Hof van Justitie EU 12-07-1962 ECLI:EU:C:1962:26
Hof van Justitie EU 12-07-1962 ECLI:EU:C:1962:26
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 12 juli 1962
Uitspraak
In de zaak:
Louis Worms,
wonende te 's-Gravenhage,
bijgestaan door mr. J. L. Janssen van Raay, advocaat en procureur te Rotterdam,
Verzoekerten deze domicilie gekozen hebbende ten kantore van mr. R. Krieps, Avenue Marie-Thérèse 12, Luxemburg,
tegenHoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal,
vertegenwoordigd door Mr. B. van der Esch, juridisch adviseur bij de Hoge Autoriteit, als gemachtigde, bijgestaan door Mr. C. R. C. Wijckerheld Bisdom, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Verweersterten deze domicilie gekozen hebbende te haren kantore, Place de Metz 2, Luxemburg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt:
-
A. M. Donner, President,
-
O. Riese en R. Rossi, Kamerpresidenten,
-
L. Delvaux (Rechter-Rapporteur) en A. Trabucchi, Rechters,
-
Advocaat-Generaal: M. Lagrange,
-
Griffier: A. Van Houtte,
het volgende
ARREST
Ten aanzien van de feiten
I — Conclusies van partijen
Overwegende dat verzoeker concludeert dat het den Hove behage:
zich bevoegd te verklaren van de onderhavige vordering kennis te nemen;
te verstaan, dat bij de uitvoering van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal door een dienstfout van de Gemeenschap aan Worms schade is ontstaan;
een of meer deskundige(n) te benoemen, teneinde rapport uit te brengen over de door Worms geleden schade;
aan Worms ten laste van de Gemeenschap een geldelijke vergoeding toe te kennen tot zodanig bedrag als het Hof op grond van bovenbedoeld deskundigenbericht in goede justitie zal vermenen te behoren;
de Hoge Autoriteit te veroordelen in de proceskosten, die van de procedure tot verkrijging van toestemming om geheel kosteloos te procederen daaronder begrepen;”
Overwegende dat verweerster concludeert:
dat het Hof zich ten aanzien van de ingestelde vordering onbevoegd zal verklaren, althans deze niet ontvankelijk zal verklaren, althans zal ontzeggen;
dat het Hof de eisende partij zal veroordelen in de kosten van het geding;”
II — Overzicht van de feiten
Overwegende dat de voornaamste feiten, die verzoeker ter ondersteuning van zijn grieven aanvoert, als volgt kunnen worden samengevat:
Verzoeker was sedert 1 januari 1956 door het Duitse handelsbedrijf Hansa Rohstoff-Verwertung G.m.b.H. aangesteld als in- en verkoper van schroot voor het gebied van de Benelux. In de loop van 1957 stelde hij zijn werkgever in kennis van het feit dat bepaalde schroottransacties werden gedekt door frauduleuze verklaringen, die door een ambtenaar van het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken waren afgegeven.
Nadat verzoeker op 28 november 1957 bij genoemd ministerie aangifte had gedaan van deze fraude, werd het contract dat hem met Hansa verbond opgezegd bij brief van 29 november 1957.
Daarop trachtte verzoeker in dezelfde branche een andere betrekking te vinden, waartoe hij verschillende pogingen in het werk stelde. Zo wendde hij zich, doch tevergeefs, tot een der directeuren van de Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken N.V., die tegelijkertijd voorzitter was van het Vereveningsfonds, van het Gemeenschappelijk Bureau van Schrootverbruikers (G.B.S.V.) en van het Regionaal Bureau Nederland.
Bij brief van 10 januari 1958 verzocht Worms het G.B.S.V., hem op welke wijze dan ook bij de schrootvoorziening in te schakelen. Op 13 januari 1958 antwoordde het G.B.S.V., dat ter zake een beslissing zou worden genomen na een onderzoek van zijn geschil met de Hansa. Een nieuwe brief van betrokkene aan het G.B.S.V. dd. 26 februari 1958, waarbij hij zijn verzoek herhaalde, zou onbeantwoord zijn gebleven.
Offertes aan het G.B.S.V. dd. 17 maart, 31 maart, en 12 mei 1958 werden afgewezen (antwoorden dd. 18 maart, 2 april en 13 mei 1958).
Op 11 juli 1958 deed hij opnieuw offerte. Voor de eerste maal scheen het G.B.S.V. bereid te zijn tot een positieve reactie, doch ook dit keer werd geen transactie afgesloten. Uit deze laatste mislukking meende verzoeker te mogen afleiden, dat de taktiek van het G.B.S.V. bestond in een schijnbare bereidheid tot zaken doen, waarna vervolgens een reden werd gezocht om de transactie te doen afspringen.
In een brief van Hoogovens dd. 16 juli 1958, getekend Bentz van den Berg, verklaart deze ten slotte, tot dusver te hebben gemeend dat „Luxemburg” bezwaar zou hebben tegen het zaken doen door het G.B.S.V. met Worms, doch dat hij naar aanleiding van een telefoongesprek met de Heer Spierenburg had begrepen „dat dit niet het geval was en nooit geweest is”. Verzoeker meent dat deze brief het bewijs oplevert, dat het G.B.S.V. geweigerd had zaken met hem te doen in de (later gebleken onjuiste) mening dat de Hoge Autoriteit de genoemde bezwaren had.
Ter ondersteuning van de stelling, dat de boycot waarvan hij het slachtoffer was geen kans van slagen zou hebben gehad indien de Hoge Autoriteit krachtig had ingegrepen inzake de schrootfraude, beroept verzoeker zich in het bijzonder op het feit dat het verzoek van 26 april 1954 om toestemming tot het aangaan van bepaalde overeenkomsten, ingediend door de Nederlandse schroothandelaren, eerst op 2 juni 1960 door de Hoge Autoriteit is verworpen.
Verweerster bestrijdt een gedeelte van deze stellingen, ofwel is van mening dat zij voor het onderhavige geding van geen belang zijn.
Op 1 juli 1961 is het verzoekschrift in de onderhavige zaak ingediend.
III — Middelen en argumenten van partijen
Overwegende dat de middelen en argumenten van partijen als volgt kunnen worden samengevat:
A — KORT OVERZICHT VAN DE AANGEVOERDE MIDDELEN
1) De grieven van verzoeker zijn drieërlei:
-
De Hoge Autoriteit heeft nagelaten van haar bevoegdheden in het G.B.S.V. gebruik te maken om te bewerkstelligen, dat Worms zaken kon blijven doen.
-
Zij heeft verzuimd de boycot van de schroothandelaren in Nederland jegens Worms te breken.
-
Zij is in gebreke gebleven de schrootfraude met voortvarendheid te liquideren en te bevorderen, dat de schuldigen bestraft werden.
Volgens verzoeker leveren deze feiten in tweeërlei opzicht dienstfouten van de Hoge Autoriteit jegens hem op.
In de eerste plaats vormen deze feiten onrechtmatige daden van het G.B.S.V. te zijnen opzichte, waarvoor de Hoge Autoriteit aansprakelijk is omdat het hier de werkwijze van de vereveningsinstelling betreft en omdat de instellingen van Brussel als organen van de Hoge Autoriteit zijn te beschouwen.
In de tweede plaats vormen de aangevoerde feiten een dienstfout van de Gemeenschap jegens Worms, ook afgezien van de handelingen van het G.B.S.V., omdat de Hoge Autoriteit zelve haar plichten heeft verzaakt en in haar taak als overheid is tekortgeschoten.
2) Volgens verzoeker bestaat de door hem geleden schade uit:
-
Verlies van de scheepssloperij te Dordrecht en het handelskantoor te Rotterdam.
-
Gederfde inkomsten, zowel als schroothandelaar als in zijn hoedanigheid van scheepssloper.
-
Verliezen op ondernomen transacties, die ten gevolge van de boycot mislukten.
Daar de schade van dien aard is dat vaststelling ex aequo et bono dient te geschieden, vraagt verzoeker om benoeming van een of meer deskundigen.
3) Verzoeker biedt aan zijn stellingen te bewijzen door middel van getuigen.
Voorts verzoekt hij het Hof „te gelasten, dat worden overgelegd alle op Worms betrekking hebbende brieven, memoranda, notities, telegrammen en interne instructies van het G.B.S.V., het Fonds en de regionale bureaus, daarbij inbegrepen die van de heer Bentz van den Berg in welke kwaliteit ook”.
B — TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID
1. De ontvankelijkheid van het eerste middel: boycot van het G.B.S.V. jegens Worms
Verweerster bestrijdt de ontvankelijkheid van dit middel in de beide door verzoeker aangevoerde onderdelen, namelijk de aan de Hoge Autoriteit toegeschreven dienstfout op grond van het feit dat het G.B.S.V. als een orgaan van de Hoge Autoriteit is te beschouwen en de fout van de Hoge Autoriteit zelf, die tekort zou zijn geschoten in haar verplichtingen als overheid.
a) Aansprakelijkheid van de Hoge Autoriteit op grond van het feit dat het G.B.S.V. als een orgaan van de Hoge Autoriteit is te beschouwen
Verweerster verklaart dat ten tijde van de feiten, waarover het in dit geding gaat, het vereveningsstelsel was geregeld in de beschikking 2-57 van 26 januari 1957, waarvan artikel 11 aan het G.B.S.V. de bevoegdheid delegeert, aan het Vereveningsfonds voor ingevoerd schroot voorstellen te doen betreffende onder meer de te verevenen hoeveelheden en de vereveningsprijs. De vraag, in hoeverre deze delegatie rechtmatig was, is beslist in het arrest van het Hof in de zaken 9 en 10-56 (Meroni, Jur. IV, blz. 43 -50). Doch in casu gaat het niet om de vraag of het G.B.S.V. is te beschouwen als een orgaan van de Hoge Autoriteit wanneer het bevoegdheden uitoefent die door de Hoge Autoriteit zijn gedelegeerd. Immers, zo de Hoge Autoriteit het G.B.S.V. al heeft toegestaan, voor gemeenschappelijke rekening onderhandelingen te voeren omtrent de aankoop van schroot en eveneens, onder bepaalde omstandigheden, rechtstreeks koop- en vrachtovereenkomsten te sluiten, zo is in dit geval van enige delegatie van bevoegdheid door de Hoge Autoriteit geen sprake. De Hoge Autoriteit is onder geen enkele omstandigheid bevoegd zelf schroot aan te kopen: dergelijke aankopen blijven geheel voor rekening en risico van de schrootverwerkende industrie. Het G.B.S.V. is dus niet een orgaan van de Hoge Autoriteit voor zover het schroot koopt, daar deze handelingen niet tot de competentie van de Hoge Autoriteit behoren en de Hoge Autoriteit ten aanzien daarvan ook niet een bevoegdheid kan delegeren, die zij zelf niet bezit. Op grond van dit beginsel kon de vertegenwoordiger van de Hoge Autoriteit bij het G.B.S.V. dus geen bemoeienis hebben met de beslissingen van commerciële aard, die deze instelling had te nemen. Verweerster trekt daaruit de conclusie, dat de Hoge Autoriteit niet aansprakelijk kan zijn voor de beweerde onrechtmatige handelingen van het G.B.S.V. op het gebied van de aankoop van schroot en dat het Hof ten deze zich onbevoegd zal moeten verklaren, althans het middel als niet-ontvankelijk afwijzen. Zij voegt hier aan toe dat, indien zij al van het G.B.S.V., evenals van alle andere aan het Verdrag onderworpen rechtssubjecten, kon verlangen — hetgeen zij dan ook niet heeft nagelaten te doen — dat deze instelling haar taak behoorlijk zou vervullen en zich niet aan ontoelaatbare discriminaties zou schuldig maken, deze omstandigheid evenwel niet medebrengt dat het G.B.S.V. in casu een orgaan van de Hoge Autoriteit zou zijn waarvoor deze overeenkomstig artikel 40 van het Verdrag aansprakelijk zou kunnen worden gesteld.
Vervolgens voert verweerster aan, dat de door verzoeker gestelde schade reeds bestond voordat hij in contact kwam met het G.B.S.V. Immers, uit Worms' brieven van 10 januari 1958 aan het G.B.S.V. en van 4 maart 1958 aan de Hoge Autoriteit blijkt, dat verzoeker zich reeds voordat de gevolgen van de gestelde boycot door het G.B.S.V. zich deden gevoelen, geruïneerd achtte door de handelingen van Hansa Rohstoff-Verwertung G.m.b.H.
b) Aansprakelijkheid van de Hoge Autoriteit in verband met haar verplichtingen als overheid
Verweerster stelt, dat uit het sub a) aangevoerde blijkt, dat in de gestelde feiten ook niet een rechtstreekse fout van de Hoge Autoriteit gelegen kan zijn, daar deze met de commerciële zijde van de activiteiten van het G.B.S.V. niet van doen heeft. Zij heeft tot taak de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken (artikel 8 van het Verdrag), doch deze houden niet de garantie in dat individuele handelaren hun waren kunnen afzetten. Ook. in dit opzicht, aldus verweerster, is het middel niet-ontvankelijk.
In antwoord op de sub a) en b) weergegeven argumenten stelt verzoeker, dat de Hoge Autoriteit wel degelijk bemoeienis had met het commerciële beleid van het G.B.S.V. Dit blijkt uit de brief van 14 november 1955 van het G.B.S.V. aan de Luria Brothers-groep en uit de brieven van de Hoge Autoriteit aan Worms dd. 20 augustus en 22 en 29 september 1958.
Verzoeker leidt hieruit af, dat het standpunt van de Hoge Autoriteit onhoudbaar is en dat de daaraan verbonden consequenties dienen te worden verworpen.
2. De ontvankelijkheid van het tweede middel: boycot van de Nederlandse schroothandelaren jegens Worms
Verweerster bestrijdt de ontvankelijkheid van dit middel, daar dit door geen enkel behoorlijk bewezen feit wordt gestaafd.
Het niet tussenbeide komen teneinde de beweerde boycot van de Nederlandse handelaren te breken kan niet een handeling of nalaten van het G.B.S.V. zijn, daar dit orgaan terzake iedere mogelijkheid van optreden miste.
Overigens bevat het verzoekschrift geen enkel concreet feit ter staving van deze bewering: er wordt niet gezegd wanneer de boycot heeft plaatsgehad, noch waarin deze zou hebben bestaan, noch welke maatregelen de Hoge Autoriteit had moeten treffen. Evenmin wordt door verzoeker aangetoond, dat de Hoge Autoriteit destijds van de beweerde boycot op de hoogte is geweest en gelegenheid heeft gehad tot ingrijpen. Het gemis aan feiten kan niet worden goedgemaakt door een beroep op „algemene bekendheid” of op persberichten.
Verweerster concludeert dat een van de voorwaarden welke artikel 38, paragraaf 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering aan het verzoekschrift stelt, namelijk een summiere uiteenzetting der aangevoerde middelen, niet is vervuld en dat het tweede middel derhalve terstond als niet-ontvankelijk, althans ongegrond kan worden aangemerkt.
Verzoeker antwoordt hierop, dat de aangifte door Worms van de schrootfraudes bij de Nederlandse autoriteiten op 28 november 1957 de oorzaak is geweest van een systematische boycot door de schroothandelaren, waaronder een kleine bevoorrechte groep de Nederlandse schrootverwerkende industrie bevoorraadt. Alle andere schroothandelaren zijn economisch volledig van deze bevoorrechte groep afhankelijk. Dit feit is in Nederland van algemene bekendheid en de pers vestigt er regelmatig de aandacht op. Blijkens een artikel in het Algemeen Handelsblad van 28 september 1961 heeft de Haagse officier van justitie in een smaadproces tegen Worms deze handelingen gelaakt en gezegd: „Hij werd het slachtoffer van een onbehoorlijke boycot, omdat hij zijn burgerplicht nakwam”. De weigering van de Hoge Autoriteit om terzake in te grijpen had tot gevolg dat de onaantastbaarheid van het kartel van schrootleveranciers werd bevestigd, terwijl een positieve houding harerzijds de Worms gunstig gezinde handelaren ertoe zou hebben aangespoord weer zakelijke relaties met hem te onderhouden.
Voorts heeft dit kartel van Nederlandse schroothandelaren op 26 april 1954 bij de Hoge Autoriteit een verzoek ingediend tot het verkrijgen van de in artikel 65, lid 2, van het Verdrag bedoelde ontheffing, welk verzoek eerst op 2 juni 1960 is verworpen. Verzoeker leidt hieruit af dat, indien de Hoge Autoriteit de gewenste ijver aan de dag had gelegd en indien bijgevolg het kartel ten tijde van het plaatsgrijpen van de litigieuze feiten niet meer had bestaan, het Worms minder moeite zou hebben gekost met de afnemers van schroot normale handelsbetrekkingen aan te knopen.
3. De ontvankelijkheid van het derde middel: nalatigheid van de Hoge Autoriteit in de zaak van de schrootfraude
Verweerster merkt op, dat iedere feitelijke precisering van het gewraakte handelen of nalaten van de Hoge Autoriteit ten deze ontbreekt. Het oordeel van de leden van het „Comité Schrootfraude” is uiteraard in dit verband niet voldoende. Door het betoog van verzoeker wordt niet aangetoond, dat er causaal verband bestaat tussen enerzijds het optreden van de Hoge Autoriteit met betrekking tot de schrootfraude, anderzijds de beweerdelijk door Worms geleden schade.
Verweerster trekt hieruit de conclusie dat het derde middel terstond als niet-ontvankelijk, althans als ongegrond kan worden aangemerkt.
Verzoeker antwoordt hierop dat hij niet meer de enige is, die de Hoge Autoriteit laksheid ten aanzien van de liquidatie van de schrootfraude verwijt. Het „Comité Schrootfraude” heeft zich op 30 maart 1961 met een communiqué tot het Nederlandse publiek gewend en heeft op 5 mei 1961 een rapport gepubliceerd. De Hoge Autoriteit heeft haar onderzoek zo laat geopend en dit laatste is zo onvolledig geweest, dat van goede trouw niet meer kan worden gesproken. Worms verwijst terzake naar zijn rapport van 8 april 1961.
C — TEN PRINCIPALE
1. De gegrondheid van het eerste middel: boycot van het G.B.S.V. jegens Worms
Verzoeker stelt dat de Hoge Autoriteit heeft nagelaten van haar bevoegdheden in het G.B.S.V. gebruik te maken om te bewerkstelligen, dat Worms zaken kon blijven doen.
Zijn voornaamste argumenten zijn hierboven weergegeven (Overzicht van de feiten, en III, B, Ontvankelijkheid, sub 1).
Teneinde te bewijzen dat het G.B.S.V. onrechtmatig heeft gehandeld door geen zaken met Worms te doen, vraagt verzoeker „het Hof van Justitie te gelasten, dat worden overgelegd, alle op Worms betrekking hebbende brieven, memoranda, notities, telegrammen en interne instructies van het G.B.S.V., het Fonds en de regionale bureaus, daarbij inbegrepen die van de heer Bentz van den Berg in welke kwaliteit ook”.
Volgens verzoeker behoort het onderzoek zich ook uit te strekken tot het Vereveningsfonds voor ingevoerd schroot wegens de tussen dit Fonds en het G.B.S.V. bestaande verhouding.
Bij de conclusie van repliek heeft verzoeker een rapport overgelegd van de Amerikaanse anti-trust autoriteiten betreffende de Luria Brothers-groep, teneinde „een schril licht (te werpen) op de kwalijke praktijken van het G.B.S.V. dat zich niet ontzag om redenen van niet-commerciële aard … een Amerikaanse schrootcombinatie op een ergerlijke wijze te begunstigen”. Dit rapport, aldus verzoeker, vormt een aanvullend argument voor de stelling dat het ten zeerste gewenst is, dat de gevraagde produktie van stukken wordt bevolen.
Verzoeker stelt dat de wijze waarop hij zijn offertes aan het G.B.S.V. deed, niet ongewoon was. Overigens zou het op de weg van het G.B.S.V. gelegen hebben, hem erop te wijzen dat zijn offertes prijs en specificaties moesten bevatten, indien zulks inderdaad vereist was, hetgeen hij ontkent. Voorts is er geen enkele rechtmatige reden voor, dat het G.B.S.V. geen zaken deed met het Amerikaanse continent via Europese tussenpersonen. Overigens rechtvaardigt het voornoemde rapport van de Amerikaanse autoriteiten de verdenking, dat er onrechtmatige redenen waren voor de voorkeur ten opzichte van de Amerikaanse Luria Brothers-groep.
Verweerster voert hiertegen in de eerste plaats de boven weergegeven argumenten aan (zie III, B, Ontvankelijkheid, sub 1).
Naar aanleiding van het verzoek van Worms aan het Hof, de overlegging van bepaalde stukken te bevelen, merkt verweerster op dat de bedoelde stukken een te groot terrein bestrijken en dat, indien het Hof dit verzoek zou toewijzen, nauwkeuriger zou moeten worden omschreven welke gegevens worden bedoeld. Bovendien, aldus verweerster, vraagt Worms om overlegging van stukken van personen en instellingen, die geen partij zijn in het proces; voorts stuit de overlegging van interne stukken op gegronde bezwaren van de zijde van de administratie. Ten slotte merkt verweerster op, dat het G.B.S.V. in de zaak 35-58, welke op 17 juli 1958 door Worms aanhangig was gemaakt, reeds alle op het geschil met verzoeker betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
Naar aanleiding van het stuk betreffende de Amerikaanse Luria Brothers-groep, dat in de conclusie van repliek wordt genoemd, stelt verweerster dat hetgeen Worms omtrent het bewuste stuk opmerkt geen enkel verband houdt met het onderhavige geding.
Met betrekking tot de zakelijke merites van de aanbiedingen van Worms aan het G.B.S.V. stelt verweerster, dat het op de weg ligt van Worms om aan te tonen, althans aannemelijk te maken, dat zijn offertes anders dan op zakelijk verantwoorde gronden zijn geweigerd. Het is normaal dat een offerte prijs en specificatie van de betrokken produkten inhoudt. Het G.B.S.V. heeft Worms niet op deze lacunes gewezen, daar zijn offertes uit anderen hoofde toch al niet voor aanvaarding in aanmerking kwamen.
Dat het G.B.S.V. bij zijn transacties met het Amerikaanse continent geen gebruik maakte van Europese tussenpersonen kan niet discriminerend zijn ten opzichte van Worms, wanneer dit een algemene gedragslijn van het G.B.S.V. was: zowel in maart 1958 als in mei van dit jaar hebben andere Europese handelaren partijen schroot aangeboden die kennelijk identiek waren met die, welke door Worms waren aangeboden, en ook die offertes zijn zonder meer afgewezen.
2. De gegrondheid van het tweede middel: boycot van de Nederlandse schroothandelaren jegens Worms
Verzoeker stelt dat de Hoge Autoriteit heeft verzuimd de boycot van de schroothandelaren in Nederland jegens Worms te breken.
Zijn voornaamste argumenten zijn hierboven weergegeven (zie II, Overzicht van de feiten, en III, B, Ontvankelijkheid, sub 2).
Verweerster voert hiertegen in de eerste plaats de boven weergegeven argumenten aan (zie III, B, Ontvankelijkheid, sub 2).
Zij voegt hieraan toe dat Worms in de loop van 1959 een vergunning heeft gekregen voor de uitvoer naar Japan van 10. 000 ton schroot, die hij in Duitsland en in Nederland kocht. Hij had dus toentertijd geen reden om zich over een boycot van schroothandelaren te beklagen.
Eerst in een brief van 21 juni 1960 heeft Worms zich bij de Hoge Autoriteit beklaagd over een boycot van Nederlandse schroothandelaren. Hij had een rondschrijven gericht aan 150 schroothandelaren, die geen animo toonden om met hem in relatie te treden. Uit een door de Hoge Autoriteit gevoerd onderzoek blijkt, dat deze handelaren zich hebben laten leiden door in het normale handelsverkeer toelaatbare overwegingen en dat er geen sprake is van een afspraak tot boycot of van onderling samenhangende gedragingen in de zin van artikel 65.
3. De gegrondheid van het derde middel: nalatigheid van de Hoge Autoriteit in de zaak van de schrootfraude
Verzoeker stelt dat de Hoge Autoriteit in gebreke is gebleven de schrootfraude met voortvarendheid te liquideren en te bevorderen, dat de schuldigen bestraft werden.
Zijn voornaamste argumenten zijn hierboven weergegeven (zie II, Overzicht van de feiten, en III, B, Ontvankelijkheid, sub 3).
Verweerster voert hiertegen in de eerste plaats de boven weergegeven argumenten aan (zie III, B, Ontvankelijkheid, sub 3).
Als bewijs voor haar activiteit op het terrein van de schroot-fraude verwijst de Hoge Autoriteit naar haar rapport aan het Europese Parlement (Rapport inzake het beleid van de Hoge Autoriteit ten aanzien van de controle op de oorsprong van het door het Vereveningsfonds in verevening genomen schroot. Bijzondere bijlage bij het Negende Algemeen Verslag, april 1961).
IV — Procedure
Overwegende dat de procedure een regelmatig verloop heeft gehad;
dat verzoeker op 24 oktober 1960 ter Griffie een verzoek heeft ingediend tot het verkrijgen van kosteloze rechtsbijstand;
dat de Eerste Kamer van het Hof dit verzoek bij beschikking van 24 januari 1961 heeft toegewezen;
dat het Hof in zijn zitting van 19 januari 1962 op het rapport van de Rechter-Rapporteur, de Advocaat-Generaal gehoord, partijen heeft verzocht bepaalde inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen;
dat verweerster en verzoeker op respectievelijk 8 februari 1962 en 30 maart 1962 op deze vragen hebben geantwoord;
TEN AANZIEN VAN HET RECHT
Overwegende dat verzoeker met een beroep op artikel 40 van het E.G.K.S.-Verdrag vergoeding vordert van beweerdelijk door hem geleden schade, welke het gevolg zou zijn van een dienstfout bij de toepassing van het Verdrag begaan, en dat hij daartoe de volgende drie middelen aanvoert:
-
de Hoge Autoriteit zou verzuimd hebben van haar bevoegdheden gebruik te maken tegenover het Gemeenschappelijk Bureau van Schrootverbruikers (G.B.S.V.) teneinde van deze instelling de nodige medewerking te verkrijgen om verzoeker tot uitoefening van zijn beroep van schroothandelaar in staat te stellen; de Hoge Autoriteit zou aansprakelijk zijn voor de schadelijke gevolgen uit deze nalatigheid van bedoelde instelling voor verzoeker voortvloeiende, daar het hier zou betreffen de werking van het vereveningsstelsel, een gebied waarop het G.B.S.V. als een orgaan van de Hoge Autoriteit zou moeten worden beschouwd; bovendien zou de Hoge Autoriteit aansprakelijk zijn voor de aldus ontstane toestand nu zij door haar verplichtingen niet uit te voeren tekortgeschoten is in de uitvoering van haar overheidstaak;
-
de Hoge Autoriteit zou niet zijn opgetreden om de boycot te breken welke tegen verzoeker zowel door de Nederlandse schroothandelaren als het G.B.S.V. werd gevoerd;
-
de Hoge Autoriteit zou niet met voldoende voortvarendheid de liquidatie der schrootfraudes en de vervolging der schuldigen hebben ter hand genomen;
A — Ten aanzien van de ontvankelijkheid
Overwegende dat verweerster de drie voorgedragen middelen niet-ontvankelijk acht;
-
Overwegende, ten aanzien van het eerste middel, dat verweerster stelt, dat blijkens de beschikking no. 2-57 (Publikatieblad van 28 januari 1957) het G.B.S.V., wanneer het schroot aankoopt, niet als orgaan van de Hoge Autoriteit zou moeten worden beschouwd en dat derhalve de beweerdelijk door het G.B.S.V. in dit opzicht begane onregelmatigheden niet tot aansprakelijkheid van verweerster kunnen leiden;
dat dit verweer betrekking heeft op de vraag of de aanwezigheid van een dienstfout van de Gemeenschap — vereiste voor de gegrondheid van een beroep ex artikel 40 van het Verdrag — in casu niet uitgesloten moet worden geacht nu de betreffende handelingen van het G.B.S.V. buiten het kader van de werkzaamheden der Gemeenschap vallen; dat deze vraag niet de ontvankelijkheid doch de gegrondheid van het middel raakt;
-
Overwegende, ten aanzien van het tweede middel, dat verweerster zich beroept op het feit, dat het verzoekschrift niet nader aangeeft in welk tijdvak de beweerde boycot plaatsvond, noch uit welke feiten tot zodanige boycot kan worden besloten, noch ook welke maatregelen de Hoge Autoriteit gehouden was geweest te nemen; dat mitsdien de summiere uiteenzetting der aangevoerde middelen als vereist in artikel 38, paragraaf 1, sub c, in het request ontbreekt;
dat verzoeker in zijn verweerschrift het op de boycot gegronde middel duidelijk heeft gesteld en in het verdere verloop van de procedure dit middel nader heeft ontwikkeld en aangevuld; dat het ten deze gevoerde verweer mitsdien niet kan worden aanvaard;
-
Overwegende, ten aanzien van het derde middel, dat verweerster aanvoert dat er geen causaal verband kan bestaan tussen het optreden der Hoge Autoriteit ter bestrijding der schrootfraude en de door verzoeker gestelde schade;
dat dit argument van verweerster nopens de afwezigheid van enig causaal verband tussen de beweerde dienstfout en de geleden schade, niet een vraag van ontvankelijkheid raakt doch het geschil ten principale;
Overwegende dat derhalve de door verweerster voorgedragen middelen van niet-ontvankelijkheid dienen te worden verworpen; dat het Hof ook ambtshalve geen bedenking ziet tegen de ontvankelijkheid van het beroep;
dat het beroep mitsdien ontvankelijk is;
B — Ten principale
-
-
Overwegende dat allereerst dient te worden onderzocht of de Hoge Autoriteit aansprakelijk is voor de dienstfout, welke het G.B.S.V. zou hebben begaan door zijn weigering op verzoekers schrootoffertes in te gaan;
Overwegende, dat krachtens artikel 11 en 12 van de beschikking no. 2/57 van de Hoge Autoriteit het Vereveningsfonds voor ingevoerd schroot het uitvoerend orgaan vormt voor de Financiële Instelling, dat het alleen bevoegd is tot het nemen der voor de goede werking dier Instelling nodige beschikkingen en dat het G.B.S.V. op dit punt slechts tot het doen van voorstellen aan het Fonds bevoegd is; dat de eigen bevoegdheden van het G.B.S.V. van commerciële aard zijn en betrekking hebben op het doen van schrootaankopen voor gemeenschappelijke rekening en tot het rechtstreeks afsluiten van schrootaankopen voor de rekening van nader aan te wijzen verbruikers;
dat mitsdien uit de opzet van voornoemde beschikking blijkt dat bedoelde werkzaamheden van privaatrechtelijke aard zijn;
dat bovendien a contrario uit artikel 15 paragraaf 2 der meergenoemde beschikking volgt, dat het aan de Hoge Autoriteit voorbehouden recht om zelf in bepaalde gevallen een beschikking te nemen niet geldt voor de onderhavige werkzaamheden voorzien in de paragrafen 2 en 3 van artikel 11;
dat het G.B.S.V. — een vennootschap naar Belgisch recht — in de uitoefening van zijn eigenlijke commerciële bevoegdheden onderworpen is aan het interne recht en dat het optreden van het G.B.S.V. slechts geacht kan worden rechtstreeks de aansprakelijkheid van de Hoge Autoriteit mede te brengen wanneer dit de werking van het vereveningsstelsel betreft en derhalve als bestuursoptreden moet worden aangemerkt;
dat het in casu niet twijfelachtig is, dat de door verzoeker aan het G.B.S.V. gedane offertes een uitsluitend commercieel karakter droegen en rechtens niet verschilden van die welke hij aan schroot-verbruikende ondernemingen deed;
dat overigens uit de door verzoeker geproduceerde stukken blijkt, dat hij het G.B.S.V. drie schrootoffertes heeft gedaan, respectievelijk bij brieven van 17 maart, 31 maart en 12 mei 1958;
dat de eerste twee offertes geen prijsaanduiding bevatten en niet nauwkeurig waren geformuleerd, gelijk het Hof heeft kunnen vaststellen door een vergelijking van die aanbiedingen met door derden tot het G.B.S.V. gerichte offertes, zodat de weigering van het G.B.S.V. om op deze aanbiedingen van verzoeker in te gaan niet van discriminatoire aard kan worden geacht;
dat, zo de offerte van 12 mei 1958 al met meer volledigheid was geformuleerd, haar afwijzing door het G.B.S.V. evenmin discriminatoir ten opzichte van verzoeker kan worden geacht waar, naar verweerster onweersproken heeft gesteld, een volkomen gelijke aanbieding — op 1 mei van hetzelfde jaar door een derde aan het G.B.S.V. gedaan en kennelijk betrekking hebbende op dezelfde partij schroot — in ongeveer gelijke bewoordingen was afgewezen;
dat mitsdien de aangevoerde feiten geen grond opleverden om de Hoge Autoriteit te verplichten tot tussenkomst bij het G.B.S.V.;
-
Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Hoge Autoriteit, in haar hoedanigheid van overheid, gehouden was haar bevoegdheden ten opzichte van het G.B.S.V. aan te wenden, teneinde die instelling tot het doen van zaken met verzoeker te bewegen;
dat deze bewering moet worden verworpen;
dat toch het G.B.S.V. bij zijn keuze der verkopers waarvan het schroot aankoopt een privaatrechtelijke werkzaamheid uitoefent, waarin de Hoge Autoriteit zich niet bevoegdelijk kan mengen;
-
-
-
Overwegende dat verzoeker stelt dat de Hoge Autoriteit een dienstfout heeft begaan door niet tussenbeide te komen teneinde de boycot te breken welke tegen verzoeker zowel door het G.B.S.V. als de schroothandelaren werd gepleegd;
Overwegende dat naar algemene rechtsopvatting boycot een onrechtmatige daad oplevert wanneer het daarmede beoogde doel of de daartoe aangewende middelen ongeoorloofd of in strijd met de goede zeden zijn — bij voorbeeld wanneer zodanige handeling strekt tot wraakneming of is ingegeven door afgunst zonder voor de daders van enig redelijk nut te zijn — of wanneer er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen het beoogde voordeel en de door het slachtoffer van de boycot geleden schade;
Overwegende evenwel, dat eerst dient te worden onderzocht of het E.G.K.S.-Verdrag verweerster de bevoegdheid geeft om tegen de door verzoeker beweerdelijk ondervonden boycot op te treden;
Overwegende dat de Hoge Autoriteit op grond van artikel 65. sub 1 en 5, van het Verdrag, houdende het verbod van „alle onderling samenhangende gedragingen welke ertoe zouden kunnen leiden om de normale werking van de mededinging op de gemeenschappelijke markt te vervalsen”, kan optreden tegen degenen die een onder deze termen vallende boycot bedrijven;
dat verzoeker echter in casu niet heeft aangetoond, dat de beweerdelijk tegen hem gevoerde boycot zou hebben geleid tot het beletten, beperken of vervalsen van de normale werking der mededinging op de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 65 van het E.G.K.S.-Verdrag;
dat de Hoge Autoriteit niet de vereiste bevoegdheid bezat tegen de boycot, gelijk die door verzoeker is gesteld en gekenmerkt, op te treden; dat mitsdien de gestelde feiten niet onder de bevoegdheid van de Hoge Autoriteit vallen;
-
Overwegende, dat verzoeker de Hoge Autoriteit nog verwijt eerst na zes jaren, namelijk op 2 juni 1960, afwijzend te hebben beschikt op het verzoek dd. 26 april 1954 ingevolge artikel 65 paragraaf 2 van het Verdrag ingediend door het kartel van schroot-handelaren, die door de Nederlandse staalondernemingen als rechtstreekse leveranciers waren toegelaten; dat de door verzoeker geleden schade gelegen zou zijn in het feit, dat, ware de Hoge Autoriteit ter zake meer diligent geweest, bedoel kartel zou hebben opgehouden te bestaan op het tijdstip waarop zich de schrootfraudes voordeden, in welk geval verzoeker gemakkelijker handelsrelaties tot stand had kunnen brengen met de schrootafnemers;
Overwegende dat deze grief moet worden verworpen;
dat immers een eventueel verzuim van de Hoge Autoriteit bij de behandeling van het verzoek tot goedkeuring van bovenbedoeld kartel aan verzoeker slechts een indirecte schade had kunnen toebrengen, welke schade overigens niet naar de eis des rechts bewezen is;
-
-
Overwegende dat verzoeker stelt, dat de Hoge Autoriteit geen voldoende voortvarendheid heeft betracht bij het liquideren der schrootfraudes en de vervolging van de schuldigen;
Overwegende dat verzoeker niet het bewijs heeft bijgebracht, dat hij een directe schade geleden zou hebben uit hoofde van een beweerde nalatigheid van de Hoge Autoriteit op dit punt;
dat, integendeel, uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt, dat hij zich reeds begin 1958 geruïneerd achtte ten gevolge van het verlies van zijn positie als vertegenwoordiger van de Hansa;
dat verzoekers stellingen derhalve neerkomen op de bewering, dat hij zich nieuwe middelen van bestaan zou hebben kunnen scheppen indien de Hoge Autoriteit met meerdere voortvarendheid tegen de schrootfraudes zou zijn opgetreden;
dat verzoeker geen enkel bewijs heeft bijgebracht voor het bestaan van een causaal verband tussen de beweerdelijk door hem geleden schade en de nalatigheid van de Hoge Autoriteit bij de repressie der schrootfraudes;
dat deze grief moet worden verworpen;
Overwegende dat het beroep derhalve ongegrond moet worden verklaard;
C — Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat krachtens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten zal worden verwezen;
dat, nu alle door verzoeker voorgedragen middelen zijn verworpen, de proceskosten te zijnen laste moeten worden gebracht, daaronder begrepen die van het verzoek tot toelating om kosteloos te procederen;
Gezien de processtukken;
Gehoord het rapport van de Rechter-Rapporteur;
Gehoord partijen in haar pleidooien;
Gehoord de conclusie van de Advocaat-Generaal;
Gelet op de artikelen 40, 53 en 65 van het E.G.K.S.-Verdrag;
Gelet op het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de E.G.K.S.;
Gelet op het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen;
HET HOF VAN JUSTITIE
Rechtdoende,
Verwerpt het beroep aanhangig gemaakt door Louis Worms tegen de Hoge Autoriteit, strekkende tot verkrijging van vergoeding der schade, welke hij zou hebben geleden ingevolge een dienstfout door de Gemeenschap bij de toepassing van het E.CK.S.-Verdrag begaan;
Veroordeelt verzoeker in alle proceskosten;
Ontzegt het meer of anders gevorderde.
Aldus door het Hof gewezen en ondertekend te Luxemburg op twaalf juli negentienhonderdtweeënzestig.
Donner
Riese
Rossi
Delvaux
Trabucchi
Uitgesproken ter openbare zitting gehouden te Luxemburg op twaalf juli negentienhonderdtweeënzestig.
De Griffier,
A. Van Houtte
De President,
A. M. Donner