Arrest van het Hof van 6 april 1962.
Arrest van het Hof van 6 april 1962.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 6 april 1962
Uitspraak
In de gevoegde zaken:
-
Meroni & Co.,
naamloze vennootschap, gevestigd te Milaan,
vertegenwoordigd door A. Meroni, (21-61)
-
Acciaieria Laminatoi di Magliano Alpi (A.L.M.A.),
naamloze vennootschap, gevestigd te Turijn,
vertegenwoordigd door G. Passalacqua, (22-61)
-
Fer.Ro (Ferriere Rossi),
onderneming gevestigd te Magliano Alpi (Cuneo),
vertegenwoordigd door G. Rossi, (23-61)
-
Meroni & Co.,
commanditaire vennootschap, gevestigd te Erba,
vertegenwoordigd door A. Artioli, (24-61)
-
Societa Industriale Metallurgica di Napoli (S.I.M.E.T.),
naamloze vennootschap, gevestigd te Napels,
vertegenwoordigd door P. Fantini, (25-61)
-
Acciaieria Ferriera di Roma (F.E.R.A.M.),
naamloze vennootschap, gevestigd te Rome,
vertegenwoordigd door A. Frigerio, (26-61)
bijgestaan door mr. A. Cottrau, advocaat te Turijn en bij de Corte di Cassazione te Rome,
ten deze domicilie gekozen hebbende ten kantore van mr. G. Margue, rue Philippe II 20, Luxemburg,
tegenHoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal,
Verweerster
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
samengesteld als volgt:
A. M. Donner, President,
O. Riese en J. Rueff (Rechter-Rapporteur), Kamerpresidenten,
L. Delvaux en R. Rossi, Rechters,
Advocaat-Generaal: K. Roemer,
Griffier: A. Van Houtte,
in de incidentele procedure betreffende de ex artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering door verweerster opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid
het volgende
ARREST
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN
I — Conclusies van partijen in de incidentele procedure
Overwegende dat verweerster in de hoofdzaak concludeert dat het den Hove behage:
„zonder in te gaan op de zaak ten gronde, alle vorderingen van verzoekster(s), neergelegd in het (de) op 8 (en 11) december 1961 ingediende en op 11 (en 12) december 1961 betekende beroep(en), niet-ontvankelijk te verklaren;
verzoekster(s) in de kosten te veroordelen”;
dat verzoeksters in de hoofdzaak concluderen dat het den Hove behage:
„zonder in te gaan op de zaak ten gronde, alle vorderingen van verzoekster(s), neergelegd in het (de) op 8 (en 11) december 1961 ex artikel 35 van het Verdrag ingediende beroep(en), ontvankelijk te verklaren;
de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal te veroordelen in de kosten van de incidentele procedure”;
II — Stellingen van partijen in de incidentele procedure
Overwegende dat de stellingen van partijen als volgt kunnen worden samengevat:
Volgens de Hoge Autoriteit staat het beroep wegens nalaten van verzoeksters gelijk met een vordering tot nietigverklaring van artikel 10, sub b en c, van de beschikkingen 2-57 en 16-58. Op deze wijze wordt dus, via de omweg van een beroep wegens nalaten, de nietigverklaring gevorderd van een beschikking die onaantastbaar is geworden door het verstrijken van de in het 3e lid van artikel 33 bedoelde termijn. Voorts is er nimmer een individuele beschikking geweest waarbij de gewraakte ontheffingen zijn toegestaan. Er is dus geen plaats voor een vordering tot nietigverklaring.
Verzoeksters antwoorden hierop, dat de Hoge Autoriteit de gegrondheid en de ontvankelijkheid van het beroep met elkaar verwart. Ter zake kan worden volstaan met te verwijzen naar de in de hoofdzaak voorgedragen conclusies. Volgens de rechtspraak van het Hof is het voor de ontvankelijkheid van een beroep wegens nalaten voldoende dat de Hoge Autoriteit nalaat binnen twee maanden na de ingebrekestelling de gevraagde beschikking te geven. Daar het Verdrag geen andere voorwaarde stelt voor de ontvankelijkheid van een beroep wegens nalaten, kan worden volstaan met de constatering dat artikel 91, paragraaf 1, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering uitdrukkelijk bepaalt dat een incidentele procedure alleen dan aanhangig kan worden gemaakt, indien de vordering in geen geval de zaak ten principale raakt. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van beroepen wegens nalaten wordt verwezen naar de rechtspraak van het Hof in de zaken 42-59 en 49-59 (Jurisprudentie Deel VII, Samenvatting nos. 5 en 6).
Ten aanzien van de individuele beschikkingen waarbij ontheffingen zijn verleend wordt verwezen naar het in de verzoekschriften gedane bewijsaanbod. Voorts merken verzoeksters op, dat deze ontheffingen, zelfs indien in algemene vorm verleend, in feite even zovele individuele beschikkingen van de Hoge Autoriteit ten gunste van de verschillende ondernemingen vormen. Dat aan producenten van speciaal staal en gietwerk ontheffing is verleend van de verplichting tot betaling der vereveningsbijdragen over de periode 1 april 1954 tot 1 februari 1957 is een feit van algemene bekendheid, dat tevens door schriftelijke stukken wordt bewezen.
III — Procedure
Overwegende dat de procedure als volgt is verlopen:
Verzoeksters hebben de Hoge Autoriteit in twee reeksen brieven verzocht een beschikking te geven: op 8 september en 14 november 1961 in de zaak 21-61; op 6 september en 15 november in de zaak 22-61; op 4 september en 15 november in de zaak 23-61; op 9 september en 14 november in de zaak 24-61; op 8 september en 16 november in de zaak 25-61; op 8 september en 14 november in de zaak 26-61.
De Hoge Autoriteit heeft op de eerste reeks brieven geantwoord met een brief van 27 oktober 1961, ondertekend door de Directeur-Generaal T. Rollmann en de Directeur F. Peco.
De beroepen zijn op 8 (zaken 21, 22 en 23-61) en 11 (zaken 24, 25 en 26-61) december 1961 ter Griffie van het Hof ingeschreven.
Op 22 december 1961 heeft verweerster ter Griffie van het Hof een incidentele vordering ingediend ex artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering, waarbij zij een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwierp tegen bovengenoemde zes beroepen.
Ingevolge artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering zijn de partijen, die ieder een schriftelijke memorie hadden ingediend ter ondersteuning van haar conclusies in de incidentele procedure, gehoord ter zitting van 1 maart 1962, na voorlezing van het rapport van de rechter-rapporteur J. Rueff.
Op 9 maart 1962 heeft de Advocaat-Generaal K. Roemer geconcludeerd tot gegrondverklaring van de door verweerster opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT
Overwegende dat de tweede van de door verzoeksters in de hoofdzaak voorgedragen conclusies als volgt luidt:
„nietig te verklaren wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag en détournement de pouvoir ten opzichte van verzoeksters, met alle rechtsgevolgen van dien, de stilzwijgende weigerende beschikking van de Hoge Autoriteit welke voortvloeit uit het niet beantwoorden van een door rekwestrante tot de Hoge Autoriteit gericht verzoek strekkende tot intrekking van de ontheffingen van de verplichting tot betaling van bijdragen inzake de schrootverevening, zulks met ingang van de datum waarop deze uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn toegekend (of slechts geduld), welke ontheffingen zijn verleend aan andere ondernemingen, bedoeld in artikel 80 van het Verdrag, die aankoopschroot verbruiken en die in vergelijkbare omstandigheden verkeren”;
Overwegende dat in de eerste plaats ambtshalve dient te worden onderzocht of er sprake is van een nalaten van de Hoge Autoriteit, d.w.z. of deze een stilzwijgende weigerende beschikking heeft gegeven;
dat ter zake van belang is een van de bijlagen van het verzoekschrift, nl. een brief, ondertekend door T. Rollmann, Directeur-Generaal en F. Peco, Directeur van de Afdeling Staal van de Hoge Autoriteit;
dat deze brief het antwoord vormt op de eerste reeks brieven waarmede verzoeksters tussen 4 en 9 september 1961 de Hoge Autoriteit in gebreke hebben gesteld;
dat deze brief is gedateerd op 27 oktober 1961;
dat derhalve op het eerste gezicht de termijn van twee maanden, aan het einde waarvan wordt aangenomen dat de Hoge Autoriteit een stilzwijgende weigerende beschikking heeft gegeven, lijkt te zijn onderbroken;
dat echter bij een nauwkeuriger onderzoek van de inhoud van deze brief blijkt, dat deze niet een uitdrukkelijke afwijzende beschikking bevat, doch een herhaling en een uiteenzetting van het tevoren door de Hoge Autoriteit ingenomen standpunt;
dat in het bijzonder dient te worden gewezen op de derde alinea van deze brief, welke als volgt luidt:
„Alvorens de Hoge Autoriteit zich over het onderhavige vraagstuk zal uitspreken, komt het in ieder geval gewenst voor dat aanvullende inlichtingen worden verschaft naar aanleiding van de voorgedragen klachten”;
dat de Hoge Autoriteit derhalve niet uitdrukkelijk afwijzend heeft beschikt;
Overwegende dat voorts dient te worden onderzocht of de procedure van artikel 35 van toepassing is;
dat te dien einde behoort te worden nagegaan of, gelijk verweerster in de hoofdzaak heeft gesteld, de stilzwijgende weigering waartegen verzoekster ageert louter een bevestiging bevat van de van kracht zijnde regeling;
dat daartoe dient te worden gelet op de beschikking die de Hoge Autoriteit naar de mening van verzoeksters had behoren te geven;
dat de inhoud van deze beschikking met voldoende duidelijkheid kan worden afgeleid uit de brieven waarbij verzoeksters de Hoge Autoriteit in gebreke hebben gesteld, evenals uit de verzoekschriften zelf;
dat rekwestranten aan het begin van de verzoekschriften de volgende beschrijving geven van het voorwerp der beroepen:
„Rekwestrante verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verklaren voor recht dat de Hoge Autoriteit bij beschikking dient vast te stellen dat zij, door de in bijlage III van het Verdrag bedoelde staalproducenten en de staalgieterijen — de laatste voor een met de produktie van ruwstaal voor gietwerk evenredig gedeelte van het schrootverbruik — vrij te stellen van betaling van vereveningsbijdragen over het verbruik van aankoopschroot, de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen heeft geschonden en dat de Hoge Autoriteit bijgevolg deze bepalingen, welke van discriminerende aard zijn, dient in te trekken”;
dat verzoeksters in de voorlaatste alinea van de brief van 8 september 1961 hebben gevraagd om
„opheffing van bedoelde discriminatie bij beschikking van de Hoge Autoriteit, bepalende dat alle aankopen van schroot zonder uitzondering aan de vereveningsheffing worden onderworpen, met inbegrip van die welke bestemd zijn voor de produktie van staal als bedoeld in bijlage III van het Verdrag, alsmede van staal voor gietwerk”;
dat de alinea welke in de verzoekschriften aan de conclusies voorafgaat als volgt luidt:
„verzoekster akte verleend hebbend van het feit dat zij zich aan het oordeel van het Hof van Justitie refereert met betrekking tot de vraag of de stilzwijgende beschikking waarbij de Hoge Autoriteit heeft geweigerd de onwettige en discriminerende vrijstellingen sub b en d (van artikel 10) van de beschikking 2-57 in te trekken van individuele of algemene aard is”;
dat uit deze teksten in ieder geval voldoende duidelijk blijkt, dat de Hoge Autoriteit bij de beschikking, die zij naar de mening van verzoeksters gehouden was uit te vaardigen, de litigieuze beschikkingen houdende vrijstellingen en in het bijzonder artikel 10, sub b en d, van beschikking 2-57, overgenomen in de beschikking 16-58, diende in te trekken en haar gedragingen van gelijke strekking gedurende het tijdvak voorafgaande aan de beschikking 2-57 ongedaan diende te maken;
Overwegende dat, wat betreft de beschikking 2-57, het beroep dient te worden verworpen daar niet kan worden aangenomen dat de justitiabelen bevoegd zouden zijn, via een beroep wegens nalaten de nietigheid te vorderen van beschikkingen waarvan de eventuele nietigheid wordt gedekt door het verstrijken van de in het 3e lid van artikel 33 bedoelde termijn;
Overwegende met betrekking tot de vrijstellingen waarop verzoeksters zich beroepen voor het tijdvak voorafgaande aan de beschikking 2-57, dat deze niet uitdrukkelijk, althans niet duidelijk worden genoemd in meergenoemde brieven waarbij de Hoge Autoriteit in gebreke werd gesteld;
dat verzoeksters zelf stellen dat deze vrijstellingen algemeen bekend waren;
dat verzoeksters het destijds niet nodig hebben gevonden, de Hoge Autoriteit te verzoeken de vrijstellingen in te trekken;
dat zij evenmin een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld, nadat de vrijstellingen in artikel 10 van de beschikking 2-57 uitdrukkelijk waren afgekondigd en vatbaar geworden voor beroep;
dat voor verzoeksters, die dit destijds hebben nagelaten, de termijn voor het instellen van de vordering thans is verstreken;
Overwegende dat de door verweerster in de hoofdzaak opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid behoort te worden gegrond verklaard;
Kosten
Overwegende dat verzoeksters in de hoofdzaak in het ongelijk zijn gesteld ten aanzien van de door verweerster in de hoofdzaak opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid en mitsdien krachtens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten dienen te worden verwezen;
Gezien de processtukken;
Gehoord partijen in haar pleidooien;
Gehoord de conclusie van de Advocaat-Generaal;
Gelet op de artikelen 33 en 35 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de artikelen 69 en 91 van het Reglement voor de procesvoering;
HET HOF VAN JUSTITIE
Rechtdoende,
Verklaart gegrond de door de Hoge Autoriteit tegen de beroepen 21-61, 22-61, 23-61, 24-61, 25-61 en 26-61 opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid;
Veroordeelt verzoeksters in de hoofdzaak in de kosten van het geding;
Ontzegt het meer of anders gevorderde.
Aldus door het Hof gewezen en ondertekend te Luxemburg op zes april negentienhonderdtweeënzestig.
Donner
Riese
Rueff
Delvaux
Rossi
Uitgesproken ter openbare zitting gehouden te Luxemburg op zes april negentienhonderdtweeënzestig.
De Griffier,
A. Van Houtte
De President,
A. M. Donner