Home

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie

BESLUIT VAN DE RAAD

Brussel, 2.3.2026

COM(2026) 106 final

2026/0067(NLE)

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie

TOELICHTING

Dit voorstel betreft het besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie (hierna “het Gespecialiseerd Comité” genoemd) in verband met de beoogde wijziging van protocol I “Programma’s en activiteiten waaraan het Verenigd Koninkrijk deelneemt” (hierna “protocol I” genoemd) bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (hierna “de handels- en samenwerkingsovereenkomst” genoemd).

De beoogde wijziging heeft tot doel het mogelijk te maken dat het Verenigd Koninkrijk vanaf 1 januari 2027 deelneemt en financieel bijdraagt aan het programma van de Unie dat is vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van Erasmus+: het programma van de Unie voor onderwijs en opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 1 (hierna “het Erasmus+-programma” genoemd).

De handels- en samenwerkingsovereenkomst is op 1 mei 2021 in werking getreden 2 . In deel V “DEELNAME AAN PROGRAMMA’S VAN DE UNIE, GOED FINANCIEEL BEHEER EN FINANCIËLE BEPALINGEN” zijn de regels vastgesteld voor de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan programma’s, activiteiten en diensten van de Unie.

In artikel 710, lid 1, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat het Verenigd Koninkrijk deelneemt en bijdraagt aan de programma’s, activiteiten of, in uitzonderlijke gevallen, het onderdeel van programma’s of activiteiten van de Unie, waaraan het kan deelnemen, en die in protocol I zijn vermeld.

Het Gespecialiseerd Comité dat is ingesteld overeenkomstig artikel 8, lid 1, punt s), van de handels- en samenwerkingsovereenkomst heeft op 4 december 2023 overeenkomstig artikel 710, lid 2, artikel 714, lid 11, en artikel 731, lid 3, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst een besluit genomen om protocol I “Programma’s en activiteiten waaraan het Verenigd Koninkrijk deelneemt” (“protocol I”) en protocol II “Toegang van het Verenigd Koninkrijk tot in het kader van bepaalde programma’s en activiteiten ingestelde diensten waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt” (“protocol II”) bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst op te stellen.

Overeenkomstig artikel 1, lid 1, van protocol I, neemt het Verenigd Koninkrijk sinds 1 januari 2024 deel aan en draagt het bij tot de programma’s en activiteiten van de Unie, of delen daarvan, die zijn vastgesteld bij de volgende basishandelingen:

  • Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie en het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 377/2014 en Besluit 541/2014/EU, in zoverre deze betrekking heeft op de regels die van toepassing zijn op de in artikel 3, lid 1, punt c), van die verordening bedoelde component (“Copernicus”);

  • Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013, in zoverre die betrekking heeft op de regels die van toepassing zijn op de in artikel 1, lid 2, punten a) en b), van die verordening bedoelde componenten;

  • Besluit (EU) 2021/764 van de Raad van 10 mei 2021 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, en tot intrekking van Besluit 2013/743/EU.

Na de topontmoeting tussen de EU en het VK op 19 mei 2025 bereikten de Europese Commissie en het Verenigd Koninkrijk een gemeenschappelijk akkoord om te werken aan de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan het Erasmus+-programma. De specifieke voorwaarden van die deelname, met inbegrip van de financiële voorwaarden ervan, moesten worden vastgesteld tijdens het onderhandelingsproces en door te zorgen voor een billijk evenwicht tussen de bijdragen van en de voordelen voor het Verenigd Koninkrijk, overeenkomstig het meerjarig financieel kader van de Unie en de handels- en samenwerkingsovereenkomst.

Uit de besprekingen volgt dat protocol I moet worden gewijzigd om de deelname van het Verenigd Koninkrijk als geassocieerd land aan het Erasmus+-programma mogelijk te maken.

Het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie is ingesteld bij artikel 8, lid 1, punt s), van de handels- en samenwerkingsovereenkomst.

In artikel 710, lid 2, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst is onder meer bepaald dat het Gespecialiseerd Comité protocol I kan wijzigen.

Het Gespecialiseerd Comité moet protocol I bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst (“de beoogde wijziging”) wijzigen.

Het doel van de beoogde wijziging is de deelname mogelijk te maken van het Verenigd Koninkrijk en entiteiten van het Verenigd Koninkrijk aan het Erasmus+-programma en hun toegang tot de bijhorende activiteiten en diensten.

Daartoe wordt met de beoogde wijziging het bij Verordening (EU) 2021/817 vastgestelde Erasmus+-programma toegevoegd aan de lijst van programma’s van de Unie die onder protocol I vallen, en wordt bepaald dat het Verenigd Koninkrijk met ingang van 1 januari 2027 aan het Erasmus+-programma deelneemt.

Aangezien de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan het Erasmus+-programma van toepassing zal zijn vanaf het zevende jaar van het meerjarig financieel kader 2021-2027 van de Unie, zal het Verenigd Koninkrijk niet deelnemen aan het programma voor de periode 2021-2026. De beoogde wijziging geeft daarom de toepassingsduur van de deelname weer en stelt de specifieke financiële voorwaarden vast die van toepassing zijn op de deelname van het Verenigd Koninkrijk in 2027, waardoor de operationele bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan het programma met 30 % wordt verlaagd.

De beoogde wijziging stelt ook de specifieke voorwaarden voor deelname in 2027 vast, met inbegrip van de kennisgeving van de nationale autoriteit van het Verenigd Koninkrijk, de aanwijzing van een nationaal agentschap en van een onafhankelijk auditorgaan, en introduceert een evaluatieclausule en een clausule inzake statistische samenwerking voor de deelname aan het Erasmus+-programma.

De beoogde wijziging zal als onderdeel van de handels- en samenwerkingsovereenkomst voor de partijen bindend worden overeenkomstig artikel 778, lid 1, van die overeenkomst, waarin is bepaald dat de protocollen, bijlagen, aanhangsels en voetnoten van en bij deze overeenkomst integrerend deel van deze overeenkomst uitmaken. Overeenkomstig artikel 9 in samenhang met regel 13, punt 1, van bijlage 1 bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst moet in besluiten van het Gespecialiseerd Comité de datum worden vermeld waarop zij van kracht worden.

Er wordt voorgesteld in te stemmen met de wijziging van protocol I wat betreft de uitbreiding van de deelname van het Verenigd Koninkrijk en entiteiten van het Verenigd Koninkrijk aan het Erasmus+-programma.

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat ook handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 3 .

Het Gespecialiseerd Comité is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, namelijk de handels- en samenwerkingsovereenkomst.

De door het Gespecialiseerd Comité vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde wijziging is op grond van artikel 778, lid 1, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst bindend uit hoofde van het volkenrecht.

De beoogde wijziging strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is daarom artikel 218, lid 9, VWEU.

2026/0067 (NLE)

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Als de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

Als een beoogde handeling tegelijkertijd meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden doelstellingen of componenten heeft, zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, moet een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit bij wijze van uitzondering de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen als materiële rechtsgrondslag hebben.

De beoogde wijziging heeft doelstellingen en componenten op het gebied van onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport. Deze elementen van de beoogde handeling zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zonder dat het ene ondergeschikt is aan het andere.

Het voorgestelde besluit heeft daarom de volgende artikelen als materiële rechtsgrondslag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 165, lid 4, en artikel 166, lid 4.

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 165, lid 4, en artikel 166, lid 4, VWEU in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

Aangezien het besluit van het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie tot wijziging van protocol I rechtsgevolgen heeft, is het passend dat besluit na de vaststelling ervan bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 165, lid 4, en artikel 166, lid 4, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport is vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 4 (de “Erasmus+-verordening”).

  2. Overeenkomstig artikel 19 van de Erasmus+-verordening, dat voorziet in de associatie van derde landen met het programma, moeten de specifieke voorwaarden van een dergelijke associatie worden vastgesteld in een internationale overeenkomst tussen de Unie en het betrokken derde land.

  1. De handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (“de handels- en samenwerkingsovereenkomst”), is gesloten bij Besluit (EU) 2021/689 van de Raad 5 en is op 1 mei 2021 in werking getreden.

  2. Overeenkomstig artikel 710, lid 2, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst kan het bij artikel 8, lid 1, punt s), van de overeenkomst ingestelde Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie (het “Gespecialiseerd Comité”) protocol I “Programma’s en activiteiten waaraan het Verenigd Koninkrijk deelneemt” (“protocol I”) en protocol II “Toegang van het Verenigd Koninkrijk tot in het kader van bepaalde programma’s en activiteiten ingestelde diensten waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt” (“protocol II”) wijzigen, en er eventueel nieuwe programma’s of activiteiten aan toevoegen waaraan het Verenigd Koninkrijk zal deelnemen en bijdragen.

  3. Protocol I en de wijzigingen eraan maken integrerend deel uit van de handels- en samenwerkingsovereenkomst.

  4. Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie in het Gespecialiseerd Comité moet worden ingenomen met betrekking tot de wijziging van protocol I bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het kader van het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie in te nemen standpunt is gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gespecialiseerd Comité.

Artikel 2

Kleine technische wijzigingen van het ontwerpbesluit kunnen zonder nader besluit van de Raad worden goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de Unie in het Gespecialiseerd Comité.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel,

BIJLAGE bij Voorstel voor een Besluit van de Raad betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie

Brussel, 2.3.2026

COM(2026) 106 final

BIJLAGE

BESLUIT NR. 1/2026 VAN HET GESPECIALISEERD COMITÉ VOOR DE DEELNAME AAN PROGRAMMA’S VAN DE UNIE, INGESTELD BIJ ARTIKEL 8, LID 1, PUNT S), VAN DE HANDELS- EN SAMENWERKINGSOVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE, ENERZIJDS, EN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND, ANDERZIJDS,

van [datum]

tot wijziging van protocol I bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst

HET GESPECIALISEERD COMITÉ VOOR DE DEELNAME AAN PROGRAMMA’S VAN DE UNIE,

Gezien de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds 1 , (de “handels- en samenwerkingsovereenkomst”), en met name artikel 710, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

GEZIEN de gemeenschappelijke doelstellingen en waarden en de sterke banden van de overeenkomstsluitende partijen op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugdzaken en sport, en aangezien de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan het Erasmus+-programma beide partijen ten goede zal komen;

BEKRACHTIGEND dat de partijen het standpunt delen dat de specifieke voorwaarden van deze deelname, met inbegrip van onderling overeengekomen financiële voorwaarden, moeten zorgen voor een billijk evenwicht tussen de bijdragen van en de voordelen voor het Verenigd Koninkrijk,

 

ERKENNENDE dat de partijen het in overeenstemming met dit standpunt passend hebben geacht de verdeelsleutel voor Erasmus+ in het meerjarig financieel kader 2021-2027 in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst aan te passen,

ERKENNENDE dat de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan relevante programma’s die Erasmus+ opvolgen in het kader van het volgende meerjarig financieel kader, op onderling overeengekomen voorwaarden moet plaatsvinden om een billijk evenwicht te weerspiegelen en gebaseerd moet zijn op de ervaring met de deelname in 2027,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Protocol I wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2027.

Gedaan te [plaats], [dd mm] 2026.

Voor het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie

De medevoorzitters



BIJLAGE

Protocol I bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 1 wordt een nieuw lid 2 ingevoegd:

“2) Vanaf 1 januari 2027 neemt het Verenigd Koninkrijk deel aan en draagt het bij tot het programma van de Unie dat is vastgesteld bij de volgende basishandeling:

a) Verordening (EU) 2021/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van “Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs en opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 2 .

b) artikel 1, lid 2, wordt lid 3 en wordt vervangen door:

“3) Wat de in lid 1 van dit artikel bedoelde programma’s betreft, is dit protocol niet van toepassing op toekenningsprocedures voor de uitvoering van begrotingsvastleggingen voor 2021, 2022 en 2023.”;

c) in artikel 1 wordt een nieuw lid 4 ingevoegd:

“4) Wat het in lid 2 van dit artikel bedoelde programma betreft, is dit protocol niet van toepassing op toekenningsprocedures voor de uitvoering van begrotingsvastleggingen voor 2021, 2022, 2023, 2024, 2025 en 2026.”;

d) artikel 2, lid 1, wordt vervangen door:

“1) Het Verenigd Koninkrijk neemt met ingang van 1 januari 2024 deel aan de programma’s en activiteiten van de Unie, of delen daarvan, als bedoeld in artikel 1, lid 1, van dit protocol, voor de resterende duur ervan of tot het eind van het meerjarig financieel kader 2021-2027, als dat korter is.”;

e) in artikel 2 wordt een nieuw lid 2 ingevoegd:

“2) Het Verenigd Koninkrijk neemt met ingang van 1 januari 2027 deel aan het programma van de Unie als bedoeld in artikel 1, lid 2, van dit protocol, voor de resterende duur ervan of tot het eind van het meerjarig financieel kader 2021-2027, als dat korter is.”;

f) artikel 2, lid 2, wordt lid 3 en wordt vervangen door:

“3) Het Verenigd Koninkrijk of de entiteiten van het Verenigd Koninkrijk komen in aanmerking onder de voorwaarden van artikel 711 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot de toekenningsprocedures van de Unie, die de in artikel 1 van dit protocol bedoelde begrotingsvastleggingen van de programma’s en activiteiten of delen daarvan uitvoeren binnen de in de leden 1 en 2 van dit artikel vastgestelde termijnen.

Het Verenigd Koninkrijk of de entiteiten van het Verenigd Koninkrijk komen, voor de programma’s en activiteiten van de Unie, of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 1, lid 1, van dit protocol, niet in aanmerking voor financiering door de Unie in het kader van toekenningsprocedures van de Unie voor de uitvoering van vastleggingen in de begroting voor 2021, 2022 en 2023, onverminderd de toepasselijke subsidiabiliteitsregels voor entiteiten van niet-geassocieerde landen die zijn vastgesteld in de basishandeling of andere regels met betrekking tot de uitvoering van het programma of de activiteit van de Unie.

Het Verenigd Koninkrijk of de entiteiten van het Verenigd Koninkrijk komen, voor het programma van de Unie als bedoeld in artikel 1, lid 2, van dit protocol, niet in aanmerking voor financiering door de Unie in het kader van toekenningsprocedures van de Unie voor de uitvoering van vastleggingen in de begroting voor 2021, 2022, 2023, 2024, 2025 en 2026, onverminderd de toepasselijke subsidiabiliteitsregels voor entiteiten van niet-geassocieerde landen die zijn vastgesteld in de basishandeling of andere regels met betrekking tot de uitvoering van het programma of de activiteit van de Unie.”;

g) een nieuw artikel 7 wordt toegevoegd:

“Artikel 7

Specifieke voorwaarden voor deelname aan het Erasmus+-programma

De deelname van het Verenigd Koninkrijk aan het Erasmus+-programma is afhankelijk van de kennisgeving van een nationale autoriteit, de aanwijzing van een nationaal agentschap en de aanwijzing van een onafhankelijk auditorgaan, overeenkomstig de artikelen 26, 27, 28 en 29 van Verordening (EU) 2021/817.

De deelname van het Verenigd Koninkrijk aan het Erasmus+-programma is afhankelijk van het feit of de Europese Commissie haar al dan niet voorwaardelijke goedkeuring hecht aan de evaluatie vooraf van de naleving met betrekking tot het nationale agentschap, overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EU) 2021/817.”;

h) een nieuw artikel 8 wordt toegevoegd:

“Artikel 8

Financiële voorwaarden voor deelname aan het Erasmus+-programma

1) In afwijking van artikel 714, lid 7, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst bedraagt de verdeelsleutel die in het jaar 2027 wordt toegepast voor de berekening van de operationele bijdrage voor de deelname aan het in artikel 1, lid 2, van dit protocol bedoelde Erasmus+-programma 70 % van de in artikel 714, lid 6, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst vastgestelde verdeelsleutel.

2) Met betrekking tot het in artikel 1, lid 2, van dit protocol bedoelde Erasmus+-programma worden de verwijzingen naar de “verdeelsleutel van jaar N” in artikel 714, lid 8, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst begrepen als “70 % van de verdeelsleutel van jaar N”.”;

i) een nieuw artikel 9 wordt toegevoegd:

“Artikel 9

Herziening van de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan het Erasmus+-programma

1) Tien maanden na het begin van de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan het in artikel 1, lid 2, van dit protocol bedoelde programma evalueert het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie de uitvoering ervan op basis van de beschikbare gegevens over de deelname van entiteiten van het Verenigd Koninkrijk aan acties in indirect en direct beheer in het kader van dit programma, met inbegrip van de mate waarin middelen met succes zijn toegewezen.

2) Op verzoek van een van de Partijen bespreekt het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma’s van de Unie wijzigingen of voorgestelde wijzigingen die van invloed zijn op de voorwaarden voor de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan dit programma, en kan het zo nodig passende maatregelen voorstellen binnen het toepassingsgebied van de handels- en samenwerkingsovereenkomst.

3) Elke Partij verzamelt, bewaart en verstrekt aan de andere Partij de informatie of gegevens die redelijk zijn om deze toetsing uit te voeren.”;

j) een nieuw artikel 10 wordt toegevoegd:

“Artikel 10

Statistische samenwerking

Alle statistische gegevens over het Verenigd Koninkrijk met het oog op de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan Erasmus+, met name gegevens over de bevolking van het Verenigd Koninkrijk, worden door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat) verstrekt zodra de relevante uitwisselingen van statistische gegevens en daarmee verband houdende informatie zijn opgenomen in het toepassingsgebied van de regeling inzake statistische samenwerking tussen de statistische autoriteit van het Verenigd Koninkrijk en Eurostat als bedoeld in artikel 730 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst. Voordat de geactualiseerde voorwaarden toepassing vinden, worden alle statistische gegevens over het Verenigd Koninkrijk met het oog op de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan Erasmus+ vastgesteld op basis van gegevens die worden verstrekt door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).”;

k) artikel 7 wordt artikel 11 en wordt vervangen door:

“Artikel 11

Wederkerigheid

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “entiteit van de Unie” verstaan, elk type entiteit, ongeacht of het een natuurlijk persoon, rechtspersoon of een ander type entiteit betreft, die in de Unie verblijft of is gevestigd.

Subsidiabele entiteiten uit de Unie kunnen deelnemen aan programma’s van het Verenigd Koninkrijk die gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b) en c), van dit protocol, overeenkomstig de wetgeving en regels van het Verenigd Koninkrijk.”;

l) artikel 8 wordt artikel 12.