Home

Hof van Justitie EU 27-03-1974 ECLI:EU:C:1974:25

Hof van Justitie EU 27-03-1974 ECLI:EU:C:1974:25

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
27 maart 1974

Uitspraak

ARREST VAN 27-3-1974 — ZAAK 127-73 BRT / SABAM EN FONIOR

In de zaak 127-73

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, in de aldaar aanhangige gedingen tussen

  1. BELGISCHE RADIO EN TELEVISIE

en

NV FONIOR

  1. SV SABAM, Belgische Vereniging van auteurs, componisten en uitgevers

en

NV FONIOR

  1. BELGISCHE RADIO EN TELEVISIE

en

SV SABAM en NV FONIOR

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: R. Lecourt, President, A. M. Donner en M. Sørensen, Kamerpresidenten, R. Monaco, J. Mertens de Wilmars, P. Pescatore, H. Kutscher, C. Ó Dálaigh en A. J. Mackenzie Stuart (rapporteur), Rechters,

Advocaat-Generaal: H. Mayras

Griffier: A. Van Houtte

het navolgende

ARREST

Ten aanzien van de feiten

I — De feiten en het procesverloop

Overwegende dat het Hof, alvorens uitspraak te doen op de door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel gestelde vragen, bij arrest van 30 januari 1974 (Jurisprudentie, blz. 51) heeft beslist de Advocaat-Generaal omtrent de zaak ten gronde te horen;

dat de eerste vraag inhoudt of „het feit dat een onderneming, die over het feitelijk monopolie beschikt in een Lid-Staat de auteursrechten te beheren, de globale afstand eist van alle auteursrechten zonder onderscheid te maken tussen bepaalde categorieën, kan worden beschouwd als een misbruik van een economische machtspositie in de zin van artikel 86 van het EEG-Verdrag”;

dat de tweede vraag inhoudt of „misbruik van economische machtspositie er ook in kan bestaan dat een dergelijke onderneming bedingt dat een auteur zijn tegenwoordige en toekomstige rechten afstaat en in het bijzonder dat, zonder dat enige verantwoording noodzakelijk vveze, de afgestane rechten in hun uitoefening vijf maatschappelijke jaren volgend op het ontslag van de vennoot aan die onderneming behouden blijven”;

dat de derde vraag inhoudt „hoe het begrip” onderneming belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang" dient te worden begrepen en of hiervoor is vereist dat deze onderneming bepaalde voorrechten zou hebben die aan andere ondernemingen ontzegd zijn";

dat de vierde vraag inhoudt of „de bepaling van artikel 90, lid 2, van het Verdrag voor particulieren rechten kan scheppen die de nationale rechter moet handhaven”;

dat ten aanzien van de feiten, het onderwerp van de vraag en de standpunten van partijen naar 's Hofs voormeld arrest wordt verwezen;

dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 12 februari 1974 conclusie heeft genomen;

Ten aanzien van het recht

1 Overwegende dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel bij vonnis van 4 april 1973, ingekomen ter griffie van het Hof op 19 april 1973, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag een aantal vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van artikel 86 en artikel 90, lid 2, van genoemd Verdrag;

2 dat deze vragen de nationale rechter in staat moeten stellen de geldigheid te beoordelen van de in 1963 en 1967 tussen de Belgische Vereniging van auteurs, componisten en uitgevers („Sabam”) en twee auteurs gesloten overeenkomsten, waarbij die auteurs bepaalde rechten aan Sabam hebben overgedragen;

3 Overwegende dat de eerste vraag inhoudt of een onderneming, die in een Lid-Staat over het feitelijke monopolie van het beheer van auteursrechten beschikt, misbruik van haar machtspositie maakt door de globale afstand van alle auteursrechten te eisen, zonder daarbij onderscheid tussen bepaalde categorieën te maken;

4 dat de tweede vraag inhoudt of misbruik er ook in kan bestaan dat een onderneming bedingt dat een auteur zijn tegenwoordige en toekomstige rechten afstaat en dat, zonder dat enige verantwoording noodzakelijk weze de uitoefening van de afgestane rechten gedurende de vijf jaren volgend op het ontslag van de vennoot aan die onderneming behouden blijven;

5 dat uit het verwijzingsvonnis volgt dat de nationale rechter, na te hebben vastgesteld dat de betrokken onderneming in feite over een quasi-monopolie op het Belgische grondgebied beschikte en derhalve een machtspositie op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt innam, heeft overwogen dat hij nog diende na te gaan of deze onderneming van deze machtspositie misbruik maakte in haar statutaire en contractuele betrekkingen met haar aangeslotenen;

6 Overwegende dat luidens artikel 86, tweede alinea, sub a, onder misbruik met name wordt verstaan het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke contractuele voorwaarden;

7 dat derhalve dient te worden onderzocht of de auteursrechtenvereniging krachtens haar statuten of de overeenkomsten die zij met de bij haar aangeslotenen sluit, aan dezen of aan derden rechtstreeks of zijdelings onbillijke voorwaarden oplegt bij de exploitatie van de werken, waarvan haar de bescherming is toevertrouwd ;

8 dat het ter beoordeling daarvan noodzakelijk is alle betrokken belangen in aanmerking te nemen tot bereiking van het evenwicht tussen de maximale vrijheid voor de auteurs, componisten en uitgevers om over hun werk te beschikken en het doeltreffend beheer van hun rechten door een onderneming, waarbij aansluiting voor hen praktisch onvermijdelijk is;

9 dat bij de beoordeling of onder die omstandigheden de in het verwijzingsvonnis vermelde gedragingen al dan niet misbruik in de zin van artikel 86 van het Verdrag opleveren nochtans in aanmerking moet worden genomen dat een dergelijke onderneming een vereniging is, die ten doel heeft de rechten en belangen van haar individuele leden te beschermen onder meer tegenover belangrijke muziekgebruikers en -verspreiders, zoals de radio-omroepen en de grammofoonplaten-fabrikanten ;

10 dat de doeltreffende bescherming van deze rechten en belangen verlangt dat de positie van de vereniging erop is gebaseerd dat de auteurs-vennoten hun rechten aan haar afstaan voorzover zulks noodzakelijk is om haar optreden de nodige draagwijdte en kracht te geven;

11 dat derhalve dient te worden onderzocht of de litigieuze gedragingen de grenzen van het daartoe noodzakelijke overschrijden, mede gelet op het belang dat een individuele auteur erbij kan hebben dat de vrijheid om over zijn werk te beschikken niet méér dan noodzakelijk wordt beperkt;

12 dat te dien aanzien een verplichte overdracht van alle bestaande en toekomstige auteursrechten, zonder onderscheid naar de verschillende algemeen erkende gebruiksvormen, een onbillijke overeenkomst kan opleveren, vooral indien deze overdracht voor een langdurige periode na het uittreden van de vennoot wordt bedongen;

13 dat het buitensporig karakter van dergelijke bedingen door de rechter dient te worden beoordeeld, gelet op het effect dat deze clausules — zowel op grond van hun eigenlijke aard als door hun samenhang — teweeg brengen;

14 dat het eveneens ter beoordeling van de rechter staat of en in hoeverre het eventueel geconstateerde misbruik zijn weerslag vindt op de belangen van de auteurs of van derden-betrokkenen, ten einde daaruit de consequenties te trekken ten aanzien van de geldigheid en de werking van de litigieuze overeenkomsten of van bepaalde clausules daarvan;

15 dat derhalve dient te worden geconcludeerd dat, wanneer een met de exploitatie van auteursrechten belaste onderneming, die een machtspositie in de zin van artikel 86 inneemt, aan de bij haar aangeslotenen verplichtingen oplegt welke ter bereiking van haar maatschappelijk doel niet onontbeerlijk zijn en aldus op onbillijke wijze inbreuk maken op de vrijheid van een aangeslotene in de uitoefening van zijn auteursrecht, zulks misbruik kan opleveren;

16 Overwegende dat bij de derde vraag uitlegging van de uitdrukking „onderneming belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang” wordt verzocht en in het bijzonder wordt gevraagd of dit begrip inhoudt dat de onderneming bepaalde voorrechten moet hebben die aan andere ondernemingen zijn ontzegd;

17 dat de laatste vraag inhoudt of de bepaling van artikel 90, lid 2, van het Verdrag voor particulieren rechten kan scheppen, die de nationale rechter moet handhaven;

18 dat uit het verwijzingsvonnis blijkt dat de derde vraag is gesteld teneinde te vernemen of een vennootschap die door haar vennoten met het beheer van hun auteursrechten is belast, onder die uitdrukking begrepen kan zijn;

19 Overwegende dat, waar het om een bepaling gaat die onder bepaalde omstandigheden een derogatie aan de Verdragsregels mogelijk maakt, een strikte uitlegging van de definitie der ondernemingen die zich daarop kunnen beroepen noodzakelijk is;

20 dat, ook al kunnen particuliere ondernemingen onder deze bepaling vallen, zij niettemin krachtens een overheidsbesluit met het beheer van diensten van algemeen economisch belang moeten zijn belast;

21 dat zulks duidelijk blijkt uit de omstandigheid dat met de verwijzing naar de „hun toevertrouwde bijzondere taak” eveneens wordt gedoeld op ondernemingen die het karakter van een fiscaal monopolie dragen;

22 dat het derhalve tot de taak van de nationale rechter behoort om na te gaan of een onderneming, die zich op grond van artikel 90, lid 2, op een derogatie aan de Verdragsregels beroept, inderdaad door de Lid-Staat met het beheer van een dienst van algemeen economisch belang is belast;

23 dat zulks niet het geval kan zijn bij een onderneming, waaraan de Staat geen enkele taak heeft opgedragen en die particuliere belangen beheert, zelfs wanneer het om door de wet beschermde industriële eigendomsrechten gaat;

24 dat bijgevolg beantwoording der laatste vraag overbodig is geworden;

Ten aanzien van de kosten

25 Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

26 dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

Gezien de processtukken;

Gehoord het rapport van de Rechter-Rapporteur;

Gehoord de mondelinge opmerkingen van de Commissie der Europese Gemeenschappen, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Belgische Radio en Televisie en Sabam;

Gehoord de conclusie van de Advocaat-Generaal;

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, met name de artikelen 86, 90, lid 2, en 177;

Gelet op het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschap, met name artikel 20;

Gelet op het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen;

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel bij vonnis van 4 april 1973 gestelde vragen, verklaart voor recht:

    1. Het feit dat een met de exploitatie van auteursrechten belaste onderneming, die een machtspositie in de zin van artikel 86 inneemt, aan de bij haar aangeslotenen verplichtingen oplegt welke ter bereiking van haar maatschappelijk doel niet onontbeerlijk zijn en aldus op onbillijke wijze inbreuk maken op de vrijheid van een aangeslotene in de uitoefening van zijn auteursrecht, kan misbruik opleveren;

    2. Het staat ter beoordeling van de rechter of en in hoeverre het eventueel geconstateerde misbruik zijn weerslag vindt op de belangen van de auteurs of van derden-betrokkenen, teneinde daaruit de consequenties te trekken ten aanzien van de geldigheid en de werking van de litigieuze overeenkomsten of van bepaalde clausules daarvan;

  1. Een onderneming, waaraan de Staat geen enkele taak heeft opgedragen en die particuliere belangen beheert, valt niet onder de bepalingen van artikel 90, lid 2, van het EEG-Verdrag, zelfs als het om door de wet beschermde eigendomsrechten gaat.

Lecourt

Donner

Sørensen

Monaco

Mertens de Wilmars

Pescatore

Kutscher

Ó Dálaigh

Mackenzie Stuart

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op zevenentwintig maart negentienhonderdvierenzeventig.

De Griffier

A. Van Houtte

De President

R. Lecourt