwerking inzake grondstoffen

De Partijen werken samen op het gebied van grondstoffen met onder meer de volgende doelstellingen:

a)    terugdringing of afschaffing van maatregelen die de handel en investeringen in derde landen verstoren en van invloed zijn op grondstoffen;

b)    coördinatie van hun standpunten in internationale fora waar handels- en investeringsvraagstukken met betrekking tot grondstoffen worden besproken, en bevordering van internationale programma’s op het gebied van grondstoffen;

c)    bevordering van de uitwisseling van marktgegevens op het gebied van grondstoffen;

d)    bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen overeenkomstig internationale normen, zoals de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de bijbehorende richtsnoeren voor passende zorgvuldigheid;

e)    bevordering van onderzoek, ontwikkeling, innovatie en opleiding op relevante gebieden van gemeenschappelijk belang met betrekking tot grondstoffen;

f)    bevordering van de uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot interne beleidsontwikkelingen; en

g)    bevordering van een efficiënt hulpbronnengebruik, onder meer door verbetering van de productieprocessen, duurzaamheid, herstelbaarheid, ontwerp met het oog op demontage, gemak van hergebruik en recycling van goederen.


HOOFDSTUK 31

GESCHILLENBESLECHTING

AFDELING A

Doelstelling en toepassingsgebied

ARTIKEL 31.1

Doelstelling

Het doel van dit hoofdstuk is een doeltreffend en doelmatig mechanisme op te zetten om geschillen tussen de Partijen over de interpretatie en toepassing van dit deel van de overeenkomst te vermijden of te beslechten teneinde waar mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.


ARTIKEL 31.2

Toepassingsgebied

Tenzij anders bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing met betrekking tot elk geschil tussen de Partijen over de interpretatie of toepassing van de bepalingen van dit deel van de overeenkomst (hierna de “betrokken bepalingen” genoemd), indien een Partij van mening is dat een maatregel 89 van de andere Partij niet in overeenstemming is met een van de betrokken bepalingen.

ARTIKEL 31.3

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de definities van bijlage 31-A (Reglement van orde) en bijlage 31-B (Gedragscode voor panelleden en bemiddelaars) van toepassing.


ARTIKEL 31.4

Forumkeuze

1.    Indien in verband met een specifieke maatregel een geschil ontstaat over een mogelijke strijdigheid met een verplichting in het kader van dit deel van de overeenkomst en een in wezen gelijkwaardige verplichting uit hoofde van een andere internationale overeenkomst waarbij beide Partijen partij zijn, met inbegrip van de WTO-Overeenkomst, kiest de Partij die de procedure inleidt het forum om het geschil bij te leggen.

2.    Zodra een Partij de procedures voor de geschillenbeslechting uit hoofde van deze afdeling of uit hoofde van een andere internationale overeenkomst heeft ingeleid, leidt die Partij met betrekking tot de in lid 1 bedoelde maatregel niet ook geschillenbeslechtingsprocedures in een ander forum in, tenzij het eerst gekozen forum om procedurele of bevoegdheidsredenen geen uitspraak kan doen.

3.    Voor de toepassing van dit artikel geldt het volgende:

a)    een procedure voor geschillenbeslechting krachtens deze afdeling wordt geacht te zijn ingeleid wanneer een Partij overeenkomstig artikel 31.6 een verzoek tot instelling van een panel indient;

b)    procedures voor geschillenbeslechting krachtens de WTO-Overeenkomst worden geacht te zijn ingeleid wanneer een Partij overeenkomstig artikel 6 van het DSU een verzoek tot instelling van een panel indient; en


c)    een procedure voor geschillenbeslechting krachtens enige andere overeenkomst wordt geacht te zijn ingeleid overeenkomstig de relevante bepalingen van die overeenkomst.

4.    Onverminderd lid 2, belet geen van de bepalingen in deze overeenkomst een Partij om de opschorting van verplichtingen die door het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO of uit hoofde van de geschillenbeslechtingsprocedure van een andere internationale overeenkomst waarbij de Partijen Partij zijn, is toegestaan, ten uitvoer te leggen. Op de WTO-Overeenkomst of enige andere internationale overeenkomst tussen de Partijen kan geen beroep worden gedaan om te beletten dat een Partij de verplichtingen uit hoofde van dit deel van de overeenkomst opschort.

AFDELING B

Overleg

ARTIKEL 31.5

Overleg

1.    De Partijen streven ernaar alle geschillen als bedoeld in artikel 31.2 op te lossen door te goeder trouw overleg te voeren, teneinde tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.


2.    Een Partij verzoekt de andere Partij schriftelijk om overleg en geeft daarbij aan om welke maatregel het gaat en welke bepalingen zij van toepassing acht.

3.    De Partij waaraan het verzoek om overleg wordt gericht, beantwoordt het verzoek onverwijld en uiterlijk tien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek. Het overleg wordt binnen uiterlijk dertig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek gehouden en vindt, tenzij de Partijen anders overeenkomen, plaats op het grondgebied van de Partij waaraan het verzoek is gericht. Het overleg wordt dertig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geacht te zijn afgesloten tenzij de Partijen overeenkomen het overleg voort te zetten.

4.    Overleg over urgente aangelegenheden, zoals wanneer het bederfelijke waren betreft, wordt binnen 15 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geopend. Het overleg wordt binnen die 15 dagen geacht te zijn afgesloten, tenzij de Partijen overeenkomen het overleg voort te zetten.

5.    Tijdens het overleg verstrekt elke Partij de andere Partij voldoende feitelijke informatie om een volledig onderzoek mogelijk te maken van de wijze waarop de maatregel in kwestie gevolgen kan hebben voor de toepassing van dit deel. Elke Partij streeft ernaar de deelname te garanderen van personeel van haar bevoegde overheidsinstanties die deskundig zijn op het gebied waarover het overleg plaatsvindt.

6.    Het overleg, en in het bijzonder alle tijdens het overleg door de Partijen ingenomen standpunten, is vertrouwelijk en laat de rechten van elk van de Partijen in latere procedures onverlet. Elke Partij beschermt vertrouwelijke informatie die is ontvangen in de loop van het overleg zoals gevraagd door de Partij die de informatie verstrekt.


7.    Indien de Partij waaraan het verzoek om overleg is gericht niet binnen tien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek hierop reageert, indien het overleg niet binnen de in lid 3 of 4 vastgestelde termijn wordt gehouden, indien de Partijen overeenkomen geen overleg te voeren of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing is bereikt, kan de Partij die om overleg heeft verzocht een beroep doen op artikel 31.6.

AFDELING C

Werkwijze van het panel

ARTIKEL 31.6

Instelling van een panel

1.    Indien de Partijen er niet in slagen het geschil door middel van het in artikel 31.5 bedoelde overleg bij te leggen, kan de Partij die om overleg heeft verzocht om de instelling van een panel verzoeken.

2.    Het verzoek om instelling van een panel wordt gedaan door middel van een schriftelijk verzoek dat aan de andere Partij wordt meegedeeld. De klagende Partij vermeldt in haar verzoek welke maatregel in het geding is en legt uit, op zodanige wijze dat de rechtsgrond van de klacht duidelijk is, waarom die maatregel indruist tegen de betrokken bepalingen.


3.    Na ontvangst van het verzoek wordt een panel ingesteld.

ARTIKEL 31.7

Samenstelling van een panel

1.    Een panel bestaat uit drie panelleden.

2.    Binnen 15 dagen na de datum van ontvangst van het schriftelijke verzoek om instelling van een panel door de Partij waartegen de klacht is gericht, treden de Partijen met elkaar in overleg om overeenstemming te bereiken over de samenstelling van het panel. Daartoe wijst elke Partij, binnen tien dagen na de datum van ontvangst van het schriftelijke verzoek overeenkomstig artikel 31.6, een panellid aan dat onderdaan van die Partij kan zijn, en stelt zij de andere Partij maximaal drie kandidaten voor die als voorzitter kunnen optreden. De Partijen streven ernaar binnen 15 dagen na de datum van ontvangst van het schriftelijke verzoek overeenkomstig artikel 31.6 overeenstemming te bereiken over de voorzitter uit de kandidaten voor de functie van voorzitter. Een Partij kan bezwaar maken tegen een door de andere Partij aangewezen panellid indien zij van mening is dat die persoon niet voldoet aan de eisen van artikel 31.9.

3.    Indien de Partijen het niet binnen de in lid 2 vastgestelde termijn eens kunnen worden over de samenstelling van het panel, passen de Partijen de in de volgende leden vastgestelde procedures toe om een panel samen te stellen.


4.    Elke Partij wijst, binnen zeven dagen na het verstrijken van de in lid 2 vastgestelde termijn, een panellid aan uit haar deellijst als bedoeld in artikel 31.8.

5.    Indien de klagende Partij niet binnen de in lid 4 genoemde termijn een panellid aanwijst, vervalt de geschillenbeslechtingsprocedure bij het verstrijken van die termijn.

6.    Indien de verwerende Partij niet binnen de in lid 4 genoemde termijn een panellid aanwijst, kan de klagende Partij een in het reglement van orde in bijlage 31-A opgenomen tot aanstelling bevoegd gezag verzoeken het panellid door middel van loting aan te wijzen. Het tot aanstelling bevoegde gezag wijst binnen 15 dagen na ontvangst van het verzoek van de klagende Partij het panellid door middel van loting aan uit de in artikel 31.8 bedoelde deellijst van de verwerende Partij.

7.    Indien de Partijen niet binnen de in lid 2 vastgestelde termijn overeenstemming bereiken over de voorzitter, kan de klagende Partij of, in geval van procedures overeenkomstig artikel 31.18, elk van de Partijen, binnen zeven dagen na het verstrijken van die termijn een in het reglement van orde in bijlage 31-A opgenomen tot aanstelling bevoegd gezag verzoeken de voorzitter van het panel door middel van loting aan te wijzen uit de in artikel 31.8 bedoelde deellijst van personen die dienen als voorzitter. De tot aanstelling bevoegde autoriteit wijst binnen 15 dagen na de ontvangst van het verzoek van die Partij de voorzitter aan.

8.    Voor de toepassing van de leden 6 en 7 wijzen de in het reglement van orde in bijlage 31-A opgenomen tot aanstelling bevoegde autoriteiten de panelleden aan overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk en het reglement van orde in bijlage 31-A.


9.    Indien geen van de in artikel 31.8 genoemde lijsten wordt aangenomen door de Gemengde Commissie, worden de panelleden of de voorzitter benoemd uit de personen die zijn aangewezen door één Partij of beide Partijen, en schriftelijk aan de andere Partij meegedeeld.

ARTIKEL 31.8

Lijsten van panelleden

1.    De Gemengde Commissie stelt uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst vast van ten minste 15 personen die bereid en in staat zijn om als panellid op te treden. De lijst bestaat uit de volgende drie deellijsten:

a)    een deellijst van personen van de Europese Unie;

b)    een deellijst van personen van Mexico; en

c)    een deellijst van personen die als voorzitter van het panel zullen optreden.

2.    Elke deellijst bevat ten minste vijf personen. De in punt 1, c), bedoelde deellijst bevat geen personen die onderdaan van een van de Partijen zijn.


3.    De Gemengde Commissie kan aanvullende lijsten vaststellen van personen met kennis van en ervaring in specifieke onder deze overeenkomst vallende sectoren. Met instemming van de Partijen worden die aanvullende lijsten gebruikt voor de samenstelling van het panel overeenkomstig de procedure van artikel 31.7.

ARTIKEL 31.9

Vereisten voor panelleden

1.    Elk panellid moet:

a)    beschikken over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht, internationale handel en andere onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden, zoals de beslechting van geschillen in het kader van andere internationale handelsovereenkomsten;

b)    onafhankelijk zijn van, geen banden hebben met en geen instructies ontvangen van een van de Partijen;

c)    op persoonlijke titel optreden en mag geen instructies aanvaarden van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil; en

d)    zich houden aan de gedragscode voor panelleden en bemiddelaars in bijlage 31-B.


2.    De voorzitter beschikt ook over ervaring met procedures voor geschillenbeslechting.

3.    Gezien het voorwerp van een specifiek geschil kunnen de Partijen overeenkomen af te wijken van de in punt 1, a), genoemde vereisten.

ARTIKEL 31.10

Taken van het panel

Het panel:

a)    verricht een objectieve beoordeling van de aan hem voorgelegde aangelegenheid, met inbegrip van een objectieve beoordeling van de feiten van de zaak en de toepasselijkheid van de betrokken bepalingen en de conformiteit van de maatregelen in kwestie met de betrokken bepalingen;

b)    vermeldt in zijn besluiten en verslagen de bevindingen van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de betrokken bepalingen, de beweegredenen voor de bevindingen en conclusies en, indien de partijen daarom gezamenlijk hebben verzocht, eventuele aanbevelingen; en

c)    pleegt regelmatig overleg met de Partijen en biedt passende kansen voor de ontwikkeling van een onderling overeengekomen oplossing.


ARTIKEL 31.11

Mandaat

1.    Tenzij de Partijen binnen vijf dagen na de datum van benoeming van het laatste panellid anders overeenkomen, luidt het mandaat van het panel als volgt:

“in het licht van de door de Partijen aangehaalde desbetreffende bepalingen van deel III (Handel en investeringen) van deze overeenkomst de in het verzoek om instelling van het panel vermelde aangelegenheid onderzoeken; bevindingen doen met betrekking tot de overeenstemming van de maatregelen in kwestie met de bepalingen van deel III (Handel en investeringen) van deze overeenkomst als bedoeld in artikel 31.2 (Toepassingsgebied); aanbevelingen doen, indien de partijen daarom gezamenlijk hebben verzocht; en verslag uitbrengen overeenkomstig artikel 31.13 (Tussentijds verslag) en artikel 31.14 (Eindverslag).”

2.    Indien de Partijen overeenstemming bereiken over een ander mandaat, stellen zij het panel binnen de in lid 1 vastgestelde termijn van het overeengekomen mandaat in kennis.


ARTIKEL 31.12

Besluit inzake urgentie

1.    Indien een Partij binnen vijf dagen na de datum van het verzoek om instelling van het panel daarom verzoekt, besluit het panel binnen tien dagen na de benoeming van het laatste panellid of de zaak betrekking heeft op dringende aangelegenheden. De andere Partij heeft de gelegenheid om binnen vijf dagen na de datum van indiening van het verzoek opmerkingen in te dienen bij dat verzoek.

2.    In dringende gevallen zijn de in afdeling C vastgestelde toepasselijke termijnen de helft van de daarin voorgeschreven tijd, met uitzondering van de in de artikelen 31.6 en 31.11 bedoelde termijnen.

ARTIKEL 31.13

Tussentijds verslag

1.    Het panel legt de Partijen binnen negentig dagen na de datum van benoeming van het laatste panellid een tussentijds verslag voor. Wanneer het panel van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het panel de Partijen hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn tussentijds verslag denkt te kunnen uitbrengen. Het panel mag zijn tussentijds verslag in geen geval later voorleggen dan honderdtwintig dagen na de datum van benoeming van het laatste panellid.


2.    Elke Partij kan het panel binnen tien dagen na de ontvangst van het tussentijds verslag schriftelijk verzoeken om bepaalde aspecten ervan te herzien. Een Partij kan binnen zes dagen na de indiening van het verzoek van de andere Partij opmerkingen maken over dat verzoek.

ARTIKEL 31.14

Eindverslag

1.    Het panel legt de Partijen binnen honderdtwintig dagen na de datum van instelling van het panel zijn eindverslag voor. Wanneer het panel van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het panel de Partijen hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn eindverslag denkt te kunnen uitbrengen. Het panel mag zijn eindverslag in geen geval later voorleggen dan honderdvijftig dagen na de datum van instelling van het panel.

2.    In het eindverslag wordt elk schriftelijk verzoek van de Partijen met betrekking tot het tussentijds verslag besproken en wordt duidelijk ingegaan op de opmerkingen daarbij. Het panel kan het tussentijds verslag naar aanleiding van een schriftelijk verzoek en opmerkingen van de Partijen wijzigen en, wanneer het dat zinvol acht, de zaak nader onderzoeken.

3.    De uitspraak van het panel in het eindverslag is definitief en bindend voor de Partijen.


ARTIKEL 31.15

Nalevingsmaatregelen

1.    De Partijen erkennen het belang van onmiddellijke naleving van de bevindingen en conclusies van het panel in het eindverslag, om ervoor te zorgen dat het geschil daadwerkelijk wordt beslecht. De Partij waartegen de klacht is gericht neemt alle nodige maatregelen om de bevindingen en conclusies van het eindverslag onverwijld op te volgen teneinde de betrokken bepalingen na te leven.

2.    De Partij waartegen de klacht is gericht stelt de klagende Partij uiterlijk dertig dagen na ontvangst van het eindverslag in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen of voornemens is te nemen om aan de uitspraak te voldoen.

3.    Tenzij de Partijen tot een onderling overeengekomen oplossing overeenkomstig artikel 31.33 komen, vereist de beslechting van een geschil de opheffing van maatregelen die niet in overeenstemming met de overeenkomst zijn.


ARTIKEL 31.16

Redelijke termijn

1.    Indien onmiddellijke naleving niet mogelijk is, stelt de Partij waartegen de klacht is gericht uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van het eindverslag de klagende Partij in kennis van de redelijke termijn die zij nodig heeft om het eindverslag na te leven. De Partijen streven ernaar overeenstemming te bereiken over een redelijke termijn voor de naleving van het eindverslag. De redelijke termijn mag niet langer duren dan 15 maanden vanaf de indiening van het eindverslag op grond van artikel 31.14.

2.    Indien de Partijen het niet eens worden over de redelijke termijn, kan de klagende Partij ten vroegste twintig dagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken de redelijke termijn vast te stellen. Het panel doet zijn besluit binnen twintig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek aan de Partijen toekomen.

3.    De Partij waartegen de klacht is gericht stelt de klagende Partij ten minste één maand voor het verstrijken van de redelijke termijn schriftelijk in kennis van haar vorderingen bij de naleving van het eindverslag.

4.    De Partijen kunnen overeenkomen de redelijke termijn te verlengen.


ARTIKEL 31.17

Toetsing van de naleving

1.    Uiterlijk bij het verstrijken van de redelijke termijn stelt de Partij waartegen de klacht is gericht de klagende Partij in kennis van alle maatregelen die zij heeft genomen om het eindverslag na te leven.

2.    In geval van onenigheid tussen de Partijen over het bestaan van maatregelen om het eindverslag na te leven of over de verenigbaarheid ervan met de betrokken bepalingen, kan de klagende Partij het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken een besluit over de zaak te nemen. In het verzoek wordt vermeld om welke maatregelen het gaat en wordt uitgelegd hoe die maatregelen niet in overeenstemming met de betrokken bepalingen zouden zijn, op een wijze die voldoende is om de rechtsgrondslag van de klacht duidelijk aan te tonen. Het panel doet zijn besluit binnen zestig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek aan de Partijen toekomen.


ARTIKEL 31.18

Tijdelijke maatregelen

1.    Op verzoek van en na overleg met de klagende Partij dient de Partij waartegen de klacht is gericht een voorstel voor tijdelijke compensatie in indien:

a)    de Partij waartegen de klacht is gericht de klagende Partij in kennis stelt van het feit dat het niet mogelijk is om het eindverslag na te leven; of

b)    de Partij waartegen de klacht is gericht verzuimt binnen de in artikel 31.15 bedoelde termijn of vóór het verstrijken van de redelijke termijn kennis te geven van een maatregel die zij met het oog op naleving heeft getroffen; of

c)    het panel oordeelt dat er geen maatregelen met het oog op naleving zijn getroffen of dat de met het oog op naleving getroffen maatregel niet in overeenstemming is met de betrokken bepalingen.

2.    In elk van de in de punten 1, a) tot en met c), bedoelde situaties kan de klagende Partij de Partij waartegen de klacht is gericht schriftelijk ervan kennis geven dat zij voornemens is de toepassing van verplichtingen uit hoofde van de betrokken bepalingen op te schorten indien:

a)    de klagende Partij besluit geen verzoek overeenkomstig lid 1 in te dienen; of


b)    wanneer een verzoek overeenkomstig lid 1 wordt ingediend, de Partijen geen overeenstemming bereiken over de tijdelijke compensatie binnen twintig dagen na:

i)    de datum van kennisgeving aan de Partij waartegen de klacht is gericht dat het niet mogelijk is om het eindverslag na te leven;

ii)    het verstrijken van de redelijke termijn; of

iii)    het nemen van het besluit van het panel overeenkomstig artikel 31.17.

3.    In de kennisgeving wordt vermeld in welke mate de verplichtingen zullen worden opgeschort. Bij de overweging welke voordelen moeten worden opgeschort, moet de klagende Partij eerst trachten voordelen op te schorten in dezelfde sector of sectoren als die welke worden getroffen door de maatregel waarvan het panel heeft vastgesteld dat die niet in overeenstemming is met dit deel van de overeenkomst of leidt tot tenietdoening of beperking. De opschorting van concessies of andere verplichtingen kan worden toegepast op andere onder dit hoofdstuk vallende sectoren dan de sector of sectoren waarvoor het panel heeft vastgesteld dat de voordelen worden tenietgedaan of beperkt, met name indien die opschorting volgens de klagende Partij haalbaar en doeltreffend is om aan te zetten tot naleving. De mate van opschorting van concessies of andere verplichtingen mag niet groter zijn dan de mate die overeenkomt met de door de schending veroorzaakte tenietdoening of beperking.

4.    De klagende Partij kan de verplichtingen 15 dagen na de datum van toezending van de in lid 2 bedoelde kennisgeving opschorten, tenzij de Partij waartegen de klacht is gericht een verzoek uit hoofde van lid 5 heeft gedaan.


5.    Indien de Partij waartegen de klacht is gericht van oordeel is dat de aangegeven mate van opschorting van concessies of andere verplichtingen niet overeenstemt met de mate van tenietdoening of beperking door de schending, kan zij het oorspronkelijke panel vóór het verstrijken van de in lid 4 genoemde termijn van 15 dagen schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Het panel bepaalt de hoogte van de voordelen die het gelijkwaardig acht en legt zijn besluit binnen dertig dagen na de datum van het verzoek voor aan de Partijen. De klagende Partij schort geen verplichtingen op totdat het panel een besluit heeft genomen. De opschorting van verplichtingen moet in overeenstemming zijn met dit besluit.

6.    De opschorting van verplichtingen of de in dit artikel bedoelde compensatie is tijdelijk en wordt niet toegepast nadat:

a)    de Partijen op grond van artikel 31.33 tot een onderling overeengekomen oplossing zijn gekomen;

b)    de Partijen zijn overeengekomen dat de Partij waartegen de klacht is gericht door de genomen nalevingsmaatregel de betrokken bepalingen naleeft; of

c)    alle nalevingsmaatregelen waarvan het panel heeft vastgesteld dat zij onverenigbaar zijn met de betrokken bepalingen zijn ingetrokken of gewijzigd zodat de Partij waartegen de klacht is gericht die betrokken bepalingen naleeft.


ARTIKEL 31.19

Toetsing van nalevingsmaatregelen na vaststelling van tijdelijke maatregelen

1.    De Partij waartegen de klacht is gericht stelt de klagende Partij in kennis van elke nalevingsmaatregel die is genomen na de opschorting van verplichtingen of na de toepassing van tijdelijke compensatie, al naargelang het geval. Met uitzondering van de in lid 2 bedoelde gevallen beëindigt de klagende Partij de opschorting van verplichtingen binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving. In gevallen waarin compensatie is toegepast, en met uitzondering van de in lid 2 bedoelde gevallen, kan de Partij waartegen de klacht is gericht de toepassing van die compensatie beëindigen binnen dertig dagen na ontvangst van haar kennisgeving van naleving.

2.    Indien de Partijen binnen dertig dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving geen overeenstemming bereiken over de vraag of de maatregel waarvan is kennisgegeven, ertoe leidt dat de Partij waartegen de klacht is gericht in overeenstemming met de bedoelde bepalingen handelt, verzoekt de klagende Partij het oorspronkelijke panel schriftelijk hierover een besluit te nemen. Het panel doet zijn besluit binnen zestig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek aan de Partijen toekomen. Indien het panel van oordeel is dat de genomen nalevingsmaatregel in overeenstemming is met de betrokken bepalingen, wordt de opschorting van verplichtingen of de compensatie, al naargelang het geval, beëindigd. In voorkomend geval wordt de mate van opschorting van verplichtingen of van compensatie aangepast in het licht van de beslissing van het panel.


ARTIKEL 31.20

Vervanging van panelleden

Indien een panellid tijdens geschillenbeslechtingsprocedures niet kan deelnemen, zich terugtrekt of moet worden vervangen omdat hij of zij de vereisten van de gedragscode voor panelleden en bemiddelaars in bijlage 31-B niet naleeft, wordt een nieuw panellid benoemd overeenkomstig artikel 31.7 en het reglement van orde in bijlage 31-A. De termijn voor de indiening van het verslag of het besluit wordt verlengd met de tijd die nodig is voor de benoeming van het nieuwe panellid.

ARTIKEL 31.21

Reglement van orde

1.    Op de panelprocedures in deze afdeling zijn dit hoofdstuk en het reglement van orde in bijlage 30-A van toepassing.

2.    Het reglement van orde zorgt er met name voor dat:

a)    Partijen het recht hebben op ten minste één hoorzitting voor het panel waarbij elke Partij haar standpunten mondeling kenbaar mag maken;


b)    elke Partij de gelegenheid heeft haar eerste schriftelijke stukken en schriftelijke weerleggingen in te dienen;

c)    elke Partij, onder voorbehoud van de bescherming van vertrouwelijke informatie, haar schriftelijke stukken, schriftelijke versie van een mondelinge verklaring en schriftelijke antwoorden op een verzoek of vraag van het panel, indien die bestaan, openbaar maakt, zo spoedig mogelijk nadat die documenten zijn ingediend en uiterlijk op de datum van indiening van het eindverslag; en

d)    het panel en de Partijen alle informatie die door een Partij aan het panel is verstrekt als vertrouwelijk behandelen.

2.    Alle hoorzittingen van het panel zijn openbaar, tenzij anders overeengekomen door de Partijen.

ARTIKEL 31.22

Opschorting en beëindiging

1.    Het panel schort zijn werkzaamheden te allen tijde op gedurende een door de Partijen overeengekomen periode van ten hoogste twaalf opeenvolgende maanden wanneer beide Partijen daarom verzoeken. Het panel hervat zijn werkzaamheden vóór het einde van de opschortingsperiode op schriftelijk verzoek van beide Partijen, of op de laatste dag van de opschortingsperiode op schriftelijk verzoek van een van de Partijen. De verzoekende Partij doet de andere Partij dienovereenkomstig een kennisgeving toekomen.


2.    Indien geen van beide Partijen vóór het verstrijken van de opschortingsperiode om hervatting van de werkzaamheden van het panel verzoekt, vervalt de autoriteit van het panel en worden de geschillenbeslechtingsprocedures beëindigd. Dit laat het recht van de Partij om met betrekking tot dezelfde kwestie een nieuwe procedure in te leiden, onverlet.

3.    Indien de werkzaamheden van het panel worden opgeschort, worden de relevante termijnen in deze afdeling verlengd met dezelfde termijn als de opschorting van de werkzaamheden heeft geduurd.

ARTIKEL 31.23

Ontvangst van informatie

1.    Op verzoek van een Partij of op eigen initiatief kan het panel bij de Partijen informatie inwinnen die het noodzakelijk en passend acht. De Partijen antwoorden onverwijld en volledig op elk verzoek om dergelijke informatie van het panel.

2.    Op verzoek van een Partij of op eigen initiatief kan het panel alle informatie uit eender welke bron inwinnen die het passend acht. Het panel heeft ook het recht om het al dan niet technische advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, in voorkomend geval met inachtneming van door de Partijen overeengekomen voorwaarden.


3.    Het panel behandelt amicus curiae opmerkingen van natuurlijke personen van een Partij of in een Partij gevestigde rechtspersonen overeenkomstig het reglement van orde van bijlage 31-A.

4.    Alle informatie die het panel uit hoofde van dit artikel verkrijgt, wordt aan de Partijen bekendgemaakt en de Partijen kunnen opmerkingen over die informatie indienen.

ARTIKEL 31.24

Interpretatieregels

1.    Het panel legt de betrokken bepalingen uit volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht zijn neergelegd. Het panel houdt tevens rekening met de relevante interpretaties in de verslagen van WTO-panels en van de Beroepsinstantie die zijn goedgekeurd door het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO.

2.    De verslagen en besluiten van het panel mogen de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van deze overeenkomst niet verruimen of beperken.


ARTIKEL 31.25

Verslagen en besluiten van het panel

1.    De beraadslagingen van het panel zijn vertrouwelijk. Het panel stelt alles in het werk om verslagen op te stellen en besluiten te treffen bij consensus. Indien dat niet mogelijk is, besluit het panel bij meerderheid van stemmen. In geen geval worden afzonderlijke adviezen van panelleden openbaar gemaakt.

2.    De besluiten en verslagen van het panel worden door de Partijen onvoorwaardelijk aanvaard. Zij scheppen geen rechten of verplichtingen voor natuurlijke personen of rechtspersonen.

3.    Elke Partij maakt de verslagen en besluiten van het panel, onder voorbehoud van de bescherming van vertrouwelijke informatie, zo spoedig mogelijk na de datum van indiening bij de Partijen openbaar.


AFDELING D

Bemiddelingsmechanisme

ARTIKEL 31.26

Doelstelling

Het bemiddelingsmechanisme heeft tot doel te bevorderen dat door middel van een integrale en snelle procedure en met de hulp van een bemiddelaar een onderling overeengekomen oplossing wordt bereikt.

ARTIKEL 31.27

Inleiding van de bemiddelingsprocedure

1.    Elke Partij kan de andere Partij te allen tijde schriftelijk verzoeken om aan een bemiddelingsprocedure deel te nemen met betrekking tot een maatregel van die Partij die de handel of de investeringen tussen de Partijen ongunstig beïnvloedt. Overleg voordat de bemiddelingsprocedure wordt ingeleid, is niet verplicht.


2.    Het verzoek bevat voldoende details om de zorgen van de verzoekende Partij daarin duidelijk tot uitdrukking te laten komen en:

a)    geeft aan om welke maatregel het gaat;

b)    bevat een uiteenzetting van wat volgens de verzoekende Partij de negatieve gevolgen van de maatregel voor de handel of de investeringen tussen de Partijen zijn of zullen zijn; en

c)    legt uit wat volgens de verzoekende Partij het verband tussen die gevolgen en de maatregel is.

3.    De bemiddelingsprocedure kan alleen met wederzijdse instemming van de Partijen worden ingeleid. De Partij waaraan het verzoek is gericht neemt het verzoek in welwillende overweging en doet de verzoekende Partij binnen tien dagen na ontvangst haar schriftelijke aanvaarding of afwijzing toekomen. Anders wordt het verzoek geacht te zijn afgewezen.

ARTIKEL 31.28

Keuze van de bemiddelaar

1.    De Partijen streven ernaar, indien mogelijk uiterlijk 15 dagen na de ontvangst van de aanvaarding van het verzoek, overeenstemming te bereiken over een bemiddelaar.


2.    Indien de Partijen binnen de in lid 1 vastgestelde termijn geen overeenstemming over een bemiddelaar kunnen bereiken, kan elke Partij een in het reglement van orde in bijlage 31-A opgenomen tot aanstelling bevoegd gezag verzoeken om binnen vijf dagen na het verzoek de bemiddelaar door loting aan te wijzen uit de in artikel 31.8 bedoelde deellijst van personen die als voorzitter dienen.

3.    Indien de in artikel 31.8 bedoelde deellijst van personen die als voorzitter dienen niet door het Gemengd Comité is goedgekeurd op het moment dat overeenkomstig artikel 31.27 een verzoek wordt ingediend, wordt de bemiddelaar door middel van loting gekozen uit de personen die door één Partij of beide Partijen voor die deellijst zijn aangewezen, al naargelang het geval.

4.    De bemiddelaar mag geen onderdaan van een van de Partijen zijn of in hun dienst staan, tenzij de Partijen anders overeenkomen.

5.    De bemiddelaar houdt zich aan de gedragscode voor panelleden en bemiddelaars in bijlage 31-B.


ARTIKEL 31.29

Regels van de bemiddelingsprocedure

1.    Binnen tien dagen na de benoeming van de bemiddelaar legt de Partij die een beroep op de bemiddelingsprocedure heeft gedaan de bemiddelaar en de andere Partij schriftelijk een gedetailleerde beschrijving van het probleem voor, in het bijzonder van de werking van de maatregel in kwestie en van de mogelijke negatieve gevolgen ervan voor de handel of de investeringen tussen de Partijen. Binnen twintig dagen na ontvangst van deze beschrijving kan de andere Partij daarover schriftelijk opmerkingen maken.

2.    De bemiddelaar staat de Partijen op transparante wijze bij om duidelijkheid te scheppen over de betrokken maatregel en de mogelijke negatieve gevolgen ervan voor de handel of de investeringen tussen de Partijen. De bemiddelaar kan met name bijeenkomsten tussen de Partijen organiseren, de Partijen gezamenlijk of afzonderlijk raadplegen, verzoeken om bijstand van of overleg plegen met deskundigen en belanghebbenden op het betrokken gebied alsmede alle aanvullende ondersteuning bieden waarom de Partijen hebben verzocht. Alvorens om bijstand van of overleg met relevante deskundigen of belanghebbenden te verzoeken, overlegt de bemiddelaar met de Partijen.

3.    De bemiddelaar kan advies aanbieden en een oplossing voorstellen ter overweging door de Partijen. De Partijen kunnen de voorgestelde oplossing aanvaarden of afwijzen of een andere oplossing overeenkomen. De bemiddelaar geeft geen advies en maakt evenmin opmerkingen over de verenigbaarheid van de maatregel in kwestie met deze overeenkomst.


4.    De bemiddelingsprocedure vindt plaats op het grondgebied van de Partij waaraan het verzoek tot inleiding van een bemiddelingsprocedure is gericht, of in onderling overleg op een andere locatie of met andere communicatiemiddelen.

5.    De Partijen streven ernaar binnen zestig dagen na de benoeming van de bemiddelaar tot een onderling overeengekomen oplossing te komen. Bij het bereiken van een dergelijke oplossing kunnen de Partijen overwegen eventueel noodzakelijke interne procedures te voltooien. Zolang geen definitieve overeenstemming is bereikt, kunnen de Partijen eventuele tussentijdse oplossingen overwegen, in het bijzonder wanneer de maatregel betrekking heeft op bederfelijke waren.

6.    Op verzoek van een van de Partijen dient de bemiddelaar bij de Partijen een ontwerp van het feitenverslag in dat het volgende bevat:

a)    een korte samenvatting van de betrokken maatregel;

b)    de gevolgde procedure; en

c)    in voorkomend geval, de onderling overeengekomen oplossing, met inbegrip van eventuele tussentijdse oplossingen.

7.    De bemiddelaar geeft de Partijen 15 dagen de tijd om hun opmerkingen over het ontwerpfeitenverslag in te dienen. Na bestudering van de opmerkingen van de Partijen dient de bemiddelaar binnen 15 dagen een definitief feitenverslag in bij de Partijen. Het feitenverslag mag geen interpretatie van deze overeenkomst bevatten.


8.    De procedure wordt beëindigd:

a)    door goedkeuring van een door de Partijen onderling overeengekomen oplossing, op de datum van goedkeuring ervan;

b)    door onderlinge overeenstemming van de Partijen in de loop van de procedure, op de datum van die overeenstemming;

c)    door de schriftelijke verklaring van de bemiddelaar, na overleg met de Partijen, waarin wordt aangegeven dat verdere bemiddelingsinspanningen geen nut hebben, op de datum van die verklaring; of

d)    door een schriftelijke verklaring van een Partij nadat onderling overeengekomen oplossingen in de bemiddelingsprocedure zijn onderzocht en adviezen en voorgestelde oplossingen van de bemiddelaar in overweging zijn genomen, op de datum van die verklaring.

ARTIKEL 31.30

Vertrouwelijkheid

1.    Tenzij de Partijen bij het geschil anders overeenkomen, zijn alle andere fasen van de bemiddelingsprocedure, met inbegrip van adviezen of voorgestelde oplossingen, vertrouwelijk. Elke Partij mag echter openbaar maken dat bemiddeling plaatsvindt.


2.    Indien dit zo is overeengekomen door de Partijen, worden onderling overeengekomen oplossingen openbaar gemaakt. De openbaar gemaakte versie bevat geen informatie die door een Partij als vertrouwelijk is aangemerkt.

ARTIKEL 31.31

Verhouding tot geschillenbeslechtingsprocedures

1.    De bemiddelingsprocedure laat de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van de afdelingen B en C of van geschillenbeslechtingsprocedures op grond van elke andere overeenkomst onverlet. Voor alle duidelijkheid: een bemiddelingsprocedure kan worden ingeleid of voortgezet terwijl er panelprocedures lopen.

2.    Een Partij mag zich in andere geschillenbeslechtingsprocedures in het kader van deze overeenkomst of enige andere overeenkomst niet baseren op of niet als bewijs gebruiken en een panel mag geen rekening houden met:

a)    standpunten die de andere Partij in de loop van de bemiddelingsprocedure heeft ingenomen of informatie die uitsluitend overeenkomstig artikel 31.29, lid 2, is verzameld;

b)    het feit dat de andere Partij zich bereid heeft verklaard een oplossing te aanvaarden voor de maatregel waarop de bemiddeling betrekking had; of

c)    door de bemiddelaar gegeven adviezen of gedane voorstellen.


3.    Tenzij de Partijen anders overeenkomen, mogen bemiddelaars niet optreden als panelleden in het kader van geschillenbeslechtingsprocedures uit hoofde van deze overeenkomst of enige andere overeenkomst met betrekking tot dezelfde aangelegenheid waarin zij hebben bemiddeld.

AFDELING E

Gemeenschappelijke bepalingen

ARTIKEL 31.32

Verzoek om informatie

1.    Alvorens een verzoek om overleg of bemiddeling op grond van artikel 31.5 of 31.27 in te dienen, kan een Partij verzoeken om informatie over een maatregel met negatieve gevolgen voor de handel of investeringen tussen de Partijen. De Partij waarbij het verzoek wordt ingediend, verstrekt binnen twintig dagen na ontvangst van het verzoek een schriftelijk antwoord met haar opmerkingen over de verzochte informatie.

2.    Van een Partij wordt normaal gesproken verwacht dat zij, alvorens om overleg te verzoeken of een bemiddelingsprocedure of de andere relevante samenwerkings- of overlegprocedures op grond van deze overeenkomst in te leiden, om informatie verzoekt overeenkomstig lid 1.


ARTIKEL 31.33

Onderling overeengekomen oplossing

1.    De Partijen kunnen met betrekking tot een in artikel 31.2 bedoeld geschil te allen tijde tot een onderling overeengekomen oplossing komen.

2.    Indien een onderling overeengekomen oplossing wordt bereikt tijdens de panel- of bemiddelingsprocedure of tijdens andere door de Partijen overeengekomen alternatieve wijzen van geschillenbeslechting, met inbegrip van procedures van goede diensten of verzoening, delen de Partijen die oplossing gezamenlijk mee aan de voorzitter van het panel of de bemiddelaar, al naargelang van het geval. Na die kennisgeving wordt de procedure bij het panel of de bemiddelingsprocedure stopgezet.

3.    Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om de onderling overeengekomen oplossing binnen de overeengekomen termijn uit te voeren.

4.    Uiterlijk op de datum waarop de overeengekomen termijn verstrijkt, stelt de uitvoerende Partij de andere Partij schriftelijk in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om de onderling overeengekomen oplossing uit te voeren.


ARTIKEL 31.34

Termijnen

1.    Alle in dit hoofdstuk vastgestelde termijnen worden geteld in kalenderdagen vanaf de dag volgend op die waarop de desbetreffende handeling zich heeft voorgedaan.

2.    Elke in dit hoofdstuk bedoelde termijn kan in onderling overleg tussen de Partijen worden gewijzigd.

3.    In het kader van afdeling C kan het panel de Partijen te allen tijde voorstellen een in dit hoofdstuk vermelde termijn te wijzigen, met opgave van de redenen daarvoor.

ARTIKEL 31.35

Kosten

1.    Elke Partij draagt haar eigen kosten die voortvloeien uit deelname aan de procedure bij het panel of de bemiddelingsprocedure.


2.    De Partijen zijn gezamenlijk aansprakelijk voor de kosten die voortvloeien uit organisatorische aangelegenheden, met inbegrip van de honoraria en de kosten van de panelleden en de bemiddelaar, en delen deze in gelijke mate. De honoraria van de panelleden worden bepaald in overeenstemming met het reglement van orde in bijlage 31-A. Het honorarium van de bemiddelaar wordt bepaald conform dat voor een voorzitter van een panel in overeenstemming met het reglement van orde in bijlage 31-A.

ARTIKEL 31.36

Beheer van de geschillenbeslechtingsprocedure

1.    Elke Partij:

a)    wijst een instantie aan die verantwoordelijk is voor het beheer van de geschillenbeslechtingsprocedures in het kader van dit hoofdstuk; en

b)    stelt de andere Partij binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst schriftelijk in kennis van de locatie en de contactgegevens van die instantie.

2.    Elke Partij is verantwoordelijk voor de werking en de kosten van haar respectieve aangewezen instantie.


3.    Niettegenstaande lid 1 kunnen de Partijen overeenkomen om gezamenlijk een externe instantie te belasten met het verlenen van ondersteuning voor bepaalde administratieve taken in verband met de geschillenbeslechtingsprocedure in het kader van dit hoofdstuk.

ARTIKEL 31.37

Particuliere rechten

Een Partij voorziet niet in een recht naar haar interne recht tegen de andere Partij te ageren op grond dat een maatregel van de andere Partij onverenigbaar is met deze overeenkomst.

ARTIKEL 31.38

Wijziging van bijlagen

De Gezamenlijke Raad kan bijlage 31-A (Reglement van orde) en bijlage 31-B (Gedragscode voor panelleden en bemiddelaars) wijzigen.


HOOFDSTUK 32

UITZONDERINGEN

ARTIKEL 32.1

Algemene uitzonderingen

1.    Artikel XX van de GATT 1994, en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij, is opgenomen in en maakt deel uit van deze overeenkomst, en is mutatis mutandis van toepassing op hoofdstuk 2 (Handel in goederen), hoofdstuk 3 (Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures), hoofdstuk 4 (Douane en handelsbevordering), hoofdstuk 6 (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen), hoofdstuk 8 (Energie en grondstoffen), hoofdstuk 9 (Technische handelsbelemmeringen), hoofdstuk 22 (Overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies), en afdeling B van hoofdstuk 10 (Liberalisering van investeringen).

2.    De Partijen zijn het erover eens dat:

a)    de in artikel XX, punt b), van de GATT 1994 bedoelde maatregelen de milieumaatregelen 90 omvatten die noodzakelijk zijn om het leven of de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen; en


b)    artikel XX, punt g), van de GATT 1994 van toepassing is op maatregelen voor de instandhouding van levende en niet-levende niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen.

3.    Indien een Partij voornemens is maatregelen te treffen overeenkomstig artikel XX, punten i) en j), van de GATT 1994, voorziet die Partij de andere Partij van:

a)    alle ter zake dienende informatie; en

b)    op verzoek, een redelijke mogelijkheid voor overleg over alle aangelegenheden die verband houden met een dergelijke maatregel, teneinde een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden.

De Partijen kunnen besluiten tot elke maatregel die nodig is om de kwesties die het voorwerp zijn van overleg als bedoeld in punt 3, b), op te lossen.

Wanneer door uitzonderlijke en kritieke omstandigheden die onmiddellijk handelen vereisen, voorafgaande informatieverstrekking of overleg niet mogelijk is, kan de Partij die voornemens is de betrokken maatregelen te treffen, onmiddellijk de maatregelen nemen die nodig zijn om die omstandigheden aan te pakken, en stelt zij de andere Partij hiervan onmiddellijk in kennis.


4.    Artikel XIV, punten a), b) en c), van de GATS is opgenomen in en maakt deel uit van deze overeenkomst, en is mutatis mutandis van toepassing op hoofdstuk 11 (Grensoverschrijdende handel in diensten), hoofdstuk 12 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden), hoofdstuk 13 (Interne regelgeving), hoofdstuk 14 (Wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties), hoofdstuk 16 (Telecommunicatiediensten), hoofdstuk 17 (Internationale zeevervoerdiensten), hoofdstuk 18 (Financiële diensten), hoofdstuk 19 (Digitale handel), hoofdstuk 22 (Overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies) en op afdeling B van hoofdstuk 10 (Liberalisering van investeringen).

5.    De Partijen zijn het erover eens dat de in artikel XIV, punt b), van de GATS bedoelde maatregelen de milieumaatregelen 91 omvatten die noodzakelijk zijn om het leven of de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen.

6.    Voor alle duidelijkheid: artikel 2.8 (Uitzonderingen met betrekking tot de staatsveiligheid) van deel IV wordt geacht een bepaling van deel III te zijn.

ARTIKEL 32.2

Belastingheffing

1.    Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)    “vestigingsplaats”: de fiscale woonplaats; en


b)    “belastingverdrag”: een verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing of een andere internationale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing en waarbij elk van de Partijen partij is.

2.    Geen enkele bepaling in dit deel van de overeenkomst heeft gevolgen voor de rechten en verplichtingen van een Partij uit hoofde van enig belastingverdrag. In geval van strijdigheid tussen deze overeenkomst en een dergelijk belastingverdrag heeft het belastingverdrag voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft.

3.    Artikel 10.8 (Meestbegunstigingsbehandeling), artikel 11.7 (Meestbegunstigingsbehandeling), artikel 18.4 (Meestbegunstigingsbehandeling) en artikel 18.7 (Grensoverschrijdende handel in financiële diensten), lid 4, zijn niet van toepassing op een voordeel dat op grond van een belastingverdrag door een Partij wordt toegekend.

4.    Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de Partijen bij soortgelijke omstandigheden of een verkapte beperking van handel en investeringen vormen, wordt geen van de bepalingen van deze overeenkomst uitgelegd dat een Partij wordt belet maatregelen vast te stellen, toe te passen of te handhaven die erop gericht zijn directe belastingen op billijke of doeltreffende wijze op te leggen of te innen en waarbij:

a)    een onderscheid wordt gemaakt tussen belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot waar zij ingezetene zijn of hun vestigingsplaats hebben of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd; of


b)    ernaar wordt gestreefd belastingontwijking of -ontduiking te voorkomen in overeenstemming met de bepalingen van belastingverdragen of de interne belastingwetgeving.

5.    Voor alle duidelijkheid: het feit dat een belastingmaatregel een belangrijke wijziging van een bestaande belastingmaatregel inhoudt, met onmiddellijke ingang vanaf de bekendmaking in werking treedt, de beoogde toepassing van een bestaande belastingmaatregel verduidelijkt of onverwachte gevolgen voor een investeerder of een onder deze overeenkomst vallende investering heeft, vormt op zichzelf geen schending van artikel 10.15 (Behandeling van investeerders en van onder de overeenkomst vallende investeringen).

6.    Indien een investeerder een verzoek om overleg overeenkomstig artikel 10.22 (Overleg) indient waarin hij aanvoert dat een belastingmaatregel inbreuk maakt op een verplichting uit hoofde van artikel 10.7 (Nationale behandeling), lid 2, of artikel 10.8 (Meestbegunstigingsbehandeling), lid 2, of overeenkomstig afdeling C van hoofdstuk 10 (Investeringsbescherming), kan de verweerder de zaak verwijzen voor overleg en gezamenlijke vaststelling door de Partijen om te bepalen of:

a)    de maatregel een belastingmaatregel is;

b)    de maatregel, indien wordt vastgesteld dat het om een belastingmaatregel gaat, indruist tegen een verplichting uit hoofde van artikel 10.7 (Nationale behandeling), lid 2, of artikel 10.8 (Meestbegunstigingsbehandeling), lid 2, of afdeling C van hoofdstuk 10 (Investeringsbescherming); of


c)    er sprake is van strijdigheid tussen de verplichtingen van deze overeenkomst die zouden zijn geschonden en die van een belastingverdrag.

7.    Een verwijzing overeenkomstig lid 6 geschiedt uiterlijk op de datum die het Gerecht bepaalt voor de verweerder wat betreft de indiening van diens contramemorie of verweerschrift. Indien de verweerder een dergelijke verwijzing doet, worden de in afdeling D van hoofdstuk 10 (Beslechting van investeringsgeschillen) bedoelde termijnen of procedures opgeschort. Indien de Partijen binnen honderdtachtig dagen na de verwijzing geen overeenstemming bereiken om naar de aangelegenheid te kijken, of er niet in slagen een gezamenlijke vaststelling te doen, is de opschorting van de termijnen of van de procedure niet langer van toepassing en kan de investeerder zijn vordering doorzetten.

8.    Een gezamenlijke vaststelling door de Partijen overeenkomstig lid 6, is bindend voor het Gerecht.

9.    Elke Partij draagt er zorg voor dat haar delegatie voor het overeenkomstig lid 6 te voeren overleg personen omvat met deskundigheid ter zake van de onder dit artikel vallende aangelegenheden, waaronder vertegenwoordigers van de desbetreffende belastingautoriteiten 92 van elke Partij.


ARTIKEL 32.3

Openbaarmaking van informatie

1.    Geen enkele bepaling in deze overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat een Partij verplicht wordt vertrouwelijke informatie beschikbaar te stellen waarvan openbaarmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van specifieke openbare of particuliere bedrijven.

2.    De openbaarmaking van informatie via de geschillenbeslechtingsprocedure in het kader van dit deel van de overeenkomst wordt geregeld door de bepalingen van de toepasselijke hoofdstukken.

3.    Wanneer een Partij in het kader van deze overeenkomst, onder meer via de organen die bij deze overeenkomst zijn opgericht, de andere Partij informatie voorlegt die ingevolge de wet- en regelgeving van de Partij die de informatie voorlegt als vertrouwelijk wordt beschouwd, wordt die informatie door de andere Partij als vertrouwelijk behandeld, tenzij de Partij die de informatie voorlegt, anders beslist.


ARTIKEL 32.4

WTO-ontheffingen

Indien een bij een bepaling van dit deel van de overeenkomst vastgesteld recht of vastgestelde verplichting een recht of verplichting uit hoofde van de WTO-Overeenkomst herhaalt, wordt elke maatregel die is genomen in overeenstemming met een op grond van artikel IX, leden 3 en 4, van de WTO-Overeenkomst vastgesteld ontheffingsbesluit, geacht in overeenstemming te zijn met de bepaling in deze overeenkomst.

BIJLAGE bij Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds

Brussel, 3.9.2025

COM(2025) 810 final

DEEL IV 1

INSTITUTIONELE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

INSTITUTIONEEL KADER

ARTIKEL 1.1

Topbijeenkomst

1.    Het hoogste niveau van de politieke en beleidsdialoog tussen de Partijen is de topbijeenkomst. Topbijeenkomsten vinden om de twee jaar of zoals onderling overeengekomen plaats.

2.    Tijdens topbijeenkomsten worden algemene richtsnoeren voor het strategisch partnerschap tussen de Partijen en de uitvoering van deze overeenkomst vastgesteld en worden bilaterale, regionale, biregionale of internationale aangelegenheden van wederzijds belang besproken.


ARTIKEL 1.2

Gezamenlijke Raad

1.    Er wordt een Gezamenlijke Raad opgericht. De Gezamenlijke Raad heeft de volgende taken:

a)    toezien op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst;

b)    toezien op de werking en uitvoering van deze overeenkomst;

c)    alle vraagstukken behandelen die in het kader van deze overeenkomst aan de orde worden gesteld; en

d)    alle andere bilaterale of internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang behandelen.

2.    De Gezamenlijke Raad komt op gezette tijden bijeen, normaliter om de twee jaar of zoals onderling overeengekomen.

3.    De Gezamenlijke Raad is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Partijen op ministerieel niveau, overeenkomstig de respectieve interne regelingen van de Partijen en rekening houdend met de tijdens de bijeenkomsten te behandelen specifieke aangelegenheden. De Gezamenlijke Raad komt bijeen in de noodzakelijke samenstelling, die in onderling overleg wordt bepaald.


4.    De Gezamenlijke Raad stelt zijn reglement van orde en het reglement van orde van het Gemengd Comité vast.

5.    De Gezamenlijke Raad staat onder het gezamenlijke voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van Mexico, overeenkomstig de bepalingen die zijn vastgelegd in zijn reglement van orde.

6.    De Gezamenlijke Raad is bevoegd om, in voorkomend geval, besluiten vast te stellen en aanbevelingen te doen, zoals bepaald in deze overeenkomst. In het kader van de delen I, II en IV van deze overeenkomst heeft de Gezamenlijke Raad tevens de bevoegdheid besluiten vast te stellen en aanbevelingen te doen die de Partijen anderszins onderling overeenkomen. De besluiten zijn bindend voor de Partijen, die alle nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.

7.    De Gezamenlijke Raad is bevoegd om deze overeenkomst te wijzigen indien hierin is voorzien overeenkomstig artikel 2.4 (Wijzigingen), lid 2.

8.    Overeenkomstig zijn reglement van orde stelt de Gezamenlijke Raad besluiten vast en doet hij aanbevelingen met wederzijdse toestemming van de Partijen, na voltooiing van hun respectieve voor de vaststelling vereiste interne procedures. De besluiten zijn bindend voor de Partijen, die alle nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.

9.    De Gezamenlijke Raad kan elk van zijn bevoegdheden delegeren aan het Gemengd Comité, met inbegrip van de bevoegdheid om bindende besluiten te nemen.


ARTIKEL 1.3

Gemengd Comité

1.    Er wordt een Gemengd Comité opgericht. Het Gemengd Comité staat de Gezamenlijke Raad bij de uitoefening van zijn taken bij.

2.    Het Gemengd Comité is verantwoordelijk voor de algemene uitvoering van deze overeenkomst, met inbegrip van de vaststelling van en het toezicht op sectorale dialogen.

3.    Het Gemengd Comité bereidt de vergaderingen van de Gezamenlijke Raad voor.

4.    Het Gemengd Comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Partijen op het niveau van hoge ambtenaren of zoals anderszins aangewezen door de Partijen, waarbij rekening wordt gehouden met de tijdens de bijeenkomsten te behandelen specifieke aangelegenheden.

5.    Het Gemengd Comité komt in een specifieke samenstelling bijeen om alle aangelegenheden in verband met deel III van deze overeenkomst te bespreken. Wanneer het Gemengd Comité een van deze aangelegenheden behandelt, is het samengesteld uit vertegenwoordigers van de Partijen die verantwoordelijk zijn voor handels- en investeringsaangelegenheden, zoals bepaald in artikel 1.8 (Specifieke taken van het Gemengd Comité) van deel III van deze overeenkomst.


6.    Het Gemengd Comité staat onder het gezamenlijke voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van Mexico.

7.    Het Gemengd Comité komt in onderling overleg bijeen op een datum en met een agenda die vooraf door de Partijen zijn overeengekomen, afwisselend in Brussel en Mexico-Stad. Bij onderling akkoord kunnen er op verzoek van een Partij buitengewone vergaderingen worden bijeengeroepen. Vergaderingen kunnen ook worden gehouden via elk voor de Partijen beschikbaar technologisch hulpmiddel.

8.    Het Gemengd Comité is bevoegd om besluiten vast te stellen en aanbevelingen te doen in de in deze overeenkomst genoemde gevallen of op de gebieden waarvoor de Gezamenlijke Raad bevoegdheden heeft overgedragen aan het Gemengd Comité. De besluiten en aanbevelingen worden overeenkomstig het reglement van orde van het Gemengd Comité met wederzijdse toestemming van de Partijen vastgesteld, na voltooiing van hun respectieve voor de goedkeuring vereiste interne procedures. De besluiten zijn bindend voor de Partijen, die alle nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.

ARTIKEL 1.4

Subcomités en andere organen

1.    Het Gemengd Comité kan, indien nodig en op ad-hocbasis, subcomités of andere organen oprichten die het comité bijstaan bij de uitvoering van zijn taken en die specifieke taken of onderwerpen behandelen. Het kan de aan een subcomité of ander orgaan toegewezen taken wijzigen of een met het oog op die taken opgericht subcomité of ander orgaan ontbinden.


2.    Het Gemengd Comité stelt een reglement van orde vast waarin de samenstelling, taken en werking van de subcomités en andere organen worden bepaald.

3.    Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald of anders tussen de Partijen is overeengekomen, komen subcomités en andere organen bijeen wanneer dit nodig is of op verzoek van een van de Partijen of van het Gemengd Comité. Vergaderingen worden in persoon gehouden of via een voor de Partijen beschikbaar technologisch hulpmiddel. Vergaderingen in persoon worden beurtelings in Brussel en in Mexico-Stad gehouden.

4.    De subcomités en andere organen staan onder het gezamenlijke voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van Mexico.

5.    De subcomités en andere organen brengen aan het Gemengd Comité verslag uit over hun activiteiten.

6.    De oprichting van subcomités of andere organen belet de Partijen niet een aangelegenheid rechtstreeks aan het Gemengd Comité voor te leggen.

7.    Er wordt een subcomité voor ontwikkeling en internationale samenwerking opgericht om de uitvoering van de samenwerkingsactiviteiten op de in deel II van de overeenkomst bedoelde gebieden te coördineren en hierop toezicht te houden. Het subcomité verleent het Gemengd Comité bijstand bij de uitvoering van zijn taken in verband met deze aangelegenheden.


8.    Voor de toepassing van artikel 23 van het Protocol inzake de voorkoming en bestrijding van corruptie wordt een subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen opgericht.

9.    Naast de bepalingen van dit artikel wordt de werking van de bij artikel 1.10 (Subcomités en andere organen van deel III van deze overeenkomst) van deel III van deze overeenkomst opgerichte subcomités en andere organen geregeld door deel III van deze overeenkomst en brengen de subcomités verslag uit aan het Gemengd Comité wanneer het in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken bijeenkomt.

ARTIKEL 1.5

Gemengde Parlementaire Commissie

1.    Er wordt een Gemengde Parlementaire Commissie opgericht. De Gemengde Parlementaire Commissie is een forum voor bijeenkomsten waarop van gedachten wordt gewisseld met het oog op de bevordering van de onderlinge betrekkingen.

2.    De Gemengde Parlementaire Commissie bestaat uit leden van het Europees Parlement en leden van het Congres van Mexico.

3.    De Gemengde Parlementaire Commissie staat onder het gezamenlijke voorzitterschap van een vertegenwoordiger van het Europees Parlement en een vertegenwoordiger van het Congres van Mexico.


4.    De Gemengde Parlementaire Commissie komt met zelf te bepalen tussenpozen afwisselend in Brussel en in Mexico bijeen.

5.    De Gemengde Parlementaire Commissie kan haar eigen reglement van orde vaststellen.

6.    De Gemengde Parlementaire Commissie wordt in kennis gesteld van de besluiten en aanbevelingen van de Gezamenlijke Raad of, indien gedelegeerd, van het Gemengd Comité. De Gemengde Parlementaire Commissie kan verzoeken om relevante informatie over aangelegenheden die voor deze overeenkomst van belang zijn.

7.    De Gemengde Parlementaire Commissie kan aanbevelingen doen aan de Gezamenlijke Raad.

ARTIKEL 1.6

Betrekkingen met het maatschappelijk middenveld

De Partijen raadplegen het maatschappelijk middenveld over aangelegenheden die van belang zijn voor deze overeenkomst, met name door interactie met de interne adviesgroepen en het forum voor het maatschappelijk middenveld als bedoeld in de artikelen 1.7 (Interne adviesgroepen) en 1.8 (Forum voor het maatschappelijk middenveld).


ARTIKEL 1.7

Interne adviesgroepen

1.    Elke Partij wijst binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een of meer interne adviesgroepen aan.

2.    De interne adviesgroep verstrekt advies aan de betrokken Partij over aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen. Indien er meer dan één interne adviesgroep wordt aangewezen, wordt elk deel van de overeenkomst door niet meer dan één interne adviesgroep behandeld.

3.    Indien er meer dan één interne adviesgroep wordt aangewezen, kan elke interne adviesgroep verschillende leden hebben, maar moet zij een evenwichtige vertegenwoordiging omvatten van onafhankelijke maatschappelijke organisaties, waaronder niet-gouvernementele organisaties, bedrijfsorganisaties en vakbonden, die actief zijn op economisch en sociaal gebied en op het gebied van duurzame ontwikkeling, mensenrechten, milieu en andere aangelegenheden.

4.    De interne adviesgroep kan in verschillende samenstellingen bijeenkomen om aangelegenheden te bespreken die van belang zijn voor verschillende delen van deze overeenkomst.

5.    Elke Partij vergadert ten minste eenmaal per jaar met haar interne adviesgroep(en). Elke Partij houdt rekening met de standpunten of aanbevelingen van haar interne adviesgroep(en) over aangelegenheden die van belang zijn voor deze overeenkomst.


6.    Om het publiek bewust te maken van het bestaan van de interne adviesgroep(en), publiceert elke Partij de lijst van organisaties die hieraan deelnemen en een contactpunt voor elke interne adviesgroep.

7.    De Partijen moedigen hun respectieve interne adviesgroepen aan om met elkaar in contact te treden.

ARTIKEL 1.8

Forum voor het maatschappelijk middenveld

1.    De Partijen faciliteren de organisatie van een forum voor het maatschappelijk middenveld met deelnemers van de Partijen om een openbare dialoog tot stand te brengen over aangelegenheden die van belang zijn voor deze overeenkomst.

2.    Het forum voor het maatschappelijk middenveld komt samen tijdens de vergadering van het Gemengd Comité, ook wanneer het Gemengd Comité bijeenkomt in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken. De Partijen kunnen ook de deelname aan het forum voor het maatschappelijk middenveld via technologische middelen faciliteren.


3.    Het forum voor het maatschappelijk middenveld staat open voor deelname van onafhankelijke maatschappelijke organisaties die gevestigd zijn op het grondgebied van de Partijen, met inbegrip van leden van elke interne adviesgroep als bedoeld in artikel 1.7 (Interne adviesgroepen). De Partijen zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van onafhankelijke maatschappelijke organisaties, waaronder niet-gouvernementele organisaties, bedrijfsorganisaties en vakbonden, die actief zijn op economisch en sociaal gebied en op het gebied van duurzame ontwikkeling, mensenrechten, milieu en andere aangelegenheden.

4.    De vertegenwoordigers van de Partijen die deelnemen aan het Gemengd Comité kunnen, indien nodig, deelnemen aan een zitting van de vergadering van het forum voor het maatschappelijk middenveld om informatie te verstrekken over aangelegenheden in verband met de werking van deze overeenkomst en om in dialoog te treden met het forum voor het maatschappelijk middenveld.

Die zitting wordt voorgezeten door de medevoorzitters van het Gemengd Comité of hun vertegenwoordigers, naargelang het geval. Elke Partij maakt de formele verklaringen bekend die zij tijdens de zitting van het forum voor het maatschappelijk middenveld heeft afgelegd.


HOOFDSTUK 2

SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL 2.1

Definitie van de Partijen

Voor de toepassing van deze overeenkomst betekent:

   “Partij”: de Europese Unie of haar lidstaten of de Europese Unie en haar lidstaten, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden (de “EU-partij”), of Mexico;

   “Partijen”: de EU-partij, enerzijds, en Mexico, anderzijds.


ARTIKEL 2.2

Territoriale toepassing

1.    Tenzij anders bepaald is deze overeenkomst ten aanzien van de Europese Unie van toepassing op de grondgebieden waarop het VEU en het VWEU van toepassing zijn en onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden. De bepalingen betreffende de tariefbehandeling van goederen, de oorsprongsregels en de oorsprongsprocedures zijn ook van toepassing op het douanegebied van de Europese Unie dat niet onder de eerste zin valt. De term “grondgebied” in hoofdstuk 4 (Douane en handelsbevordering) en in de artikelen 2.7 (Na reparatie of wijziging opnieuw binnengekomen goederen), 2.13 (Tijdelijke invoer van goederen) en 25.66 (Maatregelen aan de grens ter handhaving van intellectuele-eigendomsrechten) van deel III wordt met betrekking tot de EU-partij geacht te verwijzen naar het douanegebied van de Europese Unie. Het douanegebied van de Europese Unie is het gebied als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie 2 .


2.    Tenzij anders bepaald, is deze overeenkomst wat Mexico betreft van toepassing op het landgebied, het luchtruim, de binnenwateren, de territoriale wateren en alle gebieden buiten de territoriale wateren van Mexico waar Mexico soevereine rechten en jurisdictie kan uitoefenen, zoals bepaald in zijn binnenlandse wetgeving, in overeenstemming met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gedaan te Montego Bay op 10 december 1982.

ARTIKEL 2.3

Nakoming van verplichtingen

1.    Elke Partij draagt de verantwoordelijkheid voor de naleving van de bepalingen van de onderhavige overeenkomst. Daartoe treffen de Partijen alle algemene en specifieke maatregelen die nodig zijn om hun verplichtingen krachtens deze overeenkomst na te komen.

2.    Indien een van de Partijen van oordeel is dat de andere Partij een van de verplichtingen uit hoofde van deel III van deze overeenkomst niet is nagekomen, zijn de specifieke mechanismen van dat deel van de overeenkomst van toepassing.

3.    Indien een van de Partijen van oordeel is dat de andere Partij een van de verplichtingen die in artikel 2 van deel I en artikel 1.4 van deel II als essentiële elementen van deze overeenkomst zijn omschreven, niet is nagekomen, kan zij passende maatregelen nemen. Voor de toepassing van dit lid kunnen “passende maatregelen” de gehele of gedeeltelijke opschorting van deze overeenkomst omvatten.


4.    Indien een van de Partijen van oordeel is dat de andere Partij een van de verplichtingen van deze overeenkomst, met uitzondering van die welke onder de bovenstaande leden 2 en 3 vallen, niet is nagekomen, stelt zij de andere Partij daarvan in kennis en verstrekt zij alle nodige informatie. De Partijen plegen onder auspiciën van de Gezamenlijke Raad overleg om tot een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing te komen. Als de Gezamenlijke Raad er niet in slaagt een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden, kan de kennisgevende Partij passende maatregelen treffen. Voor de toepassing van dit lid kunnen “passende maatregelen” de opschorting van uitsluitend de delen I, II en IV van deze overeenkomst omvatten.

5.    De in de leden 3 en 4 bedoelde “passende maatregelen” worden genomen met volledige inachtneming van het internationaal recht en staan in verhouding tot de niet-nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst. Voorrang moet worden gegeven aan maatregelen die de werking van deze overeenkomst het minst verstoren. Er wordt overeengekomen dat gehele of gedeeltelijke opschorting van deze overeenkomst een laatste redmiddel is.

ARTIKEL 2.4

Wijzigingen

1.    De overeenkomst kan met schriftelijke instemming van beide Partijen worden gewijzigd. Wijzigingen treden in werking op de door de Partijen overeengekomen datum en na voltooiing van hun respectieve wettelijke voorschriften en procedures.


2.    Onverminderd lid 1 kan deze overeenkomst in de in deze overeenkomst genoemde gevallen bij besluit van de Gezamenlijke Raad of, indien gedelegeerd, het Gemengd Comité worden gewijzigd om bepalingen van of bijlagen bij deze overeenkomst te wijzigen.

ARTIKEL 2.5

Inwerkingtreding en voorlopige toepassing

1.    Deze overeenkomst wordt door de Partijen volgens hun eigen interne procedures ondertekend en goedgekeurd.

2.    Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de Partijen elkaar in kennis hebben gesteld van de voltooiing van de daartoe vereiste interne procedures.

3.    Onverminderd lid 2 en in afwachting van de inwerkingtreding, kunnen de Europese Unie en Mexico deze overeenkomst op voorlopige basis gedeeltelijk of volledig toepassen, overeenkomstig hun respectieve interne procedures, naargelang het geval.


4.    De voorlopige toepassing gaat in op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop:

a)    de Europese Unie Mexico in kennis heeft gesteld van de voltooiing van haar interne procedures, met vermelding van de delen van deze overeenkomst die voorlopig zullen worden toegepast; en

b)    Mexico de Europese Unie in kennis heeft gesteld van de voltooiing van zijn interne procedures.

5.    Gedurende de periode van voorlopige toepassing blijven de bepalingen van de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, die op 8 december 1997 in Brussel is ondertekend, van toepassing voor zover zij niet onder de voorlopige toepassing van deze overeenkomst vallen.

6.    De Europese Unie of Mexico kan de andere Partij schriftelijk in kennis stellen van haar of zijn voornemen om de voorlopige toepassing van deze overeenkomst te beëindigen. Deze beëindiging treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op die kennisgeving.


7.    Indien deze overeenkomst of sommige bepalingen van deze overeenkomst voorlopig worden toegepast overeenkomstig lid 4, verstaan de Partijen onder “datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst” de datum van voorlopige toepassing. De Gezamenlijke Raad en andere krachtens deze overeenkomst opgerichte organen kunnen hun taken gedurende de voorlopige toepassing van deze overeenkomst uitoefenen. Alle in de uitoefening van deze taken genomen besluiten of aanbevelingen houden op gevolgen te hebben wanneer de voorlopige toepassing van deze overeenkomst wordt beëindigd uit hoofde van lid 6.

8.    Kennisgevingen overeenkomstig dit artikel worden, wat de Europese Unie betreft, gericht aan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en, wat Mexico betreft, aan het Mexicaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, die zullen optreden als depositarissen van de onderhavige overeenkomst.

ARTIKEL 2.6

Verhouding tot andere overeenkomsten

1.    De Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, ondertekend te Brussel op 8 december 1997, met inbegrip van alle daaropvolgende besluiten van hun institutionele organen, met uitzondering van Besluit nr. 5/2004 van de Gezamenlijke Raad EU-Mexico van 15 december 2004 tot vaststelling, overeenkomstig artikel 17, lid 3, van Besluit nr. 2/2000, van een bijlage bij genoemd besluit betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, wordt ingetrokken en vervangen door deze overeenkomst.


2.    De Interimovereenkomst inzake handel EU-Mexico wordt bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst ingetrokken en vervangen door deze overeenkomst.

3.    Verwijzingen naar bovengenoemde overeenkomsten in alle andere overeenkomsten tussen de Partijen worden gelezen als verwijzingen naar deze overeenkomst.

4.    De Partijen kunnen deze overeenkomst aanvullen door sluiting van specifieke overeenkomsten op alle samenwerkingsgebieden die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen. Dergelijke specifieke overeenkomsten vormen een integrerend onderdeel van de algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij deze overeenkomst en maken deel uit van het bij deze overeenkomst vastgesteld gemeenschappelijk institutioneel kader.

5.    Bestaande overeenkomsten inzake specifieke samenwerkingsgebieden die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen, worden beschouwd als integrerend onderdeel van de algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij deze overeenkomst en maken deel uit van het bij deze overeenkomst vastgesteld gemeenschappelijk institutioneel kader.

6.    Na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden besluiten van de Handelsraad, die is opgericht bij de op X ondertekende Interimovereenkomst inzake handel EU-Mexico, geacht te zijn vastgesteld door de Gezamenlijke Raad die is ingesteld bij artikel 1.2. Besluiten van het Handelscomité dat is opgericht bij de Interimovereenkomst inzake handel EU-Mexico worden geacht te zijn vastgesteld door het Gemengd Comité dat is ingesteld bij artikel 1.3.


7.    Niettegenstaande artikel 2.6, lid 2:

a)    blijven de uit hoofde van artikel 2.24, lid 7, en artikel 20.4 van de Interimovereenkomst inzake handel EU-Mexico genomen tijdelijke maatregelen die van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, van toepassing tot hun natuurlijke vervaldatum;

b)    blijven de uit hoofde van Afdeling C van hoofdstuk 5 van de Interimovereenkomst inzake handel EU-Mexico genomen bilaterale vrijwaringsmaatregelen die van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, van toepassing tot hun natuurlijke vervaldatum;

c)    worden reeds uit hoofde van artikel 31.6 van de Interimovereenkomst inzake handel EU-Mexico ingeleide geschillenbeslechtingsprocedures vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst beschouwd als geschillen in het kader van deze overeenkomst en worden zij voortgezet totdat zij zijn afgerond; en

d)    blijft de bindende uitkomst van een uit hoofde van artikel 31.6 van de Interimovereenkomst inzake handel EU-Mexico ingeleide geschillenbeslechtingsprocedure voor de Partijen bindend na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

8.    De Partijen kunnen uit hoofde van deze overeenkomst geen geschillenbeslechtingsprocedure inleiden over aangelegenheden waarover een eindverslag van het panel in het kader van hoofdstuk 31 van de Interimovereenkomst inzake handel EU-Mexico is opgesteld.


9.    Reeds geheel of gedeeltelijk verstreken overgangsperioden uit hoofde van de Interimovereenkomst inzake handel EU-Mexico worden in aanmerking genomen bij het bepalen van overgangsperioden uit hoofde van gelijkwaardige bepalingen van deze overeenkomst. Dergelijke overgangsperioden in het kader van deze overeenkomst worden berekend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

ARTIKEL 2.7

Bijlagen, protocollen en gezamenlijke verklaringen

1.    De bijlagen, met inbegrip van de aanhangsels, protocollen en aantekeningen ervan, en de gezamenlijke verklaringen bij deze overeenkomst vormen een integrerend onderdeel daarvan.

2.    Elke bijlage bij deze overeenkomst, met inbegrip van de aanhangsels ervan, aangeduid met een code die begint met een Arabisch cijfer, vormt een integrerend onderdeel van het hoofdstuk van deel III van deze overeenkomst dat met hetzelfde Arabische cijfer wordt aangeduid en waarin naar die specifieke bijlage wordt verwezen.

3.    De bijlagen I tot en met VII bij deze overeenkomst, met inbegrip van de aanhangsels ervan, die met een Romeins cijfer worden aangeduid, vormen een integrerend onderdeel van de hoofdstukken 10 tot en met 19 van deel III van deze overeenkomst. Tenzij anders bepaald, zijn de definities in de hoofdstukken 10 tot en met 19 eveneens van toepassing op die bijlagen.


ARTIKEL 2.8

Uitzonderingen met betrekking tot de staatsveiligheid

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat:

a)    een Partij verplicht wordt gegevens te verstrekken of toegang tot gegevens te bieden waarvan zij openbaarmaking in strijd acht met haar wezenlijke veiligheidsbelangen; of

b)    een Partij belet wordt maatregelen te nemen die zij ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen nodig acht en die:

i)    verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig dan wel met dergelijke handel en transacties in andere goederen en materialen die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting ten doel hebben;

ii)    verband houden met de verlening van diensten en de verstrekking van technologie, en met economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting ten doel hebben;

iii)    betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op stoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd;

iv)    in tijden van oorlog of een andere crisissituatie in de internationale betrekkingen worden genomen;


c)    een Partij belet wordt maatregelen te nemen tot uitvoering van haar internationale verplichtingen uit hoofde van het VN-Handvest met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

ARTIKEL 2.9

Toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie

1.    De Europese Unie stelt Mexico onverwijld in kennis van elk verzoek van een derde land om toetreding tot de Europese Unie.

2.    De Europese Unie stelt Mexico in kennis van de inwerkingtreding van elk verdrag betreffende de toetreding van een derde land tot de Europese Unie (hierna “toetredingsverdrag” genoemd).

3.    Tijdens de onderhandelingen tussen de Europese Unie en het derde land dat wil toetreden, zal de EU:

a)    op verzoek van Mexico en voor zover mogelijk, alle informatie verstrekken betreffende aangelegenheden waarop deze overeenkomst van toepassing is; en

b)    rekening houden met alle punten van zorg die Mexico uit met betrekking tot aangelegenheden waarop deze overeenkomst van toepassing is.


4.    Een nieuwe lidstaat van de Europese Unie treedt toe tot deze overeenkomst onder de door de Gezamenlijke Raad vastgestelde voorwaarden. Die toetreding wordt van kracht op de datum van toetreding van de nieuwe lidstaat tot de Europese Unie. De Gezamenlijke Raad wijzigt deze overeenkomst bij besluit en stelt daarbij de toetredingsvoorwaarden vast.

5.    Onverminderd lid 4 zal, wat deel III van deze overeenkomst betreft, het Gemengd Comité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken:

a)    ruimschoots vóór de datum van toetreding de eventuele gevolgen van die toetreding voor deze overeenkomst onderzoeken; en

b)    vóór de inwerkingtreding van de toetreding van het derde land tot de Europese Unie, de gevolgen van die toetreding voor deze overeenkomst in behandeling nemen en overeenstemming bereiken over eventuele nodige wijzigingen, aanpassingen of overgangsmaatregelen met betrekking tot deel III van deze overeenkomst, zodat de Partijen dat deel zoveel mogelijk kunnen toepassen vanaf de datum van toetreding van de nieuwe lidstaat tot de Europese Unie.

6.    De besluiten van de Gezamenlijke Raad en het Gemengd Comité worden overeenkomstig artikel 1.2 (Gezamenlijke Raad) vastgesteld.


ARTIKEL 2.10

Toekomstige toetredingen tot deze overeenkomst

Deze overeenkomst staat open voor toetreding door elke staat die bereid is de in deze overeenkomst neergelegde verplichtingen na te komen, onder de voorwaarden die tussen de staat en de Partijen worden overeengekomen en na goedkeuring overeenkomstig de toepasselijke wettelijke procedures van elke Partij en de toetredende staat.

ARTIKEL 2.11

Particuliere rechten

Geen van de bepalingen van deze overeenkomst kan zo worden uitgelegd dat daaraan rechten kunnen worden ontleend of dat zij verplichtingen bevat voor personen, anders dan die welke tussen de Partijen in het leven zijn geroepen krachtens internationaal publiekrecht of, onverminderd de interne wetgeving van Mexico, op zo’n manier dat op deze overeenkomst een rechtstreeks beroep kan worden gedaan in de interne rechtsorde van de Partijen.


ARTIKEL 2.12

Authentieke teksten

Deze overeenkomst is in tweevoud opgesteld in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

ARTIKEL 2.13

Duur en beëindiging

1.    Deze overeenkomst blijft gedurende onbepaalde tijd van kracht.

2.    De Europese Unie of Mexico kan de andere Partij schriftelijk in kennis stellen van haar of zijn voornemen deze overeenkomst te beëindigen. De beëindiging wordt zes maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving van kracht.


PROTOCOL INZAKE DE VOORKOMING EN BESTRIJDING VAN CORRUPTIE

AFDELING A

Algemene bepalingen

ARTIKEL 1

Doelstellingen

1.    De Partijen verzekeren dat zij zich zullen inzetten om corruptie in de internationale handel en investeringen te voorkomen en te bestrijden en herinneren eraan dat corruptie in handel en investeringen goed bestuur en economische ontwikkeling ondermijnt en de internationale concurrerende omstandigheden verstoort.

2.    De Partijen erkennen dat corruptie de internationale handel en investeringen ongunstig kan beïnvloeden omdat zij de markttoegang in gevaar kan brengen en verbintenissen kan uithollen die erop gericht zijn een gelijk speelveld te scheppen. Corruptie die de handel en investeringen ongunstig beïnvloedt, kan een niet-tarifaire belemmering vormen voor investeerders en ondernemingen die aan internationale handel en investeringen willen deelnemen.

3.    De Partijen erkennen dat corruptie bij overheidsfunctionarissen en in de particuliere sector die nadelige gevolgen heeft voor de internationale handel en investeringen moet worden bestreden.


4.    De Partijen erkennen dat corruptie een transnationale kwestie is die samenhangt met andere vormen van transnationale en economische criminaliteit, waaronder het witwassen van geld, en die moet worden aangepakt met een multidisciplinaire benadering en nauwe samenwerking op internationaal niveau.

5.    De Partijen erkennen dat integriteit moet worden opgebouwd en dat de transparantie moet worden verbeterd in zowel de publieke als de particuliere sector, en dat elke sector in dat verband complementaire verantwoordelijkheden heeft.

6.    De Partijen erkennen het belang van regionale en multilaterale initiatieven, onder meer in het kader van de Verenigde Naties, de WTO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna de “OESO” genoemd), de Financiële-actiegroep (hierna de “FATF” genoemd), de Raad van Europa en de Organisatie van Amerikaanse Staten, ter voorkoming en bestrijding van corruptie in aangelegenheden die nadelige gevolgen hebben voor de internationale handel en investeringen, en verbinden zich ertoe gezamenlijk passende initiatieven aan te moedigen en te ondersteunen.

7.    De Partijen bevestigen hun gezamenlijke verbintenis overeenkomstig doelstelling 16 van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling om corruptie en omkoping in al hun vormen aanzienlijk te verminderen.

8.    De Partijen erkennen de belangrijke werkzaamheden van de Werkgroep corruptiebestrijding van de G20 en bevestigen hun steun voor de desbetreffende beginselen op hoog niveau die in de G20 zijn overeengekomen.

9.    Het doel van deze bepalingen is een bilateraal kader van verbintenissen vast te stellen ter voorkoming en bestrijding van corruptie die nadelige gevolgen heeft voor de internationale handel en investeringen in de betrekkingen tussen de Partijen.


ARTIKEL 2

Toepassingsgebied

Dit protocol is van toepassing op de voorkoming en bestrijding van corruptie met betrekking tot alle aangelegenheden die onder deel III van deze overeenkomst vallen.

ARTIKEL 3

Verhouding tot andere overeenkomsten

Niets in dit protocol doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de Partijen op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (hierna het “UNCAC” genoemd), dat op 31 oktober 2003 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is aangenomen op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York; het Verdrag inzake de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties, ondertekend te Parijs op 21 november 1997; het Inter-Amerikaans Verdrag tegen corruptie, ondertekend te Caracas op 29 maart 1996; de desbetreffende door de Raad van Europa vastgestelde rechtsinstrumenten; en alle andere desbetreffende internationale rechtsinstrumenten die door elke Partij zijn vastgesteld.


AFDELING B

Corruptiebestrijdingsmaatregelen

ARTIKEL 4

Actieve en passieve omkoping van overheidsfunctionarissen

De Partijen erkennen het belang van de bestrijding van actieve en passieve omkoping van overheidsfunctionarissen die nadelige gevolgen hebben voor de internationale handel en investeringen. Daartoe bevestigen zij met name hun verbintenissen uit hoofde van de artikelen 15 en 16 van het UNCAC om de wettelijke en andere maatregelen vast te stellen of te handhaven die nodig kunnen zijn om actieve en passieve omkoping van overheidsfunctionarissen en actieve omkoping van buitenlandse overheidsfunctionarissen en functionarissen van internationale publiekrechtelijke organisaties strafbaar te stellen, wanneer deze vormen van omkoping opzettelijk zijn gepleegd, en om te overwegen de wettelijke en andere maatregelen vast te stellen die nodig kunnen zijn om passieve omkoping van buitenlandse overheidsfunctionarissen en functionarissen van internationale publiekrechtelijke organisaties strafbaar te stellen, wanneer deze opzettelijk is gepleegd.


ARTIKEL 5

Actieve en passieve omkoping in de particuliere sector

1.    De Partijen erkennen het belang van de bestrijding van actieve en passieve omkoping in de particuliere sector die negatieve gevolgen hebben voor de internationale handel en investeringen. Daartoe herinneren zij eraan dat zij hun verbintenissen uit hoofde van het UNCAC moeten nakomen en bevestigen zij met name hun verbintenissen uit hoofde van artikel 21 van het UNCAC om te overwegen de wettelijke en andere maatregelen vast te stellen die nodig kunnen zijn om actieve en passieve omkoping in de particuliere sector strafbaar te stellen, wanneer deze vormen van omkoping opzettelijk zijn gepleegd in het kader van economische, financiële of commerciële activiteiten.

2.    De Partijen erkennen dat faciliterende betalingen aan overheidsfunctionarissen een vorm van omkoping zijn, de inspanningen ter bestrijding van corruptie belemmeren en omkoping in het buitenland in de hand werken. Daarom bevestigen de Partijen opnieuw hun verbintenis uit hoofde van artikel 12, lid 4, van het UNCAC om niet toe te staan dat uitgaven in de vorm van steekpenningen evenmin als, in voorkomend geval, andere uitgaven die corrupt gedrag stimuleren, fiscaal aftrekbaar zijn.


ARTIKEL 6

Corruptie en witwassen van geld

De Partijen erkennen het onderlinge verband tussen corruptie en het witwassen van geld en bevestigen opnieuw hun verbintenissen uit hoofde van artikel 23 van het UNCAC.

ARTIKEL 7

Aansprakelijkheid van rechtspersonen

De Partijen erkennen dat het vestigen van de aansprakelijkheid van rechtspersonen en het zorgen voor doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties noodzakelijk zijn om de wereldwijde bestrijding van corruptie in de internationale handel en investeringen vooruit te helpen. Daartoe bevestigen de Partijen hun verbintenissen uit hoofde van artikel 26 van het UNCAC en spreken zij opnieuw hun steun uit voor de beginselen op hoog niveau van de G20 inzake de aansprakelijkheid van rechtspersonen met betrekking tot corruptie.


AFDELING C

Maatregelen ter voorkoming van corruptie in de particuliere sector

ARTIKEL 8

Verantwoord ondernemerschap

1.    De Partijen erkennen het belang van preventieve maatregelen en verantwoord ondernemerschap, met inbegrip van verplichtingen in verband met de rapportage van financiële en niet-financiële informatie en het toepassen van maatschappelijk verantwoorde bedrijfspraktijken, voor het voorkomen van corruptie, en de rol van de handel bij het nastreven van deze doelstelling.

2.    De Partijen erkennen dat bij de rapportageverplichtingen rekening moet worden gehouden met de behoeften en beperkingen van kleine en middelgrote ondernemingen (hierna “kmo’s” genoemd).

3.    De Partijen spreken opnieuw hun steun uit voor de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen met betrekking tot de bestrijding van corruptie.


ARTIKEL 9

Rapportage van financiële en niet-financiële informatie

1.    In overeenstemming met hun verbintenissen uit hoofde van het UNCAC en overeenkomstig de grondbeginselen van hun recht, erkennen de Partijen het belang van strengere normen op het gebied van financiële verslaglegging en accountantscontrole in de particuliere sector als middel ter voorkoming van corruptie, en erkennen zij met name dat deze doelstelling onder meer aan de hand van de volgende maatregelen kan worden verwezenlijkt:

a)    ervoor zorgen dat particuliere ondernemingen, rekening houdend met hun structuur en omvang en met name met de specifieke behoeften van kmo’s, maatregelen uitvoeren die helpen bij het voorkomen en opsporen van gevallen van corruptie, waaronder eventueel de naleving van een code voor corporate governance, een interne auditfunctie of toereikende interne controles; en

b)    ervoor zorgen dat de boekhouding en de vereiste financiële overzichten van die particuliere ondernemingen aan passende controle- en certificeringsprocedures worden onderworpen.

2.    De Partijen moedigen beursgenoteerde ondernemingen, banken en verzekeringsmaatschappijen aan om verslag uit te brengen over de maatregelen die zij hebben genomen ter voorkoming en bestrijding van corruptie. De Partijen nemen de nodige maatregelen met betrekking tot de openbaarmaking van dergelijke verslagen.

3.    De Partijen nemen overeenkomstig hun wet- en regelgeving alle maatregelen die nodig kunnen zijn met betrekking tot de openbaarmaking van financiële overzichten en de handhaving van de normen voor financiële verslaglegging en accountantscontrole.


4.    Elke Partij overweegt om maatregelen vast te stellen of te handhaven die externe accountants ertoe verplichten verdachte handelingen met betrekking tot de in de artikelen 4, 5 en 6 genoemde strafbare feiten aan de bevoegde autoriteiten te melden. Indien deze melding verplicht wordt gesteld, zorgen de Partijen ervoor dat externe accountants die deze meldingen redelijkerwijs en te goeder trouw doen, worden beschermd tegen juridische stappen wegens schending van contractuele of wettelijke beperkingen op de openbaarmaking van informatie.

ARTIKEL 10

Transparantie in de particuliere sector

1.    De Partijen erkennen dat transparantie kan bijdragen tot het voorkomen van corruptie op het gebied van internationale handel en investeringen en herinneren daartoe aan hun verbintenissen uit hoofde van artikel 12, lid 2, van het UNCAC. Met name kunnen de volgende maatregelen bijdragen tot meer transparantie in de particuliere sector die betrokken is bij commerciële activiteiten op het gebied van handel en investeringen in de zin van deel III van deze overeenkomst:

a)    het bevorderen van de ontwikkeling van normen en procedures gericht op het waarborgen van de integriteit van relevante particuliere instellingen, met inbegrip van gedragscodes voor bedrijven en relevante beroepsgroepen voor de correcte, eerzame en adequate uitoefening van hun zakelijke activiteiten en het voorkomen van belangenconflicten, en voor het bevorderen van goede commerciële praktijken door de bedrijven onderling en in hun contractuele zakelijke relaties met de staat;


b)    het voorkomen van misbruik van regelgeving voor particuliere instellingen, met inbegrip van procedures inzake subsidies en vergunningen die door overheidsinstanties worden verleend voor commerciële activiteiten; en

c)    het bevorderen van maatregelen ter voorkoming van belangenconflicten door, waar passend en gedurende een redelijke termijn, beperkingen te stellen aan de professionele activiteiten van voormalige overheidsfunctionarissen of aan het door de particuliere sector in dienst nemen van overheidsfunctionarissen na hun vrijwillig ontslag of pensionering, indien dergelijke activiteiten of dienstbetrekkingen direct verband houden met de functies die door dergelijke overheidsfunctionarissen werden bekleed of waarop zij toezicht hielden tijdens hun ambt.

ARTIKEL 11

Maatregelen ter voorkoming van het witwassen van geld

1.    De Partijen erkennen het belang van het voorkomen van het witwassen van geld en de mogelijke gevolgen van witwassen voor de internationale handel en investeringen, en zij bevestigen hun verbintenis tot vaststelling of handhaving van een alomvattend intern regelgevings- en toezichtstelsel voor financiële instellingen en aangewezen niet-financiële ondernemingen en beroepen (Designated Non-Financial Businesses and Professions, hierna “DNFBP’s” genoemd), overeenkomstig de bestaande verbintenissen in het kader van het UNCAC en de FATF-aanbevelingen. De Partijen bevorderen de uitvoering van de FATF-aanbevelingen 24 en 25 inzake transparantie en de uiteindelijk begunstigden van rechtspersonen en inzake transparantie en de uiteindelijk begunstigden van juridische constructies, alsmede de beginselen op hoog niveau van de G20 inzake transparantie met betrekking tot de uiteindelijk begunstigden.


2.    In overeenstemming met de verbintenissen uit hoofde van het UNCAC, de FATF-aanbevelingen en de beginselen op hoog niveau van de G20 als bedoeld in lid 1, nemen of handhaven de Partijen maatregelen die:

a)    ervoor zorgen dat hun interne wetgeving een definitie van “uiteindelijk begunstigde” bevat die betrekking heeft op de natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of zeggenschap heeft over een klant of de natuurlijke persoon namens wie een transactie wordt verricht, met inbegrip van de natuurlijke personen die de uiteindelijke daadwerkelijke zeggenschap uitoefenen over een rechtspersoon of een juridische constructie;

b)    ervoor zorgen dat op hun grondgebied gevestigde rechtspersonen toereikende, accurate en actuele informatie over hun uiteindelijk begunstigde moeten verkrijgen en bewaren;

c)    ervoor zorgen dat trustees van express trusts of andere juridische constructies met een soortgelijke structuur of functie als express trusts toereikende, accurate en actuele informatie over hun uiteindelijk begunstigde bijhouden, met inbegrip van de instellers, de eventuele protector, de trustees, de begunstigden of klassen van begunstigden, en elke andere natuurlijke persoon die de uiteindelijke feitelijke zeggenschap over de trust uitoefent;

d)    financiële instellingen en DNFBP’s, zoals die in de FATF-aanbevelingen zijn gedefinieerd, ertoe verplichten de klant te identificeren en de identiteit van die klant te verifiëren, alsmede de uiteindelijk begunstigde te identificeren en redelijke maatregelen te nemen om de identiteit van de uiteindelijk begunstigde te verifiëren, zodat de financiële instelling of DNFBP ervan overtuigd is te weten wie de uiteindelijk begunstigde is;


e)    mechanismen invoeren om te waarborgen dat de relevante bevoegde autoriteiten als gedefinieerd in het recht van de Partijen tijdig toegang hebben tot informatie over de uiteindelijk begunstigde;

f)    ervoor zorgen dat hun bevoegde autoriteiten tijdig en doeltreffend deelnemen aan de uitwisseling van informatie over uiteindelijk begunstigden met hun internationale tegenhangers;

g)    financiële instellingen en DNFBP’s ertoe verplichten verscherpte zorgvuldigheidsonderzoeken uit te voeren, met name ten aanzien van politiek prominente personen, waaronder personen worden verstaan die op het grondgebied van een van de Partijen of op internationaal niveau prominente publieke posities bekleden of hebben bekleed, alsmede hun familieleden en nauwe zakenrelaties; en

h)    zorgen voor doeltreffend toezicht op bovengenoemde verplichtingen, onder meer door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voor niet-naleving vast te stellen en te handhaven.

3.    De Partijen erkennen het nut van het aanleggen van registers om tijdig accurate en actuele informatie te verstrekken over de uiteindelijk begunstigde van rechtspersonen en juridische constructies, teneinde de voorkoming en de bestrijding van corruptie en het witwassen van geld te vergemakkelijken.


AFDELING D

Maatregelen ter voorkoming van corruptie in de publieke sector

ARTIKEL 12

Gedrag van overheidsfunctionarissen

1.    De Partijen bevestigen hun ondersteuning van de beginselen op hoog niveau van de G20 inzake vermogensaangiften van overheidsfunctionarissen, die tijdens de top van de G20-leiders in Los Cabos op 18-19 juni 2012 zijn vastgesteld, alsmede de beginselen inzake gedrag voor overheidsfunctionarissen voor Mexico van de economische samenwerking Azië-Stille Oceaan, die tijdens de 14e bijeenkomst van economische leiders in Hanoi in 2006 zijn aangenomen, en de aanbeveling inzake gedragscodes voor overheidsfunctionarissen die de Raad van Europa op 11 mei 2000 voor de Europese Unie heeft vastgesteld.

2.    De Partijen herbevestigen hun verbintenissen van artikel 8 van het UNCAC, waaronder de toepassing van gedragscodes of -normen voor overheidsfunctionarissen, het voor overheidsfunctionarissen gemakkelijker maken om corrupte handelingen bij de bevoegde autoriteiten te melden, het verplichten van overheidsfunctionarissen om bij de bevoegde autoriteiten verklaringen af te leggen over mogelijke belangenconflicten, en het nemen van maatregelen die voorzien in disciplinaire of andere maatregelen tegen overheidsfunctionarissen die deze codes of normen schenden.


ARTIKEL 13

Transparantie in het openbaar bestuur

1.    De Partijen benadrukken het belang van transparantie in het openbaar bestuur voor de voorkoming van corruptie op het gebied van internationale handel en investeringen en bevorderen transparantie overeenkomstig specifieke en horizontale bepalingen in deel III van deze overeenkomst, waaronder met name bepalingen inzake handelsbevordering, overheidsopdrachten, interne regelgeving en transparantie.

2.    De Partijen bevestigen opnieuw hun verbintenissen uit hoofde van artikel 13, lid 2, van het UNCAC om passende maatregelen te nemen teneinde te waarborgen dat hun instanties voor corruptiebestrijding bekend zijn bij het publiek, en in voorkomend geval toegang te verlenen tot deze instanties voor het melden van voorvallen.


ARTIKEL 14

Participatie van het maatschappelijk middenveld

De Partijen erkennen het belang van de participatie van het maatschappelijk middenveld bij het voorkomen en bestrijden van corruptie in de internationale handel en investeringen, alsmede de noodzaak om het publiek bewuster te maken van het bestaan, de oorzaken, de ernst en het gevaar van corruptie. Daartoe herbevestigen de Partijen hun verbintenissen uit hoofde van artikel 13, lid 1, van het UNCAC, met name wat betreft het nemen van passende maatregelen ter bevordering van de actieve betrokkenheid van personen en groepen buiten de publieke sector, zoals het maatschappelijk middenveld, niet-gouvernementele organisaties en basisorganisaties.

ARTIKEL 15

Bescherming van melders

De Partijen bevestigen opnieuw hun verbintenis overeenkomstig artikel 8, lid 4, van het UNCAC om te overwegen maatregelen en systemen in te stellen die het overheidsfunctionarissen gemakkelijker maken corrupte handelingen te melden aan de desbetreffende autoriteiten wanneer deze hen ter kennis komen tijdens het uitoefenen van hun functie. De Partijen bevestigen tevens opnieuw hun verbintenis krachtens artikel 33 van het UNCAC om te overwegen passende maatregelen vast te stellen om melders tegen elke ongerechtvaardigde behandeling te beschermen.


DEEL E

Geschillenbeslechting

ARTIKEL 16

Toepassingsgebied

1.    Indien de Partijen het niet eens zijn over een bepaling van dit protocol, maken de Partijen uitsluitend gebruik van de in de artikelen 17 tot en met 21 bedoelde procedures.

2.    Lid 1 doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de Partijen krachtens de desbetreffende procedures voor geschillenbeslechting van de in dit protocol bedoelde internationale instrumenten.

3.    Elke Partij behoudt het recht om haar respectieve wetgeving inzake corruptiebestrijding te handhaven via haar rechtshandhavings-, vervolgings- en rechterlijke autoriteiten, overeenkomstig de grondbeginselen van haar recht.


ARTIKEL 17

Overleg

1.    Een Partij kan om overleg met de andere Partij verzoeken met de bedoeling om tot een onderling overeengekomen oplossing te komen. Het overleg wordt binnen het Subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen gehouden.

2.    De Partij die om overleg verzoekt, richt een schriftelijk verzoek aan de andere Partij met de redenen voor dit verzoek, met inbegrip van een beschrijving van de aangelegenheid in kwestie en de wijze waarop de maatregel van de andere Partij nadelige gevolgen heeft voor de handel of de investeringen tussen de Partijen. De Partijen treden in overleg meteen na indiening van dit verzoek en in elk geval uiterlijk dertig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om overleg. De Partijen stellen alles in het werk om via dit overleg tot een wederzijds aanvaardbare oplossing van de kwestie te komen.

3.    Elke Partij kan zo nodig het advies inwinnen van de interne adviesgroepen als bedoeld in artikel 1.7 (Interne adviesgroepen) van deel IV van deze overeenkomst.

4.    Elke Partij streeft ernaar de deelname te garanderen van personeel van haar bevoegde overheidsinstanties dat verantwoordelijk is voor de aangelegenheid waarop het overleg betrekking heeft.

5.    Elke onderling overeengekomen oplossing wordt openbaar gemaakt, met inachtneming van de bescherming van vertrouwelijke informatie.


ARTIKEL 18

Bijstand door deskundigen

1.    Een Partij kan de andere Partij schriftelijk om bijstand van een groep deskundigen verzoeken indien het overleg is afgesloten en binnen negentig dagen na het verzoek om overleg geen onderling overeengekomen oplossing is bereikt. In haar verzoek om bijstand van een groep deskundigen beschrijft de Partij de aangelegenheid in kwestie en de wijze waarop de maatregel van de andere Partij nadelige gevolgen heeft voor de handel of de investeringen tussen de Partijen.

2.    Tenzij de Partijen anders overeenkomen, bestaat deze groep uit drie deskundigen. Binnen tien dagen na de datum van ontvangst van het in lid 1 bedoelde schriftelijke verzoek voeren de Partijen overleg om overeenstemming te bereiken over de deskundigen die deel zullen uitmaken van de groep deskundigen. Daartoe wijst elke Partij een deskundige aan, die een onderdaan van die Partij kan zijn, en stelt zij aan de andere Partij maximaal drie kandidaten voor om als voorzitter te fungeren. De Partijen trachten overeenstemming te bereiken over wie van de kandidaten het voorzitterschap op zich mag nemen. Een Partij kan bezwaar maken tegen een door de andere Partij aangewezen deskundige, indien zij van mening is dat deze persoon niet voldoet aan de in artikel 20 bedoelde vereisten. Voor de toepassing van dit lid worden de Partijen aangemoedigd de deskundigen te kiezen uit de in artikel 19 bedoelde lijst.

3.    Indien de Partijen binnen de in lid 2 genoemde termijn geen overeenstemming bereiken over de groep deskundigen, is de procedure van artikel 19 van toepassing.


4.    De groep deskundigen voert de procedures uit overeenkomstig de door de Partijen overeengekomen voorwaarden. Het Gemengd Comité kan een reglement van orde vaststellen dat van toepassing is op de in deze afdeling bedoelde procedures.

ARTIKEL 19

Lijst van deskundigen

Het Subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen stelt op zijn eerste bijeenkomst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst van ten minste negen personen op die bereid en in staat zijn als deskundigen te fungeren. Die lijst bestaat uit drie sublijsten: een sublijst voor elke Partij en een sublijst van personen die geen onderdaan zijn van een van de Partijen en die voor het voorzitterschap in aanmerking komen. Elke Partij draagt ten minste drie personen voor haar eigen sublijst voor. De Partijen kiezen ook ten minste drie personen voor de lijst van voorzitters. Het Subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen zorgt ervoor dat de lijst wordt geactualiseerd en dat het aantal deskundigen steeds ten minste negen personen bedraagt.


ARTIKEL 20

Kwalificaties van deskundigen

De deskundigen moeten beschikken over deskundigheid op het gebied van het recht of de praktijk van aangelegenheden die onder dit protocol vallen of de beslechting van geschillen in het kader van internationale overeenkomsten. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies van enige organisatie of regering aan met betrekking tot de onenigheid, zijn niet verbonden aan de regering van een van de Partijen, en voldoen aan de voorschriften van bijlage 31-B (Gedragscode voor panelleden en bemiddelaars).

ARTIKEL 21

Deskundigenadvies

1.    De groep deskundigen overlegt met de Partijen, gezamenlijk of afzonderlijk, naargelang van het geval, om hen te helpen tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

2.    In aangelegenheden die verband houden met de in dit protocol bedoelde internationale overeenkomsten, FATF-aanbevelingen of beginselen op hoog niveau van de G20, kunnen de deskundigen, indien nodig en na kennisgeving aan de Partijen, informatie of advies inwinnen bij de betrokken organisaties of instanties.


3.    Indien binnen negentig dagen na de samenstelling van de groep deskundigen via overleg met de groep deskundigen geen onderling overeengekomen oplossing wordt bereikt, kan elke Partij de groep deskundigen verzoeken een advies met een voorstel voor een oplossing uit te brengen.

4.    De groep deskundigen brengt binnen negentig dagen na het in lid 3 bedoelde verzoek haar advies uit, met de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen alsmede de beweegredenen die aan de voorgestelde oplossing ten grondslag liggen 3 . Elke Partij maakt het advies onmiddellijk na indiening door de groep deskundigen openbaar, met inachtneming van de bescherming van vertrouwelijke informatie.

5.    De Partijen bespreken, rekening houdend met het advies van de groep deskundigen, passende maatregelen om het probleem op te lossen, teneinde tot een onderling overeengekomen oplossing te komen. De Partij die de maatregelen uitvoert, stelt de andere Partij uiterlijk drie maanden na het uitbrengen van het advies in kennis van de maatregelen die zij heeft uitgevoerd of voornemens is uit te voeren, of van de acties die zij heeft ondernomen of voornemens is te ondernemen om het probleem op te lossen. De Partijen vragen de interne adviesgroepen in voorkomend geval om advies over de uitvoering van dergelijke maatregelen.


6.    Het Subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen houdt toezicht op de follow-up van het advies van de groep deskundigen en de daarin voorgestelde oplossing. De interne adviesgroepen kunnen in dit verband opmerkingen indienen bij het Subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen.

ARTIKEL 22

Evaluatie

1.    Teneinde de doeltreffende uitvoering van dit protocol te bevorderen, bespreken de Partijen tijdens de vergaderingen van het Subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen de werking van de in de afdelingen E en F opgenomen bepalingen inzake geschillenbeslechting en institutionele bepalingen, met inbegrip van een eventuele evaluatie van hun doeltreffendheid, waarbij zij onder meer rekening houden met de ervaring die met de uitvoering van dit protocol is opgedaan, de beleidsontwikkelingen in elke Partij, de ontwikkelingen in internationale overeenkomsten en de standpunten van belanghebbenden.

2.    Het Subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen kan aan het Gemengd Comité aanbevelingen doen voor wijzigingen van de desbetreffende bepalingen van dit protocol naar aanleiding van het resultaat van de in lid 1 bedoelde besprekingen, die worden aangenomen overeenkomstig de in artikel 2.4 (Wijzigingen) van deel IV van deze overeenkomst vastgestelde wijzigingsprocedure.


AFDELING F

Institutionele regelingen

ARTIKEL 23

Subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen

1.    De Partijen stellen een subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen in. Dit comité bestaat uit vertegenwoordigers van elke Partij die verantwoordelijk zijn voor aangelegenheden in verband met de voorkoming en bestrijding van corruptie, rekening houdend met de specifieke vraagstukken die tijdens een bepaalde zitting zullen worden behandeld.

2.    Het Subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen komt binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, tenzij de Partijen anders overeenkomen, en daarna zoals zij onderling overeenkomen.

3.    De taken van het Subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen zijn:

a)    de doeltreffende uitvoering van dit protocol vergemakkelijken en monitoren en eventuele problemen bij de uitvoering bespreken;


b)    de samenwerking tussen de Partijen inzake onder dit protocol vallende aangelegenheden bevorderen, en de uitwisseling van informatie over ontwikkelingen in niet-gouvernementele, regionale en multilaterale fora inzake onder dit protocol vallende aangelegenheden stimuleren;

c)    initiatieven inzake onder dit protocol vallende aangelegenheden die baat zouden hebben bij meer bilaterale samenwerking aanwijzen of bespreken; en

d)    mogelijke verbeteringen van dit protocol aanwijzen of bespreken.

4.    Elke Partij wijst een contactpunt aan om de communicatie en coördinatie tussen de Partijen over zaken in verband met de uitvoering van dit protocol te vergemakkelijken en stelt de andere Partij in kennis van haar contactgegevens. De Partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen van die contactgegevens.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.

Gedaan te…, deze… dag van… in het jaar…

Voor het Koninkrijk België,

Voor de Republiek Bulgarije,


Voor de Tsjechische Republiek,

Voor het Koninkrijk Denemarken,

Voor de Bondsrepubliek Duitsland,

Voor de Republiek Estland,

Voor Ierland,

Voor de Helleense Republiek,

Voor het Koninkrijk Spanje,

Voor de Franse Republiek,

Voor de Republiek Kroatië,

Voor de Italiaanse Republiek,

Voor de Republiek Cyprus,

Voor de Republiek Letland,

Voor de Republiek Litouwen,


Voor het Groothertogdom Luxemburg,

Voor Hongarije,

Voor de Republiek Malta,

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

Voor de Republiek Oostenrijk,

Voor de Republiek Polen,

Voor de Portugese Republiek,

Voor Roemenië,

Voor de Republiek Slovenië,

Voor de Slowaakse Republiek,

Voor de Republiek Finland,

Voor het Koninkrijk Zweden,

Voor de Europese Unie

Voor de Verenigde Mexicaanse Staten

BIJLAGE bij Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds

BIJLAGE bij Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds

BIJLAGE bij Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds

BIJLAGE bij Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake een strategisch politiek, economisch en samenwerkingspartnerschap tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds