Home

Hof van Justitie EU 04-02-1959 ECLI:EU:C:1959:4

Hof van Justitie EU 04-02-1959 ECLI:EU:C:1959:4

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
4 februari 1959

Uitspraak

JURISPRUDENTIE VAN HET HOF VAN JUSTITIE ZAAK No. 1-58 — VONNIS

In de zaak:

FIRMA FRIEDRICH STORK & CO., groothandel in kolen te Bünde (Westfalen),

Eisende Partij,

vertegenwoordigd door dr. Krengel, dr. Hollmann en dr. Stock, advocaten te Bielefeld,

te dezer zake domicilie gekozen hebbende ten kantore van Félicien Jansen, deurwaarder, Luxemburg, rue Aldringer 21,

tegen

HOGE AUTORITEIT VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL, Luxemburg,

Verwerende Partij,

vertegenwoordigd door dr. R. Krawielicki,

juridisch adviseur bij de Hoge Autoriteit,

als gemachtigde,

bijgestaan door prof. dr. Ph. Möhring,

advocaat bij het „Bundesgerichtshof” te Karlsruhe,

te dezer zake domicilie gekozen hebbende Place de Metz 2, Luxemburg,

HET HOF VAN JUSTITIE

samengesteld als volgt:

  • A. M. Donner, Voorzitter;

  • O. Riese (Rechter-Rapporteur) en J. Rueff, Kamervoorzitters;

  • L. Delvaux, Ch. L. Hammes, R. Rossi en N. Catalano, Rechters;

  • Advocaat-Generaal: M. Lagrange;

  • Griffier: A. Van Houtte,

wijst het volgende

VONNIS

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

I — Conclusies van partijen

Overwegende, dat eiseres in haar verzoekschrift concludeert, dat het den Hove moge behagen:

„de beschikking van de Hoge Autoriteit van 27 november 1957 te vernietigen”;

Overwegende, dat eiseres bij repliek bovendien „subsidiair” vordert:

„de Hoge Autoriteit te gelasten de beschikkingen 5, 6 en 7-56 en 10, 11 en 12-57, alsmede 16, 17 en 18-57 nader in overweging te nemen en te herzien”;

Overwegende, dat de verwerende partij in haar verweerschrift heeft geconcludeerd, dat het den Hove moge behagen:

„het beroep van eiseres als ongegrond te verwerpen; kosten rechtens”;

Overwegende, dat de verwerende partij in haar dupliek bij deze conclusie volhardt en bovendien vordert:

„dat eiseres niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar, eerst bij repliek subsidiair gedane vordering om de Hoge Autoriteit te gelasten de beschikkingen 5 tot 7-56, 10 tot 12-57 alsmede 16 tot 18-57 nader in overweging te nemen en te herzien”;

II — De aanleiding tot de procedure

1 Overwegende, dat eiseres te Bünde (Westfalen) een groothandelszaak in kolen drijft en dat zij tot 1952 groothandelaar in de eerste hand was;

Overwegende, dat bij de uitvoeringsverordening no. 20 van 9 september 1952(Amtsblatt der Alliierten Hohen Kommission, blz. 1901 e.v.) de Hoge Commissie der Geallieerden in Duitsland de reorganisatie van de verkoop van Ruhrkolen beval; dat naar aanleiding daarvan de overgrote meerderheid van de mijnen in het Ruhrgebied zich aaneensloot in zes zelfstandige verkoopkantoren en daarnevens in de overkoepelende organisatie „Gemeinschaftsorganisation Ruhrkohle GmbH” (GEORG); dat met goedkeuring van de GEORG de verkoopkantoren op 5 februari 1953 gelijkluidende besluiten namen krachtens welke met ingang van het nieuwe kolenjaar, te weten 1 april 1953, slechts nog groothandelaren met een jaarlijkse omzet van ten minste 48. 000 ton steenkool — in plaats van, gelijk voorheen, 6. 000 ton — rechtstreeks zouden kunnen worden bevoorraad;

2. Overwegende, dat, waar de eisende partij een omzet van 48. 000 ton niet bereikte, zij ingevolge genoemde besluiten tot groothandelaar in de tweede hand degradeerde; dat zij op 23 april 1953 voor het „Landgericht” te Essen een geding aanhangig maakte tegen de GEORG en daarbij vorderde:

„verklaring voor recht, dat gedaagde is gehouden de eisende partij alle schaden te vergoeden, welke zij mocht lijden ten gevolge van het feit, dat gedaagde vanaf 1 april 1953 haar niet meer rechtstreeks als groothandelaar in steenkool in de eerste hand bevoorraadt”;

Overwegende, dat bij beschikking van 6 november 1953 de Kamer voor Handelszaken van het „Landgericht” te Essen besliste als volgt:

„De zaak wordt aangehouden, totdat de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal ex artikel 65, sub 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal een beslissing zal hebben gegeven over de vraag, of de door de vennoten van gedaagde en de zes verkoopkantoren voor Ruhrkolen gemeenschappelijk genomen besluiten van 5 februari 1953 — krachtens welke vanaf 1 april 1953 door hen nog slechts groothandelaren in kolen met een jaarlijkse omzet van ten minste 48. 000 ton rechtstreeks zullen worden bevoorraad — in strijd zijn met het verbod als bedoeld in artikel 65, sub 1, van genoemd Verdrag”:

3. Overwegende, dat de GEORG en de genoemde zes verkoopkantoren inmiddels bij brieven van 29 en 31 augustus 1953 de Hoge Autoriteit hadden verzocht om ten aanzien van de afspraken en besluiten van 5 februari 1953, die te zamen een eenheid vormden, een ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 65, sub 2, van het Verdrag E.G.K.S.; dat naar aanleiding van het hierop gevolgde overleg de mijnen van het Ruhrgebied later nieuwe gewijzigde ontwerpen ter goedkeuring indienden;

Overwegende, dat bij de beschikkingen 5 tot 8-56 van 15 februari 1956 (Publikatieblad van de Gemeenschap van 13 maart 1956, blz. 29/56 e.v.) de Hoge Autoriteit de desbetreffende verzoeken, wat de hoofdzaak betreft, inwilligde; dat deze beschikkingen later bij de beschikkingen 10 tot 12-57 (Publikatieblad van de Gemeenschap van 16 april 1957, blz. 159/57 e.v.) en 16 tot 18-57 (Publikatieblad van de Gemeenschap van 10 augustus 1957, blz. 319/57 e.v.) op enkele punten werden gewijzigd en aangevuld;

4. Overwegende, dat de Hoge Autoriteit naar aanleiding van de beschikking van het „Landgericht” te Essen van 6 november 1953 op 27 november 1957 de volgende beschikking gaf:

„Artikel 1

Tot op het tijdstip, waarop de beschikkingen van de Hoge Autoriteit 5-56, 6-56 en 7-56 van 15 februari 1956 van kracht werden, derhalve tot 22 februari 1956, waren de in artikel 65, sub 1, van het Verdrag neergelegde verbodsbepalingen niet van toepassing op de door de vennoten van gedaagde en de zes verkoopkantoren voor Ruhrkolen genomen besluiten van 5 februari 1953.

Artikel 2

Deze beschikking wordt verbindend uit krachte van gedane kennisgeving aan het „Landgericht” te Essen en aan de procespartijen ;”

Overwegende, dat de beschikking is gebaseerd op artikel 65 van het Verdrag E.G.K.S., op paragraaf 12 van de Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen, alsmede op de beschikking van de Hoge Autoriteit 37-53 van 11 juli 1953(Publikatieblad van de Gemeenschap van 21 juli 1953, blz. 153) ; dat zij meer in het bijzonder berust op de volgende overwegingen:

  • „(dat) de onderwerpelijke door de Ruhrorganisaties genomen besluiten weliswaar voor de oprichting der gemeenschappelijke markt tot stand kwamen, doch, naar de bedoeling der betrokken partijen, eerst daarna de afzet van brandstof zouden gaan beheersen, zodat mitsdien de geldigheid dezer besluiten moet worden beoordeeld volgens het recht van de Gemeenschap;

  • (dat) krachtens voornoemde beschikking 37-53 ten aanzien van kartelafspraken waarop voor 31 augustus 1953 bij de Hoge Autoriteit goedkeuring was aangevraagd, hangende de hierop door de Hoge Autoriteit te geven beslissing, het in artikel 65 neergelegde verbod was opgeschort;

  • (dat) de vennoten der GEORG tijdig een zodanig verzoek hebben ingediend”;

Overwegende, dat de beschikking, die op 6 december 1957 aan de eisende partij werd ter kennis gebracht, het onderwerp van het onderhavige, op 4 januari 1958 ingestelde, beroep vormt;

III — De gronden waarop het beroep berust en de hiertegen ingebrachte verweermiddelen

Overwegende, dat de middelen en argumenten van partijen als volgt kunnen worden samengevat:

1. ONTVANKELIJKHEID VAN HET BEROEP

De verwerende partij verklaart uitdrukkelijk, dat zij tegen het beroep tot vernietiging van de beschikking van 27 november 1957 wat betreft de vorm en de ontvankelijkheid geen exceptie opwerpt.

Daarentegen acht zij de bij repliek ingestelde vordering met betrekking tot de beschikkingen 5 tot 7-56,10 tot 12-57 en 16 tot 18-57 niet-ontvankelijk; naar de verwerende partij stelt, zou de eisende partij tegen deze beschikkingen slechts met een rechtstreeks daartegen gericht beroep hebben kunnen opkomen.

2. GEGRONDHEID VAN HET BEROEP

A — Eerste grief: De verwerende partij zou ten onrechte hebben voorbijgezien, dat de besluiten der Ruhrorganisaties van 5 februari 1953 niet naar het recht van de Gemeenschap, doch naar Duits recht moesten worden beoordeeld

  1. Eiseres meent, dat de geldigheid der besluiten van 5 februari 1953 uitsluitend volgens het destijds geldende Duitse recht moet worden beoordeeld. De gemeenschappelijke markt voor kolen werd eerst op 10 februari 1953 ingesteld; krachtens paragraaf 1 der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen vermocht de verwerende partij voor genoemde datum generlei beschikking te geven, of, anders gezegd, uitvoering te geven aan de verdragsbepalingen. Maar zelfs indien ten deze het tijdstip van het in werking treden der besluiten, nl. 1 april 1953, als uitgangspunt werd genomen, moet men tot dezelfde conclusie komen, immers, ingevolge de beschikking 37-53 trad artikel 65 van het Verdrag eerst op 31 augustus 1953 in werking. Beslissend zouden derhalve zijn artikel 1, sub 2, van de verordening no. 78 van het Britse Militaire Gezag van 28 januari 1947 juncto § 134 BGB; op grond van deze bepalingen zouden de besluiten van 5 februari 1953 van rechtswege nietig zijn. De verwerende partij had mitsdien niet tot de conclusie kunnen komen, dat bedoelde besluiten met het Verdrag in overeenstemming waren, nu alleen rechtsgeldige besluiten zouden kunnen worden onderzocht op hun geldigheid volgens het recht van de Gemeenschap; zij had dan ook moeten beslissen, dat de besluiten niet volgens de bepalingen van het Verdrag behoorden te worden beoordeeld.

  2. Hiertegen heeft de verwerende partij in het midden gebracht, dat zij slechts bevoegd is te oordelen over de vraag, in hoeverre overeenkomsten en besluiten die de mededinging regelen, in overeenstemming zijn met het Verdrag; de vraag, of deze ingevolge het, ten tijde van het tot stand komen eventueel geldende nationale recht, rechtskracht bezitten, zou daarentegen tot de competentie van de nationale rechter behoren.

    De verwerende partij kan eiseres volgen in haar opvatting, dat het Gemeenschapsrecht eerst vanaf 10 februari 1953 kon worden toegepast; iets anders heeft zij noch gesteld, noch beslist. Wat de onderwerpelijke besluiten betreft, betekent dit, dat deze — nu zij „krachtens hun inhoud… bestemd zijn om duurzaam te gelden” — sedert laatstgenoemde datum binnen de werkingssfeer van het Verdrag vielen, ongeacht hoe zij moesten worden beoordeeld ten tijde van hun totstandkoming.

    Ook al ware het juist, dat — indien de besluiten van den beginne af aan nietig waren — een beslissing over de vraag of de bepalingen van het Verdrag daarop van toepassing waren, overbodig zou zijn geworden, ook deze vraag staat uitsluitend ter beoordeling van de nationale rechter. De Hoge Autoriteit zou zich op diens terrein hebben begeven, indien zij het geven van een beslissing op de haar ingevolge artikel 65, sub 4, voorgelegde vraag zou hebben geweigerd op grond van de overweging, dat deze vraag voor de door de nationale rechter te geven uitspraak irrelevant zou zijn.

    Naar de verwerende partij beoogt, ligt in het E.G.K.S.-recht het volgende systeem besloten:

    Ingevolge paragraaf 8, lid 1', der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen zijn met ingang van de overgangsperiode, te weten 10 februari 1953, de in artikel 4 van het Verdrag bedoelde „maatregelen” verboden. De bepalingen van artikel 65 zijn een nadere uitwerking van artikel 4, sub d). Overigens was artikel 65 op de voor 10 februari 1953 getroffen kartelafspraken aanvankelijk niet onbeperkt van toepassing, doch slechts op de voet van de Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen, met name van paragraaf 12 dezer overeenkomst. Deze paragraaf keert het in artikel 65 neergelegde beginsel om, in dier voege, dat het bedoelde „oude” kartels voorlopig onaangetast laat en deze eerst rechtskracht ontneemt, voor zover de Hoge Autoriteit haar goedkeuring daaraan heeft onthouden. Bij beschikking 37-53 heeft de verwerende partij deze regeling nader omlijnd door te bepalen, dat het in artikel 65 neergelegde verbod ten aanzien van „oude” kartels na 31 augustus 1953 van kracht zou worden, tenzij voor deze datum een verzoek om ontheffing van de verbodsbepalingen zou zijn ingediend; in dat geval zou de rechtstoestand zoals deze volgt uit paragraaf 12 van de Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen, voorlopig worden gehandhaafd.

B — Tweede grief: Ten onrechte heeft de verwerende partij de rechtsgeldigheid der besluiten van 5 februari 1953 afgeleid uit de omstandigheid, dat de verkoopkantoren voor Ruhrkolen, gezien de beschikking van de Hoge Autoriteit 37-53, tijdig voor hun afspraken goedkeuring hadden verzocht en deze later hadden verkregen

  1. Eiseres betoogt, dat er bij de bestreden beschikking ten onrechte van wordt uitgegaan, dat de besluiten van 5 februari 1953 later waren goedgekeurd. Bij de beschikkingen 5 tot 7-56 was goedkeuring verleend voor overeenkomsten die met de oorspronkelijke overeenkomsten, behalve dat het in beide gevallen ging om afspraken inzake handelspraktijken, niets gemeen hadden. Naar blijkt uit de beschikkingen 5 tot 7-56, dateerden de goedgekeurde overeenkomsten van 13 december 1955 resp. 6 februari 1956 en werden deze aangegaan door geheel andere rechtspersonen — nl. de drie thans bestaande verkoopkantoren, terwijl het er destijds zes waren geweest.

    De besluiten van 5 februari 1953 waren mitsdien weliswaar tijdig ter goedkeuring voorgelegd, echter nimmer goedgekeurd; zij vielen derhalve onder het absolute verbod van artikel 65 en waren ingevolge sub 4 van dit artikel nietig. Anderzijds waren de in feite goedgekeurde overeenkomsten niet tijdig, d.w.z. niet voor 31 augustus 1953, ter goedkeuring ingediend, zodat deze nimmer de werking van genoemd artikel vermochten op te schorten ten profijte van de Ruhrorganisaties.

  2. De verwerende partij voert hiertegen aan, dat het standpunt van de eisende partij noch met de woorden noch met de bedoeling van beschikking 37-53 strookt.

    Ingevolge deze beschikking worden de in artikel 65 vervatte verbodsbepalingen opgeschort door indiening van „een geschreven verzoek om ontheffing, vergezeld van de rechtvaardigingen”; de beschikking bepaalt voorts dat alsdan het verbod eerst van kracht wordt, en wel ex nunc, nadat (en voor zover) de Hoge Autoriteit het verzoek heeft afgewezen en de door haar in verband daarmede gestelde termijn is verstreken.

    De Ruhrorganisaties hadden, aldus verweerster, hun verzoek om goedkeuring tijdig ingediend. Een afwijzing met termijnbepaling was later weliswaar niet met zoveel woorden gevolgd, doch lag indirect besloten in de door de Hoge Autoriteit bij de beschikkingen 5 tot 7-56 verleende goedkeuring aan een gemeenschappelijke verkoop van Ruhrkolen, die qua opzet verschilde met de regeling dienaangaande, waarop het voor 31 augustus ingediende verzoek om goedkeuring betrekking had. Tot het tijdstip waarop laatstbedoelde beschikkingen werden gegeven, was derhalve het in artikel 65 neergelegde verbod ten aanzien van de Ruhrorganisaties niet van kracht geworden.

    De in de beschikking 37-53 bedoelde opschorting van de verbodsbepalingen mag niet afhankelijk worden gesteld van de vraag, of de uiteindelijk door de Hoge Autoriteit verleende ontheffing geheel, dan wel gedeeltelijk, het oorspronkelijk ingediende verzoek dekt.

Bepalend is slechts de vraag, „of de beslissing betrekking heeft op hetzelfde onderdeel van het economisch leven”. Dit is hier het geval; oogmerk was gebleven, „om de tot dusverre op basis van bezettingsrecht… geordende gemeenschappelijke verkoop van Ruhrkolen thans binnen het kader van het Verdrag opnieuw te ordenen”.

C — Derde grief: Het uitgangspunt van de bestreden beschikking is onjuist, nu daarbij de wettigheid der beschikkingen 5 tot 7-56 wordt verondersteld.

1. De ontvankelijkheid van deze grief

De verwerende partij betoogt, dat de genoemde beschikkingen onaantastbaar zijn geworden. Alhoewel haar daartoe de mogelijkheid open stond, heeft de eisende partij niet binnen de daarvoor gestelde termijn tegen deze beschikkingen beroep ingesteld, zodat het haar thans niet meer vrij staat in het onderhavige geding bij wege van exceptie hiertegen op te komen.

De eisende partij repliceert, dat eerst door de bestreden beschikking van 27 november 1957 voor haar de gelegenheid werd geschapen, ook tegen de beschikkingen 5 tot 7-56 op te komen. Immers, de eisende partij was door deze beschikkingen op zich zelf nog niet gedupeerd nu zij reeds niet voldeed aan de voorwaarden die waren vervat in de besluiten van 5 februari 1953, terwijl een voor beroep vatbare, op deze besluiten betrekking hebbende beschikking van de Hoge Autoriteit tot nog toe niet had bestaan.

2. Gegrondheid van de grief

  1. Eiseres stelt, dat de Hoge Autoriteit bij haar beschikkingen 5 tot 7-56 inbreuk heeft gemaakt op de grondbeginselen van het Verdrag, door nl. goedkeuring te verlenen aan praktijken welke hebben geleid tot een discriminerende behandeling van bepaalde groothandelaren en kunnen leiden tot beperking van de concurrentie, alsmede tot volledige uitsluiting van de markt van bepaalde belanghebbenden. Zij heeft over het hoofd gezien, dat de groothandel in kolen eerst in het jaar 1950/51 met zijn herstel een aanvang had kunnen maken en dat juist de besluiten van 5 februari 1953 deze wederopbouw onmogelijk hadden gemaakt. De meeste groothandelaren in kolen hadden in het jaar 1952/53 niet reeds weer een omzet van 48. 000 ton kunnen bereiken. In het „Regierungsbezirk” Detmold bijv. waren ten gevolge van bedoelde besluiten van de 27 groothandelaren die voorheen rechtstreeks door de mijnen in het Ruhrgebied werden bevoorraad, 26, althans ten minste 24, gedwongen zich voortaan te vergenoegen met de groothandel in de tweede hand.

    De eisende partij preciseert wat volgens haar voor haar zelf en andere groothandelaren de gevolgen zijn geweest van de besluiten van 5 februari 1953 en biedt daaromtrent bewijs aan door middel van getuigen.

    Ook de in voornoemde beschikkingen vervatte overgangsregelingen waren van discriminerende aard, nu deze alleen werkten ten gunste van groothandelaren die over 1955/56 een omzet van ten minste 48. 000 ton konden aantonen. Aldus werd eiseres reeds bij voorbaat uitgesloten.

    Indien de Hoge Autoriteit bij het geven der beschikkingen 5 tot 7-56 oog zou hebben gehad voor de consequenties van de besluiten van 5 februari 1953, dan had zij er nimmer toe kunnen komen goedkeuring te verlenen aan een verhoging van de omzetlimiet tot 75. 000 ton, althans zij had dan aan de overgangsregeling een andere inhoud moeten geven. De beschikkingen 5 tot 7-56 berustten mitsdien op een „onjuiste waardering der feitelijke situatie zoals deze bestond ten tijde dat de goedkeuring werd gegeven”, de verwerende partij heeft daarbij haar bevoegdheden overschreden, zij leveren derhalve een beleidsfout op.

    De verwerende partij heeft eveneens inbreuk gemaakt op bepaalde grondrechten die in bijna alle constituties der lid-staten worden gewaarborgd en die bij de toepassing van het Verdrag moeten worden geëerbiedigd. Zo verlenen met name de artikelen 2 en 12 van de Grondwet der Bondsrepubliek iedere burger een onschendbaar recht op vrije ontplooiing van zijn persoon en ongehinderde uitoefening van zijn beroep.

  2. De verwerende partij voert hiertegen het volgende aan: Voor het onderhavige geding doet niet ter zake of de beschikkingen 5 tot 7-56 in overeenstemming zijn met het Verdrag; de inhoud van genoemde beschikkingen is hier niet van gewicht; van belang is slechts, dat zij het sluitstuk vormden van de overeenkomstig de beschikking 37-53 toegepaste procedure en daarmede aan laatstgenoemde beschikking haar opschortende werking ten deze ontnamen. Zelfs indien de Hoge Autoriteit bij genoemde beschikkingen een minimumomzet van 6.000 ton als criterium zou hebben bepaald voor de toelating als groothandelaar — gelijk als maatstaf had gegolden voor de besluiten van 5 februari 1953 — zo had de bestreden beschikking niet anders hebben kunnen luiden, nu het oorspronkelijke verzoek der Ruhrorganisaties eerst met de definitieve beschikkingen van de Hoge Autoriteit als afgewezen kon worden beschouwd.

    Overigens was de grief van eiseres, dat de Hoge Autoriteit bij het geven der beschikkingen 5 tot 7-56 onvoldoende rekening had gehouden met de feitelijke situatie, ongegrond. De verwerende partij heeft terdege in aanmerking genomen, dat voor 5 februari 1953 een minimumomzet van 6.000 ton als vereiste had gegolden om op rechtstreekse bevoorrading aanspraak te kunnen maken; zij had evenwel ook rekening moeten houden met de omstandigheid, dat inmiddels de verkoop van Ruhrkolen was gereorganiseerd en dat een handelsregeling diende te worden goedgekeurd, die, zonder discriminerend te werken, voor alle handelaren op de gemeenschappelijke markt zou gelden. Gezien een en ander, is de verwerende partij van oordeel, dat het bewijs-aanbod van de eisende partij niet ter zake dienend is en dat daaraan behoort te worden voorbijgegaan.

D — Vierde grief: De verwerende partij zou hebben miskend, dat de besluiten van 5 februari 1953 een ontduiking van het in artikel 65 neergelegde verbod ten doel hadden en dat ten deze mitsdien niet een beroep kon worden gedaan op de overgangsregeling

  1. Eiseres heeft voor het eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gesteld, dat de litigieuze besluiten rechtens gelijk gesteld dienden te worden met een na de instelling der gemeenschappelijke markt tot stand gekomen afspraak, zodat paragraaf 12 der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen en de beschikking 37-53 hierop niet van toepassing waren, artikel 65 daarentegen van stonde af aan te hunnen aanzien van kracht was geweest. De besluiten waren kennelijk ad hoc genomen met het oog op de in het Verdrag E.G.K.S., alsmede in de Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen vervatte kartelbepalingen, die weldra van kracht zouden worden. Derhalve had de verwerende partij de materiële rechtsverhouding in het oog moeten vatten bij het beantwoorden der haar door het „Landgericht” te Essen voorgelegde vraag. Dit had haar tot de conclusie moeten brengen, dat de omstreden besluiten een discriminerende strekking hadden en in strijd waren met artikel 65. Doordat eiseres en andere grossiers gedwongen waren zich voortaan te beperken tot de groothandel in de tweede hand, hadden zij een groot deel hunner klanten van voorheen verloren aan de overgebleven groothandelaren in de eerste hand. Openlijk hadden de producenten van de Ruhrkolen uitgesproken, dat de handelsregeling in het leven was geroepen met het oogmerk de groothandelszaken waar de mijnen rechtstreeks of indirect bij betrokken zijn, te bevoordelen en aldus een nieuwe bron van inkomsten voor de mijnen aan te boren; door tegenover een dergelijke gang van zaken stil te blijven zitten, heeft de Hoge Autoriteit in feite de concentratie van de afzet van kolen bij de mijnen zelf in de hand gewerkt en aldus een beginsel van het Verdrag geschonden.

  2. De verwerende partij stelt daar tegenover, dat het tijdstip hetwelk voor de reorganisatie werd gekozen, zijn verklaring vindt in de termijn welke de uitvoeringsverordening no. 20 van de Hoge Commissie der Geallieerden had bepaald. Het behoort tot het wezen van iedere overgangsregeling, dat haar werking wordt afhankelijk gesteld van bepaalde data; reeds daarom mochten kort voor het aanbreken van de betreffende datum tot stand gekomen regelingen niet als wetsontduiking worden beschouwd en dientengevolge afwijkend worden behandeld, nu een nauwkeurige tijdgrens niet viel te trekken.

    Had zij willen opkomen tegen de omstandigheid, dat de Hoge Autoriteit zich voorlopig niet verzette tegen de omstreden besluiten, dan had de eisende partij ofwel beroep kunnen instellen tegen beschikking 37-53, ofwel de Hoge Autoriteit overeenkomstig artikel 35 van het Verdrag E.G.K.S. kunnen uitnodigen maatregelen te nemen tegen de handelsregeling, en, zo deze hiermede in gebreke zou blijven, te dier zake in beroep kunnen komen.

IV — Het procesverloop

Het beroep is tijdig en met inachtneming der desbetreffende vormvoorschriften ingesteld. De procedure is regelmatig verlopen. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Het dossier betreffende de voor het „Landgericht” te Essen gevoerde procedure is in het geding gebracht.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

1. Overwegende, dat het beroep primair is gericht tegen de beschikking van de Hoge Autoriteit van 27 november 1957, waarbij naar aanleiding van de interlocutoire uitspraak van het „Landgericht” te Essen werd beslist, dat de in artikel 65, sub 1, van het E.G.K.S.-Verdrag neergelegde verbodsbepalingen niet van toepassing waren op de besluiten der zes verkoopkantoren van het Ruhrgebied van 5 februari 1953; dat krachtens artikel 65, sub 4, lid 2, tegen een zodanige beschikking van de Hoge Autoriteit beroep open staat bij het Hof van Justitie; dat het Hof derhalve bevoegd is om van de onderhavige zaak kennis te nemen;

2. Overwegende, dat, nu het beroep betrekking heeft op de toepassing van artikel 65 van het Verdrag, eiseres, hoewel zij zich niet bezighoudt met de produktie, doch met de distributie van kolen, krachtens artikel 80 gerechtigd is tot het instellen van beroep; dat het beroepsrecht van zodanige ondernemingen niet is beperkt tot de gevallen waarin zij zelf partij zijn bij de afspraak in kwestie, doch eveneens geldt, wanneer een op artikel 65 berustende beschikking, gelijk ten deze, rechtstreeks de belangensfeer der eisende handelsonderneming raakt;

Overwegende, dat in het onderhavige geval het Hof zich niet behoeft uit te spreken over de vraag, of een krachtens artikel 65, sub 4, ingesteld beroep ook moet voldoen aan alle voorwaarden welke artikel 33 met betrekking tot een beroep tot nietigverklaring voorschrijft, nu over het vervuld zijn van deze voorwaarden in casu geen twijfel bestaat, immers in het geding is een individuele, eiseres betreffende beschikking; dat deze beschikking haar op 6 december 1957 ter kennis is gebracht, terwijl zij het beroep heeft ingesteld op 4 januari, zodat de in artikel 33, lid 3, bedoelde termijn van één maand is in acht genomen; dat de bestreden beschikking is van individuele aard, nu daarbij een uitspraak wordt gedaan over de rechtsgeldigheid van concrete besluiten, genomen door partijen bij nauwkeurig bepaalde afspraken; dat de beschikking eiseres raakt, omdat zij is gegeven in verband met een tussen haar en een andere partij hangend geschil en van invloed kan zijn op de uitslag daarvan;

3. Overwegende, dat de Hoge Autoriteit krachtens artikel 65, sub 4, bevoegd is tot het geven van een beslissing over het al of niet in overeenstemming zijn van kartelovereenkomsten en -besluiten met de bepalingen van dit artikel; dat deze bepaling aldus moet worden geïnterpreteerd, dat de Hoge Autoriteit bovendien bevoegd is vast te stellen of artikel 65 uit hoofde van andere bepalingen van het Verdrag of van de Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen in beginsel op bedoelde overeenkomsten en besluiten van toepassing is; dat derhalve geen bezwaar kan worden gemaakt tegen het feit, dat de Hoge Autoriteit in het onderhavige geval op de in de interlocutoire beslissing van het „Landgericht” te Essen vervatte vraag, of de besluiten van 5 februari 1953 in strijd zijn met het in artikel 65, sub 1, van het Verdrag neergelegde verbod, geen rechtstreeks antwoord heeft gegeven, doch heeft vastgesteld, dat de verbodsbepalingen van artikel 65 vóór het van kracht worden der beschikkingen 5 tot 7-56 niet van toepassing waren op de hier bedoelde besluiten; dat deze omstandigheid namelijk niet afdoet aan het feit, dat bij het Hof een beroep is ingesteld tot nietigverklaring krachtens artikel 65, sub 4, van het Verdrag; dat — naar volgt uit hetgeen hiervoor sub 1) en 2) werd overwogen — het Hof bevoegd is op dit beroep, tot het instellen waarvan eiseres gerechtigd is, uitspraak te doen;

4. Overwegende, dat eiseres stelt, dat de omstandigheid dat de Hoge Autoriteit ten onrechte heeft nagelaten op de omstreden besluiten Duits recht toe te passen — krachtens hetwelk zij nietig zijn — „détournement de pouvoir”, althans schending van het Verdrag oplevert, op grond waarvan de beschikking, waarvan beroep, behoort te worden vernietigd; dat deze stelling is ongegrond;

  1. Overwegende, dat, gelijk volgt uit artikel 8 van het Verdrag, de Hoge Autoriteit slechts gehouden is tot toepassing van het recht van de Gemeenschap; dat zij de bevoegdheid mist het interne recht der lid-staten toe te passen; dat krachtens artikel 31 van het Verdrag het Hof eveneens uitsluitend tot taak heeft om bij de uitleg en toepassing van het Verdrag en deszelfs uitvoeringsvoorschriften de eerbiediging van het recht te verzekeren; dat het Hof zich in het algemeen behoort te onthouden van uitspraken omtrent nationale rechtsvoorschriften; dat het mitsdien niet de grief kan onderzoeken, volgens welke de Hoge Autoriteit met haar beschikking beginselen van Duits constitutioneel recht (met name de artikelen 2 en 12 van de Grondwet) zou hebben geschonden;

  2. Overwegende, dat de Hoge Autoriteit tot taak heeft de overeenkomsten en besluiten, als bedoeld in artikel 65 van het Verdrag, voor zover derzelver werking zich uitstrekt over de gemeenschappelijke markt, te onderzoeken op hun verenigbaarheid met de bepalingen van dit artikel en wel ongeacht of zij al dan niet volgens nationaal recht geldig zijn; dat naar nationaal recht geldige overeenkomsten in strijd kunnen zijn met het verbod ex artikel 65, sub 1; dat zij alsdan nietig zijn krachtens het Gemeenschapsrecht, met name artikel 65, sub 4; dat anderzijds een naar nationaal recht nietige overeenkomst niettemin bestemd kan zijn om op de gemeenschappelijke markt tot toepassing te geraken en daar daadwerkelijke, niet met het Verdrag verenigbare, gevolgen teweeg te brengen; dat, teneinde zulks te verhinderen, de Hoge Autoriteit verplicht is ook dergelijke, eventueel volgens nationaal recht nietige overeenkomsten te toetsen op haar verenigbaarheid met het Verdrag;

    Overwegende, dat in het onderhavige geval de besluiten van 5 februari 1953 in werking hadden moeten treden met de aanvang van het nieuwe kolenjaar, te weten 1 april 1953; dat het derhalve in de bedoeling der betrokken partijen lag om aan die besluiten toepassing te geven op een tijdstip waarop de gemeenschappelijke markt reeds bestond; dat de Hoge Autoriteit derhalve gehouden was ten aanzien van deze besluiten een onderzoek in te stellen, als hiervoor bedoeld — dus ongeacht of zij al dan niet naar nationaal recht rechtsgeldig waren — en wel aan de hand van het voor de Gemeenschap geldende recht, hetwelk krachtens paragraaf 2, no. 2, laatste alinea, paragraaf 2, no. 3, paragraaf 1, no. 4 en paragraaf 8, lid 2, sub a) der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen in ieder geval sedert 10 februari 1953 (datum van de instelling der gemeenschappelijke markt voor kolen), voor zover het dit produkt betreft, uitsluitend van toepassing was;

    Overwegende, dat aan de hierboven vastgestelde rechtstoestand niet kan afdoen, dat de verbodsbepalingen van artikel 65 krachtens paragraaf 12 der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen en de ter uitvoering daarvan gegeven beschikking 37-53 der Hoge Autoriteit, niet reeds met het in werking treden der gemeenschappelijke markt, dat wil zeggen op 10 februari 1953, doch eerst op 31 augustus 1953 c.q. op een daarna gelegen tijdstip, van kracht werden;

5. Overwegende, dat, nu 's Hofs vonnis slechts mag berusten op juridische grondslagen, welker deugdelijkheid vaststaat, het geboden schijnt allereerst te onderzoeken of artikel 65, in stede van eerst bij de instelling van de gemeenschappelijke markt voor kolen (10 februari 1953), niet reeds met het in werking treden van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (namelijk op 25 juli 1952) van kracht werd;

Overwegende, dat weliswaar niet rechtstreeks uit de bewoordingen van paragraaf 12 der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen valt af te leiden, dat, wat betreft de kartelvoorschriften van artikel 65, wordt afgeweken van het in paragraaf 1, no. 5, der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen neergelegde beginsel, krachtens hetwelk de bepalingen van het Verdrag tegelijk met het in werking treden daarvan van kracht worden; dat bedoelde paragraaf 12 in lid 2 niet anders bepaalt, dan dat, indien de Hoge Autoriteit aan een kartelregeling de in paragraaf 2 van genoemd artikel bedoelde goedkeuring onthoudt, de verbodsbepalingen van artikel 65 van het Verdrag na afloop van een hiervoor in redelijkheid te bepalen termijn van kracht worden; dat, terwijl de na de oprichting der gemeenschappelijke markt tot stand gekomen overeenkomsten, behoudens goedkeuring, terstond vallen onder het verbod als bedoeld in artikel 65 („het is verboden, tenzij het is toegestaan”), de zogenaamde „oude” kartelregelingen voorlopig haar geldigheid behouden, totdat de desbetreffende goedkeuring is geweigerd en de naar aanleiding daarvan door de Hoge Autoriteit te bepalen termijn is verstreken; dat te hunnen aanzien geldt, dat zij tot dat tijdstip „zijn toegelaten zolang zij niet zijn verboden”; dat paragraaf 12, lid 2, der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen evenwel niet zegt, of onder „oude” kartelregelingen slechts dienen te worden verstaan de zodanige die zijn tot stand gekomen vóór de inwerkingtreding van het Verdrag, dan wel, dat de overgangsregeling ook werkt ten gunste van de overeenkomsten welke ná het in werking treden van het Verdrag, maar vóór het tijdstip van de instelling van de gemeenschappelijke markt, zijn aangegaan;

Overwegende, dat derhalve niet uitdrukkelijk bij enige regeling is bepaald, dat ten aanzien van kartelregelingen, in afwijking van de in paragraaf 1, no. 5, der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen vervatte hoofdregel, de verbodsbepalingen van artikel 65 van het Verdrag niet terstond met het in werking treden van het Verdrag op de afspraken van kracht werden, doch eerst met de oprichting van de gemeenschappelijke markt, met dien verstande dat tot laatstbedoeld tijdstip de uitzonderingsbepalingen van paragraaf 12, lid 2, der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen zouden gelden; dat bedoeld beginsel evenwel moet worden afgeleid uit doel en strekking der overgangsregeling;

Overwegende, dat de Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen, naar blijkt uit paragraaf 1, no. 1, aan het Verdrag werd toegevoegd teneinde „de maatregelen te voorzien die nodig zijn voor de instelling van de gemeenschappelijke markt en voor de geleidelijke aanpassing van de produktie aan de nieuwe omstandigheden, waarvoor zij wordt gesteld, waarbij tegelijkertijd het doen verdwijnen van de onevenwichtigheden, die tengevolge van vroegere omstandigheden zijn ontstaan, wordt vergemakkelijkt”; dat paragraaf 12 der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen in het licht van dit beginsel dient te worden geïnterpreteerd;

Overwegende, dat het bij artikel 65 van het Verdrag ingevoerde stelsel berust, niet alleen op het sub 1 voorziene verbod van afspraken, doch mede op de sub 2 geregelde mogelijkheid, dat ten aanzien van nuttige en noodzakelijke kartelafspraken ontheffing van de verbodsbepalingen wordt verleend; dat deze mogelijkheid tot ontheffing van wezenlijk belang moet worden geacht op grond van de omstandigheid, dat het Verdrag — de tegen kartels gerichte beperkende bepalingen ten spijt — een gemeenschappelijke verkoop van kolen, zoals deze sedert lang in alle landen der Gemeenschap die grote hoeveelheden kolen produceren, wordt toegepast, voorziet en het nut daarvan erkent;

Overwegende, dat, indien op de na het in werking treden van het Verdrag (25 juli 1952), maar vóór de instelling van de gemeenschappelijke markt (10 februari 1953) tot stand gekomen kartelafspraken artikel 65 van het Verdrag van toepassing zou zijn, daaruit zou volgen dat aan het in dat artikel neergelegde stelsel van bepalingen, met uitzondering van het kartelverbod, gedurende de eerste zes maanden na het in werking treden van het Verdrag geen uitvoering had kunnen worden gegeven, omdat gedurende die periode een bevoegde instantie tot het verlenen van ontheffingen ontbrak; dat, enerzijds, de Hoge Autoriteit deze bevoegdheid eerst vermocht uit te oefenen na het in werking treden van de gemeenschappelijke markt (paragraaf 2, no. 2, lid 4, der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen); dat, anderzijds, de regeringen der lid-staten tot toepassing van het recht der Gemeenschap, mitsdien ook tot het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 65, sub 2, de bevoegdheid misten; dat zij ingevolge paragraaf 2, no. 3, der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen gerechtigd waren tot uitoefening van de bevoegdheden welke zij aan het nationale recht ontleenden, („les pouvoirs correspondants continueront d'être exercés par les États membres”), doch niet tot uitoefening der, krachtens het Verdrag aan de Hoge Autoriteit, toekomende bevoegdheden en in haar plaats;

Overwegende, dat het niet de bedoeling der verdragsluitende partijen kan zijn geweest, dat het in artikel 65, sub 1, bedoelde verbod na de inwerkingtreding van het Verdrag van kracht zou zijn tijdens een periode, welker duur niet viel te voorzien — in feite bedroeg zij zes maanden — zonder dat tevens de nauw met dit verbod samenhangende bevoegdheid tot ontheffing — bedoeld in het tweede lid van genoemd artikel — kon worden uitgeoefend;

Overwegende, dat, gezien de hiervoor genoemde, in paragraaf 1, no. 1, neergelegde, doelstelling der Overeenkomst, haar paragraaf 12 derhalve aldus moet worden geïnterpreteerd, dat derzelver lid 2 eveneens toepasselijk is op na het in werking treden van het Verdrag, doch vóór de instelling van de gemeenschappelijke markt tot stand gekomen afspraken; dat slechts aan de hand van deze interpretatie het hiervoor aangegeven onbevredigende resultaat kan worden vermeden, namelijk de willekeurige splitsing der samenhangende delen van artikel 65 in een groep welke terstond toepassing vindt en een andere ten aanzien waarvan zulks eerst na onbepaalde tijd het geval is;

Overwegende, dat de andersluidende regeling inzake de toepassing der verbodsbepalingen van artikel 4, sub a) t/m c), alsmede de stellig meer bevattelijke in paragraaf 13 der Overeenkomst getroffen overgangsregeling ter uitvoering van het bepaalde in artikel 66 van het Verdrag inzake de concentraties van ondernemingen, niet vermogen af te doen aan de hier gegeven interpretatie, nu het daar ongelijksoortige feiten betreft, welke op goede gronden aan een andere regeling werden onderworpen; dat in het bijzonder paragraaf 13 van geheel andere vooronderstellingen uitgaat, immers volgens haar bepalingen vallen concentraties die voor een bepaald tijdstip zijn tot stand gekomen, in het geheel niet onder de verdragsbepalingen, terwijl artikel 65 vroeg of laat toepassing moet vinden op alle kartels, ongeacht het tijdstip van hun ontstaan;

Overwegende, dat derhalve kartelafspraken die vóór 10 februari 1953 werden aangegaan, de bescherming genieten van paragraaf 12, lid 2, der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen;

6.

  1. Overwegende, dat uit paragraaf 12, lid 2, der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen, juncto de artikelen 1, 2 en 3 van de beschikking der Hoge Autoriteit 37-53 van 11 juli 1953 (Publikatieblad van de Gemeenschap 1953, blz. 153) volgt, dat vóór 10 februari 1953 gemaakte zogenaamde „oude” kartelafspraken niet aanstonds met het in werking treden van de gemeenschappelijke markt (10 februari 1953) nietig werden, doch behoudens een later verbod voorshands waren toegelaten en, behalve ingeval ener bijzondere beschikking van de Hoge Autoriteit, eerst na 31 augustus 1953 kwamen te vallen onder het verbod van artikel 65, hetwelk haar nietigheid medebracht; dat, indien vóór die dag een verzoek tot goedkeuring was ingediend, zij ook na deze datum voorlopig haar geldigheid behielden, totdat de Hoge Autoriteit op het verzoek afwijzend zou hebben beschikt;

  2. Overwegende, dat uit de toepassing der hierboven uiteengezette rechtsbeginselen op het onderhavige geval volgt, dat de verwerende partij bij de bestreden beschikking terecht heeft beslist, dat de verbodsbepalingen van artikel 65, sub 1, van het Verdrag, tot het tijdstip waarop de beschikkingen 5 tot 7-56 in werking traden, niet van toepassing waren op de besluiten van 5 februari 1953, nu deze — vijf dagen vóór het in werking treden van de gemeenschappelijke markt tot stand gekomen — besluiten „oude” afspraken betroffen, ten aanzien waarvan vóór 31 augustus 1953 een verzoek om goedkeuring was ingediend, hetwelk eerst bij de beschikkingen 5 tot 7-56 werd afgewezen;

    Overwegende, dat mitsdien de door eiseres op dit punt voorgedragen grieven ongegrond zijn;

    1. Overwegende, dat eiseres heeft betoogd, dat de besluiten van 5 februari 1953 in feite geen „oude” kartelafspraken waren, nu zij juist voor het in werking treden van de gemeenschappelijke markt ad hoc tot stand werden gebracht, teneinde te ontkomen aan een te hunnen aanzien onmiddellijk van kracht worden der in artikel 65, sub 1, neergelegde verbodsbepalingen;

      Overwegende, dat zelfs indien een dergelijk oogmerk bij het tot stand komen der besluiten van 5 februari 1953 mede zou hebben voorgezeten — hetgeen het Hof wel mogelijk, doch niet bewezen acht — zulks geen voldoende grond zou opleveren om de toepassing der artikelen 1 t/m 3 der beschikking van de Hoge Autoriteit 37-53 uit te sluiten; dat de uitvoeringsverordening van de Raad der Geallieerde Hoge Commissie no. 20 van 9 september 1952 aan de verkoopkantoren voor Ruhrkolen de verplichting oplegde uiterlijk vóór 31 maart 1953 de kolenverkoop te reorganiseren; dat hierin voor de belanghebbenden een aanleiding gelegen kon zijn aan deze reorganisatie een vaststelling van criteria te verbinden, waaraan een groothandelaar zou dienen te voldoen teneinde voor rechtstreekse bevoorrading in aanmerking te kunnen komen, temeer nu in de uitvoeringsverordening no. 20 de groothandelaren bij herhaling uitdrukkelijk werden vermeld; dat, nu derhalve de verkoopkantoren voor Ruhrkolen rechtens gehouden waren in gezamenlijk overleg tot een reorganisatie te geraken, niet kan worden aangenomen, dat de besluiten van 5 februari 1953 slechts tot stand kwamen ter ontduiking van artikel 65 van het Verdrag;

      Overwegende, dat ingevolge artikel 1 der beschikking van de Hoge Autoriteit 37-53 beslissend is of de overeenkomsten, besluiten of onderling samenhangende gedragingen op de datum van instelling van de gemeenschappelijke markt (10 februari 1953) reeds bestonden; dat zulks het geval is wat de besluiten van 5 februari 1953 betreft;

    2. Overwegende, dat eiseres voorts stelt, dat, nu ten aanzien van de besluiten van 5 februari 1953 nimmer ontheffing was verleend van de verbodsbepalingen, deze worden getroffen door het absolute verbod van artikel 65 en dat zij mitsdien nietig waren; dat deze stelling onjuist is;

      Overwegende, dat de Hoge Autoriteit inderdaad heeft geweigerd goedkeuring te verlenen op de besluiten van 5 februari 1953; dat deze weigering niet uitdrukkelijk werd uitgesproken, doch kennelijk lag besloten in de ontheffing van de verbodsbepalingen welke bij de beschikkingen 5 tot 7-56 ten aanzien van de daarbij goedgekeurde verkoopsregeling werd verleend;

      Overwegende, dat het Hof mitsdien gegrond acht de opvatting van de verwerende partij, dat de bij de beschikkingen 5 tot 7-56 aan de nieuwe regeling verleende goedkeuring rechtens gelijk te stellen is met een formele weigering goedkeuring te verlenen aan de tot nog toe gegolden hebbende regeling en dat om de hiervoor (6a en b) uiteengezette redenen het tijdstip waarop het in werking treden der nieuwe regeling was bepaald — 22 februari 1956 — diende te worden aangemerkt als het tijdstip waarop krachtens artikel 3 der beschikking 37-53 de verbodsbepalingen van artikel 65 op de oude regeling van toepassing werden;

      Overwegende — ten overvloede — dat uit de omstandigheid dat de uiteindelijk goedgekeurde overeenkomsten verschillen vertonen met de inhoud der besluiten van 5 februari 1953, evenmin mag worden afgeleid — gelijk eiseres wil — dat ten aanzien van de later goedgekeurde afspraken niet tijdig een verzoek om ontheffing der verbodsbepalingen was ingediend, daar de afspraken ten aanzien waarvan bij de beschikkingen 5 tot 7-56 ontheffing van de verbodsbepalingen werd verleend, ter goedkeuring waren voorgelegd door aanvragers die niet identiek waren met de partijen, betrokken bij de besluiten van 5 februari 1953, en dat bedoelde afspraken, wat hun inhoud betreft, niet met deze besluiten overeenstemden;

      Overwegende, dat de Hoge Autoriteit, na bestudering der haar ter goedkeuring voorgelegde regeling der verkoop van Ruhrkolen, waarvan de besluiten van 5 februari 1953 een onderdeel vormden, te kennen heeft gegeven, dat zij voor de vroegere regeling geen ontheffing zou kunnen verlenen; dat zij evenwel moest voorkómen, dat de tot dusverre bestaande ordening van de verkoop van Ruhrkolen zou wegvallen, zonder te zijn vervangen door een, met de bepalingen van het Verdrag in overeenstemming zijnde nieuwe regeling; dat het in deze gedachtengang — welke aan de algemene doelstellingen van het Verdrag en met name artikel 3, sub a), beantwoordde — geoorloofd was, met een formele afwijzing van de tot dusverre van kracht zijnde regeling te wachten, totdat de Ruhrmijnen een nieuwe voor goedkeuring vatbare regeling zouden hebben voorgelegd; dat de voortgezette pogingen om tot een ordening te geraken van de afzet van Ruhrkolen, te zamen één organisch geheel vormden, beginnende met de ingediende verzoeken ter verkrijging van goedkeuring op de besluiten van 5 februari 1953 en eindigende met het verlenen van goedkeuring aan de overeenkomsten, welke uiteindelijk waren aangepast aan de door de Hoge Autoriteit gestelde vereisten, gelijk die in de beschikkingen 5 tot 7-56 waren neergelegd; dat het onjuist ware in deze voortschrijdende ontwikkeling, die als één geheel moet worden gezien, een kunstmatige splitsing aan te brengen, in dier voege dat de in de beschikking 37-53 bedoelde opschortende werking aan het tijdig ingediende eerste verzoek om goedkeuring zou worden onthouden ;

  3. Overwegende, dat mitsdien rechtens juist moet worden geacht de in de bestreden beschikking van de Hoge Autoriteit vervatte beslissing, dat de in artikel 65, sub 1, van het Verdrag neergelegde verbodsbepalingen tot het tijdstip van in werking treden der beschikkingen 5 tot 7-56, namelijk tot 22 februari 1956, niet op de besluiten van 5 februari 1953 van toepassing waren; dat hiermede niet werd geprejudicieerd op de, niet in de interlocutoire uitspraak van het „Landgericht” te Essen opgeworpen vraag, welk recht op bedoelde besluiten in het tijdvak van 5 tot 10 februari van toepassing was en of deze dienvolgens al dan niet rechtsgeldig waren;

  4. Overwegende, dat aan de eisende partij kan worden toegegeven, dat de bestreden beschikking onder meer werd bepaald door de omstandigheid, dat de verwerende partij tot op het tijdstip waarop de beschikkingen 5 tot 7-56 werden gegeven, tegen de omstreden handelsregeling geen maatregelen heeft genomen; dat paragraaf 12 der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen evenwel geen bepaalde termijn vaststelt, waarbinnen tegen „oude” kartels maatregelen moeten zijn genomen; hetgeen medebrengt, dat de Hoge Autoriteit op dit punt een discretionaire bevoegdheid toekomt; dat gezien het gecompliceerde karakter en de vérstrekkende betekenis, zowel in economisch als in sociaal opzicht, van deze reorganisatie niet gezegd kan worden, dat de verwerende partij van bedoelde discretionaire bevoegdheid misbruik heeft gemaakt, door voor het bestuderen van de oude, en het tot stand brengen der nieuwe ordening drie jaar nodig te hebben gehad;

    Overwegende, dat, indien de eisende partij meende, dat de verwerende partij afzonderlijk en al eerder maatregelen had behoren te nemen tegen de omstreden handelsregeling, zij zich te dier zake krachtens artikel 35 van het Verdrag tot de Hoge Autoriteit had kunnen wenden en, zo deze zich van optreden had onthouden, deswege beroep had kunnen instellen; dat, nu eiseres dit heeft nagelaten, geoordeeld moet worden, dat de verwerende partij door haar stilzitten te dien tijde het Verdrag niet heeft geschonden;

7. Overwegende, dat de vorderingen van de eisende partij, welke berusten op de grief dat de beschikkingen 5 tot 7-56 van de Hoge Autoriteit in strijd zijn met het Verdrag, evenmin zijn gegrond;

  1. Overwegende, dat het Hof van de E.G.K.S. reeds eerder heeft beslist, dat het geoorloofd is om bij beroep tegen een individuele beschikking de onwettigheid van een hieraan ten grondslag liggende algemene beschikking op te werpen; dat het Hof in casu niet behoeft te beslissen over de vraag of gelijke regel geldt wanneer de bestreden individuele beschikking op een beweerdelijk onwettige andere, eveneens individuele beschikking berust, nu de beschikkingen 5 tot 7-56 niet aan de bestreden beschikking ten grondslag liggen; dat zulks reeds volgt uit de omstandigheid, dat de bestreden beschikking op grond van de hiervoor als uitgangspunt aanvaarde interpretatie van paragraaf 12 der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen alsmede op grond van de beschikking 37-53, niet anders zou hebben kunnen luiden, wanneer de verwerende partij bij het geven der beschikkingen 5 tot 7-56 van het standpunt zou zijn uitgegaan, dat slechts de handelsregeling welke gold vóór de bewuste besluiten, in overeenstemming was met artikel 65; dat de beschikkingen 5 tot 7-56 ten deze slechts bepalend zijn in zoverre zij het tijdstip aangeven waarna de verbodsbepalingen van artikel 65 op de „oude” overeenkomsten en besluiten van toepassing werden; dat mitsdien tussen deze beschikkingen en de aangevochten beschikking geen werkelijk verband bestaat;

  2. Overwegende, dat voor zover de eisende partij de onwettigheid der beschikkingen 5 tot 7-56 opwerpt en met haar subsidiaire vorderingen — die reeds niet ontvankelijk zijn daar deze eerst bij repliek, en mitsdien krachtens artikel 22 van het Statuut en artikel 29 van het Reglement van het Hof van Justitie tardief werden ingesteld — kennelijk de vernietiging van bedoelde beschikkingen beoogt, zij hierin niet-ontvankelijk is, nu daarmede wordt opgekomen tegen andere beschikkingen dan waartegen het beroep is gericht; dat de eisende partij tegen de beschikkingen 5 tot 7-56 niet binnen de bij artikel 33 van het Verdrag bepaalde termijn beroep heeft ingesteld; dat zij zulks niet incidenteel in het onderhavige geding vermag te doen; dat hetzelfde geldt, voor zover het betreft de beschikkingen 10 tot 12-57 en 16 tot 18-57, die slechts wijzigingen en aanvullingen van de beschikkingen 5 tot 7-56 bevatten;

    Overwegende, dat de stelling van eiseres als zou zij destijds niet hebben kunnen opkomen tegen de beschikkingen 5 tot 7-56, omdat zij niet aan de daarin gestelde voorwaarden voldeed, ongegrond is; dat zij door deze beschikkingen werd getroffen nu zij daarbij van de rechtstreekse aankoop werd uitgesloten; dat zij mitsdien hiertegen binnen de daartoe gestelde termijn in beroep had kunnen komen, waarmede zij een onderzoek in rechte had kunnen verkrijgen nopens hetgeen zij beweerde omtrent de ernstige gevolgen welke — en zulks in strijd met de geest van het Verdrag — bedoelde regeling zou hebben gehad voor het bestaan van talrijke sedert lang gevestigde groothandelaren in de eerste hand; dat er in het onderhavige geding evenwel geen aanleiding bestaat tot zodanig onderzoek, daar het beroep uitsluitend gericht is tegen de beschikking van de Hoge Autoriteit de dato 27 november 1957 welke met de vorengenoemde vraag geen enkel verband houdt;

8. Overwegende, dat het beroep op grond van het hierboven overwogene behoort te worden verworpen met veroordeling van eiseres in de proceskosten overeenkomstig artikel 60, paragraaf 1, van het Reglement van het Hof van Justitie;

HET HOF VAN JUSTITIE

Gezien de processtukken;

Gehoord het rapport van de Rechter-Rapporteur;

Gehoord partijen in haar pleidooien;

Gehoord de conclusie van de Advocaat-Generaal;

Gelet op de artikelen 3, 4, 8, 31, 33, 35, 65 en 80 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, alsmede de paragrafen 1, 2, 8, 12 en 13 der Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen;

Gelet op het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal;

Gelet op het Reglement van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal;

Gelet op de beschikkingen 1-53 en 37-53 van de Hoge Autoriteit, alsmede de brieven van de Hoge Autoriteit aan de regeringen der Lid-Staten van 7 en 10 februari 1953;

Recht doende,

Verwerpende al hetgeen meer of anders is gevorderd,

  • Verwerpt het beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Hoge Autoriteit van 27 november 1957, aan de eisende partij ter kennis gebracht op 6 december 1957.

  • Veroordeelt de eisende partij in de kosten.

Aldus door het Hof gewezen en ondertekend te Luxemburg op vier februari negentienhonderd negenenvijftig.

Donner

Riese

Rueff

Delvaux

Hammes

Rossi

Catalano

Uitgesproken ter openbare zitting gehouden te Luxemburg op vier februari negentienhonderd negenenvijftig.

De Griffier:

A. Van Houtte

De Voorzitter:

A. M. Donner