Home

Hof van Justitie EU 10-12-1968 ECLI:EU:C:1968:50

Hof van Justitie EU 10-12-1968 ECLI:EU:C:1968:50

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
10 december 1968

Uitspraak

ZAAK 2-68 BESCHIKKING VAN HET HOF VAN 17 DECEMBER 1968

In de zaak 2-68 :

UFFICIO IMPOSTE CONSUMO Dl ISPRA (VERBRUIKSBELASTINGSKANTOOR TE ISPRA),

vertegenwoordigd door de directeur N. Cavion,

bijgestaan door Mr. G. Baldi, advocaat te Novara en door Mr.

A. Elvinger, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten

kantore van Mr. Elvinger voornoemd,

tegen

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Marchini-Camia, als gemachtigde,

domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij M. Manzanarès, Centre Louvigny, rue Aldringer,

betreffende het tot het Hof gerichte verzoek om verlof tot een plaatsopneming voor onderzoek naar aard en omvang der voor de bouw van het „Club House” en sportinstallaties van het Centrum te Ispra gebezigde bouwmaterialen,

heeft

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt :

  • R. Lecourt, President,

  • A. Trabucchi en J. Mertens de Wilmars (Rapporteur), Kamerpresidenten,

  • A.M. Donner, W. Strauß, R. Monaco en P. Pescatore, Rechters,

  • Advocaat-Generaal: K. Roemer,

  • Griffier: A. Van Houtte,

de navolgende

BESCHIKKING

genomen.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN

Overwegende, dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten kunnen worden samengevat als volgt :

Bij op 5 oktober 1965 betekende mededeling, genaamd „Avviso di accettamento costruzioni edilizie” heeft het verbruiksbelastingkantoor van de gemeente Ispra er het aldaar gevestigd Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van in kennis gesteld, dat een daartoe aangewezen ambtenaar van dat kantoor op 12 oktober zou overgaan tot schatting van de materialen, gebezigd voor de bouw van een „Club House” en sportinstallaties op de bedrijfsterreinen van het Centrum.

Dit onderzoek ter plaatse was nodig voor de vaststelling der gemeentelijke verbruiksbelasting, door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie over de gebezigde bouwmaterialen verschuldigd.

Met verwijzing naar artikel 1 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, dat later vervangen is door het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (hierna te noemen : „het Protocol”) en naar de artikelen 1, 2, 6, en 7 van bijlage F van de door de Italiaanse Regering en de Commissie op 22 juli 1959 gesloten overeenkomst tot oprichting van een Gemeenschappelijk Centrum voor Kernonderzoek (hierna te noemen bijlage F), heeft de directeur van het Centrum eerst bericht, dat voor het betreden van bedoelde terreinen toestemming van de Commissie nodig was en verzoekster vervolgens in een brief van 9 november 1965 doen weten, dat de Commissie zich van bedoelde belasting vrijgesteld achtte en derhalve meende de gevraagde toestemming niet te moeten verlenen.

Het Verbruiksbelastingkantoor vond hierin aanleiding zich op 30 juli 1967 tot het Hof van Justitie te wenden met het verzoek het verbod, ingevolge hetwelk de door de gemeente aangewezen technicus niet tot schatting der voor de bouw van bedoelde installaties gebezigde materialen kan overgaan, op te heffen;

Overwegende, dat de Commissie harerzijds heeft geconcludeerd, dat het den Hove behage het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans het ongegrond te verklaren en verzoeker in de kosten van het geding te veroordelen;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT

A — De ontvankelijkheid

Overwegende, dat de Commissie zich ter betwisting van de ontvankelijkheid van het verzoek bedient van meerdere middelen, welke deels nietnakoming der voorschriften nopens de bevoegdheid en de procesvoering, in bijlage F van voormelde overeenkomst van 22 juli 1959 omschreven, deels niet-naleving van de vormvoorschriften en termijnen, bij indiening van een verzoek tot nietigverklaring in acht te nemen, inhouden;

dat ter beoordeling dezer middelen eerst de strekking van het verzoek en 's Hofs bevoegdheid tot kennisneming daarvan moeten worden onderzocht;

1. De strekking van het verzoek en de bevoegdheid van het Hof

Overwegende, dat ten deze volgens de Commissie sprake is van een verzoek tot nietigverklaring van haar weigering het Verbruiksbelastingkantoor in voege als voormeld verlof tot plaatsopneming te verlenen;

dat verzoeker heeft doen zeggen voor repliek, dat zijn verzoek „er toe strekt de weigering der Commissie te doen herroepen”, hetgeen „neerkomt op een overeenkomstig artikel 1 van bijlage F tot het Hof van Justitie gericht verzoek om verlof”;

Overwegende, dat met het verzoek wordt beoogd van het Hof een titel te bekomen, krachtens welke de door het Verbruiksbelastingkantoor aangewezen personen zich wettiglijk — en desnoods tegen de wil van de Instelling — toegang mogen verschaffen tot haar gebouwen en lokaliteiten teneinde aldaar een rechtshandeling te verrichten, welke aan vaststelling ener gemeentelijke belasting onmiddellijk voorafgaat;

dat zodanige ingreep van een bestuursorgaan in de belangensfeer van een communautaire instelling een administratieve dwangmaatregel is zowel in de zin van artikel 1 van bijlage F als in die van artikel 1 (oud) van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, waarvoor verlof van het Hof van Justitie nodig is;

dat het request, gezien zijn werkelijke strekking, geacht moet worden een verzoek om verlof in te houden, tot kennisneming waarvan het Hof krachtens artikel 1 (oud) van het Protocol bevoegd is;

2. De andere middelen van niet-ontvankelijkheid

  1. Overwegende, dat de Commissie heeft gesteld, dat volgens de artikelen 35, 36, 37 en 40 van bijlage F alleen zij zelve en de Italiaanse Regering bevoegd zijn zich — na wederzijds overleg — tot het Hof van Justitie te wenden;

    Overwegende, dat de Commissie krachtens artikel 35 van voornoemde bijlage F gehouden is om, in overleg met de Italiaanse Regering, alle maatregelen te nemen ter voorkoming dat van de bedongen voordelen op onjuiste wijze gebruik wordt gemaakt;

    dat de Italiaanse Regering volgens artikel 36 ook alle maatregelen heeft te nemen welke de procedures ter uitvoering van de bepalingen van bijlage F bevorderlijk voor een goede gang van zaken in het Centrum doen zijn;

    dat ingevolge artikel 37 partijen zich in geval van verkeerde toepassing dier bepalingen met elkander hebben te verstaan nopens de te nemen maatregelen;

    dat voorts in artikel 40 wordt bepaald, dat „alleen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd is uitspraak te doen, wanneer nopens de tenuitvoerlegging en de uitlegging van deze overeenkomst tussen de regering en de Commissie geschillen mochten ontstaan”;

    Overwegende, dat deze bepalingen niet van zo beperkte strekking zijn als de Commissie meent;

    dat ingevolge artikel 1 (oud) van het Protocol na verlof van het Hof van Justitie bepaalde dwangmaatregelen kunnen worden genomen;

    dat, wanneer de Commissie ter verzekering — en, voor zoveel nodig, aanvulling — van de uitvoering van het Protocol met de desbetreffende Staat een overeenkomst betreffende haar vestiging(en) aldaar heeft kunnen sluiten, zodanige overeenkomst de rechten en waarborgen, welke de Lid-Staten en hun organen, de instellingen van de Gemeenschap en de individuele rechtssubjecten rechtstreeks aan genoemd Protocol kunnen ontlenen, onverlet laat;

    dat de bijzondere bepalingen van een overeenkomst tussen de Commissie en de regering van een Lid-Staat derhalve aan de ontvankelijkheid van een onmiddellijk op het Protocol berustend verzoek geen afbreuk vermogen te doen;

    dat de door de Commissie bedoelde bepalingen, met name artikel 40 van bijlage F, dan ook alleen toepassing mogen vinden inzake geschillen welke bij gebreke van dit voorschrift, als gevolg van het stelsel der in het Verdrag voorziene jurisdictievoorschriften en met name ingevolge artikel 155 van het Verdrag, niet tot 's Hofs bevoegdheid zouden hebben behoord;

    dat het door de Commissie opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid derhalve moet worden verworpen;

  2. Overwegende, dat de Commissie vervolgens heeft gesteld, dat het verzoekschrift na expiratie van de in artikel 146 van het Verdrag voorziene termijn van twee maanden is ingediend;

    Overwegende, dat het verzoek niet strekt tot nietigverklaring van een handeling der Commissie, zodat de voor verzoeken tot nietigverklaring voorgeschreven termijn van twee maanden niet geldt;

  3. Overwegende, dat volgens de Commissie de identiteit van verzoeker moeilijk kan worden vastgesteld en dat het Verbruiksbelastingkantoor ingevolge de Italiaanse wet niet bevoegd is in rechte op te treden;

    Overwegende, dat uit het verzoekschrift enerzijds met voldoende duidelijkheid blijkt, dat verzoeker is het Verbruiksbelastingkantoor te Ispra, vertegenwoordigd door de directeur N. Cavion;

    dat anderzijds krachtens artikel 1 (oud) van het Protocol het volgens de nationale rechtsvoorschriften bevoegde bestuursorgaan het aldaar voorziene verlof mag vragen;

    dat het middel derhalve moet worden verworpen;

B — Ten principale

Overwegende, dat de Commissie haar weigering motiveert met de overweging, dat zij krachtens artikel 7, lid 3, van bijlage F, van door de gemeente Ispra op bouwmaterialen geheven plaatselijke belasting is vrijgesteld, zodat een onderzoek ter plaatse geen zin heeft;

Overwegende, dat in artikel 7, lid 3, van de bijlage is bepaald dat „de Gemeenschap voor de inrichting en werking van het Centrum van de gemeentelijke verbruiksbelastingen is vrijgesteld”;

Overwegende, dat partijen het erover eens zijn, dat de litigieuze belasting een gemeentelijke verbruiksbelasting is als bedoeld in artikel 7, lid 3;

dat hier sprake is van een belasting in de zin van artikel 3, alinea 2 (oud), van het Protocol en dat de belanghebbende Staat aan het verlenen van immuniteit bepaalde voorwaarden kan verbinden;

Overwegende, dat ingevolge artikel 14 een vrijstelling krachtens artikel 7, lid 3, van geval tot geval op verzoek van de Commissie door het Ministerie van Financiën wordt verleend;

dat door de Commissie niet is gesteld, dat zij zodanig verzoek heeft ingediend of dat daarop gunstig is beschikt;

dat verzoeker er, wanneer aldus onzeker blijft of een vrijstelling als voorbedoeld zal worden verleend, belang bij heeft tot de ter vaststelling van de aanslag noodzakelijke verificaties over te gaan;

Overwegende, dat bij het onderzoek der zaak geenszins is gebleken, dat de verlangde maatregel als bezwarend is te beschouwen in die zin, dat gevaar voor de goede gang van zaken in — dan wel voor de onafhankelijkheid of veiligheid van — het Centrum en zijn diensten zou ontstaan;

dat het gevraagde verlof dan ook kan worden verleend;

dat bedoelde maatregel, een vóór eventuele vaststelling van belasting ter plaatse in te stellen onderzoek, op later tenemen beslissingen niet prejudicieert;

C — Ten aanzien van de kosten

Overwegende, dat nu verzoeker in het gelijk wordt gesteld, de Commissie alle op het geding gevallen kosten zou hebben te betalen;

Overwegende, dat verzoeker evenwel om veroordeling der Commissie in die kosten niet heeft verzocht, zodat hij zijn eigen kosten zal moeten dragen;

Gezien de stukken;

Gezien het rapport van de Rechter-Rapporteur;

Gehoord partijen;

Gehoord de conclusie van de Advocaat-Generaal;

Gezien de artikelen 146, 153, 155, 191, 193 en 207 van het Verdrag tot oprichting van de E.G.A.;

Gezien het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, met name artikel 1;

Gezien het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de E.G.A;

Gezien het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen;

HET HOF VAN JUSTITIE,

  1. Verleent verzoeker verlof over te gaan tot schatting van de bouwmaterialen, bedoeld in het „avviso di accertamento costruzioni edilizie”, dat op 5 oktober 1965 aan de Commissie werd betekend;

  2. Compenseert de kosten van het geding des dat iedere partij de eigen kosten drage;

  3. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Luxemburg, zeventien december negentienhonderdachtenzestig.

De Griffier,

A. Van Houtte

De President,

R. Lecourt