Hof van Justitie EU 17-09-1974 ECLI:EU:C:1974:87
Hof van Justitie EU 17-09-1974 ECLI:EU:C:1974:87
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 17 september 1974
Conclusie van de advocaat-generaal A. Trabucchi
van 17 september 1974 (1)
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In een geding betreffende de verrekening van de bij 's Raads verordening nr. 141/64/EEG van 21 oktober 1964 voorziene restitutie voor de export naar derde landen van glutenmeel van ander graan dan tarwe, in de zin van tariefpost 11.09, zijn vragen gerezen omtrent de uitlegging van artikel 18 dezer verordening, juncto artikel 3, sub b, van verordening nr. 163/64/EEG der Commissie van 29 oktober 1964, waarin de toepassing van genoemd artikel 18 nader is geregeld.
In samenhang met artikel 17 der verordening, waarin een stelsel van restituties bij de produktie wordt ingesteld voor maïs en zachte tarwe die worden gebruikt door de zetmeelfabrieken, bepaalt artikel 18 dat bij de berekening van het bedrag van de restituties bij de uitvoer voor de in de verordening bedoelde produkten, rekening wordt gehouden met de restituties bij de produktie die voor bovengenoemde grondstoffen worden verleend.
Artikel 3 van uitvoeringsverordening nr. 163/64 van de Commissie luidt: „wanneer een Lid-Staat een restitutie bij de produktie toestaat: … b) wordt de restitutie welke mag worden toegekend bij uitvoer van de in artikel 1 bedoelde verwerkte produkten naar derde landen, bepaald overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 van verordening nr. 141/64/EEG; het bedrag van de restitutie bij uitvoer welke mag worden toegekend, wordt evenwel verminderd met het bedrag van de invloed van de restitutie bij de produktie die door de uitvoerende Lid-Staat op de datum van uitvoer wordt toegekend.”
In mei 1967 exporteerde de firma, waarvan verzoeker in het hoofdgeding eigenaar is, glutenmeel van ander graan dan tarwe, dat door haar was vervaardigd op basis van een uit derde landen ingevoerde grondstof, „cornglutenfeed” genaamd, en gedekt door tariefpost 23.03. Dit basisprodukt viel buiten de gemeenschappelijke marktordening voor landbouwprodukten. Bij binnenkomst in de Gemeenschap was hierop geen heffing toegepast. Bij de export van het uit deze grondstof vervaardigde glutenmeel verleende de Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel (EVstG) een restitutie overeenkomstig artikel 15 van verordening nr. 141/64, waarbij zij rekening houdend met de prijzen voor maïs, het bedrag van de door de uitvoerende staat op de datum van uitvoer toegekende produktierestitutie voor maïs in mindering bracht ingevolge genoemd artikel 3, sub b, van verordening nr. 163/64. De aldus toegekende exportrestitutie bedroeg 47,40 DM per ton.
Verzoeker verlangt echter de volledige exportrestitutie die destijds was voorzien, namelijk 398 DM per ton, daar hij meende dat de produktierestitutie voor maïs ten onrechte in mindering was gebracht: hij had deze niet ontvangen aangezien hij voor de produktie van het glutenmeel een grondstof had gebruikt waarvoor geen produktierestituties werden verstrekt.
Het Bundesfinanzhof besloot het geding te schorsen en het Hof de volgende vragen voor te leggen:
-
Moet artikel 18 van verordening nr. 141/64, juncto artikel 3, sub b, van verordening nr. 163/64 aldus worden uitgelegd, dat de restitutie bij de produktie van zetmeel uit maïs alleen van de exportrestitutie voor gluten in de zin van tariefpost 11.09 moet worden afgetrokken, wanneer voor het ter vervaardiging van glutenmeel in gevoerde maïsprodukt werkelijk een produktierestitutie is toegekend?
-
Zo ja, geldt dit ook dan, wanneer een produktierestitutie niet kan worden verleend, omdat de ingevoerde waar van heffing is vrijgesteld?
De Commissie is van mening dat de mindering steeds moet worden toegepast, gezien het algemeen karakter van artikel 3 van verordening nr. 163/64, waarin geen direct verband wordt gelegd tussen het bij de vaststelling van de exportrestitutie in aanmerking te nemen bedrag der produktierestitutie en de produktiekosten, en ook gezien de eisen der praktijk.
2. Voor de beantwoording van de vraag van het Bundesfinanzhof lijkt mij evenwel de elfde overweging van 's Raads verordening nr. 141/64 van beslissende betekenis. Hierin wordt uitdrukkelijk verklaard: „voor wat de uitvoer naar derde landen betreft [heeft] de restitutie ten doel het verschil tussen de prijzen van de basisprodukten in de uitvoerende Lid-Staat en de wereldmarktprijzen te overbruggen.” De waar die door de exporteur is gebruikt voor de produktie van glutenmeel, behoort duidelijk niet tot de basisprodukten die in de verordening worden genoemd. Het ging, zoals bekend, om een grondstof die niet onder de gemeenschappelijke ordening voor landbouwprodukten viel.
Ook dient te worden bedacht dat ingevolge artikel 15 van verordening nr. 141 bij de vaststelling van het restitutiebedrag rekening moet worden gehouden met de toestand op de wereldmarkt en met de prijzen der basisprodukten die in deze verordening zijn genoemd. In ons geval kan een dergelijk verband niet worden gelegd, aangezien een grondstof is gebruikt die niet is voorzien voor de produktie van waren die voor een restitutie in aanmerking kunnen komen.
De mogelijkheid om exportrestituties voor de betrokken waar toe te kennen, werd de Lid-Staten niet gegeven om de export van glutenmeel zelf, ongeacht de gebruikte grondstof, te stimuleren, maar eerder in verband met het gebruik in de Gemeenschap van bepaalde basisprodukten die onder de gemeenschappelijke marktordening vallen.
3. Naar de Commissie voorts opmerkt, gold de restitutieregeling voor alle soorten glutenmeel om praktische bewijsmoeilijkheden te voorkomen.
Op deze wijze wordt echter het rechtsbeginsel verward met praktische aspecten betreffende het bewijs van de situatie die de toepassing van dat beginsel rechtvaardigt. Deze moeilijkheden kunnen eventueel ten gunste van de exporteur worden opgelost door, behoudens tegenbewijs, aan te nemen dat het uitgevoerde glutenmeel uit maïs is vervaardigd en daarom voor restitutie in aanmerking komt. Maar wanneer het onweerlegbaar bewijs wordt geleverd dat het meel is vervaardigd uit een andere dan de in verordening nr. 141/64 genoemde grondstoffen, zou het strijdig zijn met de functie van het communautaire stelsel om een restitutie toe te kennen. In dat geval mist de restitutie haar grond en is zij derhalve onrechtmatig.
Onder verwijzing naar wat ik heb gezegd in de zaak 149-73 (Witt A. Hauptzollamt Hamburg, Jurispr. blz. 1597) over de noodzaak onderscheid te maken tussen praktische moeilijkheden rond het bewijs en de inhoudsbepaling van juridische begrippen en instituten, zij opgemerkt dat praktische moeilijkheden — niet omtrent de definitie in de wet van een produkt en de wettelijke functie van een premietoekenning, maar alleen betreffende het bewijs van de warenoorsprong van het produkt —, weliswaar kunnen leiden tot praktijkcompromissen waardoor de autoriteiten ertoe worden gebracht in de praktijk uit te gaan van vermoedens op grond van het criterium id quod plerumque accidit en in casu derhalve tot de presumptie dat glutenmeel op basis van ander graan dan tarwe is vervaardigd uit een basisprodukt dat in het algemeen daartoe wordt gebruikt; een dergelijke moeilijkheid kan evenwel geen aanleiding zijn tot een wijziging van het rechtsbeginsel, waardoor ook voor waren die niet zijn gefabriceerd uit genoemde basisprodukten in principe een vergoeding wordt toegestaan, terwijl de premie alleen ten doel heeft de afzet van deze produkten te vergemakkelijken.
4. Daar de betrokken grondstof bovendien uit derde landen was ingevoerd zonder bij binnenkomst in de Gemeenschap aan een heffing te zijn onderworpen en verzoeker deze dus in de Gemeenschap tegen de wereldmarktprijs kon verkrijgen, ontbreekt ook de economische premisse, met het oog waarop (blijkens de elfde overweging van verordening nr. 141) in de communautaire wetgeving een restitutie bij uitvoer van het verwerkte produkt is toegekend.
In dit licht bezien wordt het dus volkomen overbodig ons bezig te houden met verzoekers eis om naast hetgeen hij reeds onverschuldigd heeft ontvangen ook nog een bedrag, gelijk aan de produktierestitutie te verkrijgen, welke restitutie immers, zoals in de twaalfde overweging van 's Raads verordening nr. 141/64 wordt verklaard, ten doel heeft de invloed van de heffing bij import van het basisprodukt in de Gemeenschap te compenseren. De import in de Gemeenschap van het door verzoeker gebruikte basisprodukt is immers vrij van heffing geschied.
Ik concludeer derhalve dat Uw Hof zal verklaren voor recht, dat in het stelsel van 's Raads verordening nr. 141/64, de export naar derde landen van glutenmeel, vervaardigd uit een basisprodukt dat niet onder de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten valt, niet voor restitutie in aanmerking komt.