Hof van Justitie EU 07-11-1972 ECLI:EU:C:1972:94
Hof van Justitie EU 07-11-1972 ECLI:EU:C:1972:94
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 7 november 1972
Uitspraak
In de zaak 20-72,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, in het aldaar aanhangig geding tussen
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economische Zaken, burelen gevestigd te Brussel, De Meeûssquare 23,
ende NAAMLOZE VENNOOTSCHAP COBELEX, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te Antwerpen, Groenendalstraat 24,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: R. Lecourt, President, R. Monaco en P. Pescatore, Kamerpresidenten, A. M. Donner (rapporteur), A. Trabucchi, J. Mertens de Wilmars en H. Kutscher, Rechters,
Advocaat-Generaal: K. Roemer
Griffier: A. Van Houtte
het navolgende
ARREST
Ten aanzien van de feiten
I — De feiten en het procesverloop
Overwegende dat de feiten en het procesverloop kunnen worden samengevat als volgt:
In de maanden januari en februari 1964 heeft de naamloze vennootschap COBELEX, verweerster in het hoofdgeding, mais uit Frankrijk in België ingevoerd. De desbetreffende invoervergunningen waren afgegeven door de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen (hierna te noemen C.D.C.V.) en wel op 29 november 1963 en 3 december 1963. Op beide vergunningen was onder de rubrieken „recht” en „tax” vermeld: „O”. Voor deze vergunningen had COBELEX per telex aan de C.D.C.V. verzocht de heffing op nihil te bepalen. Na haar in de loop van de maand maart 1964 „definitieve afrekeningen” betreffende deze invoeren te hebben gezonden heeft de C.D.C.V. COBELEX bij brief van 6 juli 1964„verbeterde afrekeningen” doen toekomen en voor de eerste invoer een heffing van 687 712 Bfr en voor de tweede een heffing van 1 953 105 Bfr gevorderd. Beide verbeterde afrekeningen bevatten de vermelding: „DD4 vermeldt restitutie derde landen. Heffing derde landen — 5,5 Bfr 100 kg”.
Bedoelde invoeren vonden plaats onder vigeur van 's Raads verordening nr. 19 van 4 april 1962, houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, waarbij één enkel voor de gehele Gemeenschap geldend prijzenstelsel werd ingevoerd met dien verstande evenwel dat de Lid-Staten binnen door de Gemeenschap bepaalde grenzen (artikel 6, lid 1), ieder voor zich de basisrichtprijzen (artikel 5, lid 2), de interventieprijzen (artikel 7) en de drempelprijzen (artikelen 4 en 8) vaststellen.
Om het voorlopig nog bestaande verschil tussen de prijzen binnen de Gemeenschap op te vangen, voorzag de marktordening in een stelsel van intracommunautaire heffingen. De Lid-Staten stelden ieder voor zichzelf deze heffingen vast volgens de voorschriften van verordening nr. 19, onder meer de artikelen 2 en 3. Zij werden berekend aan de hand van twee factoren: a) de prijs van het uit de uitvoerende Lid-Staat afkomstige produkt franco-grens invoerende Lid-Staat (door de Commissie volgens artikel 3 vast te stellen): b) de drempelprijs van de invoerende Lid-Staat. Het verschil tussen a) en b) verminderd met een forfaitair bedrag vormde het bedrag van de heffing. Het stelsel van de intracommunautaire heffingen was van toepassing op in een Lid-Staat geoogste produkten. Uit de systematiek van verordening nr. 19 en omschrijving en functie dezer heffing volgt dat onder de regeling van de artikelen 2 en 3 alleen konden vallen produkten, in de uitvoerende Lid-Staten aangekocht in de prijssituatie waarvan de regeling uitgaat. De bijzondere regelen van artikel 19, lid 2, sub a, zijn gegeven voor een geval waarin de omstandigheden bedoeld in de artikelen 2 en 3 door het ingrijpen van de uitvoerende Lid-Staat werden gewijzigd. Met dit artikel was beoogd het in sommige landen bestaande gebruik om bij uitvoer naar een andere Lid-Staat met een lagere prijs, de exportprijs tot het niveau van de wereldmarktprijs te verlagen, in stand te houden. Echter moest worden belet dat produkten waarvan de prijs aldus tot het niveau van de wereldmarkt was verlaagd, het prijsniveau in de invoerende Lid-Staat in gevaar zouden brengen. Deze produkten moesten derhalve worden onderworpen aan bijzondere intracommunautaire heffingen waarvan het bedrag gelijk was aan de heffing „derde landen”, verminderd met een forfaitair bedrag.
In casu verleende de uitvoerende Lid-Staat, Frankrijk, een restitutie „derde landen” bij de uitvoer van mais: in de certificaten inzake goederenverkeer DD4 was vermeld dat de restitutie die door de Franse overheid was verleend, was de restitutie „derde landen”, hetgeen de C.D.C.V. aanleiding gaf de afrekeningen te verbeteren en de heffing „derde landen” op COBELEX's maisinvoeren toe te passen.
Voor de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen worden partijen nu verdeeld gehouden door de vraag of de heffingen, gezien de desbetreffende voorschriften, onder meer artikel 19, lid 2, sub a, van verordening nr. 19, terecht zijn gevorderd.
Bij vonnis van 26 april 1972 heeft de Rechtbank van Koophandel het Hof verzocht om een beslissing inzake de volgende vraag:
-
Houdt artikel 19, lid 2 van de verordening nr. 19 van de Raad van 4 april 1962, voor de invoerende Lid-Staat de verplichting in, indien de uitvoerende Lid-Staat restituties verleent, onmiddellijk heffingen toe te passen ten laste van de invoerder, of mag de invoerende Lid-Staat dit doen met ingang van een latere, door de invoerende Lid-Staat vrij vast te stellen datum?
-
In de eerste hypothese, geldt deze verplichting dan enkel in de verhouding tussen de betrokken Lid-Staten onderling, of beïnvloedt zij ook, zonder meer en door zichzelf, de verhouding invoerende Lid-Staat/invoerder, in die zin dat het zonder belang is dat de invoerder alle ter zake geldende formele voorschriften heeft nageleefd om het bedrag van de heffing tijdig te kennen en te fixeren, indien de invoerende Lid-Staat pas later ontdekt dat in het land van uitvoer restituties verleend werden?
-
Gaat, eveneens in de eerste hypothese van de eerste vraag, het „self-executing” karakter van artikel 19, lid 2 van de verordening nr. 19 zo ver, dat buiten de kennisgevingen, voorzien in artikel 19, lid 2 voorlaatste alinea, elke publikatie vooraf, ten behoeve van de in- en uitvoerders zelf, op de wijze voorzien door de nationale wetgevingen van de betrokken Lid-Staten, overbodig is?
Het verwijzingsvonnis is op 8 mei 1972 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Overeenkomstig artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door COBELEX, de Belgische regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Op rapport van de rechter-rapporteur en de Advocaat-Generaal gehoord, heeft het Hof besloten niet tot instructiemaatregelen over te gaan.
Ter terechtzitting van 26 september 1972 hebben COBELEX en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
Verweerster in het hoofdgeding was ten processe vertegenwoordigd door G. Van Hecke, advocaat te Antwerpen, en de Commissie door haar juridisch adviseur J. Bourgeois.
De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 5 oktober 1972 zijn conclusie genomen.
II — Schriftelijke opmerkingen gemaakt krachtens artikel 20 van het protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie
Overwegende dat de opmerkingen gemaakt krachtens artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie kunnen worden samengevat als volgt:
1. De eerste vraag
-
COBELEX, verweerster in het hoofdgeding, betoogt dat de tekst van artikel 19, lid 2, op zichzelf op deze vraag geen antwoord geeft. Al ware de Belgische Staat verplicht de hierbedoelde heffingen toe te passen, dan nog zou die verplichting moeten worden verzoend met het rechtmatig belang der invoerders bij de betrouwbaarheid van ambtelijke mededelingen die bij invoer worden verstrekt. Vertraging bij de invoering der heffingen door de Belgische Regering mag niet tot gevolg hebben dat de invoerders wegens zulk een tekortkoming geldelijk nadeel lijden. De vraag moet daarom volgens COBELEX ontkennend worden beantwoord.
-
De Belgische Regering betoogt dat de uitvoerende Lid-Staten weliswaar vrij bleven de restitutie „derde landen” (artikel 19, lid 2, b) al dan niet toe te kennen, doch dat de invoerende Lid-Staten, zodra zulk een restitutie is verleend, verplicht zijn de in lid 2, sub a, bedoelde heffing toe te passen. Deze uitlegging volgt haars inziens uit de systematiek van verordening nr. 19 alsook uit artikel 19, lid 2.
Artikel 19, lid 2, sub a, maakt deel uit van een verordening als bedoeld in artikel 189 EEG en is derhalve rechtstreeks toepasselijk (des dat zijn rechtswerking niet afhangt van een „nationale goedkeuringsformule”). De in dit voorschrift opgelegde verplichting is welbepaald en onvoorwaardelijk en geldt dus ipso jure in de verhouding tussen de invoerende Lid-Staat en de importeur. De invoerende Lid-Staat moest de betrokken heffingen derhalve toepassen, zodat de vraag ontkennend moet worden beantwoord.
De Commissie belicht de doelstellingen en systematiek van verordening nr. 19 om vervolgens de tekst van artikel 19, lid 2, sub a, te bespreken, waarbij zij tot dezelfde conclusie komt als de Belgische regering. Bij niet-toepassing der heffing bedoeld in artikel 19, lid 2, sub a, op produkten waarvoor de uitvoerende Lid-Staat een restitutie „derde landen” heeft verleend, zou onder de drempelprijs van de invoerende Lid-Staat worden ingevoerd en het gewenste prijsniveau in gevaar worden gebracht — en daarmede één der doelstellingen van verordening nr. 19, te weten de nationale richtprijzen nader te brengen tot een gemeenschappelijke richtprijs —. De Commissie stelt voor de eerste vraag als volgt te beantwoorden:
„Artikel 19, lid 2, sub a, van verordening nr. 19 van de Raad van 4 april 1962 verplicht de invoerende Lid-Staat de voorgeschreven heffingen onmiddellijk en op alle invoeren toe te passen ten aanzien waarvan de uitvoerende Lid-Staat restituties „derde landen” verleent.”
2. De tweede vraag
-
COBELEX betoogt dat het algemeen beginsel der rechtszekerheid medebrengt dat de fixatie der afrekeningen onherroepelijk moet zijn nadat de invoerverrichtingen hebben plaatsgehad. De vraag moet haars inziens ontkennend worden beantwoord.
-
De Belgische Regering merkt op dat het in de lijn ligt van haar standpunt ten aanzien van de eerste vraag, dat aan de gelding van rechtstreeks uit artikel 19, lid 2, sub a, van verordening nr. 19 voortvloeiende importeursverplichtingen geen afbreuk wordt gedaan door de toepassing van derogerende nationale maatregelen en dat die gelding niet afhangt van bepalingen behorende tot de nationale rechtsorde. Toekenning van restituties „derde landen” door de exporterende Lid-Staat is de enige voorwaarde waarvan de importeursverplichting tot betaling van de heffingen, bedoeld in artikel 19, lid 2, sub a, afhangt.
-
De Commissie betoogt dat in het algemeen de toepassing van nationale maatregelen die met communautaire bepalingen met rechtstreekse werking onverenigbaar zijn, is uitgesloten. Dit geldt ook voor communautaire bepalingen waaruit voor de ondernemers rechtstreeks verplichtingen voortvloeien.
Uit artikel 19, lid 2, sub a, vloeit voor een importeur die produkten uit een andere Lid-Staat invoert, voor welke invoer deze Lid-Staat een restitutie „derde landen” heeft verleend, rechtstreeks de verplichting voort de in dit artikel omschreven heffing te betalen. De verplichting tot betaling van de bijzondere intracommunautaire heffing van artikel 19, lid 2, wordt niet beïnvloed door de omstandigheid dat de invoerende Lid-Staat abusievelijk de normale intracommunautaire heffing, omschreven in artikel 2, van verordening nr. 19, heeft toegepast.
Enerzijds vermag het feit dat een Lid-Staat verplicht is tot invordering der voorgeschreven heffing niet — op grond van enige nationale rechtsregel — het bestaan van deze heffingsschuld als zodanig aan te tasten.
Anderzijds wijst niets in de communautaire regeling erop dat een heffingsschuld die rechtstreeks ontstaat uit een bepaling als artikel 19, lid 2, sub a, van verordening nr. 19, krachtens deze regeling als niet bestaande zou moeten worden aangemerkt wanneer een als orgaan van communautair medebewind optredende Lid-Staat deze bepaling in concreto verkeerd toepast.
De vraag ware volgens de Commissie als volgt te beantwoorden:
„Het bestaan van de verplichting die uit dit artikel rechtstreeks voortvloeit voor de importeur wordt niet aangetast door een gebrekkige toepassing van dit artikel door de invoerende Lid-Staat”.
3. De derde vraag
-
COBELEX betoogt dat luidens artikel 15 van verordening nr. 19 de bedragen van de heffingen door de Lid-Staten worden berekend en ter kennis van de andere Lid-Staten en van de Commissie gebracht. Daaruit volgt haars inziens dat de kennisgeving van de heffing aan de invoerders een aangelegenheid is die door iedere Lid-Staat zelf moet worden geregeld. Dit zou te meer zo zijn omdat de Commissie niet zelf zorgt voor de kennisgeving van de heffingen, die bovendien in 1964 van Lid-Staat tot Lid-Staat verschilden. De vraag moet derhalve ontkennend worden beantwoord.
-
De Belgische Regering merkt op, dat elke nationale mededeling inzake de heffing bedoeld in artikel 19, lid 2, sub a, slechts een informatief karakter draagt en derhalve niet is te beschouwen als een handeling waarbij aan justitiabelen rechten worden verleend die moeten worden beschermd. Zodanige prealabele mededeling ware trouwens, gezien het rechtstreeks bindend karakter van artikel 19, lid 2, sub a, overbodig.
-
De Commissie betoogt, dat de toepassing der in artikel 19, lid 2, sub a, omschreven heffing niet afhangt van enige voorafgaande publikatie met betrekking tot deze toepassing. Bekendmaking van de bijzondere intracommunautaire heffingen is overbodig, daar zij het resultaat zijn van een eenvoudige berekening waarbij van het door de invoerende Lid-Staat ten opzichte van derde landen geheven bedrag bovengenoemd forfaitair bedrag wordt afgetrokken, welke beide gegevens gepubliceerd waren.
Het enige gegeven ten aanzien waarvan het probleem van de bekendmaking zou kunnen worden gesteld, is de omstandigheid dat de uitvoerende Lid-Staat restituties „derde landen” verleent. In Frankrijk, in casu de uitvoerende Lid-Staat, zijn de kringen der belanghebbenden hiervan tijdig op de hoogte gesteld. Uit de in het hoofdgeding overgelegde stukken blijkt dar het Belgische bedrijfsleven in de betrokken sector op zijn minst met de Franse beslissing bekend had moeten zijn.
Van doorslaggevend belang is echter dat ten tijde van de invoer de importeurs een „certificaat inzake goederenverkeer DD4” moesten overleggen, waarin de aard der door de uitvoerende Lid-Staat verleende restitutie vermeld diende te worden. De omstandigheid dat de uitvoerende Lid-Staat voor de betrokken partij een restitutie „derde landen” verleende, moest de importeur derhalve op de dag van de invoer bekend zijn. Daarenboven kon en mocht de importeur zich tijdig vergewissen van de „status” — ten aanzien van het heffingsstelsel — der waren welke hij wenste in te voeren.
De Commissie stelt voor de derde vraag als volgt te beantwoorden:
„Voor de toepassing van de in dit artikel bedoelde heffing is niet vereist dat de invoerende Lid-Staat voorafgaandelijk bekend maakt dat de uitvoerende Lid-Staat, restituties „derde landen” verleent”.
Ten aanzien van het recht
1 Overwegende dat de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen bij vonnis van 26 april 1972, bij het Hof ingekomen op 8 mei 1972, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van artikel 19, lid 2, van verordening nr. 19 van de Raad van 4 april 1962 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB nr. 30, 1962);
2 dat volgens deze bepaling „een Lid-Staat die overeenkomstig de bepalingen van deze verordening het recht heeft heffingen toe te passen ten opzichte van een andere Lid-Staat … bij uitvoer naar dat land een bedrag [kan] restitueren, dat gelijk is aan de restitutie die … verleend wordt bij uitvoer naar derde landen”;
3 dat in dit artikel voorts wordt bepaald dat „indien een restitutie bij uitvoer wordt verleend,… het bedrag dat door de invoerende Lid-Staat wordt geheven, gelijk [is] aan het ten opzichte van derde landen overeenkomstig de bepalingen van deze verordening geheven bedrag, verminderd met het in artikel 2, lid 1, bedoelde forfaitaire bedrag”;
4 Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd of artikel 19, lid 2, voor de invoerende Lid-Staat de verplichting inhoudt om, wanneer de uitvoerende Lid-Staat restituties „derde landen” verleent, onmiddellijk heffingen ten laste van de invoerder toe te passen dan wel of de invoerende Lid-Staat dit mag doen met ingang van een latere door de invoerende Lid-Staat vrijelijk vast te stellen datum;
5 Overwegende dat blijkens genoemd artikel 19, lid 2, op invoeren in genoemde omstandigheden slechts de litigieuze heffing van toepassing is;
6 dat de opvatting volgens welke men vrij zou zijn de in verordening nr. 19 bedoelde heffingen al dan niet toe te passen, onverenigbaar ware met de doelstelling dezer verordening, te weten geleidelijk een gemeenschappelijke ordening der markten in te voeren;
7 dat immers bij niet-toepassing van bedoelde heffingen, waaronder die van artikel 19, lid 2, onder de drempelprijs van de invoerende Lid-Staten zou worden ingevoerd en het gewenste prijsniveau, alsook het geleidelijk nader brengen van de nationale richtprijzen tot de gemeenschappelijke richtprijzen, in gevaar zou worden gebracht;
8 dat deze slotsom bevestiging vindt in de voorschriften van artikel 15, lid 3, welker imperatieve aard bij vergelijking met de — facultatieve — restitutiebepalingen (artikelen 19, lid 2, en 20) in het oog springt;
9 dat hieruit volgt dat artikel 19, lid 2, sub a), de invoerende Lid-Staat verplicht de voorgeschreven heffing toe te passen op alle importen waarvoor de uitvoerende Lid-Staat restituties „derde landen” heeft verleend;
10 Overwegende dat in de tweede plaats wordt gevraagd of deze verplichting van de invoerende Lid-Staat van rechtswege de verhouding tussen die Staat en de invoerder raakt in die zin dat het zonder belang is dat de invoerder alle terzake geldende formele voorschriften heeft nageleefd om het bedrag van de heffing tijdig te kennen en te fixeren, indien de invoerende Lid-Staat pas later ontdekt dat in het land van uitvoer restituties verleend werden;
11 dat in de derde plaats meer in het bijzonder gevraagd wordt of de rechtstreekse werking van artikel 19, lid 2, zover gaat dat buiten de kennisgevingen bedoeld in de voorlaatste alinea van dit lid, elke publikatie vooraf ten behoeve van de in- en uitvoerders zelf, op de wijze voorzien in de nationale wetgevingen, overbodig is;
12 Overwegende dat de bepalingen van artikel 19 deel uitmaken van een Gemeenschapsverordening en mitsdien krachtens artikel 189 van het Verdrag in elke Lid-Staat rechtstreeks toepasselijk zijn;
13 dat bovendien de aard en doelstellingen van verordening nr. 19 medebrengen dat — in het kader der daarbij ingestelde gemeenschappelijke ordening der markten — haar bepalingen in alle Lid-Staten met eenzelfde bindende kracht moeten worden toegepast;
14 Overwegende dat allereerst de aandacht dient te worden gevestigd op de omstandigheid dat de bepalingen betreffende de prefixatie der heffing naar hun aard slechts betrekking hebben op de intra-communautaire heffingen bedoeld in artikel 2 van verordening nr. 19;
15 dat waar de toepasselijkheid van de heffing van artikel 19, lid 2, sub a), tweede zin, ervan afhangt of de uitvoerende Lid-Staat gebruik maakt van zijn bevoegdheid restituties „derde landen” te verlenen, haar prefixatie ruimte laat voor ongewisse factoren die de invoerende Lid-Staat niet steeds kan voorzien;
16 dat voorts de voorwaarde die in artikel 19 aan de verlening van restituties „derde landen” in de intra-communautaire handel wordt gesteld, te weten dat de uitvoerende Lid-Staat gerechtigd moet zijn heffingen op invoer uit de invoerende Lid-Staat toe te passen, medebrengt dat de heffing bedoeld in artikel 2 der verordening voor de handel in omgekeerde richting op nihil wordt vastgesteld;
17 dat de importeurs derhalve alleen wanneer de heffing ex artikel 2 voor de invoeren van een Lid-Staat op nihil wordt vastgesteld, met toepassing van de litigieuze bepalingen van artikel 19 hebben te rekenen;
18 Overwegende dat ten slotte voor de toepassing van artikel 19, lid 2, sub a), geen bijzondere voor de importeurs bestemde kennisgevingen of publikaties nodig zijn;.
19 dat immers de kennisgevingen waarop de Rechtbank van Koophandel doelt, in artikel 19, lid 2, sub b), zijn voorgeschreven en dus betrekking hebben op een ander geval dan sub a) bedoeld;
20 dat weliswaar de gezagsorganen van het land van invoer desgewenst door middel van nadere informatie de aandacht van belanghebbenden kunnen vestigen op artikel 19, lid 2, sub a) — en zijn mogelijke gevolgen —, doch dat zodanige publikaties voor toepassing der bepaling niet nodig zijn;
21 dat trouwens in de beschikking van de Commissie tot invoering van bijzondere methoden van administratieve samenwerking inzake de toepassing van de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingestelde intra-communautaire heffingen van 17 juli 1962 (PB 1962, blz. 2140) is bepaald dat een „certificaat inzake goederenverkeer van model DD4”, waarin de aard der door de uitvoerende Lid-Staat verleende restitutie moet worden gespecificeerd, dient te worden overgelegd aan de douaneautoriteiten van de invoerende Lid-Staat (artikel 6), terwijl de importeur er kennis van kan nemen;
22 Overwegende dat hieruit volgt dat de regel van artikel 19, lid 2, sub a), in alle Lid-Staten rechtstreeks toepasselijk en voor de justitiabelen bindend is, zonder dat aanvullende publikaties van de zijde van de invoerende Lid-Staat nodig zijn;
Ten aanzien van de kosten
23 Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen en dat de procedure ten aanzien van partijen in het geding voor de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat deze instantie over de kosten heeft te beslissen;
Gezien de processtukken;
Gehoord het rapport van de Rechter-Rapporteur;
Gehoord de mondelinge opmerkingen van partijen in het hoofdgeding en de Commissie van de Europese Gemeenschappen;
Gehoord de conclusie van de Advocaat-Generaal;
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, met name artikel 177;
Gelet op het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, met name artikel 20;
Gelet op verordening nr. 19 van de Raad van 4 april 1962, met name artikel 19, lid 2;
Gelet op het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen;
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende inzake de vragen door de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen bij vonnis van 26 april 1972 gesteld, verklaart voor recht:
-
Artikel 19, lid 2, sub a), van verordening nr. 19 van de Raad verplicht de invoerende Lid-Staat de voorgeschreven heffing toe te passen op alle invoeren waarvoor de uitvoerende Lid-Staat de restituties „derde landen” heeft verleend;
-
De in deze bepaling gegeven regel is in alle Lid-Staten rechtstreeks toepasselijk en voor de justitiabelen bindend, zonder dat aanvullende publikaties van de zijde van de invoerende Lid-Staat noodzakelijk zijn.
Lecourt
Monaco
Pescatore
Donner
Trabucchi
Mertens de Wilmars
Kutscher
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op zeven november negentienhonderdtweeënzeventig.
De Griffier
A. Van Houtte
De President
R. Lecourt