Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2016/2341 en 2016/97 wat betreft de versterking van het kader voor bedrijfspensioenvoorziening
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2016/2341 en 2016/97 wat betreft de versterking van het kader voor bedrijfspensioenvoorziening
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
Brussel, 20.11.2025 |
COM(2025) 842 final |
2025/0362(COD) |
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2016/2341 en 2016/97 wat betreft de versterking van het kader voor bedrijfspensioenvoorziening (Voor de EER relevante tekst) |
TOELICHTING
De EU moet daarom maatregelen nemen om burgers te helpen hun pensioeninkomen veilig te stellen en hun levensstandaard te behouden in het licht van ongunstige demografische ontwikkelingen, een gematigde productiviteitsgroei en bredere transformatieve uitdagingen in verband met de klimaatverandering, digitalisering en geopolitieke onzekerheid. Het vermogen om de uitdaging voor het pensioenbeleid doeltreffend aan te pakken zal de komende decennia bepalend zijn voor de economische veerkracht en sociale cohesie van de EU.
Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen 13 ;
Richtlijn 2014/50/EU van 16 april 2014 betreffende minimumvereisten voor de vergroting van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door het verbeteren van de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten 14 ;
Richtlijn (EU) 2016/2341 van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (ook “IBPV II” genoemd), ter versterking van de governance, informatieverschaffing en grensoverschrijdende vereisten voor IBPV’s 15 ;
Verordening (EU) 2019/1238 van 20 juni 2019 inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP), tot vaststelling van een vrijwillig, gestandaardiseerd kader voor persoonlijke pensioenen in de hele EU 16 .
Dit voorstel bouwt voort op en versterkt het in de IBPV II-richtlijn vastgestelde kader voor IBPV’s, zoals nader wordt toegelicht in afdeling 3. Het maakt deel uit van een breder pensioenpakket dat de herziening omvat van Richtlijn (EU) 2019/1238 (de PEPP-richtlijn), de aanbevelingen van de Commissie inzake pensioendashboards, pension tracking-systemen en automatische aansluiting, alsook de overkoepelende mededeling over het pakket aanvullende pensioenen. Het pensioenpakket is een van de belangrijkste resultaten in het kader van de agenda voor de spaar- en investeringsunie. De voorgestelde wijzigingen en aanbevelingen zijn opgesteld om coherentie te verzekeren tussen de verschillende stukken wetgeving en met dezelfde algemene doelstelling voor ogen.
De ontwikkeling en groei van IBPV’s kunnen helpen om meer langetermijnkapitaal naar de kapitaalmarkten van de EU te kanaliseren en via deze markten naar de algemene economie – op een moment waarop de EU-economie dringend moet investeren om haar concurrentievermogen te versterken. De herziening van de IBPV II-richtlijn sluit dus ook aan bij de ruimere strategie van de Commissie om de EU-economie nieuwe impulsen te geven, zoals geschetst in het EU-kompas voor concurrentievermogen 17 .
De herziening van de IBPV II-richtlijn is in overeenstemming met de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten (EPSR), met name beginsel 15, waarin het recht op een toereikend inkomen voor ouderen en een fatsoenlijke levensstandaard voor gepensioneerden worden bevestigd. Hoewel de IBPV II-richtlijn in de eerste plaats een prudentieel en governancekader is, zijn de kerndoelstellingen ervan – versterking van het vermogen van bedrijfsfondsen om een toereikend inkomen te genereren, bescherming van de belangen van deelnemers en pensioengerechtigden en verbetering van de transparantie over zowel kosten als rendement – allemaal van essentieel belang voor het realiseren van houdbare en toereikende aanvullende pensioenen.
De rechtsgrondslagen voor de wijziging van de IBPV II-richtlijn zijn de artikelen 53 en 62 en artikel 114, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). In de artikelen 53 en 62 wordt voorzien in de coördinatie van de nationale bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst en betreffende de vrijheid van dienstverrichting. Deze bepalingen maken de oprichting en grensoverschrijdende werking van IBPV’s binnen de interne markt mogelijk volgens consistente prudentiële, governance- en toezichtnormen. Artikel 114, lid 1, biedt de mogelijkheid om maatregelen inzake de onderlinge aanpassing van de bepalingen van de lidstaten vast te stellen die de instelling en de werking van de interne markt betreffen.
Het vermogen van aanbieders om gebruik te maken van de vrijheid van dienstverrichting wordt nog steeds belemmerd door het gebrek aan standaardisering van bestaande beroepspensioenproducten. Dit voorstel heeft derhalve tot doel de belangrijkste elementen van het kader voor IBPV’s te verbeteren om een samenhangender model tot stand te brengen. Dit zal hun deelnemers en pensioengerechtigden in staat stellen ten volle gebruik te maken van de interne markt en zal hun een ruimere keuze aan aanbieders bieden, ook in andere EU-lidstaten. Het voorstel harmoniseert de kernkenmerken van het IBPV’s: meer transparantie met betrekking tot zowel kosten als rendement, risicobeheersingspraktijken en een efficiënt beleggingsbeleid.
De Commissie heeft op 23 juni 2025 een verzoek om input uitgezet, met als uiterste termijn 21 juli 2025, om algemene opmerkingen, adviezen en standpunten te verzamelen over de wijze waarop het bestaande kader voor aanvullende pensioenen kan worden verbeterd en bewijsmateriaal over beste praktijken kan worden uitgewisseld. Het verzoek leverde in totaal 47 inzendingen op, goed voor 35 unieke reacties, van verschillende organisaties, zoals branche- en werkgeversorganisaties, ngo’s, consumentenorganisaties en burgers (uit 12 EU-lidstaten en 4 niet-EU-landen). Over het geheel genomen was de overgrote meerderheid van de respondenten het ermee eens dat de aanvullende pensioenen moeten worden verbeterd om hun volledige potentieel te ontsluiten ten behoeve van de burgers en de economie van de EU.
De Eiopa diende op 5 september 2025 de door de Commissie verzochte technische input 20 in om de ontwikkeling van aanvullende pensioenen te ondersteunen en het aanvullendpensioenstelsel te verbeteren. De Eiopa pleitte voor i) strenger toezicht, ii) het gebruik van een meer risicogebaseerde aanpak om beleggingsmogelijkheden in alternatieve activa te bevorderen, en iii) verduidelijking van het toepassingsgebied van de IBPV II-richtlijn om de voordelen van langetermijnsparen verder te ontsluiten.
Naast morele druk zou deze optie uitvoering geven aan de belangrijkste elementen van de technische aanbevelingen van de Eiopa met als doel de beleggingspraktijken, transparantie en governance in aanvullende pensioenregelingen geleidelijk te verbeteren. De nadruk zou liggen op het versterken van kaders voor risicobeheersing, het verbeteren van de informatieverschaffing over kosten en rendementen en het ondersteunen van duurzamere en evenwichtigere beleggingsstrategieën. De hervorming zou ook gericht zijn op het aanpakken van structurele belemmeringen die de efficiëntie en schaal beperken, zoals versnippering, beperkte samenwerking tussen regelingen en ongelijke toezichtcapaciteit. Deze maatregelen zouden het systeem op korte termijn niet radicaal veranderen, maar zouden de prestaties, duurzaamheid en efficiëntie van IBPV’s geleidelijk verbeteren. Na verloop van tijd zou het kader een doeltreffender grensoverschrijdend optreden, betere investeringsresultaten en een hoger beschermingsniveau voor deelnemers en pensioengerechtigden ondersteunen.
Optie 4 zou alle elementen van optie 3 behouden, met inbegrip van thematische toetsingen, nudges, verbeterde toezichtpraktijken en de uitvoering van de meeste aanbevelingen van Eiopa. Deze optie zou echter een stap verder gaan door bindende regelgevingsvereisten en specifieke toezichtmaatregelen in te voeren om aanhoudende structurele inefficiënties aan te pakken. Een belangrijke maatregel zou de vaststelling van een verplichte minimale efficiëntieschaal voor IBPV’s zijn. Hierbij kan worden gedacht aan het verstrekken van modellen voor het afwikkelen of samenvoegen van regelingen in gevallen waarin de minimale efficiëntieschaal en prestaties niet worden bereikt. Ook een mogelijkheid is de verplichte benoeming van trustees als bestaande vacatures niet onmiddellijk worden ingevuld of als de huidige functionarissen niet over de nodige vaardigheden beschikken om een beleggingsportefeuillestrategie doeltreffend te beheren. Bij deze aanpak worden echter aanzienlijke eisen gesteld aan de toezichtcapaciteit en kunnen toezichthouders worden blootgesteld aan aansprakelijkheidsrisico’s als pensioenaanbieders om rechterlijke toetsing verzoeken. Bovendien zou de vaststelling van een verplichte minimale efficiëntieschaal voor IBPV’s aanzienlijke tijd en middelen vergen, terwijl de optimale schaal nog steeds van IBPV tot IBPV kan verschillen. Een dergelijke maatregel zou ook indruisen tegen een marktgestuurde aanpak door “top-down”-consolidatie verplicht te stellen die niet verenigbaar is met de huidige IBPV-governancestructuren 21 .
Optie 3 is de geselecteerde optie.
Het voorstel respecteert de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name het recht op bescherming van persoonsgegevens, het eigendomsrecht, de vrijheid van ondernemerschap en het beginsel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Het draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 38 van het Handvest, dat voorziet in een hoog niveau van consumentenbescherming.
Het voorstel heeft geen wezenlijke gevolgen voor de EU-begroting. De Eiopa moet de aanvullende taken voor convergentie van coördinatie en toezicht, met inbegrip van de oprichting van samenwerkingsplatformen, binnen haar bestaande middelen kunnen uitvoeren.
Middels de voorgestelde richtlijn worden specifieke wijzigingen doorgevoerd in een bestaande richtlijn. De lidstaten moeten de Commissie daarom de tekst van de overeenkomstige wijzigingen van hun nationale bepalingen meedelen of, indien zij van mening zijn dat dergelijke wijzigingen niet nodig zijn, toelichten welke specifieke bepalingen van nationaal recht reeds uitvoering geven aan de wijzigingen in het voorstel.
Bij artikel 1 van het voorstel wordt Richtlijn (EU) 2016/2341 gewijzigd. De specifieke bepalingen die worden gewijzigd, zijn de volgende:
In artikel 4 wordt de lidstaten de mogelijkheid geboden Richtlijn (EU) 2016/2341 toe te passen op gefinancierde instellingen die pensioenuitkeringen verstrekken die anderszins niet onder de prudentiële wetgeving van de Unie vallen.
In artikel 9 wordt bepaald dat IBPV’s een vergunningsprocedure van de bevoegde autoriteit moeten ondergaan, die een prudentiële beoordeling en de opstelling van een bedrijfsplan omvat.
In artikel 9 bis wordt ervoor gezorgd dat IBPV’s verschillende pensioenregelingen mogen uitvoeren, met inbegrip van regelingen die verschillen wat betreft beleggingsbeleid, en bijdrages van meerdere bijdragende ondernemingen binnen dezelfde pensioenregeling mogen aanvaarden.
Bij de artikelen 11 en 11 bis worden de grensoverschrijdende procedures voor IBPV’s gestroomlijnd door duidelijkere tijdspaden in te voeren, de coördinatie tussen de bevoegde autoriteiten te verbeteren en een vereenvoudigd kennisgevingsproces in te voeren voor de uitbreiding van bestaande grensoverschrijdende activiteiten binnen dezelfde lidstaat van ontvangst.
Artikel 12 bevat een vereenvoudiging van de regels voor de overdracht van pensioenregelingen door onnodige belemmeringen voor consolidatie en schaal te verminderen en tegelijkertijd een adequate bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden te waarborgen.
In artikel 14 wordt bepaald dat de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om onderfinanciering toe te staan voor een in het nationale recht bepaalde beperkte periode, die in geen geval langer mag zijn dan tien jaar, en worden aanvullende vereisten voor grensoverschrijdende IBPV’s geschrapt.
Bij artikel 17 wordt de Commissie de bevoegdheid verleend om een gedelegeerde handeling vast te stellen tot wijziging van de aantallen en percentages van de vereiste solvabiliteitsmarge teneinde deze aan te passen aan marktontwikkelingen.
2025/0362 (COD) |
Voorstel voor een |
In artikel 18 bis wordt bepaald dat IBPV’s die niet onderworpen zijn aan risicogebaseerde wettelijke eigenvermogensvereisten en die biometrische risico’s dekken of garanties bieden, ten minste om de drie jaar een stresstest moeten uitvoeren om te beoordelen of zij in staat zijn om in ongunstige markt- en demografische scenario’s te voldoen aan hun verplichtingen. De bevoegde autoriteiten kunnen eisen dat, wanneer kwetsbaarheden worden vastgesteld, een dergelijke test vaker wordt uitgevoerd. In de bepaling worden standaardstressscenario’s gespecificeerd en wordt de lidstaten de mogelijkheid geboden langere projectiehorizons of strengere uitgangspunten op te leggen. In dat artikel wordt ook bepaald dat wanneer uit de resultaten van de stresstest blijkt dat de activa of de beschikbare solvabiliteitsmarges ontoereikend zijn, de IBPV’s een convergentieplan met corrigerende maatregelen moeten indienen. Tot slot kunnen de bevoegde autoriteiten hogere solvabiliteitsmarges eisen indien het plan niet geloofwaardig is of niet wordt ingediend.
Bij artikel 19 wordt een meer op beginselen gebaseerd “prudent person”-beginsel ingevoerd en wordt de mogelijkheid beperkt om meer gedetailleerde regels vast te stellen voor regelingen waarbij deelnemers en pensioengerechtigden het beleggingsrisico dragen, zonder de mogelijkheid om de soorten activa waarin een IBPV mag beleggen, te beperken. Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om beperkingen op te leggen wanneer de deelnemers en pensioengerechtigden risico’s dragen en zolang dergelijke beperkingen niet neerkomen op een algeheel verbod.
In artikel 21 wordt bepaald dat het governancesysteem een doeltreffend mechanisme voor het beheer van belangenconflicten en een compliancefunctie moet omvatten.
Bij artikel 22 worden strengere eisen gesteld ten aanzien van de deskundigheid en betrouwbaarheid (“fit and proper”). De kwalificaties, kennis en ervaring van de leden van het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan moeten collectief toereikend blijven om hen in staat te stellen hun taken doeltreffend uit te voeren. Daarentegen worden de vereisten voor de personen die de IBPV daadwerkelijk besturen, aangescherpt; zij moeten individueel voldoen aan de vereiste normen inzake deskundigheid en betrouwbaarheid.
In artikel 26 wordt gesteld dat de bevindingen en aanbevelingen van de interne audit moeten worden gerapporteerd aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan, dat besluit welke passende maatregelen moeten worden getroffen met betrekking tot elk van de bevindingen en aanbevelingen en dat ervoor moet zorgen dat deze maatregelen doeltreffend worden uitgevoerd.
Bij artikel 28 wordt gewaarborgd dat IBPV’s een schriftelijk beleid voor de beoordeling van het eigen risico vaststellen, dat de processen en procedures omvat voor het uitvoeren van de beoordeling, de frequentie van de beoordeling en de methoden.
Bij artikel 30 wordt bepaald dat in de verklaring inzake beleggingsbeleidsbeginselen duidelijk beleggingsdoelstellingen uiteengezet moeten worden die in overeenstemming zijn met de pensioeninkomensdoelstellingen van elke regeling en toleranties moeten worden vastgesteld voor afwijkingen van de doelstellingen inzake de allocatie en prestaties van de activa, in overeenstemming met de kernbeginselen van de OESO voor de regulering van particuliere pensioenen en de bijbehorende uitvoeringsrichtsnoeren.
Bij artikel 33 wordt gewaarborgd dat in het geval van een pensioenregeling waarbij deelnemers en pensioengerechtigden het beleggingsrisico volledig dragen, de bewaring van activa en de oversighttaken worden aangescherpt.
Bij de artikelen 36 tot en met 44 wordt de informatieverstrekking aan deelnemers en pensioengerechtigden tijdens de opbouw- en afbouwfasen verstevigd. In met name artikel 37 bis wordt bepaald dat IBPV’s relevante informatie moeten delen met pension tracking-systemen om de transparantie te vergroten en deelnemers en pensioengerechtigden beter bewust te maken van hun rechten.
In artikel 44 bis wordt een expliciete zorgplicht ingevoerd voor IBPV’s, op grond waarvan zij worden verplicht eerlijk, billijk en professioneel te handelen in het belang van deelnemers en pensioengerechtigden.
Op grond van de artikelen 44 quater en 44 quinquies moeten IBPV’s doeltreffende klachtenbehandelingsprocedures instellen en moeten de lidstaten ervoor zorgen dat er adequate, onafhankelijke en onpartijdige geschillenbeslechtingsorganen zijn, ook voor grensoverschrijdende gevallen.
In de artikelen 45 tot en met 51 worden het toezicht en de bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten aangescherpt. Bij met name artikel 49 bis wordt een regelmatige toezichtsdialoog ingevoerd om strategische reflectie over de toereikendheid, efficiëntie en duurzaamheid van de IBPV op lange termijn aan te moedigen.
In de artikelen 6, 7, 13, 16, 36, 47, 50 en 51 wordt erkend dat IBPV’s in sommige lidstaten persoonlijke pensioenproducten mogen aanbieden, waaronder het pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP), en wordt ervoor gezorgd dat het prudentiële kader deze mogelijkheid weerspiegelt om samenhang, een gedegen organisatie en doeltreffend toezicht op alle vormen van pensioenvoorziening te bevorderen.
De artikelen 19, 21, 23 tot en met 26, 28, 47 en 49 worden gewijzigd zodat verwijzingen naar “omvang, aard, schaal en complexiteit” worden vervangen door “aard, schaal en complexiteit”, aangezien “omvang” geen passend criterium is voor IBPV’s, waarvan de prudentiële en governancevereisten hun risicoprofiel moeten weerspiegelen in plaats van hun absolute omvang, in overeenstemming met het beginsel van risicogebaseerd toezicht.
Andere bepalingen worden gewijzigd voor actualiseringen en correcties.
Bij artikel 2 van het voorstel wordt Richtlijn (EU) 2016/97 gewijzigd. In dit artikel wordt gewaarborgd dat deelnemers aan en pensioengerechtigden van door verzekeringsondernemingen geëxploiteerde bedrijfspensioenregelingen ten minste toegang hebben tot dezelfde informatie als deelnemers aan en pensioengerechtigden van door IBPV’s geëxploiteerde regelingen, en dat verzekeringsondernemingen en verzekeringstussenpersonen over een passende rechtsgrondslag beschikken om informatie te delen met pension tracking-systemen.
In artikel 3 van het voorstel worden “grandfathering”-regelingen ingevoerd, zodat IBPV’s die vóór de wijziging van de vergunningsregels overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/2341 zijn geregistreerd of een vergunning hebben gekregen, geen nieuwe vergunning hoeven aan te vragen.
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2016/2341 en 2016/97 wat betreft de versterking van het kader voor bedrijfspensioenvoorziening
(Voor de EER relevante tekst)
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, artikel 62 en artikel 114, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 22 ,
Na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure 23 ,
Overwegende hetgeen volgt:
In het licht van de vergrijzing van de bevolking van de Europese Unie en de stijgende afhankelijkheidsratio is het versterken van aanvullende bronnen van pensioeninkomen onmisbaar geworden om de solidariteit tussen de generaties, de sociale samenhang en de stabiliteit op lange termijn van pensioenstelsels in de hele Unie te behouden.
Hoewel de organisatie van pensioenstelsels een nationale bevoegdheid blijft, zijn de toereikendheid en financiële houdbaarheid van pensioenen van gemeenschappelijk belang voor de stabiliteit en samenhang van de Unie. Waarborgen dat burgers toegang hebben tot goed ontworpen persoonlijke pensioenproducten draagt bij tot zowel de individuele financiële zekerheid als de veerkracht van de economie van de Unie.
Ondanks het feit dat zij tot de grootste spaarders ter wereld behoren, houden huishoudens in de Unie nog steeds een groot deel van hun financiële vermogen aan in kortlopende bankdeposito’s met een beperkt rendement. De ontwikkeling van aantrekkelijke bedrijfs- en persoonlijke pensioenproducten kan bijdragen tot het mobiliseren van die spaargelden voor langetermijninvesteringen, het genereren van een hoger rendement voor spaarders en het kanaliseren van kapitaal naar productieve toepassingen die groei, innovatie en de groene en digitale transitie ondersteunen.
Passende regelgeving en passend toezicht op Unie- en nationaal niveau blijft belangrijk voor de ontwikkeling van een veilige bedrijfspensioenvoorziening in alle lidstaten. Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad 24 heeft bijgedragen aan een meer geharmoniseerd prudentieel kader voor instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (“IBPV’s”). De sector aanvullende pensioenen blijft in veel lidstaten echter onderontwikkeld, wat de financiële zekerheid van de burgers in gevaar zou kunnen brengen, met name in het licht van de aanhoudende demografische trends binnen de Unie. Als onderdeel van sterke meerpijler-pensioenstelsels, die in overleg met de sociale partners zijn ontwikkeld, is het van essentieel belang de verdere invoering van aanvullende pensioenen zoals IBPV’s te ondersteunen en bij te dragen tot betere resultaten voor langetermijnspaarders. Dit vereist beleidsmaatregelen, zowel op nationaal niveau als op het niveau van de Unie.
De spaar- en investeringsunie (SIU), die de Commissie in haar mededeling van 19 maart 2015 25 aankondigde, heeft tot doel burgers in staat te stellen te sparen en te beleggen voor hun toekomst, investeringen te kanaliseren naar de prioriteiten van de Unie, de integratie en schaalvergroting op de kapitaalmarkten van de Unie te verdiepen en doeltreffend toezicht op de eengemaakte markt te waarborgen. Onder deze vier pijlers staat het helpen van burgers om te sparen en te beleggen voor hun toekomst centraal in de ambitie van de spaar- en investeringsunie. Ervoor zorgen dat de burgers van de Unie een toereikend pensioeninkomen kunnen opbouwen, is een van de meest concrete manieren waarop de Unie een verschil kan maken in het leven van mensen. De werkzaamheden op het gebied van aanvullende pensioenen, en met name op het gebied van bedrijfspensioenen, zijn een uiting van deze burgergerichte aanpak.
Met ongeveer drie biljoen euro aan beheerde activa spelen instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) een essentiële rol in het financiële stelsel van de Unie; zij zijn echter doorgaans minder actief op beursgenoteerde aandelen-, private-equity-, durfkapitaal- en infrastructuurmarkten. Op voorwaarde dat beleggingen in aandelen en alternatieve activaklassen prudent worden beheerd, kunnen dergelijke beleggingen een waardevol onderdeel van hun portefeuilles vormen en diversificatie, een hoger langetermijnrendement voor pensioenspaarders en bescherming tegen inflatie bieden, terwijl ze ook cruciale financiering voor de reële economie bieden. Het is daarom belangrijk ervoor te zorgen dat er geen onnodige regelgevende belemmeringen voor dergelijke investeringen zijn.
De herziening van Richtlijn (EU) 2016/2341 bouwt voort op het technisch advies van 2023 van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (“Eiopa ”) voor de herziening van de IBPV II-richtlijn 26 en haar technische input van 2025 voor de herzieningen van de IBPV II-richtlijn en de PEPP-verordening in het kader van de spaar- en investeringsunie 27 . Er wordt ook rekening gehouden met recente bevindingen en aanbevelingen uit Speciaal verslag 14/2025 van de Europese Rekenkamer over de ontwikkeling van aanvullende pensioenen in de Unie 28 , alsook met de kernbeginselen van de OESO voor de regulering van particuliere pensioenen 29 , waarin internationaal erkende normen voor de governance van, de transparantie van en het toezicht op bedrijfspensioenen zijn vastgesteld.
Het bereiken van voldoende schaalgrootte is vaak een voorwaarde voor het efficiënt en duurzaam functioneren van IBPV’s. Kleinere IBPV’s kunnen te kampen hebben met hogere administratieve en investeringskosten, beperkte diversificatie en moeilijkheden om de nodige professionele deskundigheid aan te trekken of te behouden. Een grotere schaal kan helpen deze beperkingen te verminderen door de risicopooling, governancecapaciteit en toegang tot een breder scala van investeringsmogelijkheden te verbeteren en zo bij te dragen tot stabielere en kosteneffectievere resultaten voor deelnemers en pensioengerechtigden.
Richtlijn (EU) 2016/2341 is echter niet doeltreffend genoeg geweest in het bevorderen van schaalvoordelen, wat ertoe heeft geleid dat pensioenaanbieders vaak te klein zijn om te profiteren van diversificatie of efficiëntiewinsten, waardoor deelnemers en pensioengerechtigden worden blootgesteld aan hogere kosten en een lager nettorendement. Daarom moeten dergelijke schaalvoordelen worden bevorderd.
Richtlijn (EU) 2016/2341 moet van toepassing zijn op alle IBPV’s, tenzij zij uitdrukkelijk zijn uitgesloten op grond van artikel 2, lid 2. De toepassing ervan moet de doelstellingen van die richtlijn en de diversiteit van de regelingen in de lidstaten weerspiegelen en de richtlijn moet worden uitgevoerd op een wijze die het volledige spectrum van bestaande bedrijfspensioenvoorzieningen erkent.
In sommige lidstaten is in het nationale recht bepaald dat IBPV’s, ondanks dat zij zelf rechtspersoonlijkheid hebben, moeten worden beheerd door vergunninghoudende lichamen die in hun naam handelen. Daarom is het passend dat artikel 2, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/2341 uitdrukkelijk niet alleen verwijst naar situaties waarin IBPV’s geen rechtspersoonlijkheid hebben – en onder de richtlijn moeten blijven vallen –, maar ook naar gevallen waarin IBPV’s overeenkomstig het nationale recht wel rechtspersoonlijkheid hebben, maar door dergelijke vergunninghoudende lichamen moeten worden uitgevoerd.
In bepaalde lidstaten kan de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van een IBPV worden gedeeld tussen de IBPV zelf en het vergunninghoudende lichaam dat namens de IBPV handelt, waarbij elk afzonderlijke maar complementaire functies vervult. De toepassing van Richtlijn (EU) 2016/2341 moet in overeenstemming zijn met die toewijzing van verantwoordelijkheden krachtens het nationale recht en waarborgen dat alle verantwoordelijken volledig onderworpen zijn aan de vereisten ervan, ongeacht de rechtsvorm van de IBPV. Deze situatie moet echter worden onderscheiden van uitbesteding als bedoeld in artikel 31 van die richtlijn, aangezien de gedeelde uitoefening van verantwoordelijkheden in deze gevallen voortvloeit uit de institutionele structuur van de IBPV zoals gedefinieerd in het nationale recht en niet uit een contractuele uitbesteding van functies. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de activa van IBPV’s juridisch gescheiden zijn van die van de vergunninghoudende lichamen die de IBPV beheren.
De vaststelling of een instelling als IBPV kan worden aangemerkt, moet afhangen van de verrichte activiteiten, ongeacht de rechtsvorm of de aanwijzing ervan naar nationaal recht. In verschillende lidstaten wordt werkgelegenheidsgerelateerde pensioenvoorziening verstrekt door gefinancierde instellingen die op grond van artikel 2, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/2341 van het toepassingsgebied van die richtlijn zijn uitgesloten of anderszins niet onder die richtlijn vallen zonder aan andere prudentiële wetgeving van de Unie te zijn onderworpen. Sommige van die instellingen vallen al onder Verordening (EU) 2018/231 van de Europese Centrale Bank 30 betreffende statistische rapportagevereisten voor pensioenfondsen, wat hun economisch belang en de behoefte aan alomvattende en consistente informatie over alle soorten pensioeninstellingen weerspiegelt. Samen houden dergelijke instellingen die van het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2016/2341 zijn uitgesloten, zeer aanzienlijke activa aan en samen met IBPV’s vormen zij een belangrijk aandeel van het algemene werkgelegenheidsgerelateerde pensioenlandschap. Gezien hun omvang en hun relevantie voor de financiële stabiliteit en de toereikendheid van pensioenen is het belangrijk dat de lidstaten ervoor zorgen dat alle instellingen die pensioenspaargelden beheren, ongeacht of dit beroeps- of persoonlijke pensioenregelingen zijn, onderworpen zijn aan degelijke governance, doeltreffend toezicht en prudentiële vereisten die in verhouding staan tot de aard en omvang van de risico’s die zij dragen. In het licht van het solide kader waarin Richtlijn (EU) 2016/2341 voorziet en om de consistentie van toezichtpraktijken te bevorderen, een gelijk speelveld en hoge normen voor governance en risicobeheersing in alle vormen van pensioenvoorziening te waarborgen, met inachtneming van de diversiteit van de nationale pensioenstelsels en bestaande institutionele regelingen, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om die richtlijn toe te passen op instellingen die anderszins van het toepassingsgebied ervan zijn uitgesloten en niet onder een ander prudentieel kader van de Unie vallen. Dit is met name relevant wanneer het niveau van de uitkeringen aan deelnemers en pensioengerechtigden afhankelijk is van de prestaties van de instelling bij het beheer van activa en niet door een overheidsinstantie wordt gegarandeerd. De lidstaten moeten de Commissie en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen in kennis stellen als zij van deze optie gebruikmaken.
In sommige lidstaten kunnen IBPV’s ook persoonlijke pensioenproducten aanbieden, waaronder het pan-Europese persoonlijke pensioenproduct, zoals weerspiegeld in Verordening (EU) 2019/1238 van het Europees Parlement en de Raad 31 . Om te zorgen voor een duidelijke en degelijke organisatie van dergelijke activiteiten en voor een samenhangend en doeltreffend toezicht op de verschillende vormen van pensioenvoorziening, is het daarom passend dit in Richtlijn (EU) 2016/2341 tot uitdrukking te brengen.
De organisatie van bedrijfspensioenvoorzieningen kan baat hebben bij meer flexibiliteit bij de wijze waarop IBPV’s pensioenregelingen en bijdrageregelingen structureren en beheren. De lidstaten moeten er derhalve voor zorgen dat IBPV’s verschillende pensioenregelingen mogen uitvoeren, met inbegrip van regelingen die verschillen wat betreft beleggingsbeleid, en bijdrages van meerdere bijdragende ondernemingen mogen aanvaarden, ook binnen dezelfde pensioenregeling. Die flexibiliteit kan schaalvergroting vergemakkelijken, waardoor de kostenefficiëntie, de risicodiversificatie en de governancecapaciteiten worden verbeterd, ten voordele van de deelnemers en de pensioengerechtigden.
In Richtlijn (EU) 2016/2341 wordt een onderscheid gemaakt tussen de vergunningverlening aan en de registratie van IBPV’s, maar wordt geen van beide begrippen gedefinieerd, terwijl de lidstaten worden verplicht een nationaal register van IBPV’s bij te houden. Dit heeft geleid tot uiteenlopende toezichtpraktijken, waaronder gevallen waarin de bevoegde autoriteiten geen prudentiële beoordeling vooraf uitvoeren of waarin, in bepaalde gevallen, helemaal geen prudentiële beoordeling wordt uitgevoerd. Het ontbreken van een prudentiële beoordeling in het kader van de registratie- of vergunningsprocedure kan de goede werking van de interne markt en de bescherming van de rechten van deelnemers en pensioengerechtigden ondermijnen. Om regelgevingsarbitrage te voorkomen en de belangen van pensioenspaarders te beschermen, moeten alle IBPV’s een vergunningsprocedure doorlopen die een passende prudentiële beoordeling door de bevoegde autoriteit omvat. In overeenstemming met het technische advies van de Eiopa voor de herziening van de IBPV II-richtlijn en met de uitvoeringsrichtsnoeren van de OESO-aanbeveling inzake de kernbeginselen voor de regulering van particuliere pensioenen, moeten IBPV’s als onderdeel van de vergunningsprocedure ook worden verplicht voor alle geplande activiteiten een bedrijfsplan op te stellen en bij te houden.
Om een doeltreffende en aanpasbare bedrijfspensioenvoorziening en schaalvoordelen te bevorderen, moet het IBPV’s worden toegestaan verschillende pensioenregelingen uit te voeren, met inbegrip van regelingen met verschillende beleggingsbenaderingen, en bijdrages van verschillende ondernemingen binnen dezelfde regeling te aanvaarden, waarbij gedegen beheer en de bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden worden gewaarborgd.
Uit de ervaringen met de werking van Richtlijn (EU) 2016/2341 is gebleken dat de procedures voor de vergunningverlening aan en het toezicht op IBPV’s, met name in het kader van grensoverschrijdende activiteiten, kunnen leiden tot vertragingen en inconsistenties in de lidstaten, die IBPV’s kunnen ontmoedigen grensoverschrijdende activiteiten te verrichten of uit te breiden. Om de werking van en het toezicht op grensoverschrijdende activiteiten van IBPV’s te verbeteren, moeten de procedurele stappen voor vergunningverlening en grensoverschrijdende activiteiten daarom worden uitgewerkt en gestroomlijnd. De termijnen moeten worden verduidelijkt en de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en die van de lidstaat van ontvangst moet sneller verlopen, zodat nauwere coördinatie mogelijk wordt, onder meer, in voorkomend geval, door de betrokkenheid van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa).
Het is onnodig belastend om aan een IBPV die grensoverschrijdende activiteiten verricht in een lidstaat van ontvangst, volledige initiële grensoverschrijdende procedures op te leggen wanneer die IBPV deze die activiteiten wenst uit te breiden tot aanvullende bijdragende ondernemingen of regelingen in dezelfde lidstaat van ontvangst. Een dergelijke aanpak kan leiden tot dubbele procedures, hogere administratieve kosten en vertragingen, zonder dat de bescherming van deelnemers en begunstigden wordt verbeterd. Om evenredig en doelmatig toezicht te vergemakkelijken en een doeltreffende samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst te waarborgen, moeten dergelijke verlengingen worden onderworpen aan een vereenvoudigde kennisgevingsprocedure die binnen een maand moet worden afgerond. Dat tijdpad zorgt ervoor dat de bevoegde autoriteiten de nodige coördinatie en het nodige oversight kunnen uitvoeren zonder onnodige vertragingen of extra regeldruk voor de IBPV’s.
De regels voor collectieve overdrachten van alle of een deel van de verplichtingen, technische voorzieningen en andere verplichtingen en rechten van een pensioenregeling spelen een sleutelrol bij het ondersteunen van consolidatie en het bereiken van schaalgrootte in bedrijfspensioenvoorziening. Wanneer dergelijke regels te streng zijn, vormen zij een onnodige belemmering voor het bereiken van schaalgrootte en het vergemakkelijken van consolidatie, wat schadelijk kan zijn voor de langetermijnbelangen van spaarders. Tegelijkertijd is het belangrijk dat deelnemers en pensioengerechtigden, of hun vertegenwoordigers, daadwerkelijk hun mening kunnen geven over voorgestelde grensoverschrijdende overdrachten. Om dergelijke overdrachten te vergemakkelijken, is het daarom passend de toepasselijke regels van de Unie te verduidelijken en te vereenvoudigen, ervoor te zorgen dat de procedures transparant, evenredig en consistent blijven met de bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden, en tegelijkertijd een grotere doelmatigheid en integratie in de interne markt mogelijk te maken. Dit vereist bepalingen met betrekking tot tijdige kennisgeving, goedkeuring door de bijdragende onderneming, indien van toepassing, en de mogelijkheid voor deelnemers en begunstigden om formeel bezwaar te maken.
Voor binnenlandse collectieve overdrachten van de ene IBPV naar de andere moeten de lidstaten zorgen voor eenvoudige, transparante en operationeel doelmatige procedures om consolidatie en herstructurering van pensioenregelingen op hun grondgebied mogelijk te maken. Dergelijke procedures moeten het bereiken van schaalgrootte en kostenefficiëntie vergemakkelijken en mogen niet restrictiever zijn dan de procedures die van toepassing zijn op grensoverschrijdende overdrachten.
De lidstaten hebben de mogelijkheid om tijdelijke onderfinanciering van bedrijfspensioenregelingen toe te staan. Verschillende lidstaten hebben die optie op verschillende manieren toegepast, terwijl andere ervoor hebben gekozen er geen gebruik van te maken, wat kan leiden tot inconsistenties die van invloed kunnen zijn op de bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden. Hoewel het voorkomen van onderfinanciering belangrijk is, kan een absoluut verbod in sommige gevallen leiden tot abrupte verlagingen van pensioentoezeggingen, wat nadelig kan zijn voor deelnemers en pensioengerechtigden. Om een evenwichtige en evenredige aanpak en een adequate bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden te waarborgen, moeten de lidstaten tijdelijke onderfinanciering toestaan voor een in het nationale recht bepaalde beperkte periode, die in geen geval langer mag zijn dan tien jaar.
Bepaalde technische parameters in Richtlijn (EU) 2016/2341 vloeien voort uit Richtlijn 79/267/EEG van de Raad 32 , de eerste richtlijn levensverzekeringen, en zijn sinds de invoering ervan ongewijzigd gebleven. Het is daarom passend te voorzien in de mogelijkheid van aanpassing ervan door middel van gedelegeerde handelingen, indien dit noodzakelijk wordt geacht om ervoor te zorgen dat zij passend blijven in het licht van marktontwikkelingen en toezichtpraktijken.
Richtlijn (EU) 2016/2341 schrijft voor dat IBPV’s over een toereikende beschikbare solvabiliteitsmarge moeten beschikken. Die solvabiliteitsmarge houdt niet volledig rekening met de blootstellingen aan markt- en langlevenrisico’s, ook niet wanneer de IBPV biometrische risico’s verzekert of een bepaalde beleggingsprestatie of een bepaald uitkeringsniveau garandeert. Sommige lidstaten eisen dat IBPV’s boven op de vereiste solvabiliteitsmarge een aanvullend risicogebaseerd voorgeschreven eigen vermogen aanhouden. In lidstaten waar dergelijke risicogebaseerde vereisten niet bestaan, moet een vergelijkbare bescherming voor spaarders en begunstigden worden gewaarborgd. Met name IBPV’s die biometrische risico’s dekken of garanties bieden en die niet aan risicogebaseerde kapitaalvereisten zijn onderworpen, moeten regelmatig stresstests uitvoeren om te beoordelen of zij over een lange termijn gefinancierd kunnen blijven, ook in ongunstige markt- en demografische scenario’s, en de bevoegde autoriteiten moeten daarbij de bevoegdheid hebben om corrigerende maatregelen te eisen wanneer onderfinanciering wordt vastgesteld.
Private assets, waaronder private equity, private debt en durfkapitaal, kunnen de risico-rendementskenmerken van beleggingsportefeuilles verbeteren door de diversificatie te vergroten, wat mogelijk hogere langetermijnrendementen oplevert. Dergelijke activa zijn echter vaak complexer te waarderen en te beoordelen in termen van risico, waardoor aanzienlijke professionele expertise vereist is. Overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn (EU) 2016/2341 moeten IBPV’s beleggen in het beste belang op de lange termijn van deelnemers en pensioengerechtigden en in overeenstemming met de “prudent person”-regel. Deze regel is echter niet voldoende gespecificeerd en verschillende lidstaten hebben overeenkomstig dat artikel gedetailleerde en soms restrictieve beleggingslimieten ingevoerd. Dergelijke algemene beperkingen kunnen voorkomen dat goed bestuurde instellingen met voldoende risicobeheercapaciteit doelmatig in alternatieve activa beleggen. Daarom moet worden bepaald dat het belangrijkste beleggingskader een op risico’s gebaseerd “prudent person”-beginsel is, dat instellingen in staat stelt in elke soort activum te beleggen, mits zij de daaraan verbonden risico’s naar behoren kunnen herkennen, meten, monitoren, beheersen en rapporteren. Als waarborg voor deelnemers en pensioengerechtigden moet de mogelijkheid voor de lidstaten om beleggingsbeperkingen toe te passen derhalve worden beperkt tot gevallen waarin het beleggingsrisico door deelnemers en pensioengerechtigden wordt gedragen, en mogen die beperkingen niet leiden tot een algeheel verbod op beleggingen in bepaalde activaklassen. De overkoepelende mededeling van 19 november 2025 33 bevat verdere niet-bindende houvast voor de toepassing van het “prudent person”-beginsel, onder meer over de wijze waarop dit de doelmatige allocatie van langetermijnspaargelden moet ondersteunen.
De ervaring heeft geleerd dat de governancevereisten van Richtlijn (EU) 2016/2341 niet altijd zorgen voor consistente normen voor goede governance en doeltreffend oversight tussen IBPV’s. Met name kunnen de verschillen in internecontrolefuncties, hoe belangenconflicten worden afgehandeld en de samenstelling en doeltreffendheid van bestuurlijke, beleidsbepalende of toezichthoudende organen de bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden en de integriteit van het beheer van pensioenregelingen verzwakken. Om de weerbaarheid, transparantie en verantwoordingsplicht van IBPV’s te vergroten, moet het governancesysteem daarom nader worden gespecificeerd en moeten de bevoegde autoriteiten over de nodige bevoegdheden beschikken om de governancesystemen van IBPV’s te beoordelen en, in voorkomend geval, te versterken.
Het effectieve en prudente beheer van een IBPV hangt af van de deskundigheid en betrouwbaarheid van de personen die de IBPV, haar bestuurlijke, beleidsbepalende of toezichthoudende organen, daadwerkelijk besturen, en van medewerkers met een sleutelfunctie, met inbegrip van de personen aan wie functies zijn uitbesteed. Richtlijn (EU) 2016/2341 verwijst naar het begrip collectieve deskundigheid voor degenen die de IBPV daadwerkelijk besturen. Verdere verduidelijking is nodig om ervoor te zorgen dat dit begrip wordt toegepast op een wijze die past bij de diversiteit van de governancestructuren in de lidstaten. Met name moet collectieve deskundigheid van toepassing zijn wanneer het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan opereert als een collegiaal orgaan waarvan de leden gezamenlijk strategische of oversighttaken vervullen. Wanneer functies afzonderlijk of individueel worden uitgeoefend, moet de beoordeling van de deskundigheid betrekking hebben op de specifieke rol, verantwoordelijkheden en beslissingsbevoegdheden van elke persoon. Bovendien voorzien de huidige bepalingen niet expliciet in doorlopende monitoring of tijdige kennisgeving van wijzigingen, wat ook kan leiden tot hiaten in de governance, onvoldoende oversight van risico’s of belangenconflicten die niet worden aangepakt. Om een adequate bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden en doeltreffend toezicht door de bevoegde autoriteiten te waarborgen, moeten de vereisten inzake deskundigheid en betrouwbaarheid worden vastgesteld, moeten de bevoegde autoriteiten de verantwoordelijkheid krijgen om de deskundigheid doorlopend te beoordelen en moeten zij de bevoegdheid hebben om te eisen dat personen die niet langer aan die vereisten voldoen, uit hun functie worden ontheven.
Doeltreffende risicobeheersing is van essentieel belang om de gezonde en prudente werking van IBPV’s te waarborgen en deelnemers en pensioengerechtigden te beschermen. Operationele en structurele keuzes van IBPV’s, met inbegrip van deelname aan gepoolde beleggingsstructuren, gedeelde diensten, of overdrachten, kunnen van invloed zijn op het algemene risicoprofiel. Om een gezond en prudent beheer te waarborgen, moeten IBPV’s de risico’s waaraan zij zijn of kunnen worden blootgesteld, toetsen aan de door hun leidinggevend of toezichthoudend orgaan goedgekeurde risicotolerantielimieten, rekening houdend met het risicovermogen en de risicobereidheid van deelnemers en pensioengerechtigden. Schaalvoordelen en efficiëntieopties kunnen de operationele en investeringsrisico’s voor deelnemers en begunstigden verminderen en moeten daarom in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het eigen risico.
In overeenstemming met de kernbeginselen van de OESO voor de regulering van particuliere pensioenen en de bijbehorende uitvoeringsrichtsnoeren is het passend de vereisten van de verklaring inzake beleggingsbeginselen verder aan te scherpen door ervoor te zorgen dat daarin duidelijke beleggingsdoelstellingen worden vastgesteld die in overeenstemming zijn met de pensioeninkomensdoelstelling, de verplichtingen en de risicotolerantie van elke regeling, prestatiedoelstellingen en monitoringmethoden worden gedefinieerd en het gebruik van complexe of alternatieve activaklassen en het daarmee samenhangende tegenpartijrisico wordt aan bod komt. Wanneer deelnemers beleggingen kunnen selecteren, moet de verklaring ook voorzien in een passende reeks opties, waaronder een standaardoptie.
Het poolen van activa kan schaalvoordelen opleveren, de investeringsprestaties verbeteren en de kosten voor deelnemers en pensioengerechtigden verlagen. Op grond van artikel 31 van Richtlijn (EU) 2016/2341 kunnen de lidstaten echter de uitbesteding van activiteiten door IBPV’s verbieden, met inbegrip van de uitbesteding van beleggingsbeheer. Het gebruik van die optie heeft geleid tot belemmeringen voor efficiëntiewinsten en schaalvoordelen van regelgevende aard. Een meer risicogebaseerde aanpak zou ervoor zorgen dat uitbesteding over het algemeen wel is toegestaan of voorgeschreven, op voorwaarde dat dit de kwaliteit van de governance niet aantast, het operationele risico niet onnodig verhoogt, de continue en bevredigende dienstverlening aan deelnemers en pensioengerechtigden niet ondermijnt of doeltreffend toezicht belemmert. Daarom moet worden bepaald dat de lidstaten uitbesteding door dergelijke instellingen moeten toestaan of, in voorkomend geval, voorschrijven, onverminderd het verzet tegen specifieke uitbestedingsregelingen in specifieke gevallen, indien hier naar behoren gemotiveerde prudentiële redenen voor zijn.
Bewaarders bieden een gebruiksvriendelijk rechtsmiddel om activa te beschermen en het beheer van bedrijfspensioenregelingen te overzien, met name in toegezegdebijdrageregelingen waarbij deelnemers en pensioengerechtigden het beleggingsrisico volledig dragen. Krachtens Richtlijn (EU) 2016/2341 beschikken de lidstaten over een discretionaire bevoegdheid om in de regel een bewaarder te verplichten, of IBPV’s toe te staan, deze taken zelf uit te voeren. Die discretie heeft geleid tot inconsistenties en uitdagingen op het gebied van toezicht bij grensoverschrijdende activiteiten. Verschillen in nationale regels over de soorten lichamen die als bewaarder kunnen optreden en de reikwijdte van hun verantwoordelijkheden, kunnen doeltreffend prudentieel oversight ondermijnen, de transparantie verminderen en het risico op belangenconflicten of operationele tekortkomingen vergroten. De afgelopen jaren zijn dein Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad 34 voor bewaarders vastgestelde regels, geactualiseerd en aangescherpt om een hoog niveau van beleggersbescherming te waarborgen. Deelnemers aan en pensioengerechtigden van IBPV’s die hun pensioenspaargelden op vergelijkbare wijze aan professionele beheerders toevertrouwen, moeten niet minder bescherming genieten dan beleggers die onder Richtlijn 2009/65/EG vallen. Om een consistente bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden te waarborgen, het vertrouwen in het pensioenstelsel te vergroten en grensoverschrijdende activiteiten te vergemakkelijken, moet in Richtlijn (EU) 2016/2341 daarom worden bepaald dat een professionele bewaarder voor bedrijfspensioenregelingen moet worden aangesteld wanneer deelnemers en pensioengerechtigden het beleggingsrisico volledig dragen. De wijzigingen moeten duidelijke regels bevatten voor een dergelijke bewaarder met betrekking tot de bewaring van activa en oversighttaken voor bewaarders, waarbij meer flexibiliteit voor andere regelingen wordt toegestaan en ervoor wordt gezorgd dat de bevoegde autoriteiten de keuze van in een andere lidstaat gevestigde bewaarders niet onnodig mogen beperken. Om onnodige regeldruk voor IBPV’s te voorkomen, kunnen de lidstaten echter bestaande bewaringsmaatregelen handhaven die een beschermingsniveau bieden dat vergelijkbaar is met dat van bewaarders.
Versnipperde en onvolledige informatie over opgebouwde en verwachte pensioenrechten maakt het voor deelnemers en pensioengerechtigden moeilijk om een duidelijk overzicht te krijgen van hun toekomstige pensioeninkomen, met name wanneer zij deelnemen aan verschillende aanvullende pensioenregelingen. Dat gebrek aan transparantie kan de betrokkenheid bij de pensioenplanning en het vertrouwen in het pensioenstelsel ondermijnen. Om ervoor te zorgen dat spaarders uitgebreide, betrouwbare en actuele informatie ontvangen, moeten de lidstaten IBPV’s verplichten data in een gestandaardiseerd en interoperabel formaat te verstrekken aan nationale pension tracking-systemen, indien dergelijke systemen bestaan. Dergelijke systemen moeten deelnemers en pensioengerechtigden in staat stellen op een samenhangende en vergelijkbare wijze toegang te krijgen tot informatie over hun opgebouwde rechten, opgebouwd kapitaal en verwachte uitkeringen, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat IBPV’s verantwoordelijk blijven voor de nauwkeurigheid en volledigheid van de doorgegeven data. Om dubbele rapportagevereisten voor IBPV’s te voorkomen, moeten de vorm en structuur van de informatie consistent zijn met de informatie in de pensioenoverzichten.
Het pensioenoverzicht is een essentieel instrument dat deelnemers en pensioengerechtigden in staat stelt inzicht te krijgen in hun pensioenrechten in de loop van de tijd en bij verschillende regelingen. Dit overzicht moet duidelijke, volledige en relevante informatie bevatten die deelnemers en pensioengerechtigden in staat stelt hun financiële situatie te beoordelen en alle nodige maatregelen te nemen om een toereikend pensioen te waarborgen. Momenteel leidt het ontbreken van een uniforme aanpak op het niveau van de lidstaten, in combinatie met het feit dat de meeste deelnemers tijdens hun loopbaan pensioenen opbouwen bij meerdere IBPV’s, tot pensioenoverzichten die qua vorm en presentatie variëren, hetgeen de vergelijkbaarheid en aggregatie beperkt. De huidige regels omvatten ook geen vereiste om informatie op te nemen over de kosten, de prestaties van de beleggingen of over beschikbare beleggingsopties en de bijbehorende risico’s. Om de transparantie te vergroten en geïnformeerde besluitvorming te ondersteunen, moeten vereisten worden ingevoerd voor het ontwerp van het pensioenoverzicht en voor het verstrekken van informatie over kosten, beleggingsrendement en beleggingsopties. Om dezelfde reden is het noodzakelijk te zorgen voor meer standaardisering en, waar mogelijk, afstemming op het PEPP-overzicht als bedoeld in artikel 36 van Verordening (EU) 2019/1238, rekening houdend met de kenmerken van toegezegdpensioen- of toegezegdebijdrageregelingen, en de specifieke kenmerken van bedrijfspensioenvoorzieningen.
Aanhoudende ondermaatse prestaties van IBPV’s kunnen de waarde van de opgebouwde rechten van deelnemers en pensioengerechtigden verminderen en het vertrouwen in aanvullende pensioenen ondermijnen. Overeenkomstig de uitvoeringsrichtsnoeren van de OESO-aanbeveling over de kernbeginselen voor de regulering van particuliere pensioenen moeten prestaties op vergelijkbare wijze openbaar worden gemaakt en worden beoordeeld aan de hand van duidelijke en objectieve benchmarks die het beleggingsbeleid weerspiegelen. Er bestaat momenteel geen geharmoniseerd kader om deelnemers en pensioengerechtigden te informeren over ondermaatse prestaties. Om dat aan te pakken, moeten IBPV’s worden verplicht hun bevoegde autoriteit onverwijld op de hoogte te stellen en bewijsstukken te verstrekken waaruit blijkt dat de kosten en lasten van de regeling gerechtvaardigd en evenredig zijn en dat de regeling in overeenstemming is met de risicotolerantie van haar deelnemers en pensioengerechtigden. Indien de bevoegde autoriteit niet tevreden is met een dergelijke onderbouwing of indien de ondermaatse prestaties gedurende ten minste drie jaar aanhouden, moeten IBPV’s deelnemers en pensioengerechtigden duidelijk informeren over die ondermaatse prestaties, de oorzaken ervan toelichten en aangeven welke maatregelen zij treffen om de situatie te verhelpen. De lidstaten moeten zorgen voor de vaststelling van objectieve benchmarks voor de beoordeling van ondermaatse prestaties.
Naarmate de levensverwachting stijgt, kunnen deelnemers en pensioengerechtigden geconfronteerd worden met een grotere behoefte om het langlevenrisico te beheren, en pensioenspaargelden moeten effectief worden beheerd om tijdens de afbouwfase een toereikend inkomen te bieden. Richtlijn (EU) 2016/2341 verplicht IBPV’s om algemene informatie te verstrekken tijdens de fase vóór pensionering en tijdens de uitbetalingsfase, maar specificeert niet welke soort informatie nodig is om deelnemers en pensioengerechtigden te ondersteunen bij het maken van weloverwogen keuzes tijdens de afbouw. Om de transparantie, vergelijkbaarheid en geïnformeerde besluitvorming te verbeteren, moeten IBPV’s daarom worden onderworpen aan minimale vereisten voor de verstrekking van informatie tijdens de afbouwfase. Deze verstrekte informatie moet duidelijk, toegankelijk en evenredig zijn, rekening houdend met specifieke nationale kenmerken, en moet betrekking hebben op uitbetalingsopties, bijbehorende kosten en lasten, toepasselijke belastingen, risico’s en projecties, ook voor variabele lijfrentes.
De verschuiving van toegezegdpensioenregelingen naar toegezegdebijdrageregelingen brengt een groter financieel risico voor deelnemers en pensioengerechtigden met zich mee, aangezien eerder gegarandeerde uitkeringen worden vervangen door variabele uitkeringen. Deelnemers en pensioengerechtigden worden vaak geconfronteerd met complexe keuzes met betrekking tot uitkeringen of beleggingen, en hun mogelijkheden om passende beslissingen te nemen kunnen worden aangetast door informatieasymmetrie, beperkte kennis of begrip, gedragsmatige biases of complexe en gebrekkige omgevingen waarin zij hun keuzes moeten maken. Als zij meerdere keuzes tegelijk moeten maken, wordt het voor deelnemers en pensioengerechtigden nog moeilijker om de mogelijke gevolgen van hun beslissingen te beoordelen. IBPV’s spelen een sleutelrol bij het waarborgen van de langetermijnbelangen van deelnemers en pensioengerechtigden door middel van een prudent beheer van activa en goede governance. Om het vertrouwen in het systeem te versterken en ervoor te zorgen dat beleggingsbeslissingen in overeenstemming blijven met de belangen van de deelnemers, moeten de fiduciaire verplichtingen met betrekking tot risicobeheersing en beleggingsbeleid worden aangescherpt. Om de bescherming te verbeteren en ervoor te zorgen dat pensioenregelingen resultaten opleveren die deelnemers en pensioengerechtigden redelijkerwijs mogen verwachten, moeten IBPV’s aan een algemene zorgplicht worden onderworpen. Die plicht moet instellingen ertoe verplichten eerlijk, billijk en professioneel te handelen in het belang van deelnemers en pensioengerechtigden, te streven naar toereikende, risicogewogen en kostenefficiënte rendementen op lange termijn, en handvatten en waarborgen te bieden ter ondersteuning van geïnformeerde en aangepaste besluitvorming, rekening houdend met de aard van de pensioenregeling, de risico’s die deelnemers en pensioengerechtigden dragen, de verantwoordelijkheden van de instelling en, in voorkomend geval, de rol van de sociale partners en bijdragende partijen.
Bedrijfspensioenen zijn langetermijnregelingen waar werknemers een beroep op doen om verzekerd te zijn van een toereikend pensioeninkomen. Deelnemers aan toegezegdebijdrageregelingen worden geconfronteerd met specifieke risico’s, waaronder pensioeninkomensrisico’s, beleggingsrisico’s, kosten en lasten, administratieve en governancerisico’s en kennislacunes. Om passende beleggingsstrategieën te ontwerpen en passende beleggingsopties aan te bieden die zijn afgestemd op de mogelijkheden van de deelnemers om verliezen te dragen en op hun voorkeuren wat betreft de verhouding tussen risico en rendement, spelen IBPV’s een centrale rol bij de beoordeling van deze risico’s vanuit het perspectief van deelnemers en pensioengerechtigden. Om geïnformeerde besluitvorming te ondersteunen en de belangen van de deelnemers te beschermen, moeten IBPV’s de risico’s op lange termijn beoordelen, relevante beleggingskeuzes bieden en essentiële informatie verstrekken, met inbegrip van alle kosten en lasten en projecties, rekening houdend met specifieke nationale kenmerken.
Om ervoor te zorgen dat deelnemers en pensioengerechtigden hun rechten doeltreffend kunnen uitoefenen en toegang hebben tot eerlijke en tijdige verhaalsmogelijkheden, moeten IBPV’s doeltreffende klachtenafhandelingsprocedures vaststellen en informatie verstrekken over beschikbare mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting. Om dezelfde reden moeten de lidstaten beschikken over adequate, onafhankelijke en onpartijdige organen voor alternatieve geschillenbeslechting – ook voor grensoverschrijdende gevallen – en ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteiten klachten over vermeende schendingen van Richtlijn (EU) 2016/2341 kunnen ontvangen en beantwoorden.
Verschillen in de bevoegdheden, instrumenten en praktijken waarover de bevoegde autoriteiten in de lidstaten beschikken, kunnen een doeltreffend toezicht op IBPV’s en het tijdig voorkomen of corrigeren van inbreuken in de weg staan. Zonder de bevoegdheid om de nodige informatie te verkrijgen, om naleving van de toepasselijke wet- en regelgeving te eisen, om de strategieën, processen en rapportageprocedures van IBPV’s te toetsen en te evalueren, of om sancties op te leggen, kan het zijn dat de bevoegde autoriteiten er niet voor kunnen zorgen dat IBPV’s voldoende financiële middelen aanhouden, voldoen aan de vereisten inzake governance en risicobeheersing, of ongunstige gebeurtenissen of veranderingen in de economische omstandigheden kunnen opvangen. Om die risico’s aan te pakken, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteiten over alle nodige bevoegdheden beschikken om deze informatie te verkrijgen, systematische en risicogebaseerde toetsingen en beoordelingen uit te voeren, de verslechterende financiële omstandigheden te monitoren, een regelmatige toezichtsdialoog aan te gaan, tijdig preventieve en corrigerende maatregelen te nemen en doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve sancties op te leggen.
IBPV’s verschillen aanzienlijk qua schaal, operationele efficiëntie en organisatiestructuur. Kleinere of gefragmenteerde IBPV’s kunnen moeilijkheden ondervinden bij het realiseren van schaalvoordelen, het effectief poolen van activa of het optimaliseren van de operationele en investeringsefficiëntie. Het vroegtijdig in kaart brengen van structurele uitdagingen en kwetsbaarheden is daarom van essentieel belang om ervoor te zorgen dat IBPV’s op lange termijn waarde kunnen realiseren voor hun deelnemers en pensioengerechtigden. Bevoegde autoriteiten spelen een belangrijke rol bij het bevorderen van strategische reflectie door IBPV’s over hun houdbaarheid op lange termijn, onder meer over aspecten zoals schaalgrootte, organisatorische configuratie en potentieel voor consolidatie of samenwerking, wanneer dit manieren zijn om vastgestelde tekortkomingen aan te pakken. De bevoegde autoriteiten moeten daarom regelmatig gestructureerde toezichtsdialogen voeren met IBPV’s, waarbij IBPV’s potentiële zwakke punten kunnen aangeven en strategische opties kunnen voorleggen, met inbegrip van maatregelen om de efficiëntie, schaalgrootte en het gedeeld gebruik van middelen te verbeteren, met behoud van de primaire verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat deelnemers en pensioengerechtigden toereikende pensioenuitkeringen ontvangen.
Zonder tijdige, volledige en vergelijkbare informatie zijn de bevoegde autoriteiten mogelijk niet in staat doeltreffend de naleving te beoordelen, risico’s te monitoren of preventieve en corrigerende maatregelen te nemen. Om dit probleem aan te pakken, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om van IBPV’s te verlangen dat zij alle informatie verstrekken die nodig is voor het toezicht, om inspecties ter plaatse uit te voeren en om gedetailleerde rapportage over kosten, lasten en beleggingsrendementen te verkrijgen.
De uitbesteding van sleutelfuncties of andere activiteiten door IBPV’s kan schaalvoordelen opleveren en waarde of lagere kosten opleveren voor deelnemers en pensioengerechtigden. Dit kan echter ook extra risico’s met zich meebrengen en doeltreffend toezicht belemmeren. Zonder toegang tot relevante informatie en bedrijfsruimten, en zonder medewerking van dienstverleners, zijn de bevoegde autoriteiten mogelijk niet in staat om uitbestede activiteiten te monitoren of naleving te waarborgen. Om deze risico’s tegen te gaan, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat IBPV’s de bevoegde autoriteiten toegang verlenen tot data en bedrijfsruimten van dienstverleners en – rechtstreeks of via daartoe gedelegeerde autoriteiten –inspecties ter plaatse uit te voeren. IBPV’s moeten ook hun volle medewerking verlenen aan toezicht. Om doeltreffend grensoverschrijdend toezicht op uitbestede taken te waarborgen, moet de Eiopa de bevoegde autoriteiten kunnen bijstaan bij gezamenlijke inspecties ter plaatse.
Transparante, vergelijkbare en gemakkelijk toegankelijke informatie over de totale jaarlijkse kosten, prestaties in het verleden en risicoprofielen van door IBPV’s beheerde pensioenregelingen is van essentieel belang voor deelnemers en pensioengerechtigden om weloverwogen beslissingen te nemen over hun pensioenspaargelden. Het verstrekken van deze informatie kan de efficiëntie, de kosteneffectiviteit en het potentieel om schaalvoordelen te behalen bevorderen, wat uiteindelijk ten goede komt aan deelnemers en pensioengerechtigden. Om de vergelijkbaarheid en toegankelijkheid te waarborgen, moeten de bevoegde autoriteiten die informatie publiceren op één openbare website voor alle relevante pensioenregelingen of beleggingsopties, waarbij deze informatie ten minste de voorgaande tien jaar bestrijkt.
Wanneer grensoverschrijdende activiteiten belangrijk zijn voor de markt van de lidstaat van ontvangst en nauwe samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst vereisen, met name wanneer een IBPV in financiële moeilijkheden zou kunnen komen en dat nadelig is voor de deelnemers en pensioengerechtigden, moet de Eiopa samenwerkingsplatformen kunnen opzetten en coördineren, op dezelfde wijze als in Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad 35 .
Verzekeringsondernemingen en verzekeringstussenpersonen kunnen ook bedrijfspensioenproducten distribueren. Om ervoor te zorgen dat alle aspirant-deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden gelijkwaardige informatie en bescherming ontvangen, moeten dergelijke ondernemingen en tussenpersonen onderworpen zijn aan regels met betrekking tot informatie die consistent zijn met de regels die van toepassing zijn op IBPV’s, met inbegrip van verplichtingen met betrekking tot de doorgifte van informatie aan pension tracking-systemen.
Om de doelstellingen van Richtlijn (EU) 2016/2341 en deze richtlijn te verwezenlijken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot bepaalde technische parameters in Richtlijn (EU) 2016/2341 die voortvloeien uit Richtlijn 79/267/EEG van de Raad en die sinds de invoering ervan ongewijzigd zijn gebleven, alsook met betrekking tot het pensioenoverzicht. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de bepalingen inzake de rapportage van beleggingsrendement, exclusief beleggingskosten, en alle kosten en lasten in verband met de activiteiten van de IBPV’s, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 180/2011 van het Europees Parlement en de Raad 36 .
De Richtlijnen (EU) 2016/97 en (EU) 2016/2341 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.
De wijzigingen van Richtlijn (EU) 2016/2341 met betrekking tot de vergunningverlening aan IBPV’s moeten de huidige registratie- of vergunningsregeling vervangen, zodat consistente toezichtnormen in de hele Unie worden gewaarborgd. Het zou echter te belastend zijn om alle IBPV’s te verplichten een nieuwe vergunning aan te vragen. IBPV’s die op grond van die richtlijn reeds over een registratie of vergunning beschikken zouden moeten krijgen. Daarom zouden de lidstaten IBPV’s die reeds op grond van die richtlijn zijn geregistreerd of waaraan reeds een vergunning is verleend, automatisch moeten erkennen.
Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor de toepassing van deze richtlijn. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat gegevensverwerking die in het kader van de toepassing van deze richtlijn wordt uitgevoerd volledig in overeenstemming is met Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad 37 , wanneer die richtlijn van toepassing is.
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2016/2341
Richtlijn (EU) 2016/2341 wordt als volgt gewijzigd:
De woorden “die [...] geregistreerd zijn of een vergunning hebben verkregen” worden in de hele richtlijn vervangen door “die [...] een vergunning hebben verkregen”;
De woorden “omvang, aard, schaal en complexiteit” worden in de hele richtlijn vervangen door “aard, schaal en complexiteit”;
de woorden “zowel hun omvang en interne organisatie, als de omvang, aard, de schaal en de complexiteit van hun werkzaamheden” worden in de hele richtlijn vervangen door “de aard, schaal en complexiteit van hun werkzaamheden”;
artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
in lid 1 wordt de tweede zin vervangen door:
“Wanneer IBPV’s naar nationaal recht zijn opgericht in een vorm waarin vergunninghoudende lichamen verantwoordelijk zijn voor het beheer ervan en in hun naam handelen, passen de lidstaten deze richtlijn toe op deze IBPV’s of, onverminderd lid 2, op die vergunninghoudende lichamen, of op beide, naargelang het geval.”;
het volgende lid 3 wordt toegevoegd:
“3. Indien overeenkomstig lid 1 vergunninghoudende lichamen verantwoordelijk zijn voor het beheer van IBPV’s en in hun naam handelen, zorgen de lidstaten ervoor dat de activa van de IBPV’s juridisch gescheiden zijn van die van de vergunninghoudende lichamen.
Voor de toepassing van de eerste alinea beletten de lidstaten, indien de in lid 2, punt b), bedoelde vergunninghoudende lichamen IBPV’s beheren en in hun naam handelen, dergelijke in een andere lidstaat gevestigde vergunninghoudende lichamen niet om die activiteiten uit te voeren.”;
de artikelen 3 en 4 worden vervangen door:
“Artikel 3
Toepassing op instellingen die socialezekerheidsregelingen uitvoeren
IBPV’s die ook pensioenregelingen uitvoeren die worden beschouwd als socialezekerheidsregelingen die vallen onder Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009, vallen onder deze richtlijn met betrekking tot hun werkzaamheden op het gebied van pensioenvoorziening die niet onder deze verordeningen vallen. In dat geval worden de passiva en de overeenkomstige activa afgescheiden en is het niet mogelijk om die passiva en overeenkomstige activa over te dragen aan de pensioenregelingen die worden beschouwd als socialezekerheidsregelingen, of omgekeerd.
Artikel 4
Facultatieve toepassing
De lidstaten kunnen sommige of alle bepalingen van deze richtlijn toepassen op op basis van kapitalisatie gefinancierde instellingen, ongeacht hun rechtsvorm, die als doel hebben pensioenuitkeringen te verstrekken:
die overeenkomstig artikel 2, lid 2, punten a) en d), van het toepassingsgebied van deze richtlijn zijn uitgesloten; of
die niet onder deze richtlijn of de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU en 2014/65/EU vallen.
In het geval van de in artikel 2, lid 2, punt a), bedoelde instellingen kunnen de lidstaten alleen besluiten over de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn voor zover die toepassing verenigbaar is met de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009.
Indien de in de eerste alinea bedoelde instellingen overeenkomstig het nationale recht worden beheerd door vergunninghoudende lichamen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van deze instellingen en in hun naam handelen, kunnen de lidstaten besluiten deze richtlijn toe te passen, hetzij op die instellingen, hetzij op de vergunninghoudende lichamen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van deze instellingen en in hun naam handelen, hetzij op beide, naargelang het geval.
De lidstaten kunnen alleen besluiten de artikelen 11 en 11 bis uit hoofde van dit artikel toe te passen indien alle bepalingen van deze richtlijn van toepassing zijn.
De lidstaten stellen de Commissie en de Eiopa in kennis wanneer zij gebruikmaken van de in de eerste en tweede alinea bedoelde opties, met vermelding van de soorten instellingen of, in voorkomend geval, vergunninghoudende lichamen die onder het gebruik van die opties vallen en de bepalingen van deze richtlijn die op hen van toepassing zijn.
De Commissie maakt die informatie openbaar.”;
artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
de titel wordt vervangen door:
“Kleine IBPV’s”;
de tweede alinea wordt geschrapt.
artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
in punt 1) worden de woorden “en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden verricht” vervangen door “en die werkzaamheden verricht die hier rechtstreeks uit voortvloeien en, wanneer het nationale recht dit toelaat, persoonlijkepensioenvoorziening;”;
punt 3) wordt vervangen door:
“bijdragende onderneming”: een onderneming of andere organisatie, ongeacht of deze een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die optreden als werkgever, beroepsorde of beroepsorganisatie, of zelfstandige dan wel een combinatie daarvan, omvat of hieruit bestaat, en die een pensioenregeling aanbiedt of bijdragen betaalt aan een IBPV;”;
punt 5) wordt vervangen door:
“deelnemer”: een persoon, niet zijnde een pensioengerechtigde noch een aspirant-deelnemer, die op grond van zijn vroegere of huidige beroepswerkzaamheden gerechtigd is of zal zijn pensioenuitkeringen te ontvangen overeenkomstig de bepalingen van een pensioenregeling, behalve dat voor de toepassing van de titels I, II, III, V en VI onder “deelnemer” ook persoonlijk-pensioenspaarder wordt verstaan wanneer persoonlijke pensioenvoorziening door IBPV’s krachtens het nationale recht is toegestaan;”;
de volgende punten 20, 21 en 22 worden toegevoegd:
“dienstverlener”: een onderneming waaraan een IBPV onder deze richtlijn vallende activiteiten heeft uitbesteed;
21. “persoonlijk pensioenproduct”: een persoonlijk pensioenproduct zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) 2019/1238 van het Europees Parlement en de Raad*;
22. “pension tracking-systeem”: een digitaal instrument, doorgaans een beveiligd webportaal of mobiele applicatie, dat personen een overzicht biedt van hun individuele opgebouwde pensioenrechten en projecties van toekomstige uitkeringen, voor alle pensioenregelingen waarvan de betrokkene deelnemer of pensioengerechtigde is.
__________
* Verordening (EU) 2019/1238 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1238/oj).”;
in artikel 7 wordt de tweede alinea vervangen door:
“Indien IBPV’s op grond van het nationale recht een vergunning hebben om persoonlijke pensioenproducten aan te bieden, worden alle activa en passiva die overeenstemmen met de activiteiten op het gebied van persoonlijke pensioenvoorziening afgescheiden, zonder enige mogelijkheid om die activa en passiva over te dragen naar de andere activiteiten op het gebied van pensioenvoorziening van de instelling.”;
het volgende artikel 8 bis wordt ingevoegd:
“Artikel 8 bis
Recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten
1. IBPV’s mogen in de hele Unie diensten verlenen overeenkomstig de artikelen 11 en 11 bis.
2. De lidstaten beletten IBPV’s niet om zich op hun grondgebied te vestigen.”;
artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
de titel wordt vervangen door:
“Vergunning”;
lid 1 wordt vervangen door:
“1. Met betrekking tot alle IBPV’s waarvan het hoofdbestuur op hun grondgebied gevestigd is, zorgen de lidstaten ervoor dat de IBPV van de bevoegde autoriteit een vergunning heeft verkregen en in een nationaal register is ingeschreven.
De vestiging van het hoofdbestuur is de plaats waar de voornaamste strategische beslissingen van een IBPV worden genomen.
De lidstaten schrijven voor dat bevoegde autoriteiten in het kader van de vergunningverlening aan IBPV’s een prudentiële beoordeling moeten uitvoeren. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de betrokken IBPV.
IBPV’s die een vergunning aanvragen, stellen voor al hun geplande activiteiten een bedrijfsplan op, waarin de beschikbare financiële middelen ter dekking van de huidige en toekomstige exploitatiekosten nader worden beschreven, en dienen dit bij de bevoegde autoriteit in. Het bedrijfsplan bevat projecties van ten minste drie jaar van de baten en lasten van de IBPV en een uitsplitsing van de operationele kosten van de IBPV, in voorkomend geval met inbegrip van de distributie- en afsluitkosten en alle andere elementen om de bevoegde autoriteiten bij te staan bij het beoordelen van de naleving van de operationele vereisten.
De daaropvolgende aanvaarding van een of meer bijdragende ondernemingen vereist niet dat de IBPV een nieuwe vergunningsprocedure ondergaat.”;
het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:
“1 bis. Een besluit tot weigering van een vergunning moet nauwkeurig met redenen zijn omkleed en aan de betrokken IBPV officieel ter kennis worden gebracht.
Onverminderd artikel 48, lid 9, voorziet elke lidstaat in een recht van beroep bij de rechter wanneer zijn bevoegde autoriteiten een vergunningsaanvraag niet binnen zes maanden na de datum van ontvangst ervan hebben behandeld.”;
het volgende artikel 9 bis wordt toegevoegd:
“Artikel 9 bis
IBPV’s met meerdere bijdragende ondernemingen
Lidstaten zorgen ervoor dat IBPV’s verschillende pensioenregelingen mogen uitvoeren, met inbegrip van regelingen die verschillen wat betreft beleggingsbeleid, en bijdragen van meerdere bijdragende ondernemingen binnen dezelfde pensioenregeling mogen aanvaarden.
De eerste alinea doet geen afbreuk aan een besluit van een lidstaat om voor te schrijven dat regelingen met meerdere bijdragende ondernemingen worden beheerd op grond van Richtlijn 2009/138/EG.”.
artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
in lid 1 wordt het volgende punt c) toegevoegd:
de IBPV beschikt over voldoende financiële middelen om de huidige en toekomstige exploitatiekosten te dekken.”;
het volgende lid 3 wordt toegevoegd:
“3. De Eiopa vaardigt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 richtsnoeren uit over de prudentiële beoordeling die moet worden uitgevoerd in het kader van de vergunningverlening aan IBPV’s, alsook over de vereisten van de titels II en III.”.
artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
lid 2 wordt geschrapt;
de leden 3 en 4 worden vervangen door:
“3. De lidstaten van herkomst zorgen ervoor dat een IBPV haar bevoegde autoriteit in kennis stelt van haar voornemen om grensoverschrijdende activiteiten uit te voeren.
De lidstaten verlangen van IBPV’s dat zij bij de kennisgeving de volgende informatie verstrekken:
de naam van de lidstaat (lidstaten) van ontvangst, die in voorkomend geval wordt opgegeven door de bijdragende onderneming(en);
de naam en de vestiging van het hoofdbestuur van de bijdragende onderneming(en);
de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling(en) die voor de bijdragende onderneming(en) zal (zullen) worden uitgevoerd.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat een bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst die overeenkomstig lid 3 in kennis is gesteld en die geen met redenen omkleed besluit heeft uitgevaardigd dat de administratieve structuur of de financiële positie van de IBPV, of de goede reputatie of de beroepskwalificaties of beroepservaring van de personen die de IBPV besturen, niet met de voorgenomen grensoverschrijdende activiteiten verenigbaar zijn, binnen twee maanden na ontvangst van die in lid 3 bedoelde informatie, mededeling doet van deze informatie aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst de ontvangst van die informatie onverwijld bevestigt. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de IBPV er schriftelijk van in kennis stelt dat de informatie door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst is ontvangen.
De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst het in de eerste alinea bedoelde met redenen omklede besluit neemt binnen een maand na ontvangst van alle in lid 3 bedoelde informatie.”;
de leden 6 en 7 worden vervangen door:
“6. IBPV’s die grensoverschrijdende activiteiten verrichten, zijn onderworpen aan de in titel IV bedoelde informatievereisten die door de lidstaat van ontvangst worden opgelegd ten aanzien van de aspirant-deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden waarop die grensoverschrijdende activiteit betrekking heeft, met uitzondering van het in artikel 38 bedoelde pensioenoverzicht, dat onderworpen is aan geharmoniseerde regels van de Unie overeenkomstig lid 6 van dat artikel.
7. Voordat de IBPV een grensoverschrijdende activiteit gaat verrichten, bereidt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst zich binnen een maand na ontvangst van de in lid 3 bedoelde informatie voor op het toezicht op de betrokken grensoverschrijdende activiteiten. Die voorbereiding heeft betrekking op de op het gebied van bedrijfspensioenregelingen relevante vereisten van sociaal recht en arbeidsrecht op grond waarvan de pensioenregeling waaraan een onderneming in de lidstaat van ontvangst bijdraagt, moet worden uitgevoerd, en op de in titel IV bedoelde voorschriften inzake informatieverstrekking van de lidstaat van ontvangst die van toepassing zijn op de grensoverschrijdende activiteit. Bovendien deelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst via de in artikel 59, leden 3 en 4, bedoelde middelen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de in artikel 59, lid 1, bedoelde wettelijke bepalingen mee die op haar grondgebied van toepassing zijn. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet de IBPV onmiddellijk mededeling van die informatie.”;
het volgende lid 9 bis wordt ingevoegd:
“9 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat alle procedures en formaliteiten met betrekking tot grensoverschrijdende activiteiten en procedures gemakkelijk elektronisch kunnen worden afgehandeld.”;
lid 10 wordt vervangen door:
“10. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst die redenen heeft om aan te nemen dat een IBPV die op haar grondgebied activiteiten verricht, niet voldoet aan de sociaal- en arbeidsrechtelijke voorschriften van de lidstaat van ontvangst op het gebied van bedrijfspensioenregelingen, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan onmiddellijk in kennis.
De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst neemt, in coördinatie met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de IBPV een einde maakt aan de vastgestelde inbreuk.”;
aan lid 11 worden de volgende alinea’s toegevoegd:
“De lidstaten zorgen ervoor dat de voor dergelijke maatregelen noodzakelijke kennisgevingen op hun grondgebied aan de IBPV’s kunnen worden betekend.
Voorts mag de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst of de lidstaat van ontvangst de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 naar de Eiopa doorverwijzen en om haar bijstand verzoeken. In dat geval kan de Eiopa handelen overeenkomstig de haar bij dat artikel toegekende bevoegdheden.”;
de volgende leden 12 en 13 worden toegevoegd:
“12. De leden 10 en 11 doen niet af aan de bevoegdheid van de lidstaten van ontvangst om passende en niet-discriminerende noodmaatregelen te treffen ter voorkoming of bestraffing van op hun grondgebied gepleegde onregelmatigheden, wanneer onmiddellijk optreden noodzakelijk is om de rechten van deelnemers en pensioengerechtigden te beschermen, zolang gelijkwaardige maatregelen van de lidstaten van herkomst ontoereikend zijn of niet voorhanden zijn. Die bevoegdheid omvat de mogelijkheid om te voorkomen dat IBPV’s, voor zover strikt noodzakelijk, voor de bijdragende onderneming in de lidstaat van ontvangst actief zijn.
13. Een op grond van de leden 10 tot en met 13 genomen maatregel die beperkingen van de activiteiten van IBPV’s inhoudt, moet met redenen worden omkleed en onverwijld ter kennis van de betrokken IBPV worden gebracht. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst die een dergelijke maatregel vaststelt, deelt de maatregel ook mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en, in het kader van lid 11, derde alinea, aan de Eiopa.”;
het volgende artikel 11 bis wordt ingevoegd:
“Artikel 11 bis
Wijzigingen in de verstrekte informatie
1. De lidstaten zorgen ervoor dat een IBPV in geval van een wijziging van de krachtens artikel 11, lid 3, punten b) of c), meegedeelde gegevens de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst ten minste één maand vóór de wijziging schriftelijk van de wijziging in kennis stelt, zodat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst aan hun respectieve verplichtingen uit hoofde van artikel 11 kunnen voldoen.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer deelnemers en pensioengerechtigden het beleggingsrisico volledig dragen, de kennisgeving van een of meer aanvullende bijdragende ondernemingen aan een eerder aangemelde pensioenregeling of van niet-wezenlijke wijzigingen van de kenmerken van die regeling onderworpen is aan een vereenvoudigde kennisgevingsprocedure.”;.
artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:
“2 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat de overdragende IBPV de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden en, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers tijdig en voordat de in lid 4 bedoelde aanvraag wordt ingediend, de informatie over de voorwaarden voor de overdracht ter beschikking stelt.”;
lid 3 wordt vervangen door:
“3. De grensoverschrijdende overdracht moet van tevoren worden goedgekeurd door:
een gewone meerderheid van de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, een gewone meerderheid van hun vertegenwoordigers; en
in voorkomend geval, de bijdragende onderneming.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), wordt de gewone meerderheid berekend op basis van de ontvangen antwoorden.
De lidstaten kunnen bepalen dat voor de goedkeuring van een overdracht een minimumdrempel voor deelname van maximaal 25 % van de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden wordt bereikt.”;
in lid 11 wordt de tweede alinea vervangen door:
“Indien de overdracht in een grensoverschrijdende activiteit resulteert, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende IBPV de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBPV ook in kennis van de op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke sociaal- en arbeidsrechtelijke bepalingen die gelden voor de uitvoering van de pensioenregeling, en van de in titel IV bedoelde voorschriften van de lidstaat van ontvangst inzake informatieverstrekking die op de grensoverschrijdende activiteit van toepassing zijn. Dit wordt binnen een termijn van nogmaals vier weken meegedeeld.”;
het volgende artikel 12 bis wordt ingevoegd:
“Artikel 12 bis
Binnenlandse overdrachten
De lidstaten zorgen ervoor dat tussen IBPV’s waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, overdrachten van alle of een deel van de passiva, technische voorzieningen en andere verplichtingen en rechten van een pensioenregeling, en de overeenkomstige activa of kasequivalenten daarvan, worden geregeld door eenvoudige en transparante procedures die de bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden en het behoud van een gedegen beheer van de betrokken pensioenregelingen waarborgen.
Dergelijke overdrachten worden vooraf goedgekeurd door de bevoegde autoriteit, die ten minste het volgende verifieert:
dat de ingediende informatie volledig en nauwkeurig is;
dat de administratieve structuur, de financiële positie en de goede reputatie of de beroepskwalificaties of beroepservaring van de personen die de betrokken IBPV daadwerkelijk besturen, met de voorgenomen overdracht verenigbaar zijn;
dat de langetermijnbelangen van deelnemers en pensioengerechtigden naar behoren worden beschermd;
dat de over te dragen activa toereikend en passend zijn om de daarmee verband houdende passiva, technische voorzieningen en andere verplichtingen en rechten te dekken.
Wanneer een lidstaat binnenlandse overdrachten afhankelijk stelt van de voorafgaande goedkeuring van de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden, is de goedkeuringsprocedure niet strenger dan de procedure van artikel 12, lid 3.”;
In artikel 13 worden de leden 1 en 2 vervangen door:
“1. De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat IBPV’s die pensioenregelingen uitvoeren, te allen tijde met betrekking tot het geheel van de door hen uitgevoerde bedrijfspensioenregelingen en, wanneer het nationale recht dit toelaat, de persoonlijke pensioenregelingen die via de IBPV’s worden gedistribueerd, een toereikend bedrag van de passiva vaststellen overeenkomend met de financiële verplichtingen die uit hun portefeuille van bestaande pensioenovereenkomsten voortvloeien.
2. De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat IBPV’s die pensioenregelingen uitvoeren en dekking bieden tegen biometrische risico’s of een garantie bieden met betrekking tot hetzij het beleggingsrendement, hetzij een bepaalde hoogte van de uitkeringen, toereikende technische voorzieningen vaststellen met betrekking tot het geheel van dergelijke regelingen.”;
artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
lid 2 wordt als volgt gewijzigd:
in de eerste alinea wordt de aanhef vervangen door:
“De lidstaten van herkomst zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten over de nodige bevoegdheden beschikken om een IBPV gedurende een beperkte periode toe te staan over onvoldoende activa te beschikken om de technische voorzieningen te dekken. In dat geval verplichten de bevoegde autoriteiten de IBPV een concreet en haalbaar herstelplan met een tijdschema aan te nemen om ervoor te zorgen dat opnieuw aan de vereisten van lid 1 wordt voldaan. Dat plan is aan de volgende voorwaarden onderworpen:”;
de volgende alinea wordt toegevoegd:
“De in de aanhef van de eerste alinea bedoelde beperkte termijn wordt bepaald door het nationale recht en bedraagt in geen geval meer dan tien jaar.”;
lid 3 wordt geschrapt;
artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
lid 1 wordt vervangen door:
“1. De lidstaten schrijven voor dat elke IBPV als bedoeld in artikel 15, lid 1, die op hun grondgebied een vergunning heeft verkregen, te allen tijde beschikt over een toereikende beschikbare solvabiliteitsmarge met betrekking tot het geheel van haar werkzaamheden, die ten minste gelijk is aan hetgeen in deze richtlijn als vereiste is gesteld, teneinde de houdbaarheid op lange termijn van bedrijfspensioenvoorzieningen en, wanneer het nationale recht dit toelaat, de persoonlijke pensioenregelingen te waarborgen.”;
in lid 4 wordt de tweede alinea vervangen door:
“Het in de eerste alinea, punt a), bedoelde bedrag mag echter niet groter zijn dan 3,5 % van de som van de verschillen tussen enerzijds de kapitalen voor levensverzekering, bedrijfspensioenvoorziening en, wanneer het nationale recht dit toelaat, de persoonlijke pensioenregelingen, en anderzijds de wiskundige voorzieningen voor alle overeenkomsten waarbij toepassing van de Zillmer-methode mogelijk is. Dit verschil wordt eventueel verminderd met het bedrag van de niet afgeschreven afsluitkosten die als een debetpost worden opgenomen.”;
aan artikel 17 wordt het volgende lid 7 toegevoegd:
“7. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 64 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in dit artikel en artikel 18 bedoelde getallen en percentages te wijzigen.”;
het volgende artikel 18 bis wordt ingevoegd:
“Artikel 18 bis
Interne stresstest
1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst schrijven voor dat IBPV’s die pensioenregelingen uitvoeren, waarbij de IBPV zelf – en niet de bijdragende onderneming – een dekking tegen biometrische risico’s verzekert of een bepaalde beleggingsprestatie of een bepaald niveau van uitkeringen garandeert, ten minste om de drie jaar een stresstest uitvoeren om te beoordelen of zij in staat zijn hun verplichtingen jegens de deelnemers en pensioengerechtigden na te komen, ook in scenario’s die ongunstige markt- en demografische ontwikkelingen inhouden.
Niettegenstaande de eerste alinea heeft de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de bevoegdheid om van een IBPV te verlangen dat zij de stresstest vaker uitvoert, ten minste wanneer uit de resultaten van de stresstests van voorgaande jaren blijkt dat het risico bestaat dat zij niet over voldoende en passende activa beschikt om de technische voorzieningen binnen de komende tien jaar te dekken.
De lidstaten kunnen de IBPV ook verplichten te beoordelen of haar verwachte beschikbare solvabiliteitsmarge groter is dan haar vereiste solvabiliteitsmarge of, in voorkomend geval, een hoger niveau van wettelijk eigen vermogen dat krachtens het nationale recht vereist is uit hoofde van artikel 15.
2. Voor de toepassing van lid 1 stellen IBPV’s voor de komende tien boekjaren vanaf de datum van de meest recente jaarrekening projecties op van de activa en passiva in elk van de volgende scenario’s:
een basisscenario waarbij de economische omstandigheden op de datum van de meest recente jaarrekening worden doorgezet;
een ongunstig scenario met een permanente relatieve daling van de rentevoeten met 40 % of een absolute daling van 0,75 procentpunten, indien dit een sterkere daling is, zonder dat de rentevoeten onder 0 % dalen of boven 3,5 % uitkomen;
een ongunstig scenario met een daling van het investeringsrendement op niet-afschrijfbare activa met 30 %;
een daling van de sterftecijfers van deelnemers en pensioengerechtigden van alle leeftijden met 10 %.
In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten van IBPV’s verlangen dat zij:
projecties opstellen voor meer dan tien boekjaren;
projecties opstellen met ongunstige scenario’s die nog slechter zijn dan de in de eerste alinea, punten b), c) of d), beschreven scenario’s;
projecties opstellen op basis van aanvullende stressscenario’s.
3. Indien uit de resultaten van de in lid 1 bedoelde stresstest blijkt dat een IBPV in een van de in lid 2 bedoelde scenario’s ofwel over onvoldoende activa zou beschikken om de technische voorzieningen te dekken, ofwel, in voorkomend geval, over onvoldoende beschikbare solvabiliteitsmarge zou beschikken om aan de vereiste solvabiliteitsmarge te voldoen, ofwel over een hoger niveau van wettelijk eigen vermogen dat op grond van artikel 15 voor een van de jaren in de prognose vereist is, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteit van de IBPV verlangt dat zij een convergentieplan indient.
In dat convergentieplan worden de maatregelen uiteengezet die de IBPV voornemens is te nemen om gedurende de projectiehorizon haar vermogen te herstellen om voldoende activa aan te houden om de technische voorzieningen te dekken, of, in voorkomend geval, een beschikbare solvabiliteitsmarge te hebben die hoger is dan de vereiste solvabiliteitsmarge, in alle in lid 2 bedoelde scenario’s.
De lidstaten zorgen ervoor dat de IBPV het convergentieplan binnen drie maanden na de datum van uitvoering van de stresstest bij de bevoegde autoriteit indient.
Indien binnen drie maanden geen convergentieplan wordt ingediend of indien het convergentieplan geen geloofwaardige maatregelen bevat om de vastgestelde onderfinanciering of, in voorkomend geval, het ontoereikende niveau van de beschikbare solvabiliteitsmarge uit de stresstest aan te pakken, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om van de IBPV te verlangen dat zij een hogere beschikbare solvabiliteitsmarge aanhoudt.
4. Lid 3 is niet van toepassing wanneer een IBPV op grond van artikel 14, lid 2, gedurende een beperkte periode over onvoldoende activa mag beschikken om de technische voorzieningen te dekken. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat het overeenkomstig artikel 14, lid 2, vastgestelde herstelplan het resultaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde stresstest weerspiegelt en, indien nodig, dienovereenkomstig wordt geactualiseerd, met name bij het bepalen van de maatregelen en de periode voor het herstel van de volledige financiering.
5. De lidstaten kunnen besluiten de leden 1 tot en met 3 niet toe te passen indien zij van op hun grondgebied gevestigde IBPV’s verlangen dat zij een wettelijk voorgeschreven eigen vermogen aanhouden dat hoger is dan de in artikel 17 bedoelde vereiste solvabiliteitsmarge, op voorwaarde dat dergelijke wettelijk voorgeschreven eigenvermogensvereisten risicogebaseerd zijn, ten minste met betrekking tot markt- en langlevenrisico’s.”;
artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:
lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
de aanhef wordt vervangen door:
“1. De lidstaten verplichten IBPV’s die op hun grondgebied over een vergunning beschikken om een beleggingsbeleid te voeren dat in overeenstemming is met het “prudent person”-beginsel en met name met de volgende voorschriften:”;
punt b) wordt vervangen door:
Krachtens het “prudent person”-beginsel houden IBPV’s in hun beleggingsbeslissingen rekening met duurzaamheidsrisico’s, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 22), van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad*, en houden IBPV’s daartoe rekening met het potentiële langetermijneffect van hun beleggingsstrategie en besluiten op duurzaamheidsfactoren, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 24), van Verordening (EU) 2019/2088. Dat gebeurt op evenredige wijze, rekening houdend met de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van IBPV’s.”;
punt d) wordt vervangen door:
de activa worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten of georganiseerde handelsfaciliteiten belegd;”;
de volgende leden 1 bis tot en met 1 quinquies worden ingevoegd:
“1 bis. De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s met betrekking tot de gehele activaportefeuille alleen beleggen in activa en instrumenten waarvan de betrokken IBPV in staat is de risico’s naar behoren te identificeren, te meten, te monitoren, te beheren, te beheersen en te rapporteren, en dat zij hiermee op passende wijze rekening houden bij de beoordeling van hun totale financieringsbehoeften en de beoordeling van de risico’s voor deelnemers en pensioengerechtigden in verband met de uitbetaling van hun pensioenuitkeringen overeenkomstig artikel 28.
1 ter. De lidstaten schrijven voor dat activa die worden aangehouden ter dekking van de technische voorzieningen, ook worden belegd op een wijze die passend is voor de aard en de duur van de door de IBPV aangegane verplichtingen.
1 quater. De lidstaten schrijven voor dat beleggingsbeslissingen van IBPV’s de duurzaamheidsvoorkeuren van deelnemers en pensioengerechtigden weerspiegelen, indien IBPV’s die voorkeuren van deelnemers kunnen meten en voor zover die voorkeuren in overeenstemming zijn met de in lid 1 beschreven beleggingsbeginselen.
1 quinquies. Voor de toepassing van lid 1 quater wordt onder “duurzaamheidsvoorkeuren” verstaan de keuze van een deelnemer, pensioengerechtigde of aspirant-deelnemer wat betreft de vraag of en, zo ja, in welke mate een of meer van de volgende financiële instrumenten in haar of zijn belegging moeten worden geïntegreerd:
een financieel instrument waarvoor de (potentiële) cliënt bepaalt dat een minimumpercentage daarvan moet worden belegd in ecologisch duurzame beleggingen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad**;
een financieel instrument waarvoor de (potentiële) cliënt bepaalt dat een minimumpercentage daarvan moet worden belegd in duurzame beleggingen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 17), van Verordening (EU) 2019/2088;
een financieel instrument dat rekening houdt met de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 24), van Verordening (EU) 2019/2088, waarbij de (potentiële) cliënt kwalitatieve of kwantitatieve elementen bepaalt waaruit blijkt dat daarmee wordt rekening gehouden.”;
lid 6 wordt vervangen door:
“Overeenkomstig de leden 1 tot en met 5 kunnen de lidstaten de bevoegde autoriteit, voor IBPV’s waaraan op hun grondgebied vergunning is verleend, de bevoegdheid verlenen nadere regels vast te stellen, mits deze prudentieel gerechtvaardigd zijn.
Dergelijke regels worden alleen toegepast wanneer het beleggingsrisico door de deelnemers en pensioengerechtigden wordt gedragen. In dergelijke gevallen wordt IBPV’s echter niet belet:
maximaal 70 % van de activa ter dekking van de technische voorzieningen of van de gehele portefeuille voor regelingen waarvan de deelnemers de beleggingsrisico’s dragen, te beleggen in aandelen, met aandelen gelijk te stellen verhandelbare effecten en bedrijfsobligaties die zijn toegelaten tot de handel op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten of georganiseerde handelsfaciliteiten, en te beslissen over het relatieve gewicht van die effecten in hun beleggingsportefeuille;
maximaal 30 % van hun activa die tegenover hun technische voorzieningen staan, te beleggen in activa in andere valuta’s dan die waarin de passiva luiden;
te beleggen in instrumenten die een beleggingshorizon op lange termijn hebben en niet op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten of georganiseerde handelsfaciliteiten worden verhandeld;
te beleggen in instrumenten die door de Europese Investeringsbank worden uitgeven of gegarandeerd in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen, Europese langetermijnbeleggingsfondsen, Europese sociaalondernemerschapsfondsen en Europese durfkapitaalfondsen.”;
de leden 7 en 8 worden geschrapt;
___________________________________________
* Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/2088/oj ).;
** Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/852/oj ).”.
artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:
lid 1 wordt vervangen door:
“1. De lidstaten schrijven voor dat alle IBPV’s moeten beschikken over een doeltreffend governancesysteem dat voor de gezonde en prudente bedrijfsvoering zorgt. Dat systeem moet ten minste beschikken over:
een adequate, transparante organisatiestructuur met een duidelijke verdeling en correcte scheiding van verantwoordelijkheden;
een doeltreffend systeem om de overdracht van informatie en het beheer van belangenconflicten te waarborgen.
Dat governancesysteem zorgt ervoor dat bij de beleggingsbeslissingen rekening wordt gehouden met ecologische, sociale en governancefactoren (ESG-factoren) met betrekking tot de belegde activa, en wordt periodiek intern getoetst.
Die interne toetsing beoordeelt de adequaatheid van de samenstelling, doeltreffendheid en interne governance van het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan, rekening houdend met de aard, schaal en complexiteit van de risico’s die inherent zijn aan de activiteiten van de IBPV.”;
de leden 3 en 4 worden vervangen door:
“3. De lidstaten zorgen ervoor dat IBPV’s schriftelijk vastgelegde beleidslijnen voor risicobeheersing, interne controle, interne audits, beloningen en, indien van toepassing, actuariële en uitbestede activiteiten vaststellen en toepassen, en dat deze beleidslijnen worden uitgevoerd. Deze schriftelijk vastgelegde beleidslijnen worden vooraf door het beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de IBPV goedgekeurd, worden ten minste om de drie jaar getoetst en worden aangepast als er zich een duidelijke wijziging in het betrokken systeem of op het betrokken gebied voordoet.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat IBPV’s beschikken over een doeltreffend systeem van interne controle. Dit systeem heeft administratieve en financiële verslagleggingsprocedures, een internecontrolekader en passende rapportageregelingen op alle niveaus van de IBPV, en ook een compliancefunctie.”;
het volgende lid 4 bis wordt toegevoegd:
“4 bis. In de compliancefunctie wordt aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan advies uitgebracht over de naleving van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in het kader van deze richtlijn worden vastgesteld. Ook worden daarin de mogelijke gevolgen van wijzigingen in het rechtskader voor de verrichtingen van de betrokken IBPV beoordeeld en compliancerisico’s vastgesteld en beoordeeld.”;
in lid 6 worden de tweede en de derde zin geschrapt;
de volgende leden 7 tot en met 10 worden toegevoegd:
“7. Indien er sprake is van een potentieel of feitelijk belangenconflict dat voortvloeit uit de relatie tussen de IBPV en een dienstverlener van de IBPV, schrijven de lidstaten voor dat de personen die de IBPV daadwerkelijk besturen, onafhankelijke besluiten nemen die uitsluitend in het belang zijn van de deelnemers en pensioengerechtigden.
8. De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s en, in voorkomend geval, hun respectieve benoemingscomités bij de selectie van leden van het leidinggevend of toezichthoudend orgaan een breed scala van kwaliteiten en competenties aanwenden, waarbij een evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen wordt gewaarborgd.
De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s en, in voorkomend geval, hun respectieve benoemingscomités een beleid voeren dat diversiteit en inclusie in het leidinggevend of toezichthoudend orgaan bevordert. In dat beleid wordt er, in voorkomend geval, rekening mee gehouden dat het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan vertegenwoordigers van de sociale partners omvat en het beleid wordt toegepast op een wijze die in verhouding staat tot de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de IBPV’s.
De lidstaten schrijven ook voor dat het beleid individuele kwantitatieve doelstellingen met betrekking tot genderevenwicht vaststelt op een wijze die in verhouding staat tot de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de IBPV’s. Dit streefcijfer houdt rekening met het aantal door de aan de IBPV bijdragende onderneming geselecteerde leden van het leidinggevend of toezichthoudend orgaan en is niet van toepassing op IBPV’s waarvan het aantal door de aan de IBPV bijdragende onderneming geselecteerde leden van het leidinggevend of toezichthoudend orgaan drie of minder bedraagt.
9. De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s het streefcijfer voor de genderevenwichtige vertegenwoordiging van het ondervertegenwoordigde geslacht in het leidinggevend of toezichthoudend orgaan, het beleid inzake het verhogen van het aantal vertegenwoordigers van het ondervertegenwoordigde geslacht in het leidinggevend of toezichthoudend orgaan en de uitvoering daarvan in de jaarverslagen openbaar moeten maken.
10. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over passende middelen, methoden en bevoegdheden om het governancesysteem van de IBPV’s te verifiëren en om zich openbarende risico’s te evalueren die door deze IBPV’s worden geconstateerd en die hun financiële soliditeit kunnen aantasten.
De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten over de nodige bevoegdheden beschikken om verbetering of versterking van het governancesysteem te kunnen eisen teneinde naleving van de in de artikelen 20 tot en met 32 neergelegde vereisten te waarborgen.”.
artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:
lid 1 wordt vervangen door:
“1. De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s erop toezien dat personen die de IBPV daadwerkelijk besturen, de bestuurlijke, beleidsbepalende of toezichthoudende organen, personen die sleutelfuncties vervullen en, in voorkomend geval, personen of entiteiten waaraan overeenkomstig artikel 31 een sleutelfunctie is uitbesteed, bij de uitvoering van hun taken aan de volgende vereisten voldoen:
deskundigheidsvereiste:
voor personen die de IBPV daadwerkelijk besturen, betekent dit dat hun kwalificaties, kennis en ervaring toereikend zijn om hen in staat te stellen een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de IBPV te waarborgen, met inbegrip van de kennis en competenties die hen in staat stellen de verschillende risiconiveaus aan te pakken waaraan deelnemers en pensioengerechtigden worden blootgesteld, afhankelijk van de aard van de regelingen waaraan zij deelnemen;
voor personen die de actuariële of interneauditsleutelfuncties vervullen, betekent dit dat hun beroepskwalificaties, -kennis en -ervaring toereikend zijn om hun sleutelfuncties naar behoren te vervullen;
voor personen die andere sleutelfuncties vervullen, betekent dit dat hun hun kwalificaties, kennis en ervaring toereikend zijn om hun sleutelfuncties naar behoren te vervullen;
voor de bestuurlijke, beleidsbepalende of toezichthoudende organen betekent dit dat de kwalificaties, kennis en ervaring van hun leden collectief toereikend zijn om hen in staat te stellen hun taken uit te voeren;
betrouwbaarheidsvereiste: zij hebben een goede naam en integriteit.”;
de volgende leden 1 bis en 1 ter worden ingevoegd:
“1 bis. De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s hun bevoegde autoriteiten in kennis moeten stellen van alle wijzigingen in de identiteit van de in lid 1 bedoelde personen, vergezeld van de redenen voor de wijzigingen en alle informatie die nodig is om te beoordelen of de nieuwe benoemde personen deskundig en betrouwbaar zijn.
1 ter. De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s hun bevoegde autoriteiten in kennis moeten stellen wanneer een van de in lid 1 bedoelde personen niet langer aan de vereisten van dat lid voldoet of om die reden is vervangen.”;
lid 2 wordt vervangen door:
“2. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten doorlopend kunnen beoordelen of de in lid 1 bedoelde personen aan de vereisten van lid 1 voldoen en of er feitelijke of potentiële belangenconflicten zijn en hoe deze worden voorkomen of beheerst.”;
het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:
“2 bis. Indien een persoon die de IBPV feitelijk bestuurt of een andere sleutelfunctie heeft, niet aan de vereisten van lid 1 voldoet, hebben de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid om van de IBPV te verlangen dat zij die persoon uit die positie ontheft.”;
in artikel 23, lid 3, worden de volgende punten h) en i) toegevoegd:
in het beloningsbeleid wordt gespecificeerd hoe de IBPV rekening houdt met de integratie van duurzaamheidsrisico’s, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 22), van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad, in het risicobeheersingssysteem;
het beloningsbeleid en de beloningspraktijken zijn objectief en niet-discriminerend en zijn gebaseerd op het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid voor vrouwen en mannen.”;
in artikel 25, lid 2, wordt de aanhef vervangen door:
“Het risicobeheersysteem bestrijkt, op een wijze die in verhouding staat tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de IBPV, de risico’s die zich ten minste op de volgende terreinen, voor zover van toepassing, kunnen voordoen in de IBPV’s of in de ondernemingen waaraan taken of werkzaamheden van een IBPV zijn uitbesteed:”;
artikel 26 wordt vervangen door:
“Artikel 26
Interneauditfunctie
1. De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s op een wijze die in verhouding staat tot de aard, schaal en complexiteit van hun werkzaamheden, in een doeltreffende interneauditfunctie voorzien.
In het kader van de interneauditfunctie wordt onder meer geëvalueerd of het internecontrolesysteem en andere onderdelen van het vastgelegde governancesysteem, in voorkomend geval met inbegrip van de uitbestede werkzaamheden, adequaat en doeltreffend zijn.
2. Bevindingen en aanbevelingen van de interne audit worden gerapporteerd aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan, dat besluit welke maatregelen moeten worden getroffen met betrekking tot elk van de bevindingen en aanbevelingen van de interne audit en ervoor zorgt dat deze maatregelen worden uitgevoerd.”;
artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:
aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:
“De lidstaten zorgen ervoor dat IBPV’s voor de beoordeling van het eigen risico een schriftelijk beleid vaststellen, dat de processen en procedures omvat voor het uitvoeren van de beoordeling, de frequentie van de beoordeling en de methoden.”;
lid 2 wordt als volgt gewijzigd:
de aanhef wordt vervangen door:
“De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde risicobeoordeling, rekening houdend met de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de IBPV, het volgende omvat:”;
de volgende punten i), j) en k) worden toegevoegd:
een beoordeling van de wijze waarop de risico’s waaraan de IBPV is of kan worden blootgesteld, zich verhouden tot de door het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de IBPV goedgekeurde risicotolerantiegrenzen;
de in artikel 44 ter, lid 2, bedoelde beoordeling;
een beoordeling van de schaalvoordelen en efficiëntieopties, met inbegrip van de deelname aan gebundelde beleggingsstructuren, gedeelde diensten of overdrachten, en van de gevolgen daarvan voor deelnemers en begunstigden.”;
de volgende alinea wordt toegevoegd:
“Voor de toepassing van de eerste alinea, punt i), schrijven de lidstaten voor dat wanneer deelnemers en pensioengerechtigden overeenkomstig de voorwaarden van de pensioenregeling de risico’s dragen, de risico’s en risicotolerantiegrenzen vanuit het oogpunt van deelnemers en pensioengerechtigden in aanmerking worden genomen, rekening houdend met hun vermogen en bereidheid om de risico’s te dragen.”.
Aan artikel 30 worden de volgende leden toegevoegd:
“De lidstaten schrijven voor dat in de verklaring voor elke pensioenregeling duidelijke beleggingsdoelstellingen worden vermeld die in overeenstemming zijn met de pensioeninkomensdoelstelling, de algemene prestatiedoelstellingen van de regeling en de middelen om de prestaties te monitoren. In de verklaring wordt ook aangegeven wanneer afwijkingen van de strategie voor de allocatie van activa en de prestatiedoelstellingen kunnen worden getolereerd en in welke mate. Het beleggingsbeleid omvat ook alle overkoepelende besluiten met betrekking tot de tactische allocatie van activa, de selectie van effecten en de uitvoering van transacties.
In de verklaring wordt ook vermeld of, waarom, in welke mate en hoe complexere activaklassen, met inbegrip van alternatieve activaklassen, zullen worden gebruikt, en wordt de passende mate van de blootstelling aan tegenpartijrisico gespecificeerd.
De lidstaten zorgen ervoor dat de IBPV procedures en criteria vaststelt om de doeltreffendheid van het beleggingsbeleid te toetsen en om te bepalen of het beleid, de uitvoeringsprocedures ervan of de besluitvormingsstructuur moeten worden gewijzigd.
De verklaring wordt vastgesteld door het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de IBPV. Indien een IBPV verschillende pensioenregelingen beheert, worden voor elke regeling afzonderlijke verklaringen over het beleggingsbeleid opgesteld.
De lidstaten zorgen ervoor dat, voor pensioenregelingen waarin deelnemers het recht hebben beleggingskeuzes te maken, de verklaring voorziet in een passend scala van beleggingsopties, met inbegrip van een standaardoptie, die opties indeelt op basis van de aard en de omvang van het beleggingsrisico dat de deelnemers dragen, en ervoor zorgt dat voldoende informatie beschikbaar wordt gesteld om geïnformeerde beleggingsbeslissingen mogelijk te maken.”;
artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:
lid 1 wordt vervangen door:
“1. De lidstaten staan toe of schrijven voor dat IBPV’s die op hun grondgebied een vergunning hebben verkregen, om het even welke activiteit, met inbegrip van sleutelfuncties en het beheer van deze IBPV’s geheel of ten dele toevertrouwen aan dienstverleners die handelen in naam van die IBPV’s, mits deze uitbestedingsregelingen in overeenstemming zijn met de leden 2 tot en met 7.”;
lid 5 wordt vervangen door:
“5. De lidstaten zorgen ervoor dat IBPV’s die sleutelfuncties, het beheer van deze IBPV’s of andere onder deze richtlijn vallende werkzaamheden uitbesteden, een juridisch afdwingbare schriftelijke overeenkomst sluiten met de dienstverlener. Een dergelijke overeenkomst bevat een uitsplitsing van de directe en indirecte kosten en een duidelijke omschrijving van de rechten en plichten van de IBPV en de dienstverlener. In geval van een potentieel belangenconflict met de dienstverlener documenteren en implementeren de IBPV’s procedures om belangenconflicten te voorkomen of te beheren.”;
lid 7 wordt geschrapt;
artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:
de leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:
“1. In het geval van een pensioenregeling waarbij deelnemers en pensioengerechtigden het beleggingsrisico volledig dragen, verlangt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst dat de IBPV één bewaarder per pensioenregeling aanwijst voor de bewaring van activa en oversighttaken overeenkomstig de artikelen 34 en 35 of, indien de IBPV zelf de activa aanhoudt overeenkomstig artikel 34, lid 2, verlangt zij dat de IBPV een trustee heeft die de oversighttaken overeenkomstig artikel 35 uitvoert en aan de bevoegde autoriteit wordt gemeld.
Voor de toepassing van de eerste alinea treedt de IBPV of, in voorkomend geval, het vergunninghoudende lichaam als bedoeld in artikel 2, punt 1), niet op als bewaarder voor dat stelsel.
2. De lidstaat van herkomst kan voorschrijven dat de IBPV voor pensioenregelingen waarbij de deelnemers en pensioengerechtigden niet het volledige beleggingsrisico dragen, een bewaarder per pensioenregeling moet aanstellen voor de bewaring van activa of de vervulling van oversighttaken overeenkomstig de artikelen 34 en 35.
3. Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, is hoofdstuk IV van Richtlijn 2009/65/EG van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing van de bewaarder.
De lidstaten beletten IBPV’s niet om in een andere lidstaat gevestigde bewaarders aan te wijzen.”;
artikel 34 wordt vervangen door:
“Artikel 34
Bewaring van activa en aansprakelijkheid van de bewaarder
1. Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, is hoofdstuk IV van Richtlijn 2009/65/EG van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van de taken van de bewaarders met betrekking tot de bewaring van activa en de aansprakelijkheid van bewaarders.
2. Wanneer voor de bewaring van activa geen bewaarder is aangesteld, wordt van IBPV’s ten minste het volgende verlangd:
zij zorgen ervoor dat financiële instrumenten te allen tijde aan passende zorg en bescherming onderworpen zijn;
zij houden records bij die de IBPV’s in staat stellen alle activa te allen tijde onmiddellijk te identificeren;
zij nemen de noodzakelijke maatregelen om belangenconflicten met betrekking tot de bewaring van activa te vermijden;
zij stellen de bevoegde autoriteiten, op hun verzoek, in kennis van de wijze waarop de activa worden bijgehouden.”;
in artikel 35 wordt lid 1 vervangen door:
“1. Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, is hoofdstuk IV van Richtlijn 2009/65/EG van overeenkomstige toepassing op de oversighttaken van de bewaarder.”;
het opschrift van titel IV wordt als volgt vervangen:
“TITEL IV
AAN ASPIRANT-DEELNEMERS, DEELNEMERS EN PENSIOENGERECHTIGDEN TE VERSTREKKEN INFORMATIE
EN GEDRAGSREGELS”;
artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:
lid 1 wordt vervangen door:
“1. Rekening houdend met de aard van de pensioenregeling dragen lidstaten er zorg voor dat elke IBPV die op hun grondgebied een vergunning heeft verkregen om bedrijfspensioenregelingen te verstrekken:
aspirant-deelnemers: ten minste de in artikel 41 bedoelde informatie verstrekt;
deelnemers: ten minste de in de artikelen 37 tot en met 40, 41 bis, 42 en 44 bedoelde informatie verstrekt; en
pensioengerechtigden: ten minste de in de artikelen 37, 41 bis, 43 en 44 bedoelde informatie verstrekt.
Indien IBPV’s op grond van het nationale recht over een vergunning beschikken zijn om persoonlijke pensioenproducten aan te bieden, zorgen de lidstaten ervoor dat elke IBPV waaraan op hun grondgebied een vergunning is verleend en die deze producten niet zijnde het pan-Europees persoonlijk pensioenproduct zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) 2019/1238 verstrekt, aan potentiële spaarders en persoonlijke pensioenspaarders en pensioengerechtigden informatie verschaft die duidelijk, eerlijk, niet misleidend en passend is voor de aard van het product, het distributiekanaal en de kenmerken van de spaarder of pensioengerechtigde. Die informatie waarborgt een niveau van transparantie en bescherming dat gelijkwaardig is aan het door het nationale recht vereiste niveau voor de distributie van persoonlijke pensioenproducten door andere entiteiten of instellingen, ten minste met betrekking tot de volgende elementen:
de identiteit, rechtsvorm en vergunningsstatus van de IBPV;
de belangrijkste kenmerken, kosten en risico’s van het aangeboden persoonlijke pensioenproduct;
het bestaan en de aard van verstrekte adviezen of aanbevelingen;
de aard van in verband met het product ontvangen vergoedingen;
de klachtenprocedures en rechtsmiddelen.
De lidstaten kunnen die vereisten aanpassen om rekening te houden met de specifieke kenmerken van IBPV’s en de diversiteit van de distributiekanalen voor persoonlijke pensioenen.”;
het volgende lid 4 wordt toegevoegd:
“4. De Eiopa vaardigt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 richtsnoeren uit over de informatie die overeenkomstig de artikelen 41, 42 en 43 moet worden verstrekt.”;
artikel 37, lid 1, punt g), wordt vervangen door:
indien de deelnemers een beleggingsrisico dragen of beleggingsbeslissingen kunnen nemen, informatie over de resultaten die de beleggingen van de pensioenregeling in het verleden hebben behaald over ten minste de afgelopen tien jaar, of alle jaren waarin de pensioenregeling is uitgevoerd indien dat minder dan tien jaar is;”;
het volgende artikel 37 bis wordt ingevoegd:
“Artikel 37 bis
Pension tracking-systemen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat, indien er pension tracking-systemen bestaan, de door de IBPV beheerde pensioenrechten hieronder vallen.
2. Voor de toepassing van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat IBPV’s aan pension tracking-systemen, indien dergelijke systemen zijn opgezet, alle informatie verstrekken die nodig is om deelnemers en pensioengerechtigden een volledig, betrouwbaar en actueel overzicht te geven van hun beroeps- en persoonlijke pensioenrechten, voor zover die rechten door de IBPV worden beheerd.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 2 bedoelde informatie in een gestandaardiseerd, machinaal leesbaar en interoperabel formaat wordt verstrekt, zodat de pension tracking-systemen data over opgebouwde rechten, opgebouwd kapitaal en verwachte uitkeringen op een samenhangende en vergelijkbare wijze kunnen aggregeren.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat de IBPV’s volledig verantwoordelijk blijven voor de volledigheid en nauwkeurigheid van de doorgegeven data en voor de nakoming van alle communicatieverplichtingen waarin dit artikel voorziet.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de naleving van dit artikel monitoren en handhaven en corrigerende maatregelen nemen wanneer de IBPV’s geen volledige, nauwkeurige of tijdige informatie verstrekken.
6. Het formaat en de structuur van de informatie die aan pension tracking-systemen moet worden doorgegeven, zijn in overeenstemming met het formaat en de structuur die zijn vastgesteld in de op grond van artikel 38 vastgestelde gedelegeerde verordening.”;
artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:
de leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:
“1. De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s voor elke deelnemer een beknopt document met essentiële informatie opstellen. Dat document bevat informatie over de mate van risico die de deelnemer draagt en houdt rekening met de specifieke aard van nationale pensioenregelingen en het toepasselijke nationale sociale, arbeids- en belastingrecht (“pensioenoverzicht”). De titel van het document bevat het woord “pensioenoverzicht”.
2. De precieze datum en periode waarop de informatie in het pensioenoverzicht betrekking heeft, wordt duidelijk zichtbaar vermeld.
3. De lidstaten schrijven voor dat de informatie in het pensioenoverzicht nauwkeurig en actueel is, in overeenstemming is met de gemaakte keuzes en volledig is. Om het begrip te vergemakkelijken, moet de gepresenteerde informatie gelaagd zijn en de beginselen van goed ontwerp volgen. Het pensioenoverzicht wordt ten minste eenmaal per jaar kosteloos op papier of elektronisch, onder meer op een duurzame drager of via een website, aan elke deelnemer ter beschikking gesteld, overeenkomstig de voorkeur van de deelnemer. Deze voorkeur wordt ten minste bij het begin van de deelname verkregen.”;
het volgende lid 6 wordt toegevoegd:
“6. Het formaat en de structuur van het pensioenoverzicht worden aan deelnemers en pensioengerechtigden verstrekt in een op EU-niveau gestandaardiseerd formaat, waarbij ook rekening wordt gehouden met de kenmerken van verschillende soorten pensioenregelingen.
De Eiopa ontwikkelt, na het uitvoeren van consumenten- en sectortests, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de presentatie van de in de artikelen 38 tot en met 40 bedoelde informatie. Met betrekking tot de presentatie van de in artikel 39, lid 1, punt i), bedoelde informatie over in het verleden behaalde resultaten houdt de Eiopa bij het opstellen van die technische reguleringsnormen rekening met de kenmerken van verschillende soorten regelingen, met name indien deelnemers en pensioengerechtigden een beleggingsrisico dragen of indien de beleggingsstrategie leeftijdsafhankelijk is of als er sprake is van afstemming van de looptijden van activa en passiva.
Om dubbele rapportagevereisten tot een minimum te beperken, zorgt de Eiopa bij de ontwikkeling van de ontwerpen van reguleringsnormen zoveel mogelijk voor afstemming op Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/473 van de Commissie*, en streeft zij ernaar de opname van de informatie van het pensioenoverzicht in pension tracking-systemen te vergemakkelijken en de bruikbaarheid voor deelnemers en pensioengerechtigden te waarborgen.
De Eiopa dient die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk [PO = please insert date 18 months after the date of entry into force] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om deze richtlijn aan te vullen door de in de derde alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.
_____________________________________________
* Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/473 van de Commissie van 18 december 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/1238 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de vereisten voor informatiedocumenten, voor de in het kostenplafond begrepen kosten en vergoedingen, en voor risicolimiteringstechnieken voor het pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PB L 99 van 22.3.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2021/473/oj ).”;
in artikel 39 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:
het volgende punt b bis) wordt ingevoegd:
“b bis) de lidstaat waar aan de IBPV een vergunning is verleend en de namen van de bevoegde autoriteiten van die lidstaat;”;
punt d) wordt vervangen door:
informatie over de op basis van de in punt a) vermelde pensioenleeftijd pensioenprojecties, met een waarschuwing dat die projecties kunnen verschillen van de definitieve waarde van de ontvangen uitkeringen, met inbegrip van, in voorkomend geval, dat de pensioenuitkering variabel kan zijn;”;
punt g) wordt vervangen door:
indien deelnemers een beleggingsrisico dragen of beleggingsbeslissingen kunnen nemen, informatie over de opgelegde kosten en de gevolgen daarvan, met inbegrip van:
een uitsplitsing van alle kosten die direct of indirect zijn gemaakt door deelnemers en pensioengerechtigden in de voorafgaande twaalf maanden en op samengestelde basis sinds de deelnemer tot de betrokken regeling is toegetreden, met vermelding van ten minste de administratiekosten, de kosten voor de bewaring van de activa en de investeringskosten die zijn gemaakt in verband met het beheer van activa en portefeuilletransacties;
een raming van het effect van de kosten op het opgebouwde eindkapitaal;”;
de volgende punten i) en j) worden toegevoegd:
indien deelnemers een beleggingsrisico dragen: informatie over de in het verleden behaalde resultaten van de pensioenregeling of, in voorkomend geval, de gemaakte beleggingsselectie, met betrekking tot de prestaties gedurende een periode van ten minste tien jaar of, in gevallen waarin de regeling of de desbetreffende beleggingsoptie minder dan tien jaar is aangeboden, met betrekking tot alle jaren waarvoor de pensioenregeling of de desbetreffende beleggingsoptie is aangeboden;”;
indien deelnemers een beleggingsrisico dragen en kunnen kiezen tussen beleggingsopties, een korte indicatie van de geselecteerde beleggingen, met inbegrip van het aantal geselecteerde opties, het aandeel van de in elke optie belegde activa en een beknopte indicatie van het risiconiveau van de gemaakte selectie.”;
de volgende alinea’s worden toegevoegd:
“Voor de toepassing van punt d) omvat die informatie, indien de pensioenprojecties op economische scenario’s zijn gebaseerd, ten minste een scenario met de beste schatting, een gunstig scenario en een ongunstig scenario. De geraamde toekomstige waarde van pensioenuitkeringen wordt in reële termen weergegeven, samen met een korte beschrijving.
Voor de toepassing van punt g), ii), worden de kosten ten minste in geld uitgedrukt en uitgedrukt als een percentage van de bijdragen over respectievelijk de voorgaande twaalf maanden en sinds de deelnemer tot de regeling is toegetreden.
Voor de toepassing van punt i), gaat de informatie over de in het verleden behaalde resultaten vergezeld van de mededeling “in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst”.”;
in artikel 40, lid 1, wordt punt c) vervangen door:
informatie over de aannamen die voor de projecties van de pensioenuitkering worden gebruikt, en, in voorkomend geval, informatie over de gehanteerde aannamen voor in annuïteiten uitgedrukte bedragen, met name over het percentage van de annuïteit, de soort aanbieder en de duur van de annuïteit;”;
artikel 41 wordt als volgt gewijzigd:
in lid 1 wordt punt a) vervangen door:
relevante opties waarover zij beschikken, met inbegrip van beleggingsopties, en de bijbehorende risico’s;”;
lid 2 wordt vervangen door:
“2. Aan aspirant-deelnemers wordt de in de leden 1 en 3 bedoelde informatie verstrekt, die bestaat uit:
informatie over de resultaten die de beleggingen van de pensioenregeling in het verleden hebben behaald over ten minste de afgelopen tien jaar, of alle jaren gedurende welke de pensioenregeling is uitgevoerd indien dat minder dan tien jaar is;
informatie over alle directe en indirecte kosten die deelnemers en begunstigden in de afgelopen twaalf maanden hebben gedragen, met inbegrip van de kosten van elke beleggingsoptie afzonderlijk, ten minste in geld uitgedrukt, en een raming van het effect van de kosten op het opgebouwde eindkapitaal;
informatie over de beleggingsopties waarover zij beschikken en de bijbehorende risico’s.”;
in lid 3 wordt punt a) vervangen door:
relevante opties waarover zij beschikken, met inbegrip van beleggingsopties, en de bijbehorende risico’s en kosten;”;
het volgende artikel 41 bis wordt ingevoegd:
“Artikel 41 bis
Aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken informatie in geval van ondermaatse
prestaties
1. De lidstaten zorgen ervoor dat IBPV’s hun prestaties regelmatig toetsen aan benchmarks die hun bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 4 heeft vastgesteld. De lidstaten zorgen ervoor dat een IBPV die vaststelt dat haar prestaties wezenlijk afwijken van de toepasselijke benchmark, haar bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis stelt en bewijsstukken indient die aantonen dat de kosten en lasten van de regeling gerechtvaardigd en evenredig zijn en dat de regeling in overeenstemming is met de risicotolerantie van de deelnemers en pensioengerechtigden.
Indien de bevoegde autoriteit concludeert dat de bewijsstukken dat de kosten en lasten van de regeling niet gerechtvaardigd en evenredig zijn of dat de regeling niet in overeenstemming is met de risicotolerantie van haar deelnemers en pensioengerechtigden, of indien de ondermaatse prestaties gedurende ten minste drie jaar aanhouden, zorgen de lidstaten ervoor dat de IBPV haar deelnemers en pensioengerechtigden onverwijld op duidelijke, eerlijke en begrijpelijke wijze van die situatie in kennis stelt.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1, tweede alinea, bedoelde informatie deelnemers en pensioengerechtigden in staat stelt te begrijpen hoe de regeling presteert ten opzichte van vergelijkbare IBPV’s. De lidstaten zorgen ervoor dat in de verstrekte informatie op eenvoudige wijze de redenen voor de ondermaatse prestaties worden toegelicht, hoe de kosten en lasten evenredig en gerechtvaardigd zijn, en welke maatregelen worden genomen om de resultaten te verbeteren en de waarde van de opgebouwde rechten van de deelnemers te beschermen. De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie gemakkelijk toegankelijk blijft totdat de IBPV een duurzame verbetering laat zien.
3. De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s ervoor zorgen dat de in lid 1, tweede alinea, bedoelde informatie beschikbaar wordt gesteld via dezelfde kanalen die gewoonlijk worden gebruikt voor het verstrekken van het pensioenoverzicht en andere periodieke mededelingen, en dat deelnemers en pensioengerechtigden worden geïnformeerd over de wijze waarop zij desgewenst nadere bijzonderheden kunnen verkrijgen.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteit duidelijke, objectieve en transparante benchmarks ontwikkelt voor de beoordeling van ondermaatse prestaties, onder meer met betrekking tot administratieve, beleggings- en transactiekosten, bruto- en netto-investeringsrendementen en financieringsresultaten over bepaalde perioden.
5. Voor de toepassing van dit artikel stelt de Eiopa overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 richtsnoeren vast inzake methoden voor het vaststellen van ondermaatse prestaties in de lidstaten.”;
artikel 42 wordt vervangen door:
“Artikel 42
Tijdens de fase vóór de pensionering aan deelnemers te verstrekken informatie
Naast het pensioenoverzicht verstrekken de IBPV’s elke deelnemer tijdig vóór de in artikel 39, lid 1, punt a), gespecificeerde pensioenleeftijd of op verzoek van de deelnemer informatie over de aanstaande start van de uitbetalingsfase en de beschikbare uitkeringsopties bij het opnemen van hun pensioenuitkeringen, met inbegrip van de aan elke optie verbonden kosten en lasten en de toepasselijke fiscale behandeling.
De lidstaten zorgen ervoor dat de in de eerste alinea bedoelde informatie vergezeld gaat van een beknopt toelichtend pakket dat alle volgende informatie bevat:
de belangrijkste kenmerken, implicaties en mogelijke effecten van elke beschikbare uitkeringsoptie voor de deelnemer en, in voorkomend geval, voor de pensioengerechtigden;
de risico’s en factoren die een negatieve invloed kunnen hebben op de hoogte, de stabiliteit of de duur van het pensioeninkomen;
de omstandigheden en criteria waarmee deelnemers rekening moeten houden bij de beoordeling van de geschiktheid van de verschillende uitkeringsopties voor hun individuele situatie.
De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een van de door de IBPV aangeboden uitkeringsopties een variabele lijfrente is, de IBPV elke deelnemer tijdig vóór de in artikel 39, lid 1, punt a), gespecificeerde pensioenleeftijd projecties verstrekt ter illustratie van de mogelijke variatie in het bedrag van de uitkering in de loop van de tijd.”;
artikel 43 wordt als volgt gewijzigd:
lid 1 wordt vervangen door:
“1. De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s pensioengerechtigden jaarlijks informatie verstrekken over de verschuldigde uitkeringen, de overeenkomstige uitbetalingsopties, en een uitsplitsing van alle gemaakte kosten en informatie over de prestaties in het verleden als bedoeld in artikel 39, punten g) en i).
In de informatie worden de belangrijkste factoren beschreven die van invloed kunnen zijn op de hoogte of de duur van het pensioeninkomen, met inbegrip van beleggings- en levensverwachtingsrisico’s, en wordt, in voorkomend geval, het recht vermeld om de uitbetalingsoptie te wijzigen.”;
lid 3 wordt vervangen door:
“3. Indien pensioengerechtigden tijdens de uitbetalingsfase bijdragen blijven maken of een beleggingsrisico blijven dragen, zorgen de lidstaten ervoor dat IBPV’s het pensioenoverzicht blijven verstrekken, dat ook de in lid 1 bedoelde informatie bevat.”;
aan titel IV wordt het volgende hoofdstuk toegevoegd:
“HOOFDSTUK 4
Gedragsregels
Artikel 44 bis
Zorgplicht
1. De lidstaten zorgen er, rekening houdend met de aard van de pensioenregeling, voor dat elke IBPV waaraan op hun grondgebied vergunning is verleend, altijd eerlijk, billijk en professioneel en in het belang is van haar deelnemers en pensioengerechtigden handelt. Die belangen omvatten de doelstelling om op lange termijn een toereikend, risicogecorrigeerd en kostenefficiënt rendement te bieden, in overeenstemming met het langetermijnkarakter van pensioenverplichtingen.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat IBPV’s waarborgen invoeren, met inbegrip van richtsnoeren om aspirant-deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden te ondersteunen wanneer zij beslissingen nemen over de opties waarover zij beschikken, en hen informeren over de mogelijke gevolgen van hun besluiten.
Artikel 44 ter
Passende structuur en uitvoering van de pensioenregelingen
1. Onverminderd het nationale sociale en arbeidsrecht op het gebied van de organisatie van de nationale pensioenstelsels, waaronder verplichte deelneming en het resultaat van collectieve arbeidsovereenkomsten, schrijven de lidstaten voor dat:
de IBPV’s ervoor zorgen dat de structuur, het ontwerp en de uitvoering van pensioenregelingen passend zijn in het licht van de vastgestelde behoeften, kenmerken en risicoprofielen van de deelnemers en pensioengerechtigden, op een wijze die in verhouding staat tot de aard, schaal en complexiteit van de regeling;
de IBPV’s regelmatig de structuur, het ontwerp en de uitvoering van de pensioenregeling toetsen en deze zo nodig aanpassen, rekening houdend met wezenlijke ontwikkelingen, om ervoor te zorgen dat de regeling passend blijft en aansluit bij de behoeften, kenmerken en het risicoprofiel van deelnemers en pensioengerechtigden, op een wijze die in verhouding staat tot de aard, schaal en complexiteit van de regeling.
De IBPV documenteert de beoordeling of de structuur, het ontwerp en de uitvoering van pensioenregelingen passend zijn als bedoeld in de eerste alinea, punt a).
2. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer deelnemers een beleggingsrisico dragen, IBPV’s het langetermijnrisico beoordelen vanuit het oogpunt van de deelnemers en pensioengerechtigden, met inbegrip van:
de bepaling van de risicotolerantie van de deelnemers en pensioengerechtigden die risico’s dragen;
de invoering van het gebruik van pensioenprojecties in de risicobeoordeling vanuit het perspectief van de deelnemers en pensioengerechtigden;
indien de IBPV meerdere beleggingsopties aanbiedt, de periodieke toetsing van de geschiktheid van de beleggingsopties voor de deelnemers overeenkomstig hun risicotolerantie, en indien er een standaardoptie is, de toetsing van de geschiktheid van die standaardoptie;
indien IBPV’s niet meerdere beleggingsopties aanbieden, de periodieke toetsing van de beleggingsstrategie om rekening te houden met de risicobeoordeling op lange termijn vanuit het perspectief van de deelnemers en pensioengerechtigden.
Artikel 44 quater
Klachten
1. De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s doeltreffende procedures en regelingen moeten invoeren en toepassen die geschikt zijn voor de afhandeling van door deelnemers en pensioengerechtigden ingediende klachten over hun in deze richtlijn vastgelegde rechten en plichten.
2. De in lid 1 bedoelde procedures en regelingen zijn beschikbaar in de officiële talen van de betrokken lidstaat of in een andere taal die door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat wordt aanvaard of die is overeengekomen tussen de IBPV en haar deelnemers en pensioengerechtigden.
3. De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s elektronisch of op een andere duurzame drager moeten reageren op de klachten van deelnemers en pensioengerechtigden. In het antwoord worden alle aan de orde gestelde punten binnen maximaal veertig werkdagen behandeld.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat IBPV’s deelnemers en pensioengerechtigden die een klacht indienen, informeren over ten minste één orgaan voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting dat bevoegd is voor de behandeling van geschillen over de in deze richtlijn vastgestelde rechten en plichten van deelnemers en pensioengerechtigden.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie over de in lid 1 bedoelde procedures kosteloos beschikbaar is voor deelnemers en pensioengerechtigden, op een duidelijke, volledige en gemakkelijk toegankelijke wijze via elektronische middelen, onder meer op een duurzame drager of via een website, of op papier. Die informatie geeft aan hoe er verdere informatie over het betrokken orgaan voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting en over de voorwaarden voor de inschakeling ervan kan worden verkregen.
6. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten procedures opzetten die deelnemers, pensioengerechtigden en andere belanghebbenden, met inbegrip van consumentenverenigingen, in staat stellen bij de bevoegde autoriteiten klachten in te dienen met betrekking tot vermeende inbreuken op deze richtlijn door IBPV’s. De lidstaten zorgen ervoor dat indieners van klachten in alle gevallen een antwoord ontvangen.
7. Lidstaten zorgen ervoor dat bij gevallen die meer dan één lidstaat betreffen, de indiener van de klacht ervoor kiezen zijn klacht in te dienen bij de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat van verblijf, ongeacht waar de inbreuk heeft plaatsgevonden.
Artikel 44 quinquies
Buitengerechtelijke geschillenbeslechting
1. De lidstaten stellen adequate, onafhankelijke, onpartijdige, transparante en doeltreffende procedures voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting in voor de beslechting van geschillen tussen IBPV’s en hun deelnemers en pensioengerechtigden met betrekking tot de in deze richtlijn vastgestelde rechten en verplichtingen. In voorkomend geval worden deze procedures toegepast door bestaande bevoegde instanties. De lidstaten zorgen er voor dat dergelijke procedures van toepassing zijn op, en dat de bevoegdheid van de relevante organen daadwerkelijk reikt tot, IBPV’s tegen wie procedures worden ingesteld.
2. De in lid 1 bedoelde organen werken doeltreffend samen bij de afhandeling van grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot uit deze verordening voortvloeiende rechten en plichten.”;
het opschrift van titel V wordt als volgt vervangen:
“TITEL V
TOEZICHT”
In titel V wordt het opschrift van hoofdstuk 1 vervangen door:
“HOOFDSTUK 1
Algemene regels betreffende toezicht”
artikel 45 wordt vervangen door:
“Artikel 45
Bevoegdheden, middelen en hoofddoelstelling van het toezicht door de bevoegde autoriteiten
De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten over alle middelen en bevoegdheden beschikken die nodig zijn voor de uitvoering van hun taken uit hoofde van deze richtlijn, en over de relevante deskundigheid, capaciteit en het relevante mandaat beschikken om de hoofddoelstelling van het toezicht te verwezenlijken, namelijk de bescherming van de rechten van deelnemers en pensioengerechtigden en het waarborgen van de stabiliteit en soliditeit van IBPV’s.”;
het volgende artikel 45 bis wordt ingevoegd:
“Artikel 45 bis
Bevoegde autoriteiten
1. De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die gemachtigd zijn te zorgen voor de uitvoering van deze richtlijn. De lidstaten stellen de Commissie van deze aanwijzing en van de eventuele taakverdeling in kennis.
2. Elke lidstaat zorgt ervoor dat, indien meer dan één autoriteit op zijn grondgebied bevoegd is, een nauwe samenwerking wordt bevorderd zodat de autoriteiten zich doeltreffend van hun respectieve taken kunnen kwijten.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over voldoende gekwalificeerd personeel en middelen beschikken die nodig zijn voor de doeltreffende uitvoering van hun taken.”;
artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:
de titel wordt vervangen door:
“Toepassingsgebied van het toezicht”;
de aanhef wordt vervangen door:
“De lidstaten zorgen ervoor dat IBPV’s onder prudentieel toezicht staan, met inbegrip van het toezicht op het volgende, indien van toepassing:”;
de volgende tweede alinea wordt toegevoegd:
“De lidstaten zien ook toe op de naleving van alle andere bepalingen van deze richtlijn.”;
artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:
de titel wordt vervangen door:
“Algemene beginselen van het toezicht”;
in lid 2 wordt de volgende zin toegevoegd:
“Daarbij wordt doorlopend getoetst of de IBPV’s naar behoren werken en of de IBPV’s aan de toezichtvoorschriften voldoen.”;
lid 4 wordt vervangen door:
“4. De toezichtbevoegdheden hebben betrekking op de gehele pensioenvoorziening van de IBPV, met inbegrip van, indien IBPV’s op grond van het nationale recht persoonlijke pensioenproducten mogen aanbieden, hun persoonlijke pensioenvoorziening. De lidstaten zorgen ervoor dat deze bevoegdheden worden uitgeoefend op een wijze die tijdig is en in verhouding staat tot de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de IBPV.”;
het volgende lid 6 wordt toegevoegd:
“6. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de marktontwikkelingen met betrekking tot de schaal van IBPV’s monitoren.”;
artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:
de volgende leden 1 bis en 1 ter worden ingevoegd:
“1 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om alle informatie op te vragen die nodig is om overeenkomstig artikel 50 toezicht uit te oefenen.
1 ter. De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten hun toezichtbevoegdheden tijdig en op evenredige wijze uitoefenen.”;
lid 2 wordt vervangen door:
“2. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om:
preventieve en corrigerende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat IBPV’s voldoen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waaraan zij in elke lidstaat moeten voldoen;
alle nodige maatregelen te treffen, waaronder zo nodig ook maatregelen van administratieve of financiële aard, ten aanzien van IBPV’s en de leden van hun bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan.
Onverminderd de toezichtbevoegdheden van de bevoegde autoriteiten en het recht van de lidstaten om strafrechtelijke sancties vast te stellen en op te leggen, zorgen de lidstaten ervoor dat hun bevoegde autoriteiten bestuursrechtelijke sancties en andere maatregelen kunnen opleggen met betrekking tot alle schendingen van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, en nemen zij alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden opgelegd en maatregelen worden uitgevoerd. De lidstaten zorgen ervoor dat hun bestuursrechtelijke sancties en andere maatregelen doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”;
artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:
lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
de eerste alinea wordt vervangen door:
“De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de strategieën, processen en rapportageprocedures toetsen en evalueren die IBPV’s hebben vastgesteld om te voldoen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn vastgesteld, rekening houdend met de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de IBPV.”;
de volgende alinea wordt toegevoegd:
“Bij de in de tweede alinea, punten b) en c), bedoelde beoordelingen wordt rekening gehouden met het risico dat de IBPV niet over voldoende financiële middelen beschikt om haar huidige en toekomstige exploitatiekosten te dekken.”;
de volgende leden 1 bis en 1 ter worden ingevoegd:
“1 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten met name de naleving van alle in artikel 46 bedoelde elementen toetsen en evalueren.
1 ter. Als onderdeel van het toetsingsproces voeren de bevoegde autoriteit en elke IBPV ten minste om de drie jaar een periodieke toezichtsdialoog.”;
lid 2 wordt vervangen door:
“2. De lidstaten zorgen ervoor dat IBPV’s beschikken over procedures om een verslechtering van de financiële omstandigheden te constateren en stellen de bevoegde autoriteiten onmiddellijk in kennis wanneer zo’n verslechtering zich voordoet.
De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over passende monitoringinstrumenten, met inbegrip van stresstests, die hen in staat stellen te constateren dat de financiële omstandigheden in een IBPV verslechteren en te monitoren hoe die verslechtering wordt verholpen.”;
het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:
“2 bis. De bevoegde autoriteiten beoordelen de adequaatheid van de methoden en praktijken van de IBPV’s om mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische omstandigheden in kaart te brengen die de algehele financiële positie van de betrokken IBPV zouden kunnen aantasten.
De toezichthoudende autoriteiten beoordelen het vermogen van de IBPV’s om het hoofd te bieden aan dergelijke mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische omstandigheden.”;
lid 4 wordt vervangen door:
“4. De toetsingen, evaluaties en beoordelingen als bedoeld in de leden 1 en 1 bis worden periodiek verricht.
De bevoegde autoriteiten stellen de minimale frequentie en het toepassingsgebied van de toetsingen, evaluaties en beoordelingen vast, waarbij rekening wordt gehouden met de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de betrokken IBPV.”;
de volgende artikelen 49 bis en 49 ter worden ingevoegd:
“Artikel 49 bis
Periodieke toezichtsdialoog
1. De in artikel 49, lid 1 ter, bedoelde periodieke toezichtsdialoog heeft betrekking op het vroegtijdig in kaart brengen van kwetsbaarheden, inefficiënties en structurele uitdagingen, en op het aanmoedigen van strategische reflectie over de toereikendheid, efficiëntie en duurzaamheid van de IBPV op lange termijn, met inbegrip van de toereikendheid van de schaalgrootte, het vermogen tot consolidatie, samenwerking of activapooling, en de geschiktheid van de organisatorische configuratie om efficiënt te functioneren en waarde te leveren voor deelnemers en pensioengerechtigden.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 49, lid 1 ter, bedoelde periodieke toezichtsdialoog gebaseerd is op een reeks parameters voor vroegtijdige waarschuwing, waaronder ten minste alle volgende parameters:
de hoogte en de ontwikkeling van de administratieve, transactie- en beleggingskosten van de IBPV;
het netto- en risicogewogen rendement op activa van de IBPV;
elke tekortkoming of afwijking van de toegezegde of beoogde uitkeringsniveaus;
het aantal en de ontwikkeling van actieve deelnemers en pensioengerechtigden;
indicatoren voor operationele efficiëntie, risicoconcentratie en institutionele veerkracht en weerbaarheid.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat, indien het resultaat van de periodieke toezichtsdialoog wijst op potentiële zwakke punten of tekortkomingen, hun bevoegde autoriteiten de betrokken IBPV verzoeken strategische opties te overwegen die geschikt zijn om haar levensvatbaarheid op lange termijn en de effectieve verstrekking van pensioenuitkeringen aan deelnemers en pensioengerechtigden te versterken, met inbegrip van maatregelen ter verbetering van de operationele schaal, consolidatie, samenwerking, activapooling of regelingen voor het delen van middelen.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer wezenlijke tekortkomingen worden vastgesteld of wanneer er sprake is van ondermaatse prestaties als bedoeld in artikel 41 bis, lid 1, de bevoegde autoriteit van de IBPV verlangt dat deze een plan met corrigerende maatregelen opstelt dat de maatregelen, tijdpaden en governanceregelingen bevat om de vastgestelde wezenlijke tekortkomingen of die ondermaatse prestaties aan te pakken. In een dergelijk plan worden structurele maatregelen ter verbetering van de efficiëntie en een gedegen beheer overwogen, met inbegrip van, in voorkomend geval, mogelijke regelingen voor consolidatie, samenwerking, de activapooling of het delen van middelen.
De lidstaten zorgen ervoor dat het bestuurlijke, beleidsbepalende of toezichthoudende orgaan van de IBPV het in de eerste alinea bedoelde plan vaststelt en dat plan ter toetsing en goedkeuring voorlegt aan de bevoegde autoriteit.
De lidstaten zorgen ervoor dat de IBPV op verzoek van de bevoegde autoriteit periodiek verslag uitbrengt over de uitvoering van het in de eerste alinea bedoelde plan en over de vooruitgang die bij de uitvoering van dat plan is geboekt.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit:
het resultaat van elke periodieke toezichtsdialoog documenteert;
aanbevelingen kan doen aan de betrokken IBPV.
De in de eerste alinea, punt b), bedoelde aanbevelingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheden van de bevoegde autoriteit om bindende toezichtmaatregelen vast te stellen.
Artikel 49 ter
Intrekking van de vergunning
1. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst kan een aan een IBPV verleende vergunning in de volgende gevallen intrekken:
de betrokken IBPV maakt geen gebruik van de vergunning binnen twaalf maanden, doet uitdrukkelijk afstand van de vergunning of heeft gedurende meer dan zes opeenvolgende maanden haar werkzaamheden gestaakt, tenzij de vergunning volgens de bepalingen van de betrokken lidstaat in deze gevallen vervalt;
de betrokken IBPV voldoet niet langer aan de voorwaarden voor de verrichting van de werkzaamheden;
de betrokken IBPV blijft ernstig in gebreke bij het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de op haar van toepassing zijnde voorschriften.
2. Wanneer de vergunning wordt ingetrokken of vervalt, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten daarvan in kennis en die autoriteiten treffen passende maatregelen om te beletten dat de IBPV op hun grondgebied nieuwe werkzaamheden aanvangt.
De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst neemt samen met die autoriteiten alle passende maatregelen om de belangen van de deelnemers en pensioengerechtigden te beschermen, en beperkt met name de vrije beschikking over de activa van de IBPV.
3. Een besluit tot intrekking van de vergunning vermeldt alle gronden en wordt ter kennis van de betrokken IBPV gebracht. Elke intrekking van een vergunning wordt ter kennis van de Eiopa gebracht.”;
artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:
de volgende alinea’s worden na de titel ingevoegd:
“De lidstaten schrijven voor dat IBPV’s aan de bevoegde autoriteiten de kwantitatieve en kwalitatieve informatie verstrekken die nodig is voor het toezicht, rekening houdend met de in artikel 45 bepaalde toezichtdoelstellingen, het in artikel 46 bepaalde toepassingsgebied van het toezicht en de in artikel 47 bepaalde algemene beginselen van toezicht, met name het evenredigheidsbeginsel.
De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over de noodzakelijke bevoegdheden en middelen beschikken om:
de aard, de scope en het formaat van de in de eerste alinea bedoelde informatie te bepalen die zij IBPV’s periodiek of op ad-hocbasis verplichten in te dienen;
toegang te krijgen tot alle informatie over overeenkomsten die met derden worden gesloten; en
informatie op te vragen bij externe deskundigen, zoals accountants en actuarissen.”;
de derde alinea wordt als volgt gewijzigd:
aan punt d) wordt het volgende punt toegevoegd:
de in artikel 9 bedoelde bedrijfsplannen;”;
het volgende punt g) wordt toegevoegd:
van IBPV’s te verlangen dat zij regelmatig kwantitatieve modellen indienen waarin de informatie in de in de punten c) en d) bedoelde verslagen nader wordt gespecificeerd en aangevuld, met inbegrip van de overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 gevraagde informatie die nodig is voor de uitvoering van de taken waarmee de Eiopa uit hoofde van die verordening en deze richtlijn is belast;”;
de volgende leden worden toegevoegd:
“De lidstaten zorgen ervoor dat IBPV’s jaarlijks aan de bevoegde autoriteiten informatie verstrekken over beleggingsrendementen, exclusief beleggingskosten, en alle kosten en lasten in verband met hun werkzaamheden.
De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten IBPV’s verplichten een doorkijkbenadering toe te passen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat alle kosten en lasten op het niveau van beleggingsfondsen, vermogensbeheerders en transacties worden opgenomen en dat het beginsel van niet-compensatie (“no-netting”) wordt toegepast.
Om eenvormige voorwaarden voor de toepassing van dit artikel te waarborgen, ontwikkelt de Eiopa ontwerpen van technische uitvoeringsnormen voor de procedures, formaten en modellen, waarbij in voorkomend geval een onderscheid wordt gemaakt tussen bedrijfspensioenen en persoonlijke pensioenen.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de vierde alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.”;
het volgende artikel 50 bis wordt ingevoegd:
“Artikel 50 bis
Toezicht op uitbestede functies en werkzaamheden
1. De lidstaten zorgen ervoor dat IBPV’s die een functie of werkzaamheden uitbesteden, de nodige maatregelen treffen opdat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
de dienstverlener werkt in verband met de uitbestede functie of werkzaamheden samen met de toezichthoudende autoriteiten van de IBPV;
de IBPV, haar accountants en de bevoegde autoriteiten hebben daadwerkelijk toegang tot data met betrekking tot de uitbestede functies of werkzaamheden, met inbegrip van de bevoegdheid om IBPV’s en dienstverleners te allen tijde om informatie over uitbestede sleutelfuncties of andere werkzaamheden te verzoeken;
de bevoegde autoriteiten hebben daadwerkelijk toegang tot de bedrijfsruimten van de dienstverlener en moeten die toegangsrechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen.
2. De lidstaat waar de dienstverlener is gevestigd, staat de bevoegde autoriteiten van de IBPV toe dat zij zelf of door middel van tussenpersonen of personen die zij daartoe machtigen, inspecties ter plaatse uitvoeren in de bedrijfsruimten van de dienstverlener. De bevoegde autoriteiten van de IBPV stellen de relevante autoriteit van de lidstaat van de dienstverlener in kennis alvorens zij de inspectie ter plaatse verrichten. Bij een niet onder toezicht staande entiteit is de in kennis te stellen autoriteit de bevoegde autoriteit.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de IBPV mogen dergelijke inspecties ter plaatse delegeren aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de dienstverlener is gevestigd.
3. Indien een bevoegde autoriteit de passende autoriteit van een lidstaat van de dienstverlener in kennis heeft gesteld van haar voornemen om een inspectie ter plaatse in overeenstemming met dit lid uit te voeren, of indien deze bevoegde autoriteit een inspectie ter plaatse uitvoert in overeenstemming met de eerste alinea maar die bevoegde autoriteit niet in staat is in de praktijk haar recht om een inspectie ter plaatse uit te voeren uit te oefenen, mag de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 de zaak naar de Eiopa doorverwijzen en om haar bijstand verzoeken. In dat geval kan de Eiopa handelen overeenkomstig de haar bij dat artikel verleende bevoegdheden.
Overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 is de Eiopa gerechtigd deel te nemen aan inspecties ter plaatse wanneer deze door twee of meer toezichthoudende autoriteiten gezamenlijk worden uitgevoerd.”;
artikel 51 wordt als volgt gewijzigd:
lid 2 wordt als volgt gewijzigd:
de punten a) en b) worden vervangen door:
de bewoordingen van wet- en regelgeving, bestuursrechtelijke voorschriften en algemene handvatten op het gebied van bedrijfspensioenregelingen en, in voorkomend geval, persoonlijke pensioenproducten, en informatie over de vraag of de lidstaat ervoor kiest deze richtlijn overeenkomstig de artikelen 4 en 5 toe te passen;
de algemene criteria en methoden die worden gebruikt in het proces van toetsing door de toezichthouder als bedoeld in artikel 49, met inbegrip van met name een overzicht van het risicobeoordelingskader.”;
punt d) wordt vervangen door:
de hoofddoelstelling van het toezicht, de informatie over de voornaamste functies en het jaarlijkse verslag van de werkzaamheden van hun bevoegde autoriteiten;”;
de volgende alinea’s worden toegevoegd:
“De in de eerste alinea bedoelde informatie is voldoende om een onderlinge vergelijking mogelijk te maken van de door de bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten gekozen toezichtsbenaderingen.
De in de eerste alinea, punten a) tot en met e), bedoelde informatie is in elke lidstaat op één elektronische locatie toegankelijk.”;
aan lid 3 wordt de volgende alinea toegevoegd:
“De leden van de governance- en beleidsbepalende organen van de bevoegde autoriteiten beschikken over de kwalificaties, ervaring en vaardigheden die nodig zijn om hun functie en bevoegdheden uit te oefenen, en worden niet uit hun functie ontheven om redenen die verband houden met de correcte uitoefening van hun taken of de correcte uitoefening van hun bevoegdheden. Zij kunnen slechts uit hun functie worden ontheven indien zij niet langer aan de voorwaarden voor de uitoefening van hun taken voldoen of indien zij zich schuldig hebben gemaakt aan ernstig wangedrag overeenkomstig de nationale wetgeving. De voorwaarden voor de uitoefening van hun taken en de vraag wat ernstig wangedrag is, worden vooraf in het nationale recht vastgesteld.”;
het volgende lid 4 wordt toegevoegd:
“4. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten op één publieke website duidelijke, vergelijkbare en gemakkelijk toegankelijke informatie publiceren over de totale jaarlijkse kosten, de prestaties in het verleden en het risicoprofiel voor alle door de IBPV’s beheerde pensioenregelingen.
Voor elke pensioenregeling en, in voorkomend geval, voor elke beleggingsoptie bevat de gepubliceerde informatie ten minste:
de indeling van de regeling naar risicoprofiel;
de totale kosten en lasten die overeenkomstig artikel 50, lid 7, aan de nationale bevoegde autoriteiten zijn gemeld, uitgedrukt als één jaarlijks percentage van de totale bijdragen van de voorgaande twaalf maanden; en
in het verleden behaalde resultaten voor afgesloten boekjaren, met inbegrip van het meest recente jaar.
De in de tweede alinea, punten b) en c), bedoelde informatie wordt verstrekt voor ten minste de voorafgaande tien jaar of, in gevallen waarin de regeling minder dan tien jaar is verstrekt, voor alle jaren waarvoor de regeling is verstrekt.
De bevoegde autoriteiten verifiëren de juistheid en tijdigheid van de informatie en zorgen ervoor dat deze onverwijld wordt bekendgemaakt zodra deze verificatie is voltooid.”;
het volgende artikel 55 bis wordt ingevoegd:
“Artikel 55 bis
Samenwerkingsplatformen
1. De Eiopa kan, indien er gerechtvaardigde redenen tot bezorgdheid is omtrent de negatieve gevolgen voor deelnemers en pensioengerechtigden, op eigen initiatief of op verzoek van een of meer betrokken bevoegde autoriteiten, een samenwerkingsplatform opzetten en coördineren om de uitwisseling van informatie te verbeteren en de samenwerking tussen de betrokken bevoegde autoriteiten te intensiveren, indien een IBPV grensoverschrijdende werkzaamheden verricht of voornemens is te verrichten en indien deze werkzaamheden relevant zijn voor de markt van de lidstaat van ontvangst.
2. Lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van de betrokken bevoegde autoriteiten om, indien zij het daarover onderling eens zijn, een samenwerkingsplatform op te zetten.
3. Het opzetten van een samenwerkingsplatform overeenkomstig de leden 1 en 2 doet geen afbreuk aan het toezichtsmandaat van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst waarin bij deze richtlijn is voorzien.
4. Onverminderd artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 verstrekken de betrokken bevoegde autoriteiten op verzoek van de Eiopa tijdig alle benodigde informatie.
5. Indien twee of meer bevoegde autoriteiten van een samenwerkingsplatform het oneens zijn over de procedure of de inhoud van een te nemen maatregel of het niet nemen van maatregelen, kan de Eiopa, op verzoek van een betrokken bevoegde autoriteit of op eigen initiatief, de bevoegde autoriteiten bijstaan bij het bereiken van overeenstemming overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1094/2010.
6. In geval van onenigheid binnen het platform en indien er ernstige bezorgdheid bestaat over negatieve gevolgen voor deelnemers en pensioengerechtigden of over de inhoud van maatregelen of het uitblijven van maatregelen met betrekking tot een IBPV, kan de Eiopa de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst verzoeken een inspectie ter plaatse van de IBPV te starten. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst start de inspectie ter plaatse onverwijld en nodigt de Eiopa en andere betrokken bevoegde autoriteiten uit daaraan deel te nemen.”;
artikel 59 wordt vervangen door:
“Artikel 59
Publicatie van nationale regels
1. De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten op passende wijze de voor bedrijfspensioenregelingen relevante sociaal- en arbeidsrechtelijke voorschriften bekendmaken op grond waarvan een pensioenregeling waaraan een onderneming in de lidstaat van ontvangst bijdraagt, moet worden uitgevoerd, die van toepassing zijn op grensoverschrijdende activiteiten van IBPV’s als bedoeld in artikel 11, lid 1.
2. De Eiopa neemt op haar website de hyperlinks naar de websites van de bevoegde autoriteiten op waar informatie over dergelijke regels wordt bekendgemaakt. Deze informatie is actueel en de Eiopa stelt die informatie beschikbaar op haar website, waarbij al deze regels zijn ingedeeld in verschillende relevante rechtsgebieden.
3. De lidstaten richten één aanspreekpunt op dat verantwoordelijk is voor het verstrekken van informatie over de voor bedrijfspensioenregelingen relevante sociaal- en arbeidsrechtelijke voorschriften op grond waarvan een pensioenregeling waaraan een onderneming in de lidstaat van ontvangst bijdraagt, moet worden uitgevoerd, die van toepassing zijn op grensoverschrijdende activiteiten van IBPV’s in hun respectieve lidstaat. Dit aanspreekpunt moet een passende bevoegde autoriteit zijn.
4. De Eiopa onderzoekt in een verslag de door de lidstaten gepubliceerde regels als bedoeld in dit artikel in het kader van de goede werking van deze richtlijn en van de interne markt, en stelt de Commissie daarvan in kennis, vóór [PO = please insert 6 months after the application date of this directive].”;
de artikelen 61 en 62 worden vervangen door:
“Artikel 61
Verwerking van persoonsgegevens
Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn voeren IBPV’s en bevoegde autoriteiten hun taken uit in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679. Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door de Eiopa in het kader van deze richtlijn leeft de Eiopa Verordening (EU) 2018/1725 na.
Artikel 62
Evaluatie
Uiterlijk [PO please insert date = four years after the date of application of this Directive] dient de Eiopa bij de Commissie, het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering van deze richtlijn, met name wat betreft de volgende aspecten:
de mate waarin deze richtlijn bijdraagt tot de integratie, efficiëntie en opschaling van bedrijfspensioenvoorzieningen in de interne markt, met inbegrip van trends op het gebied van consolidatie en samenwerking tussen IBPV’s;
de ervaring die is opgedaan met de toepassing van deze richtlijn, met inbegrip van het effect ervan op de omvang, kostenefficiëntie, consolidatie en professionalisering van IBPV’s, en de rol ervan bij het bevorderen van vertrouwen, transparantie en gedegen risicobeheersing in het belang van deelnemers en pensioengerechtigden;
de facultatieve uitbreiding van het toepassingsgebied van deze richtlijn overeenkomstig artikel 4 en het effect ervan op de markt voor aanvullende pensioenen.”;
het volgende artikel 64 bis wordt ingevoegd:
“Artikel 64 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De bevoegdheid om de in artikel 17, lid 7, en artikel 38, lid 6, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt met ingang van [PO = please insert date of entry into force] voor onbepaalde tijd aan de Commissie gedelegeerd.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikel 17, lid 7, en artikel 38, lid 6, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
5. Een overeenkomstig artikel 17, lid 7, en artikel 38, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met drie maanden verlengd.”.
Artikel 2
Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2016/97
Richtlijn (EU) 2016/97 wordt als volgt gewijzigd:
in artikel 2, lid 1, worden de volgende punten 19) en 20) toegevoegd:
“persoonlijk pensioenproduct”: een persoonlijk pensioenproduct zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) 2019/1238 van het Europees Parlement en de Raad*.;
20. “pension tracking-systeem”: een digitaal instrument, doorgaans een beveiligd webportaal of mobiele applicatie, dat personen een overzicht biedt van hun individuele opgebouwde pensioenrechten en projecties van toekomstige uitkeringen, voor alle pensioenregelingen waarvan de betrokkene deelnemer of pensioengerechtigde is.
__________
* Verordening (EU) 2019/1238 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1238/oj).”;
artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:
in lid 5 worden het woord “verplichte” geschrapt;
het volgende lid wordt toegevoegd:
“6. De lidstaten zorgen ervoor dat, indien de verzekeringsdistributeur verantwoordelijk is voor het aanbieden van bedrijfspensioenregelingen, aspirant-deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden van dergelijke regelingen ten minste de in de artikelen 36 tot en met 44 van Richtlijn (EU) 2016/2341 bedoelde informatie ontvangen.”;
het volgende artikel 22 bis wordt ingevoegd:
“Artikel 22 bis
Pension tracking-systemen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat, indien er pension tracking-systemen bestaan, de door de verzekeringsondernemingen en verzekeringstussenpersonen beheerde pensioenrechten hieronder vallen.
2. Voor de toepassing van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat verzekeringsondernemingen en verzekeringstussenpersonen aan pension tracking-systemen, indien dergelijke systemen zijn opgezet, alle informatie verstrekken die nodig is om cliënten een volledig, betrouwbaar en actueel overzicht te geven van hun persoonlijke en beroepspensioenrechten, voor zover die rechten voortvloeien uit beroepspensioenregelingen of persoonlijke pensioenproducten die door de verzekeringsondernemingen of verzekeringstussenpersonen worden aangeboden of gedistribueerd.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 2 bedoelde informatie in een gestandaardiseerd en interoperabel formaat wordt verstrekt, zodat de pension tracking-systemen data over opgebouwde waarde, opgebouwde rechten en verwachte uitkeringen op een samenhangende en vergelijkbare wijze kunnen aggregeren.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat de verzekeringsondernemingen en verzekeringstussenpersonen volledig verantwoordelijk blijven voor de volledigheid en nauwkeurigheid van de doorgegeven data en voor de nakoming van alle communicatieverplichtingen waarin dit artikel voorziet.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de naleving van dit artikel monitoren en handhaven en corrigerende maatregelen nemen wanneer verzekeringsondernemingen of verzekeringstussenpersonen geen volledige, nauwkeurige of tijdige informatie verstrekken.
6. Het formaat en de structuur van de informatie die aan pension tracking systemen moet worden doorgegeven, zijn in overeenstemming met artikel 29.”.
Artikel 3
Grandfathering
IBPV’s die vóór [PO = please insert 1 day before application date of this Directive] uit hoofde van Richtlijn (EU) 2016/2341 zijn geregistreerd of een vergunning hebben gekregen, worden automatisch erkend als IBPV’s waaraan uit hoofde van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn een vergunning is verleend.
Artikel 4
Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [PO = 2 years after entry into force] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 5
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 6
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel,
FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM
KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF3.
Benaming van het voorstel/initiatief3.
Betrokken beleidsterreinen3.
Doelstellingen3.
Algemene doelstellingen3.
Specifieke doelstellingen3.
Verwachte resultaten en gevolgen3.
Prestatie-indicatoren4.
Het voorstel/initiatief betreft:4.
Motivering van het voorstel/initiatief5.
Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief5.
Meerwaarde van het optreden van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “meerwaarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.5.
Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan5.
Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten5.
Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking5.
Duur van het voorstel/initiatief en van de financiële gevolgen ervan6.
Wijzen van uitvoering van de begroting6.
BEHEERSMAATREGELEN7.
Regels inzake het toezicht en de verslagen7.
Beheers- en controlesystemen7.
Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie7.
Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken7.
Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting).7.
Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden7.
GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF8.
Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven8.
Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten9.
Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten9.
Kredieten uit goedgekeurde begroting9.
Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten13.
Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten18.
Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten20.
20.
Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten20.
Totaal kredieten20.
Geraamde personeelsbehoeften21.
Gefinancierd uit goedgekeurde begroting21.
Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten21.
Totale personeelsbehoeften22.
Overzicht van het geschatte effect op investeringen die met digitale technologie samenhangen23.
Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader23.
Bijdragen van derden23.
Geraamde gevolgen voor de ontvangsten24.
Digitale dimensies25.
Voorschriften met digitale relevantie25.
Data26.
Digitale oplossingen27.
Interoperabiliteitsbeoordeling29.
Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering29.
¨ een nieuwe actie;
¨ een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie;
☑︎ de verlenging van een bestaande actie;
¨ de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie.
¨ beperkte geldigheidsduur:
¨ van kracht vanaf [DD/MM/]JJJJ tot en met [DD/MM/]JJJJ;
¨ financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten;
¨ onbeperkte geldigheidsduur:
Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,
gevolgd door een volledige uitvoering.
¨ Direct beheer door de Commissie:
¨ door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;
¨ door de uitvoerende agentschappen;
¨ Gedeeld beheer met de lidstaten;
¨ Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:
¨ derde landen of de door hen aangewezen organen;
¨ internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);
¨ de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds;
¨ de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen;
¨ publiekrechtelijke organen;
¨ organen met een openbare dienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties;
¨ privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;
¨ organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling;
¨ in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het Unierecht vallen en die in aanmerking komen om overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, en beschikken over voldoende financiële garanties in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die voor elke actie beperkt kunnen blijven tot het maximumbedrag van de steun van de Unie.
Opmerkingen
2.2.3. Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting).
Bestaande begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader |
Begrotingsonderdeel |
Soort uitgave |
Bijdrage |
|||
|
Nummer
|
GK/NGK 39 |
van EVA-landen 40 |
van kandidaat-lidstaten en aspirant-kandidaten 41 |
van andere derde landen |
andere bestemmingsontvangsten |
|
|
[XX.YY.YY.YY] |
GK/NGK |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
|
|
[XX.YY.YY.YY] |
GK/NGK |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
|
|
[XX.YY.YY.YY] |
GK/NGK |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
|
Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader |
Begrotingsonderdeel |
Soort uitgave |
Bijdrage |
|||
|
Nummer
|
GK/NGK |
van EVA-landen |
van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten |
van andere derde landen |
andere bestemmingsontvangsten |
|
|
[XX.YY.YY.YY] |
GK/NGK |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
|
|
[XX.YY.YY.YY] |
GK/NGK |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
|
|
[XX.YY.YY.YY] |
GK/NGK |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
|
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig.
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader |
Nummer |
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||||||||||
|
Beleidskredieten |
||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1a) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||
|
Betalingen |
(2a) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1b) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||
|
Betalingen |
(2b) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
|
(3) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||
|
TOTAAL kredieten voor DG <….> |
Vastleggingen |
=1a+1b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||
|
Betalingen |
=2a+2b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||||||||||
|
Beleidskredieten |
||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1a) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||
|
Betalingen |
(2a) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1b) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||
|
Betalingen |
(2b) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
|
(3) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||
|
TOTAAL kredieten voor DG <….> |
Vastleggingen |
=1a+1b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||
|
Betalingen |
=2a+2b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
|
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||||||||||
|
TOTAAL beleidskredieten
|
Vastleggingen |
(4) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||
|
Betalingen |
(5) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
(6) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….> |
Vastleggingen |
=4+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||
|
van het meerjarig financieel kader |
Betalingen |
=5+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||
|
Rubriek van het meerjarig financieel
|
Nummer |
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||||
|
Beleidskredieten |
|
|
|
|
|
||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1a) |
|
|
|
|
0,000 |
|
Betalingen |
(2a) |
|
|
|
|
0,000 |
|
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1b) |
|
|
|
|
0,000 |
|
Betalingen |
(2b) |
|
|
|
|
0,000 |
|
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
|||||||
|
Begrotingsonderdeel |
|
(3) |
|
|
|
|
0,000 |
|
TOTAAL kredieten |
Vastleggingen |
=1a+1b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
voor DG <….> |
Betalingen |
=2a+2b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||||
|
Beleidskredieten |
|
|
|
|
|
||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1a) |
|
|
|
|
0,000 |
|
Betalingen |
(2a) |
|
|
|
|
0,000 |
|
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1b) |
|
|
|
|
0,000 |
|
Betalingen |
(2b) |
|
|
|
|
0,000 |
|
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
|||||||
|
Begrotingsonderdeel |
|
(3) |
|
|
|
|
0,000 |
|
TOTAAL kredieten |
Vastleggingen |
=1a+1b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
voor DG <….> |
Betalingen |
=2a+2b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
|
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
||||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||||||||||||
|
TOTAAL beleidskredieten
|
Vastleggingen |
(4) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
Betalingen |
(5) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||
|
TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
(6) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….> |
Vastleggingen |
=4+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
van het meerjarig financieel kader |
Betalingen |
=5+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||||||||||||
|
• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken) |
Vastleggingen |
(4) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
Betalingen |
(5) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||
|
• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken) |
(6) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||
|
TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6 |
Vastleggingen |
=4+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen |
=5+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
|
7. |
“Administratieve uitgaven” |
||||||||
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||||||
|
Ÿ Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||
|
Ÿ Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||
|
TOTAAL DG <….> |
Kredieten |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||||||
|
Ÿ Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||
|
Ÿ Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||
|
TOTAAL DG <….> |
Kredieten |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader |
(totaal vastleggingen = totaal betalingen) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||
|
TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7 |
Vastleggingen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
van het meerjarig financieel kader |
Betalingen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader |
Nummer |
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
||||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||||||||||||
|
Beleidskredieten |
|||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1a) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||
|
Betalingen |
(2a) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1b) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||
|
Betalingen |
(2b) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||||
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
|||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
|
(3) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||
|
TOTAAL kredieten voor DG <….> |
Vastleggingen |
=1a+1b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
Betalingen |
=2a+2b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
||||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||||||||||||
|
Beleidskredieten |
|||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1a) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||
|
Betalingen |
(2a) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1b) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||
|
Betalingen |
(2b) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||||
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
|||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
|
(3) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||
|
TOTAAL kredieten voor DG <….> |
Vastleggingen |
=1a+1b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
Betalingen |
=2a+2b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||
|
|
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
||||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||||||||||||
|
TOTAAL beleidskredieten
|
Vastleggingen |
(4) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
Betalingen |
(5) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||
|
TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
(6) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….> |
Vastleggingen |
=4+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
van het meerjarig financieel kader |
Betalingen |
=5+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader |
Nummer |
||||||||||||||
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
||||||||||||||||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||||||||||||||||||||||||
|
Beleidskredieten |
|||||||||||||||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1a) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
Betalingen |
(2a) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1b) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
Betalingen |
(2b) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||||||||||||||||
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
|||||||||||||||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
|
(3) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
TOTAAL kredieten voor DG <….> |
Vastleggingen |
=1a+1b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
Betalingen |
=2a+2b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||||||||
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
||||||||||||||||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||||||||||||||||||||||||
|
Beleidskredieten |
|||||||||||||||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1a) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
Betalingen |
(2a) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
Vastleggingen |
(1b) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
Betalingen |
(2b) |
|
|
|
|
0,000 |
|||||||||||||||||||||
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
|||||||||||||||||||||||||||
|
Begrotingsonderdeel |
|
(3) |
|
|
|
|
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
TOTAAL kredieten voor DG <….> |
Vastleggingen |
=1a+1b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
Betalingen |
=2a+2b+3 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||||||||
|
|
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
||||||||||||||||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||||||||||||||||||||||||
|
TOTAAL beleidskredieten
|
Vastleggingen |
(4) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
Betalingen |
(5) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||||||||
|
TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten |
(6) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||||||||
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….> |
Vastleggingen |
=4+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
van het meerjarig financieel kader |
Betalingen |
=5+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||||||||||||||||||||||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||||||||||||||||||||||||
|
• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken) |
Vastleggingen |
(4) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
Betalingen |
(5) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||||||||
|
• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken) |
(6) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||||||||||||||||||||
|
TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6 |
Vastleggingen |
=4+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
van het meerjarig financieel kader (referentiebedrag) |
Betalingen |
=5+6 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||||||||||||||||||||
|
|
7. |
“Administratieve uitgaven” |
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||||
|
Ÿ Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||
|
Ÿ Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||
|
TOTAAL DG <….> |
Kredieten |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||
|
DG: <…….> |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|||
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||||
|
Ÿ Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||
|
Ÿ Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|||
|
TOTAAL DG <….> |
Kredieten |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader |
(totaal vastleggingen = totaal betalingen) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
||
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|||
|
TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7 |
Vastleggingen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
van het meerjarig financieel kader |
Betalingen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Vermeld doelstellingen en outputs ò |
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) |
TOTAAL |
||||||||||||
|
OUTPUTS |
||||||||||||||||||
|
Soort 42 |
Gem. kosten |
Aantal |
Kosten |
Aantal |
Kosten |
Aantal |
Kosten |
Aantal |
Kosten |
Aantal |
Kosten |
Aantal |
Kosten |
Aantal |
Kosten |
Totaal aantal |
Totale kosten |
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1 43 … |
||||||||||||||||||
|
- Output |
||||||||||||||||||
|
- Output |
||||||||||||||||||
|
- Output |
||||||||||||||||||
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1 |
||||||||||||||||||
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2… |
||||||||||||||||||
|
- Output |
||||||||||||||||||
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2 |
||||||||||||||||||
|
TOTAAL |
||||||||||||||||||
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig.
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven.
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL 2021-2027 |
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||
|
RUBRIEK 7 |
|||||
|
Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Subtotaal RUBRIEK 7 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Buiten RUBRIEK 7 |
|||||
|
Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 7 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
|
|||||
|
TOTAAL |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL 2021-2027 |
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||
|
RUBRIEK 7 |
|||||
|
Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Subtotaal RUBRIEK 7 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Buiten RUBRIEK 7 |
|||||
|
Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 7 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
|
|||||
|
TOTAAL |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
TOTAAL
|
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL 2021-2027 |
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||
|
RUBRIEK 7 |
|||||
|
Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Subtotaal RUBRIEK 7 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Buiten RUBRIEK 7 |
|||||
|
Personele middelen |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Andere administratieve uitgaven |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 7 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
|
|||||
|
TOTAAL |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven.
Raming in voltijdequivalenten (vte’s)
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
|
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||
|
Ÿ Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) |
|||||
|
20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
20 01 02 03 (EU-delegaties) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 01 (onderzoek onder contract) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 11 (eigen onderzoek) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
• Extern personeel (in vte’s) |
|||||
|
20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Admin. ondersteuning
|
- centrale diensten |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
- EU-delegaties |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
TOTAAL |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
|
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||
|
Ÿ Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) |
|||||
|
20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
20 01 02 03 (EU-delegaties) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 01 (onderzoek onder contract) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 11 (eigen onderzoek) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
• Extern personeel (in voltijdequivalenten) |
|||||
|
20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Admin. ondersteuning
|
- centrale diensten |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
- EU-delegaties |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
TOTAAL |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
TOTAAL GOEDGEKEURDE KREDIETEN + EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
|
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||
|
Ÿ Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) |
|||||
|
20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
20 01 02 03 (EU-delegaties) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 01 (onderzoek onder contract) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 11 (eigen onderzoek) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
• Extern personeel (in voltijdequivalenten) |
|||||
|
20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Admin. ondersteuning
|
- centrale diensten |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
- EU-delegaties |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek) |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
TOTAAL |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
Aantal personeelsleden dat nodig is voor de uitvoering van het voorstel (in vte’s):
|
Uit te voeren door bestaand personeel van de diensten van de Commissie |
Uitzonderlijk aanvullend personeel* |
|||
|
Te financieren uit rubriek 7 of onderzoek |
Te financieren uit BA-onderdeel |
Te financieren uit vergoedingen |
||
|
Personeelsformatieposten |
n.v.t. |
|||
|
Extern personeel (AC, END, INT) |
||||
Beschrijving van de uit te voeren taken door:
|
Ambtenaren en tijdelijk personeel |
|
|
Extern personeel |
Verplicht: in onderstaande tabel moet de beste schatting worden gegeven van de met digitale technologie samenhangende investeringen die uit het voorstel/initiatief voortvloeien.
De kredieten onder rubriek 7 moeten in uitzonderlijke gevallen in het desbetreffende onderdeel worden opgenomen, indien vereist voor de uitvoering van het voorstel/initiatief.
De kredieten onder de rubrieken 1 t/m 6 moeten worden weergegeven als “IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s”. Deze uitgaven betreffen het operationele budget dat gebruikt moet worden voor hergebruik, koop of ontwikkeling van IT-platforms of tools die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het initiatief, alsook daarmee verband houdende investeringen (bv. licenties, studies, data-opslag enz.). De in deze tabel vermelde informatie moet in overeenstemming zijn met de gegevens in deel 4, “Digitale dimensies”.
|
TOTAAL Digitale en IT-kredieten |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
Jaar |
TOTAAL MFK 2021-2027 |
|
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
||
|
RUBRIEK 7 |
|||||
|
IT-uitgaven (algemeen) |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Subtotaal RUBRIEK 7 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Buiten RUBRIEK 7 |
|||||
|
IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 7 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
|
|
|||||
|
TOTAAL |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
0,000 |
Het voorstel/initiatief:
¨ kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK);
¨ vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals vastgesteld in de MFK-verordening;
¨ vereist een herziening van het MFK.
Het voorstel/initiatief:
¨ voorziet niet in medefinanciering door derden;
¨ voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:
Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Totaal |
|
|
Medefinancieringsbron |
|||||
|
TOTAAL medegefinancierde kredieten |
3.3.
Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
¨ Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten;
¨ Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:
¨ voor de eigen middelen;
¨ voor de overige inkomsten;
¨ geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven.
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten: |
Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten |
Gevolgen van het voorstel/initiatief 44 |
|||
|
Jaar 2024 |
Jaar 2025 |
Jaar 2026 |
Jaar 2027 |
||
|
Artikel …………. |
|||||
Vermeld voor de toegewezen ontvangsten de betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven.
Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).
|
Lijst van voorschriften met digitale relevantie
|
|||||||||||||||||||||||||
|
Algemene beschrijving van de data in het toepassingsgebied en eventuele daarmee verband houdende normen/specificaties
Datastromen
|
|
Zie punt hiervoor.
Pension tracking-systemen
Samenwerkingsplatformen
|
|
Niet van toepassing.