Home

Hof van Justitie EU 18-03-1958 ECLI:EU:C:1958:3

Hof van Justitie EU 18-03-1958 ECLI:EU:C:1958:3

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
18 maart 1958

Conclusies van de Advocaat-Generaal

M. Lagrange

Vertaald uil hel Frans

Mijnheer de Voorzitter, mijne heren Rechters,

De eisende Vennootschap exploiteert te Chasse (Isère) ten zuiden van Lyon en in de nabijheid van de kolenbekkens van St.-Chamond en St.-Etienne enige hoogovens, waarin hematiet-ruwijzer wordt vervaardigd, hetwelk zij vrijwel uitsluitend als staalijzer verkoopt voor het gebruik in de staalfabrieken.

Als grondstoffen bezigt zij: 1o cokes uit de naburige streek van St.-Etienne; 2o hematiet-ijzererts met gering phosphorgehalte, hoofdzakelijk afkomstig van afzettingen in de Oostelijke Pyreneeën en in Algerië waarvan zij de concessies bezit; 3o schroot, hetwelk zij aankoopt in het gebied van Lyon waar een belangrijke schrootmarkt bestaat. Opgemerkt zij nog, dat het gebruik van schroot teneinde „het ijzergehalte van de hoogovenlading te verhogen” een belangrijke plaats inneemt in de grondstoffen, welke de Vennootschap gebruikt; zo bedroeg haar verbruikscoëfficiënt voor het jaar 1956 bijvoorbeeld 454 kg.

De „Compagnie des Hauts Fourneaux de Chasse”, welke derhalve geen gebruik maakt van ingevoerd schroot, heeft gemeend niet te moeten toetreden tot het door de ondernemingen gecreëerde vereveningsstelsel, hetwelk ten doel had een compensatie voor de prijzen van ingevoerd schroot tot stand te brengen. Dit stelsel werd op haar eerst van toepassing toen het bij de Beschikkingen Nos. 22-54 en 14-55, welke krachtens artikel 53, sub b, van het Verdrag genomen werden, verplicht werd gesteld.

Vanaf dit tijdstip heeft zij bij de Hoge Autoriteit stappen ondernomen teneinde aan de vereveningsheffing te ontkomen of om althans te haren opzichte een bijzondere regeling te verkrijgen. Tijdens deze onderhandelingen heeft zij de stortingen slechts gedeeltelijk verricht; ten slotte werd haar een Beschikking betekend van 12 december 1956, gegeven ex artikel 92 van het Verdrag, welke een executoriale titel vormde voor de inning van de door haar verschuldigde vereveningsbijdrage krachtens voormelde Beschikkingen Nos. 22-54 en 14-55. De in genoemde Beschikking vermelde bedragen belopen in totaal Ffrs. 8 4.5 82. 316.

Tegen deze Beschikking heeft de „Compagnie des Hauts Fourneaux de Chasse” een beroep tot nietigverklaring ingesteld, No. 15-57, uitsluitend gegrond op de onwettigheid van de twee algemene basisbeschikkingen welke wij zojuist hebben vermeld: Nos. 22-54 en 14-55.

Anderzijds bestrijdt zij, bij een ander beroep, No. 2-57, Beschikking No. 2-57 (de gelijkheid van deze cijfers is zuiver toevallig). Zij eist de vernietiging wegens „détournement de pouvoir” te haren opzichte, van Beschikking No. 2-57 in haar geheel; in werkelijkheid echter, en in tegenstelling tot de stellers van de andere beroepen, valt zij die bepalingen van deze Beschikking aan welke zijn overgenomen uit de oorspronkelijke Beschikkingen en betrekking hebben op de zuivere egalisatie tussen de prijzen van ingevoerd en van binnenlands schroot. Wat betreft de bepalingen nopens de verevening ruwijzer-schroot en de nieuwe bepalingen van Beschikking No. 2-57, welke met de andere beroepen worden bestreden, deze wraakt zij slechts als zijnde een onvoldoend lapmiddel tegen de gevolgen van de prijsverevening zelve, welke zij als onwettig beschouwt en die naar zij meent het gebrek van „détournement de pouvoir” te haren opzichte vertoont.

Er doen zich dus twee prealabele vragen van ontvankelijkheid voor.

De eerste, betreffende het beroep No. 2-57, is of de eisende partij in beroep kan gaan tegen die bepalingen van Beschikking No. 2-57 welke zonder meer zijn overgenomen uit de vorige Beschikkingen, zulks terwijl deze niet het voorwerp van beroep zijn geweest en de daarvoor geldende beroepstermijnen zijn verstreken.

De tweede vraag, betreffende het beroep No. 15-57, is of, en zo ja, in hoeverre, de eisende partij, bij gelegenheid van een beroep tegen een individuele beschikking betreffende inning, zich kan baseren op de onwettigheid van de algemene basisbeschikkingen.

De eerste vraag zal ons slechts weinig bezighouden.

De Hoge Autoriteit heeft zich niet, gelijk zij had kunnen doen, er toe bepaald de vroegere beschikking (en) aan te vullen met nieuwe bepalingen die de egalisatie van ruwijzer-schroot met tijdsbepaling afschaffen en het systeem van de verdeling van de vereveningslast wijzigen. Zij heeft in haar Beschikking allo vroegere beschikkingen ongewijzigd opgenomen en uitdrukkelijk Beschikking No. 14-55 ingetrokken of, beter gezegd (wat op hetzelfde neerkomt) besloten, dat deze Beschikking „ophoudt van toepassing te zijn met ingang van 1 februari 1957”. Gezien het feit, dat, gelijk wij hedenmorgen hebben kunnen constateren bij de analyse van Beschikking No. 2-57, deze één geheel vormt, kunnen wij geen enkel juridisch motief vinden om het verstrijken van de beroepstermijnen aan een onderneming tegen te werpen, omdat zij de vroegere beschikkingen niet binnen de gestelde termijn heeft bestreden.

De tweede vraag is van meer belang, namelijk de vraag of de eisende partij, een onderneming, ter ondersteuning van een beroep tot vernietiging ingesteld, krachtens artikel 33, 2e alinea, tegen een „haar individueel betreffende beschikking” zich mag beroepen op de onwettigheid van een algemene beschikking welke aan de bestreden individuele Beschikking ten grondslag ligt.

De Hoge Autoriteit, zich voornamelijk — bij een redenering a contrario — baserend op de bepalingen van artikel 36 welke uitdrukkelijk de exceptie van onwettigheid voorzien bij beroep tegen beschikkingen waarbij een geldstraf of dwangsom wordt opgelegd, stelt dat deze exceptie niet kan worden toegelaten in de andere gevallen van individuele beschikkingen. Subsidiair stelt zij dat, zelfs indien men de ontvankelijkheid van deze exceptie aan zou nemen, deze in elk geval niet gebaseerd zou kunnen worden op een ander rechtsmiddel dan de onderneming kan doen gelden in geval van direct beroep tegen een algemene beschikking, dat wil zeggen „détournement de pouvoir” te haren opzichte.

Wij voor ons menen, dat de exceptie van onwettigheid moet worden toegelaten en wel zonder enige restrictie, dat wil zeggen dat zij tevens het recht inhoudt zich te beroepen op alle middelen van onwettigheid welke in artikel 33, le alinea, worden genoemd.

Volgens artikel 33, 2e alinea, „staat voor de ondernemingen en verenigingen, bedoeld in artikel 48, onder dezelfde voorwaarden beroep open tegen de hen individueel betreffende beschikkingen en aanbevelingen…”. De uitdrukking „onder dezelfde voorwaarden” bedoelt zonder enige twijfel de voorwaarden waarop de deelnemende Staten en de Raad hunnerzijds met toepassing van de eerste alinea een beroep tot nietigverklaring kunnen instellen. Het is dus duidelijk, dat de ondernemingen en verenigingen zich tegenover „hen individueel betreffende beschikkingen” kunnen beroepen op de vier in de eerste alinea genoemde middelen tot nietigverklaring. Wij kunnen dan ook beslist niet inzien waarom liet onderzoek naaide wettigheid van de basisbeschikking beperkt zou moeten blijven tot het middel van de „détournement de pouvoir”, indien men althans aanneemt dat de exceptie van onwettigheid kan worden opgeworpen ter ondersteuning van een beroep tegen een individuele beschikking.

Ongetwijfeld zou men kunnen aanvoeren, dat de ondernemingen en verenigingen aan wie het recht is ontzegd nietigverklaring van algemene beschikkingen te vragen langs andere weg dan uit hoofde van „détournement de pouvoir”, niet de mogelijkheid moeten hebben om langs een omweg, namelijk de weg van exceptie van onwettigheid, datgene te bereiken wat haar niet vrijstaat langs de weg van een rechtstreeks beroep. Maar dit zou een miskenning betekenen van de wezenlijke reden van de bepaling welke aan ondernemingen en verenigingen toestaat beroep in te stellen tegen algemene beschikkingen waarvan zij menen, dat daaraan de fout kleeft van „détournement de pouvoir” te haren opzichte; immers, deze reden houdt verband met het directe belang dat een dergelijk geval voor haar medebrengt, een gelijk belang dus als betrof het een individuele beschikking. Zoals in één van Uw arresten wordt gezegd, is het in een dergelijk geval steeds het persoonlijk element dat overweegt. Het gaat hier dus om overwegingen die de ontvankelijkheid en niet het materiële rechtsgeschil betreffen. Wanneer nu in een beschikking een algemene beschikking individueel op een onderneming wordt toegepast, is het belang van die onderneming bij de betwisting der wettigheid van deze beschikking ipso facto bewezen, tenminste voorzover het gaat om een algemene beschikking waaraan de fout kleeft van „détournement de pouvoir” te haren opzichte.

Naar onze mening is dus de vraag waar het om gaat: moet de exceptie van onwettigheid worden toegelaten, ja dan neen?

In de eerste plaats, welke opvattingen gelden nu op dit punt in de landen welke lid zijn van de Gemeenschap?

In drie van deze landen, namelijk Frankrijk, België en Ilalië, wordt deze exceptie op ruime schaal toegelaten, daar zij wordt beschouwd als een normale toepassing van het beroep tot nietigverklaring. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat in deze drie landen reglementen, afkomstig van de uitvoerende macht, wat het recht van beroep betreft, vanuit een formeel standpunt worden beschouwd, dat wil zeggen als administratieve besluiten welke nietig kunnen worden verklaard indien zij met de wet in strijd zijn. Gezien het feit, dat te hunnen opzichte het directe beroep tot nietigverklaring mogelijk is, bestaat er geen enkel principieel bezwaar, dat een onderzoek naar hun wettigheid wordt ingesteld, ook voor die gevallen waarin zij individuele toepassing vinden. Het voordeel van deze opvatting is, dat de exceptie van onwettigheid te allen tijde kan worden opgeworpen, zelfs wanneer de termijn van beroep tegen het reglement of de algemene beschikking is verstreken. Daartegenover staat dat, ingeval van een gunstige afloop, slechts de individuele beschikking wordt vernietigd, waardoor de ernstige gevolgen van nietigverklaring van het reglement zelf, uitgesproken erga omnes met terugwerkende kracht, worden voorkomen.

Wat Frankrijk betreft willen wij hier, uit vele andere, twee arresten van de Conseil d'Etat noemen:

Abbé Barthélémy, 9 juli 1926, Rec. blz. 713

Marcin-Kowsky, 28 november 1951, Rec. blz. 548.

Deze arresten zijn hierom belangwekkend, daar zij beginnen met de conclusies, gericht op nietigverklaring van het reglement, te verwerpen, als zijnde ingediend na het verlopen van de termijn, terwijl terstond daarop uitspraak wordt gedaan over de wettigheid van ditzelfde reglement naar aanleiding van conclusies gericht tegen een individuele toepassingsbeschikking. De jurisprudentie neemt echter aan dat de wettigheid van het reglement slechts kan worden bestreden voorzover het die bepalingen van bedoeld reglement betreft welke aan de toepassingsmaatregel ten grondslag liggen (dame Denayer, 18 februari 1949, Rec. blz. 80 en Sirey 1949, 3.40).

In de drie overige landen van de Gemeenschap: Duitsland, Nederland en Luxemburg geeft men eerder de voorkeur aan het materiële criterium krachtens hetwelk het reglement een daad van secundaire wetgeving is, doch van gelijke aard als de wet. Niettemin is het een onbetwist rechtsbeginsel, dat het reglement aan de wet ondergeschikt is; de eerstgenoemde opvatting leidt er toe dat men aarzelt rechtstreekse beroepen tot nietigverklaring tegen reglementen toe te laten, terwijl de tweede opvatting de exceptie van onwettigheid gereder toestaat. In het strafrecht wordt deze exceptie op ruime schaal erkend. In het administratief recht is zij eveneens toegelaten. De moeilijkheden op laatstgenoemd rechtsgebied houden met name verband met de aanwijzing van de rechter, die bevoegd is over de wettigheid uitspraak te doen: dit is in het bijzonder het geval in Frankrijk waar het beginsel van de scheiding der machten zeer strikt wordt toegepast en waar, derhalve, aan verwijzing naar de administratieve rechter ter verkrijging van een prejudiciële uitspraak veelal de voorkeur wordt gegeven boven de toepassing van het beginsel volgens hetwelk de rechter, die van de hoofdvordering kennis neemt, tevens bevoegd is over de exceptie uitspraak te doen; bovenstaande overwegingen zijn evenwel niet van belang wanneer, gelijk in casu, slechts één rechter competent is.

Bestaan er nu bijzondere overwegingen op grond waarvan bij de toepassing van het Verdrag een andere oplossing zou moeten worden aanvaard? Wij menen van niet. Integendeel, artikel 41, waarbij het Hof van Justitie — zonder enige beperking ten aanzien van de aard der voor te dragen middelen, noch ook ten aanzien van de aard der bestreden Beschikking — bevoegd wordt verklaard bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van de besluiten van de Hoge Autoriteit indien een geschil, dat aan een nationale rechter is voorgelegd, deze geldigheid in het geding brengt, vormt een argument te meer voor het afwijzen van eventuele beperkingen; immers, geen enkel motief kan rechtvaardigen, dat aan de ondernemingen, welke zich rechtstreeks tot het Hof mogen wenden, een beperkter recht zou worden toegekend dan aan derden, die slechts in bepaalde gevallen genoodzaakt zullen zijn een uitspraak te verlangen over een vraag die de wettigheid van een beschikking van de Hoge Autoriteit raakt.

Wat betreft het argument, ontleend aan artikel 36 betreffende de geldstraffen, dit komt ons weinig overtuigend voor. Is het een argument a contrario of betreft het hier een analogische interpretatie? Gelijk de raadsman van de Hoge Autoriteit op zeer objectieve wijze heeft uiteengezet, zijn beide oplossingen verdedigbaar. Wij merken slechts op, dat, indien de wetgever aan het einde van artikel 36 de exceptie van onwettigheid der basisbeschikking voor de beroepen, ingesteld tegen dwangsommen en geldboeten, uitdrukkelijk toelaat, zulks slechts geschiedt om iedere mogelijkheid van twijfel weg te nemen. Want indien — gelijk reeds gezegd — de exceptie van onwettigheid in het strafrecht algemeen wordt toegelaten, welk deel van het recht uit hoofde van zijn aard in wetten pleegt te worden neergelegd, zou er op dit punt enige twijfel kunnen blijven bestaan, daar de in het Verdrag voorziene geldboeten en dwangsommen, administratieve — geen penale — sancties zijn en voorts omdat artikel 36 — de lex specialis voor bedoelde sancties — ten aanzien daarvan een zogenaamde „rechtspleging in volle omvang” instelt. Het bleek wenselijk de grenzen van deze rechtspleging te omschrijven door uitdrukkelijk te bepalen dat de rechter — ook in die gevallen — en zonder enige beperking — bevoegd is zich over de wettigheid der te gronde liggende regeling uit te spreken. Artikel 33 daarentegen ligt op het terrein van de rechtspleging tot nietigverklaring, hetgeen verdere aanduidingen op dit punt overbodig maakte.

Het is onnodig te zeggen hoe onbevredigend de restrictieve opvatting zou zijn wanneer — zoals in casu — in de individuele beschikking een overtreding wordt geconstateerd met gelijktijdige invordering van een geldsbedrag, immers, de bevoegdheden van het Hof alsmede de rechten der betrokkenen zouden dan variëren naargelang van het feit of de beschikking al dan niet tevens een sanctie inhoudt. Met name zou dit geval zich voordoen wanneer het een beschikking betreft, waarbij — zonder dat tevens een boete wordt opgelegd — invordering plaatsvindt van bedragen, uit hoofde ener heffing verschuldigd. Ons is geen voorbeeld bekend, dat de fiscale rechter, ter beslissing van de rechtsvraag te gronde, zijn bevoegdheden beperkt zou zien wanneer de aanslag niet met een boete gepaard gaat.

Ten slotte — gelijk de eisende Vennootschap heeft opgemerkt — is de door ons verdedigde stelling in de nieuwe Verdragen neergelegd (Europese Economische Gemeenschap: artikel 184; Euratom: artikel 156).

Om deze redenen aarzelen wij dan ook niet te concluderen, dat in de Zaak No. 15-57 de „Compagnie des Hauts Fourneaux de Chasse” ontvangen zal worden in haar vordering, waarbij zij krachtens artikel 33, eerste alinea, de wettigheid betwist van de algemene beschikkingen welke de grondslag vormen voor de bij bedoeld beroep bestreden Beschikking'.

Wij gaan thans over tot de behandeling van het geschil ten principale. Allereerst beroep No. 2-57 waartoe uitsluitend het middel van „détournement de pouvoir” wordt voorgedragen; vervolgens behandelen wij beroep No. 15-57 waartoe de eisende partij (naar onze mening terecht) voorts nog enkele grieven van schending van het Verdrag aanvoert, waarbij dan zal worden onderzocht in hoeverre deze grieven tot bijzondere beschouwingen aanleiding geven.

De „Compagnie des Hauts Fourneaux de Chasse” verwijt de Hoge Autoriteit, dat zij door middel van het prijsvereveningsstelsel voor ingevoerd schroot en met gebruikmaking van de daartoe gestelde regels, te haren opzichte een „détournement de pouvoir” heeft begaan. Dit „détournement de pouvoir” vertoont zich volgens de eisende partij met name onder twee aspecten.

Het is allereerst gelegen in het feit, dat een regeling werd gegeven waardoor de producenten van ruwijzer zwaarder werden „getroffen” dan de staalproducenten, hetgeen een discriminatie inhoudt ten nadele van de eerstgenoemde producenten.

Dit „détournement de pouvoir” blijkt voorts uit de omstandigheid, dat de toepassing van het prijsvereveningsstelsel niet heeft geleid tot een gedifferentieerde behandeling van het lichte schroot voor de hoogovens enerzijds en het zware schroot voor de staalproduktie anderzijds, zulks terwijl de niet vergelijkbare aard van deze beide grondstoffen dit verlangde; immers, deze soorten zijn fundamenteel verschillend, zowel wat betreft hun plaats op do markt, als ten aanzien van het gebruik hetwelk daarvan in de industrie wordt gemaakt.

Ter ondersteuning van deze grieven voert de „Chasse” een aantal argumenten aan, die als volgt kunnen worden samengevat:

  1. Wat betreft het „détournement de pouvoir” ten nadele van de ruwijzerproducenten in verhouding tot de staalproducenten, stelt de eisende partij allereerst, dat de kunstmatige handhaving van de schrootprijzen op een relatief laag peil de staalproducenten er toe brengt zich van het ruwijzer af te wenden en hun schrootverbruik te verhogen.

    Zij betoogt in de tweede plaats, dat door het leggen van een vereveningsheffing op de door de ruwijzerproducenten aangekochte hoeveelheden schroot de kostprijs van hun produkten aanzienlijk wordt verhoogd en hun concurrentievermogen ten opzichte van uit derde landen afkomstig ruwijzer beduidend wordt verlaagd.

    Ten slotte, aldus de eisende partij, verkeren de producenten van ruwijzer op de markt voor licht schroot in een ongunstige positie ten opzichte van bepaalde groepen van schrootverbruikers die niet tot betaling ener vereveningsbijdrage worden gedwongen.

  2. Het „détournement de pouvoir” voortvloeiend uit de toepassing ener uniforme bijdrage ten aanzien van niet vergelijkbare soorten schroot, doet zich enerzijds voor ten aanzien van alle verbruikers van licht schroot en anderzijds — met name — ten opzichte van de veraf gelegen hoogovens welke niet over eigen verwerkingsafval beschikken en ten slotte — nog meer in het bijzonder — ten aanzien van de „Compagnie des Hauts Fourneaux de Chasse” welker ligging het treffen van bijzondere maatregelen rechtvaardigde.

    Het „détournement de pouvoir” teu opzichte van alle verbruikers van licht schroot is gelegen in het feit, dat op deze grondstof hetzelfde vereveningstarief wordt toegepast als dat hetwelk geldt voor de aankoop van zwaar schroot; deze laatste soort is te allen tijde duurder, wordt op volstrekt andere wijze aangewend en levert daarbij verliezen op die zich bij het gebruik van licht schroot niet voordoen.

    Ten opzichte — in het bijzonder — van de geïsoleerd gelegen hoogovens is er sprake van „détournement de pouvoir” uit hoofde van het feit, dat hun hetzelfde vereveningstarief wordt opgelegd als aan de hoogovens welke door geïntegreerde ondernemingen worden geëxploiteerd, zulks terwijl voor deze laatste gebruik gemaakt kan worden van eigen, niet aan de verevening onderworpen, verwerkingsafval.

    Ten slotte is er, zeer in het bijzonder, sprake van „detournement de pouvoir” ten opzichte van de „Compagnie des Hauts Fourneaux de Chasse”, nu de Hoge Autoriteit geen rekening heeft gehouden met haar bijzondere positie op de markt, welke bijzondere maatregelen te haren opzichte rechtvaardigde, met name de vrijstelling van de vereveningsheffiing.

De positie van de „Chasse” is van bijzondere aard:

  1. uit geografisch oogpunt, daar zij niet aan de normale „invoerkanalen” gelegen is;

  2. uit technisch oogpunt, daar zij slechts hematiet-ruwijzer produceert en schroot slechts gebruikt om het ijzergehalte van de lading te verhogen;

  3. uit commercieel oogpunt, daar de „Chasse” ter plaatse bij haar „vaste” leveranciers draaispanen en snijafval tegen „lage prijzen” kan betrekken.

Beweringen van deze aard nopen de rechter tot een nauwgezet onderzoek der feiten. Voor de beoordeling der aldus geformuleerde grieven dient derhalve te worden teruggegaan tot de tijdens de instructie verstrekte gegevens en meer in het bijzonder tot de antwoorden van partijen ingevolge de Beschikking van 26 november 1957.

Onderzoeken wij allereerst het „détournement de pouvoir” dat ten nadele van de ruwijzerproducenten zou hebben plaatsgevonden, in dier voege dat zij willekeurig bij de staalproducenten zouden zijn achtergesteld.

U zult zich herinneren hoe bij de voor Uw Hof gehouden pleidooien inzake de verschillende vereveningsstelsels gebleken is hoe de Hoge Autoriteit er voortdurend naar gestreefd heeft het hoofd te kunnen bieden aan een structureel deficit op de schrootmarkt en wel door middel van een beleid, gericht op de verdere ontwikkeling van de produktiemogelijkheden voor ruwijzer, welke naar haar mening de onmisbare voorwaarde vormt voor de uitbreiding van de ijzer- en staalindustrie. Dit streven weerspiegelde zich telkens wanneer de Hoge Autoriteit zich in het openbaar uitsprak: programma's omtrent de vooruitzichten van de produktie, algemeen verslag over de werkzaamheden der Gemeenschap, omschrijving der algemene doelstellingen, algemene adviezen nopens de investeringen. In de verklaringen van de Hoge Autoriteit in de Gemeenschappelijke Vergadering wordt deze gedachte steeds weer tot uitdrukking gebracht (bijvoorbeeld in de rede op 8 mei 1956 uitgesproken door Voorzitter Mayer).

Dit streven bleef echter niet beperkt tot plannen en redevoeringen. Zo heeft de Hoge Autoriteit in het begin van 1955 het prijsvereveningsstelsel voor ingevoerd schroot in dier voege geregeld, dat de aan dit stelsel verbonden financiële last verlicht wordt voor die ondernemingen, welke bij de vervaardiging van staal in de Martinovens schroot door ruwijzer vervangen. Men heeft deze regeling wel genoemd de „compensatieregeling ruwijzerschroot”, welke een integrerend deel uitmaakt van de prijsverevening en ten doel heeft in de kostprijs van staal een compensatie aan te brengen voor de extra kosten ingevolge de vervanging van schroot door ruwijzer (Beschikkingen Nos. 14-55 en 26-55). De Hoge Autoriteit heeft gezegd, dat de concrete resultaten van dit stelsel weliswaar een onvoldoende aansporing vormden voor de bezuiniging op schroot, doch dat zij niettemin een nuttige werking hebben gehad, daar de compensatie betrekking had op meer dan 1.6 00. 000 ton ofwel 21 % van het ingevoerde schroot.

In haar streven de aansporing tot bezuiniging op schroot nog te versterken, wijzigt de Hoge Autoriteit haar financiële voorziening vervolgens bij Beschikking No. 2-57, welker wezenlijk kenmerk — gelijk bekend — hierin is gelegen, dat zij de aan de verevening verbonden financiële last doet variëren naargelang van de hoeveelheden aangekocht schroot en van de verschillende wijzen waarop dit wordt aangewend. Ten aanzien van dit laatste punt kan inderdaad worden opgemerkt, dat iedere vermindering van de verbruikscoëfficiënt voor schroot voor alle installaties en fabricagemethoden, waarbij deze grondstof wordt gebruikt, tot verminderingen voert, welke, berekend naar het aanvullend tarief, ten gevolge kunnen hebben dat dit deel van de bijdrage geheel verdwijnt.

Zo zal de „Compagnie des Hauts Fourneaux de Chasse”, bijvoorbeeld, die in 1956 haar verbruikscoëfficiënt voor schroot met bijna 30 % heeft verminderd, zich geheel zien vrijgesteld van de heffing volgens het aanvullend tarief (immers, de vermindering ingevolge bedoeld tarief bedraagt het vijfvoud van het percentage waarmede haar verbruikscoëfficiënt werd verlaagd), mits zij slechts haar referentieperiode op juiste wijze kiest.

Het is duidelijk, dat een dergelijk systeem van „kortingen” in het bijzonder aan de producenten van ruwijzer ten goede zal komen en dat wel op tweeërlei wijze: enerzijds zal de vervanging van cokes en ijzererts, waartoe zij voor wat betreft de hoogovens in staat zijn, hun het rechtstreekse voordeel verschaffen van kortingen op de bijdragen, waartoe zij als verbruikers van schroot gehouden zijn; anderzijds zal de vervanging van schroot door ruwijzer in de Martin-staalfabrieken leiden tot een verhoging van hun verkopen van staalijzer en spiegelijzer.

Het valt derhalve niet in te zien hoe het feit, dat de Hoge Autoriteit de schrootmarkt door middel van een financiële instelling regulariseert, op zichzelf een „détournement de pouvoir” zou kunnen opleveren ten aanzien van de producenten van ruwijzer die immers bij deze regularisering een rechtstreeks belang hebben in hun hoedanigheid van schrootverbruikers.

Bovendien blijken de feitelijke beweringen waarop de eisende onderneming haar grief doet steunen met de werkelijkheid in strijd te zijn.

Zo kan niet in gemoede worden beweerd, dat de schrootprijzen kunstmatig op een zodanig laag peil werden gehandhaafd, dat daarin voor de staalproducenten een aansporing' zou zijn gelegen zich van het ruwijzer af te wenden. U zult zich herinneren, dat tijdens de hier gevoerde pleidooien werd gezegd, dat het percentage, waarmede de schrootprijzen in de periode van 1954 — 1957 zijn gestegen, belangrijk hoger is dan het percentage van de prijsstijging voor ruwijzer en staal. Zo staat het bijvoorbeeld voor Frankrijk vast, dat de stijging van de schrootprijzen in genoemde periode 100 % bereikte, terwijl gedurende hetzelfde tijdvak de prijzen voor ruwijzer en staal in het algemeen slechts 15 tot 20 % maximaal zijn gestegen; voorts is de verhouding tussen de schrootprijs en de prijs voor hematiet-staalijzer van 0,50 tot 0,75 gestegen, zodat, naar de bij pleidooien gebruikte formule „de verbruiksprijs van schroot kennelijk het peil overschrijdt waarboven het verbruik van schroot minder voordelig wordt dan dat van ruwijzer”.

Deze opmerkingen vormen slechts een samenvatting van de talrijke statistische gegevens in de gepubliceerde verslagen en statistische handboeken, welke door de Gemeenschap zijn uitgegeven (voor de ontwikkeling van de prijzen van ruwijzer en schroot kan met name worden verwezen naar de Statistische Berichten van september/oktober 1957, blz. 343 c. v.). In het zoeven gezegde zijn ook de gegevens verwerkt, welke de „Chasse” heeft verstrekt met

15 N betrekking tot het prijsverloop van bepaalde schrootsoorten in bet gebied van Lyon, een punt waarop hieronder zal worden teruggekomen.

Het staat dus niet vast, dat de tot staalfabrikanten gerichte aansporing om hun besparingen op schroot te verhogen een gevolg is van het door de prijsverevening „kunstmatig laag gehouden peil” der schrootprijzen. In feite hangt deze aansporing samen met de zeer sterke conjunctuurstijging welke de ijzer- en staalindustrie in de Gemeenschap sinds het midden van 1954 heeft vertoond; gelijk U bekend, was onder deze omstandigheden een beroep op het gebruik van schroot het eenvoudigste middel om in de overmatige vraag te voorzien en het is in deze zin, dat gezegd kon worden, dat de prijsverevening — uit hoofde van de daaruit voortvloeiende regularisatie van de markt — op zichzelf heeft bijgedragen tot de verhoging van bet schrootverbruik. Eveneens dient rekening gehouden te worden met de ontwikkeling van de produktie van edelstaal en speciaal staal, waartoe bij voorkeur de elektro-oven geschikt is.

Evenmin is gebleken, dat de aan de schrootverbruikers krachtens de prijsverevening voor ingevoerd schroot opgelegde financiële last de producenten van ruwijzer in de Gemeenschap in een positie plaatst, waarin zij niet meer kunnen concurreren met de producenten van ruwijzer in derde landen. Want, afgezien nog van het feit, dat op dit punt bepaalde voorzieningen zijn gegeven, met name teneinde het voordeel van de compensatieregeling ruwijzerschroot te reserveren voor de ondernemingen welke schroot vervangen door uit de Gemeenschap afkomstig ruwijzer (Beschikking No. 26-55, artikel 4, 2e lid), staat het vast, dat de invoer van ruwijzer uit derde landen zeer gering is gebleven sinds het financiële stelsel van kracht werd en zulks zelfs gedurende de periode van hoogconjunctuur. Zo beliep de invoer van ruwijzer in 1956 5 76. 000 ton: zij werd evenwel nagenoeg gecompenseerd door een uitvoer ten belope van 4 10. 000 ton; deze cijfers moeten worden vergeleken met de globale produktie van ruwijzer in de Gemeenschap, welke in laatstgenoemd jaar 4 3.5 47. 000 ton beliep (antwoord van de Hoge Autoriteit op de vragen geformuleerd in de Beschikking van 26 november 1957, blz. 9).

Voorts kan, naar het ons voorkomt, niet worden erkend, dat de vrijstelling van de perekwatieheffing ten behoeve van bepaalde categorieën van schrootverbruikers, waarmede de „Compagnie des Hauts Fourneaux de Chasse” bij aankoop moet concurreren, een „détournement de pouvoir” ten voordele van bedoelde categorieën zou kunnen opleveren. Immers, nog afgezien van het feit, dat deze laatste niet aan de rechtsmacht van de Gemeenschap zijn onderworpen — welke omstandigheid een bijzondere zorg van de Hoge Autoriteit te hunnen opzichte des te vreemder zou doen voorkomen — blijkt, dat alle ondernemingen van de Gemeenschap welke staalijzer produceren, evenals de „Compagnie de Chasse”, tot betaling van de bijdrage gehouden zijn. Indien de niet aan de rechtsmacht van de Gemeenschap onderworpen ondernemingen, welke ferrolegeringen produceren, wat hun schrootaankopen betreft, rechtens van betaling der bijdrage zijn vrijgesteld, dan is het niet duidelijk hoe daarin een „détournement de pouvoir” ten nadele van de „Chasse” gezien kan worden, nu tussen deze ondernemingen in het stadium van de verkoop geen enkele mogelijkheid van concurrentie kan bestaan, daar haar produktie geheel verschillend is georiënteerd.

Wij zijn dan ook van mening, dat het middel van „détournement de pouvoir” in zijn eerste onderdeel ongegrond is.

In zijn tweede onderdeel keert het door de „Compagnie de Chasse” voorgedragen middel van „détournement de pouvoir” zich — gelijk wij hebben gezien — tegen de toepassing van een uniform vereveningstarief op twee „categorieën” schroot welke, uit hoofde van daartussen bestaande verschillen van commerciële en bedrijfstechnische aard, als niet vergelijkbare produkten moeten worden beschouwd en mitsdien ook ongelijk behandeld dienen te worden.

De eisende partij meent derhalve in feite een „détournement de pouvoir” te haren opzichte te mogen zien in een zuiver objectieve discriminatie als gevolg van de toepassing van een uniforme regeling op beweerdelijk niet vergelijkbare situaties. De eisende partij doet hier zonder twijfel impliciet een beroep op de stelling, dat een ernstig gebrek aan omzichtigheid bij de waardering der feiten zowel zou kunnen opleveren een discriminatie in de zin van artikel 4 b van het Verdrag, als een „détournement de pouvoir” ten aanzien van de onderneming — of de categorie van ondernemingen — welke onder deze discriminatie te lijden heeft.

Onderzocht dient derhalve te worden of uit de door partijen tijdens de instructie verstrekte gegevens blijkt, dat de prijsverevening — zoals deze ten opzichte van de „Compagnie de Chasse” werd toegepast en gezien de bijzondere omstandigheden waarin deze onderneming, zowel in geografisch als bedrijfsteclmisch en commercieel oogpunt verkeert — van discriminerende aard is.

Uit deze gegevens volgt ons inziens geenszins, dat tussen het schroot, hetwelk in de hoogovens wordt gebruikt en het schroot hetwelk voor de staalfabrieken aangewend wordt, verschillen bestaan op grond waarvan deze categorieën voor de toepassing van een prijsvereveningsstelsel, zoals in april 1954 werd ingevoerd, niet vergelijkbaar geacht kunnen worden. Uit deze gegevens blijkt voorts, naar het ons voorkomt, evenmin dat de eisende partij in de groep ruwijzerproducenten een zodanig bijzondere plaats inneemt, dat op grond hiervan te haren opzichte speciale maatregelen genomen zouden moeten, worden.

Wat betreft de vergelijkbaarheid van het gebruik van schroot volgt allereerst uit de door partijen, verstrekte gegevens — met name uit die vervat in de bijlage tot de door de „Compagnie de Chasse” overgelegde antwoorden in de Beschikking van 26 november 1957 —, dat de eisende partij zich voor het overgrote deel van het door haar gebruikte schroot in concurrentie bevindt met de staalfabrieken en dat zij een soort aanwendt, waarvan deze fabrieken eveneens gebruik maken.

Immers, alleen de pakketten 59 welke voor een groot deel non-ferro metalen bevatten worden systematisch door de staalfabrieken geweigerd. Doch blijkens hun aankoopstatistieken voor de jaren .1954 tot 1956 zijn de hoogovens van de „Chasse” hunnerzijds op deze grondstof evenmin bijzonder gesteld.

Immers, deze gegevens leren, dat de schrootbevoorrading van de eisende partij tot een beloop van 80 % betrekking heeft op schroofspanen van een zeer zuiver gehalte welke hoeveelheid tevens een vierde vertegenwoordigt van de door de staalfabrieken gedane aankopen.

In 1956 heeft de „Compagnie de Chasse” volgens haar eigen beweringiets meer dan 33. 600 ton schroot verbruikt. In dat jaar kocht zij in het gebied van Lyon ongeveer 27. 000 ton spanen 14/42, niettegenstaande de hoge prijs van dit schroot en minder dan 7. 000 ton pakketten 58/59, zogenaamde „pakketten voor hoogovens” (repliek blz. 3 en bijlage 3 tot de antwoorden van de „Chasse” op de vragen gesteld in de Beschikking van 26 november 1957).

Weliswaar is de omvang van het gebruik van spanen in de staalindustrie enerzijds en in de hoogovens anderzijds zeer verschillend, namelijk 20 tot 25 % in het eerste geval en 80 % in het tweede; doch dit neemt niet weg, dat het verbruik van spanen voor de produktie van één ton staal het verbruik benadert hetwelk nodig is voor de vervaardiging van één ton ruwijzer, zulks ten gevolge van de omvangrijke schrootlading in de Martin- en in de elektro-ovens, welke 1.000 kg per ton staal beloopt. Het is derhalve duidelijk, dat het gebruik van spanen in de staalfabrieken zowel bedrijfstechnisch als kwantitatief een omvang bezit welke vergelijkbaar is met het verbruik van spanen in de hoogovens.

Uit de door de „Chasse” verstrekte gegevens zien wij voorts, dat de staalfabrieken eveneens de „pakketten 52” gebruiken welke in de officiële nomenclatuur van de Hoge Autoriteit als „licht schroot” worden aangeduid. Daarentegen staat het vast, dat de door de geïntegreerde staalondernemingen geëxploiteerde hoogovens belangrijke hoeveelheden afval van de staalfabrieken verbruiken, welke ter plaatse worden ingezameld.

Indien de „Compagnie de Chasse” voor 80 % van haar bevoorrading een schrootsoort kiest bij de aankoop waarvan zij met de staalfabrieken moet concurreren, dan geschiedt zulks, daar voor de produktie van ruwijzer — evenals voor die van het Martin-staal — schroot van hoge kwaliteit wordt vereist. Wij ontlenen op dit punt een citaat aan „Ferry et Chatel”, „L'acier”, Parijs 1953, blz. 46:

„De belangrijkste grondstof voor het Martin-staal is het schroot, dat voor 90 of 95 % uit zuiver ijzer beslaat. Dit schroot wordt eveneens gebruikt voor de vervaardiging van ruwijzer, bestemd voor de verhoging van het ijzergehalte van de hoogovenlading. De kwaliteit speelt bij het schroot een grote rol. Op straffe van ruwijzer of staal te vervaardigen dat voor het gebruik ongeschikt is, mogen slechts zeer zuivere schrootsoorten worden gebruikt…”

Wij komen thans tot het onderzoek van de vraag in hoeverre de prijzen van het door de „Compagnie de Chasse” gebruikte schroot en van dat hetwelk de staalfabrieken aankopen, vergelijkbaar zijn.

Uit de door de eisende partij overgelegde stukken blijkt, dat de prijs van de spanen 14/42 — welke categorie, gelijk wij hebben gezien, 80 % van baar aankopen vertegenwoordigt — in het gebied van Lyon tussen april 1954 en december 1956 met ongeveer 150 % is gestegen. Nadat de prijs van deze schrootsoort van 5. 000 tot 13. 500 frs. per ton was opgelopen, bereikte deze aan de vooravond van de uitvaardiging van Beschikking No. 2-57 — en zulks zelfs gedurende enige tijd daaraan voorafgaande — praktisch het prijspeil van de basiscategorie schroot, het zogenaamde „edele” schroot (No. 11 in de nomenclatuur), welke prijs op dat ogenblik 14. 000 frs. per ton bedroeg. Hieruit blijkt, dat de verschillende kwalitatieve aanduidingen, welke in een periode van laagconjunctuur tot prijsverschillen leiden als die vermeld in Beschikking No. 28-53, houdende vaststelling van de maximumprijzen voor schroot, in een periode van normaal- of hoogconjunctuur geen beletsel meer vormen voor een relatieve egalisatie van de prijzen der verschillende soorten.

Derhalve mag noch ten aanzien van de prijzen, noch ten aanzien van het gebruik worden aangenomen, dat het schroot waarvan de eisende partij zich bedient onvergelijkbaar zou zijn met dat hetwelk door de staalfabrieken wordt aangekocht. Wij menen dat in feite de „solidariteit” tussen deze schrootsoorten is aangetoond.

Bezien wij thans de positie van de „Compagnie de Chasse” op de schrootmarkt en wel met betrekking tot de concurrentie waaraan zij bij de aankoop het hoofd moet bieden.

Andermaal blijkt uit de door de eisende partij zelf verstrekte gegevens (met name die afkomstig van haar „vaste” leverancier No. 1), dat de in het gebied van Lyon ingezamelde staalspanen alleszins mobiel zijn. Immers, er wordt daar gezegd, dat de „uitvoer” van schroot uit genoemd gebied op „tienduizende tonnen per jaar” kan worden begroot en dat de spanen in deze geëxporteerde hoeveelheden 20 tot 25 % vertegenwoordigen van de dooide staalfabrieken gedane aankopen.

Tot deze laatste behoort het staalbedrijf van de Centre-Midi, een traditionele afnemer van de „Chasse” voor spiegelijzer en hematiet-staalijzer en baar concurrent bij de aankoop van spanen in het gebied van Lyon. De prijsstijging voor staalspanen in de Centre-Midi gedurende de aangeduide periode moet zonder twijfel worden verklaard door de sterke vraag naar dit produkt van de staalbedrijven in dat gebied. Zo zou, gelijk U zich zult herinneren, volgens de bij pleidooien verstrekte gegevens in de eerste groep van processen de hoeveelheid door de staalfabrieken aangekochte spanen 1 50. 000 ton hebben bedragen, en die voor een produktie van edel en speciaal staal 7 50. 000 ton per jaar. Het is duidelijk, dat een zodanige vraag een ernstige concurrentie voor de „Chasse” in haar eigen gebied betekent, zij het dat deze omstandigheid, althans sinds de economische opleving in de zomer van 1954, de normale ontwikkeling van de verkopen van ruwijzer door de eisende partij aan bedoelde staalfabrieken niet heeft belemmerd.

Uit de aan het dossier ontleende gegevens blijkt in de vierde plaats, dat de door de „Compagnie de Chasse” aangekochte hoeveelheden schroot bijzonder conjunctuurgevoelig zijn. Wij zeiden reeds, dat de prijsstijging voor spanen in het gebied van Lyon tussen april 1954 en december 1956 ongeveer 150 % heeft bedragen. In dat zelfde tijdvak steeg de prijs van de soort No. 11 in hetzelfde gebied van 8. 000 frs. tot 14. 000 frs. per ton, een verschil dus slechts van 75 %. Uit deze gegevens blijkt, naar het ons voorkomt, dat de „Chasse” voor het overgrote deel harer bevoorrading gebruik maakt van een grondstof welke bijzonder gevoelig is voor de werking van de wet van vraag en aanbod en voorts dat het gebied van Lyon binnen de gemeenschappelijke markt geenszins een zodanig geïsoleerde economische eenheid vormt, dat het nemen van bijzondere maatregelen noodzakelijk zou zijn.

Hieruit blijkt tevens, dat het gebied van Lyon, hoewel het niet aan de „invoerknnalen” gelegen is — en mitsdien eveneens de eisende onderneming — de weerslag' ondervinden van de algemene, fluctuaties op de schrootmarkt. Weliswaar veroorlooft de geografische ligging van de hoogovens van de „Chasse” in de nabijheid van een centrum van metaalnijverheid een schrootbevoorrading in de onmiddellijke omgeving. In dit opzicht bevindt de „Compagnie de Chasse” zich ongetwijfeld in omstandigheden welke sterk verschillen van die waarin de hoogovens, gelegen in de nabijheid van een zeehaven, verkeren; immers, deze laatste bevoorraden zich normaliter met ingevoerd schroot. De Hoge Autoriteit houdt evenwel wat de bevoorrading betreft rekening met deze ongelijke omstandigheden in de verschillende verbruikscentra van de markt: teneinde irrationele verschuivingen der voorraden te voorkomen, wordt in sommige beschikkingen bepaald, dat het voordeel van de prijsverevening in bepaalde streken van de Gemeenschap afhankelijk kan worden gesteld van het gebruik van ingevoerd schroot (Beschikking No. 14-55, artikel 5 b; Beschikking No. 2-57, artikel 11 b).

Wil dit nu zeggen, dat de prijsverevening voor ingevoerd schroot slechts van belang is voor de verbruikers van Amerikaans schroot en uitsluitend aan deze laatste groep ten goede komt? Deze bewering zou een miskenning inhouden van het begrip gemeenschappelijke markt; voorts zou daarmede zonder meer iedere mogelijkheid worden ontkend van een osmose tussen de verschillende gebieden van die markt ten gevolge van de werking der prijzen. Het komt ons voor, dat uit het zojuist gehouden onderzoek der feiten de ongegrondheid dezer bewering is gebleken.

Wij zijn, ten slotte, van oordeel dat de omstandigheid, dat de door de geïntegreerde ijzer- en staalondernemingen geëxploiteerde hoogovens over eigen staalafval kunnen beschikken, hetwelk aan de vereveningsbijdrage niet is onderworpen, voor de niet-geïntegreerde hoogovens geen nadeel van discriminatoire aard oplevert, waarin een „détournement de pouvoir” door de Hoge Autoriteit te hunnen opzichte zou kunnen worden gezien.

Gelijk reeds gezegd is het prijsvereveningsstelsel een typisch voorbeeld van een financiële voorziening, waarmede door een indirecte inwerking op de prijsvorming de regularisatie van de markt wordt nagestreefd. Het is derhalve uitgesloten, dat dit stelsel eveneens van toepassing zou zijn op dat deel van de onderhavige grondstof, dat „in de fabriek zelf omloopt”. Voor de werking van dit stelsel, hetwelk het regulariseren der prijzen ten doel heeft, konden slechts de vraag en het aanbod op de markt in aanmerking worden genomen.

Anderzijds — dit komt ons belangrijk voor — herinneren wij U er aan, dat de niet-geïntegreerde hoogovens, zoals de „Chasse”, ongeveer 80 % spanen verbruiken voor de aankoop waarvan zij met de staalbedrijven concurreren, terwijl het hier bovendien een veel gevraagde soort betreft. Voor zover de geïntegreerde hoogovens omloopschroot, afkomstig uit hun staalbedrijven, verbruiken en zij voorts in aanzienlijke mate de lichtste schrootsoort kunnen aanwenden, oefenen zij, uit dien hoofde, geen druk uit op de markt voor edel schroot en spanen, hetgeen ten goede komt, zowel aan de geïsoleerde staalfabrieken als aan de niet-gcïntegreerde hoogovens zoals de „Chasse”.

Samenvattend menen wij te moeten vaststellen, dat noch uit technisch, noch uit economisch of commercieel oogpunt twee categorieën schroot kunnen worden onderscheiden, welke aan verschillende regels zouden moeten worden onderworpen.

Ten slotte spreken wij nog onze overtuiging uit, dat de „Compagnie des Hauts Fourneaux de Chasse” er een reëel belang bij heeft, dat — door een systeem van regularisatie zoals de prijsverevening voor ingevoerd schroot — de schrootprijzen moeten worden gevrijwaard tegen plotselinge conjunctuurstijgingen en -dalingen.

Het is U bekend, dat de „Compagnie de Chasse” relatief een zeer belangrijke verbruikster van schroot is. In haar repliek heeft zij verklaard, dat zij deze grondstof — een essentiële factor voor de staalindustrie — „… slechts gebruikt om het ijzergehalte van de hoogovenlading te verhogen”, daarmede de indruk wekkende, dat het gebruik van schroot in haar bedrijf slechts van bijkomstige aard is. In dezelfde conclusie zet zij evenwel uiteen, dat haar verbruikscoëfficiënt voor schroot tot in het jaar 1956 454 kg per ton ruwijzer bedroeg, een verhouding welke het gewogen gemiddelde van de verbruikscoëfficiënt voor de gehele Gemeenschap vier en een half maal overtreft; hieruit blijkt wel het zeer bijzondere belang van de „Chasse” bij een regelmatige schrootvoorziening.

Dit relatief zeer sterke schrootverbruik in de door de „Compagnie de Chasse” geëxploiteerde hoogovens is zeer zeker geen bedenksel. Zij gebruikt schroot in deze grote omvang, daar zij er kennelijk financieel belang bij heeft deze grondstof te benutten ter vervanging van het ingevolge de transportkosten duurder geworden ijzererts. Daar haar bedrijf gelegen is in de nabijheid van het centrum van schrootinzameling, heeft zij er dus een bijzonder belang bij, dat bet prijspeil van bet door haar aangekochte schroot van zodanige aard is, dat geen overmatige verschuivingen der voorraden ontstaan.

Wij menen dan ook, dat geen der beide middelen van „détournement de pouvoir” kunnen worden aanvaard. Het element van „solidariteit”, hetwelk aan Beschikking No. 2-57 ten grondslag ligt, geldt ons inziens zowel voor de eisende partij als voor de overige schrootverbruikende ondernemingen der Gemeenschap.

Wij dienen thans de bij het beroep No. 15-57 voorgedragen middelen van schending van het Verdrag te onderzoeken, welke zijn gericht tegen de 'algemene basisbeschikkingen uit kracht waarvan de bij bedoeld beroep bestreden individuele beschikking werd genomen. Het betreft hier de algemene beschikkingen welke aan Beschikking No. 2-57 voorafgingen; de eerste betrof het oorspronkelijke vereveningsstelsel, de tweede ditzelfde stelsel, doch voorzien van de prijsverevening ruwijzer-schroot.

Dit onderzoek zal, gezien onze uiteenzettingen betreffende het eerste beroep, slechts van summiere aard zijn.

Drie middelen van onwettigheid werden voorgedragen:

  1. Schending van paragraaf 29 van de Overeenkomst. Dit middel werd bij de pleidooien niet verder ontwikkeld. Blijkens de conclusie van repliek (No. 68, blz. 34) verwijt de eisende partij in werkelijkheid de Hoge Autoriteit niet, dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de haar bij paragraaf 29 toegekende bevoegdheden, door naanelijk de in deze bepaling voorziene beschermingsmaatregelen achterwege te laten (voor welke vorm van nalatigheid overigens een bijzonder beroep is voorzien), doch dat zij, zoals de eisende partij zich uitdrukt „de verbodsbepalingen van paragraaf 29 overtreden zou hebben”. Deze bepalingen betreffen (zo citeren wij voorts):

    „a) verschuiving' van de produktie, b) de moeilijkheden welke aan de concurrentie in de weg worden gelegd.

    De Hoge Autoriteit erkent zelf, dat het aan Beschikking No. 2-57 voorafgaande stelsel een vermindering in de produktie ten gevolge liad van de produktie van ruwijzer ten behoeve van die van staal en dat het bovendien de ruwijzerindustrie de mogelijkheid ontnam normaal met de staalindustrie te concurreren, zulks zonder dat de Hoge Autoriteit ook maar enige beschermingsmaatregel ten aanzien van de ruwijzerindustrie nam.

    Nu de Overeenkomst de Hoge Autoriteit voorschrijft de nodige beschermingsmaatregelen te treffen teneinde bepaalde storingen als gevolg van de vrije concurrentie te vermijden, kan bezwaarlijk worden aangenomen, dat de Hoge Autoriteit deze storingen door haar eigen ingrijpen teweeg zou mogen brengen.”

    Paragraaf 29, welke slechts een toepassing bevat van het in paragraaf 1 der Overeenkomst neergelegde algemene beginsel, voorziet zekere beschermingsmaatregelen met het doel de ondernemingen in de gelegenheid te stellen zich aan te passen aan de nieuwe omstandigheden welke het gevolg zijn van de instelling van de gemeenschappelijke markt. Zeker is het, dat de Hoge Autoriteit wanneer zij op de markt ingrijpt niet kunstmatig een situatie in het leven mag roepen op grond waarvan zij nadien haar toevlucht zou moeten nemen tot beschermingsmaatregelen welke de werking van de vrije markt zelf niet noodzakelijk zou hebben gemaakt. Dit is evenwel niet het geval, althans indien U onze voorafgaande uiteenzettingen als juist aanvaardt.

  2. Schending van hei beginsel van de vrije concurrentie. Op dit punt stelt de eisende partij schending van talrijke bepalingen van het Verdrag waarin het beginsel van de vrije concurrentie werd neergelegd — of beter gezegd van de normale concurrentie — en met name van artikel 5: „De Gemeenschap verzekert de vestiging, de handhaving en de inachtneming van normale concurrentieverhoudingen …” Dit beginsel zou zijn miskend „allereerst doordat de Martin-staalfabrieken en de elektro-ovens zouden zijn aangespoord tot het verbruiken van schroot in plaats van ruwijzer en vervolgens door het opleggen van een zware heffing ten gevolge waarvan de kostprijs van ruwijzer excessief zou zijn gestegen”.

    Wij zagen reeds welke betekenis in feite aan deze laatste bewering moet worden toegekend: de prijs van het ruwijzer is onvergelijkelijk minder gestegen dan die van het schroot. De vergelijking van de respectievelijke kostprijzen van ruwijzer en schroot bij de staalproduktie — rekening houdende met de werking van het prijsvereveningsstelsel — valt uiteraard slechts zeer moeilijk te trekken. De vraag waar het evenwel op aankomt is, of dit stelsel in zijn eerste vorm de concurrentieverhoudingen inderdaad nadelig heeft beïnvloed, althans voor zover het betreft de niet-geïntegreerde producenten van ruwijzer, zoals de „Chasse”. Gelijk wij echter gezien hebben, was dit niet het geval.

    Weliswaar had de Hoge Autoriteit wellicht — gelijk wij reeds mochten opmerken bij de behandeling van het beroep No. 8-57 behorende tot de eerste groep processen — een ruimer gebruik kunnen maken van de waarderingsvrijheid waarover zij beschikte — of had behoren te beschikken — wat betreft de vaststelling van de vereyeningsprijs, hetgeen zij had kunnen doen door deze prijs een weinig hoger te stellen en daardoor aan het prijzenstelsel een ietwat belangrijker rol toe te kennen teneinde het toenemende verbruik van schroot af te remmen; dit ware wellicht mogelijk geweest, zij het dat wij zulks niet met stelligheid zouden durven beweren. Wij hebben evenwel gezien, dat de toeneming van het schrootverbruik Hoofdzakelijk veroorzaakt werd door de uitbreiding van de staalproduktie, welke op haar beurt veroorzaakt werd door het conjunctuurverloop, doch dit verhoogde verbruik heeff het concurrentievermogen van de ruwijzerproducenten niet nadelig beïnvloed. Dit laatste ware wellicht op den duur liet geval geweest, indien de Hoge Autoriteit niet een reeks van steeds krachtiger maatregelen had getroffen ter bevordering van een verhoogd verbruik van ruwijzer (maatregelen welker werking zich overigens slechts op langere termijn doet gevoelen), doch men kan niet beweren, dat de Beschikkingen Nos. 22-54 en 14-55 (waarover het hier gaat) op het tijdstip waarop zij werden genomen op zichzelf van zodanige aard waren, dat zij schade toebrachten aan het concurrentievermogen van de ruwijzerproducenten.

„In de tweede plaats”, aldus de eisende partij (repliek No. 69) „wordt dit nadeel (aan de concurrentie toegebracht) nog vergroot door de toepassing van een uniform vereveningstarief, zowel op het zware als op het lichte schroot”. Wij zagen evenwel reeds welke waarde toekomt aan deze onderscheiding tussen zwaar en licht schroot: de gelijkheid welke tussen deze beide categorieën van schroot bestaat met betrekking tot de voorziening van de Gemeenschap en tussen de ondernemingen die van deze grondstof gebruik maken — daaronder mede begrepen de niet-geïntegreerde producenten van hematiet-ruwijzer — rechtvaardigt een eenvormig vereveningstarief.

In het derde deel van haar betoog stelt de eisende Vennootschap ten slotte „schending van de algemene beginselen en met name van artikel 3 van het Verdrag, doordat de belangen der ondernemingen, welke zich in een bijzondere situatie bevinden, zouden zijn opgeofferd en voor het gemeenschappelijk belang een beweerdelijk objectief algemeen belang in de plaats zou zijn gesteld”.

Het is duidelijk, dat de eisende partij op dit punt in feite haar algemeen betoog — bij het eerste beroep voorgedragen en gegrond op „détournement de pouvoir” — herhaalt. Wij kunnen hierin geen enkel punt zien dat een bijzonder onderzoek zou rechtvaardigen.

Ik heb de eer te concluderen

  • tot verwerping van de beide beroepen

  • en tot veroordeling van de „Compagnie de Hauts Fournenux de Chasse” tot betaling van alle proceskosten.