Home

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen wat betreft vereisten voor securitisatieblootstellingen

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen wat betreft vereisten voor securitisatieblootstellingen

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

Straatsburg, 17.6.2025

COM(2025) 825 final

2025/0825(COD)

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen wat betreft vereisten voor securitisatieblootstellingen (Voor de EER relevante tekst)

{SEC(2025) 825 final} - {SWD(2025) 825 final} - {SWD(2025) 826 final}

TOELICHTING

Algemene inleiding

De Europese markt voor securitisatie nieuwe impulsen geven, kan helpen om het bedrag aan financiering dat voor de reële economie beschikbaar is, te vergroten en kan de risicodiversificatie op de eengemaakte markt verbreden. Dat is meer dan ooit belangrijk in het huidige economische en geopolitieke klimaat waarin de Unie fors moet investeren om zowel veerkrachtig als concurrerend te blijven. Goed functionerende securitisatiemarkten kunnen bijdragen aan een grotere economische groei en kunnen helpen om de strategische doelstellingen van de Unie, daaronder begrepen investeringen in de groene, digitale en sociale transitie, te financieren doordat kredietinstellingen (d.w.z. banken) hierdoor risico’s kunnen overdragen aan partijen die het best geschikt zijn om deze te dragen – en zijzelf hun kapitaal kunnen vrijmaken. De verwachting is dat banken dit kapitaal zullen gebruiken om additionele kredieten te verstrekken aan huishoudens en bedrijven, waaronder ook het midden- en kleinbedrijf (“mkb”). Door het risico te herverdelen binnen het ruimere financiële stelsel kan securitisatie beleggers op de kapitaalmarkt ook meer beleggingskansen bieden. Het huidige EU-securitisatieraamwerk belet de EU-economie om alle vruchten te plukken die securitisatie kan bieden.

De rapporten van Enrico Letta 1 en Mario Draghi 2 hebben securitisatie aanbevolen als een middel waardoor banken in de Europese Unie meer krediet kunnen verstrekken voor de financiering die nodig is voor EU-prioriteiten – waaronder defensie – en zo diepere kapitaalmarkten te creëren, de spaar- en investeringsunie uit te bouwen en het concurrentievermogen van de EU te versterken.

De Europese Raad heeft de Europese Commissie gevraagd maatregelen te identificeren om de Europese securitisatiemarkt te herstarten, “onder meer via wijzigingen in de regelgeving en de prudentiële vereisten, met gebruikmaking van de beschikbare manoeuvreerruimte” 3 , en om snel – in 2025 – met een voorstel voor een herzien securitisatieraamwerk te komen 4 . Ook hebben talrijke stakeholders, zoals emittenten, beleggers en toezichthouders, opgeroepen om de belemmeringen weg te werken die de ontwikkeling van de EU-securitisatiemarkt verhinderen 5 .

Het EU-securitisatieraamwerk is opgetuigd in de nasleep van de financiële crisis van 2008 en wilde een antwoord bieden op zorgen over risicovolle securitisaties in de VS. Op dat moment werden strenge eisen noodzakelijk geacht om de reputatie te herstellen van de securitisatiemarkt die te lijden had van ontoereikende bescherming en een ernstig gebrek aan vertrouwen van beleggers. Nu passende garanties stevig zijn verankerd in de organisatie van de markt en securitisatie het beleggersvertrouwen aan het terugwinnen is, moet een beter evenwicht worden gezocht tussen garantiemechanismen en groeikansen – zowel voor beleggingen als uitgiften. De ervaring met het raamwerk leert dat dit raamwerk te voorzichtig is en het potentiële gebruik van securitisatie in de EU beperkt. Hoge operationele kosten en al te voorzichtige kapitaalvereisten houden vele emittenten en beleggers weg van de securitisatiemarkt.

Deze herziening beoogt erkenning te geven zowel aan de risicomitigerende elementen die in de EU-regelgevings- en toezichtskaders voor securitisatie zijn ingevoerd – en die risico’s verbonden aan securitisatietransacties aanzienlijk hebben verminderd –, als aan de goede kredietprestaties van EU-securitisaties.

Dit voorstel draagt bij aan de prioriteit “Een nieuw plan voor duurzame welvaart en concurrentievermogen in Europa” die de Commissie voor de periode 2024-2029 heeft bepaald. Het voorstel is een onderdeel van de spaar- en investeringsunie 6 , die een hoeksteen is van het mandaat van de Commissie voor de periode 2024-2029, en is het eerste wetgevingsinitiatief in het kader van de spaar- en investeringsunie. Tegelijk is het belangrijk om te erkennen dat de herziening van het securitisatieraamwerk op zich geen wondermiddel is. De spaar- en investeringsunie is een project dat met een breed scala van andere en complementaire maatregelen zijn doelstelling waarmaakt. Niettemin verwacht de Europese Commissie dat de voorgenomen aanpassingen van de niet-prudentiële en prudentiële vereisten in dit pakket financiële instellingen ertoe zullen brengen om meer activiteiten te ontplooien op het gebied van securitisatie en – belangrijker nog – om het toetsingsvermogen dat daardoor vrijvalt (capital relief), te gebruiken voor additionele kredietverlening.

De voorgestelde herziening van het EU-securitisatieraamwerk wil ongewenste hinderpalen voor uitgifte en beleggingen op de EU-securitisatiemarkt opruimen, meer bepaald door: i) het verminderen van onnodige operationele kosten voor emittenten en beleggers, gecompenseerd door adequate normen inzake transparantie, beleggersbescherming en toezicht; ii) het aanpassen van het prudentiële raamwerk voor banken en verzekeraars, om beter rekening te houden met daadwerkelijke risico’s, en het schrappen van onnodige prudentiële kosten bij uitgifte van en belegging in securitisaties, zonder dat een en ander ten koste gaat van de financiële stabiliteit.

De herziening van het EU-securitisatieraamwerk wil ongewenste obstakels opruimen die een rem zetten op de groei en ontwikkeling van de EU-securitisatiemarkt, zonder echter risico’s te doen ontstaan voor financiële stabiliteit, marktintegriteit of beleggersbescherming. Om dit doel te bereiken zijn de voorgestelde hervormingen zorgvuldig gericht op het wegwerken van specifieke hinderpalen voor uitgifte en (niet-bancaire) beleggingen. De herziening houdt wijzigingen van vier wetgevingshandelingen in: 

  • een wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad 7 (“de securitisatieverordening”), die productregels en gedragsregels voor emittenten en beleggers vastlegt;

  • een voorstel tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad 8 (“de verordening kapitaalvereisten” of “VKV”), die de kapitaalvereisten bepaalt voor banken die securitisaties aanhouden en daarin belegd zijn, alsmede

  • wijzigingen van twee gedelegeerde verordeningen: de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie 9 (“gedelegeerde handeling liquiditeitsdekkingsratio (LCR)”), die de criteria bepaalt voor de opname van activa in de liquiditeitsbuffer van banken, en de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie 10 (“gedelegeerde Solvency II (SII)-handeling”), die kapitaalvereisten voor (her)verzekeringsondernemingen bepaalt. 

De beoogde wijzigingen dienen om gerichte verbeteringen aan te brengen in het raamwerk – niet om het ingrijpend te herzien. Die veranderingen moeten als één pakket worden bezien, aangezien geen van de individuele onderdelen ervan op zich de beoogde uitkomst zal opleveren. De elementen van het pakket acteren op zowel vraag- als aanbodzijde van de markt en versterken elkaar om zo de beoogde impact creëren. Het stroomlijnen van rapportagevereisten en het verlagen van kapitaalvereisten zullen beide de toegangsdrempels verlagen en het voor banken goedkoper maken om securitisaties te initiëren. Het vereenvoudigen van de due diligence en het aanpassen van de kapitaalopslagen en liquiditeitsbehandeling zullen het eenvoudiger en aantrekkelijker maken om in securitisatie te beleggen. Een ruimere en dynamischere beleggersbasis zal ook aanzetten tot meer uitgiften. De EU-securitisatiemarkt nieuwe impulsen geven is een complexe kwestie die aanpassingen in diverse onderdelen van het raamwerk vereist om vraag en aanbod op de securitisatiemarkt te stimuleren.

Regelgeving alleen kan slechts voor een deel helpen om de ontwikkeling van deze markt te stimuleren: ook marktdeelnemers hebben een rol te spelen en moeten hun bijdrage leveren, bijvoorbeeld door mee te gaan in standaardisering en sectorbrede initiatieven voor specifieke segmenten. Zonder inspanningen van marktdeelnemers, zal het opschalen van de markt niet mogelijk zijn. 

Diverse inputs zijn in deze herziening meegenomen, waaronder het EBA-rapport van 2020 over de significante risico-overdracht (SRT) , het ESRB-rapport van 2020 over de monitoring van systeemrisico’s op de EU-securitisatiemarkt , het rapport van de Commissie van 2022 over de securitisatieverordening , het advies van het Gemengd Comité van de ESA’s van 2022 over het prudentiële raamwerk , de gerichte consultatie van 2024 over het functioneren van het EU-securitisatieraamwerk en het verslag van het Gemengd Comité van 2025 over de implementatie en het functioneren van het securitisatieraamwerk . De Commissie heeft ook diverse bilaterale bijeenkomsten gehouden met stakeholders en heeft in juli 2024 een workshop georganiseerd om te overleggen over standpunten van stakeholders over het EU-securitisatieraamwerk. 

Wat timing betreft, de wijzigingen van de securitisatieverordening en de verordening kapitaalvereisten worden door de Commissie samen vastgesteld. Op diezelfde dag worden de ontwerp-wijzigingen van de gedelegeerde verordening liquiditeitsdekkingsratio op “Uw mening telt!” gepubliceerd voor een consultatie van vier weken. De ontwerpwijzigingen van de gedelegeerde Solvency II-verordening zullen in een ruimer pakket wijzigingen van die verordening worden opgenomen, dat naar verwachting in de tweede helft van juli dit jaar voor consultatie zal worden gepubliceerd. 

Doelstellingen van het voorstel tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 (VKV) 

De evaluatie van het raamwerk, geschraagd door feedback van stakeholders, laat zien dat i) de bestaande prudentiële vereisten voor securitisatie, zoals die zijn geformuleerd in Verordening (EU) nr. 575/2013 (VKV), onvoldoende risicogevoelig zijn en dat, als gevolg van die vereisten, ii) de hoogte van de kapitaalvereisten waaraan kredietinstellingen moeten voldoen ten aanzien van hun securitisatieblootstellingen, onnodig hoog is. De huidige vereisten houden onvoldoende rekening met de goede kredietprestaties van EU-securitisatie en de risicomitigerende factoren die zijn geïmplementeerd in de regelgevings- en toezichtskaders voor securitisatie die de aan securitisatie inherente agency- en modelrisico’s aanzienlijk hebben verminderd 11 . Hoewel het beginsel van de niet-neutraliteit 12 van kapitaalvereisten – als een van de belangrijkste elementen van het securitisatiekapitaalraamwerk voor kredietinstellingen – gerechtvaardigd is, lijkt de omvang van de niet-neutraliteit niet langer gerechtvaardigd. Bovendien is er een buitensporige voorzichtigheid verankerd in de standaardbenadering voor securitisatie (“SEC-SA”) zowel in absolute termen als ten opzichte van de interneratingbenadering (“SEC-IRBA”). Het gebrek aan risicogevoeligheid als een prudentiële hinderpaal die EU-kredietinstellingen ontmoedigt om volledig aan de securitisatiemarkt deel te nemen, en met name in hun hoedanigheid van originator van securitisaties, en vermindert voor de kredietinstellingen het potentieel om het vrijgevallen kapitaal te gebruiken om meer kredieten aan de economie te verstrekken. Hierdoor wordt securitisatie minder aantrekkelijk als een doeltreffend instrument om het kapitaal en de balans van de kredietinstellingen te beheren en risico’s te herverdelen over het ruimere financiële stelsel.

Het huidige voorstel is een wijziging van de VKV en is dus ook een verordening. Geen alternatieve – wetgevende of operationele – middelen kunnen worden gebruikt om de doelstellingen van dit voorstel te behalen.

Het effectbeoordelingsverslag is aan de Raad voor regelgevingstoetsing van de Commissie voorgelegd en is op 9 april 2025 door die Raad besproken.

Dit voorstel voor een verordening maakt deel uit van een ruimere herziening van het securitisatieraamwerk, die wijzigingen omvat van twee verordeningen (naast de VKV, ook de securitisatieverordening) en twee gedelegeerde handelingen (de gedelegeerde handeling liquiditeitsdekkingsratio en de gedelegeerde Solvency II-handeling). De voorgestelde wijzigingen moeten als een pakket maatregelen worden gezien dat probleempunten in de aanbod- en vraagzijde van de securitisatiemarkt op een omvattende wijze wil aanpakken.

Risicogewichtondergrenzen zijn minimumrisicogewichten die kredietinstellingen die securitisaties uitgeven en daarin beleggen, moeten toepassen op hun securitisatieblootstellingen, zelfs indien de berekeningen van de kapitaalvereisten volgens de SEC-SA- en SEC-IRBA-benadering een lager risicogewicht suggereren. Zij vormen een ondergrens voor kapitaalvereisten. Het huidige raamwerk is vrij risicogevoelig, aangezien het slechts ruimte biedt voor twee vaste risicogewichtondergrenzen voor senior posities: een risicogewichtondergrens van 10 % voor de blootstelling aan een senior positie van eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde (“STS”) transacties, en een risicogewichtondergrens van 15 % voor de blootstelling aan een seniorpositie van niet-STS-transacties.

Het voorstel voert het nieuwe concept in van een “risicogevoelige risicogewichtondergrens”, waarbij de risicogewichtondergrenzen voor senior securitisatieposities evenredig zijn aan de risicogevoeligheid (d.w.z. gemiddelde risicogewichten) van de onderliggende pool van blootstellingen. Dit maakt het kapitaalraamwerk voor securitisaties aanzienlijk risicogevoeliger en doet de negatieve prikkels voor de securitisatie van portefeuilles met geringe risicogewichten afnemen. Om buitensporig lage risicogewichtondergrenzen te voorkomen en coherentie met internationale standaarden te behouden, moet voor de risicogewichtondergrens die volgens deze risicogevoelige formule worden berekend, een minimumniveau van toepassing zijn.

De berekening van de risicogewichtondergrens voor senior posities differentieert tussen STS- en niet-STS-securitisaties doordat voor elk van beide een verschillende scalair wordt gebruikt, om de inherent betere kwaliteit weer te geven van STS-securitisaties waarop een reeks gedetailleerde STS-criteria en specifiek toezicht van toepassing zijn. Deze scalairs zijn gekalibreerd om, in termen van verlaging van de kapitaalvereisten, bescheiden tot ambitieuze uitkomsten op te leveren, maar toch prudente uitkomsten te behouden.

Aanpassingen van de (p)-factor

De (p)-factor is een parameter die de “niet-neutraliteit” van de kapitaalvereisten voor securitisaties bepaalt ten aanzien van door kredietinstellingen gehouden securitisatieblootstellingen. Het is een van de parameters die worden gebruikt in de formules voor het berekenen van risicogewichten voor securitisaties, en deze factor verhoogt het bedrag aan kapitaal voor securitisatieposities tot boven hetgeen voor de onderliggende blootstellingen vereist zou zijn indien deze niet waren gesecuritiseerd. Een (p)-factor 1 dient te worden geïnterpreteerd als een 100 % hoger kapitaalvereiste of een verdubbeling van het kapitaalvereiste voor alle securitisatieposities, vergeleken met het kapitaalvereiste van de onderliggende niet-gesecuritiseerde activa, terwijl een (p)-factor van 0,3 resulteert in een 30 % hoger kapitaalvereiste. De (p)-factor komt alleen voor in benaderingen op basis van formules (SEC-IRBA en SEC-SA) en bestaat niet in de SEC-ERBA-benadering die is gebaseerd op externe ratings (waarbij risicogewichten rechtstreeks in een in de VKV gedefinieerde tabel zijn vermeld, om een “afspiegeling” te zijn van de volgens de SEC-SA-formule berekende risicogewichten).

Een van de belangrijkste lessen uit de evaluatie van het huidige raamwerk en de consultatie van stakeholders is dat de niveaus van de (p)-factor buitensporig hoog zijn en leiden tot ongerechtvaardigde niveaus van overkapitalisatie voor bepaalde securitisatietransacties. Bovendien is de niet-neutraliteit van kapitaalvereisten bijzonder hoog in de SEC-SA-benadering en veroorzaakt zij ongerechtvaardigde verschillen tussen de kapitaalvereisten berekend volgens de SEC-IRBA- en volgens de SEC-SA-benadering.

Daarom moeten gerichte aanpassingen worden doorgevoerd in de (p)-factor in de SEC-IRBA- en SEC-SA-benadering, om: i) grotere risicogevoeligheid in te voeren; ii) buitensporige niveaus van niet-neutraliteit aan te pakken; iii) de buitensporige voorzichtigheid van de SEC-SA-benadering te verminderen; iv) het beginsel van de rangorde van benaderingen te behouden (d.w.z. dat de SEC-IRBA-benadering bovenaan in de rangorde – in beginsel – tot lagere kapitaalvereisten zou moeten leiden dan de SEC-SA-benadering in het midden en de SEC-ERBA-benadering onderaan de rangorde die tot de meest voorzichtige uitkomsten leidt).

De gerichte aanpassingen differentiëren dus tussen posities in STS- en niet-STS-securitisaties, orginators-/sponsors- en beleggersposities, en senior en non-senior posities. Algemeen genomen ligt bij de verlagingen van de (p)-factor de nadruk op senior posities, orginator-/sponsorposities en STS-securitisaties. Anders gesteld, blootstellingen van beleggers in niet-STS-securitisaties en in non-senior posities van STS-securitisaties mogen geen verlaagde (p)-factor kunnen krijgen, aangezien beleggingen van kredietinstellingen in niet-senior securitisatieposities niet wenselijk zijn en niet dienen te worden ondersteund.

Voor de SEC-IRBA is het voorstel dat, wanneer de (p)-factor volgens het raamwerk op basis van een specifieke formule moet worden berekend, dan voor de (p)-factor een verlaagde schaalfactor, een verlaagde ondergrens en een nieuw ingevoerd plafond zouden gelden. Bij deze veranderingen ligt de focus op de senior posities. Afgezien van de zo-even toegelichte wijzigingen (van het plafond, de ondergrens en de schaalfactor) zou de formule voor het berekenen van de (p)-factor volgens de SEC-IRBA ongewijzigd blijven.

Voor de SEC-SA is het voorstel dat, wanneer het raamwerk vlakke niveaus van de (p)-factor bevat en alleen differentieert tussen STS- en niet-STS-securitisaties, de (p)-factor voor senior posities wordt verlaagd.

In de SEC-ERBA zijn de risicogewichten in de opzoektabellen opnieuw gekalibreerd, om de wijzigingen tot uiting te brengen die worden voorgesteld voor de risicogewichtondergrens en de (p)-factor in de SEC-IRBA- en de SEC-SA-benaderingen, terwijl toch de rangorde van benaderingen gehandhaafd blijft (d.w.z. om het beginsel te behouden dat de SEC-ERBA moet leiden tot de voorzichtigste uitkomsten van de drie benaderingen). Om de invoering van de risicogevoelige riscogewichtondergrens tot uiting te brengen, moet in de opzoektabellen de formule worden opgenomen voor het berekenen van de risicogevoelige risicogewichtondergrens voor de posities met de hoogste kredietkwaliteit (“CQS’s”) die waarschijnlijk op de laagste risicogewichten zullen uitkomen. Daarom moet de formule voor de riscogewichtondergrens prevaleren op de geactualiseerde risicogewichten in de opzoektabellen, indien deze hogere uitkomsten oplevert. Indien banken KA 17 niet kunnen berekenen (omdat zij bijvoorbeeld niet de parameter w voor de berekening van KA kunnen verkrijgen), moeten zij de huidige risicogewichten van 10 % voor STS of 15 % voor niet-STS gebruiken. Dit moet het risico op regelgevingsarbitrage voorkomen, waarbij de SEC-ERBA lagere risicogewichten zou kunnen opleveren voor deze hogere CQS-posities dan bij de op formules gebaseerde benaderingen (SEC-IRBA en SEC-SA) (waar de formule moet worden gebruikt voor het berekenen van de riscogewichtondergrens).

Al met al moeten de voorgestelde wijzigingen prudente uitkomsten opleveren en rekening houden met de punten van zorg van de EBA en van toezichthouders dat het verlagen van de (p)-factor kan leiden tot de onderkapitalisatie van de mezzanine posities en abrupte veranderingen (cliff-effecten) (d.w.z. situaties waarin kleine veranderingen in de (p)-factor resulteren in grote veranderingen in de kapitaalvereisten en scherpe verschillen tussen kapitaalvereisten voor verschillende posities).

Veerkrachtige posities

Daarnaast voegt het voorstel, voortbouwend op de voorstellen uit het advies van het Gemengd Comité van 2022 over de herziening van het prudentiële raamwerk voor securitisaties, een nieuw concept van “veerkrachtige securitisatieposities” in. Die veerkrachtige securitisatieposities zijn senior posities in securitisaties die voldoen aan een reeks criteria om in aanmerking te komen, waardoor senior posities een laag agency- en modelrisico en een robuuste verliesabsorptiecapaciteit krijgen. De criteria om in aanmerking te komen, bouwen voort op de aanbevelingen van het Gemengd Comité. Zij zijn aangepast zodat zij een groter deel van de posities op de securitisatiemarkt bestrijken, terwijl zij toch nog prudente uitkomsten verzekeren.

Het gaat om de volgende vereisten:

  • Lagere agency- en modelrisico’s. Alleen securitisatieposities die verlaagde agency- en modelrisico’s vertonen, komen in aanmerking. Daarbij gaat het om: i) posities van originators – in zowel STS- als niet-STS-securitisaties – (aangezien originators meer gedetailleerde kennis hebben van en controle over de onderliggende blootstellingen en het proces van het initiëren van securitisaties dan beleggers); ii) posities van sponsors – in zowel STS- als niet-STS-securitisaties – (aangezien sponsors tot meer informatie toegang hebben dan beleggers en agencyrisico’s kleiner zijn dan risico’s verbonden aan posities van beleggers); en iii) posities van beleggers – in uitsluitend STS-securitisaties – (omdat STS-criteria grotendeels de agency- en modelrisico’s mitigeren). Posities van beleggers in niet-STS-securitisaties worden uitgesloten omdat de agency- en modelrisico’s niet zijn verminderd.

    • Amortisatiemechanisme. Alleen sequentiële amortisatie is toegestaan, of pro-rata amortisatie, mits de transactie prestatiegerelateerde triggers bevat die een overschakeling naar sequentiële amortisatie vereisen. Een en ander moet zorgen voor een voorzichtige kredietverbetering voor de senior positie over de looptijd van de transactie. Dit zijn bestaande STS-criteria. Daarom moet traditionele securitisatie voldoen aan het in artikel 21, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402 gedefinieerde bestaande STS-criterium en aan de aanvullende houvast die te vinden is in de EBA-richtsnoeren inzake de STS-criteria voor niet-ABCP-securitisatie (EBA/GL/2018/09). Synthetische securitisatie moet voldoen aan het in artikel 26 quater, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402 gedefinieerde bestaande STS-criterium, samen met de houvast in de EBA-richtsnoeren betreffende STS-criteria voor on-balance-sheet-securitisatie (EBA/GL/2024/05), en aan de vereisten van Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/920 betreffende prestatieafhankelijke triggers.

    • Concentratie/granulariteit De blootstellingen in de pool moeten voldoen aan een maximale concentratielimiet van 2 %, d.w.z. dat blootstellingen aan één enkele debiteur niet meer dan 2 % van de geaggregeerde blootstellingswaarde mogen bedragen. Een granulaire pool faciliteert een hogere risicodiversificatie, doet doorgaans de kans op daarmee samenhangende wanbetalingen afnemen en schermt de senior positie beter af tegen het verliesrisico.

    • Tegenpartijkredietrisico (alleen relevant voor synthetische transacties). Alleen kredietprotectie die wordt geschraagd door zekerheden van hoge kwaliteit of in de vorm van garanties afgegeven door landen of supranationale instellingen, is toegestaan. Dit vermindert het tegenpartijkredietrisico dat verbonden is aan de kredietprotectie waaraan de originator is blootgesteld, stelt de originator in staat snel de in SRT-structuren geleden verliezen te compenseren en draagt bij tot de doeltreffendheid van de risico-overdracht. In dit vereiste legt de klemtoon op het beschermen van de originator (en de blootstelling van de originator aan de senior positie), aangezien bij synthetische securitisaties de originator de senior positie doorgaans behoudt.

    • Minimale kredietversterking (d.w.z. maximale “thickness”) van de senior positie. Dit vereiste moet borgen dat non-senior posities een voldoende “thickness” hebben om de senior positie potentiële verliezen te laten opvangen. Een specifieke formule wordt ingevoerd voor het berekenen van het minimum attachment point van de senior positie in het kader van de SEC-IRBA-benadering. Een en ander spoort grotendeels met de verwachtingen van het gemeenschappelijke toezichtsmechanisme in het kader van de SRT-toezichtsbeoordelingen. Voor de SEC-SA-en SEC-ERBA-benaderingen wordt een afzonderlijke formule ingevoerd die gemakkelijker toe te passen is en die de complexiteit vermijdt van de formule toegepast in de SEB-IRBA-benaderingen (bv. de complexiteit van de berekening van de over de hele looptijd verwachte verliezen (lifetime expected losses) in de standaardbenadering). De formule voor het berekenen van het minimum attachment point volgens de SEC-IRBA-benadering gebruikt als een van de inputs de gewogen gemiddelde looptijd (Weighted Average Life – “WAL”) van het initiële referentieportfolio. De berekening van de WAL moet gebeuren in overeenstemming met de houvast in de richtsnoeren betreffende de STS-criteria (EBA/GL/2024/05), die consistent is met de aannames van de berekening van de WAL volgens de EBA-richtsnoeren voor de vaststelling van de gewogen gemiddelde looptijd van de contractuele betalingen die in het kader van de tranche verschuldigd zijn (EBA/GL/2020/04). Bijgevolg mag bij de berekening van de WAL geen rekening worden gehouden met vooruitbetalingen voor synthetische securitisaties, terwijl voor “true sale” securitisaties de mogelijkheid moet worden gegeven om in bijzondere omstandigheden de vooruitbetalingen in aanmerking te nemen (zoals beschreven in afdeling 4.3.2 van de respectieve richtsnoeren).

In de praktijk betekent dit voor STS-securitisaties dat slechts twee van de vijf criteria nieuw zijn, aangezien de criteria voor het amortisatiemechanisme, concentratie/granulariteit en tegenpartijkredietrisico al bestaande STS-criteria zijn (zoals beschreven in de securitisatieverordening) of “STS+”-criteria voor een preferente kapitaalbehandeling (zoals beschreven in artikel 243 VKV).

Securitisatieposities die aan de bovenstaande criteria voldoen, kunnen verdere verminderingen van de riscogewichtondergrenzen krijgen en, voor bepaalde beleggersposities, ook verlagingen in de (p)-factor.

Deze criteria zijn gepreciseerd in artikel 243 VKV. Artikel 243 VKV specificeert nu twee reeksen criteria voor gedifferentieerde kapitaalbehandeling: in de eerste plaats bestaande criteria voor STS-securitisaties die kwalificeren voor de STS-kapitaalbehandeling, en in de tweede plaats nieuwe “veerkrachtigheids”-criteria voor securitisatieposities om te kwalificeren voor een gunstigere kapitaalbehandeling dan andere (niet-veerkrachtige) posities.

Het risico op regelgevingsarbitrage (waarbij de originator-kredietinstelling wordt gestimuleerd om een senior positie met een buitensporige “thickness” te structureren om de lagere (p) en lagere risicogewichten te kunnen krijgen) wordt als volgt gemitigeerd: in het geval van veerkrachtige posities, via een “veerkrachtigheids”-vereiste voor maximale “thickness” van de senior positie; en voor andere posities, via het raamwerk voor significante risico-overdracht, wanneer de nieuwe op beginselen gebaseerde toets dit soort arbitrage belet. Evenzo kunnen kredietinstellingen in senior posities van STS-securitisaties alleen een lagere (p) krijgen indien de positie veerkrachtig is – en dus voldoet aan het vereiste van de “thickness” van de positie.

Alle voorgestelde aanpassingen van de riscogewichtondergrenzen en de (p)-factor worden in de volgende drie tabellen samengevat:

Tabel 1: Vereisten actueel raamwerk

STS

Niet-STS

Originator/

sponsor

Belegger

Originator/

sponsor

Belegger

SEC-IRBA

SEC-SA

SEC-IRBA

SEC-SA

SEC-IRBA

SEC-SA

SEC-IRBA

SEC-SA

Senior positie

Riscogewichtondergrenzen

10 %

15 %

(p)-factor

Formule

Schaalfactor 0,5,

Ondergrens 0,3

0,5

Formule

Schaalfactor 0,5,

Ondergrens 0,3

0,5

Formule

Schaalfactor 1,

Ondergrens 0,3

1

Formule

Schaalfactor 1,

Ondergrens 0,3

1

Non-senior posities

(p)-factor

Formule

Schaalfactor 0,5,

Ondergrens 0,3

0,5

Formule

Schaalfactor 0,5,

Ondergrens 0,3

0,5

Formule

Schaalfactor 1,

Ondergrens 0,3

1

Formule

Schaalfactor 1,

Ondergrens 0,3

1

Tabel 2: Voorgestelde vereisten voor transacties met veerkrachtige posities (veranderingen ten opzichte van het huidige raamwerk zijn in vet aangegeven, veranderingen ten opzichte van de voorgestelde behandeling voor andere transacties zijn vet onderstreept aangegeven)

STS

Niet-STS

Originator/

sponsor

Belegger

Originator/

sponsor

Belegger

SEC-IRBA

SEC-SA

SEC-IRBA

SEC-SA

SEC-IRBA

SEC-SA

SEC-IRBA

SEC-SA

Senior positie

Riscogewichtondergrenzen

Formule: 

10 % * KIRB of KA * 12,5 

Ondergrens 5 %

Formule: 

15 % * KIRB of KA * 12,5 

Ondergrens 10 %

Formule: 

15 % * KIRB of KA * 12,5 

Ondergrens 12 % 

(p)-factor

Formule, Schaal

 

factor 0,3,

Ondergrens 0,2

Plafond 0,5 

0,3

Formule,

schaalfactor 0,3,

Ondergrens 0,2

Plafond 0,5

0,3

Formule,

Schaalfactor 0,7,

Ondergrens 0,3

Plafond 1 

0,6

Formule,

Schaal

factor 1,

Ondergrens 0,3

Plafond 1 

1

Non-senior posities

(p)-factor

Formule,

Schaalfactor 0,5,

Ondergrens 0,2

Plafond 0,5 

0,5

Formule,

Schaal

factor 0,5,

Ondergrens 0,3

Plafond 0,5

0,5

Formule,

Schaalfactor 1,

Ondergrens 0,3

Plafond 1

1

Formule,

Schaal

factor 1,

Ondergrens 0,3

Plafond 1

1

Tabel 3: Voorgestelde vereisten voor transacties met andere dan veerkrachtige posities (veranderingen ten opzichte van het huidige raamwerk zijn vet aangegeven)

STS

Niet-STS

Originator/

sponsor

Belegger

Originator/

sponsor

Belegger

SEC-IRBA

SEC-SA

SEC-IRBA

SEC-SA

SEC-IRBA

SEC-SA

SEC-IRBA

SEC-SA

Senior positie

Riscogewichtondergrenzen

Formule: 

10 % * KIRB of KA * 12,5 

Ondergrens 7 %

Formule: 

15 % * KIRB of KA * 12,5 

Ondergrens 12 %

(p)-factor

Formule,

Schaal

factor 0,3,

Ondergrens 0,2

Plafond 0,5 

0,3

Formule,

Schaalfactor 0,5,

ondergrens 0,3

Plafond 0,5

0,5

Formule,

Schaalfactor 0,7,

Ondergrens 0,3

Plafond 1 

0,6

Formule,

Schaal

factor 1,

Ondergrens 0,3

Plafond 1 

1

Non-senior posities

(p)-factor

Formule,

Schaalfactor 0,5,

Ondergrens 0,2

Plafond 0,5 

0,5

Formule,

Schaal

factor 0,5,

Ondergrens 0,3

Plafond 0,5

0,5

Formule,

Schaalfactor 1,

Ondergrens 0,3

Plafond 1

1

Formule,

Schaal

factor 1,

Ondergrens 0,3

Plafond 1

1

*KIRB is een kapitaalopslag voor de onderliggende blootstellingen bij securitisatie wanneer het op interne ratings gebaseerde (IRB) raamwerk wordt gebruikt. KA is een kapitaalopslag voor de onderliggende blootstellingen in securitisatie, aangepast om ongunstige prestaties weer te geven, gebruikmakend van het standaard raamwerk.

Het EBA-rapport over significante risico-overdracht 18 dat in 2020 is gepubliceerd, documenteerde dat het bestaande SRT-regelgevingskader in de VKV een aantal beperkingen kende, en met name op drie gebieden: a) de SRT-toetsen, met beperkingen wat betreft de interpretatie van de kwantitatieve drempels en maatregelen gebruikt bij de mechanische VKV-toetsen en wat betreft de kwalitatieve “overeenkomstigheids”-toets in het algemeen, waarvoor de VKV alleen criteria op hoofdlijnen geeft; b) het proces dat bevoegde autoriteiten toepassen om SRT te beoordelen, en c) specifieke structurele kenmerken van securitisatietransacties, die nadelig kunnen zijn voor het op doorlopende basis naleven van SRT-vereisten – en die dus van invloed kunnen zijn op de doeltreffendheid van de risico-overdracht. Deze beperkingen in het raamwerk hebben geleid tot marktonzekerheid en tot vertragingen voor bevoegde autoriteiten bij het beoordelen van sommige securitisatietransacties. In sommige gevallen hebben zij ook geleid tot ongerechtvaardigde inconsistenties tussen lidstaten wat betreft SRT-uitkomsten en kapitaalberekeningen in de SRT-behandeling van securitisaties met vergelijkbare kenmerken.

De wijzigingen van het SRT-raamwerk willen de hierboven beschreven beperkingen van het SRT-raamwerk verhelpen (d.w.z. beperkingen met betrekking tot de huidige SRT-toetsen, structurele kenmerken van securitisaties en toezichtsprocessen) en willen het SRT-raamwerk coherenter en beter voorspelbaar maken. De SRT wordt beter voorspelbaar door de belangrijkste elementen van de SRT-beoordeling, zoals de brede opzet van de nieuwe SRT-toets, in de VKV vast te leggen. De operationalisering van de technische details van de toets, vereisten ten aanzien van de structurele kenmerken en de beginselen van het proces van de beoordeling vanuit het toezicht worden overgelaten voor technische reguleringsnormen van de EBA.

Vervanging van de huidige mechanische toetsen door de nieuwe op beginselen gebaseerde benadering

In lijn met de EBA-aanbevelingen, en met de bedoeling de beperkingen aan te pakken die ten aanzien van de twee bestaande mechanische toetsen zijn geconstateerd, wordt een nieuwe op beginselen gebaseerde toets (“PBA-toets”) In deze PBA-toets moet de originator ten minste 50 % van de onverwachte verliezen van de blootstellingen van de onderliggende portefeuille van de securitisatietransactie overdragen aan derden.

Daarnaast wordt een nieuw vereiste ingevoerd voor de originator: het indienen van een zelfbeoordeling bij de bevoegde autoriteit. Uit deze zelfbeoordeling moet blijken dat is voldaan aan de significante risico-overdracht – ook in stresssituaties. Als onderdeel van deze zelfbeoordeling moet de originator een analyse op basis van een kasstroommodel verstrekken die het bewijs levert van de houdbaarheid van de SRT gedurende de looptijd van de transactie en aantoont hoe de voor die looptijd verwachte verliezen en de onverwachte verliezen van de gesecuritiseerde blootstellingen worden toegewezen aan de posities van de transactie. Deze kasstroomanalyse moet zowel baseline- als stressomstandigheden bestrijken en moet bij het initiëren worden gemaakt voor de hele looptijd van de transactie. Ten slotte moet de zelfbeoordeling ook informatie bevatten over het toetsingsvermogen dat dankzij de securitisatie vrij valt. Een en ander moet de toezichthouder in staat stellen na te gaan of een securitisatie met complexe of innovatieve kenmerken leidt tot een bedrag aan vrij vallend toetsingsvermogen dat onevenredig is ten opzichte van het overgedragen risico. De zelfbeoordeling zou het doorgaans eenvoudiger maken voor de bevoegde autoriteiten om de kenmerken van securitisatietransacties te identificeren die vanuit het toezicht meer aandacht vergen. Zo zouden zij originators grotere transparantie en voorspelbaarheid kunnen bieden en de SRT-beoordeling kunnen stroomlijnen.

Doordat de mechanische toetsen wordt geschrapt, is het voorstel om ook de definitie van de “mezzanine-securitisatiepositie” te schrappen. Die definitie is nu overbodig, aangezien alleen in de context van de mechanische toetsen sprake was van de mezzanine positie. Voorts moet ook een wijziging worden doorgevoerd van de definitie van “senior positie”, waarbij een aanvullende voorwaarde/verduidelijking moet worden ingevoerd dat het attachment van de senior tranche boven KIRB/KA moet zijn.

Te gelegener tijd zal de EBA een technische reguleringsnorm (“RTS”) publiceren, met daarin: i) meer details over de voorwaarden voor de bevoegde autoriteiten om de PBA-toets toe te passen, en ii) technische specificaties van de zelfbeoordeling en de kasstroommodellering (zoals normen voor de toewijzing aan de posities van de over de looptijd verwachte verliezen en de onverwachte verliezen). Een en ander moet een homogene toepassing van de PBA-toets verzekeren en een antwoord bieden op de belangrijkste punten van zorg die stakeholders over deze kwesties hebben geformuleerd. Daarnaast zal de RTS ingaan op structurele kenmerken die een hinderpaal kunnen zijn voor significante risico-overdracht, in lijn met de aanbevelingen die in het EBA-rapport over SRT zijn gedaan.

In het voorstel zal de huidige op toestemming gebaseerde benadering – die zelden wordt gebruikt – uit de VKV worden geschrapt (d.w.z. het bereiken van SRT via toestemming van de bevoegde autoriteit zal niet langer zijn toegestaan).

Behoud van flexibiliteit in het toezicht

Het is van cruciaal belang dat bevoegde autoriteiten flexibiliteit behouden in hun SRT-beoordelingen, alsmede de bevoegdheid om een omvattende evaluatie te maken van SRT-transacties indien het complexe en innovatieve transacties betreft. Verdere details over de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteiten de omvattende SRT-evaluatie kunnen toepassen, zullen worden vastgelegd in de door de EBA te ontwikkelen RTS.

Proces van de SRT-beoordeling vanuit het toezicht

Het proces van de SRT-beoordeling vanuit het toezicht komt momenteel niet in de VKV aan bod. Beginselen op hoofdlijnen die voor SRT-beoordelingen vanuit het toezicht gelden, moeten op EU-niveau worden geharmoniseerd om deze efficiënter te maken. De EBA moet dergelijke beginselen op hoofdlijnen in de RTS formuleren. Daarbij moet het ook gaan om beginselen op hoofdlijnen voor een versneld (fast-track) proces voor securitisaties die daarvoor in aanmerking komen, waarbij wordt voortgebouwd op EBA-aanbevelingen en geput wordt uit de ervaring met het versnelde proces dat momenteel door het gemeenschappelijke toezichtsmechanisme in samenwerking met de Europese Banken Federatie (EBF) wordt ontwikkeld.

In het kader van deze herziening moet een aantal technische aanpassingen en fixes, die zijn voorgesteld door de EBA en door stakeholders tijdens de consultatie door de Commissie, worden doorgevoerd.

  • “Time calls” in synthetische securitisaties en positieve prikkels in het kader van artikel 238. In artikel 238 wordt een verduidelijking opgenomen dat van een “positieve prikkel”, als bedoeld in artikel 238, ten behoeve van het bepalen van looptijdmismatch, in time calls alleen sprake is wanneer bij het initiëren het contract voorwaarden bevat die kennelijk bedoeld zijn om het gunstige karakter van de uitoefening van de time call-optie (zoals een step-up coupon, de mogelijkheid om een time call-optie minder frequent dan op jaarbasis na de eerste in aanmerking komende time call-datum uit te oefenen, of het vrijgeven van zekerheden ter dekking van de vordering van de protectiekoper op of na de eerste in aanmerking komende time call-datum).

  • Criteria voor STS-securitisaties die in aanmerking komen voor gedifferentieerde (STS) vermogensbehandeling in artikel 243. Sommige aanpassingen zijn noodzakelijk om het securitisatieraamwerk coherent te maken met de aanpassingen van risicogewichten die gelden voor sommige soorten blootstellingen in het kader van het kredietrisicoraamwerk, zoals dat is ingevoerd door de VKV III.

    • Ten eerste wordt het vereiste voor een limiet van 75 % risicogewicht voor retail blootstellingen op individuele basis geschrapt en samengevoegd met het vereiste voor een maximaal 100 % risicogewicht voor andere blootstellingen op individuele basis. Hierdoor zouden bijvoorbeeld blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen van meer dan 1 miljoen EUR in aanmerking komen.

    • Ten tweede wordt de limiet van 50 % risicogewicht voor zakelijke hypotheken opgetrokken naar 60 %. Hiermee zou de benadering behouden blijven die in de vorige VKV-regeling werd toegepast, waarbij een limiet van 50 % loan-to-value (“LTV”) werd toegepast op blootstellingen met betrekking tot niet-inkomstengenererend zakelijk vastgoed (commercieel niet-IPRE). Dit betekent ook dat blootstellingen aan commerciële IPRE, die niet wenselijk zijn voor het STS-label, niet in aanmerking zouden komen.

    • Ten derde wordt er geen wijziging doorgevoerd voor de limiet voor risicogewicht die geldt voor woninghypotheken (hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed). In feite maakt de 40 %-limiet het mogelijk om een 80 % LTV-limiet aan te houden voor het merendeel van de blootstellingen en tegelijk een hoger percentage niet-zakelijke niet-IPRE-blootstellingen met een 100 %-limiet dan in de vorige VKV-regeling. Zo kunnen blootstellingen aan niet-zakelijk inkomstengenererend vastgoed worden opgenomen.

  • Verduidelijkingen ten aanzien van artikel 248, lid 1. Het mandaat dat de EBA in artikel 248, lid 1, heeft gekregen om een RTS op te stellen die preciseert wat een voldoende voorzichtige methode is om het nominale bedrag voor het niet-opgenomen deel van een liquiditeitsfaciliteit te berekenen, wordt geschrapt, aangezien buiten hetgeen reeds in het betrokken artikel is bepaald geen verdere verduidelijking noodzakelijk wordt geacht voor het berekenen van het nominale bedrag van het opgenomen deel. Ook wordt, aangezien de berekening van het nominale bedrag van het niet-opgenomen deel (de post buiten de balanstelling) simpel is – omdat deze kan worden bepaald als het verschil tussen het totale nominale bedrag van de liquiditeitsfaciliteit en het nominale bedrag van het opgenomen deel (de post op de balans) –, het vereiste geschrapt dat de instelling het bewijs levert van de toepassing van een passende voldoende voorzichtige methode.

  • Behandeling van specifieke kredietrisicoaanpassingen (“SCRA’s”) voor het berekenen van kapitaalvereisten na securitisatie, op grond van artikel 248, lid 1, punt d). Artikel 248, lid 1, punt d), wordt gewijzigd om de mogelijkheid om SCRA’s af te trekken ook uit te breiden naar tranches waaraan een risicogewicht is toegekend van minder dan 1 250 %, mits zij een attachment point A hebben dat kleiner is dan KIRB of KA. Indien deze voorwaarde is vervuld, mag de securitisatiepositie worden behandeld als twee securitisatieposities: de meer senior positie met A gelijk aan KIRB of KA en de junior positie met A onder KIRB of KA en detachment point D gelijk aan KIRB of KA. In dat geval zullen SCRA’s alleen kunnen worden afgetrokken van de blootstellingswaarde van deze meer junior positie, die een risicogewicht van 1 250 % krijgt toegekend

  • Verduidelijking wat betreft de blootstellingswaarde van synthetische excess spread op grond van artikel 248, lid 1, punt e). Een aantal kleinere technische verduidelijkingen worden opgenomen in de bepaling betreffende de berekening van de blootstellingswaarde van de synthetische excess spread (SES), zoals het verplaatsen van de vermelding van de contractueel aangewezen SES naar de inleidende zin en de schrapping ervan in de punten i) tot en met iv), om onnodige herhalingen te vermijden.

  • Voorwaarden in artikel 254, lid 1, punt c), waarop de SEC-SA niet mag worden gebruikt. Artikel 254, lid 1, stelt de rangorde van benaderingen vast. De voorwaarden waarop de SEC-SA niet mag worden gebruikt, zijn evenwel niet goed gepreciseerd. Daarom wordt artikel 254, lid 1, gewijzigd om duidelijk te maken dat de enige gevallen waarin de SEC-SA niet mag worden gebruikt, worden gespecificeerd in de leden 2 en 4 van datzelfde artikel. Deze leden specificeren, respectievelijk, de voorwaarden voor een verplichte overschakeling naar de SEC-ERBA en de gevallen waarin het gebruik van de SEC-SA door de betrokken bevoegde autoriteit verboden is.

  • Toepassingsbereik van de internebeoordelingsbenadering (“IAA”) op grond van artikel 254, lid 4. Artikel 254, lid 5, VKV wordt gewijzigd om duidelijk te maken dat de IAA de verplichte toepassing van de SEC-IRBA niet kan vervangen, maar veeleer alleen als alternatief mag worden gebruikt voor de toepassing van andere benaderingen, d.w.z. de SEC-SA, de SEC-ERBA of de toepassing van een risicogewicht van 1 250 %.

  • Berekening van KA in artikel 256, lid 1, binnen de toepassing van de SEC-SA. Artikel 255, lid 6, wordt gewijzigd om te verduidelijken dat KSA uitsluitend op basis van de kapitaalvereisten van de niet in wanbetaling zijnde blootstellingen in de pool van onderliggende blootstellingen moet worden berekend, om dubbeltelling van die blootstellingen bij de berekening van KA overeenkomstig artikel 261, lid 2, VKV te vermijden. Artikel 261, lid 2, geeft een definitie van “blootstelling in wanbetaling” ten behoeve van de berekening van W; deze definitie moet ook voor het berekenen van KSA worden gebruikt, om coherentie tussen de formule voor KA en de berekening van KSA te verzekeren. Daarnaast wordt artikel 255, lid 6, tweede alinea, gewijzigd om meer duidelijkheid te geven over het feit dat die KSA moet worden berekend op basis van de blootstellingswaarde van de onderliggende blootstellingen, inclusief (en niet exclusief) deze SCRA’s en aanvullende waardeaanpassingen voor die onderliggende blootstellingen.

  • Behandeling van blootstellingen in wanbetaling bij het berekenen van attachment en detachment points in artikel 256. Verduidelijkt moet worden dat het uitstaande saldo van de pool van gesecuritiseerde blootstellingen, ten behoeve van de berekening van de attachment en detachment points van de tranches, moet worden verminderd met het bedrag aan verliezen dat reeds aan de tranches is toegewezen wat betreft de blootstellingen in wanbetaling die nog in de securitisatieportefeuille zijn opgenomen. Een en ander moet ervoor zorgen dat de berekening van de attachment en detachment points van een tranche een adequate weerspiegeling is van het saldo van de gesecuritiseerde blootstellingen. Dit is van belang om in het geval een tranche die wordt afgeschreven, verliezen weer te geven op de gesecuritiseerde blootstellingen die in de gesecuritiseerde portefeuille blijven. In overeenstemming met de verduidelijking die in artikel 256 wordt gegeven, wordt artikel 261, lid 2, gewijzigd om duidelijk te maken dat, ten behoeve van de formule voor de W-parameter, het nominale bedrag van blootstellingen in wanbetaling de boekhoudkundige waarde van de blootstellingen in wanbetaling is, minus eventuele bedragen waarvoor de tranches al zijn afgeschreven om verliezen op die blootstellingen in wanbetaling te absorberen, of die door de excess spread zijn geabsorbeerd.

  • Berekening van K voor gemengde pools op grond van artikel 259, lid 7. KSA 19 wordt door KA vervangen in de formule die de berekening van KIRB voor gemengde pools specificeert. In de formule is KA beter geschikt dan KSA, omdat KA de kapitaalvereisten weerspiegelt die moeten worden gebruikt in de formule voor blootstellingen in een gemengde pool die volgens de SEC-SA worden behandeld.

  • Verduidelijkingen ten aanzien van de berekening van het totale plafond voor kapitaalvereisten voor een securitisatiepositie, op grond van artikel 268, lid 1. Artikel 268, lid 1, wordt gewijzigd om de berekening van het totale plafond voor kapitaalvereisten voor een securitisatiepositie op grond van artikel 268 af te stemmen op de wijziging die plaatsvond voor NPE-securitisaties in artikel 269 bis, lid 5, VKV. Bijgevolg moeten originators die bij niet-NPE-securitisaties de SEC-IRBA gebruiken, SCRA’s aftrekken van de verwacht-verliescomponent van KIRB (kapitaalvereisten voor de onderliggende blootstellingen) ten behoeve van de berekening van het totale plafond overeenkomstig artikel 268, net zoals in het geval van NPE-securitisaties is toegelaten. Dit moet consistentie met de IRB-benadering verzekeren wanneer de kapitaalvereisten vóór securitisatie worden berekend – en dus het plafond overeenkomstig artikel 268. Daarnaast moet artikel 268, lid 1, worden gewijzigd om de bestaande restrictie te verwijderen – die inhield dat het plafond op de kapitaalvereisten niet kon worden toegepast door de SEC-SA- en SEC-ERBA-beleggers –, aangezien die restrictie niet gerechtvaardigd is.

  • Volledig gekapitaliseerde tranches uitsluiten van de berekening van V (d.w.z. het grootste deel van de rente die de instelling in de betrokken tranches houdt) in artikel 268, lid 3, VKV. Een optie wordt opgenomen om van de berekening van V (d.w.z. het grootste deel van de rente die de instelling in de betrokken tranches houdt) op grond van artikel 268, lid 3, VKV volledig uit te sluiten van iedere tranche waarop de originator een risicogewicht van 1 250 % toepast of die wordt afgetrokken van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k). Het maximale kapitaalvereiste moet de som zijn van de op grond van hoofdstuk 2 of 3 berekende kapitaalvereisten voor de “netto onderliggende blootstellingen”, d.w.z. de totale onderliggende blootstelling exclusief de blootstellingswaarde ten opzichte van de uitgesloten tranche, vermenigvuldigd met de herziene V en de som van de blootstellingswaarden (die gelijk is aan de kapitaalvereisten na securitisatie) van de securitisatieposities die van de berekening van V zijn uitgesloten. Het toepassingsbereik van deze optie moet even ruim zijn als het voorgestelde gewijzigde toepassingsbereik van artikel 268, lid 1.

  • Overweging 11 wordt toegevoegd om duidelijkheid te geven over de onderliggende argumenten van artikel 254, lid 2, over de kwantitatieve regels om over te schakelen op SEC-ERBA, en het beoogde toepassingsbereik van dit vereiste. Het doel is hier te verzekeren dat de bevoegde autoriteiten en instellingen in de Unie dit vereiste consistent uitleggen en toepassen. Deze overweging maakt duidelijk dat het artikel bedoeld is om het verplichte gebruik van de SEC-ERBA te vermijden met betrekking tot transacties waarvoor de “sovereign ceiling” – en niet het risicoprofiel van de transacties – de bepalende factor is om de risicogewichten in deze benadering te bepalen.

  • Rapporten over STS on-balance-sheet-securitisaties op grond van artikel 270, leden 2 en 3. Het mandaat voor rapporten aan de Commissie en de EBA met betrekking tot STS on-balance-sheet-securitisaties wordt vervangen door een mandaat voor een meer algemeen monitoringrapport van de EBA, op grond van artikel 506 quinquies, lid 2, en een meer algemeen rapport door de Commissie, op grond van artikel 506 quinquies, lid 1.

2025/0825 (COD)

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen wat betreft vereisten voor securitisatieblootstellingen (Voor de EER relevante tekst)

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen wat betreft vereisten voor securitisatieblootstellingen

(Voor de EER relevante tekst)

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 20 ,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank 21 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s 22 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Securitisatietransacties zijn een belangrijk onderdeel van goed functionerende financiële markten, omdat zij helpen de fundingbronnen van kredietinstellingen te diversifiëren en toetsingsvermogen helpen vrij te maken dat dan opnieuw kan worden ingezet om aanvullende kredietverlening te ondersteunen. Voorts bieden securitisaties kredietinstellingen en andere marktdeelnemers aanvullende beleggingskansen met een specifieke afruil tussen risico en rendement. Dit biedt mogelijkheden voor zowel een grotere diversificatie van portefeuilles als de herverdeling van risico binnen het ruimere financiële stelsel. Ook faciliteert dit de stroom van financiering naar bedrijven en personen zowel binnen lidstaten als op grensoverschrijdende basis binnen de Unie.

  2. De Unie heeft forse investeringen nodig om zowel veerkrachtig en weerbaar als concurrerend te blijven. Het securitisatieraamwerk kan bijdragen tot een meer gediversifieerd financieel systeem en het meer delen van risico. Toch zijn er aanzienlijke hinderpalen voor de uitgifte van en belegging in securitisaties. Deze belemmeringen drukken op de uitbouw van de securitisatiemarkt. De vereisten inzake toetsingsvermogen die in Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad 23 zijn vastgesteld voor instellingen die als originator, sponsor van of belegger in securitisaties optreden, zijn onvoldoende risicogevoelig, en bevatten ook een ongerechtvaardigd niveau van voorzichtigheid. De huidige vereisten erkennen niet nauwkeurig de goede kredietprestaties van securitisaties in de Unie en de risicomitigerende factoren die in de regelgevings- en toezichtskaders van de Unie zijn geïmplementeerd voor securitisatie. Deze kaders hebben de agency- en modelrisico’s die in securitisatietransacties besloten liggen, aanzienlijk verminderd.

  3. Kapitaalvereisten voor securitisaties op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 moeten worden gewijzigd om de risicogevoeligheid te vergroten en om buitensporige kapitalisatie te verminderen door de kapitaalbehandeling beter af te stemmen op de onderliggende risico’s. Bovendien moeten gerichte wijzigingen worden doorgevoerd om buitensporige verschillen te mitigeren tussen de kapitaalvereisten volgens twee verschillende benaderingen: de interneratingbenadering voor securitisaties (“SEC-IRBA”) en de standaardbenadering voor securitisaties (“SEC-SA”). Door die mitigatie moet de participatie van kleinere en middelgrote kredietinstellingen die gebruikmaken van de standaardbenadering, toenemen.

  4. Riscogewichtondergrenzen zijn minimale risicogewichten die kredietinstellingen moeten toepassen op hun senior securitisatieblootstellingen, zelfs wanneer de kapitaalberekeningen suggereren dat een lager risicogewicht zou kunnen worden toegepast. Riscogewichtondergrenzen voor senior posities van securitisaties moeten risicogevoeliger worden gemaakt, zodat de risicogevoeligheid van de onderliggende pool van blootstellingen van elke specifieke securitisatie tot uiting kan komen. Senior securitisatieposities bij securitisatie van laagrisico portefeuilles moeten een lagere riscogewichtondergrens kunnen krijgen dan senior securitisatieposities bij securitisaties van portefeuilles met een hoger risico. Deze nieuwe benadering die zou betekenen dat riscogewichtondergrenzen worden berekend op basis van een specifieke formule, moet de bestaande benadering vervangen waarbij riscogewichtondergrenzen op vlakke niveaus worden bepaald, ongeacht de kredietkwaliteit van de onderliggende pool van blootstellingen. Met de nieuwe formule moet het mogelijk worden om weer te geven dat een securitisatie de status heeft van een eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde (“STS”) securitisatie dan wel een niet-STS securitisatie is. Om buitensporige verlagingen van de kapitaalvereisten te vermijden, moet voor de riscogewichtondergrenzen een minimumdrempel worden ingevoerd.

  1. Om risicogevoeligheid meer te laten spelen in het securitisatieraamwerk, maar wel een prudente regelgevingsbenadering te behouden, moet in de SEC-IRBA-benadering de formule voor de (p)-factor worden bijgesteld om de ondergrens te verlagen en de schaalfactor te verminderen, en om een plafond in te voeren voor de (p)-factor, in hoofdzaak voor de senior securitisatieposities van kredietinstellingen die originator/sponsor zijn. Om dezelfde reden moet in de SEC-SA-benadering de (p)-factor worden verlaagd voor senior securitisatieposities. Aanpassingen van de (p)-factor voor non-senior securitisatieposities moeten tot een minimum beperkt blijven, om te voorkomen dat deze posities ondergekapitaliseerd zijn. Aanpassingen van de (p)-factor voor posities van beleggers in niet-STS-securitisaties en in non-senior securitisatieposities van STS-securitisaties moeten tot een minimum beperkt blijven, omdat die posities geen verminderde agency- en modelrisico’s vertonen.

  2. Senior securitisatieposities zijn veerkrachtig indien de securitisatie voldoet aan een reeks criteria om op de datum van initiëring en nadien op doorlopende basis in aanmerking te komen. Deze reeks criteria om in aanmerking te komen, biedt bescherming van de senior securitisatieposities en mitigeert agency- en modelrisico’s. Dergelijke veerkrachtige securitisatieposities moeten verdere verlagingen van de riscogewichtondergrenzen en van de (p)-factor kunnen krijgen, vergeleken met posities die niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen. Posities van kredietinstellingen die beleggen in senior securitisatieposities van niet-STS-securitisaties mogen geen aanspraak kunnen maken op die verdere verlagingen, aangezien zij niet door verlaagd agency- en modelrisico worden gekenmerkt.

  3. Vanwege de veranderingen van de riscogewichtondergrens voor senior securitisatieposities en de (p)-factor in de SEC-IRBA- en SEC-SA-benaderingen, moeten de risicogewichten in de opzoektabellen onder SEC-ERBA dienovereenkomstig worden geherkalibreerd.

  4. Wijzigingen van het raamwerk voor significante risico-overdracht (“SRT”) moeten worden doorgevoerd om beperkingen aan te pakken die in het raamwerk zijn geconstateerd met betrekking tot de huidige mechanische toetsen om de significantie van het via securitisatie overgedragen risico te meten, specifieke structurele kenmerken van securitisatietransacties die mogelijk schadelijk zijn voor het naleven van de SRT-vereisten, en processen die bevoegde autoriteiten bij de beoordeling van SRT toepassen, en om dat raamwerk consistenter en voorspelbaarder te maken. De voorspelbaarheid van de SRT-beoordelingen vanuit het toezicht moet worden versterkt door de belangrijkste elementen van de SRT-beoordeling vast te leggen in Verordening (EU) nr. 575/2013, onder meer door de brede opzet van de nieuwe SRT-toets. De wijze waarop de technische details van de toets moeten worden toegepast, de vereisten voor de structurele kenmerken van de transacties en de beginselen van het beoordelingsproces moeten alle nadere invulling krijgen in technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit (“EBA”) uitwerkt.

  5. Om de significantie van het via securitisatie overgedragen risico te meten, moet een nieuwe, op beginselen gebaseerde benadering worden ingevoerd ter vervanging van de bestaande mechanische toetsen. Gezien de zeer beperkte mate waarin wordt gebruikmaakt van de huidige op toestemming gebaseerde benadering – waarbij de SRT tot stand komt via een door de bevoegde autoriteit verleende toestemming – moet deze benadering worden geschrapt en niet langer worden toegestaan. Om de SRT-beoordeling verder te stroomlijnen, en om de transparantie en voorspelbaarheid voor originators te vergroten, moet voor originators een nieuw vereiste worden ingevoerd om een zelfbeoordeling in te dienen waaruit blijkt dat de vereisten voor de SRT zijn vervuld – ook in stressomstandigheden. Als onderdeel van die zelfbeoordeling moeten originators een analyse op basis van een kasstroommodel uitwerken waarmee het bewijs wordt geleverd van de veerkracht van de SRT.

  6. Om de doelmatigheid van de SRT-beoordelingen vanuit het toezicht te vergroten, moeten de beginselen van SRT-beoordelingen vanuit het toezicht op Unieniveau worden geharmoniseerd. De EBA moet dergelijke beginselen vastleggen in de technische reguleringsnormen, die ook beginselen op hoofdlijnen moeten omvatten voor een versneld proces voor in aanmerking komende securitisaties.

  7. Gerichte wijzigingen moeten worden doorgevoerd in specifieke bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 om technische consistentie te verbeteren en om verdere verduidelijking te geven over de onderliggende argumenten voor een aantal bepalingen in het huidige raamwerk. Om te garanderen dat de bevoegde autoriteiten en kredietinstellingen in de Unie artikel 254, lid 2, consistent uitleggen, moet ook worden gepreciseerd dat dat artikel bedoeld is om het verplichte gebruik van de SEC-ERBA te vermijden met betrekking tot transacties waarvoor de rating gemaximeerd is omdat de “sovereign ceiling” – en niet het risicoprofiel van de transacties – de overheersende factor is die de risicogewichten in die benadering bepaalt.

  8. Verordening (EU) nr. 575/2013 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

  9. Daar de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en, vanwege de omvang of de gevolgen ervan, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

  10. Vier jaar na de inwerkingtreding gaat de Commissie, na raadpleging van de EBA, na of op middellange of lange termijn een ingrijpendere wijziging van de formules en functies voor risicogewichten moet worden ingevoerd om, op een omvattende wijze, meer ruimte te laten voor risicogevoeligheid, om evenredigere niveaus van niet-neutraliteit van kapitaal te behalen, om cliff-effecten te mitigeren en om de structurele beperkingen van het huidige raamwerk aan te pakken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1
Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 575/2013

Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt als volgt gewijzigd:

  1. Aan artikel 238, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Een positieve prikkel wordt alleen geacht aanwezig te zijn in time call-opties wanneer contractuele clausules bij initiëring voorwaarden bevatten ten aanzien waarvan kan worden verwacht dat die voorwaarden in de transactiedocumentatie zijn opgenomen om het voordelige karakter van de uitoefening van de time call-optie te vergroten.”.

  1. Artikel 242 wordt als volgt gewijzigd:

    1. punt 6) wordt vervangen door:

“6) “senior securitisatiepositie”: een positie met het attachment point boven KIRB of KA en gedekt of gewaarborgd door een eerste vordering op het geheel van de onderliggende blootstellingen, waarbij in dit verband geen rekening wordt gehouden met verschuldigde bedragen in het kader van rente- of valutaderivatencontracten, vergoedingen of andere soortgelijke betalingen, noch met een eventueel looptijdverschil met een of meer andere senior tranches waarmee die positie pro rata verliezen deelt;”;

  1. punt 18) wordt geschrapt.

  1. Artikel 243 wordt als volgt gewijzigd:

  1. de titel van het artikel wordt vervangen door:

“Artikel 243

Criteria voor gedifferentieerde kapitaalbehandeling”;

  1. in lid 2 wordt punt b) als volgt gewijzigd:

    1. punt ii) wordt vervangen door:

      1. “ii) 60 % op basis van een individuele blootstelling indien de blootstelling een door een commerciële hypotheek gedekte lening is;”;

    2. punt iii) wordt geschrapt;

  2. de volgende leden 3, 4 en 5 worden toegevoegd:

“3. Een senior positie in een STS-securitisatie komt in aanmerking voor de behandeling vermeld in artikel 260, lid 2, artikel 262, lid 2, artikel 264, lid 2 bis, en artikel 264, lid 3 bis, wanneer de volgende vereisten zijn vervuld:

  1. voor een positie in een ABCP-programma of ABCP-transactie:

  2. de vereisten van artikel 243, lid 1;

  3. op de datum van initiëring en nadien op doorlopende basis wordt het attachment van de senior securitisatiepositie als volgt bepaald;

A ≥ 1,5 * KA, bij gebruik van SEC-SA of SEC-ERBA, of

A ≥ 1,1 * (EL * WAL van de initiële gesecuritiseerde referentieportefeuille + UL), bij gebruik van SEC-IRBA;

  1. voor een positie in een securitisatie andere dan een ABCP-programma of ABCP-transactie:

  2. de vereisten van artikel 243, lid 2;

  3. op de datum van initiëring en nadien op doorlopende basis wordt het attachment van de senior securitisatiepositie als volgt bepaald;

A ≥ 1,5 * KA, bij gebruik van SEC-SA of SEC-ERBA, of

A ≥ 1,1 * (EL * WAL van de initiële gesecuritiseerde referentieportefeuille + UL), bij gebruik van SEC-IRBA;

4. Een senior securitisatiepositie in een niet-STS-securitisatie komt in aanmerking voor de behandeling vermeld in artikel 259, lid 1 ter, artikel 261, lid 1 ter, artikel 263, lid 2 bis, en artikel 263, lid 3 bis, wanneer de volgende vereisten zijn vervuld, op de datum van initiëring en daarna op doorlopende basis:

  1. voor een on-balance-sheet-securitisatie:

    1. het vereiste van artikel 26 quater, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402 en de vereisten van Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/920 van de Commissie;

    2. de vereisten van artikel 26 sexies, leden 8, 9 en 10, van Verordening (EU) 2017/2402;

    3. het attachment point van de senior securitisatiepositie wordt als volgt bepaald:

A ≥ 1,5 * KA, bij gebruik van SEC-SA of SEC-ERBA, of

A ≥ 1,1 * (EL * WAL van de initiële gesecuritiseerde referentieportefeuille + UL), bij gebruik van SEC-IRBA;

  1. het vereiste van artikel 243, lid 2, punt a), van deze verordening;

  2. de positie is geen beleggerspositie;

  1. voor een ABCP-programma of ABCP-transactie:

    1. de vereisten van artikel 24, lid 17, punt b), van Verordening (EU) 2017/2402;

    2. het attachment point van de senior securitisatiepositie wordt als volgt bepaald:

A ≥ 1,5 * KA, bij gebruik van SEC-SA of SEC-ERBA, of

A ≥ 1,1 * (EL * WAL van de initiële gesecuritiseerde referentieportefeuille + UL), bij gebruik van SEC-IRBA;

  1. de vereisten van artikel 243, lid 1, punt b), van deze verordening;

  2. de positie is geen beleggerspositie;

  1. voor een niet-ABCP traditionele securitisatie:

    1. de vereisten van artikel 21, lid 4, punt b), en artikel 21, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402;

    2. het attachment point van de senior securitisatiepositie wordt als volgt bepaald:

A ≥ 1,5 * KA, bij gebruik van SEC-SA of SEC-ERBA, of

A ≥ 1,1 * (EL * WAL van de initiële gesecuritiseerde referentieportefeuille + UL), bij gebruik van SEC-IRBA;

  1. het vereiste van artikel 243, lid 2, punt a), van deze verordening; de positie is geen beleggerspositie.

5. Voor de toepassing van de leden 3 en 4 wordt de gewogen gemiddelde looptijd (Weighted Average Life – “WAL”) van de initiële referentieportfolio berekend door tijdweging, tot aan de verwachte einddatum van de transactie, van uitsluitend de terugbetalingen van hoofdsommen uit de gesecuritiseerde blootstellingen, zonder rekening te houden met betalingen voor vergoedingen of rente verschuldigd door de debiteuren van de gesecuritiseerde blootstellingen en, in het geval van synthetische securitisaties, zonder rekening te houden met aannames over vervroegde terugbetaling. Voor een transactie met een replenishment period is de WAL de som van de resterende replenishment period plus de resterende gewogen gemiddelde looptijd van de referentieperiode gemeten vanaf het eind van die replenishment period. De WAL is niet langer dan vijf jaar.”.

  1. De artikelen 244 en 245 worden vervangen door:

“Artikel 244

Traditionele securitisatie

  1. De initiërende instelling van een traditionele securitisatie mag de gesecuritiseerde blootstellingen buiten haar berekening van risicogewogen posten en, in voorkomend geval, verwachte verliesposten houden indien alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

    1. een aanzienlijk deel van het kredietrisico dat aan de gesecuritiseerde blootstellingen verbonden is, is aan derden overgedragen, of de initiërende instelling past een risicogewicht van 1 250 % toe op alle securitisatieposities die de instelling in de securitisatie inneemt, of trekt die securitisatieposities af van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k);

    2. de voorwaarden voor de daadwerkelijke overdracht van het risico van de gesecuritiseerde blootstellingen als bedoeld in lid 4 van dit artikel zijn vervuld.

  2. Een aanzienlijk deel van het kredietrisico wordt geacht aan derden te zijn overgedragen wanneer, na de toerekening van het over de looptijd verwachte verlies van de onderliggende blootstellingen aan de tranches van de securitisatie, het aandeel van gewogen bedragen van onverwachte verliezen van de onderliggende blootstellingen die zijn toegerekend aan de securitisatieposities die de initiërende instelling aan derden heeft overgedragen, ten minste 50 % bedraagt van alle gewogen bedragen van onverwachte verliezen van de onderliggende blootstellingen die aan alle securitisatietranches zijn toegerekend in overeenstemming met de volgende formule:

waarbij:

  • RWEAi de risicogewogen post van tranche i is;

  • ULi het bedrag is van de onverwachte verliezen toegerekend aan tranche i, waarbij het onverwachte verlies gelijk is aan de risicogewogen posten die de initiërende instelling op grond van hoofdstuk 2 of hoofdstuk 3, al naargelang, voor de onderliggende blootstellingen had berekend indien deze niet waren gesecuritiseerd, vermenigvuldigd met 8 %;

  • UL_transi het bedrag is van ULi toegerekend aan de overgedragen securitisatieposities in tranche i

Ten behoeve van deze formule omvatten de risicogewogen posten die op grond van hoofdstuk 3 zouden zijn berekend, niet het bedrag van de verwachte verliezen verbonden aan alle onderliggende blootstellingen van de securitisatie, met inbegrip van in wanbetaling verkerende onderliggende blootstellingen die nog steeds deel uitmaken van de pool.

  1. In afwijking van lid 2 kunnen bevoegde autoriteiten van de initiërende instelling van geval tot geval verlangen dat deze aan derden een gewogen bedrag van onverwachte verliezen groter dan de in dat lid genoemde 50 % overdraagt, of kunnen zij bezwaar maken tegen de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico. De in dit lid bedoelde maatregelen kunnen worden opgelegd om tekortkomingen te verhelpen in het beheer van systemen en controles of andere tekortkomingen in de interne governance van de initiërende instelling, met inbegrip van plannen voor remediërende maatregelen die nog niet zijn afgerond na onderzoeken door de toezichthouder, of wanneer de bevoegde autoriteit het op grond van lid 2 overgedragen kredietrisico als ontoereikend beschouwt om een antwoord te bieden op bepaalde speciale of complexe kenmerken van de securitisatie, of wanneer die leiden tot een onevenredige vrijval van toetsingsvermogen (capital relief).

  2. Naast de in de leden 1, 2 en 3 genoemde vereisten wordt voor de daadwerkelijke overdracht van risico ook aan alle volgende voorwaarden voldaan:

    1. de transactiedocumentatie geeft de economische kenmerken van de securitisatie weer;

    2. de securitisatieposities vormen geen betalingsverplichtingen van de initiërende instelling;

    3. de onderliggende blootstellingen worden buiten het bereik van de initiërende instelling en haar schuldeisers geplaatst op een wijze die aan de in artikel 20, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2402 genoemde vereisten voldoet;

  1. de initiërende instelling behoudt geen zeggenschap over de onderliggende blootstellingen;

  2. de securitisatiedocumentatie bevat geen voorwaarden die de initiërende instelling verplichten om de onderliggende blootstellingen te veranderen om de gemiddelde kwaliteit van de pool te verbeteren of het aan houders van posities verschuldigde rendement te verhogen of om de posities in de securitisatie anderszins te verbeteren in reactie op een verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende blootstellingen;

  3. in voorkomend geval maakt de transactiedocumentatie duidelijk dat de initiator of de sponsor alleen kan overgaan tot aankoop of wederinkoop van securitisatieposities of tot wederinkoop, herstructurering of vervanging van de onderliggende blootstellingen buiten zijn contractuele verplichtingen om, wanneer dergelijke regelingen worden uitgevoerd in overeenstemming met de heersende marktomstandigheden en de partijen bij die transacties in hun eigen belang handelen als vrije en onafhankelijke partijen (op zakelijke voorwaarden);

  4. de securitisatietransactie vertoont geen structurele kenmerken die de daadwerkelijke overdracht van kredietrisico aan derden op duurzame basis verhinderen of sterk aantasten, of de transactie vertoont, wanneer enigerlei van die kenmerken aanwezig zijn, afdoende garanties;

  5. in geval van een clean-up calloptie voldoet die optie ook aan alle volgende voorwaarden:

    1. die optie kan door de initiërende instelling naar eigen goeddunken worden uitgeoefend;

    2. die optie mag slechts worden uitgeoefend wanneer ten hoogste 10 % van de oorspronkelijke waarde van de onderliggende blootstellingen nog niet is afgelost;

    3. die optie is niet gestructureerd om te vermijden dat verliezen aan kredietverbeteringsposities of aan andere door beleggers in de securitisatie ingenomen posities worden toegewezen, en is evenmin anderszins gestructureerd om kredietverbetering te verschaffen;

  6. de initiërende instelling heeft een advies van een gekwalificeerd juridisch adviseur ontvangen dat bevestigt dat de securitisatie aan de voorwaarden van punt c) van dit lid voldoet.

Voor de toepassing van punt d) wordt een initiator geacht zeggenschap over de onderliggende blootstellingen te behouden indien de initiator het recht heeft de eerder overgedragen blootstellingen van de ontvangende entiteit terug te kopen om de daaraan verbonden baten te realiseren of indien deze anderszins verplicht is het overgedragen risico opnieuw over te nemen. Het feit dat de initiërende instelling de rechten of verplichtingen inzake het beheer van de onderliggende blootstellingen behoudt, houdt op zich geen zeggenschap over de blootstellingen in.

  1. Aan de in de leden 2 en 3 bedoelde voorwaarden voor de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico wordt op het tijdstip van de initiëring van de securitisatie voor de looptijd van de transactie voldaan in zowel een basisscenario als een stressscenario, op voorwaarde dat geen structurele aanpassingen aan de transactie worden aangebracht na de initiëring ervan. Aan de in lid 4 bedoelde voorwaarden wordt op doorlopende basis voldaan. De initiërende instelling dient bij de bevoegde autoriteit een zelfbeoordeling in om aan te tonen dat de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde voorwaarden voor een daadwerkelijke overdracht van kredietrisico en, in voorkomend geval, een overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico vervuld zijn.

  2. Voor bepaalde transacties die geen problematische kenmerken vertonen, kunnen bevoegde autoriteiten een versneld vereenvoudigd beoordelingsproces toepassen.

  3. De EBA ontwikkelt technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

    1. de voorwaarden waarop het in lid 2 van dit artikel en in artikel 245, lid 2, bedoelde vereiste van de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico is vervuld, en met name:

      1. de berekening van de over de looptijd verwachte verliezen van de onderliggende blootstellingen en de toerekening daarvan voor de toepassing van lid van dit artikel en van artikel 245, lid 2;

      2. de toerekening van de onverwachte verliezen aan de securitisatietranches voor de toepassing van lid van dit artikel en van artikel 245, lid 2;

      3. de berekening van de gewogen bedragen van onverwachte verliezen in verband met de toerekening van de onverwachte verliezen van de gesecuritiseerde blootstellingen aan de securitisatietransacties van lid van dit artikel en artikel 245, lid 2;

    2. de structurele kenmerken en garanties bedoeld in, respectievelijk, artikel 244, lid 4, punt g), en artikel 245, lid 4, punt f), en met name wat betreft de reikwijdte van de juridische clausules voor de vroegtijdige beëindiging van securitisaties;

    3. de mininumvereisten voor de zelfbeoordeling door de initiërende instelling bedoeld in artikel 244, lid 5, en artikel 245, lid 5, met inbegrip van de precisering van de toe te passen scenario’s;

    4. de voorwaarden waarop de bevoegde autoriteiten artikel 244, leden 2 en 3, en artikel 245, leden 2 en 3, mogen toepassen ten aanzien van securitisatietransacties en initiërende instellingen;

  1. de beginselen op hoofdlijnen voor het proces voor de evaluatie en beoordeling van de voorwaarden dat is voldaan aan het vereiste van overdracht van kredietrisico overeenkomstig artikel 244, leden 1 tot en met 4, en artikel 245, leden 1 tot en met 4, en de beginselen op hoofdlijnen voor bepaalde securitisaties om in aanmerking te komen voor een versneld vereenvoudigd beoordelingsproces bedoeld in artikel 244, lid 6, en artikel 245, lid 6;

  2. de noodzakelijke aanpassingen voor de toepassing van de artikelen 244 en 245 op NPE-securitisaties.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [18 months after the date of entry into force] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

  1. Uiterlijk 31 maart van elk jaar notificeren bevoegde autoriteiten aan de EBA alle securitisaties die in het voorafgaande jaar overeenkomstig de leden 1 tot en met 7 zijn beoordeeld. De notificatie geeft alle informatie die nodig is om de ratio op grond van lid 2 te berekenen, en over relevante structurele kenmerken. Die informatie bevat tenminste een uitsplitsing naar omvang, de thickness en bedragen van tranches, de LGD, EL, LTEL en UL van de portefeuille, de WAL van de onderliggende blootstellingen en risicogewichten van de tranches, en informatie over de vraag of de in lid 3 bedoelde maatregelen zijn toegepast.

Artikel 245

Synthetische securitisatie

  1. De initiërende instelling van een synthetische securitisatie mag risicogewogen posten en, in voorkomend geval, verwachte verliesposten met betrekking tot de onderliggende blootstellingen berekenen overeenkomstig de artikelen 251 en 252, wanneer aan een van beide volgende voorwaarden is voldaan:

    1. een aanzienlijk deel van het kredietrisico dat verbonden is aan de gesecuritiseerde blootstellingen is aan derden overgedragen, of de initiërende instelling past een risicogewicht van 1 250 % toe op alle securitisatieposities die de instelling in de securitisatie inneemt, of trekt die securitisatieposities af van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k);

    2. de voorwaarden voor de daadwerkelijke overdracht van het risico van de gesecuritiseerde blootstellingen als bedoeld in lid 4 van dit artikel zijn vervuld.

  2. Een aanzienlijk deel van het kredietrisico wordt geacht aan derden te zijn overgedragen wanneer, na de toerekening van het over de looptijd verwachte verlies van de onderliggende blootstellingen aan de tranches van de securitisatie, het aandeel van gewogen bedragen van onverwachte verliezen van de onderliggende blootstellingen die zijn toegerekend aan de securitisatieposities die de initiërende instelling aan derden heeft overgedragen, ten minste 50 % bedraagt van alle gewogen bedragen van onverwachte verliezen van de onderliggende blootstellingen die aan alle securitisatietranches zijn toegerekend in overeenstemming met de volgende formule:

waarbij:

  • RWEAi de risicogewogen post van tranche i is;

  • ULi het bedrag is van de onverwachte verliezen toegerekend aan tranche i waarbij het onverwachte verlies gelijk is aan de risicogewogen posten die de initiërende instelling op grond van hoofdstuk 2 of hoofdstuk 3, al naargelang, voor de onderliggende blootstellingen had berekend indien deze niet waren gesecuritiseerd, vermenigvuldigd met 8 %;

  • UL_transi het bedrag is van ULi toegerekend aan de overgedragen securitisatieposities in tranche i

Ten behoeve van deze formule omvatten de risicogewogen posten die op grond van hoofdstuk 3 zouden zijn berekend, niet het bedrag van de verwachte verliezen verbonden aan alle onderliggende blootstellingen van de securitisatie, met inbegrip van in wanbetaling verkerende onderliggende blootstellingen die nog steeds deel uitmaken van de pool.

  1. In afwijking van lid 2 kunnen bevoegde autoriteiten van de initiërende instelling van geval tot geval verlangen dat deze aan derden een gewogen bedrag van onverwachte verliezen groter dan de in dat lid genoemde 50 % overdraagt, of kunnen zij bezwaar maken tegen de overdracht van een aanzienlijk deel van het risico. Bevoegde autoriteiten kunnen de in dit lid bedoelde maatregelen opleggen wanneer zulks noodzakelijk is om tekortkomingen te verhelpen in het beheer van systemen en controles of andere tekortkomingen in de interne governance van de initiërende instelling, met inbegrip van plannen voor remediërende maatregelen die nog niet zijn afgerond na onderzoeken door de toezichthouder, of wanneer de bevoegde autoriteit het op grond van lid 2 overgedragen kredietrisico als ontoereikend beschouwt om een antwoord te bieden op bepaalde speciale of complexe kenmerken van de securitisatie, of wanneer die leiden tot een onevenredige vrijval van toetsingsvermogen.

  2. Naast de in de leden 1, 2 en 3 genoemde vereisten wordt voor de daadwerkelijke overdracht van risico ook aan alle volgende voorwaarden voldaan:

    1. de transactiedocumentatie geeft de economische kenmerken van de securitisatie weer;

  1. de kredietprotectie in het kader waarvan het kredietrisico wordt overgedragen, voldoet aan artikel 249;

  2. de securitisatiedocumentatie bevat geen voorwaarden die:

    1. significante materialiteitsdrempels voorschrijven, bij onderschrijding waarvan geen kredietprotectie hoeft te worden geboden indien zich een kredietgebeurtenis voordoet;

    2. de beëindiging van de protectie toestaan in geval van een verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende blootstellingen;

    3. de initiërende instelling verplichten de samenstelling van de onderliggende blootstellingen te wijzigen ter verbetering van de gemiddelde kwaliteit van de pool; of

    4. de kosten van kredietprotectie van de instelling of het aan de houders van posities in de securitisatie te betalen rendement verhogen naar aanleiding van een verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende pool;

  3. de kredietprotectie is in alle betrokken jurisdicties afdwingbaar;

  4. in voorkomend geval maakt de transactiedocumentatie duidelijk dat de initiator of de sponsor alleen kan overgaan tot aankoop of wederinkoop van securitisatieposities of tot wederinkoop, herstructurering of vervanging van de onderliggende blootstellingen buiten zijn contractuele verplichtingen om, wanneer dergelijke regelingen worden uitgevoerd in overeenstemming met de heersende marktomstandigheden en de partijen bij die transacties in hun eigen belang handelen als vrije en onafhankelijke partijen (op zakelijke voorwaarden);

  5. de securitisatietransactie vertoont geen structurele kenmerken die de daadwerkelijke overdracht van kredietrisico aan derden op duurzame basis verhinderen of sterk aantasten, of de transactie vertoont, wanneer enigerlei van die kenmerken aanwezig zijn, afdoende garanties;

  6. in geval van een clean-up calloptie voldoet die optie aan alle volgende voorwaarden:

    1. die optie mag door de initiërende instelling naar eigen goeddunken worden uitgeoefend;

    2. die optie mag slechts worden uitgeoefend wanneer ten hoogste 10 % van de oorspronkelijke waarde van de onderliggende blootstellingen nog niet is afgelost;

    3. die optie is niet gestructureerd om te vermijden dat verliezen aan kredietverbeteringsposities of aan andere door beleggers in de securitisatie ingenomen posities worden toegewezen, en is evenmin anderszins gestructureerd om kredietverbetering te verschaffen;

  7. wanneer er een time call-optie is, kan die optie alleen worden uitgeoefend na een periode, gemeten vanaf de datum van de closing van de transactie, overeenstemt met de initiële gewogen gemiddelde looptijd van de gesecuritiseerde blootstellingen, of na een periode, gemeten vanaf het einde van de replenishment periode van de transactie, die overeenstemt met de gewogen gemiddelde looptijd aan het einde van die replenishment periode;

  8. de initiërende instelling heeft een advies van een gekwalificeerd juridisch adviseur ontvangen waarin wordt bevestigd dat de securitisatie aan de voorwaarden van punt d) van dit lid voldoet.

    1. Aan de in de leden 2 en 3 bedoelde voorwaarden voor de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico wordt op het tijdstip van de initiëring van de securitisatie voor de looptijd van de transactie voldaan in zowel een basisscenario als een stressscenario, op voorwaarde dat geen structurele aanpassingen aan de transactie worden aangebracht na de initiëring ervan. Aan de in lid 4 bedoelde voorwaarden wordt op doorlopende basis voldaan. De initiërende instelling dient bij de bevoegde autoriteit een zelfbeoordeling in om aan te tonen dat de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde voorwaarden voor een daadwerkelijke overdracht van kredietrisico en, in voorkomend geval, een overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico vervuld zijn.

    2. Voor bepaalde transacties die geen problematische kenmerken vertonen, mogen bevoegde autoriteiten een versneld vereenvoudigd beoordelingsproces toepassen.

    3. Uiterlijk 31 maart van elk jaar notificeren bevoegde autoriteiten aan de EBA alle securitisaties waarvoor in het voorafgaande jaar overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 een zelfbeoordeling is ontvangen. Die notificatie geeft alle informatie die nodig is om de ratio op grond van lid 2 te berekenen, en over relevante structurele kenmerken. Die informatie bevat tenminste een uitsplitsing naar omvang, thickness en bedragen van tranches, LGD, EL, LTEL en UL van de portefeuille, WAL van de onderliggende blootstellingen en risicogewichten van de tranches, en informatie over de vraag of de in lid 3 bedoelde maatregelen zijn toegepast.”.

  1. Artikel 248, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

    1. punt b) wordt vervangen door:

“b) de blootstellingswaarde van een securitisatiepositie buiten de balans is haar nominale waarde, verminderd met eventuele relevante specifieke kredietrisicoaanpassingen op die securitisatiepositie overeenkomstig artikel 110, vermenigvuldigd met de toepasselijke omrekeningsfactor zoals in dit punt b) beschreven. De omrekeningsfactor bedraagt 100 %, behalve bij voorschotfaciliteiten. Om de blootstellingswaarde van het niet-opgenomen deel van de voorschotfaciliteiten te bepalen, kan op het nominale bedrag van een liquiditeitsfaciliteit die onvoorwaardelijk opzegbaar is, een omrekeningsfactor van 0 % worden toegepast, mits de terugbetaling van opnemingen ten laste van de faciliteit een hogere rangorde heeft dan alle overige vorderingen op de kasstromen die uit de onderliggende blootstellingen voortvloeien;”;

  1. punt d) wordt vervangen door:

“d) een initiërende instelling mag van de blootstellingswaarde van een securitisatiepositie waaraan overeenkomstig onderafdeling 3 een risicogewicht van 1 250 % is toegekend of die overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k), van het tier 1-kernkapitaal wordt afgetrokken, het overeenkomstig artikel 110 berekende bedrag van de specifieke kredietrisicoaanpassingen voor de onderliggende blootstellingen aftrekken, alsmede alle niet-restitueerbare kortingen op de aankoopprijs die verband houden met deze onderliggende blootstellingen, in de mate dat die kortingen tot de vermindering van het eigen vermogen hebben geleid.

Het bedrag van de specifieke kredietrisicoaanpassingen mag overeenkomstig de eerste alinea van punt d) worden afgetrokken van de blootstellingswaarde van een securitisatiepositie waaraan een risicogewicht van minder dan 1 250 % is toegekend, op voorwaarde dat de positie een attachment point heeft dat lager is dan KIRB of KA. In dat geval wordt de securitisatiepositie voor de toepassing van dit punt d) als twee securitisatieposities beschouwd: de positie waarbij A gelijk is aan KIRB of KA en de positie van een lagere rangorde met A onder KIRB of KA en D gelijk aan KIRB of KA, en de specifieke kredietrisicoaanpassingen mogen alleen worden afgetrokken van de blootstellingswaarde van de securitisatiepositie die de positie van een lagere rangorde is met A onder KIRB of KA en D gelijk aan KIRB of KA;”;

  1. punt e) wordt vervangen door:

“e) de blootstellingswaarde van een contractueel toegewezen synthetische overgebleven rentemarge omvat in voorkomend geval het volgende:

  1. inkomsten uit de gesecuritiseerde blootstellingen die de initiërende instelling reeds overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving in haar winst- en verliesrekening heeft opgenomen en die de initiërende instelling contractueel aan de transactie heeft toegewezen als synthetische overgebleven rentemarge en die nog steeds beschikbaar is om verliezen op te vangen;

  2. synthetische overgebleven rentemarge die de initiërende instelling in eerdere perioden contractueel heeft toegewezen en die nog steeds beschikbaar is om verliezen op te vangen;

  3. synthetische overgebleven rentemarge die de initiërende instelling voor de huidige contractperiode contractueel heeft toegewezen en die nog steeds beschikbaar is om verliezen op te vangen;

  4. synthetische overgebleven rentemarge die de initiërende instelling contractueel voor toekomstige contractperioden heeft toegewezen.

Voor de toepassing van dit punt e) mag een bedrag dat als zekerheid of kredietverbetering met betrekking tot de synthetische securitisatie is verstrekt en dat overeenkomstig dit hoofdstuk reeds onderworpen is aan een eigenvermogensvereiste, niet in de blootstellingswaarde worden opgenomen.”;

  1. de tweede, derde en vierde alinea worden geschrapt.

  1. Artikel 254 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 1 wordt punt c) vervangen door:

“c) indien de SEC-SA, overeenkomstig de leden 2 en 4 van dit artikel, niet mag worden gebruikt, gebruikt een instelling de SEC-ERBA overeenkomstig de artikelen 263 en 264 voor posities met een rating of voor posities ten aanzien waarvan een afgeleide rating mag worden gebruikt.”;

  1. lid 5 wordt vervangen door:

“5. Onverminderd lid 1, punten b) en c), van dit artikel mag een instelling de internebeoordelingsbenadering toepassen om risicogewogen posten te berekenen voor een positie zonder rating in een ABCP-programma of ABCP-transactie overeenkomstig artikel 266, mits aan de voorwaarden van artikel 265 is voldaan. Wanneer een instelling overeenkomstig artikel 265, lid 2, toestemming heeft gekregen om de internebeoordelingsbenadering toe te passen, en een specifieke positie in een ABCP-programma of ABCP-transactie onder het toepassingsgebied van die toestemming valt, past de instelling die benadering toe om de risicogewogen blootstelling van die positie te berekenen.”.

  1. In artikel 255 wordt lid 6 vervangen door:

“6. Indien een instelling de SEC-SA toepast overeenkomstig onderafdeling 3, berekent die instelling KSA door vermenigvuldiging met 8 % van de risicogewogen posten die overeenkomstig hoofdstuk 2 met betrekking tot de niet in wanbetaling verkerende blootstellingen zouden worden berekend alsof deze niet gesecuritiseerd waren, gedeeld door de som van de blootstellingswaarden van de niet in wanbetaling verkerende onderliggende blootstellingen. KSA wordt in decimalen tussen nul en één uitgedrukt.

Voor de toepassing van dit lid omvatten niet in wanbetaling verkerende blootstellingen geen onderliggende blootstellingen die in wanbetaling verkeren als bedoeld in artikel 261, lid 2.

Voor de toepassing van dit lid berekenen de instellingen de blootstellingswaarde van de onderliggende blootstellingen inclusief specifieke kredietrisicoaanpassingen en aanvullende waardeaanpassingen overeenkomstig de artikelen 34 en 110 en andere eigenvermogensverlagingen.”.

  1. In artikel 256 wordt het volgende lid ingevoegd:

“7. Het uitstaande saldo van de pool van onderliggende blootstellingen in de securitisatie wordt, voor de toepassing van de leden 1 en 2, verminderd met het bedrag aan verliezen dat reeds aan de tranches is toegewezen wat betreft de blootstellingen in wanbetaling die in de securitisatieportefeuille zijn opgenomen.”.

  1. Artikel 259 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de aanhef wordt vervangen door:

“In het kader van de SEC-IRBA wordt de risicogewogen post voor een securitisatiepositie berekend door de overeenkomstig artikel 248 berekende blootstellingswaarde van de positie te vermenigvuldigen met het toepasselijke risicogewicht dat als volgt is bepaald:”;

  1. de tekst “waarbij: p = max [0,3; (A + B*(1/N) + C*KIRB + D * LGD + E*MT)]” wordt vervangen door:

“waarbij: p = min (1, max [0,3; 0,7 *(A + B*(1/N) + C*KIRB + D*LGD + E*MT)]) voor een blootstelling van een initiator of sponsor aan een senior securitisatiepositie, of

p = min (1, max [0,3; 1 *(A + B*(1/N) + C*KIRB + D*LGD + E*MT)]) voor andere blootstellingen.”;

  1. de volgende leden 1 bis en 1 ter worden ingevoegd:

“1 bis. Voor de risicogewogen post voor een overeenkomstig lid 1 berekende senior securitisatiepositie geldt een ondergrens die als volgt wordt berekend:

Ondergrens = max (12 %; 15 % *KIRB*12,5).

1 ter. Voor de risicogewogen post voor een overeenkomstig lid 1 berekende senior securitisatiepositie die aan de in artikel 243, lid 4, bedoelde criteria voldoet, geldt een ondergrens die als volgt wordt berekend:

Ondergrens = max (10 %; 15 % *KIRB*12,5).”;

  1. lid 7 wordt vervangen door:

“7. Wanneer de positie door een gemengde pool wordt gedekt en de instelling KIRB overeenkomstig artikel 258, lid 1, punt a), voor ten minste 95 % van de onderliggende posten kan berekenen, berekent de instelling de kapitaalopslag voor de pool van onderliggende blootstellingen als:

𝑑 ∙ 𝐾𝐼𝑅𝐵 + (1 − 𝑑)𝐾A.”.

  1. Artikel 260 wordt vervangen door:

“Artikel 260

Behandeling van STS-securitisaties in het kader van de SEC-IRBA

  1. In het kader van de SEC-IRBA wordt het risicogewicht voor een positie in een STS-securitisatie overeenkomstig artikel 259 berekend, met de volgende aanpassingen:

p = min (0,5, max [0,2; 0,3*(A + B*(1/N) + C*KIRB + D*LGD + E*MT)]) voor een senior securitisatiepositie van initiator of sponsor

p = min (0,5, max [0,2; 0,5*(A + B*(1/N) + C*KIRB + D*LGD + E*MT)]) voor een niet-senior positie van initiator of sponsor

p = min (0,5, max [0,3; 0,5*(A + B*(1/N) + C*KIRB + D*LGD + E*MT)]) voor andere posities.

De riscogewichtondergrens voor een senior securitisatiepositie = max (7 %; 10 % *KIRB*12,5).

  1. In het kader van de SEC-IRBA wordt het risicogewicht voor een positie in een STS-securitisatie die aan de criteria van artikel 243, lid 3, voldoet, overeenkomstig artikel 259 berekend, met de volgende aanpassingen:

p = min (0,5, max [0,2; 0,3*(A + B*(1/N) + C*KIRB + D*LGD + E*MT)]) voor een senior securitisatiepositie van initiator, sponsor of belegger

p = min (0,5, max [0,2; 0,5*(A + B*(1/N) + C*KIRB + D*LGD + E*MT)]) voor een niet-senior positie van initiator of sponsor

p = min (0,5, max [0,3; 0,5*(A + B*(1/N) + C*KIRB + D*LGD + E*MT)]) voor andere posities.

De riscogewichtondergrens voor een senior securitisatiepositie = max (5 %; 10 % *KIRB*12,5).”.

  1. Artikel 261 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

      1. de aanhef wordt vervangen door:

“In het kader van de SEC-SA wordt de risicogewogen post voor een securitisatiepositie berekend door de overeenkomstig artikel 248 berekende blootstellingswaarde van de positie te vermenigvuldigen met het toepasselijke risicogewicht dat als volgt is bepaald:”;

  1. “p = 1 voor een securitisatieblootstelling die geen hersecuritisatieblootstelling is” wordt vervangen door:

“Voor een securitisatiepositie die geen hersecuritisatiepositie is, p = 0,6 voor een senior securitisatiepositie van initiator of sponsor; 1 voor andere securitisatieposities.”;

  1. de volgende leden 1 bis en 1 ter worden ingevoegd:

“1 bis. Voor de risicogewogen post voor een overeenkomstig lid 1 berekende senior securitisatiepositie geldt een ondergrens die als volgt wordt berekend:

Ondergrens = max (12 %; 15 % *KA*12,5).

1 ter. Voor de risicogewogen post voor een overeenkomstig lid 1 berekende senior securitisatiepositie die aan de in artikel 243, lid 4, bedoelde criteria voldoet, geldt een ondergrens die als volgt wordt berekend:

Ondergrens = max (10 %; 15 % *KA*12,5).”;

  1. aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Voor de toepassing van dit lid is het nominale bedrag van de onderliggende in wanbetaling verkerende blootstellingen de boekhoudkundige waarde van de in wanbetaling verkerende blootstellingen, minus eventuele bedragen waarvoor de tranches al zijn afgeschreven om de verliezen op die in wanbetaling verkerende blootstellingen te absorberen, of verliezen die door overgebleven rentemarge zijn geabsorbeerd.”.

  1. Artikel 262 wordt vervangen door:

“Artikel 262

Behandeling van STS-securitisaties in het kader van de SEC-SA

  1. In het kader van de SEC-SA wordt het risicogewicht voor een positie in een STS-securitisatie overeenkomstig artikel 261 berekend, met de volgende aanpassingen:

p = 0,3 voor een senior securitisatiepositie van initiator of sponsor

p = 0,5 voor andere securitisatieblootstellingen

riscogewichtondergrens voor een senior securitisatiepositie = max (7 %; 10 % *KA*12,5).

  1. In het kader van de SEC-SA wordt het risicogewicht voor een positie in een STS-securitisatie die aan de criteria van artikel 243, lid 3, voldoet, overeenkomstig artikel 261 berekend, met de volgende aanpassingen:

p = 0,3 voor een senior securitisatiepositie van initiator, sponsor of belegger

p = 0,5 voor andere securitisatieblootstellingen

riscogewichtondergrens voor een senior securitisatiepositie = max (5 %; 10 % *KA*12,5).”

  1. Artikel 263 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 2 wordt vervangen door:

“2. Voor blootstellingen met kortetermijnkredietbeoordelingen of wanneer een rating op basis van een kortetermijnkredietbeoordeling overeenkomstig lid 7 kan worden afgeleid, zijn de volgende risicogewichten van toepassing:

Tabel 1

Kredietkwaliteitscategorie (CQS)

1

2

3

Alle andere ratings

Risicogewicht

Senior tranche:

Max (12 %; 15 % *KA*12,5).

Niet-senior tranche:

15 %

50 %

100 %

1250 %

  1. de volgende leden 2 bis en 2 ter worden ingevoegd:

“2 bis. Voor een positie in een senior tranche met CQS1 in een securitisatie die aan de criteria van artikel 243, lid 4, voldoet, wordt het risicogewicht als volgt berekend:

Max (10 %; 15 % *KA*12,5).

2 ter. Wanneer een instelling niet in staat is de formule uit tabel 1 of van lid 2 bis te gebruiken omdat zij niet in staat is KA te berekenen, is op de betrokken blootstelling een risicogewicht van 15 % van toepassing.”;

  1. lid 3 wordt vervangen door:

“3. Voor blootstellingen met langetermijnkredietbeoordelingen of indien een rating op basis van een langetermijnkredietbeoordeling overeenkomstig lid 7 kan worden afgeleid, zijn de risicogewichten uit tabel 2 van toepassing, aangepast, naargelang het geval, overeenkomstig artikel 257 en lid 4 van dit artikel voor tranchelooptijd (MT) en overeenkomstig lid 5 van dit artikel voor trancheomvang (thickness) voor niet-senior tranches:

Tabel 2

Kredietkwaliteitscategorie (CQS)

Senior tranche, positie van initiator of sponsor

Senior tranche, positie van belegger

Niet-senior (“dunne”) tranche

Looptijd tranche (MT)

Looptijd tranche (MT)

Looptijd tranche (MT)

1 jaar

5 jaar

1 jaar

5 jaar

5 jaar

1 jaar

1

Max (12 %; 15 % *KA*12,5)

Max (12 %; 15 % *KA*12,5)

20 %

15 %

70 %

2

Max (12 %; 15 % *KA*12,5)

18 %

30 %

15 %

90 %

3

17 %

24 %

25 %

40 %

30 %

120 %

4

18 %

29 %

30 %

45 %

40 %

140 %

5

24 %

34 %

40 %

50 %

60 %

160 %

6

34 %

45 %

50 %

65 %

80 %

180 %

7

40 %

46 %

60 %

70 %

120 %

210 %

8

51 %

62 %

75 %

90 %

170 %

260 %

9

62 %

73 %

90 %

105 %

220 %

310 %

10

80 %

96 %

120 %

140 %

330 %

420 %

11

124 %

140 %

140 %

160 %

470 %

580 %

12

140 %

160 %

160 %

180 %

620 %

760 %

13

176 %

201 %

200 %

225 %

750 %

860 %

14

230 %

256 %

250 %

280 %

900 %

950 %

15

286 %

312 %

310 %

340 %

1 050 %

1 050 %

16

348 %

388 %

380 %

420 %

1130 %

1130 %

17

424 %

465 %

460 %

505 %

1250 %

1250 %

Alle andere

1250 %

1250 %

1250 %

1250 %

1250 %

1250 %

  1. de volgende leden 3 bis en 3 ter worden ingevoegd:

“3 bis. Voor een positie van een initiator of sponsor in een senior tranche met CQS1, of CQS2 met een looptijd van de tranche van één jaar, in een securitisatie die aan de criteria van artikel 243, lid 4, voldoet, wordt het risicogewicht als volgt berekend:

Max (10 %; 15 % *KA*12,5).

3 ter. Wanneer een instelling niet in staat is de formule uit tabel 2 of van lid 3 bis te gebruiken omdat zij niet in staat is KA te berekenen, is op de betrokken blootstelling een risicogewicht van 15 % van toepassing.”.

  1. Artikel 264 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 2 wordt vervangen door:

“2. Voor blootstellingen met kortetermijnkredietbeoordelingen of indien een rating op basis van een kortetermijnkredietbeoordeling overeenkomstig artikel 263, lid 7, kan worden afgeleid, zijn de volgende risicogewichten van toepassing:

Tabel 3

Kredietkwaliteitscategorie (CQS)

1

2

3

Alle andere ratings

Risicogewicht

Senior tranche:

Max (7 %; 10 % *KA*12,5)

Niet-senior tranche:

10 %

30 %

60 %

1250 %

  1. de volgende leden 2 bis en 2 ter worden ingevoegd:

“2 bis. Voor een positie in een senior tranche met CQS1 in een securitisatie die aan de criteria van artikel 243, lid 3, voldoet, wordt het risicogewicht als volgt berekend:

Max (5 %; 10 % *KA*12,5)

2 ter. Wanneer een instelling niet in staat is de formule uit tabel 3 of van lid 2 bis te gebruiken omdat zij niet in staat is KA te berekenen, is op de betrokken blootstellingen een risicogewicht van 10 % van toepassing.”;

  1. lid 3 wordt vervangen door:

“3. Voor blootstellingen met langetermijnkredietbeoordelingen of indien een rating op basis van een langetermijnkredietbeoordeling overeenkomstig artikel 263, lid 7, kan worden afgeleid, worden de risicogewichten vastgesteld overeenkomstig tabel 4, aangepast overeenkomstig artikel 257 en artikel 263, lid 4, voor tranchelooptijd (MT) en overeenkomstig artikel 263, lid 5, voor trancheomvang voor niet-senior tranches:

Tabel 4

Kredietkwaliteitscategorie (CQS)

Senior tranche (positie van initiator of sponsor, of van belegger in een securitisatie die aan artikel 243, lid 3, voldoet)

Senior tranche (andere posities van belegger)

Niet-senior (“dunne”) tranche

Looptijd tranche (MT)

Looptijd tranche (MT)

Looptijd tranche (MT)

1 jaar

5 jaar

1 jaar

5 jaar

1 jaar

5 jaar

1

Max (7 %; 10 % *KA*12,5)

Max (7 %; 10 % *KA*12,5)

15 %

40 %

2

Max (7 %; 10 % *KA*12,5)

10 %

Max (7 %; 10 % *KA*12,5)

15 %

15 %

55 %

3

10 %

12 %

15 %

20 %

15 %

70 %

4

10 %

16 %

15 %

25 %

25 %

80 %

5

12 %

20 %

20 %

30 %

35 %

95 %

6

20 %

28 %

30 %

40 %

60 %

135 %

7

23 %

28 %

35 %

40 %

95 %

170 %

8

31 %

38 %

45 %

55 %

150 %

225 %

9

38 %

45 %

55 %

65 %

180 %

255 %

10

47 %

58 %

70 %

85 %

270 %

345 %

11

106 %

118 %

120 %

135 %

405 %

500 %

12

118 %

138 %

135 %

155 %

535 %

655 %

13

150 %

174 %

170 %

195 %

645 %

740 %

14

207 %

229 %

225 %

250 %

810 %

855 %

15

258 %

280 %

280 %

305 %

945 %

945 %

16.

311 %

351 %

340 %

380 %

1015 %

1015 %

17

383 %

419 %

415 %

455 %

1250 %

1250 %

Alle andere

1250 %

1250 %

1250 %

1250 %

1250 %

1250 %

  1. de volgende leden 3 bis en 3 ter worden ingevoegd:

“3 bis. Voor een positie in een senior tranche met CQS1, of CQS2 met een looptijd van de tranche van één jaar, in een securitisatie die aan de criteria van artikel 243, lid 3, voldoet, wordt het risicogewicht als volgt berekend:

Max (5 %; 10 % *KA*12,5)

3 ter. Wanneer een instelling niet in staat is de formule uit tabel 4 te gebruiken omdat zij niet in staat is KA te berekenen, is op de betrokken blootstellingen een risicogewicht van 10 % van toepassing.”.

  1. Artikel 268 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt vervangen door:

“1. Een instelling mag voor de securitisatiepositie die zij inneemt, een maximaal kapitaalvereiste toepassen dat gelijk is aan de kapitaalvereisten die overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 met betrekking tot de onderliggende blootstellingen zouden zijn berekend indien deze niet waren gesecuritiseerd.

Voor de toepassing van dit artikel omvat het kapitaalvereiste volgens de IRB-benadering het overeenkomstig hoofdstuk 3 berekende bedrag van de verwachte verliezen die aan die blootstellingen verbonden zijn, en het bedrag van de onverwachte verliezen. Voor initiërende instellingen zijn de verwachte verliezen ongerekend eventuele specifieke kredietrisicoaanpassingen voor de onderliggende aanpassingen.”;

  1. lid 3 wordt vervangen door:

“3. Het maximale kapitaalvereiste is het resultaat van de vermenigvuldiging van het overeenkomstig de leden 1 of 2 berekende bedrag met het hoogste aandeel van rente dat de instelling in de betrokken tranches heeft (V), uitgedrukt als een percentage en berekend als volgt:

  1. voor een instelling die één of meer securitisatieposities in één enkele tranche heeft, is V gelijk aan de verhouding van het nominale bedrag van de door de instelling in die bepaalde tranche ingenomen securitisatieposities ten opzichte van het nominale bedrag van de tranche;

  2. voor een instelling die securitisatieposities in verschillende tranches heeft, is V gelijk aan het maximale aandeel van rente doorheen de tranches.

Voor de toepassing van punt b) wordt het aandeel van rente voor elk van de verschillende tranches berekend zoals bepaald in punt a).

In afwijking van de eerste en tweede alinea, mogen instellingen de rente van tranches waarvan door de instelling ingenomen securitisatieposities overeenkomstig onderafdeling 3 een risicogewicht van 1 250 % toegekend gekregen hebben of die overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k), van het tier 1-kernkapitaal zijn afgetrokken. In dat geval is het maximale kapitaalvereiste de som van het overeenkomstig lid 1 of 2 berekende bedrag, ongerekend de blootstellingswaarden van de securitisatieposities die bij het bepalen van V buiten beschouwing zijn gelaten, vermenigvuldigd met V plus de som van de blootstellingswaarden van de securitisatieposities die bij het bepalen van V buiten beschouwing zijn gelaten.”.

  1. In artikel 270 worden de leden 2, 3 en 4 geschrapt.

  2. Artikel 506 ter wordt geschrapt.

  1. Artikel 506 quinquies wordt vervangen door:

“Artikel 506 quinquies

Prudentiële behandeling van securitisatie

  1. Uiterlijk [4 years after the date of entry into force] beoordeelt de Commissie, na raadpleging van de EBA, de algehele situatie en dynamiek van de securitisatiemarkt in de Unie, en doet zij verslag over het passende karakter en de doeltreffendheid van het prudentiële securitisatieraamwerk van de Unie, onder meer wat betreft de financiering van de reële economie, het differentiëren tussen verschillende soorten securitisaties, onder meer tussen synthetische, traditionele en NPE-securitisaties, tussen initiators en beleggers, tussen STS- en niet-STS-securitisaties, en tussen verschillende methoden voor de berekening van risicogewogen posten.

In het kader van die herziening maakt de Commissie ook een beoordeling van de effecten op de financiële stabiliteit. De Commissie monitort ook het gebruik van de in artikel 465, lid 13, bedoelde overgangsregeling en beoordeelt in hoeverre de toepassing van de output floor op securitisatieblootstellingen van invloed zou zijn op de kapitaalvermindering die door initiërende instellingen wordt verkregen bij transacties waarvoor een aanzienlijke risico-overdracht is erkend, de risicogevoeligheid buitensporig zou verminderen en de economische levensvatbaarheid van nieuwe securitisatietransacties zou beïnvloeden.

Met name gaat de Commissie na of het met een meer fundamentele wijziging van de formules en functies voor risicogewichten mogelijk zou worden om meer risicogevoeligheid te bereiken, meer evenredige niveaus van niet-neutraliteit van kapitaal te behalen, cliff-effecten te beperken en structurele beperkingen van het huidige raamwerk aan te pakken, rekening houdende met de historische kredietprestatie van securitisatietransacties in de Unie en de beperkte model- en agencyrisico’s van het securitisatieraamwerk.

De Commissie brengt hierover verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

  1. De EBA dient, uiterlijk [2 years after entry into force], bij de Commissie een verslag in voor het monitoren van de ontwikkelingen en dynamiek van de securitisatiemarkt in de Unie als gevolg van het gewijzigde prudentiële raamwerk, waarin vooral wordt gekeken naar de rol van de kredietinstellingen als initiators van SRT-transacties en als beleggers. Die analyse differentieert tussen verschillende soorten securitisaties – onder meer tussen synthetische, traditionele en NPE-securitisaties – en tussen STS- en niet-STS-transacties. Het verslag maakt ook een analyse van het effect van het gewijzigde prudentiële raamwerk op aanvullende kredietverlening van kredietinstellingen aan huishoudens en bedrijven, met inbegrip van mkb-bedrijven.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de [...] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg,

FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM

KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF46

Benaming van het voorstel/initiatief46

Betrokken beleidsterreinen46

Doelstellingen46

Algemene doelstellingen46

Specifieke doelstellingen46

Verwachte resultaten en gevolgen46

Prestatie-indicatoren46

Het voorstel/initiatief betreft:47

Motivering van het voorstel/initiatief47

Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief47

Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.47

Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan47

Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten48

Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking48

Duur van het voorstel/initiatief en van de financiële gevolgen ervan48

Wijzen van uitvoering van de begroting48

BEHEERSMAATREGELEN50

Regels inzake het toezicht en de verslagen50

Beheers- en controlesystemen50

Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie50

Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken50

Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)50

Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden50

GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF51

Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven51

Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten52

Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten52

Kredieten uit goedgekeurde begroting52

Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten56

Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten61

Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten63

63

Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten63

Totaal kredieten64

Geraamde personeelsbehoeften65

Gefinancierd uit goedgekeurde begroting66

Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten66

Totale personeelsbehoeften66

Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen68

Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader68

Bijdragen van derden69

Geraamde gevolgen voor de ontvangsten69

Digitale dimensies71

Voorschriften met digitale relevantie71

Gegevens72

Digitale oplossingen73

Interoperabiliteitsbeoordeling75

Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering76

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.

Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten

 een nieuwe actie 

 een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie 24  

 de verlenging van een bestaande actie 

 de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie

 beperkte geldigheidsduur

  •    van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ

  •    financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten.

 onbeperkte geldigheidsduur

  • uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,

  • gevolgd door een volledige uitvoering.

 Direct beheer door de Commissie

  •  door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie.

  •    door de uitvoerende agentschappen

 Gedeeld beheer met de lidstaten

 Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken toe te vertrouwen aan:

  •  derde landen of de door hen aangewezen organen

  •  internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke)

  •  de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds

  •  de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen

  •  publiekrechtelijke organen

  •  privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties

  •  privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die zijn voorzien van voldoende financiële garanties

  •  organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling

  •  in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het Unierecht vallen en die in aanmerking komen om overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, en beschikken over voldoende financiële garanties in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die voor elke actie beperkt kunnen blijven tot het maximumbedrag van de steun van de Unie.

Opmerkingen

  • Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort uitgave

Bijdrage

Nummer  

GK/NGK 26 .

van EVA-landen 27

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten 28

van andere derde landen

andere bestemmingsontvangsten

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

  • Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort uitgave

Bijdrage

Nummer

GK/NGK

van EVA-landen

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten

van andere derde landen

andere bestemmingsontvangsten

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

  •    Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig

  •  Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Nummer

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 29

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 30

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten  

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Rubriek van het meerjarig
financieel kader

Nummer

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 31  

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten

Vastleggingen

=1a+1b +3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

voor DG <…….>

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 32  

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten

Vastleggingen

=1a+1b +3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

voor DG <…….>

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten  

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader 
(referentiebedrag)

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000



Rubriek van het meerjarig financieel kader

7

“Administratieve uitgaven” 33

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <…….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <…….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7

Vastleggingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader 

Betalingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Nummer

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 34

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 35

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten  

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Nummer

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 36

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

0,000

Betalingen

(2a)

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

0,000

Betalingen

(2b)

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 37

Begrotingsonderdeel

(3)

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten  

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader (referentiebedrag)

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000



Rubriek van het meerjarig financieel kader

7

“Administratieve uitgaven” 38

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <…….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <…….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7

Vastleggingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader 

Betalingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Vermeld doelstellingen en outputs

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

TOTAAL

OUTPUTS

Soort 39

Gem. kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Totaal aantal

Totale kosten

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1 40

- Output

- Output

- Output

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2…

- Output

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2

TOTAAL

  •    Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

  •    Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL 
GOEDGEKEURDE KREDIETEN + EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

  •    Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig

  •    Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

Raming in voltijdequivalenten (vte’s) 41

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

2024

2025

2026

2027

 Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)

0

0

0

0

20 01 02 03 (EU-delegaties)

0

0

0

0

01 01 01 01 (onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)

0

0

0

0

• Extern personeel (in vte’s)

20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)

0

0

0

0

20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)

0

0

0

0

Admin. ondersteuning 
[XX.01.YY.YY]

- centrale diensten

0

0

0

0

- EU-delegaties

0

0

0

0

01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7

0

0

0

0

TOTAAL

0

0

0

0

EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

2024

2025

2026

2027

 Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)

0

0

0

0

20 01 02 03 (EU-delegaties)

0

0

0

0

01 01 01 01 (onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)

0

0

0

0

• Extern personeel (in voltijdequivalenten)

20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)

0

0

0

0

20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)

0

0

0

0

Admin. ondersteuning
[XX.01.YY.YY]

- centrale diensten

0

0

0

0

- EU-delegaties

0

0

0

0

01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7

0

0

0

0

TOTAAL

0

0

0

0

TOTAAL GOEDGEKEURDE KREDIETEN + EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

2024

2025

2026

2027

 Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)

0

0

0

0

20 01 02 03 (EU-delegaties)

0

0

0

0

01 01 01 01 (onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)

0

0

0

0

• Extern personeel (in voltijdequivalenten)

20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)

0

0

0

0

20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)

0

0

0

0

Admin. ondersteuning
[XX.01.YY.YY]

- centrale diensten

0

0

0

0

- EU-delegaties

0

0

0

0

01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7

0

0

0

0

TOTAAL

0

0

0

0

Aantal personeelsleden dat nodig is voor de uitvoering van het voorstel (in vte’s):

Uit te voeren door bestaand personeel van de diensten van de Commissie

Uitzonderlijk aanvullend personeel*

Te financieren uit rubriek 7 of onderzoek

Te financieren uit BA-onderdeel

Te financieren uit vergoedingen

Personeelsformatieposten

n.v.t.

Extern personeel (AC, END, INT)

*

Beschrijving van de uit te voeren taken door:

Ambtenaren en tijdelijk personeel

Extern personeel

Verplicht: in onderstaande tabel moet de beste schatting worden gegeven van de met digitale technologie samenhangende investeringen die uit het voorstel/initiatief voortvloeien.

De kredieten onder rubriek 7 moeten in uitzonderlijke gevallen in het desbetreffende onderdeel worden opgenomen, indien vereist voor de uitvoering van het voorstel/initiatief.

De kredieten onder de rubrieken 1 t/m 6 moeten worden weergegeven als “IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s”. Deze uitgaven betreffen het operationele budget dat gebruikt moet worden voor hergebruik, koop of ontwikkeling van IT-platforms of tools die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het initiatief, alsook daarmee verband houdende investeringen (bv. licenties, studies, gegevensopslag enz.). De in deze tabel vermelde informatie moet in overeenstemming zijn met de gegevens in deel 4, “Digitale dimensies”.

TOTAAL Digitale en IT-kredieten

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

IT-uitgaven (algemeen) 

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Het voorstel/initiatief:

  •    kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK)

  •    vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals gedefinieerd in de MFK-verordening

  •    vereist een herziening van het MFK

Het voorstel/initiatief:

  •    voorziet niet in medefinanciering door derden

  •    voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Totaal

Medefinancieringsbron 

TOTAAL medegefinancierde kredieten

 
3.3.    Geraamde gevolgen voor de ontvangsten 

  •    Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

  •    Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

    •    voor de eigen middelen

    •    voor overige ontvangsten

    • geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten

Gevolgen van het voorstel/initiatief 42

Jaar 2024

Jaar 2025

Jaar 2026

Jaar 2027

Artikel ………….

Vermeld voor de toegewezen ontvangsten de betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven.

Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).

4.1. Voorschriften met digitale relevantie

Indien wordt geoordeeld dat voor het beleidsinitiatief geen digitale relevantie vereist is, geef een toelichting waarom geen digitale middelen worden gebruikt.

Het voorstel heeft geen digitale relevantie, aangezien het geen substantiële wijzigingen aanbrengt in de bestaande gegevensinfrastructuur. Het bestaande EBA-systeem van notificaties dat momenteel voorhanden is, zal naar verwachting verder worden gebruikt voor het verzamelen van de data zoals voorgeschreven krachtens artikel 244, lid 8, en artikel 245, lid 7, van het voorstel.

Zo niet, vermeld in de onderstaande tabel de voorschriften met digitale relevantie:

Verwijzing naar het voorschrift

Beschrijving van het voorschrift

Actor waarop het voorschrift betrekking heeft

Processen op hoog niveau

Categorie

4.2. Gegevens

Algemene beschrijving van de gegevens in het toepassingsgebied en eventuele daarmee verband houdende normen/specificaties

Soort gegevens

Verwijzing naar het voorschrift/de voorschriften

Norm en/of specificatie (indien van toepassing)

Afstemming op de Europese datastrategie

Licht toe op welke wijze het voorschrift is afgestemd op de Europese datastrategie

Afstemming op het eenmaligheidsbeginsel

Leg uit hoe het eenmaligheidsbeginsel is overwogen en hoe de mogelijkheid om bestaande gegevens te hergebruiken is onderzocht

Licht toe hoe nieuw gecreëerde gegevens vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar zijn en voldoen aan hoogwaardige normen

Gegevensstromen

Soort gegevens

Verwijzing(en) naar het voorschrift/de voorschriften

Actor die de gegevens verstrekt

Actor die de gegevens ontvangt

Aanleiding voor de gegevensuitwisseling

Frequentie (indien van toepassing)

4.3 Digitale oplossingen

Geef voor elke digitale oplossing de referentie naar de eis(en) van digitaal belang met betrekking tot die oplossing, een beschrijving van de voorgeschreven functionaliteit van de digitale oplossing, de instantie die daarvoor verantwoordelijk zal zijn, en andere relevante aspecten zoals herbruikbaarheid en toegankelijkheid. Vermeld tot slot of het de bedoeling is dat de digitale oplossing gebruikmaakt van AI-technologieën.

Digitale oplossing

Verwijzing(en) naar het voorschrift/de voorschriften

Belangrijkste functies waarvoor een mandaat vereist is

Bevoegde instantie

Hoe wordt rekening gehouden met toegankelijkheid?

Hoe wordt herbruikbaarheid overwogen?

Gebruik van AI-technologieën (indien van toepassing)

Digitale oplossing nr. 1

Digitale oplossing nr. 2

Leg voor elke digitale oplossing uit op welke wijze de digitale oplossing voldoet aan de vereisten en verplichtingen van het cyberbeveiligingskader van de EU en andere toepasselijke digitale beleidsmaatregelen en wetgevingshandelingen (zoals eIDAS, één digitale toegangspoort enz.).

Digitale oplossing nr. 1

Digitaal en/of sectoraal beleid (indien van toepassing)

Toelichting over de manier waarop het op één lijn wordt gebracht

AI-wet

EU-kader voor cyberbeveiliging

eIDAS

Eén digitale toegangspoort en IMI

Andere

Digitale oplossing nr. 2

Digitaal en/of sectoraal beleid (indien van toepassing)

Toelichting over de manier waarop het op één lijn wordt gebracht

AI-wet

EU-kader voor cyberbeveiliging

eIDAS

Eén digitale toegangspoort en IMI

Andere

4.4    Interoperabiliteitsbeoordeling

Beschrijf de digitale openbare dienst(en) waarop de vereisten betrekking hebben

Digitale overheidsdienst of categorie van digitale overheidsdiensten

Omschrijving

Verwijzing(en) naar het voorschrift/de voorschriften

Interoperabele Europa-oplossing(en)

(NIET VAN TOEPASSING)

Andere interoperabiliteitsoplossing(en)

Digitale overheidsdienst nr. 1

//

Categorie digitale overheidsdienst volgens COFOG nr. 1

//

Beoordeel het effect van de eis(en) op de grensoverschrijdende interoperabiliteit

Digitale overheidsdienst nr. 1

Beoordeling

Maatregelen

Mogelijke resterende belemmeringen

De afstemming op bestaand digitaal en sectoraal beleid beoordelen

Vermeld het toepasselijke digitale en sectorale beleid dat is vastgesteld

De organisatorische maatregelen voor een vlotte grensoverschrijdende verlening van digitale overheidsdiensten beoordelen

Vermeld de geplande governancemaatregelen

Beoordelen van de maatregelen die zijn genomen om te zorgen voor een gedeeld begrip van de gegevens

Geef een lijst met dergelijke maatregelen

Beoordelen van het gebruik van gezamenlijk overeengekomen open technische specificaties en normen

Geef een lijst met dergelijke maatregelen

4.5    Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering

Beschrijving van de maatregel

Verwijzing(en) naar het voorschrift/de voorschriften

De rol van de Commissie

(indien van toepassing)

Te betrekken actoren

(indien van toepassing)

Verwacht tijdschema

(indien van toepassing)