Home

Hof van Justitie EU 15-07-1963 ECLI:EU:C:1963:18

Hof van Justitie EU 15-07-1963 ECLI:EU:C:1963:18

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
15 juli 1963

Uitspraak

JURISPRUDENTIE VAN HET HOF VAN JUSTITIE ZAAK No. 34-62 — ARREST

In de zaak:

Regering van de Bondsrepubliek Duitsland,

vertegenwoordigd door dr. A. Deringer, advocaat bij het Oberlandesgericht te Keulen,

ten deze domicilie gekozen hebbende ter kanselarij van de Ambassade der Duitse Bondsrepubliek te Luxemburg, Boulevard Royal 3,

Verzoekster tegen

Commissie van de Europese Economische Gemeenschap,

vertegenwoordigd door dr. H. Ehring, juridisch adviseur bij de juridische dienst van de Europese uitvoerende organen, als gemachtigde,

ten deze domicilie gekozen hebbende ten kantore van de juridische dienst der Europese uitvoerende organen, Place de Metz 2, te Luxemburg,

Verweerster

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt:

  • A. M. Donner (Rechter-Rapporteur), President,

  • L. Delvaux en R. Lecourt, Kamerpresidenten,

  • Ch. L. Hammes, R. Rossi, A. Trabucchi en W. Strauss, Rechters,

  • Advocaat-Generaal: K. Roemer,

  • Griffier: A. Van Houtte,

het volgende

ARREST

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN

I — Overzicht van de feiten

Overwegende, dat de feiten als volgt kunnen worden samengevat:

Bij brief van haar permanente vertegenwoordiging te Brussel van 16 juni 1961 verzocht verzoekster aan de Commissie krachtens artikel 25, derde lid, van het Verdrag machtiging tot schorsing van het in het gemeenschappelijk douanetarief voorziene recht van 13 % voor uit derde landen ingevoerde zoete sinaasappelen, vers, en om toepassing van het recht van 10 % voorzien in het Duitse douanetarief. Bij brief van 5 januari 1962 heeft de Commissie, de overige Lidstaten gehoord, dit verzoek afgewezen.

Bij brief van 24 februari 1962 heeft verzoekster, onder motivering harer bezwaren tegen de afwijzing van voormeld verzoek opnieuw verzocht:

  • machtiging tot gedeeltelijke schorsing der douanerechten voor sinaasappelen als bedoeld in de tariefposten 08-02 A I en 08-02 A II en een verlaging van het tarief tot 10 % voor het jaar 1962,

  • subsidiair toekenning van een tariefcontingent van 5 80. 000 ton tegen een tarief van 10 % voor het jaar 1962.

In deze brief verklaart verzoekster voorts nog, dat zij bereid is voor sinaasappelen in grotere mate dan tot dusver de preferentie voor gemeenschapslanden toe te laten, hoewel thans reeds van deze preferentie voldoende gebruik wordt gemaakt.

Bij brieven van 5 en 10 mei 1962 heeft de Commissie aan verzoekster mededeling gedaan van de opmerkingen ten deze van de Franse en Italiaanse Regeringen. Hierop heeft verzoekster bij brief van 8 juni 1962 geantwoord. Bij beschikking van 30 juli 1962 — aan verzoekster bij brief van 22 augustus 1962 betekend — heeft de Commissie ook dit nieuwe verzoek afgewezen.

Het op 26 oktober 1962 ter Griffie van het Hof gedeponeerde verzoekschrift richt zich tegen deze beschikking.

II — Conclusies van partijen

Overwegende dat verzoekster concludeert, dat het den Hove beha ge:

  • de beschikking van de Commissie van de E.E.G. III/COM(62)219 def. van 30 juli 1962 te vernietigen,

  • verweerster in de kosten te veroordelen.

Overwegende, dat verweerster concludeert, dat het den Hove behage:

  • het beroep te verwerpen met veroordeling van verzoekster in de kosten.

III — Middelen en argumenten van partijen

Overwegende dat de middelen en argumenten van partijen als volgt kunnen worden samengevat:

Verzoekster draagt de volgende drie grieven voor: schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag en détournement de pouvoir.

A — SCHENDING VAN WEZENLIJKE VORMVOORSCHRIFTEN

De door verzoekster aangevoerde argumenten kunnen als volgt worden samengevat:

  • De Commissie is overeenkomstig artikel 190 van het E.E.G.-Verdrag gehouden haar beschikkingen te motiveren. Deze motivering mag niet vaag zijn en zich niet beperken tot een herhaling van de bewoordingen van het Verdrag, daar anders het rechterlijk onderzoek naar de wettigheid der handeling, waarop zij betrekking heeft, onmogelijk zou worden.

  • De stelling van verweerster, dat de motivering van de beschikkingen der gemeenschapsinstellingen — en met name wanneer het beschikkingen betreft welke in de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid zijn gegeven — de notoire feiten en alle andere in de betrokken kringen bekende materiële omstandigheden niet behoeft te vermelden, miskent, dat de begrippen „ervaring” of „notoire feiten” in de praktijk van het economische leven ten zeerste omstreden zijn, gelijk overigens in het onderhavige geval wel is gebleken.

  • In de préambule van de bestreden beschikking wordt een reeks verdragsartikelen geciteerd, waarna een algemeen overzicht volgt van de economische overwegingen welke de Commissie er toe hebben geleid het verzoek af te wijzen, zonder aan te duiden welke feiten de Commissie in de loop van het onderzoek van de situatie heeft vastgesteld en zonder aan te tonen dat het vereiste verband tussen haar motivering en de geciteerde artikelen aanwezig is.

  • De bestreden beschikking vermeldt niet, dat de in artikel 25, § 3, van het Verdrag voor de toekenning van het tariefcontingent gestelde voorwaarde in casu aanwezig is.

  • De bestreden beschikking volstaat met de aanduiding van enkele der in de artikelen 29 en 39 van het Verdrag omschreven richtlijnen zonder dat daarbij blijkt, of op de niet vermelde richtlijnen mede acht is geslagen.

  • De Commissie geeft niet nader aan wat de zin en de strekking is van de uitdrukking „aangepast prijspeil”, noch ook welke doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid door de toekenning van het litigieuze tariefcontingent „in gevaar worden gebracht”. Bovendien bevat de motivering een zeker aantal tegenstrijdigheden alsmede onvolledige of onjuiste waarderingen van de elementen van feitelijke aard welke de grondslag vormen van het door de Duitse Bondsrepubliek gedane verzoek.

Verweerster antwoordt hierop met de volgende argumenten:

  • In geval van toepassing van artikel 25 van het E.E.G.-Verdrag is het voor de motivering van beschikkingen voldoende, dat de rechtssubjecten, welke voor het Hof beroep in kunnen stellen, namelijk de Lid-Staten en de Raad, kennis kunnen nemen van de feitelijke en juridische overwegingen waarop die beschikkingen berusten. De Lid-Staten nu zijn in het onderhavige geval ten zeerste vertrouwd met de materie waarop de aangevallen beschikking betrekking heeft, zodat aan de elementen welke bij hun bestuurslichamen bekend zijn voorbij kan worden gegaan. Uit juridisch oogpunt dient de beschikking voorts de bepalingen te behelzen waarop zij berust en het is niet nodig, dat zij zich begeeft in rechts-beschouwingen aangaande de strekking dezer bepalingen. Zij behoeft slechts aan de belanghebbenden en aan de rechter de mogelijkheid te bieden de gronden der beschikking te toetsen.

  • Het argument, dat de Commissie zich bij het motiveren harer beschikking beperkt zou hebben tot een meer of minder volledige herhaling van de tekst der Verdragsartikelen, mist iedere grond. Zulks blijkt reeds uit het feit, dat de motivering slechts een enkele maal de tekst van het Verdrag citeert.

  • Nog dient te worden opgemerkt, dat de beschikking wel degelijk melding maakt van de materiële omstandigheden welke haar rechtvaardigen. Uit de motivering volgt dat de bestreden beschikking is genomen in de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid der Commissie. De aard van het verband tussen de geciteerde artikelen en de materiële vaststellingen in de motivering, blijkt duidelijk wanneer men de bepalingen van het Verdrag raadpleegt en met name artikel 25, 3e lid, waaruit de Commissie haar discretionaire bevoegdheid heeft afgeleid, en de artikelen 29 en 39, die slechts werden geciteerd om duidelijk te doen uitkomen, dat de beschikking werd genomen overeenkomstig de in die artikelen neergelegde richdijnen. Teneinde de motivering niet door overbodige herhalingen onnodig te verzwaren, heeft de Commissie er van afgezien haar overwegingen telkens te gronden op de afzonderlijke elementen welk te zamen deze artikelen vormen, voor zover de met betrekking tot een bepaald element gegeven overwegingen impliciet de andere elementen dekken.

  • Het argument, dat uit de aanduidingen van de Commissie niet valt te lezen hetgeen zij verstaat onder „aangepast prijspeil” en welke tarieven en welke prijzen het hier betreft, is niet voldoende om aan te nemen dat de motivering onvolledig zou zijn. Immers het is duidelijk, enerzijds, dat dit gedeelte van de overweging ziet op de prijzen voor fruit en anderzijds dat het woord „fruit” van toepassing is op alle ingevoerde fluitsoorten welke in concurrentie zouden kunnen komen met de op het nationale territoir geproduceerde fruitsoorten alsmede op laatstgenoemde fruitsoorten, die aan deze concurrentie zijn blootgesteld. Dit wordt bewezen door de verwijzing in de bestreden beschikking naar het feit, dat „de verschillende fruitsoorten welke gelijktijdig aan de markt komen elkander voor het gebruik gemakkelijk kunnen vervangen”.

    Wat betreft de vraag welke „het aan het gemeenschappelijk douanetarief aangepaste prijspeil …” zou moeten zijn, dient er allereerst op te worden gewezen dat de aanpassing aan het gemeenschappelijk douanetarief, voor zover op fruit van toepassing, zowel verlagingen als verhogingen van de in de verschillende Lid-Staten geldende douanerechten met zich brengt. Het is voorts duidelijk, dat bedoeld prijspeil datgene is hetwelk zal worden gevormd volgens de wet van vraag en aanbod wanneer de prijzen bij de invoer vermeerderd zullen zijn met de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief. Het kan niet worden betwist, dat een aldus aan het gemeenschappelijk douanetarief aangepast prijspeil noodzakelijk is om een optimaal gebruik van arbeidskrachten en een redelijke levensstandaard voor de producenten van de Gemeenschap te verzekeren, want in de huidige fase van omzettingen in, en rationalisatie van de fruitteelt op de gemeenschappelijke markt, is het prijspeil voor de verwerkelijking van zulk een doel niet toereikend.

  • Het is evenmin juist te beweren, dat de Commissie niet die doelstellingen van het landbouwbeleid in de fruitsector zou hebben aangegeven, welker verwerkelijking in gevaar zou worden gebracht door een afwijking van de voor sinaasappelen geldende rechten van het gemeenschappelijk douanetarief. Immers in de motivering der bestreden beschikking wordt aangevoerd, dat de door zodanige derogatie veroorzaakte onzekerheid over de voorwaarden waaronder in de toekomst met de import uit derde landen zal worden geconcurreerd, van nadelige invloed zou zijn op de investeringen welke voor de rationalisatie van de teelt en de verkoop van fruit binnen de gemeenschap nodig zijn. Met deze overweging ziet de bestreden beschikking duidelijk op de in artikel 39, le lid, sub a), genoemde doelstelling.

B — SCHENDING VAN HET VERDRAG OF VAN ENIGE UITVOERINGSREGELING DAARVAN

1. Onjuiste rechtsopvattingen

Verzoekster voert de volgende argumenten aan:

  • De regels neergelegd in de beide eerste leden van artikel 25 van het Verdrag zijn strikter dan die voorzien in het derde lid. Bij een zorgvuldig onderzoek had verweerster moeten vaststellen, dat in casu reeds aan de voorwaarden van het eerste lid van artikel 25 is voldaan. Verweerster was mitsdien a fortiori gehouden krachtens artikel 25, derde lid, een tariefcontingent toe te staan, althans voor zover zij niet zou hebben vastgesteld dat een ernstige storing dreigt.

  • Verweerster heeft zelf in het merendeel der tot dusver gegegeven beschikkingen erkend, dat ook voor de in bijlage II van het Verdrag bedoelde waren tariefcontingenten kunnen worden toegekend, zulks met name als tegenwicht tegen de nadelen welke voor de voorziening van een Lid-Staat kunnen voortvloeien uit de aanpassing van het nationale douanetarief aan het gemeenschappelijk douanetarief. Wanneer verweerster nu de stelling verdedigt, dat een tariefcontingent als bedoeld in artikel 25, derde lid, de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zou verijdelen, dan komt zij aldus in tegenspraak met haar vroegere beschikkingen en miskent zij het verband tussen artikel 25 enerzijds en de artikelen 39 en 46 anderzijds.

  • Ten onrechte is de Commissie er van uitgegaan dat het begrip „de betrokken goederen”, waarvan in artikel 23, lid 3, van het Verdrag sprake is, alle in bijlage II van het Verdrag genoemde produkten omvat en niet alleen de produkten waarop het verzoek tot schorsing van douanerechten bebetrekking heeft.

  • Bovendien heeft verweerster de omvang harer discretionaire bevoegdheid miskend. Artikel 29 vermeldt de criteria waarnaar de Commissie zich bij de uitvoering der in die voorschriften omschreven taken dient te richten. Voor zover deze criteria zich daartegen niet verzetten, is zij gehouden de in artikel 25, derde lid, bedoelde tariefcontingenten toe te staan. Het fundamentele interpretatiebeginsel, dat steeds rekening dient te worden gehouden met de plaats van een artikel in zijn context, verbiedt artikel 25 te interpreteren in het kader van het hoofdstuk met betrekking tot het landbouwbeleid.

  • Verweerster heeft zich bediend van bepaalde criteria welke aan het Verdrag vreemd zijn en andere miskend, welke het Verdrag uitdrukkelijk voorziet. Enerzijds wordt met de bestreden beschikking artikel 29, sub a), geschonden, nu zij niet beantwoordt aan de noodzaak het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en derde landen te bevorderen, daar de sinaasappelen welke in de Bondsrepubliek worden ingevoerd voor 80 % uit derde landen afkomstig zijn.

    Anderzijds heeft verweerster artikel 29, sub d), miskend in zoverre zij slechts met één der aldaar genoemde doelstellingen rekening heeft gehouden, namelijk met de verruiming van het verbruik in de Gemeenschap, terwijl zij ook had behoren te letten op de noodzaak, om ernstige verstoringen van het economische leven der Lid-Staten te vermijden. Bovendien had verweerster moeten vaststellen, dat het verzochte tariefcontingent een rationele ontwikkeling van de produktie in de Gemeenschap, zomin voor sinaasappelen als voor andere fruitsoorten belemmert.

  • Voor zover aangenomen zou moeten worden, dat de Commissie mede acht diende te slaan op de artikelen 38 en 39, heeft zij die geschonden.

  • De verwijzing naar artikel 38, lid 4, van het Verdrag, krachtens hetwelk de werking en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor de landbouwprodukten „gepaard dienen te gaan” met de totstandkoming van een gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de Lid-Staten, mist goede grond. Bovendien bepaalt artikel 38, tweede lid, dat de voorschriften met betrekking tot de instelling van de gemeenschappelijke markt de artikelen 25, lid 3 en 29, daaronder begrepen, eveneens van toepassing zijn op landbouwprodukten „voor zover in de artikelen 39 tot en met 40 niet anders is bepaald”. Wat voorts artikel 39 betreft, heeft de Commissie de feiten ten enenmale onvoldoende vastgesteld en is zodoende tot een onjuiste opvatting nopens de in artikel 39 omschreven beginselen geraakt. Met name mocht zij geen beroep doen op het bepaalde sub b) nu de aldaar vermelde doelstellingen, blijkens de tekst dier bepalingen zelve („aldus”) slechts mogen worden nagestreefd met behulp van de sub a) vermelde middelen. Wat betreft het sub d) bepaalde, kan worden opgemerkt dat de minimale verhoging van het buitentarief voor sinaasappelen niet van invloed is op de voorziening met andere fruitsoorten, daar de produktie van ander fruit in de Gemeenschap in ieder geval voldoende is.

  • Wat het in artikel 39, lid 1, sub e), omschreven doel betreft, mag niet worden vergeten dat een verhoging van het douanerecht, hoe gering die ook zij, niettemin bij een afname van 5 80. 000 ton een extra tariefbelasting ten gevolge heeft van ongeveer 10 miljoen DM.

  • Ten onrechte beroept verweerster zich op artikel 8 van de verordening no. 23. Genoemd artikel herhaalt slechts de tekst van artikel 23, derde lid, welke bepaling de strekking van de artikelen 25 en 29 geenszins beperkt.

  • Ten slotte moet worden opgemerkt, dat verweerster geen betekenis heeft gehecht aan het feit, dat verzoekster aan de andere Lid-Staten vergelijkbare faciliteiten voor de invoer van appelen, peren en perziken heeft aangeboden. Want in haar gedachtengang gaat het vooral om de bescherming van de produkten van de Gemeenschap. De verordening no. 23 bevat evenwel bepalingen welke — binnen enge grenzen — iedere Lid-Staat het nemen van beschermende maatregelen voor zijn eigen produktie tegenover andere Lid-Staten veroorloven, doch niet zodanige op grond waarvan de Commissie zou mogen ingrijpen in interne beslissingen van een Lid-Staat welke niet nadelig zijn voor de produktie van de Gemeenschap.

2. Dwalingen van feitelijke aard

Met een beroep op verschillende statistieken en bewijsstukken betoogt verzoekster dat de bestreden beschikking feitelijke grondslag mist en bestrijdt zij de juistheid van de door verweerster gestelde feiten.

  • De invoer van sinaasappelen, mandarijnen en clementines wordt door de produktie van ander fruit en de belangrijke schommelingen van de inheemse fruitoogst niet beïnvloed.

  • De invoer van sinaasappelen, mandarijnen en clementines is niet van invloed geweest op de invoer van andere fruitsoorten.

  • Ondanks de schommelingen in de fruitoogsten is de invoer van andere fruitsoorten in de Bondsrepubliek in de referentiejaren veel sterker gestegen dan de invoer van sinaasappelen, mandarijnen en clementines.

  • De verschillende fruitsoorten — met name sinaasappelen enerzijds en appelen, peren en perziken anderzijds — die gelijktijdig op de markt worden aangeboden, kunnen elkander in het verbruik niet onderling vervangen in zodanige mate dat een goedkoop aanbod van de ene fruitsoort de vraag naar andere fruitsoorten zou doen afnemen.

  • Sinaasappelen, evenals alle andere citrusvruchten, strekken hoofdzakelijk ter bevrediging van bepaalde specifieke bebehoeften, met name aan vitaminen, welke door appelen — vooral in de lentemaanden — niet of althans niet in gelijke mate bevredigd kunnen worden.

  • Evenmin is het juist, dat het verbruik van citrusvruchten ten laste van het verbruik van pit-en steenvruchten — met name van appelen — voortdurend toeneemt.

  • Onjuist is de veronderstelling dat de produktie van appelen, peren en perziken door de verhoging van het recht op sinaasappelen aangemoedigd zou kunnen worden. Het door bepaalde staten op dit gebied gevoerde beleid bewijst het tegendeel.

Ten slotte treedt verzoekster met verweerster in een discussie van technische aard betreffende de bewijskracht van de statistieken en andere gegevens welke beide partijen ter ondersteuning van hun argumenten hebben overgelegd.

Verweerster merkt in de eerste plaats op dat verzoekster enkele van de boven weergegeven grieven ten onrechte heeft voorgedragen bij het middel „schending van het Verdrag”. Zij merkt op dat het hier een beschikking betreft welke de Commissie in de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid heeft genomen; zodanige beschikking kan evenwel — behoudens in het geval dat de Commissie haar bevoegdheid zou hebben uitgeoefend buiten de in het Verdrag vastgestelde grenzen — slechts worden bestreden met het middel détournement de pouvoir. Indien met deze grieven wordt bedoeld, dat de Commissie haar bevoegdheden onjuist heeft uitgeoefend, dan is er dus sprake van détournement de pouvoir. Dit punt is volgens verweerster van belang daar — blijkens de jurisprudentie van de Lid-Staten — détournement de pouvoir slechts in een beperkt aantal gevallen wordt aangenomen.

Verzoekster antwoordt hierop dat de strekking van de termen „détournement de pouvoir” en „Ermessensmißbrauch”, welke respectievelijk in de Franse en de Duitse tekst van het E.E.G.-Verdrag worden gebezigd, dient te worden geïnterpreteerd aan de hand van de rechtsstelsels der afzonderlijke Lid-Staten, want in feite gaat het begrip „Ermessensmißbrauch” van het Duitse recht verder dan dat van „détournement de pouvoir” in het Franse recht, in zoverre het mede het begrip schending van de wet dekt en zulks zowel in de vorm van een onjuiste rechtsopvatting als van een feitelijke misslag.

Onder bovenbedoeld voorbehoud antwoordt verweerster op voormelde grieven als volgt:

Wat betreft de gestelde onjuiste rechtsopvattingen
  • Artikel 25, derde lid, van het Verdrag moet niet worden geïnterpreteerd in die zin, dat een gedeeltelijke schorsing van douanerechten telkens zou moeten worden toegestaan wanneer die schorsing niet kan leiden tot ernstige storingen op de betrokken goederenmarkt.

  • Bij haar bestuur dient de Commissie zich te laten leiden door de richtlijnen van artikel 29 van het Verdrag. Op deze richtlijnen moet in haar geheel worden gelet, doch wanneer het niet mogelijk blijkt deze onderling met elkaar in overeenstemming te brengen, staat het aan de Commissie een keuze te doen.

  • Dat aan de Commissie een discretionaire bevoegdheid is toegekend, blijkt uit de tekst van artikel 25, derde lid, waar wordt gezegd dat de Commissie een schorsing van douanerechten „kan” toestaan.

  • Artikel 29 van het Verdrag somt met uitputtend alle criteria op waardoor de Commissie zich bij de toepassing van artikel 25, derde lid, moet laten leiden.

  • Bij de verwerkelijking van de doelstellingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid vormt het gemeenschappelijk douanetarief een wezenlijk, zoniet het enig element. In de uitoefening van de in artikel 25, derde lid, voorziene discretionaire bevoegdheid dient op deze functie van het gemeenschappelijk douanetarief bij de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten te worden gelet.

  • Het feit dat mede werd acht geslagen op andere fruitsoorten dan die waarvoor de schorsing werd verzocht, levert geen schending op van artikel 25, derde lid, van het Verdrag. Het landbouwbeleid vormt een geheel, althans wanneer het produkten betreft die, gelijk in casu, zich met elkander op de markt in concurrentie bevinden. Bovendien betreft de uitdrukking „de betrokken goederenmarkt” in artikel 25, 3de lid, alle produkten vermeld in bijlage II van het Verdrag. Deze interpretatie vindt indirecte steun in 's Hofs jurisprudentie op artikel 65 van het E.G.K.S.-Verdrag.

  • De stelling van verzoekster dat de bestreden beschikking in strijd zou zijn met artikel 29, sub a), zou ertoe leiden, dat met iedere weigering ener schorsing als bedoeld in artikel 25, derde lid, laatstgenoemde bepaling zou worden geschonden. Immers een belasting van de invoer zal nimmer bevorderlijk zijn voor het handelsverkeer met exporterende landen en evenmin het verbruik van de ingevoerde produkten doen toenemen.

  • Daar de rationalisatie van de produktie aan de landbouwbevolking een redelijk levenspeil zal verzekeren, heeft de Commissie gemeend dat de afwijzing van het verzoek dienstig zou zijn voor de in artikel 39, eerste lid, sub a) en sub b), omschreven doelstellingen. In casu verzetten de doelstellingen van artikel 39. lid 1, sub d) en e), zich niet tegen een dergelijke afwijzing. Integendeel, de Commissie heeft vastgesteld dat de stijging der verkoopprijzen en de daarmee verbonden moeilijkheden bij de voorziening zo gering waren, dat zij verre te verkiezen waren boven de moeilijkheden welke de verzochte schorsing zou hebben meegebracht.

  • In haar beschikking heeft de Commissie verwezen naar artikel 8, paragraaf 2, van de verordening no. 23 van de Raad en wel om de eenvoudige reden dat deze bepaling de wezenlijke rol in het licht stelt, welke het gemeenschappelijk buitentarief speelt bij de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten.

Wat betreft de gestelde feitelijke misslagen

Verweerster betoogt dat, waar het in casu een discretionaire beschikking betreft, verzoekster dient te bewijzen dat de Commissie de feiten onjuist heeft gewaardeerd; tevens betwist zij de juistheid van de door verzoekster verstrekte gegevens en de conclusies die zij daaruit trekt. Aan de hand van verschillende documenten en statistieken draagt verweerster een reeks van conclusies voor, waarvan de belangrijkste als volgt kunnen worden samengevat:

  • Er valt een voortdurende toename te constateren van het verbruik van sinaasappelen, mandarijnen en clementines ten nadele van het verbruik van pit- en steenvruchten en met name van appelen. Deze toename kan niet los worden gezien van de prijsontwikkeling. Zodanige veronderstelling zou reeds in strijd komen met het douanebeleid van de landen die geen citrusvruchten produceren. Bovendien blijkt uit de omstandigheden waaronder deze ontwikkeling plaats vindt ten duidelijkste dat de toenemende daling van de prijzen voor citrusvruchten in verhouding tot de prijzen van de overige soorten van vers fruit de steeds sterkere toename van het verbruik van citrusvruchten beslissend heeft beïnvloed.

  • De wisselwerking tussen het aanbod van appelen en de invoer van citrusvruchten bewijst reeds dat deze produkten gedurende dezelfde periode in de handel kunnen worden gebracht. Bovendien wordt deze handel door de nieuwe opslagmogelijkheden vergemakkelijkt. Voorts kan worden opgemerkt, dat de notoire overproduktie van appelen, peren en perziken de vervulling van de in artikelen 39, eerste lid, sub c), en 43, lid 3, sub a), bedoelde taken bemoeilijkt. Deze overproduktie zou slechts kunnen worden gestuit door de rationalisatie van de landbouwproduktie, voorzien in artikel 39, eerste lid, sub a). Hiertoe zijn belangrijke investeringen nodig. Onder deze omstandigheden dient op dit gebied iedere afwijking van het gemeenschappelijk douanetarief te worden geweigerd. Dit geldt temeer, nu de verhoging van de in dit tarief voorziene rechten in casu van zeer geringe betekenis is.

  • Bovendien zou het toestaan van een derogatie, onmiddellijk na de eerste verhoging der douanerechten, de landbouwproducenten van de gemeenschap bij hun pogingen deze rationalisatie tot stand te brengen kunnen ontmoedigen. Immers de landbouwers zouden het daartoe benodigde kapitaal niet meer kunnen vinden, wanneer door zodanige derogatie onzekerheid zou ontstaan over de bescherming van de fruitteelt in de gemeenschap.

  • Het feit, dat in de Bondsrepubliek de invoer van ander vers fruit in vergelijking met de vooroorlogse periode sterker gestegen is dan de invoer van sinaasappelen, mandarijnen en clementines, kan gemakkelijk worden verklaard uit het bijzonder lage niveau waarop deze ontwikkeling een aanvang nam. Anderzijds vertonen de beschikbare hoeveelheden van ander vers fruit dan citrusvruchten — hetzij ter plaatse geproduceerd, hetzij geïmporteerd — in de Bondsrepubliek na de oorlog geen stijging meer. Dit is in het onderhavige geval beslissend, daar in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de eerste plaats gezorgd dient te worden voor de afzet van de produktie van de Gemeenschap. Bovendien vond deze verhoging van de invoer van ander vers fruit dan citrusvruchten plaats ten koste van dat gedeelte van de Duitse oogst, hetwelk als vers fruit wordt gebruikt en zij is niet toereikend om het probleem van de overproduktie in de Gemeenschap op te lossen voor zover het de sectoren betreft waarbij de uitvoerende Lid-Staten betrokken zijn.

C — DÉTOURNEMENT DE POUVOIR

Verzoekster betoogt dat de Commissie een détournement de pouvoir heeft begaan nu zij haar pretense discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend tot een ander doel dan artikel 25, derde lid, haar voorschrijft. De op dit punt aangevoerde grieven kunnen als volgt worden samengevat:

  • De Commissie heeft het tweede verzoek van requestrante afgewezen op grond van geheel nieuwe overwegingen. Het staat derhalve aan het Hof te beoordelen of niet een détournement de pouvoir gelegen is in het feit dat de Commissie plotseling nieuwe motieven heeft aangevoerd, waarover verzoekster zich niet heeft kunnen uitspreken.

  • De bestreden beschikking is gebaseerd op de ten enenmale, onjuiste vaststelling, dat sinaasappelen enerzijds en appelen, peren en perziken anderzijds elkander bij de behoeftenbevrediging der verbruikers kunnen vervangen.

  • In haar beschikking geraakt de Commissie in tegenspraak met zichzelf wanneer zij enerzijds beweert dat het tariefcontingent de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid „in gevaar zou brengen” en anderzijds, dat een verhoging van het recht op sinaasappelen geen belemmering vormt voor het handelsverkeer met derde landen.

  • De bestreden beschikking beperkt de Duitse verbruiker in zijn keus van de tot verbruik bestemde waren en voert dusdoende een restrictie in, welke in strijd is met de fundamentele beginselen van de gemeenschappelijke markt.

  • De bestreden beschikking beoogt de bescherming van de produktie van appelen, peren en perziken binnen de gemeenschap, hoewel artikel 25, derde lid, van het Verdrag de Commissie niet de bevoegdheid toekent om, bij beschikkingen krachtens dit artikel genomen, rekening te houden met de gevolgen welke deze zouden kunnen hebben ten opzichte van de „andere” produkten van de gemeenschap. De Commissie heeft derhalve met haar beschikking een ander doel nagestreefd dan dat waartoe haar een discretionaire bevoegdheid was gegeven.

  • Verweerster heeft de bevoegdheden welke zij aan artikel 25, derde lid, ontleent, overschreden door de machtiging tot schorsing van het douanerecht te weigeren met het oog op de Duitse producenten van appelen, en ongeacht het feit, dat daaruit voor de overige landen der Gemeenschap — gelijk deze zelf hebben verklaard — geen nadeel kan voortvloeien.

Verweerster antwoordt hierop als volgt:

  • Wat betreft het argument, dat de Commissie een détournement de pouvoir zou hebben begaan door haar beschikking te doen steunen op criteria, welke niet eerder werden voorgebracht en met verzoekster besproken, kan worden opgemerkt dat de Commissie bij de toepassing van artikel 25, derde lid, van het Verdrag niet gehouden is in discussie of onderhandeling te treden met de betrokken Lid-Staat, alvorens zij een beschikking krachtens bedoeld artikel geeft. Bovendien strekte het eerste verzoek van requestrante slechts tot verkrijging van een verlaging van de voor sinaasappelen geldende douanerechten, waarmede de vraag aan de orde was gesteld of zodanige maatregel toelaatbaar was met het oog op de noodzakelijke bescherming van de produktie van sinaasappelen binnen de Gemeenschap. In haar tweede verzoek daarentegen heeft de Bondsregering voorgesteld dat de in de Bondsrepubliek voor sinaasappelen geldende rechten in dezelfde mate zouden worden verlaagd als die welke ten opzichte van de andere Lid-Staten worden geheven. Daar in dit geval de binnen de Gemeenschap voor sinaasappelen geldende preferentie ten gevolge van de schorsing der douanerechten geen wijziging zou ondergaan, behoefde slechts de uitwerking daarvan op de teelt van ander fruit te worden onderzocht.

  • De vrije keus van de Duitse verbruiker kan niet ernstig worden beperkt door een zo geringe prijsverhoging als waarover verzoekster klaagt.

  • De verhoging van de douanerechten is een normaal gevolg van de invoering van het gemeenschappelijk tarief en de schorsing van zulke rechten kan dan ook slechts worden toegestaan onder werkelijk exceptionele omstandigheden: op zulke omstandigheden heeft verzoekster in het onderhavige geval geen beroep gedaan.

  • Verzoekster verwijt de Commissie willekeur, daar zij in analoge gevallen wèl verlaging van douanerechten zou hebben toegestaan. Dit verwijt is ongegrond, want verzoekster ziet voorbij dat bijlage II van het Verdrag — waarnaar artikel 25, derde lid, verwijst — verschillende produkten vermeldt, die met andere landbouwprodukten in het geheel niet, of slechts in geringe mate, in concurrentie kunnen treden.

IV — Procedure

Overwegende, dat de procedure het normale verloop heeft gevolgd;

V - TEN AANZIEN VAN HET RECHT

Overwegende dat verzoekster tegen de bestreden beschikking de middelen schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag en détournement de pouvoir aanvoert;

TEN AANZIEN VAN HET MIDDEL SCHENDING VAN WEZENLIJKE VORMVOORSCHRIFTEN

Overwegende dat verzoekster als grief aanvoert, dat in de bestreden beschikking niet uitdrukkelijk is vastgesteld, dat op de betrokken goederenmarkt geen gevaar bestaat voor ernstige storingen;

dat deze grief faalt, daar de Commissie niet is gehouden, uitdrukkelijk te vermelden, dat naar haar mening geen ernstige storingen dreigen;

Overwegende dat verzoekster voorts als grief aanvoert, dat in de motivering van de beschikking niet uitdrukkelijk wordt ingegaan op alle in artikel 29 genoemde richtlijnen en alle in artikel 39 vermelde doelstellingen;

dat de Commissie hiertoe evenwel niet is verplicht, wanneer het richtlijnen en doelstellingen betreft, die van geen betekenis zijn voor het concrete geval; dat derhalve uit haar stilzwijgen kan worden afgeleid, dat zij de onvermeld gebleven richtlijnen en doelstellingen niet toepasselijk heeft geacht;

dat derhalve het ontbreken van de overwegingen, die verzoekster opgenomen had willen zien, geen motiveringsgebrek vormt;

Overwegende dat verzoekster voorts aanvoert, dat de afwijzing van haar verzoek onvoldoende met redenen is omkleed, omdat de motivering slechts een verwijzing bevat naar een „prijspeil dat in overeenstemming is met de tarieven van het gemeenschappelijk douanetarief voor fruit”, zonder dat wordt vermeld, welk peil, welke goederen, welke prijzen en welke tarieven hiermede zijn bedoeld;

dat uit de motivering evenwel duidelijk blijkt, dat wordt gedoeld op het prijsniveau van fruit in het algemeen en op dat van appelen, peren en perziken enerzijds en van sinaasappelen anderzijds in het bijzonder; dat eveneens duidelijk is, dat de Commissie met de woorden „prijspeil dat in overeenstemming is met de tarieven van het gemeenschappelijk douanetarief” de beschermende functie van het buitentarief tot uitdrukking wilde brengen, voor zover daarmede wordt beoogd te voorkomen, dat het binnen de Gemeenschap bestaande prijsniveau wordt gedrukt door de invoer tegen te lage prijzen van concurrerende produkten uit derde landen;

dat de grief van onvoldoende duidelijkheid der motivering derhalve niet gegrond is;

Overwegende dat verzoekster voorts als grief aanvoert, dat in de motivering van de beschikking door de Commissie wordt verwezen naar artikel 8 van de verordening van de Raad no. 23, welke bepaling geen verband houdt met het onderhavige geval en derhalve niet als grondslag kan dienen voor de beschikking;

dat deze grief hier slechts bespreking behoeft, voor zover zij zich niet richt tegen de materiële juistheid der motivering; dat de grief faalt, daar de juridische grondslag van de bestreden beschikking niet zou worden aangetast, ook al zou bedoelde verwijzing overbodig blijken te zijn;

Overwegende dat verzoekster ten slotte stelt dat de motivering tegenstrijdig is, daar verweerster enerzijds van mening is dat de verwerkelijking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid door de gevraagde machtiging zou worden verijdeld, doch anderzijds vaststelt, dat de afwijzing slechts weinig invloed zal hebben op de prijs en de omvang van de invoer van sinaasappelen;

dat de beweerde tegenstrijdigheid echter slechts in schijn bestaat;

dat verweerster, waar zij van oordeel is dat de invoer van sinaasappelen en daarmede de omvang van het goederenverkeer op dit gebied niet zal worden geschaad indien de gevraagde machtiging wordt afgewezen, daarmede slechts tot uitdrukking heeft willen brengen, dat de verplichting tot aanpassing van de tarieven in de Bondsrepubliek aan het gemeenschappelijk douanetarief geen ernstige nadelen met zich zal brengen;

dat hiermede niet in strijd is de stelling, dat de door verzoekster nagestreefde verlaging van de sinaasappelprijs tot gevolg kan hebben dat de vorming van een prijspeil, hetwelk ter bereiking van de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op het gebied van appelen, peren en perziken noodzakelijk is, wordt verijdeld;

Overwegende dat de tegen de motivering van de bestreden beschikking gerichte grieven mitsdien niet gegrond zijn;

TEN AANZIEN VAN DE GRIEF SCHENDING VAN HET VERDRAG

Overwegende dat verzoekster stelt, dat het derde lid van artikel 25 minder strikte bepalingen bevat dan de beide eerste leden en dat, gezien de zeer ruime wijze waarop de bepaling is geformuleerd, ervan moet worden uitgegaan dat de Commissie de daarop gebaseerde aanvragen moet toewijzen, wanneer zij vaststelt dat op de betrokken goederenmarkt geen ernstige storingen zijn te vrezen en wanneer de in artikel 29 genoemde richtlijnen het verlenen van de machtiging niet in de weg staan;

dat weliswaar juist is, dat de bevoegdheden, waarover de Commissie op grond van het genoemde derde lid beschikt, minder nauwkeurig zijn bepaald dan die, welke haar in de leden 1 en 2 zijn toegekend; dat dit evenwel niet betekent, dat de Commissie verplicht zou zijn, alle verzoeken toe te wijzen die niet het gevaar voor ernstige storingen inhouden;

dat reeds uit het gebruik van het woord „kan” in artikel 25, lid 3, duidelijk blijkt, dat de Commissie volgens deze bepaling meer beleidsvrijheid geniet bij de uitoefening van de genoemde bevoegdheden dan volgens de leden 1 en 2;

dat bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid en doelmatigheid van de toekenning van tariefcontingenten evenwel in aanmerking dient te worden genomen, dat de maatregelen, die volgens artikel 25 zijn toegestaan, uitzonderingen vormen op het gemeenschappelijk douanetarief bedoeld in de artikelen 3 en 18 en op de voorschriften van artikel 9;

dat de Commissie derhalve bij die beschikkingen, waarbij zij zich dient te laten leiden door de richtlijnen van artikel 29 van het Verdrag, rekening heeft te houden met de structuur en de leidende beginselen van de gemeenschappelijke markt;

Overwegende dat verzoekster voorts de Commissie verwijt, dat deze — instede van zich te beperken tot de betrokken goederenmarkt, namelijk de markt van sinaasappelen — aandacht heeft geschonken aan de gevolgen, die de gevraagde machtiging had kunnen hebben voor de markt van appelen, peren en perziken;

dat, nu verweerster zich niet heeft beroepen op het gevaar van ernstige storingen, het begrip „betrokken goederenmarkt”, hetwelk blijkens de tekst van artikel 25, lid 3, alleen voor het geval van dergelijke storingen van betekenis is, in het onderhavige geval geen toepassing vindt.

dat de Commissie bij de vraag of een machtiging al dan niet gewenst is, in ieder geval het recht heeft rekening te houden met de gevolgen van de machtiging, niet alleen voor de markt van de goederen waarop de aanvraag betrekking heeft, doch ook voor de markt van de goederen welke daarmede concurreren;

dat het beperkte marktbegrip, zoals verzoekster dit voorstaat, tot een kunstmatige isolering van de markten der afzonderlijke goederen zou leiden;

dat daardoor de interdependentie van de afzonderlijke markten en bijgevolg de economische realiteit zou worden miskend;

Overwegende dat verzoekster voorts aanvoert, dat verweerster geen rekening heeft gehouden met de richtlijnen van artikel 29 van het Verdrag en daardoor deze bepaling heeft geschonden;

dat deze richtlijnen wijzen op volkomen verschillende doeleinden, die onderling strijdig zijn en in ieder geval niet steeds gelijktijdig kunnen worden nagestreefd; dat de grief, dat verweerster deze doelstellingen niet alle in acht heeft genomen, derhalve slechts dan gegrond zou zijn, indien zij in het betrokken geval alle van toepassing waren geweest;

dat evenwel als onbetwistbaar vaststaat, dat de doeleinden van artikel 29, sub b) en c), geen verband houden met dit geding;

dat, wat voorts de bevordering van het handelsverkeer met derde landen betreft, de Commissie — zou zij zich uitsluitend door deze doelstelling laten leiden — alle verzoeken om machtiging tot afwijking van het gemeenschappelijk douanetarief zou moeten toewijzen, waardoor dit tarief iedere werking zou verliezen;

dat ten slotte verweerster er terecht op wijst, dat zij niet alleen de gevolgen voor de sinaasappelmarkt, doch ook die voor de markt van appelen, peren en perziken heeft onderzocht en derhalve artikel 29, sub d), in acht heeft genomen;

dat deze grief derhalve niet gegrond is;

Overwegende dat verzoekster voorts de Commissie verwijt, dat deze niet alleen is uitgegaan van artikel 29, doch ook rekening heeft gehouden met de in artikel 39 genoemde doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

dat het weliswaar juist is, dat — voor zover het tegendeel niet is bepaald — de voorschriften over de oprichting van de gemeenschappelijke markt van toepassing zijn op landbouwprodukten, en dat artikel 39 niet mag worden geacht de toepassing van artikel 25 in de weg te staan, doch dat dit niet wegneemt, dat de Commissie bij de uitoefening van haar bevoegdheden ex artikel 25, lid 3, welke bepaling slechts de in bijlage II genoemde goederen betreft, de gevolgen van haar beslissingen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid in het oog moet houden en daarom mag weigeren beschikkingen te geven, die met dit beleid onverenigbaar zijn;

dat artikel 39, hoewel het voor de toepassing van artikel 25, lid 3, niet van even groot belang is als artikel 29, nietemin aan deze toepassing bepaalde grenzen stelt in die zin, dat rekening dient te worden gehouden met de in het artikel genoemde doelstellingen en dat de Commissie, wanneer zij overeenkomstig artikel 25, lid 3, onderzoekt of de gevraagde machtiging kan worden verleend, dient te overwegen of wellicht het gevaar bestaat dat deze doelstellingen worden benadeeld;

Overwegende dat verzoekster subsidiair nog aanvoert, dat verweerster artikel 39 heeft miskend daar de in lid 1, sub b), genoemde doeleinden slechts met de sub a) genoemde middelen mogen worden verwerkelijkt;

dat het er in het onderhavige geval evenwel niet om gaat, dat de sub b) genoemde doeleinden worden bereikt, doch alleen dat wordt verhinderd, dat de verwerkelijking van deze doeleinden door de toepassing van de overige bepalingen van het Verdrag, in casu van artikel 25, wordt verijdeld;

dat indien wordt uitgegaan van de opvatting van verweerster, dat er concurrentie bestaat tussen sinaasappelen enerzijds en appelen, peren en perziken anderzijds, de stabilisering van de markt van appelen, peren en perziken echter inderdaad door de invoer van sinaasappelen tegen lage prijzen kan worden verijdeld;

dat ten slotte, indien de bestreden beschikking tot een verhoging van de sinaasappelprijs zou leiden, dit niet noodzakelijkerwijs zou betekenen, dat deze prijzen niet meer „redelijk” zouden zijn in de zin van artikel 39, lid 1, sub e);

dat met de woorden: „Het staat vast, dat de bevolking wat de meeste landbouwprodukten betreft beter en goedkoper zou worden verzorgd, indien zou kunnen worden afgezien van een landbouwbeleid, dat onder andere ten doel heeft de markten te stabiliseren”, verweerster volkomen juist tot uitdrukking heeft gebracht dat onder „redelijke prijzen” niet zonder meer zo laag mogelijke prijzen dienen te worden verstaan, doch dat de „redelijkheid” uit het oogpunt van het in het Verdrag vastgelegde landbouwbeleid dient te worden beoordeeld;

dat derhalve ook de grief, dat artikel 39 is geschonden, faalt;

Overwegende dat verweerster naar de mening van verzoekster het Verdrag ook heeft geschonden door te verwijzen naar artikel 8, lid 2, van de verordening van de Raad no. 23 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit;

dat verweerster hieromtrent stelt, dat zij deze bepaling heeft genoemd omdat zij een bevestiging vormt van de grote betekenis, die bij de oprichting van de gemeenschappelijke markt voor groenten en fruit toekomt aan het gemeenschappelijk douanetarief;

dat niet is bewezen, dat de Raad door middel van deze bepaling de Commissie verplichtingen wilde opleggen, die zij bij de uitoefening van haar bevoegdheden ex artikel 25, lid 3, zou hebben na te leven;

dat derhalve ook deze grief ongegrond is;

Overwegende dat verzoekster ten slotte de juistheid bestrijdt van de feiten, waarop verweerster haar afwijzende beschikking heeft gebaseerd; dat zij zich voornamelijk richt tegen de stellingen, dat sinaasappelen enerzijds en appelen, peren en perziken anderzijds, elkaar in het verbruik kunnen vervangen, dat het landbouwbeleid in de fruitsector door de gevraagde machtiging zou worden verijdeld en dat de rationalisering en de stabilisering van de markt voor appelen, peren en perziken zou worden verhinderd door de invoer van goedkope sinaasappelen;

dat de motivering van de bestreden beschikking berust op de stelling, dat de genoemde fruitsoorten gelijktijdig op de markt kunnen worden gebracht en elkaar zonder bezwaar in het verbruik kunnen vervangen, waaruit verweerster afleidt, dat door de verlaging van de sinaasappelprijs voor verschillende andere fruitsoorten bepaalde doeleinden van het landbouwbeleid zouden kunnen worden verijdeld, in het bijzonder de pogingen, door het scheppen van betere opslagmogelijkheden het aanbod gelijkmatiger over het gehele jaar te verdelen, daar hiertoe belangrijke investeringen nodig zijn, die op hun beurt vereisen dat ten aanzien van de concurrentieverhoudingen met andere fruitsoorten een bepaalde mate van zekerheid bestaat;

dat verzoekster hier tegenover stelt, dat sinaasappelen enerzijds en appelen, peren en perziken anderzijds onderling in het verbruik praktisch niet vervangbaar zijn, daar de verbruikers hun keus laten bepalen door smaak en behoefte aan vitaminen, doch niet, zoals verweerster meent, voornamelijk door de prijs;

dat deze diametraal tegenover elkaar staande stellingen beide in zoverre overdreven zijn, dat onder de verschillende voor de keuze der verbruikers bepalende factoren er in beide gevallen één als doorslaggevend wordt voorgesteld;

dat volgens de door partijen overgelegde statistieken de vraag zich tegenwoordig hoofdzakelijk richt naar de in de verschillende jaargetijden aangeboden hoeveelheden en varieert naar gelang van het prijspeil en het aanbod;

dat verweerster hieruit de conclusie kon trekken, dat het verbruik van appelen kan worden verhoogd, wanneer deze door betere opslagmogelijkheden in grotere mate dan tot dusver buiten het seizoen op de markt kunnen worden gebracht;

dat verweerster ook het prijsniveau bij sinaasappelen — tafelfruit dat het seizoen beheerst — als een factor kon beschouwen, die indirect van invloed kon zijn op het slagen van het ten aanzien van appelen gevoerde opslagbeleid;

dat zij weliswaar wellicht enigszins overdrijft, wanneer zij stelt dat het landbouwbeleid op het gebied van appelen, peren en perziken door de gevraagde machtiging noodzakelijkerwijze zou worden verijdeld, doch deze stelling na al het voorgaande toch niet geheel ongegrond voorkomt;

Overwegende dat de vragen betreffende omvang en oorzaken van de overproduktie van appelen in de Gemeenschap en betreffende de mogelijke ontwikkeling van het Duitse verbruik van appelen zonder wezenlijke betekenis zijn voor de beslissing van het geschil;

dat dit te meer geldt, waar de bestreden beschikking, zoals uit de motivering blijkt, niet ten doel heeft het aanbod van sinaasappelen op de gemeenschappelijke markt te doen afnemen, doch slechts om het te handhaven op een prijsniveau, hetwelk in overeenstemming is met het gemeenschappelijk douanetarief;

Overwegende dat verzoekster blijkens het voorgaande wel heeft aangetoond, dat enkele van de stellingen in de motivering als overdreven zijn te beschouwen, doch niet, dat de overwegingen, welke daaraan ten grondslag liggen, onjuist zijn;

dat de stellingen van verweerster de bestreden beschikking genoegzaam vermogen te dragen;

Overwegende dat het middel schending van het Verdrag mitsdien eveneens dient te worden verworpen;

TEN AANZIEN VAN HET MIDDEL DETOURNEMENT DE POUVOIR

Overwegende dat, onafhankelijk van de hierboven onderzochte grieven, die ook uit het oogpunt van détournement de pouvoir zijn aangevoerd, verzoekster stelt, dat verweerster een vroegere aanvrage van verzoekster bij beschikking van 5 januari 1962 heeft afgewezen met de motivering, dat de produktie van sinaasappelen binnen de Gemeenschap dient te worden beschermd; dat, toen verzoekster wederom een aanvrage had ingediend waarin met de belangen van deze produktiesector rekening werd gehouden, dit verzoek opnieuw door verweerster is afgewezen op grond van een geheel nieuwe motivering;

dat volgens verzoekster hieruit de conclusie kan worden getrokken, dat de afwijzing van het verzoek berust op willekeurige en niet ter zake dienende gronden;

dat het Hof evenwel van oordeel is dat de gronden, waarop verweerster de beschikking heeft gebaseerd, rechtsgeldig en ter zake dienend zijn;

dat zij geen enkele aanwijzing bevatten voor een willekeurig optreden van verweerster, ook al zijn deze gronden volledig verschillend van de motivering van de vroegere afwijzende beschikking;

dat, daar de motivering tot de belangrijkste punten beperkt kan blijven, de Commissie voor een nieuwe beschikking van dezelfde strekking nieuwe gronden kan aanvoeren, wanneer de gronden van de vroegere beschikking niet langer geldig zijn;

dat, hoezeer het overigens gewenst voorkomt dat regeringen, die een aanvrage hebben ingediend om van het Verdrag te mogen afwijken, zo vroeg mogelijk op eventuele bezwaren opmerkzaam worden gemaakt, het Hof toch niet, door middel van een vernietiging wegens détournement de pouvoir, de Commissie tot een dergelijke mededeling, die in de betreffende bepalingen niet is voorzien, kan verplichten;

Overwegende dat de omstandigheid, dat verweerster haar beslissing heeft gebaseerd op gronden, die niet waren aangevoerd door de regeringen wier advies zij heeft ingewonnen, het middel evenmin kan doen slagen; dat verweerster met alle van belang zijnde omstandigheden rekening diende te houden, onverschillig of de regeringen zich al dan niet daarop hadden beroepen;

Overwegende dat verweerster zich naar de mening van verzoekster ook schuldig heeft gemaakt aan détournement de pouvoir, doordat tengevolge van haar afwijzende beschikking de Duitse verbruikers in hun keus zouden worden beperkt;

dat op dit punt kan worden volstaan met de opmerking dat, voor zover een dergelijke beperking al bestaat, deze het gevolg is van het gemeenschappelijk buitentarief zelf, zodat niet kan worden gezegd dat de Commissie de vrijheid van de verbruikers beperkt, wanneer zij in het kader van haar bevoegdheden een verzoek om een afwijking van het tarief toe te staan afwijst;

dat overigens, indien op dit punt een inbreuk zou zijn gebleken, zulks geen détournement de pouvoir zou opleveren, doch schending van het Verdrag;

Overwegende dat ten slotte verweerster nog wordt verweten, dat zij zich heeft laten leiden door de belangen van de Duitse producenten van appelen, peren en perziken, hoewel deze belangen, als zijnde zuiver nationaal, uitsluitend tot de competentie van de Bonds regering behoren en derhalve aan de Bondsregering niet kunnen worden tegengeworpen, wanneer deze in het nationale belang een aanvrage indient om van het Verdrag te mogen afwijken;

dat deze grief, zelfs al ware die feitelijk juist, niettemin ongegrond is; dat het recht van de Commissie, rekening te houden met de belangen van de bij een bepaald geval betrokken economische groeperingen, los staat van de vraag, tot welke Lid-Staat deze behoren;

dat mitsdien ook het middel détournement de pouvoir dient te worden verworpen;

TEN AANZIEN VAN DE KOSTEN

Overwegende dat volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, voor zover zulks is gevorderd;

dat verweerster de veroordeling van verzoekster in de kosten heeft gevorderd;

dat verzoekster derhalve als de in het ongelijk gestelde partij de kosten dient te dragen;

Gezien de processtukken;

Gehoord het rapport van de Rechter-Rapporteur;

Gehoord partijen in haar pleidooien;

Gehoord de conclusie van de Advocaat-Generaal;

Gelet op de artikelen 2, 3, 9, 18, 25, 29, 39, 173 en 190 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap;

Gelet op het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen;

Gelet op het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen;

HET HOF VAN JUSTITIE

Rechtdoende,

Verwerpt het beroep;

Veroordeelt verzoekster in de proceskosten;

Ontzegt het meer of anders gevorderde.

Aldus door het Hof gewezen en ondertekend te Luxemburg op vijftien juli negentienhonderddrieënzestig.

Donner

Delvaux

Lecourt

Hammes

Rossi

Trabucchi

Strauss

Uitgesproken ter openbare zitting gehouden te Luxemburg op vijftien juli negentienhonderddrieënzestig.

De Griffier

A. Van Houtte

De President,

A. M. Donner