Home

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 december 1966.

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 december 1966.

TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID

OVERWEGENDE DAT VERWEERSTER BIJ PLEIDOOI HEEFT BETOOGD, DAT VERZOEKER DIE IN RANG A 5 WAS INGEDEELD, NIET NAAR ZIJN HUIDIGE POST HAD KUNNEN WORDEN OVERGEPLAATST INDIEN DEZE POST INDERDAAD AAN DE RANG A 3 HAD BEANTWOORD;

DAT DERHALVE EERST DIENT TE WORDEN ONDERZOCHT OF VERZOEKER BELANG HEEFT BIJ EEN BEROEP HETWELK, INDIEN HET ZOU SLAGEN, VOOR HEM TOT VERLIES VAN ZIJN HUIDIGE AMBT ZOU LEIDEN;

DAT TOCH INDIEN DEZE POST, GELIJK VERZOEKER BEWEERT, IN RANG A 3 MOEST WORDEN INGEDEELD, ZIJN BENOEMING HAAR GRONDSLAG RECHTENS ZOU VERLIEZEN, DAAR OVERPLAATSING SLECHTS BINNEN DEZELFDE RANG MOGELIJK IS;

OVERWEGENDE EVENWEL DAT VERZOEKER IN DAT GEVAL WELLICHT VERGOEDING ZOU KUNNEN VORDEREN VAN DE SCHADE WELKE HIJ HEEFT GELEDEN ALS GEVOLG VAN HET FEIT DAT HET TOT AANSTELLING BEVOEGDE GEZAG HEM ZOU HEBBEN BELAST MET DE UITOEFENING VAN FUNCTIES VAN EEN HOGER NIVEAU DAN DIE WELKE AAN DE STATUTAIRE RANG A 5 ZIJN VERBONDEN;

DAT VERZOEKER DERHALVE, DAARGELATEN THANS DE VRAAG OF HIJ OP INDELING IN EEN HOGERE RANG AANSPRAAK KAN MAKEN, RECHTENS BIJ HET ONDERHAVIGE BEROEP VOLDOENDE BELANG HEEFT;

OVERWEGENDE DAT VERWEERSTER STELT DAT DE MET HET ONDERHAVIGE BEROEP BESTREDEN BESCHIKKING VAN 3 MAART 1965 SLECHTS DE BEVESTIGING ZOU VORMEN VAN HAAR BESCHIKKING D.D . 13 FEBRUARI 1964, WAARBIJ VERZOEKER OP ZIJN HUIDIGE POST WERD BENOEMD;

DAT DERHALVE IN FEITE SLECHTS DEZE LAATSTE BESCHIKKING ZOU WORDEN AANGEVALLEN EN HET BEROEP MITSDIEN, ALS ZIJNDE TARDIEF, NIET-ONTVANKELIJK MOET WORDEN GEOORDEELD;

OVERWEGENDE DAT VERZOEKER DAARENTEGEN BETOOGT, DAT NOCH DE BESCHIKKING VAN 13 FEBRUARI 1964, NOCH OOK DE BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE D.D . 3 MEI 1963 WELKE AAN DE KENNISGEVING VAN DE ONDERHAVIGE VACATURE TEN GRONDSLAG LAGEN, ENIGE NADERE AANDUIDING AANGAANDE DE INDELING VAN DE LITIGIEUZE POST BEVATTEN;

DAT VERZOEKER DEZE BEWERING MET NAME DOET STEUNEN OP HET VOORSTEL VAN DE DIRECTEUR-GENERAAL ADMINISTRATIE EN PERSONEEL D.D . 4 APRIL 1963 OM DEZE POST VOORLOPIG IN DE LOOPBAAN A 5-A 4 IN TE DELEN, WELK VOORSTEL DE COMMISSIE IMPLICIET ZOU HEBBEN AANVAARD;

DAT ZIJN OPVATTING VOORTS NOG STEUN ZOU VINDEN IN HET DOOR DE COMMISSIE IN HET ALGEMEEN MET BETREKKING TOT DE HERINDELING VAN EEN REEKS POSTEN IN RANG A 3 GEVOLGDE BELEID, ALSMEDE IN HET FEIT DAT AAN VERZOEKERS VOORGANGER, DE HEER BAUER, TOEZEGGINGEN IN GELIJKE ZIN ZOUDEN ZIJN GEDAAN;

OVERWEGENDE DAT HET VOORSTEL VAN VOORNOEMDE DIRECTEUR-GENERAAL AAN DE COMMISSIE OP ZICHZELF GEEN VOLDOENDE BEWIJS OPLEVERT VOOR DE BEWERING DAT DE COMMISSIE DIENS GEVOELENS ZOU HEBBEN AANVAARD, DAAR VERWEERSTER EVENTUELE SUGGESTIES VAN HAAR DIENSTEN NIET BEHOEFT TE VOLGEN EN HET STILZWIJGEN VAN HET PROCES-VERBAAL DER ZITTING OP DIT PUNT NIET ALS EEN AANVAARDING MAG WORDEN GEINTERPRETEERD;

DAT DIT VOORSTEL ECHTER IN VERBAND MET BEPAALDE TOEZEGGINGEN DOOR EEN LID VAN DE COMMISSIE GEDAAN OM VERZOEKERS VOORGANGER IN RANG A 3 IN TE DELEN, ALSMEDE MET HET FEIT DAT DE COMMISSIE NADIEN BEPAALDE POSTEN IN RANG A 3 HEEFT INGEDEELD, TWIJFEL ZOU KUNNEN DOEN RIJZEN AANGAANDE DE WERKELIJKE STREKKING VAN DE BESCHIKKING OP GROND WAARVAN VERZOEKERS HUIDIGE POST WERD INGEDEELD;

OVERWEGENDE EVENWEL DAT EEN BESTUURSHANDELING, WAARBIJ ZONDER ENIG VOORBEHOUD, IN EEN BEPAALDE ZIN WORDT BESLIST, ALS DEFINITIEF MOET WORDEN BESCHOUWD, TENZIJ WEZENLIJKE OMSTANDIGHEDEN DUIDELIJK EN OVEREENSTEMMEND HET TEGENDEEL DOEN VERMOEDEN;

DAT HET RESULTAAT VAN DE DOOR HET HOF OP DIT PUNT GELASTE INSTRUCTIE GEEN VOLDOENDE GRONDSLAG HEEFT OPGELEVERD VOOR DE OPVATTING DAT HET BESLUIT VAN DE COMMISSIE VAN 3 MEI 1963 WAARBIJ VERZOEKERS HUIDIGE POST WERD INGEDEELD, SLECHTS EEN VOORLOPIG KARAKTER DROEG;

DAT MET NAME NIET IS GEBLEKEN DAT DE COMMISSIE BIJ HET NEMEN VAN DIT BESLUIT IN ONZEKERHEID ZOU HEBBEN VERKEERD AANGAANDE DE VRAAG HOE DE AAN DIE POST VERBONDEN WERKZAAMHEDEN MOESTEN WORDEN GEWAARDEERD;

DAT DERHALVE EEN EVENTUELE LATERE BESCHIKKING, WAARBIJ VAN DEZE WAARDERING WERD AFGEWEKEN, NIET EEN AANVULLING OP HET EERSTE BESLUIT ZOU HEBBEN GEVORMD, DOCH EEN NIEUWE, AUTONOME BESCHIKKING WAARBIJ DE AANVANKELIJK GEVESTIGDE RECHTSTOESTAND WERD GEWIJZIGD;

DAT ZULKS NOG WORDT BEVESTIGD DOOR HET FEIT, DAT DE DOOR DE COMMISSIE NA 1963 GENOMEN BESCHIKKINGEN, WAARBIJ EEN AANTAL IN DE LOOPBAAN A 5-A 4 INGEDEELDE POSTEN IN A 3 - POSTEN WERDEN OMGEZET, IN HET ALGEMEEN TERUGWERKENDE KRACHT MISSEN;

DAT MITSDIEN DE BESCHIKKINGEN WELKE AAN DE AANVANKELIJKE INDELING TEN GRONDSLAG LIGGEN ALS VAN DEFINITIEVE AARD MOETEN WORDEN BESCHOUWD;

DAT ZULKS OOK GELDT VOOR HET ONDERHAVIGE GEVAL;

OVERWEGENDE DAT VERZOEKER VOORTS NOG STELT DAT - GELIJK BIJ DE BEHANDELING VAN VERSCHILLENDE ANALOGE GEVALLEN IS GEBLEKEN - DE WIJZIGING IN DE AANVANKELIJKE RECHTSOPVATTINGEN VAN DE EXECUTIEVEN IN VERBAND MET BEPAALDE ARRESTEN VAN HET HOF WAARIN VRAGEN VAN HERINDELING WERDEN BESLIST, EEN NOVUM VORMDE OP GROND WAARVAN DE COMMISSIE HAAR VOORHEEN GENOMEN BESCHIKKINGEN HAD MOETEN HERZIEN;

OVERWEGENDE DAT WANNEER DE COMMISSIE HAAR BELEID NAAR DE UITSPRAKEN VAN HET HOF RICHT, EEN EVENTUEEL NOVUM NIET ZOZEER IN DE BESTUURSHANDELING, DAN WEL IN HET ARREST ZELF ZOU MOGEN WORDEN GEZIEN;

DAT ECHTER, DAARGELATEN DE VRAAG WELKE ALGEMENE GEVOLGTREKKINGEN HET BESTUUR UIT EEN BEPAALD ARREST MEENT TE MOETEN MAKEN, 'S HOFS UITSPRAKEN OP VORDERINGEN TOT NIETIGVERKLARING ENER ADMINISTRATIEVE HANDELING SLECHTS WERKEN TUSSEN PARTIJEN EN TEN AANZIEN VAN HEN DIE DE BESTREDEN HANDELING RECHTSTREEKS RAAKT;

DAT VERZOEKER NIET BEWEERT DOOR DE BIJ BEDOELDE ARRESTEN VERNIETIGDE HANDELINGEN RECHTSTREEKS TE ZIJN GERAAKT;

DAT ZODANIGE UITSPRAKEN DAN OOK TE ZIJNEN AANZIEN NIET ALS EEN NOVUM KUNNEN WORDEN AANGEMERKT;

OVERWEGENDE DAT DE VORDERING VAN VERZOEKER IN HOOFDZAAK IS GERICHT TEGEN DE RECHTSKRACHT VAN DE BESCHIKKING D.D . 3 MEI 1963, WAARBIJ VERWEERSTER DE ONDERHAVIGE POST IN DE LOOPBAAN A 5-A 4 PLAATSTE, ALSMEDE VAN DE BESCHIKKING D.D . 13 FEBRUARI 1964 WAARBIJ, OP GROND VAN EERSTGENOEMDE BESCHIKKING, AAN VERZOEKER DE RANG A 5 WERD TOEGEKEND;

DAT HET BEGINSEL VAN RECHTSZEKERHEID MEDEBRENGT DAT DE RECHTSKRACHT VAN BESCHIKKINGEN, DOOR HET GEMEENSCHAPSGEZAG GENOMEN EN WAARBIJ BEPAALDE RECHTSPOSITIES EN RECHTSBETREKKINGEN WERDEN GEREGELD, BEHOUDENS OP GROND VAN NIEUWE EN DWINGENDE OVERWEGINGEN, NIET GEDURENDE ONBEPAALDE TIJD AAN TWIJFEL ONDERHEVIG MAG BLIJVEN;

OVERWEGENDE DAT DE BEROEPSTERMIJN TEGEN DE ONDERHAVIGE BESCHIKKINGEN TEN TIJDE VAN DE INDIENING VAN HET VERZOEKSCHRIFT WAS VERSTREKEN;

DAT HET ONDERHAVIGE BEROEP DERHALVE NIET TIJDIG WERD INGESTELD EN MITSDIEN NIET-ONTVANKELIJK MOET WORDEN VERKLAARD;

HET HOF VAN JUSTITIE ( EERSTE KAMER ),

RECHTDOENDE,

1 . VERWERPT HET BEROEP 34-65 ALS ZIJNDE NIET-ONTVANKELIJK;

2 . VERSTAAT DAT VERWEERSTER BEHALVE HAAR EIGEN KOSTEN DE HELFT VAN VERZOEKERS KOSTEN ZAL DRAGEN;

3 . VERSTAAT DAT DE REISKOSTEN DER GETUIGEN TEN LASTE VAN VERWEERSTER KOMEN;

4 . VERWERPT HET MEER OF ANDERS GEVORDERDE .

1 . EEN BESTUURSHANDELING, WAARBIJ ZONDER ENIG VOORBEHOUD IN EEN BEPAALDE ZIN WORDT BESLIST, MOET ALS DEFINITIEF WORDEN BESCHOUWD TENZIJ OMSTANDIGHEDEN VAN WEZENLIJKE BETEKENIS DUIDELIJK EN OVEREENSTEMMEND HET TEGENDEEL DOEN VERMOEDEN .

2 . VGL . SAMENVATTING NO . 4, ZAAK 43-64, JURISPRUDENTIE, DEEL XI, BLZ . 482 .

3 . HET BEGINSEL VAN RECHTSZEKERHEID BRENGT MEDE DAT DE RECHTSKRACHT VAN DOOR HET GEMEENSCHAPSGEZAG GENOMEN BESCHIKKINGEN, WAARBIJ BEPAALDE RECHTSPOSITIES EN RECHTSBETREKKINGEN WERDEN GEREGELD, BEHOUDENS OP GROND VAN NIEUWE EN DWINGENDE OVERWEGINGEN, NIET GEDURENDE ONBEPAALDE TIJD AAN TWIJFEL ONDERHEVIG MAG BLIJVEN .

++++

1 . BESTUURSHANDELINGEN VAN EEN INSTELLING - DEFINITIEVE AARD DAARVAN - CRITERIA

2 . PROCEDURE - ARREST TOT NIETIGVERKLARING - RECHTSGEVOLGEN - DEZE BLIJVEN BEPERKT TOT PARTIJEN EN DEGENEN DIE DE VERNIETIGDE HANDELING RECHTSTREEKS RAAKT - HET ARREST ALS NOVUM - BEGRIP

3 . BESTUURSHANDELINGEN VAN EEN INSTELLING - HAAR VERNIETIGBAARHEID OP GROND VAN EEN NOVUM - CRITERIA - GELDING VAN HET BEGINSEL VAN RECHTSZEKERHEID

OVERWEGENDE, DAT VERZOEKERS BEROEP NIET KAN SLAGEN;

OVERWEGENDE, DAT BLIJKENS ARTIKEL 69, PARAGRAAF 2, VAN HET REGLEMENT VOOR DE PROCESVOERING, DE IN HET ONGELIJK GESTELDE PARTIJ IN DE KOSTEN WORDT VERWEZEN;

DAT ECHTER KRACHTENS ARTIKEL 70 VAN GENOEMD REGLEMENT DE DOOR DE INSTELLINGEN GEMAAKTE KOSTEN IN BEROEPEN VAN AMBTENAREN VAN DE GEMEENSCHAPPEN TE HAREN LASTE BLIJVEN;

DAT HET HOF VOORTS KRACHTENS ARTIKEL 69, PARAGRAAF 3, EERSTE LID, DE PROCESKOSTEN WEGENS BIJZONDERE REDENEN GEHEEL OF GEDEELTELIJK KAN COMPENSEREN;

DAT DE FEITEN WELKE AAN VERZOEKERS BENOEMING OP ZIJN HUIDIGE POST VOORAFGINGEN BIJ HEM EEN MINDER JUISTE INDRUK KONDEN VESTIGEN TEN AANZIEN VAN DE WERKELIJKE BEDOELING WELKE BIJ DE COMMISSIE TEN AANZIEN VAN ZIJN INDELING HEEFT VOORGEZETEN EN MITSDIEN EVENEENS AANGAANDE DE DEFINITIEVE AARD VAN DE BESCHIKKING VAN 3 MEI 1963 OP DIT PUNT;

DAT ER DERHALVE AANLEIDING BESTAAT DE HELFT VAN VERZOEKERS PROCESKOSTEN TEN LASTE VAN VERWEERSTER TE BRENGEN;

OVERWEGENDE DAT, NU DE GETUIGEN IN HUN HOEDANIGHEID VAN AMBTENAREN BIJ DE COMMISSIE DER E.G.A . WERDEN GEHOORD, HUN REISKOSTEN TEN LASTE VAN VERWEERSTER MOETEN WORDEN GEBRACHT;

GEZIEN DE PROCESSTUKKEN EN HET RESULTAAT VAN DE GEVOERDE INSTRUCTIE;

GEHOORD HET RAPPORT VAN DE RECHTER-RAPPORTEUR;

GEHOORD PARTIJEN IN HUN PLEIDOOIEN;

GEHOORD DE CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL;

GELET OP HET PROTOCOL BETREFFENDE HET STATUUT VAN HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE;

GELET OP ARTIKEL 152 VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE;

GELET OP HET STATUUT VAN DE AMBTENAREN VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE;

GELET OP HET REGLEMENT VOOR DE PROCESVOERING VAN HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN;

IN DE ZAAK 34-65 :

H . D . MOSTHAF,

AMBTENAAR BIJ DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE,

VERTEGENWOORDIGD DOOR MR . A . DERINGER, ADVOCAAT BIJ HET GERECHTSHOF TE KEULEN,

TEN DEZE DOMICILIE GEKOZEN HEBBENDE TEN KANTORE VAN MR . E . ARENDT, ADVOCAAT BIJ HET HOF VAN BEROEP TE LUXEMBURG, 6, RUE WILLY GOERGEN, LUXEMBURG,

VERZOEKER,

TEGEN

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE,

VERTEGENWOORDIGD DOOR HAAR JURIDISCH ADVISEUR, L . DE LA FONTAINE, ALS GEMACHTIGDE,

TEN DEZE DOMICILIE GEKOZEN HEBBENDE BIJ HET SECRETARIAAT VAN DE JURIDISCHE DIENST VAN DE EUROPESE UITVOERENDE ORGANEN, 2, PLACE DE METZ, LUXEMBURG,

VERWEERSTER,

BETREFFENDE DE VORDERING TOT NIETIGVERKLARING VAN DE BESCHIKKING DER COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE D.D . 3 MAART 1965, WAARBIJ VERZOEKERS ADMINISTRATIEF BEROEP VAN 22 JANUARI 1965 WERD VERWORPEN,