Home

Hof van Justitie EU 11-12-1958 ECLI:EU:C:1958:20

Hof van Justitie EU 11-12-1958 ECLI:EU:C:1958:20

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
11 december 1958

Conclusies van de Advocaat-Generaal

M. Lagrange

Vertaald uit het Frans

Mijnheer de Voorzitter, mijne heren Rechters,

Ter verheldering van onze uiteenzettingen mogen wij een zo beknopt mogelijk overzicht van de belangrijkste feiten en van de procedure vooraf doen gaan.

De eisende vennootschap heeft te Bünde (Westfalen) een groothandelsbedrijf in kolen. Haar jaarlijkse afzet bedroeg meer dan 6. 000 ton steenkolen, waardoor zij voldeed aan de voorwaarde om rechtstreeks bij de mijnen te kunnen betrekken, welke voorwaarde was geformuleerd door de ten tijde van de inwerkingtreding van het Verdrag fungerende organisatie tot gemeenschappelijke verkoop van Ruhrsteenkolen, de „Deutscher Kohlen-Verkauf” of D.K.V.; dit hield in dat eiseres „handelaar in de eerste hand” was. Daarentegen vermocht zij niet het cijfer van 48. 000 ton te bereiken, hetwelk sedertdien vereist werd uit kracht van een regeling, op 5 februari 1953 in het leven geroepen door de GEORG, de nieuwe organisatie welke de Ruhrsteenkolenbedrijven ter uitvoering van de bezettingswetgeving hadden opgericht.

Op 23 april 1953 diende zij dan ook bij het „Landgericht” te Essen een eis tot schadevergoeding in tegen de GEORG, ter vergoeding van het nadeel hetwelk voor haar voortvloeide uit het feit dat zij vanaf 1 april 1953 — datum van inwerkingtreding van de nieuwe regeling — niet meer rechtstreeks bevoorraad werd als groothandelaar in de eerste hand.'

Bij beschikking van 6 november 1953 besliste de Kamer voor handelszaken van het Landgericht van Essen als volgt:

„De procedure wordt geschorst totdat de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, overeenkomstig artikel 65, alinea 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, een beschikking heeft gegeven over de vraag, of de gemeenschappelijke besluiten van 5 februari 1953 van de leden van gedaagde en van de zes verkoopkantoren van Ruhrsteenkolen, bepalend dat met ingang van 1 april 1953 deze kantoren niet meer rechtstreeks zouden leveren aan kolengroothandelaren die minder dan 48. 000 ton brandstof per jaar verkochten, onverenigbaar zijn met het verbod van artikel 65, alinea 1, van voormeld Verdrag”.

Inderdaad is, gelijk U bekend, volgens paragraaf 4 van artikel 65 „alleen de Hoge Autoriteit bevoegd, onder voorbehoud van beroep bij het Hof, zich uit te spreken over het al of niet strijdig zijn van de krachtens het eerste lid van dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten met de bepalingen van dit artikel”; deze overeenkomsten en besluiten zijn „van rechtswege nietig; voor geen enkele rechterlijke instantie van de deelnemende staten kan op dezelve een beroep worden gedaan”.

Eerst op 27 november 1957 heeft de Hoge Autoriteit de verzochte beschikking gegeven; daarin wordt bepaald:

Artikel 1 — Tot de dag van inwerkingtreding van de beschikkingen 5-56, 6-56 en 7-56 van 15 februari 1956 van de Hoge Autoriteit, dat wil zeggen tot 22 februari 1956, waren de verbodsbepalingen van artikel 65, lid 1, van het Verdrag niet toepasselijk op de besluiten van de leden van de verwerende partij en van de zes verkoopkantoren van Ruhrsteenkolen.

Artikel 2 — De onderhavige beschikking treedt in werking op de datum van haar betekening aan het Landgericht van Essen en aan de betrokken partijen”.

Tegen deze beschikking richt zich het beroep van de onderneming Stork & Co.

De Hoge Autoriteit geeft aldus, na meer dan vier jaar te hebben gezwegen, geen antwoord op de haar thans door de rechtbank van Essen gestelde vraag, namelijk of de besluiten van 5 februari 1953 betreffende de groothandelaars in de eerste hand verenigbaar zijn met artikel 65, alinea 1. Zij antwoordt, in het formele vlak, dat de verbodsbepalingen van artikel 65 niet toepasselijk waren op deze besluiten.

Waarom dit antwoord, en waarom deze vertraging? Allereerst, waarom dit antwoord?

Omdat, volgens de Hoge Autoriteit, de periode waarin de besluiten van 5 februari 1953 toepassing vonden (hetgeen wij het regime GEORG zouden kunnen noemen), van 1 april 1953 tot 22 februari 1956, volledig beheerst werd door de bepalingen van paragraaf 12 van de Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen en door de beschikking 37-53 van 11 juli 1953, tot uitvoering hiervan gegeven. Laatstgenoemde beschikking interpreteert paragraaf 12 (die beoogt bestaande afspraken en organisaties voorlopig in werking te laten) als doelend op afspraken en organisaties ten tijde van de instelling van de gemeenschappelijke markt bestaande, dat wil zeggen voor kolen op 10 februari 1953 (en niet ten tijde van de inwerkingtreding van het Verdrag, dat wil zeggen op 25 juli 1952). Hieruit volgt dat de GEORG-besluiten, welke van 5 februari 1953 dateren, volgens deze interpretatie, onder de overgangsbepalingen vallen; zij blijven volgens artikel 2 van beschikking 37-53 van kracht tot de datum waarop een verzoek tot ontheffing zal zijn afgewezen, mits zodanig verzoek vóór 31 augustus 1953 is ingediend; dit laatste is hier het geval.

Ten tweede, waarom heeft de Hoge Autoriteit zo lang op haar antwoord laten wachten? De vertraging kan, althans tot het tijdstip waarop de beschikkingen 5, 6 en 7-56 van 15 februari 1956 werden gegeven, worden verklaard uit de wens van de Hoge Autoriteit een nauwkeurig antwoord te geven. Inderdaad, indien de door GEORG gevraagde ontheffingen waren verleend, zou de vraag daarmede zijn opgelost. Waren zij eenvoudig geweigerd, dan had de daartoe te geven weigering, overeenkomstig artikel 3, alinea 2, van beschikking 37-53, de datum moeten bepalen waarop de verbodsbepalingen van artikel 65 van kracht zouden zijn geworden. In het onderhavige geval betreft het een stilzwijgende weigering, welke voortvloeit uit een ontheffing, welke onder talrijke voorwaarden werd verleend, niet aan de GEORG, maar aan een sterk daarvan verschillende organisatie, namelijk die van de drie verkoopkantoren en van het gemeenschappelijk bureau welke thans fungeren: dientengevolge eindigde de geldigheid van de GEORG-besluiten op 22 februari 1956, de datum van inwerkingtreding van de nieuwe regeling waarvoor ontheffing is verleend.

Logisch gezien zou allereerst de vraag moeten worden beantwoord, aan welk rechtsstelsel (de definitieve regeling van artikel 65 of de overgangsregeling van paragraaf 12 van de Overeenkomst) de afspraken en besluiten zijn onderworpen, die dateren van ná de inwerkingtreding van het Verdrag, doch vóór de datum van instelling van de gemeenschappelijke markt. Immers, indien paragraaf 12 hierop niet toepasselijk is, dan volgt hieruit dat de thans in het geding zijnde besluiten van rechtswege nietig zijn en, nu hierop geen ontheffing is verleend, nimmer enig rechtsgevolg hebben gehad. Deze vraag staat evenwel in het onderhavige geding niet ter discussie, daar beide partijen paragraaf 12 rechtens toepasselijk achten op afspraken en besluiten van vóór de instelling van de gemeenschappelijke markt, zulks overeenkomstig de gedachtengang van beschikking 37-53. De vraag werd evenwel, naar U zich herinnert, ter zitting uitdrukkelijk gesteld door de Rechter-Rapporteur en wij menen hierover een enkel woord te moeten zeggen, voor het geval U zoudt overwegen het middel ambtshalve op te werpen.

Het probleem is inderdaad delicaat, want, in tegenstelling tot paragraaf 13 omtrent de concentraties — waarin nauwkeurig de respectieve data worden vastgesteld waarop de bepalingen van artikel 66 van toepassing worden — is paragraaf 12 ten aanzien van de afspraken veel vager.

Ter staving van haar opvatting, dat gekozen dient te worden de dag van de instelling van de gemeenschappelijke markt, en niet die van de inwerkingtreding van het Verdrag, beroept de Hoge Autoriteit (U herinnert zich hieromtrent de mondelinge uiteenzettingen van haar gemachtigde) zich op de gezamenlijke bepalingen van de paragrafen 1 en 8 van de Overeenkomst, gezien in verband met de artikelen 4 en 65 van het Verdrag.

Ongetwijfeld, aldus de Hoge Autoriteit, geeft paragraaf 1, no. 5, van de Overeenkomst een algemene interpretatieregel, door te bepalen: „van het tijdstip af van het in werking treden van het Verdrag, zijn de bepalingen daarvan van toepassing, onder voorbehoud van de afwijkingen en onverminderd de aanvullende voorschriften voorzien in deze Overeenkomst voor het bereiken van de hierboven omschreven doelstellingen”; maar juist deze zelfde paragraaf 1 verklaart in de eerste alinea (no. 1): „deze Overeenkomst …, voorziet (met name) in de maatregelen die nodig zijn voor de instelling van de gemeenschappelijke markt…”. Welnu, blijkens de woorden van paragraaf 8 zal „de instelling van de gemeenschappelijke markt, voorbereid”, enz „voortvloeien uit de maatregelen ter toepassing van artikel 4 van het Verdrag”. Onder deze maatregelen valt het verbod van „beperkende praktijken, welke strekken tot verdeling of uitbuiting van markten” (artikel 4 d), waarmede de inhoud van artikel 65 wordt gedekt. Laatstgenoemd artikel kan dus eerst voor elk der betrokken produkten worden toegepast met ingang van het tijdstip van de instelling van de gemeenschappelijke markt; hieruit volgt, dat de „bestaande” afspraken, waarop de door paragraaf 12 ingestelde overgangsregeling van toepassing is, de afspraken zijn daterende van vóór het zoëven genoemde tijdstip, ook al kwamen zij na de inwerkingtreding van het Verdrag tot stand.

Deze fraaie interpretatie is, naar ons gevoelen, verre van overtuigend, en het komt ons voor, dat het met elkander in verband brengen van de paragrafen 1 en 8 van de Overeenkomst veeleer tot een tegenovergestelde slotsom zou leiden.

Wij menen, dat men zorgvuldig moet onderscheiden tussen enerzijds de datum met ingang waarvan de door het Verdrag voorziene toestanden onderworpen zijn aan de regels welke het uitvaardigt en, anderzijds, de datum met ingang waarvan de Hoge Autoriteit haar bevoegdheden vermag uit te oefenen.

Op het eerste punt geldt de algemene regel van paragraaf 1, no. 5, van de Overeenkomst: tenzij anders is bepaald zijn de bepalingen van het Verdrag onmiddellijk na deszelfs inwerkingtreding van kracht. Zodanige afwijkende bepaling is te vinden in paragraaf 13 ten aanzien van de concentraties; doch niet in paragraaf 12 betreffende de afspraken.

Op het tweede punt bevat paragraaf 2 van de Overeenkomst nauwkeurige antwoorden. De Hoge Autoriteit oefent onverwijld de bevoegdheden uit met betrekking tot het verzamelen van gegevens en het verrichten van studies welke haar door het Verdrag zijn toevertrouwd; daarentegen verricht zij, behoudens uitzondering (zoals de verdeling in geval van schaarste) haar andere werkzaamheden eerst vanaf „het tijdstip waarop voor elk der desbetreffende produkten de overgangsperiode een aanvang neemt”. Dit is een samenhangend systeem. Het gaat erom gedurende de zogenaamde voorbereidingsperiode, die zich uitstrekt van de inwerkingtreding van het Verdrag tot aan de aanvangsdatum van de zogenaamde overgangsperiode, alle maatregelen te nemen „tot voorbereiding”, van de opening van de gemeenschappelijke markt. Inderdaad moet de gemeenschappelijke markt een werkelijkheid zijn vanaf de eerste dag, behoudens uitzonderingen voorzien in overgangsbepalingen, welker werking zich over hoogstens vijf jaren mag uitstrekken. Dit blijkt duidelijk uit de reeds aangehaalde paragraaf 8 van de Overeenkomst, waar wordt bepaald: „de instelling van de gemeenschappelijke markt, voorbereid (met name door het resultaat van de gegevens, verzameld in de loop van de terecht als zodanig aangeduide „voorbereidingsperiode”) … zal voortvloeien uit de maatregelen ter toepassing van artikel 4 van het Verdrag”. De tweede alinea sluit hierop rechtstreeks aan: „Deze maatregelen (de toepassingsmaatregelen) worden van kracht, onverminderd de bijzondere bepalingen voorzien in deze Overeenkomst…” op die en die tijdstippen. Voor de kolen betrof het de dag van inwerkingstelling der prijs vereveningsmechanismen, welke in het bijzonder ten behoeve van de Belgische kolen waren voorzien. Er bestaat inderdaad een noodzakelijke samenhang tussen de hulp verschaft aan de Belgische steenkolenindustrie en de werkelijke opening van de gemeenschappelijke markt, zonder welke die hulp niet te rechtvaardigen zou zijn geweest.

Op de dag, bepaald voor de opening van de gemeenschappelijke markt moeten derhalve — behoudens uitdrukkelijke afwijkingen — de maatregelen en praktijken die dit artikel onverenigbaar verklaart met de gemeenschappelijke markt, werkelijk verdwenen zijn.

Beziet men de opsomming van artikel 4, dan blijkt dat men inderdaad aldus te werk is gegaan: de douanerechten en kwantitatieve beperkingen (artikel 4 a) zijn opgeheven. De prijsdiscriminaties (artikel 4 b) zijn rechtstreeks het voorwerp geweest van onmiddellijk toepasselijke beschikkingen van de Hoge Autoriteit (beschikking van 12 februari 1953 nopens de publikatie van kolentarieven, nadat de gemeenschappelijke markt op 10 februari was geopend; gelijke beschikking voor staal op 2 mei, nadat de gemeenschappelijke markt op1 mei was geopend). De datum voor de opheffing van de door de Staten verleende subsidies of hulp (artikel 4 c) wordt in paragraaf 11 van de Overeenkomst zeer nauwkeurig geregeld: in rechte bestaat bier geen moeilijkheid.

Blijven over de „beperkende praktijken, die strekken tot verdeling en uitbuiting van markten” (artikel 4 d), dat wil zeggen de afspraken en concentraties, waarover de artikelen 65 en 66 van het Verdrag en de paragrafen 12 en 13 van de Overeenkomst handelen. Wat artikel 66 betreft bevat artikel 13 op elk van beide regels een uitzondering: enerzijds wordt het Verdrag, wat betreft de daaraan onderworpen toestanden, niet toepasselijk verklaard op reeds bestaande concentraties, afgezien van een zogenaamde „verdachte periode” voor concentraties, welke tussen de datum van ondertekening en die van inwerkingtreding van het Verdrag zijn tot stand gekomen; anderzijds, wat betreft de datum waarop de Hoge Autoriteit haar bevoegdheden begint uit te oefenen, wordt in een trapsgewijze ontwikkeling voorzien, beginnend met de inwerkingtreding van het Verdrag.

Ten aanzien van artikel 65 ten slotte, leidt de logica van het stelsel tot de opvatting, dat, tenzij de Overeenkomst anders bepaalt: a) de nietigheid van rechtswege krachtens artikel 65 zich zonder beperking uitstrekt over de afspraken en organisaties, respectievelijk gemaakt en in het leven geroepen na de inwerkingtreding van het Verdrag, terwijl de bepalingen van paragraaf 12 van de Overeenkomst slechts van toepassing zijn op de afspraken en organisaties, die reeds vóór de inwerkingtreding bestonden; b) de Hoge Autoriteit haar bevoegdheden in dezen, hetzij tot het verlenen van ontheffingen, hetzij tot het constateren van nietigheid van afspraken, slechts kan uitoefenen na het tijdstip van opening van de gemeenschappelijke markt, overeenkomstig paragraaf 2, no. 2, alinea 3, van de Overeenkomst. Dit is althans aangaande het eerste punt de stelling van Paul Reuter (blz. 285) waaraan de Rechter-Rapporteur ter zitting bij het stellen van zijn vraag herinnerde.

Dit stelsel schijnt in overeenstemming te zijn met de opzet van de Overeenkomst: de voorbereidingsperiode dient tot het verzamelen van gegevens omtrent bestaande afspraken en organisaties, zodat de Hoge Autoriteit vanaf de opening van de gemeenschappelijke markt haar bevoegdheden te dien opzichte kan uitoefenen, hetzij door gevraagde ontheffingen te verlenen of te weigeren, hetzij door eventuele nietigheden vast te stellen; op deze wijze zullen de voorwaarden van artikel 4 d) onmiddellijk kunnen worden verwezenlijkt. Het is duidelijk dat zulks niet het geval zal zijn, indien de Hoge Autoriteit verplicht is tot daags voor de opening van de gemeenschappelijke markt te wachten met het begin of de voltooiing van haar studies ten opzichte van die afspraken of organisaties, welke eerst tegen het eind van de voorbereidingsperiode in het leven zijn geroepen. Bovendien is het normaal, dat de voordelen van de overgangsbepalingen toegekend worden met betrekking tot de afspraken en organisaties ontstaan vóór de inwerkingtreding van het Verdrag, dus op een tijdstip waarop zij daaraan niet onderworpen waren, terwijl daarentegen deze zelfde voordelen worden ontzegd met betrekking tot die welke tot stand zijn gekomen in een tijdperk toen het Verdrag, behoorlijk geratificeerd en geïntegreerd in de interne wetgeving van de deelnemende Staten, de onderdanen dezer Staten bond. Dezelfde oplossing geldt stellig voor de andere gevallen waarin geen afwijkende bepalingen bestaan, bijvoorbeeld voor de door de Staten verleende subsidies of hulp of door deze opgelegde bijzondere lasten (artikel 4 c), waarover paragraaf 11 van de Overeenkomst handelt. Het is niet denkbaar, dat zulk een voorlopig handhaven ook zou kunnen betreffen de hulp of lasten welke een Staat na het van kracht worden van het Verdrag zou hebben ingesteld: deze zijn eenvoudig verboden.

Ziedaar enkele overwegingen, welke wij — voor zover nodig — ten bewijze van de delicate aard der onderhavige vraag meenden te moeten voordragen. Het komt ons evenwel voor dat er geen aanleiding bestaat dit punt ambtshalve te onderzoeken.

In de eerste plaats werd op deze vraag een uitdrukkelijk antwoord gegeven — overigens in andere zin dan wij zojuist hebben gedaan — door de beschikking 37-53 van 11 juli 1953, die, op het punt hetwelk ons thans bezighoudt, geheel het karakter heeft van een beschikking tot interpretatie van paragraaf 12 van de Overeenkomst. Zij werd echter nimmer voor Uw Hof bestreden. Inderdaad is het denkbaar dat haar wettigheid wordt betwist met een beroep tegen een uitvoeringsbeschikking, een mogelijkheid welke in Uw vonnissen Chasse en Meroni werd aanvaard. Maar in het onderhavige geding is geen exceptie van onwettigheid opgeworpen, en beide partijen erkennen gelijkelijk de wettigheid der beschikking. Het komt ons twijfelachtig voor of de onwettigheid ambtshalve zou kunnen worden uitgesproken.

In de tweede plaats — en met name — werd de onderhavige vraag beslist in Uw vonnis 6-54, Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Jurisprudentie, deel I, blz. 22. Weliswaar is de desbetreffende overweging van het vonnis niet zeer uitdrukkelijk, maar de oplossing is zeker, aangezien de organisatie die door de eisende regering onwettig werd geacht geen andere was dan de GEORG, en het was het Hof uiteraard bekend dat het hier een organisatie betrof, welke eerst na de inwerkingtreding van het Verdrag werd opgericht. Trouwens, onze ambtgenoot Roemer had in zijn conclusies — op dit punt conform aan het vonnis — de vraag in bijzonderheden onderzocht; er bleef dan ook geen twijfel over.

Thans dienen wij de door eiseres opgeworpen grieven te onderzoeken.

Het schijnt dat de gehele argumentatie ten doel heeft aan te tonen, dat de besluiten van 5 februari 1953 niet vallen onder de overgangsbepalingen van paragraaf 12 van de Overeenkomst.

  1. Eiseres meent in de eerste plaats, dat de geldigheid van de in het geding zijnde besluiten uitsluitend dient te worden beoordeeld in het licht van de in Duitsland geldende bepalingen ten tijde dat deze besluiten tot stand zijn gekomen; inderdaad was op 5 februari 1953 de gemeenschappelijke markt voor kolen nog niet ingesteld en miste de Hoge Autoriteit de bevoegdheid uit hoofde van artikel 65 een beschikking te geven. Richt men zich niet naar de datum van totstandkoming der besluiten, doch naar die van hun inwerkingtreding (1 april 1953), dan is het resultaat hetzelfde, aangezien volgens beschikking 37-53 artikel 65 eerst op 31 augustus 1953 toepasselijk is geworden.

    Volgens de verordening no. 78 van het Britse militair gezag en de daartoe gegeven uitvoeringsvoorschriften zijn de besluiten van 5 februari 1953 evenwel nietig. De overgangsbepalingen van het Verdrag kunnen niet worden toegepast op afspraken welke naar de wetgeving van het land waar ze gesloten zijn, iedere geldigheid missen.

    Gelijk reeds gezegd, gelden de bepalingen van het Verdrag voor de bestaande afspraken en niet alleen voor de toekomstige, waarbij dan de enige vraag is op welke daarvan de overgangsbepalingen toepasselijk zijn. Wat echter ook het tijdstip is waarop artikel 65 van kracht is geworden (met of zonder toepassing van overgangsregelingen), vast staat dat de werking van de besluiten van 5 februari 1953 zich tot na dat tijdstip moest uitstrekken. De Hoge Autoriteit was mitsdien in elk geval bevoegd zich uit te spreken over een afspraak welke bestemd is te werken na de instelling van de gemeenschappelijke markt. Anderzijds is het duidelijk, dat zij niet bevoegd is een uitspraak te geven omtrent de geldigheid van de afspraak overeenkomstig de interne wetgeving (nationale wetgeving of bezettingswetgeving) onder welker gezag zij is aangegaan. De eventuele onwettigheid te dien opzichte van de ter beoordeling staande afspraken raakt haar, naar het ons voorkomt, nauwelijks, aangezien naar artikel 65 de feitelijke situatie moet worden beoordeeld: afspraken of besluiten (ongeacht hun regelmatigheid) en zelfs eenvoudige „praktijken”. De Hoge Autoriteit kon zich derhalve slechts van iedere bemoeiing ter zake onthouden indien zij zich tegenover een „niets” geplaatst zag, zoals een afspraak die niet alleen absoluut nietig is, doch die ook in het geheel niet werd nageleefd. Dit echter is niet het geval: de besluiten van 5 februari 1953 berusten op de verordening no. 20, houdende wijziging van verordening no. 17 van de geallieerde Hoge Commissie, gegeven ter uitvoering van wet no. 27 betreffende de reorganisatie van de Duitse kolen- en ijzerindustrie. Dat deze teksten niet altijd precies in harmonie zijn met de wetgeving van het Verdrag, vooral wat het verband naar de tijd tussen beide rechtsstelsels betreft, dat zich moeilijke wetsconflicten kunnen voordoen in verband met de toepassing van beide wetgevingen op gelijke feiten of, ten slotte, dat de organisatie en besluiten van de GEORG min of meer een inbreuk maken op wet no. 27 en verordening no. 20, dit alles kan de Hoge Autoriteit niet ontslaan van haar plicht, haar bevoegdheden uit te oefenen ten aanzien van een organisatie, welke bestaat en bestemd is om onder het gezag van het Verdrag te werken.

  2. Eiseres stelt subsidiair (en haar advocaat heeft ter zitting op deze zijde van het probleem de nadruk gelegd), dat de beschikking 37-53 in dit geval niet toepasselijk is, omdat, al dateren de bestreden beschikkingen van 5 dagen vóór de instelling van de gemeenschappelijke markt, zij eerst daarna van kracht zouden worden en de vroegere datering louter fictief is; het betreft een in extremis genomen beschikking „ad hoe” met het uitsluitend doel de aldus begunstigden in staat te stellen van de voordelen van paragraaf 12 en van beschikking 37-53 te profiteren. Men moet rekening houden met de werkelijke toestand onmiddellijk vóór de instelling van de gemeenschappelijke markt: voor eiseres gold toen nog het, van de vroegere organisatie afkomstige, stelsel van 6. 000 ton, hetwelk eerst op 31 maart 1953 een einde zou nemen; slechts deze toestand verdiende de bescherming, welke de overgangsbepalingen boden.

    Weliswaar zijn deze overwegingen niet ongegrond, doch in rechte kunnen zij niet worden aanvaard, indien men de wettigheid van beschikking 37-53 erkent. Is men derhalve met deze beschikking van oordeel dat de overgangsbepalingen van paragraaf 12 van de Overeenkomst toepasselijk zijn op overeenkomsten, besluiten en praktijken voor zover reeds bestaande op de datum van instelling van de gemeenschappelijke markt (dat wil zeggen voor kolen op 10 februari 1953), dan dient men tevens te erkennen, dat de ondernemingen slechts van een hun toekomend recht gebruik maakten, toen zij overeenkomsten troffen, besluiten namen of gemeenschappelijke praktijken uitoefenden juist vóór het verstrijken van de voorbereidingsperiode, zulks in de wetenschap dat zij dusdoende de voordelen van de overgangsbepalingen deelachtig zouden worden. Er is hier niet, zoals ten aanzien van concentraties, een „verdachte periode”. Gelijke conclusie zou gelden voor het andere, hierboven besproken stelsel (hetwelk uitgaat van het tijdstip van inwerkingtreding van het Verdrag) ten aanzien van afspraken welke onmiddellijk vóór 25 juli 1952, dag van bedoelde inwerkingtreding, zouden zijn getroffen.

  3. De laatste grief, ten slotte, betreft de beschikkingen 5 tot 7-56 van 15 februari 1957, waarbij de ontheffing werd verleend en die een discriminatoir stelsel ten aanzien van bepaalde groothandelaren in het leven zouden hebben geroepen.

Wij zullen op deze grief, welke geheel andere beschikkingen betreft dan die welke thans in het geding zijn, niet ingaan. Bij de beschikkingen 5 tot 7-56 werden nieuwe afspraken — getroffen voor de gemeenschappelijke verkoop van brandstoffen van het Ruhrgebied — goedgekeurd; voor deze afspraken die, met wijzigingen en aanvullingen, voortbouwen op de vroegere afspraken, werden eveneens gewijzigde en aangevulde verzoeken tot goedkeuring ingediend. Gelijk wij in het begin van onze uiteenzettingen hebben gezien, maken deze beschikkingen tot goedkeuring van het nieuwe verkoopstelsel tevens een einde aan het vroegere stelsel van de GEORG, met betrekking waartoe overgangsbepalingen werden voorzien. Is dit nieuwe stelsel in overeenstemming met artikel 65? Nu hierop een goedkeuring is verleend, had deze vraag door een beroep tegen de ontheffingsbeschikking aan Uw Hof kunnen worden voorgelegd; zij kan niet worden behandeld in een geding, hetwelk, blijkens de bewoordingen van het vonnis van het Landgericht van Essen, uitsluitend de geldigheid betreft van de besluiten van 5 februari 1953.

Wij concluderen

  • tot verwerping van het beroep,

  • en tot veroordeling van de onderneming Friedrich Stork in de proceskosten.