Home

Hof van Justitie EU 22-03-1966 ECLI:EU:C:1966:13

Hof van Justitie EU 22-03-1966 ECLI:EU:C:1966:13

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
22 maart 1966

Uitspraak

ZAAK 30-65 ARREST VAN HET HOF VAN 22 MAART 1966

In de zaak 30-65 :

MACCHIORLATI DALMAS E FIGLI, S.A.S.,

gevestigd te Turijn,

vertegenwoordigd door haar directeur, G. Macchiorlati Dalmas,

bijgestaan door Mr. A. Astolfi, advocaat te Pavia en bij het Italiaanse Hof van Cassatie,

verzoekster, tegen

HOGE AUTORITEIT VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL,

ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur, Dr. I. Telchini, als gemachtigde,

bijgestaan door Mr. P. Ziccardi, hoogleraar bij de Universiteit te Milaan, advocaat bij het Italiaanse Hof van Cassatie,

verweerster,

ten deze domicilie gekozen hebbende ter plaatse waar zij gevestigd is, 2, Place de Metz, Luxemburg,

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt :

Ch. L. Hammes, President,

L. Delvaux (Rapporteur), Kamerpresident,

A.M. Donner, R. Lecourt en R. Monaco, Rechters,

Advocaat-Generaal: K. Roemer,

Griffier: A. Van Houtte,

het volgende

ARREST

I — De aan het geding ten grondslag liggende feiten

Overwegende dat deze feiten als volgt kunnen worden samengevat :

  1. De commanditaire vennootschap Macchiorlati Dalmas e Figli werd op 30 oktober 1958 opgericht door regularisatie van een vroegere, niet aan de vormvoorschriften beantwoordende, vennootschap welke dezelfde firma voerde.

    Daar de installaties te Turijn thans buiten werking zijn gesteld, wordt het bedrijf van de vennootschap te Borgaro uitgeoefend, waar een elektrische vlamboogoven met vaste lading, capaciteit 8-10 ton, wordt geëxploiteerd, en voorts nog in een ander bedrijf te Corio Canavese. Volgens verzoekster houdt haar onderneming zich vrijwel uitsluitend bezig met de produktie van spoorspijkers en speciale platen voor de spoorwegen.

    De produktie van bedoelde platen vindt plaats te Borgaro en die van de spoorspijkers te Corio Canavese. De oven dient hoofdzakelijk voor het gieten van ruwstaal dat later tot produkten wordt verwerkt, doch somtijds heeft de vennootschap blokken ruwstaal verkocht wanneer namelijk het tempo van de produktie voor de spoorwegen werd verlaagd.

    Het door de vennootschap gebruikte schroot is staal- en ijzerdraaisel, behorend tot de categoriëen 40, 41 en 43.

    Verzoekster verklaart dat zij dit schroot tegen de marktprijs heeft verkregen in Italië, Frankrijk en Duitsland (B.R.) en dat zij nimmer uit derde landen ingevoerd schroot heeft aangekocht.

    Bovendien levert het arbeidsproces afval op, waardoor een aanzienlijke hoeveelheid omloopschroot voor latere werken vrijkomt. Gedurende het vereveningstijdvak zag de vennootschap zich herhaaldelijk genoodzaakt schroot te kopen, hetwelk onbruikbaar was, daar het een veel te hoog percentage aarde en andere stoffen bevatte; gezien de klachten der afnemers, zag zij zich daarop genoodzaakt grote hoeveelheden afval te verbruiken.

    Verzoekster stelt dat zij nimmer bij de „Campsider” was aangesloten en dat zij derhalve niet aan de van dit orgaan afkomstige bepalingen — welke haar overigens niet werden medegedeeld — onderworpen was.

    Wat de beschikkingen van de Hoge Autoriteit betreft, deze verplichtten de ondernemingen niet tot het overleggen van gegevens en verzoekster meende dan ook dat te dier zake op haar geen enkele plicht rustte.

  2. De geschillen tussen de eisende vennootschap en de Hoge Autoriteit waren dan ook talrijk.

    1. Nadat laatstgenoemde bij een in 1957 uitgevoerde controle onregelmatigheden met betrekking tot de verkoopsvoorwaarden had vastgesteld, legde zij verzoekster bij beschikking van 14 november 1958 een boete op.

      Het tegen deze beschikking ingestelde beroep no. 1-59 werd bij arrest van het Hof d.d. 17 december 1959 afgewezen (Jurisprudentie, Deel V, blz. 445).

    2. Toen bij de controles van de Hoge Autoriteit bleek dat er geen aangifte van de produktie was gedaan, nam zij een beschikking waarbij verzoekster werd aangemaand tot betaling van de heffing, vermeerderd met de „verhogingen wegens te late betaling”.

      Het tegen beschikking gerichte beroep 22-59 werd door verzoekster bij acte van afstand d.d. 20 april 1960 ingetrokken.

    3. Een beschikking van 14 november 1962 waarbij verzoekster werd uitgenodigd de verhogingen wegens te late betaling te voldoen, werd door het Hof bij zijn arrest van 16 december 1963 (no. 1-63, Jurisprudentie, Deel IX, blz. 693) wegens gebrekkige motivering vernietigd.

    4. De daarop volgende beschikking van 8 april 1964 met betrekking tot voornoemde verhogingen werd bestreden bij het beroep 21-64, hetwelk het Hof bij zijn arrest van 31 maart 1965 heeft verworpen (Jurisprudentie, Deel XI-7, blz. 232).

  3. Ingevolge herhaalde aanmaningen van de Hoge Autoriteit deelde verzoekster haar op 19 mei 1960 mede dat de door haar gebruikte en verbruikte hoeveelheden schroot over de periode 1 april 1954 tot 30 november 1958, 22. 330 ton bedroegen.

    Bij beschikking van 23 februari 1962 nodigde de Hoge Autoriteit verzoekster uit de rekeningen van het elektriciteitsverbruik over voornoemde periode voor te leggen.

    Gezien de resultaten der verschillende controles, deelde de Hoge Autoriteit d.d. 8 augustus 1962 haar rectificaties van de opgegeven hoeveelheden aan verzoekster mede, waarbij werd vastgesteld dat de gehele belastbare hoeveelheid 58. 480 ton bedroeg. Na de openbaarmaking van de algemene beschikking 7-63 zond de Hoge Autoriteit op 8 april 1964 verzoekster een mechanisch uitgevoerde afrekening toe, met sommatie een bedrag van 39 5.8 58. 600 lire te voldoen en wel over de gehele vereveningsperiode, daar de verzoekende vennootschap uit dien hoofde nimmer enige betaling had gedaan.

    Gebruik makend van haar recht tot verweer tegen de afrekeningen, vroeg verzoekster nadere inlichtingen en nam door middel van haar raadsman rechtstreeks contact op met de diensten van de Hoge Autoriteit.

    Toen het niet mogelijk bleek tot een vergelijk te geraken, nam de Hoge Autoriteit op 7 april 1965 de beide bij het onderhavige beroep bestreden beschikkingen. In de eerste bepaalt zij de belastbare hoeveelheid op 58. 480 ton en in de tweede verlangt zij betaling van 39 5.8 58. 600 lire uit hoofde van de over de gehele duur van de verevening verschuldigde bijdragen.

II — Conclusies van partijen

  1. Overwegende dat verzoekster in haar verzoekschrift concludeert dat het den Hove behage :

    • het beroep ontvankelijk te verklaren,

    • de individuele beschikkingen van de Hoge Autoriteit van 7 april 1965 te vernietigen,

    • verweerster in de kosten te veroordelen, een en ander onder voorbehoud van nieuwe bewijsaanbiedingen en nader aan te voeren rechtsmiddelen.”.

  2. Overwegende dat verweerster in haar antwoord concludeert dat het den Hove behage :

    • alle vorderingen van de onderneming Macchiorlati Dalmas e Figli, S.A.S., gelijk die bij het beroep van 24 mei 1965 werden ingesteld te verwerpen, kosten rechtens.”.

  3. Overwegende dat verzoekster bij repliek de volgende maatregelen van instructie heeft verzocht :

    1. De Hoge Autoriteit te bevelen

      1. de gehele bij de verschillende controles in haar onderneming verzamelde documentatie over te leggen en in het bijzonder de facturen over de aan- en verkoop van schroot alsmede de rapporten van de controleurs,

      2. aan de hand van stukken nader aan te tonen op grond van welke gegevens de vereveningsprijs voor schroot werd vastgesteld, voorts, hoe en door tussenkomst van wie deze gegevens werden gevonden,

      3. te verklaren door wie in het tijdvak van 1958 tot 1961 de controles in verzoeksters bedrijf zijn verricht.

    2. Deskundigenonderzoek

      Zo nodig een deskundigenonderzoek te gelasten in de onderneming van verzoekster ter vaststelling van de volgende vragen :

      • Moet de produktie van platen, klemplaten en spoorspijkers geacht worden te vallen onder de in bijlage I van het E.G.K.S.-Verdrag omschreven produktie en in het bijzonder of deze al dan niet koud zijn afgewerkt, welke bewerkingen daartoe nodig waren en hoeveel materiaal van de gebezigde grondstof is afgevallen ?

      • Is de elektrische oven met vaste lading, welke zich in verzoeksters bedrijf te Borgaro bevindt, geschikt voor de staalproduktie waarbij gedeeltelijk ruwijzer in gietelingen wordt aangewend; welke besparingen aan schroot zijn daarbij mogelijk en hoeveel bedragen de extra produktiekosten voor staal in vergelijking met de produktie waarbij uitsluitend schroot wordt gebruikt?

    3. Getuigenbewijs ten aanzien van de volgende vragen :

      • Is het niet juist dat tijdens de besprekingen op het directoraat (behorend tot het Directoraat-Generaal Staal van de Hoge Autoriteit) — waarbij Mr. Astolfi klaagde over de absurde vaststelling van een vereveningsprijs welke belangrijk lager is gelegen dan de door verzoekster betaalde prijs — aan hem werd medegedeeld dat deze prijs was vastgesteld aan de hand van de gemiddelde gegevens voor de Gemeenschap geldende en dat zij, wat Italië betreft, door de „Campsider” waren verstrekt?

      • Is het niet juist dat men bij die gelegenheid Mr. Astolfi een overzicht heeft getoond van de gegevens betreffende de Italiaanse markt en dat daaraan werd toegevoegd dat zij door „Campsider” waren verzameld ?

      Als getuigen noemen wij: de heren I. Nicolai, adviseur, en M. Cipolla, ambtenaar bij de Hoge Autoriteit.”.

  4. Overwegende dat verweerster in haar dupliek bij haar oorspronkelijke conclusies persisteert.

III — De middelen en argumenten van partijen

Overwegende dat de middelen en argumenten van partijen in het kort als volgt kunnen worden samengevat :

A — Ten aanzien van de ontvankelijkheid

Verweerster acht de middelen tegen de algemene beschikkingen gericht niet-ontvankelijk voor zover zij — blijkens de door verzoekster zelve gebezigde bewoordingen — tot nietigverklaring dier beschikkingen strekken.

Volgens de rechtspraak van het Hof wordt met de specifieke regel van artikel 36, derde lid, van het Verdrag een volstrekt algemeen beginsel tot uitdrukking gebracht. Wanneer verzoekster dan ook naar bovengenoemde bepaling verwijst, zo volgt hieruit dat de middelen waarmede zij de nietigverklaring van algemene beschikkingen vordert, in werkelijkheid middelen zijn ter bestrijding van de individuele beschikkingen en wel op grond van de beweerde onregelmatigheid der normen, door de Hoge Autoriteit in de algemene beschikkingen gegeven.

B — Ten principale

De door verzoekster voorgedragen middelen vallen in twee groepen uiteen: de eerste betreft rechtstreeks de gewraakte individuele beschikkingen en de tweede groep doelt op onregelmatigheid der algemene beschikkingen, waarop de bestreden individuele beschikkingen zijn gegrond.

  1. De groep middelen met betrekking tot de individuele beschikkingen :

    1. schending van artikel 15 van het Verdrag, daar de aangevoerde overwegingen ontoereikend, onjuist en onderling strijdig zijn;

    2. schending van artikel 4, tweede lid, van de beschikking 2-57 en van artikel 4, tweede lid, van beschikking 16-58;

    3. schending van artikel 81, juncto artikel 80 van het Verdrag;

    4. schending van artikel 47, eerste lid, van het Verdrag;

    5. schending van de beschikking 19-65 van 15 december 1965.

  2. De middelen met betrekking tot de algemene beschikkingen :

    1. onregelmatigheid van de beschikking 19-60 daar zij de artikelen 4, sub b, en 15 van het Verdrag schendt en voorts een détournement de pouvoir inhoudt;

    2. onregelmatigheid van de beschikkingen 18-60 en 20-60, juncta beschikking 7-63 daar zij een schending betekent van artikel 1 van de beschikking 22-64 en van artikel 15 van het Verdrag en voorts daar zij een détournement de pouvoir opleveren;

    3. onregelmatigheid van de beschikking 7-63 voor wat betreft de vaststelling van de totale hoeveelheden ingevoerd of daarmede gelijkgesteld schroot, zulks wegens schending van artikel 15 van het Verdrag, nu genoemde beschikking niet met redenen is omkleed ten aanzien van de in de bijlagen voorziene wijzigingen en zij voorts schending inhoudt van de beschikkingen 18-60 en 20-60;

    4. onregelmatigheid van de beschikking 26-55 (en de ten aanzien daarvan gegeven verlengingen) „houdende voorschriften met betrekking tot de toepassing van de financiële voorziening ter verwezenlijking van een bezuiniging op schroot door een verhoogd verbruik van ruwijzer”, wegens schending van artikel 4, sub b, en van artikel 15 van het Verdrag, zulks wegens de onjuistheid van de in deze beschikking gegeven motivering;

    5. onregelmatigheid van de beschikkingen 7-63, 18-60 en 20-60 waarbij de vereveningsprijzen werden vastgesteld — alsmede van de voorafgaande beschikkingen welke daartoe de onmisbare voorwaarden vormden — wegens schending van artikel 3, sub b en c en artikel 4, sub b, van het Verdrag, alsmede van artikel 47, paragraaf 2, van het Verdrag.

1. De middelen met betrekking tot de individuele beschikkingen waarbij de hoeveelheid aan de verevening onderworpen schroot werd vastgesteld

a. Gebrekkige motivering

Volgens verzoekster vormen de criteria welke tot grondslag hebben gediend bij de motivering der beschikking een schending van artikel 15 van het Verdrag, daar de aangevoerde redenen ontoereikend, onjuist en onderling strijdig zijn.

1. In de beschikking wordt gesteld, dat uit de facturen der leveranciers blijkt dat over de periode april 1954 tot januari 1957 30. 421 ton werd aangekocht. Verzoekster voert hiertegen aan dat dit cijfer is neergelegd in een procesverbaal van een in 1958 gedaan onderzoek, welk stuk zij niet heeft ondertekend. Voorts heeft zij twee jaar later aangifte gedaan van de aankoop van 10. 835 ton over hetzelfde tijdvak. Hieruit vloeit volgens verzoekster voort, dat de controleurs zich bij het noteren der gegevens hebben vergist. De beschikking had op dit punt slechts behoorlijk met redenen omkleed kunnen zijn, indien de in aanmerking genomen aankoopfacturen — op grond waarvan de misslag, bij de berekening begaan, had kunnen worden aangetoond — nauwkeurig waren vermeld.

2. Over de periode februari 1957 tot november 1958 heeft verzoekster aankoopfacturen geproduceerd, welke met de opgegeven hoeveelheden overeenstemmen. Verweerster heeft daarmede geen rekening gehouden en haar eigen schatting vastgesteld aan de hand van verkoopfacturen voor blokken en gewalste produkten, waarnaar in november 1961 een onderzoek was ingesteld. Deze schatting is evenwel niet met redenen omkleed, nu daarbij zowel de door de controleurs aangehouden gegevens als het procesverbaal der verificatie en een specifieke aanduiding van de facturen ontbreken.

3. Verzoekster wijst op een tegenspraak tussen bladzijde 4 van de beschikking van 7 april 1965, 'waar de aan verevening onderworpen hoeveelheid schroot wordt vastgesteld en gezegd, dat „de verhoudingen tussen de specifieke lading met aankoopschroot en het verkochte staal kunnen worden vastgesteld op 1.080 kg voor de blokken en 1.120 kg voor de gewalste produkten” en bladzijde 6 van genoemde beschikking, waarin het daarentegen heet dat „de verhouding tussen de specifieke lading met aankoopschroot en het geproduceerde ruwstaal op 1.015 kg kan worden geschat wanneer dit staal verder wordt bewerkt tot gewalst staal en op 1.080 kg wanneer de blokken rechtstreeks worden verkocht”.

Volgens verzoekster blijkt uit deze tegenspraak — welke geen materiële misslag vormt — dé lichtvaardigheid waarmee de beschikking met redenen werd omkleed.

4. Verzoekster stelt dat de bij wijze van „proef op de som” gegeven schatting — een berekening gebaseerd op het verbruik van elektrische energie — voor de bestreden beschikking evenmin een serieuze en betrouwbare motivering oplevert. Volgens haar wordt bij deze berekening niet gelet op eigen omloopschroot alsmede het in de oven te Borgaro gebruikte ruwijzer.

5. Volgens verzoekster vormt het ontbreken van een specifieke aanduiding der verschillende geschatte hoeveelheden voor de achtereenvolgende vereveningstijdvakken — waarmede de verschillende heffingstarieven telkens overeenkomen — een gebrek in de overwegingen van de bestreden beschikking.

Op de argumenten met betrekking tot de gebrekkige motivering antwoordt verweerster als volgt :

  • Verweerster legt als bijlage 2 tot haar verweerschrift een overzicht van de aankoopfacturen tot een totaal beloop van 3 1.3 18. 090 ton over. Zij produceert bovendien een uittreksel uit bedoelde facturen, hetwelk over de periode april tot juni 1954 de verdeling bevat van de aankopen naar gelang van de verschillende types der produkten en van de verschillende leveranciers (bijlage 3 tot het verweerschrift). Voorts biedt zij aan om, indien het Hof zulks wenst, de verdeling der aankopen over de gehele periode april 1954 tot januari 1957 te produceren.

  • Verweerster antwoordt dat in de bestreden beschikking de redenen te vinden zijn waarom de schatting wel moest worden gebaseerd op de verkoopfacturen en niet op de door verzoekster geproduceerde aankoopfacturen. Als bijlage 4 tot het verweerschrift brengt zij een recapitulatie in het geding waarin voor iedere maand en voor elk produkt de verkopen van verzoekster over het tijdvak februari 1957 tot november 1958 worden vermeld.

  • Verweerster antwoordt hierop dat de tegenwerping van verzoekster berust op een technische vergissing harerzijds; inderdaad is voor 1 ton afgewerkte produkten 1.120 kg schroot nodig, doch slechts 1.015 kg voor een ton ruwstaal, waaruit vervolgens de afgewerkte produkten worden vervaardigd. Bijlage 5 bij haar verweerschrift bevat een tabel waaruit de gelijkwaardigheid van deze cijfers blijkt.

  • Hier merkt verweerster op dat de berekening van de produktie op grond van gegevens met betrekking tot het stroomverbruik passend en wettig wordt geacht. In het onderhavige geval stemmen de cijfers, volgens de inductieve methode verkregen, ten volle overeen met de resultaten waartoe men aan de hand van boekhoudkundige bescheiden is gekomen.

    Uit 's Hofs rechtspraak blijkt voorts dat bij de bepaling volgens de inductieve methode wel degelijk acht wordt geslagen op de corrigerende werking van bepaalde gegevens waarop verzoekster zich thans ter betwisting van de juistheid der toegepaste methode beroept. Verweerster merkt nog op dat argumenten dewelke verzoekster wil ontlenen aan het gebruik van eigen omloopschroot en eigen machineschroot noch gestaafd, noch waarschijnlijk zijn. Wat het beweerde gebruik van gietijzer in de oven te Borgaro betreft, deze is niet bewezen en, al ware dit anders, dan zou dit gebruik slechts relevant zijn indien het ging om nieuw gietijzer en niet om schroot van gietijzer hetwelk eveneens aan de verevening is onderworpen.

  • Verweerster merkt hier op dat de bestreden beschikking een op de facturen gebaseerde opstelling bevat van de gehele produktie over de verschillende vereveningstijdvakken.

    Bovendien mag deze grief slechts worden aangevoerd onder overlegging van stukken waarmede de bewijskracht van de door de Hoge Autoriteit onderzochte facturen — welke onder berusting van verzoekster zijn gebleven — wordt ontzenuwd.

    Verzoekster repliceert dat het zowel voor de uitoefening van haar recht op verweer, als voor het onderzoek door het Hof, nodig is dat de Hoge Autoriteit het bewijs van de juistheid der door haar aangevoerde gegevens levert door overlegging van alle aankoopfacturen voor schroot met betrekking tot de afgewerkte produkten, alsmede de rapporten van haar inspecteurs.

    Zij stelt dat bedoelde facturen niet meer in haar bezit zijn.

    Ten aanzien van de reeds geproduceerde rekeningen merkt zij op :

    • dat de facturen voor het vervoer van schroot niet bewijzen dat dit schroot inderdaad is aangekocht;

    • dat op de verkooplijsten aanzienlijke hoeveelheden klemplaten voorkomen, welke niet mogen worden geacht tot de produkten van de gemeenschappelijke markt te behoren;

    • dat de methode van de Hoge Autoriteit om het schrootverbruik te berekenen op grond van aankoopfacturen (tijdvak april 1954 tot januari 1957) en daarna aan de hand van verkoopfacturen (tijdvak februari 1957 tot november 1958) veelal ten gevolge had dat dezelfde hoeveelheden schroot tweemaal in rekening werden gebracht: immers het is hetzelfde in 1956 gekochte schroot, hetwelk de onderneming begin 1957 in staat stelde de walserijprodukten en de verkochte blokken te produceren.

Verzoekster merkt voorts op dat eerst sedert de inwerkingtreding van de beschikking 14-55 het veredeld schroot onder de verevening valt. Het belasten van dit schroot over de aan genoemde beschikking voorafgaande periode mist dan ook wettelijke grondslag.

Verweerster merkt op dat zij als bijlage tot haar verweerschrift een recapitulatie in het geding heeft gebracht van het in de periode april 1954 tot januari 1957 aangekochte schroot, gebaseerd op de aankoopfacturen (bijlage 2) alsmede een uittreksel daaruit over de periode april tot juni 1954 (bijlage 3) bevattende de verdeling der aankopen naar gelang van de verschillende types der produkten alsmede van de verschillende leveranciers. Deze gegevens zijn afkomstig van een door de controleurs gemaakte opstelling van facturen, doch verzoekster weet zeer goed dat de Hoge Autoriteit geen dezer facturen bezit en ze derhalve niet zou kunnen produceren overeenkomstig de daartoe strekkende vordering van verzoekster waarbij zij tracht de bewijslast om te keren. Het enige wat verweerster zou kunnen doen is het aanvullen van bedoelde bijdrage no. 3 door een uitbreiding van het overzicht der aankopen tot januari 1957. Hier zal zij slechts evenwel toe overgaan indien het Hof zulks gelast, want zij meent dat deze aanvullende gegevens niet noodzakelijk zijn om tot afwijzing van het beroep te geraken.

Wat betreft de facturen met het opschrift „Dienst Carelli”(1) beweert verzoekster dat zij slechts het vervoer en niet de levering van schroot bewijzen. Verweerster antwoordt hierop dat bij de verrichte controles is gebleken dat aanzienlijke hoeveelheden schroot door bedoelde dienst van de Staatsspoorwegen werden geleverd en dat verzoekster dus stukken zal moeten overleggen waaruit het tegendeel blijkt.

Voor wat de bewering van verzoekster betreft dat de schatting van het schrootverbruik, sedert februari 1957, op grond van verkoopfacturen ten gevolge zou hebben dat eenzelfde hoeveelheid tweemaal in rekening zou worden gebracht, antwoordt verweerster dat het onderzoek op basis van het stroomverbruik punt voor punt, zowel voor de aankoop als de verkoop, alle in de facturen gevonden gegevens bevestigde. Zij citeert de rechtspraak van het Hof, neergelegd in het arrest Barge van 16 december 1963 (Jurisprudentie, Deel IX, blz. 551), waaruit zou blijken dat bewijs op grond van het elektriciteitsverbruik geoorloofd is.

Verweerster leidt hieruit af dat verzoekster door het overleggen van een behoorlijke boekhouding dient te bewijzen dat de door de controleurs gevonden gegevens onjuist zijn.

Op de grief van verzoekster dat het veredeld schroot mede onder de verevening werd gebracht, antwoordt verweerster dat beschikking 14-55 geen nieuwe regels op dit gebied heeft ingevoerd, doch slechts uitdrukkelijk vorm heeft gegeven aan een norm welke uit de beginselen der schrootverevening volgt, gelijk die van den aanvang af werden toegepast.

b. Schending van de beschikking 2-57 (art. 4, lid 2) en van de beschikking 16-58 (art. 4, lid 2)

Volgens verzoekster heeft de Hoge Autoriteit deze beide beschikkingen geschonden, daar zij bij de bepaling van het schrootverbruik verzuimd heeft het totale eigen omloopschroot en de hoeveelheid waarmede de voorraden zijn afgenomen, in mindering te brengen.

Verweerster antwoordt met betrekking tot de verlaging wegens het afnemen der voorraden op, dat de vertegenwoordigers van de eisende vennootschap tegenover de inspecteurs van de Hoge Autoriteit hebben verklaard dat de onderneming geen grotere voorraden schroot placht aan te houden dan voor enkele produktiedagen nodig was.

Wat de vermindering wegens het gebruik van eigen omloopschroot betreft, wijst verweerster er op dat zij 60 kg van dit schroot voor iedere ton verkochte blokken in mindering heeft gebracht en 138 kg voor iedere ton afgewerkte produkten. Deze schatting ambtshalve werd door verzoekster zelf uitgelokt daar zij weigerde de Hoge Autoriteit over de omvang en de samenstelling der produktie in te lichten; deze schatting werd voorts geoorloofd geacht in het hierboven aangehaalde arrest-Barge.

c. Schending van artikel 81 van het Verdrag, juncto artikel 80

Volgens verzoekster betekent het opnemen van haar bijzondere produktie onder de produkten van de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal een schending van de artikelen 80 en 81 van het Verdrag. Volgens artikel 80 zijn ondernemingen in de zin van het Verdrag die, welke zich bezighouden met de produktie van kolen en staal gelijk deze termen, krachtens artikel 81, nader in de bijlage I tot het Verdrag zijn omschreven. De onderneming van verzoekster echter vervaardigt — afgezien van een geringe hoeveelheid staalblokken — vrijwel uitsluitend platen en spoorspijkers voor de spoorwegen. Deze beide produkten zijn niet in voornoemde bijlage opgenomen. Immers de spoorspijkers komen op deze lijst niet voor; wèl vermeldt post 4. 400 deze platen, doch bepaalt daarbij tevens dat het hier warmgewalste produkten betreft, terwijl de door verzoekster geproduceerde platen in hoofdzaak koudgewalst zijn. Hieruit vloeit volgens verzoekster voort dat het door haar voor de produktie der platen en spoorspijkers gebruikte schroot van de belastbare hoeveelheid schroot moet worden afgetrokken.

Op deze grief antwoordt verweerster als volgt :

  1. Uit sommige uitspraken van het Hof blijkt dat de onderhavige grief wegens verval van recht niet kan worden aanvaard en voorts, dat wanneer bepaalde feiten evenwel als vaststaand zijn aangenomen, partijen daartegen niet meer kunnen opkomen.

    Inderdaad heeft verzoekster bij haar beroep 21-64 de beschikking van 8 april 1964 van de Hoge Autoriteit bestreden, waarin de verhogingen wegens te late betaling van de heffing werd geregeld.

    Het Hof verwierp dit beroep bij zijn arrest van 31 maart 1965 (Jurisprudentie, Deel XI-7, blz. 231).

    In de gronden van het beroepschrift was evenwel geen melding gemaakt van de peremptoire exceptie, dat de onderneming van verzoekster uit hoofde van haar produktie niet onder het gemeenschapsrecht zou vallen.

    Bovendien bestreed verzoekster in haar beroep 22-59 een beschikking van de Hoge Autoriteit waarbij voldoening werd gevorderd, zowel van de heffing als van de verhogingen wegens te late betaling. In de ter ondersteuning van dit beroep aangevoerde middelen werd de fundamentele bijdrageplicht echter niet betwist. Verzoekster deed in dit geding afstand van instantie op 20 april 1960 en ging vervolgens, zij het met enig voorbehoud, tot betaling van de vereveningsbijdrage over.

  2. Verweerster beroept zich voorts op het arrest van 17 december 1959 door het Hof gewezen in de zaak Pont-à-Mousson/Hoge Autoriteit (Jurisprudentie, Deel V, blz. 483) volgens hetwelk de produktie niet uitsluitend wordt gekwalificeerd door de vervaardiging van voor de markt bestemde waren. Hieruit blijkt volgens verweerster, dat ook indien het eindprodukt buiten het Verdrag valt, de staalproduktie zelve daaraan onderworpen blijft. Verzoekster betwist niet dat zij staal produceert waaruit vervolgens bepaalde produkten worden vervaardigd. Een daarvan, de platen, worden uitdrukkelijk in bijlage I van het Verdrag genoemd. Wat de spoorspijkers betreft, deze komen voor de periode februari 1957 tot november 1958 overeen met een hoeveelheid van 18 ton op een totaal van 26. 000 ton.

    Verweerster voegt hieraan toe dat het geval van verzoekster is voorzien in lid 1 van noot 1 bij de post 4300 in bijlage I van het Verdrag, waar wordt bepaald : „De Hoge Autoriteit treedt met betrekking tot de produktie van gegoten staal voor de vervaardiging van staalgietwerk slechts op in het geval, dat deze produktie moet worden geacht een onderdeel uit te maken van de eigenlijke ijzer- en staalindustrie”.

    Verzoekster repliceert dat uit het technisch rapport hetwelk zij als bijlage 42 tot haar verzoekschrift heeft overgelegd, blijkt dat de door haar geproduceerde platen koud gewalste produkten zijn. Zij komen dan ook niet voor in de opsomming van bijlage I van het Verdrag. Hetzelfde geldt voor de klemplaten en de spoorspijkers.

    Zij wijst er vervolgens op dat in de door verweerster overgelegde gegevens (bijlage 4 tot het verweerschrift) sprake is van 95 ton kleine platen, 9. 348 ton klemplaten en 18 ton spoorspijkers, in totaal derhalve 9. 461 ton produkten welke niet onder het Verdrag vallen. Het totaal van de verkochte afgewerkte produkten moet derhalve van 26. 368 ton tot 16. 907 ton worden teruggebracht en de hoeveelheid belastbaar schroot derhalve dienovereenkomstig verminderd.

    Zij voegt hieraan toe dat uit een en ander blijkt, dat de uitgevoerde controles onvoldoende zijn om daaruit voor de bijdrageplicht voor de vennootschap betrouwbare gegevens af te leiden.

    Verweerster merkt op dat verzoekster ten onrechte meent dat het staal uitsluitend aan de gemeenschappelijke markt onderworpen is wanneer het eindprodukt in de rubrieken van meergenoemde bijlage I voorkomt en dat daarentegen — en met name waar het een gemengde onderneming betreft zoals die van verzoekster — de eindprodukten buiten het Verdrag kunnen vallen. Het gaat om de vraag of de produktie van het staal waarvan de onderneming zich voor de vervaardiging der produkten bedient, de produktie van de onderneming zelve, dan wel van een andere onderneming is. Derhalve, aldus verweerster, is de stelling van verzoekster dat zij niet tot bijdrage gehouden zou zijn over het schroot voor zover gebezigd tot dat deel harer produktie hetwelk uit speciale machineonderdelen bestaat, niet overtuigend. De door verzoekster voorgestane methode zou slechts gerechtvaardigd zijn, indien zij niet zelf het door haar verder verwerkte staal produceerde, doch zulks is in casu niet het geval. Derhalve komt de staalproduktie zelve nog vóór het schrootverbruik in aanmerking (rubriek 4100 van bijlage I).

d. Schending van artikel 47, eerste lid van het Verdrag

Volgens verzoekster werd het onderzoek in de periode november-december 1961 uitgevoerd door de vennootschap Fidital te Milaan, welke harerzijds de verzamelde gegevens aan de Société Fiduciaire Suisse (SAFS) toezond. Deze verificaties welke een vennootschap, die daartoe niet door de Hoge Autoriteit gemachtigd was, uitvoerde, kunnen niet als grondslag worden aangemerkt voor de berekening der belastbare hoeveelheden.

Verweerster antwoordt hierop dat er volgens bovengenoemd arrest Barge/Hoge Autoriteit (Jurisprudentie, Deel IX, blz. 551, samenvatting nos. 5, 6 en 7) geen formele of materiële voorwaarden gegeven zijn welke de bevoegdheid van de Hoge Autoriteit tot het „doen verifiëren” beperken. Hieruit volgt dat de betwisting door de onderneming waarin een verificatie plaatsvond, niet gericht mag zijn tegen de wijze waarop de met de controle belaste personen werden aangewezen, doch slechts tegen het resultaat van dit onderzoek en dat zij de juistheid daarvan met tegenbewijs moeten weerleggen.

Zij voegt hieraan toe dat indien de Fidital formeel al geen dochteronderneming van de Société Fiduciaire Suisse is, zij toch tot deze vennootschap in nauw verband staat, daar de directies der beide ondernemingen een aantal directeuren gemeen hebben.

Verzoekster repliceert dat indien de tegenwoordigheid van een functionaris van de Société Fiduciaire Suisse, welke laatste met de controle belast was, een schijn van wettigheid kon geven aan het in 1958 door de functionarissen van de Fidital ingestelde onderzoek, zulks niet geldt voor de controle in 1961 welke uitsluitend door de beambten van Fidital werd ingesteld. Immers, aldus verzoekster, uit het door verweerster geciteerde arrest van het Hof van 16 december 1963 blijkt dat de Hoge Autoriteit wèl bevoegd was een mandaat te verstrekken aan de Société Fiduciaire Suisse doch dat deze laatste geenszins gerechtigd was haar controlebevoegdheden aan de Fidital te delegeren.

Verweerster antwoordt hierop dat de Hoge Autoriteit volledig op de hoogte was van het feit dat de SAFS van de diensten der Fidital gebruik had gemaakt en haar daartoe had gemachtigd; het betreft hier een uitvoering door de Hoge Autoriteit van haar eigen bevoegdheden met behulp van op haar last door een betrouwbare organisatie of persoon verzamelde gegevens. Op dit punt citeert zij andermaal voormeld arrest-Barge en het arrest-Brescia van 14 januari 1960 (Jurisprudentie, Deel VI-1, blz. 157).

2. Het middel betreffende de individuele beschikking waarbij het door verzoekster verschuldigde bedrag aan bijdragen wordt bepaald

Bij pleidooi heeft verzoekster gesteld dat de bestreden individuele beschikking de eertijds geldende wettelijke grondslag — gelijk die in beschikking 7-63 is neergelegd — miste, daar de Hoge Autoriteit op 15 december 1965 de nieuwe algemene beschikking 19-65 heeft genomen „met betrekking tot de opstelling van de definitieve afrekeningen inzake verevening voor ingevoerd en gelijksoortig schroot”, waarbij nieuwe criteria voor het vaststellen der verschuldigde bijdragen werden aangegeven.

Verweerster heeft op deze grief niet rechtstreeks geantwoord.

3. De middelen betreffende de onregelmatigheid van de algemene beschikkingen waarop de bestreden individuele beschikkingen zijn gegrond

Verzoekster geeft allereerst een uitvoerig historisch overzicht van de verschillende fasen van het vereveningsstelsel.

Zij merkt vervolgens op, dat in de individuele beschikking van 7 april 1965, waarbij het van haar aan bijdragen gevorderde bedrag wordt vastgesteld, de berekening steunt op de algemene beschikking 7-63, waarin naar een reeks andere algemene beschikkingen wordt verwezen. Zij stelt dat de door haar tegen de algemene beschikkingen — welke in beschikking 7-63 worden geviseerd en overgenomen — aangevoerde argumenten derhalve eveneens laatstgenoemde beschikking betreffen.

Verweerster merkt hierbij op, dat een antwoord op de algemene beschouwingen van verzoekster haar overbodig voorkomt, nu in talrijke arresten van het Hof een historische uiteenzetting is gegeven van het door de Hoge Autoriteit gevoerde beleid, hetwelk overeenkomstig de beschikkingen van de bijzondere Raad van Ministers werd uitgeoefend.

a. de onregelmatigheid van de beschikking 19-60

Volgens verzoekster houdt artikel 1 van de beschikking 19-60 hetwelk ter toepassing” van beschikking no. 22-54 een afrekeningstijdvak van 12 maanden bepaalt en voor de toepassing van beschikking 14-55 één enkel afrekeningstijdvak van 22 maanden, een schending inhoudt van de artikelen 4, sub b, en 15 van het Verdrag en voorts het gebrek van détournement de pouvoir vertoont.

Het verdient namelijk vermelding dat de beschikkingen 2-57 en 16-58 zodanig afrekeningstijdvak tot 3 maanden beperken en dat bij de beschikkingen 22-54 en 14-65 aan het vereveningsfonds de taak was toevertrouwd de afrekeningen maandelijks op te stellen.

De détournement de pouvoir is gelegen in het feit dat de Hoge Autoriteit onder voorwendsel tot meer billijkheid in de verdeling der lasten te willen geraken, in werkelijkheid de bedoeling had de rekeningen te vereenvoudigen en af te sluiten. Artikel 4, sub b, van het Verdrag werd geschonden door ongeoorloofde discriminaties tussen de ondernemingen en artikel 15 werd geschonden door het geven van een gebrekkige motivering.

Verweerster antwoordt dat het vereveningsfonds voor wat beschikking 22-54 betreft, reeds een afrekeningstijdvak van 12 maanden had vastgesteld. Wat beschikking 14-55 betreft, had het Fonds een eerste afrekeningstijdvak van 9 maanden vastgesteld en daarna een van 13 maanden, een en ander als gevolg van het feit dat deze beschikking herhaaldelijk werd verlengd. Het enige nieuwe element in de beschikking 14-55 bestaat derhalve uit een nadere bepaling der beide tijdvakken. De maandelijks door het Fonds verrichte berekeningen dienden niet ter vaststelling van de percentages, maar van de door de ondernemingen te betalen bedragen. De reden voor de nadere bepaling van de beide door het Fonds, voor wat de beschikking 14-55 betreft, aangenomen tijdvakken, was dat men de te volgen praktijk met die van beschikking 22-54 in overeenstemming wilde brengen zodat de verschillende afrekeningstijdvakken voor elk der beschikkingen parallel zou lopen met de geldigheidsduur daarvan.

Het door verzoekster voorgedragen middel zou slechts gegrond kunnen worden geacht, indien zij aantoont dat zij zelf van de bestreden individuele beschikking nadeel ondervond door de toepassing van de in artikel 1 van beschikking 19-60 neergelegde criteria. Wat de schending van artikel 4, sub b, van het Verdrag betreft, blijkt uit 's Hofs arrest van 17 december 1959 in de zaak Pont-à-Mousson tegen de Hoge Autoriteit (Jurisprudentie, Deel V, blz. 481 e.v.) dat verzoekster zou moeten bewijzen dat toepassing der bestreden beschikkingen tot een discriminatie tussen de ondernemingen op het gebied van de mededinging zou leiden. Van de beweerde détournement de pouvoir is in het geheel niets gebleken. Op dit punt beroept verweerster zich eveneens op de rechtspraak van het Hof, waarbij werd beslist dat, daar het uniforme vereveningstarief met het Verdrag in overeenstemming is, de bestreden beschikkingen haar regelmatig karakter niet verliezen, ook indien zou worden aangetoond, dat het aanbrengen van deze uniformiteit mede werd ingegeven door het streven administratieve verwikkelingen te vermijden (arrest van 12 juni 1958 inzake Hoogovens de Chasse tegen de Hoge Autoriteit, Jurisprudentie, Deel IV, blz. 135, Samenvatting no. 4). Verweerster betoogt dat deze rechtspraak, gegeven met betrekking tot de vaststelling van uniforme vereveningstarieven voor de verschillende schrootsoorten, eveneens toepassing moet vinden op de gelijkschakeling van de afrekeningstijdvakken.

Verzoekster repliceert hierop dat een berekening over lange tijdvakken tot een schatting leidt welke slechts statistische en boekhoudkundige waarde heeft, doch dat daarbij geen rekening wordt gehouden met de werkelijke situatie, waarin de ondernemingen verkeren.

Verzoekster stelt dat zij een belang heeft bij het inroepen van de onregelmatigheid van artikel 1 van beschikking 19-60, daar de bij deze tekst ingestelde wijze van berekening over de periode waarvoor beschikking 14-55 gold, heeft geleid tot vaststelling van de vereveningsbijdragen op 286,369,16 R.E., of wel iets minder dan de helft van het thans in totaal gevorderde.

Verzoekster stelt voorts dat zij volgens de door verweerster in bijlage II tot het verweerschrift verstrekte gegevens, over de periode april 1955 tot januari 1957, 24,249,088 ton schroot gekocht zou hebben. Verzoekster stelt de vraag hoe zij nauwkeurig verweer zou hebben kunnen voeren op grond van haar onbekende gegevens, welke zij overigens betwist?

Derhalve, aldus verzoekster, is de discriminatie tussen de ondernemingen — wanneer eenmaal vaststaat dat de berekening over lange tijdvakken tot het opleggen van bijdragen leidt welke buiten iedere verhouding staan tot het doel en de bestaansgrond van de verevening — impliciet bewezen door het feit dat op hen die zich in verschillende situaties bevinden een uniforme regeling werd toegepast.

In antwoord hierop legt verweerster als bijlage tot haar dupliek een tabel over. Uit de daarin gegeven berekeningen blijkt dat, indien bij de bestreden beschikking driemaandelijkse afrekeningen over de periode 1 april 1954 tot 31 januari 1957 waren gegeven — hetgeen verzoekster immers heeft verzocht — de verschuldigde vereveningsbijdragen 5.0 22. 000 lire meer zouden hebben bedragen dan het in de bestreden beschikking vastgestelde bedrag.

Met een beroep op de rechtspraak van het Hof in zijn voornoemd arrest Pont-a-Mousson merkt verweerster op dat verzoekster, nu haar geen mindere lasten zouden zijn opgelegd indien men andere afrekeningstijdvakken had gekozen, iedere grond mist om zich op een schending van artikel 4, sub b, van het Verdrag te beroepen, welke schending noch te haren opzichte, noch in het algemeen is begaan.

Met betrekking tot de détournement de pouvoir, welke volgens verzoekster zou voortvloeien uit het feit dat de Hoge Autoriteit zich hoofdzakelijk door overwegingen van administratieve aard liet leiden, merkt verweerster op dat van zodanig gebrek geen sprake is nu de wijze waarop de Hoge Autoriteit haar bevoegdheden heeft uitgeoefend om schaarste op de schrootmarkt te voorkomen tot geen enkele discriminatie op het gebied van de mededinging heeft geleid.

b) onregelmatigheid van de beschikkingen 18-60 en 20-60 juncto beschikking 7-63

Verzoekster betwist de regelmatigheid van de gelijkstelling van duur schroot met ingevoerd schroot en keert zich tegen de beschikkingen waarbij de betekenis van de ingevoerde hoeveelheden voor de bepaling der bijdragen wordt geregeld, doch niet de frauduleus als ingevoerd opgegeven kwantiteiten schroot van het totaal werden afgetrokken.

  1. De beschikking 22-54 houdende instelling van de verevening vermeldt in artikel 1 — hetwelk de doeleinden van het vereveningsmechanisme omschrijft — het gelijksoortig schroot, doch gewaagt daarvan slechts, terloops, in artikel 2. De beschikkingen 18-60, 20-60 en 7-63, waarbij het gelijksoortig schroot reeds met ingang van de inwerkingtreding van beschikking 22-54 aan de verevening wordt onderworpen, levert derhalve een schending van laatstgenoemde beschikking op.

  2. In geen der algemene beschikkingen, waarbij de onderhavige materie werd geregeld is men er in geslaagd een definitie te geven van het schroot, hetwelk omdat het duur is, met ingevoerd schroot werd gelijkgesteld. Derhalve schenden zowel beschikking 7-63 als de daaraan voorafgaande beschikkingen — waarbij bepaalde hoeveelheden gelijksoortig schroot belastbaar worden geacht en krachtens welke de vereveningsafrekening op grondslag van bedoelde hoeveelheden moeten worden berekend — artikel 15 van het Verdrag daar zij niet voldoende met redenen zijn omkleed ten aanzien van het mede als belastbaar in aanmerking nemen en in de berekening opvoeren van gelijksoortig schroot.

  3. Het schroot waarvan de Hoge Autoriteit zelf erkent dat het, ten gevolge van fraudes tijdens de werking van het mechanisme begaan, ten onrechte tot de verevening werd toegelaten, komen niettemin voor onder de door de beschikkingen 18-60, 20-60 en 7-63 tot de verevening toegelaten globale hoeveelheden schroot.

    Uit dezen hoofde leveren genoemde beschikkingen een schending op van beschikking 22-54 (artikelen 2 en 3), beschikking 14-55 (artikelen 2 en 5, sub a), beschikking 2-57 (artikelen 2 en 11, sub a) en van beschikking 16-58 (artikelen 2 en 11, sub a). Zij vertonen bovendien het gebrek van détournement de pouvoir daar de Hoge Autoriteit, hoewel op de hoogte van het feit dat het frauduleuze schroot niet tot de verevening mocht worden toegelaten, dit niettemin in strijd met haar verantwoordelijkheden, in verevening heeft gebracht.

    Verweerster antwoordt hierop in de eerste plaats, dat de gewraakte definitie van gelijksoortig schroot de regel vormt welke de discretionnaire bevoegdheid van de Hoge Autoriteit nader omschrijft. Verzoekster had derhalve moeten bewijzen, niet dat de bestreden regel van excessieve aard is, doch dat de Hoge Autoriteit in concreto een détournement de pouvoir heeft begaan door het duur — en derhalve gelijksoortig — schroot in aanmerking te nemen.

    • Verweerster merkt op dat artikel 2 van beschikking 22-54 tot aanvulling van de context dient en derhalve niet willekeurig van deze beschikking mag worden losgemaakt.

    • Verweerster herinnert eraan dat beschikking 23-58 een rechtstreekse controle van de Hoge Autoriteit voorziet op de toelating van gelijksoortig schroot, hetwelk hoofdzakelijk bij het slopen van schepen of wrakken wordt gewonnen en tevens de, overigens reeds duidelijke, regels van beschikking 2-57 verfijnt (eerste overweging, artikel 2, sub a, en artikel 10, sub c).

    • Zij antwoordt dat verzoekster dwaalt wanneer zij de gegevens met betrekking tot het ingevoerd schroot en de bijdragen welke uit de beschikkingen 18-60, 20-60 en 7-63, alsmede uit de daarbij gevoegde bijlagen volgen, als definitief beschouwt, daar deze beschikkingen in werkelijkheid slechts de opéénvolgende fasen vormen voor de uiteindelijke en definitieve liquidatie van de gehele financiële instelling. Deze grief van verzoekster verliest iedere grond indien men het definitieve karakter der berekeningen uitsluit. Verweerster wijst er vervolgens op, dat in de rechtspraak van het Hof alle tegen de Hoge Autoriteit ter zake van de vastgestelde fraudes voorgedragen grieven als ongegrond zijn afgewezen, zulks zowel ten aanzien van misslagen bij de berekeningen der bijdragen begaan (arrest-Feram van 17 december 1959, Jurisprudentie, Deel V, blz. 541 e.v.) als van de aansprakelijkheid wegens een dienstfout (het zoeven geciteerde arrest-Feram; arrest-Chasse van 14 december 1962, Jurisprudentie, Deel VIII, blz. 749 e.v.; arrest-Meroni van 14 december 1962, Jurisprudentie, Deel VIII, blz 819 e.v. en arrest-Feram van 2 juni 1965, Jurisprudentie, Deel XI-7, blz. 391 e.v.).

    Verweerster repliceert allereerst met betrekking tot het gelijksoortig schroot, dat het ontbreken van elke duidelijke definitie daarvan door de Hoge Autoriteit, het Hof belemmert bij de uitoefening van zijn rechterlijke controle over het in de reeds opgestelde vereveningsafrekeningen mede opgenomen gelijksoortig schroot. Het voortdurend gebruik van dit vaag gehouden begrip belet voorts iedere serieuze verificatie of controle door de belanghebbenden. Bovendien werd het al of niet acht slaan op gelijksoortig schroot bij de bediening van het vereveningsstelsel aan het oordeel van regionale ambtenaren overgelaten, hoewel zulks voor zekere ondernemingen ernstige financiële consequenties met zich kon brengen en tevens aanzienlijke voordelen opleverde voor andere ondernemingen. Derhalve, aldus verzoekster, kan alleen het scheepsloopschroot of analoog schroot wettig als gelijksoortig schroot beschouwd worden en betekent iedere andere gelijkstelling een overschrijding van bevoegdheid welke tot onwettigheid der bestreden beschikkingen leidt.

    Met betrekking tot het feit, dat bij de verevening rekening werd gehouden met het frauduleus opgegeven schroot, merkt verzoekster op dat het door verweerster aan de voorlopige aard der berekeningen ontleende argument niet kan worden aanvaard. Immers de individuele beschikkingen, gegrond op de algemene beschikkingen welker regelmatigheid thans wordt betwist, leggen aan de ondernemingen nauwkeurig omschreven financiële lasten op en dat nog wel in de vorm van executoriale titels.

    Bovendien blijkt uit het feit dat de bij beschikking 7-63 tot de verevening toegelaten hoeveelheden schroot nog iets hoger zijn dan de in de beschikkingen 18-60 en 20-60 aangegeven hoeveelheid, dat de 2 29. 889 ton ten aanzien waarvan de Hoge Autoriteit in haar rapport aan het Parlement van 8 april 1961 heeft erkend dat de verevening daarop ten gevolge van frauduleuze handelingen werd toegepast, niet in mindering zijn gebracht op de totale aan de verevening onderworpen hoeveelheden schroot. Beschikking 7-63 geeft mitsdien de bij de controle en rectificaties verkregen resultaten niet juist weer, daar men daarin twee jaar later heeft verzuimd het frauduleuze schroot in mindering te brengen. Hieruit volgt volgens verzoekster, dat de Hoge Autoriteit zich aan een overschrijding van bevoegdheid heeft schuldig gemaakt, welke de onregelmatigheid der bestreden beschikking met zich brengt.

    Met betrekking tot het gelijksoortige, dure, schroot, merkt verweerster op dat, hoewel de prijs daarvan hoger is dan die van het binnenlands schroot, deze prijs niettemin lager is dan die, berekend voor het uit derde landen ingevoerde schroot en voorts dat het dure schroot ongebruikt zou zijn gebleven indien — rekening houdende met de gerestitueerde bedragen — zijn prijs zich gehandhaafd zou hebben op een duidelijk hoger pijl dan dat van het binnenlands en het uit derde landen ingevoerd schroot.

    Ten aanzien van de grief dat in de globale gegevens mede het frauduleus aangemelde schroot zou zijn opgenomen, merkt verweerster op dat deze gegevens van voorlopige aard zijn en verwijst zij naar de rechtspraak van het Hof in het arrest-Merlini van 21 januari 1965 (Jurisprudentie, Deel XI-1, blz. 15, samenvatting van het arrest punt 4). Ten aanzien van de fraudes zegt de Hoge Autoriteit nog dat zij doende is de ten onrechte ontvangen vereveningsbedragen terug te vorderen en dat deze bij de definitieve afsluiting der rekeningen op de vereveningsbijdragen in mindering zullen worden gebracht.

c. onregelmatigheid van beschikking 7-63

Verzoekster betoogt dat bij een vergelijking van de aan de beschikking 18-60 en 20-60 toegevoegde tabellen enerzijds en de tabellen van beschikking 7-63 anderzijds, telkens blijkt van een verschil in de totale hoeveelheden voor de verevening in aanmerking genomen ingevoerd en gelijksoortig schroot. Beschikking 7-63 schendt derhalve de beschikkingen 18-60 en 20-60, alsmede artikel 15 van het Verdrag wegens het ontbreken van iedere motivering met betrekking tot de uit die bijlage blijkende afwijkingen.

Volgens verweerster wordt bij deze grief verondersteld dat de drie genoemde beschikkingen als definitief moeten worden beschouwd. Uit 's Hofs voornoemd arrest in de zaak-Merlini (Jurisprudentie, Deel XI-1, blz. 15) volgt evenwel dat het hier voorlopige maatregelen betreft. De in ieder der opvolgende beschikkingen gegeven cijfers geven telkens de stand weer waarin de controle- en verificatiewerkzaamheden zich bevinden en het is dan ook normaal dat men aldus tot verschillende totaalbedragen geraakt.

d. onregelmatigheid van de beschikking 26-55

Verzoekster stelt dat de financiële voorziening „ter verwezenlijking van een bezuiniging op schroot door een verhoogd verbruik van ruwijzer” — gelijk die bij beschikking 14-55 werd ingesteld, verlengd bij de beschikkingen 26-55 en 3-56 en andermaal bevestigd door de beschikkingen 2-57 en 16-58 — in twee opzichten onwettig is.

  1. Deze regeling waarbij de voordelen worden beperkt tot de gevallen waarin Siemens-Martin ovens worden gebruikt (beschikking 26-55), dan wel elektrische ovens met vaste lading (beschikking 3-56), voert tot een discriminatie ten nadele van de ondernemingen welke, gelijk die van verzoekster, door de toepassing van andere procédé's, zoals een groter verbruik van gietijzer, een bezuiniging op schroot bereiken, doch niet in de mogelijkheid zijn voor de aldus verkregen besparing een premie te genieten. Verzoekster stelt nu, dat uit dien hoofde de gewraakte regeling een schending inhoudt van artikel 4, sub b, van het Verdrag, junctis beschikking 14-55 (artikelen 1 en 2, sub c) en beschikking 2-57 (artikel 1, 1 en 2, sub c).

  2. Bedoelde beschikkingen schenden artikel 15 van het Verdrag; immers zij zijn onjuist gemotiveerd daar ovens met vaste lading bij een groter verbruik van gietijzer eveneens tot een bezuiniging op schroot leiden.

  3. Ter ondersteuning van haar bewering produceert verzoekster (bijlage 42 tot het verzoekschrift) een deskundigenrapport, waaruit blijkt dat in de elektrische vlamboogoven met vaste lading te Borgaro een aanzienlijke hoeveelheid ruwijzer voor de staalproduktie van verzoekster kan worden gebezigd.

    Verweerster acht het overgelegde deskundigenrapport niet overtuigend, nu daaruit niet blijkt dat in casu het verbruik van ruwijzer in verhouding tot het schrootverbruik toenam en dat deze toename tot een nauwkeurig vast te stellen gelijkblijvend rendement heeft geleid. Algemene regels moeten gegrond zijn op betrouwbare en onveranderlijke technische gegevens. Men moet niet alleen met zekerheid de verbruikscoëfficiënten van de betrokken produktiesystemen kennen, doch tevens behoort op grond van deze coëfficiënten a priori de verhouding tussen de verschillende voor de vervaardiging van staal gebruikte produkten te kunnen worden vastgesteld. Dit laatste bleek echter, zulks in tegenstelling tot elk ander procédé, slechts het geval te zijn voor die, vermeld in de beide beschikkingen 26-55 en 3-56. Het staat derhalve aan verzoekster aan te tonen dat de in beide bovenbedoelde beschikkingen niet opgenomen procédé's kenmerken vertonen waaruit blijkt dat zij tot een bepaald percentage van bezuiniging kunnen leiden een en ander in dier voege dat zij in één algemene regel kunnen worden samengevat. Deze grief had moeten worden voorgedragen in verband met détournement de pouvoir daar hij ziet op de discretionnaire bevoegdheden, welke door de Hoge Autoriteit met inachtneming van technische regels worden uitgeoefend.

    De grief van discriminatie had moeten worden voorgedragen als een discriminatie ten gunste van sommige categorieën van ondernemingen en niet alleen ten nadele van bepaalde ondernemingen. In dit verband wijst verweerster er nog op dat het Hof, na bepaalde criteria van interpretatie gegeven te hebben, in zijn arrest van 26 juni 1958 Syndicat de la Sidérurgie du Centre-Midi tegen Hoge Autoriteit (Jurisprudentie, Deel IV, blz. 509 e.v.) zich over de toepassing van het discriminatiebegrip op een gelijke materie als de onderhavige heeft uitgesproken in zijn arrest van 17 december 1959 Fonderies de Pont-à-Mousson tegen de Hoge Autoriteit (Jurisprudentie, Deel V, blz. 481, samenvattingen nos. 5 en 6).

    Volgens verweerster blijkt uit deze rechtspraak dat verzoekster ter staving van dit middel moet aantonen dat het toekennen van voordelen aan ondernemingen welke de beide in de beschikkingen 26-55 en 3-56 bedoelde produktiemethoden toepassen de andere ondernemingen in een ongunstige concurrentiepositie plaatst. Zodanig bewijs, aldus verweerster, is onmogelijk daar de uit genoemde beschikkingen volgende voordelen slechts een gedeeltelijke schadeloosstelling vormen voor de kosten welke een groter gebruik van ruwijzer en vloeibaar Thomasstaal, hetzij direct of indirect, ten behoeve van technisch research werk met zich brengt.

    Hierop repliceert verzoekster door overlegging (bijlage tot de repliek) van een aanvullende verklaring van Ir. Maiocco, waaruit blijkt, dat bij proeven gedaan met de oven van verzoekster, inderdaad een besparing op schroot werd vastgesteld. Zij voegt hieraan toe dat zij met de tegen de litigieuze beschikking aangevoerde grief van onwettigheid — wegens de onvoldoende aard der overwegingen waarop zij berust — een détournement de pouvoir bedoelt uit hoofde van het feit dat de Hoge Autoriteit haar beschikking doet steunen op gegevens welke door de ervaring worden weersproken.

    Verzoeksters beroep op het arrest van 17 december 1959 is weinig overtuigend, daar de in het huidige geval onderzochte situaties wel degelijk onderling vergelijkbaar zijn.

    Zij concludeert dat het door haar overgelegde technische rapport het bewijs levert van de gebrekkige motivering en van de détournement de pouvoir welke de Hoge Autoriteit heeft begaan door de premie voor besparing op schroot uitsluitend toe te kennen in geval van twee produktiemethoden en die geweigerd heeft bij het produktiesysteem van de elektrische oven met vaste lading, welk systeem toch eveneens tot een aanzienlijke besparing leidt.

    Verweerster antwoordt dat uit het door verzoekster overlegde deskundigenbericht blijkt dat met de oven te Borgaro regelmatig staal wordt geproduceerd op basis van schroot en dat deze methode beduidend economischer is dan de andere, waarbij een grotere hoeveelheid vast ruwijzer wordt gebezigd. Daar het uitgesloten is dat verzoekster door de technische kenmerken van haar oven gedwongen zou zijn de kostbaarste methode aan te wenden, kan zij niet beweren dat zij minder gunstig werd behandeld dan de producenten die de in de beschikkingen 26-55 en 3-56 voorziene methodes hebben toegepast.

    Verweerster voegt hieraan toe dat bij gebreke van ieder tegenbewijs op dit punt, moet worden aangenomen dat verzoekster, die staal kon produceren met behulp van schroot, in werkelijkheid haar toevlucht genomen zou hebben tot een ander en duurder procédé.

e. onregelmatigheid van de beschikkingen 7-63, 18-60 en 20-60 waarbij de periquatie-prijzen werden vastgesteld en van de beschikkingen welke daartoe de onmisbare voorwaarden vormden

Volgens verzoekster leverden de beschikkingen 7-63, 18-60 en 20-60, waarbij de vereveningsprijzen voor ingevoerd en gelijksoortig schroot werden vastgesteld, alsmede de beschikkingen 9-56, 34-56, 19-58, 15-59 en 33-59 welke daartoe de onmisbare voorwaarden vormden, allereerst een schending op van artikel 3, sub b en c, van het Verdrag, daar zij duidelijk in strijd waren met de doelstellingen in laatstgenoemde bepalingen neergelegd. Deze beschikkingen welke tevens van discriminerende aard waren, schenden voorts artikel 4, sub b, van het Verdrag. Ten slotte zijn zij in strijd met artikel 47, tweede lid, van het Verdrag, daar de Hoge Autoriteit verzuimd heeft de gegevens openbaar te maken welke voor de regeringen en alle overige belanghebbende van nut konden zijn.

  1. De schending van de artikelen 3, sub b en c, en 4, sub b, van het Verdrag is gelegen in het feit dat de vaststelling der vereveningsprijzen, op grond van variabele criteria in de verschillende tijdvakken — zulks ten einde gewogen gemiddelden op te stellen voor bepaalde perioden — geen rekening houdt met de door de ondernemingen op de gemeenschappelijke markt in werkelijkheid betaalde prijzen. Hieruit volgt dat de vereveningsbijdragen — berekend door van de gemiddelde prijs van ingevoerd schroot de gewogen gemiddelde prijs voor binnenlands schroot af te trekken — een ongelijke behandeling der justitiabelen medebrengt, daar de vereveningslast dan zwaarder drukt op de ondernemingen welke op de binnenlandse markt schroot hebben aangekocht tegen prijzen welke hoger zijn dan de gemiddelde gewogen prijs voor binnenlands schroot, doch minder zwaar op de ondernemingen welke tegen lagere prijzen hadden gekocht. Volgens verzoekster had de Hoge Autoriteit telkens verschillende methoden moeten volgen, zonder daarbij gemiddelden op te stellen en had zij zich aan de werkelijk door de verbruikers betaalde prijzen moeten houden.

    Bij wijze van voorbeeld wijst verzoekster erop dat volgens bijlage III tot beschikking 7-63 de vereveningsprijs voor het tijdvak februari-april 1957 46,57 R.E. of wel 28. 106 lires bedraagt, terwijl zij blijkens de beide door leveranciers afgegeven verklaringen (bijlagen 39 en 40 van het verzoekschrift) over genoemd tijdvak 33. 300 lires heeft moeten betalen.

    Volgens verzoekster waren de schrootprijzen in Italië in het algemeen veel hoger dan in de andere landen der Gemeenschap. De bepaling der bijdrage op grond van de gemiddelde vereveningsprijs heeft dan ook tot een ernstige discriminatie geleid tussen de Italiaanse ondernemingen enerzijds en de ondernemingen, gelegen in gebieden waar die prijs lager of althans gelijk was aan het gemiddelde, anderzijds. Met name hadden de ondernemingen in die gebieden, waarin de schrootprijs lager lag dan het gemiddelde, het voordeel genoten dat zij enerzijds een geringere prijs betaalden en anderzijds zich vereveningsbij dragen zagen opgelegd welke lager waren dan het werkelijk verschil tussen de prijs op de binnenlandse markt en die voor ingevoerd schroot.

  2. De schending van artikel 47, tweede lid, bestaat hierin dat de Hoge Autoriteit door middel van een passende openbaarmaking alle gegevens met betrekking tot de bepaling van perequatieprijzen ter kennis van de betrokkenen had moeten brengen, met name de gedurende de verschillende tijdvakken in de onderscheidene gebieden der gemeenschap vastgestelde gemiddelde prijzen, alsmede de hoeveelheden welke bij de berekening van de gewogen gemiddelden in aanmerking werden genomen.

    Verweerster antwoordt hierop als volgt :

    • In tegenstelling tot de door verzoekster verstrekte cijfers bedraagt de vereveningsprijs voor Italië, overeenkomstig artikel 6, sub 2, van beschikking 18-60 over de periode februari-april 1957 30. 381 lires. Dit getal nu moet worden vergeleken met de door verzoekster opgegeven 33. 300 lires en de door de leveranciers in hun verklaringen genoemde bedragen van 31. 500 en 28. 520 lires; in de afgifte van bedoelde verklaringen ziet zij overigens niets meer dan een vriendendienst. Ter ondersteuning van haar bewering, legt zij nog gegevens over met betrekking tot de ontwikkeling der schrootprijzen (bijlage 1 tot het verweerschrift) .

      Verweerster merkt vervolgens op dat blijkens het bepaalde in artikel 33, eerste lid, van het Verdrag, „het onderzoek door het Hof echter geen betrekking kan hebben op een beoordeling van de toestand, die voortvloeit uit economische feiten of omstandigheden, met het oog op welke toestand de beschikkingen zijn gegeven of de aanbevelingen zijn gedaan, tenzij de Hoge Autoriteit het verwijt wordt gemaakt, dat zij haar bevoegdheden heeft misbruikt of de bepalingen van het Verdrag of enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregel klaarblijkelijk heeft miskend”.

      In casu echter heeft de Hoge Autoriteit een vereveningsstelsel op grondslag van gewogen gemiddelden, verkozen boven een verevening tussen de verschillende gebieden van de Gemeenschap. De grief van schending van artikel 3 en 4 van het Verdrag mag volgens verweerster geenszins gezien worden als een grief wegens klaarblijkelijke miskenning daarvan in de zin van voornoemd artikel 33, eerste lid. Bovendien heeft verzoekster het middel van détournement de pouvoir niet ingeroepen, hetgeen haar overigens niet mogelijk was. Immers aldus verweerster, men kan niet als een détournement de pouvoir beschouwen het feit dat de Hoge Autoriteit van de doelstellingen van haar beleid — waarmede overigens andere gevolgen werden beoogd — het doel heeft uitgezonderd om een verevening van de prijzen op de binnenlandse markt tot stand te brengen door middel van actieve en passieve bijdragen, wanneer, daarentegen, volgens de beginselen van het Verdrag de oprichting van een gemeenschappelijke markt met vrije concurrentie juist de uniformiteit van de prijzen op de binnenlandse markt moet verzekeren.

    • Verweerster antwoordt dat de beschikkingen 18-60, 19-60 en 20-60, de daaraan toegevoegde tabellen, alsmede beschikking 7-63 van bijzonder gedetailleerde gronden vergezeld gingen. Bovendien kan men de Hoge Autoriteit niet verwijten dat zij ooit het verstrekken van de nodige inlichtingen, hetzij door publikaties, hetzij door mondelinge mededelingen van haar ambtenaren, geweigerd zou hebben.

      Verzoekster repliceert dat de door haar voor het binnenlandse schroot betaalde prijzen aanzienlijk hoger lagen dan de vereveningsprijzen. Ten bewijze hiervan verzoekt zij dat verweerster de in bijlage 3 tot het verweerschrift genoemde facturen van aankoopschroot zal overleggen. Zij bevestigt dat de door haar leveranciers genoemde aankoopprijzen juist zijn en bestrijdt de door verweerster overgelegde gegevens met betrekking tot de ontwikkeling van de schrootprijzen.

      Zij stelt voorts, dat wanneer men de door haar voor binnenlands schroot betaalde prijzen, met de vereveningsprijzen vergelijkt, a posteriori en na verschillende jaren, een ontoelaatbare toeneming van haar produktiekosten kan worden vastgesteld en zulks in zodanige mate dat het voortbestaan van de onderneming onmogelijk is geworden.

      Zij voegt hieraan toe dat de door verweerster aangevoerde economische doelstellingen van het vereveningsmechanisme, formeel in strijd zijn met de fundamentele doelstellingen van het Verdrag.

      Wat de grief betreft van schending van artikel 47, tweede lid, van het Verdrag, merkt verzoekster nog op dat de Hoge Autoriteit niet in staat is nader aan te geven op grondslag van welke factoren de vereveningsprijzen werden vastgesteld, noch ook hoe zij zich deze gegevens heeft verschaft.

      Verweerster antwoordt dat bij het opstellen van de vereveningsregels rekening werd gehouden met de positie waarin bepaalde gebieden — zoals Italië — zich bevinden, waar de marktprijs door de transportkosten wordt beïnvloed door de grote afstand van de centra waar het schroot wordt verworven. Indien de verevening geregeld was in dier voege dat de vereveningsprijs telkens naar gelang der verschillende gebieden van de Gemeenschap werd vastgesteld — een praktijk welke het Verdrag overigens verbiedt — zouden de Italiaanse schrootverbruikers zwaarder belast zijn dan die in de andere landen.

      Verweerster merkt eveneens op, dat indien de schaarste aan schroot niet door het vereveningsmechanisme was opgeheven, zulks geleid zou hebben tot een hausse, welke vooral voor de kleine ondernemingen tot ondraaglijke lasten zou hebben geleid.

      De gegevens met betrekking tot de schrootprijzen op de gemeenschappelijke markt werden opgesteld op basis van de maandelijkse opgaven van de betaalde prijzen door de ondernemingen gedaan, welke opgaven aan de hand van de aankoopfacturen werden geverifiëerd.

      Verweerster acht het ontoelaatbaar dat verzoekster vordert dat de afschriften van haar aankoopfacturen door de Hoge Autoriteit zullen worden geproduceerd. Immers het staat aan verzoekster, ter staving van haar vorderingen alle aankoopfacturen — waarover zij trouwens alleen beschikt — te produceren.

      Wat betreft de grief van schending van artikel 47, tweede lid, van het Verdrag, gelegen in het feit dat de Hoge Autoriteit niet periodiek de gegevens heeft gepubliceerd waaruit de vereveningsprijs valt af te leiden, antwoordt verweerster dat zowel het Bureau als het Fonds steeds de door de producenten verlangde gegevens heeft verstrekt, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van hun regionale bureaux waaronder, voor Italië, de „Campsider”.

IV — Procedure

Overwegende dat partijen hun memories tijdig hebben ingediend en dat het proces het normale verloop heeft gevolgd;

dat het Hof ter zitting van 18 januari 1966, gehoord het rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, heeft besloten zonder voorafgaande instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan, behoudens dat de Hoge Autoriteit werd uitgenodigd een tabel over te leggen bevattende een recapitulatie van het door verzoekster over het tijdvak juli 1954 tot januari 1957 aangekochte schroot en ingedeeld naar produkten en leveranciers, zulks ter aanvulling van het door haar in bijlage 3 tot het verweerschrift verstrekte overzicht;

dat verweerster dit stuk op 28 januari 1966 heeft gedeponeerd;

dat partijen ter zitting van 8 februari 1966 in haar mondelinge toelichting werden gehoord;

dat de Advocaat-Generaal K. Roemer ter zitting van 22 februari 1966 zijn conclusie heeft genomen;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT

A — De ontvankelijkheid

Overwegende dat verweerster de tegen de algemene beschikkingen gerichte middelen niet-ontvankelijk acht, voor zover daarmede haar nietigverklaring wordt beoogd;

Overwegende dat de vorderingen van verzoekster slechts strekken tot de nietigverklaring der beide individuele beschikkingen, op 7 april 1965 te haren opzichte genomen en dat in het verzoekschrift wordt verwezen naar artikel 36 van het Verdrag, hetwelk verzoekers toestaat individuele beschikkingen te bestrijden onder inroeping van de onregelmatigheid der algemene beschikkingen waarop eerstgenoemde beschikkingen zijn gegrond;

dat hieruit volgt dat verzoekster een beroep wil doen op de onregelmatigheid van de algemene beschikkingen waarop de beide individuele litigieuze beschikkingen berusten;

dat het beroep mitsdien ontvankelijk is;

B — Ten principale

1. Middelen met betrekking tot de individuele beschikking waarbij de aan de verevening onderworpen hoeveelheden schroot worden bepaald

a. Gebrekkige motivering

Overwegende dat de grieven van verzoekster tegen de formele motivering der bestreden beschikking niet kunnen worden aanvaard;

dat deze beschikking immers een summiere uiteenzetting bevat van de wezenlijke factoren — zowel feitelijk als rechtens — waarop zij berust en met name de wijze waarop de verschillende hoeveelheden aankoopschroot over de verschillende afrekeningstijdvakken zijn verdeeld;

dat verweerster voorts op de bewering van verzoekster als zou de motivering een tegenspraak bevatten ter zake van de verhouding tussen de verbruikscoëfficiënt van schroot en de staalproduktie, terecht heeft geantwoord dat deze coëfficiënt telkens berekend werd in verhouding tot het ruwstaal enerzijds en de afgewerkte produkten anderzijds;

b. Onjuistheden in de motivering

Overwegende dat verzoekster voorts stelt dat de in de bestreden beschikking gedane vaststellingen met betrekking tot het schrootverbruik materieel onjuist zijn;

  1. Overwegende dat met betrekking tot het tijdvak april 1954 tot januari 1957 — in verband waarmede de beschikking verwijst naar de ter plaatse door de controleurs onderzochte facturen voor de schrootaankoop — de enkele bewering van verzoekster, waarmede zij de vaststellingen van verweerster als absurd kwalificeert, niet voldoende kan worden geacht;

    dat, nu sedert de aanvang van de werking van het vereveningsstelsel verschillen van mening zijn ontstaan over de aangiften en de verschuldigde bijdragen, verzoekster tot op het ogenblik van de definitieve regeling der punten waarover nog niet werd beslist, de stukken nodig voor het bewijs van de beweerde onjuistheid der berekeningen, had moeten bewaren;

    dat verweerster op de bewering van verzoekster als zouden sommige facturen niet van schrootleveranciers, doch van vervoerondernemingen afkomstig zijn, heeft geantwoord dat het hier blijkbaar om schrootleveringen ging in opdracht van de Italiaanse spoorwegen uitgevoerd door de dienst „Carelli” en dat verzoekster het tegendeel niet heeft bewezen;

    Overwegende dat volgens verzoekster het door de onderneming veredeld schroot met ingang van de werking van het stelsel in de verevening werd opgenomen, zulks terwijl de daartoe strekkende bepalingen eerst in beschikking 14-55 werden gegeven;

    dat genoemde beschikking echter geen nieuwe regels heeft ingevoerd, doch slechts nader vorm heeft gegeven aan de sedert inwerkingtreding van het vereveningsstelsel geldende beginselen;

  2. Overwegende dat verzoekster voor wat het tijdvak van februari 1957 tot november 1958 betreft — ten aanzien waarvan de beschikking verwijst naar hetgeen omtrent de verkoop van afgewerkte produkten bekend is — de juistheid der aangenomen gegevens betwist;

    dat zij met name stelt dat de beschikking uitgaat van afgewerkte produkten welke buiten de bevoegdheid van de E.G.K.S. vallen;

    Overwegende dat niet wordt betwist dat verzoekster zelf het voor de vervaardiging van haar eindprodukten nodige staal produceert;

    dat bijgevolg het schroot voor die staalproduktie gebruikt, terecht aan de verevening werd onderworpen;

    dat dan ook uit de hoeveelheid vervaardigde eindprodukten het schrootverbruik, nodig voor de produktie van ruwstaal, mocht worden afgeleid;

    Overwegende dat verzoekster voorts stelt dat het bij een berekening van het schrootverbruik op basis van de verkochte afgewerkte produkten, zeer wel mogelijk is dat bepaalde hoeveelheden schroot, aangekocht tegen het einde van de in januari 1957 aflopende periode, reeds bij de aanvang van de in februari 1957 aanvangende periode in eindprodukten waren verwerkt en dat zij derhalve tweemaal aan de vereveningsbijdrage werden onderworpen;

    Overwegende dat, nu de Hoge Autoriteit slechts rekening heeft gehouden met de tot eind november 1958 verkochte eindprodukten, deze eventuele dubbele belasting in elk geval gecompenseerd zou zijn door het feit dat het vóór die datum aangekochte en verbruikte schroot, bestemd voor de vervaardiging van later verkochte produkten, geen element heeft gevormd voor de berekening van de grondslag der bijdrage ;

  3. Overwegende dat verzoekster ten slotte bezwaar maakt tegen een controle van het schrootverbruik op grondslag van het verbruik van elektrische energie;

    Overwegende dat deze wijze van berekening — welke bezwaren daartegen overigens kunnen worden aangevoerd — in casu slechts werd gevolgd ten einde de op andere wijze verkregen resultaten nader te kunnen verifiëren;

    dat verzoekster op dit punt geen enkel bewijs bijbrengt voor haar beweringen en met name niet voor het verbruik van grote hoeveelheden nieuw gietijzer in plaats van schroot van gietijzer, hetwelk volgens de regels van het vereveningsstelsel aan de bijdrage is onderworpen:

  4. Overwegende dat dit middel mitsdien niet gegrond is;

c. Schending van artikel 4 van de beschikkingen 2-57 en 16-58

Overwegende dat verweerster volgens verzoekster bij haar berekeningen uitsluitend uitgegaan zou zijn van het verbruikte schroot zonder daarop — gelijk in de beschikkingen 2-57 en 16-58 is voorzien — het eigen omloopschroot en de hoeveelheid waarmede de hoeveelheden zijn afgenomen in mindering te brengen;

Overwegende wat de aftrek wegens vermindering der voorraden betreft dat verweerster onbetwist heeft aangetoond dat verzoekster steeds slechts voorraden aanhield voldoende voor enkele produktiedagen zodat er geen reden bestond bij de berekening der bijdrage met de afname der voorraden rekening te houden;

Overwegende, wat de aftrek wegens eigen omloopschroot betreft, dat deze ambtshalve door de Hoge Autoriteit moest worden toegepast daar verzoekster geen inlichtingen over haar eigen produktie verschafte en zij evenmin heeft bewezen dat deze hoeveelheid schroot wegens bijzondere omstandigheden groter geweest zou zijn dan door de Hoge Autoriteit werd aangenomen;

dat hieruit volgt dat deze grief niet gegrond is;

d. Schending van de artikelen 80 en 81 van het Verdrag

Overwegende, dat volgens verzoekster de Hoge Autoriteit haar bevoegdheid zou hebben overschreden door in de grondslag voor de bijdrage mede het schroot op te nemen, gebezigd bij de vervaardiging van klemplaten, spoorspijkers en platen voor de spoorwegen, welke produkten buiten de bevoegdheid van de E.G.K.S. vallen;

Overwegende dat, naar bij het onderzoek van het eerste middel is gebleken, als onbetwist vaststaat dat verzoekster zelf het voor de vervaardiging der voornoemde eindprodukten benodigde staal heeft geproduceerd en dat mitsdien het voor de staalproduktie gebruikte schroot terecht aan de verevening werd onderworpen;

dat dit middel mitsdien niet gegrond is;

e. Schending van artikel 47 van het Verdrag

Overwegende dat volgens verzoekster de in 1961 door de vennootschap „Fidital” verrichte controle niet als uitgangspunt voor de berekening van de hoeveelheid belastbare schroot mocht dienen, nu voornoemde vennootschap door de Hoge Autoriteit niet was gemachtigd;

Overwegende dat de door de Hoge Autoriteit krachtens artikel 47 van het Verdrag door tussenkomst van de fiduciaire ondernemingen gedane verificaties geen delegatie van bevoegdheid vormen, doch slechts tot de uitoefening behoren van de eigen bevoegdheden der Hoge Autoriteit welke daarbij van de aldus ingewonnen berichten onder haar eigen verantwoordelijkheid gebruik maakte;

dat niet werd betwist dat de Hoge Autoriteit zich nadien met de door „Fidital” verrichte verificatie accoord heeft verklaard;

dat bijgevolg de gecontroleerde onderneming geen grief kan voordragen tegen de wijze waarop de met het onderzoek te belasten personen worden gekozen, doch slechts tegen de resultaten van een zodanig onderzoek, ten aanzien waarvan zij overigens harerzijds tegenbewijs kan leveren;

dat derhalve op de bij de controle door de „Fidital” verkregen gegevens acht moet worden geslagen zolang de onjuistheid daarvan door verzoekster niet is aangetoond;

dat dit middel dus niet gegrond is;

2. Hel middel betreffende de individuele beschikking waarbij het bedrag van de vereveningsbijdrage wordt vastgesteld

Overwegende dat verzoekster bij pleidooi heeft aangevoerd, dat de bestreden individuele beschikking wettelijke grondslag mist, daar de Hoge Autoriteit op 15 december 1965 een algemene beschikking (no. 19-65) heeft genomen „met betrekking tot de opstelling van de definitieve afrekeningen inzake verevening voor ingevoerd en gelijksoortig schroot”, waarbij nieuwe criteria werden gegeven voor de bepaling der verschuldigde bijdragen;

Overwegende dat aan het onderhavige geschil de situatie rechtens ten grondslag ligt, gelijk die ten tijde van het nemen der bestreden beschikking bestond;

dat overigens, nu laatstgenoemde beschikking slechts een voorlopig karakter draagt, verweerster rekening zal moeten houden met de bij beschikking 19-65 gegeven nieuwe regels, ten einde, zo daartoe aanleiding bestaat, de vereveningsschuld van verzoekster te rectificeren;

dat dit middel mitsdien niet gegrond is;

3. Middelen betreffende de onregelmatigheid der algemene beschikkingen, waarop de bestreden individuele beschikkingen zijn gegrond

a. de vaststelling der afrekeningstijdvakken

Overwegende dat verzoekster zich keert tegen de algemene beschikking 19-60, nu daarin een afrekeningstijdvak van 12 maanden wordt vastgesteld voor de geldigheidsduur van beschikking 22-54, en een periode van 22 maanden voor de geldigheidsduur van beschikking 14-55;

Overwegende dat verzoekster op dit punt niet het bewijs heeft geleverd dat het voorschrijven van kortere tijdvakken voor haar een verlaging van de bijdrageschuld zou hebben meegebracht;

dat, integendeel, uit het bij dupliek door verweerster gevoerde betoog blijkt dat de vereveningsschuld van verzoekster hoger zou zijn geworden, indien men — gelijk zij had verzocht — afrekeningtijdvakken van 3 maanden had toegepast;

dat deze grief mitsdien niet gegrond is;

b. het in verevening nemen van „gelijksoortig” schroot

  1. Overwegende dat naar de mening van verzoekster het „gelijksoortig” schroot onrechtmatig in verevening is genomen met als gevolg dat de totale vereveningslast en dus ook die van verzoekster werden verhoogd;

    1. dat artikel 1 van beschikking 22-54 slechts spreekt van ingevoerd schroot waaruit volgt dat, althans voor de geldigheidsduur van die beschikking, krachtens de beschikkingen 18-60 en 20-60 bij de berekening van de bijdragen het gelijksoortig schroot niet in verevening mocht worden genomen;

      Overwegende dat artikel 2 van beschikking 22-54 uitdrukkelijk bepaalt dat „de ondernemingen… zijn gehouden de bijdragen te storten, welke nodig zijn voor de werking van de prijsegalisatie voor schroot… dat uit derde landen of daarmee gelijkgestelde landen wordt ingevoerd…”;

      dat het argument, gegrond op het enkele feit dat noch in het opschrift van beschikking 22-54, noch ook in artikel 1 van gelijksoortig schroot wordt gesproken, niet kan worden aanvaard, daar een beschikking, evenals iedere andere normatieve bepaling, in haar geheel moet worden geïnterpreteerd;

    2. Overwegende dat verzoekster stelt dat de termen „duurschroot” en „gelijksoortig schroot” niet nauwkeurig kunnen worden gedefinieerd, dat mitsdien het bestuur bevoegd is te beslissen welke schrootsoorten behalve het ingevoerd schroot in verevening zullen worden genomen en dat de redenen voor deze uitbreiding van het vereveningsstelsel niet uitdrukkelijk zijn opgegeven;

      Overwegende dat verzoekster niet heeft aangetoond dat op grond van de door haar bestreden algemene beschikkingen hoeveelheden schroot definitief in verevening zijn genomen, hoewel deze daarvoor redelijkerwijs niet in aanmerking kwamen;

  2. Overwegende dat verzoekster stelt dat de vereveningsberekeningen onjuist zijn, nu daarin mede werden begrepen de hoeveelheden schroot welke frauduleus tot de verevening zijn toegelaten;

    Overwegende dat de afrekeningen inzake de verevening voor schroot slechts een voorlopig karakter dragen;

    dat het eerst na afsluiting van de thans lopende onderzoeken mogelijk zal zijn zich definitief uit te spreken over de frauduleus verkregen voordelen van de prijsverevening, alsmede over het wellicht ter zake nog terug te vorderen bedrag;

    dat verzoekster mitsdien thans nog geen enkele grond kan aanvoeren ter betwisting van de voorlopige afrekeningen;

  3. Overwegende dat het middel mitsdien niet gegrond is;

c. wijzigingen aangebracht in de hoeveelheden tot de verevening toegelaten schroot

Overwegende dat verzoekster voorts stelt dat de vereveningsafrekeningen onjuist zijn voor zover daarin de cijfers voor het in verevening genomen schroot variëren, een omstandigheid waarvoor de Hoge Autoriteit geen enkele verklaring heeft gegeven;

Overwegende dat de vereveningsafrekeningen slechts van voorlopige aard zijn en telkens de stand weergeven van het onderzoek en de verificaties;

dat de motiveringsplicht niet medebrengt dat in algemene beschikkingen alle bij de controles bereikte resultaten in bijzonderheden worden weergegeven;

dat dit middel mitsdien niet gegrond is;

d. de besparingen op schroot ten gevolge van een verhoogd gebruik van gietijzer

Overwegende dat verzoekster stelt, dat beschikking 26-55 waarbij een premie wordt toegezegd voor het verhoogd verbruik van ruwijzer in de Siemens-Martin oven en beschikking 3-56, waarbij soortelijk voordeel wordt toegekend bij gebruik van Thomasstaal in de elektrische ovens, een discriminatie opleveren en de concurrentieverhoudingen vervalsen ten nadele van ondernemingen welke, gelijk verzoekster, ovens met vaste lading exploiteren;

Overwegende dat de in de beschikkingen 26-55 en 3-56, onder bepaalde voorwaarden, toegekende premie voor de desbetreffende ondernemingen slechts een compensatie vormden voor de stijging der exploitatiekosten als gevolg van een omvangrijker gebruik van gietijzer;

dat bedoelde ondernemingen derhalve daardoor geen voordelen hebben genoten;

dat hieruit volgt dat de gewraakte algemene beschikkingen geen discriminatie opleverden, noch ook de concurrentieverhoudingen ten nadele van verzoekster vervalsten;

dat het middel derhalve niet gegrond is;

e. de vaststelling van de vereveningsprijzen

  1. Overwegende dat verzoekster stelt dat de vereveningsprijzen niet op geldige wijze werden vastgesteld, daar de voor het gemeenschapsschroot betaalde prijzen niet nauwkeurig werden bepaald of gecontroleerd ;

    Overwegende dat de voor de berekening van de vereveningsprijzen noodzakelijke gegevens werden afgeleid uit de maandelijkse opgaven door de ondernemingen met betrekking tot de betaalde prijzen gedaan ;

    dat deze opgaven door de Hoge Autoriteit terdege zijn gecontroleerd en wel door middel van een verificatie der aankoopfacturen ;

  2. Overwegende dat verzoekster voorts stelt, dat de vaststelling van uniforme vereveningsprijzen voor de gehele gemeenschap een discriminerende werking heeft, daar de prijzen van het gemeenschapsschroot binnen de gemeenschap veelal verschillen vertoonden;

    dat verzoekster toch voor binnenlands schroot prijzen heeft betaald welke beduidend hoger lagen dan de vereveningsprijs en zij dientengevolge in een nadelige positie werd gebracht ten opzichte van de ondernemingen die zich binnenlands schroot konden verschaffen tegen een lagere dan de vereveningsprijs;

    Overwegende dat het een normaal verschijnsel is — zulks met name wegens de vestiging van nieuwe schrootverbruikende ondernemingen — dat in de prijzen verschillen optreden, welke overigens aan de eenheid van de markt geen afbreuk doen;

    dat de vereveningsprijs gelijk is aan het gewogen gemiddelde van de verschillende op de markt geldende prijzen;

    dat verzoekster niet heeft aangetoond dat bedoelde verschillen ongunstig beïnvloed werden door de werking van het vereveningsstelsel, noch ook dat deze werking de nadelen zou hebben vergroot welke zij in verhouding tot gunstiger gelegen bedrijven heeft ondervonden;

  3. Overwegende dat verzoekster ten slotte een schending van artikel 47 van het Verdrag inroept uit hoofde van het feit dat niet alle factoren, nodig voor het vaststellen der verschillende gegevens voor de verevening, werden openbaar gemaakt of aan de ondernemingen medegedeeld;

    Overwegende dat het tarief van de bijdrage alsmede de vereveningsprijs welke voor de aan de verevening onderworpen ondernemingen de noodzakelijke elementen vormen voor de vaststelling van haar verkoopprijzen, steeds tijdig aan de ondernemingen werden medegedeeld en wel allereerst door de Brusselse organen of hun regionale bureaus en voorts ook door de Hoge Autoriteit zelve;

    dat het bepaalde bij artikel 47 van het Verdrag voor de Hoge Autoriteit niet de verplichting medebrengt de overige gegevens voor de vereveningsberekeningen ter kennis van de ondernemingen te brengen;

  4. Overwegende dat hieruit volgt dat ook het laatste middel als ongegrond moet worden verworpen;

4. De door requestrante verzochte instructiemaatregelen

Overwegende dat er geen aanleiding bestaat gevolg te geven aan de verzoeken van verzoekster tot het gelasten van een nadere instructie;

dat verzoekster toch in de loop van het geding de gelegenheid heelt gehad het ter staving harer middelen nodige bewijs bij te brengen;

C — Ten aanzien van de kosten

Overwegende dat volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten zal worden verwezen;

dat in casu alle middelen van verzoekster ongegrond werden geacht ;

dat zij mitsdien in de kosten dient te worden veroordeeld ;

Gezien de processtukken;

Gehoord het rapport van de Rechter-Rapporteur ;

Gehoord partijen in haar pleidooien;

Gehoord de conclusie van de Advocaat-Generaal ;

Gelet op de artikelen 3, 4, 15, 33, 36, 47, 80, 81, en Bijlage I van het Verdrag tot oprichting van de E.G.K.S.;

Gelet op het protocol van het Statuut van het Hof van Justitie van de E.G.K.S.;

Gelet op het Reglement van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en inzonderheid op artikel 69, paragraaf 2,

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende,

  1. Verwerpt het beroep 30-65 als ongegrond;

  2. Veroordeelt verzoekster in de proceskosten;

  3. Ontzegt het meer of anders gevorderde.

Aldus door het Hof gewezen en ondertekend te Luxemburg op twee en twintig maart negentienhonderdzesenzestig.

Hammes

Delvaux

Donner

Lecourt

Monaco

Uitgesproken ter openbare zitting gehouden te Luxemburg op twee en twintig maart negentienhonderdzesenzestig.

De Griffier,

A. Van Houtte

De President,

Ch. L. Hammes