Hof van Justitie EU 12-11-1975 ECLI:EU:C:1975:149
Hof van Justitie EU 12-11-1975 ECLI:EU:C:1975:149
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 12 november 1975
Conclusie van de advocaat-generaal A. Trabucchi
van 12 november 1975 (1)
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoekster, een in een Frans overzees departement gevestigde onderneming, heeft gedurende het verkoopseizoen 1972-1973 granen naar derde landen geexporteerd. In verband met deze transacties had zij tevoren van het bevoegde Franse orgaan (ONIC) de uitvoercertificaten met prefixatie van de restituties verkregen, bedoeld in artikel 7, lid 1, van 's Raads verordening nr. 139/67 en in verordening nr. 1041/67 van de Commissie, waarin de toepassingsvoorwaarden dezer restituties werden vastgesteld. Artikel 10 van de laatste verordening bepaalt dat de restitutie wordt betaald door de Lid-Staat op wiens grondgebied de uitvoerformaliteiten zijn vervuld. Ingevolge artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag zijn, zodra het Verdrag in werking treedt, de gemeenschapsbepalingen op het gebied van de landbouw ook van toepassing op de Franse overzeese departementen met als enige uitdrukkelijke uitzondering artikel 40, lid 4, waarin wordt bepaald „om de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten aan haar doel te laten beantwoorden, kunnen een of meer oriëntatie- en garantiefondsen voor de landbouw in het leven worden geroe pen.”
Artikel 9, lid 1, van 's Raads verordening nr. 120/67 voorziet voorts een compenserende vergoeding voor bepaalde in de Gemeenschap geoogste granen, die in voorraad zijn aan het einde van het verkoopseizoen. Betaling hiervan berust bij de Staat waar zich het produkt bevindt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1554/73. Aan het einde van het verkoopseizoen 1972-1973 beschikte verzoekster over voorraden die, volgens haar beweringen, onder deze bepalingen vielen, waardoor zij naast de vordering betreffende de exporten ook een vordering tegen haar eigen Staat zou hebben uit hoofde van de compenserende voorraadvergoeding.
Toen de betrokken onderneming zich tot tweemaal toe tot de ONIC, het Franse bevoegde orgaan inzake de betaling van de aldus verschuldigde bedragen wendde, zocht dit orgaan allerlei uitvluchten en beweerde onder verwijzing naar het ontbreken van communautaire financiering voor het dekken van deze kosten, dat de kwestie nog in studie was. Verzoekster diende toen op 28 augustus 1974 een administratieve klacht in bij de Commissie, waarin zij verzocht om betaling van een bedrag dat overeenkwam met het totale bedrag der restituties en compenserende vergoedingen die zij naar haar zeggen krachtens de Gemeenschapsregeling op haar eigen staat te vorderen had.
Het onderhavige, krachtens artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, ingestelde beroep betreft de stilzwijgende afwijzing van dit verzoek.
Verzoekster betoogt dat de Gemeenschap aansprakelijk is voor het feit dat zij nog geen betaling van haar vorderingen heeft ontvangen. Immers, het speciale, door de Gemeenschap op grond van voornoemd artikel 40, lid 4, ingestelde fonds, door middel waarvan de Gemeenschap de restituties bij uitvoer naar derde landen en de in bovengenoemde Gemeenschapsregeling voorziene compenserende vergoedingen voor voorraden aan het einde van een verkoopseizoen financiert, heeft tot dusver zijn werkzaamheid niet uitgebreid tot de Franse overzeese departementen. Verzoekster stelt dat door het ontbreken van gemeenschappelijke financiering, haar eigen Staat niet de hem bij de Gemeenschapsverordeningen toevertrouwde taken vervult betreffende de betaling van de restituties en compenserende vergoedingen. Zij ziet derhalve het feit dat de werkingssfeer van het EOGFL niet is uitgebreid tot de Franse overzeese departementen als oorzaak dat de aan haar verschuldigde bedragen niet zijn betaald.
In het licht van het arrest Haegemann (zaak 96-71, Jurispr. 1972, blz. 1005), achten wij het onderhavige beroep zonder meer niet-ontvankelijk. Evenals in de zaak Haegemann, strekt in deze zaak het verzoek tot schadevergoeding na de betalingsweigering van de Commissie in wezen tot uitkering van het onbetaald gebleven bedrag. In de eerste zaak ging het om terugbetaling van een gemeenschapsheffing die onwettig werd geacht, in casu gaat het om de uitkering van een bijdrage die beweerdelijk op grond van het Gemeenschapsrecht is verschuldigd.
In beide gevallen betreft de vordering vooral de betrekkingen tussen de particulier en de nationale administratie die een onverschuldigde betaling zou hebben geïnd of zou hebben nagelaten een verschuldigde betaling te verrichten. Zoals Uw Hof in genoemde zaak heeft beslist, staat in de betrekkingen tussen particulieren en de belastingsdienst die een beweerdelijk onwettige gemeenschapsheffing heeft toegepast, het toezicht over de wettigheid van de heffing aan de nationale rechter. Daar de eventuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap op dit gebied in de eerste plaats afhangt van diens beslissing, moet men hieruit afleiden dat een analoge belemmering zal bestaan voor de schadevergoedingsactie die in casu tegen de Gemeenschap aanhangig is gemaakt, zonder dat voordien een actie bij de nationale rechter is ingesteld tot vaststelling van verzoeksters vorderingen tegen haar Staat alsmede van de precieze redenen die het gedrag van de Franse administratie tegenover verzoekster hebben bepaald en van de wettigheid van dit gedrag. Daar de eventuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap afhangt van de oplossing dezer vragen, menen wij uit voornoemd arrest te moeten afleiden dat deze niet in eerste instantie kunnen worden onderzocht door. Uw Hof indien dit is geadieerd op grond van een beroep tot schadevergoeding, maar dat zij eerst ter toets moeten komen bij de bevoegde nationale rechterlijke instanties die eventueel om Uw prejudiciële interpretatie kunnen verzoeken.
Maar ook indien men het beroep ten gronde zou willen onderzoeken en bij wijze van hypothese de feiten zou accepteren zoals deze door verzoekster zijn uiteengezet en door verweerster niet zijn weersproken, zou het resultaat voor verzoekster niet gunstiger kunnen zijn.
Enige elementaire overwegingen zullen immers volstaan om aan te tonen dat het verzoek tot schadevergoeding duidelijk ongegrond is, zonder dat hiervoor de vraag behoeft te worden onderzocht betreffende de beweerde onrechtmatigheid van de Gemeenschap, die verzoekster ziet in de niet-toepassing van de Gemeenschapsfinanciering op de in de Franse overzeese departementen verrichte transacties.
Nemen wij aan dat verzoekster krachtens de communautaire landbouwregeling jegens de Franse Staat recht heeft op verkrijging van het geprefixeerde restitutiebedrag op grond van de door de ONIC verleende uitvoercertificaten en een compenserende vergoeding voor de aan het einde van het verkoopseizoen in voorraad zijnde granen. Verzoekster betwist niet dat zij om de betrokken vorderingsrechten geldend te maken zich tot de bevoegde Franse rechter moet wenden met een actie tegen de nationale administratie. Zij meent dus te kunnen kiezen tussen deze actie en een rechtstreekse actie tot schadevergoeding tegen de Gemeenschap, waarvan de weigering om de betrokken uitgaven te financieren, tot gevolg zou hebben gehad, dat de Franse autoriteiten ook weigerden om aan hun verplichtingen te voldoen.
In het communautaire systeem ontslaat het eventuele niet-voldoen van een door de Gemeenschap aan een Staat verschuldigde prestatie deze laatste echter niet van zijn verplichtingen die hem rechtstreeks door het Gemeenschapsrecht zijn opgelegd, zeker niet wanneer tegenover deze verplichtingen rechten van derden staan; ten aanzien van deze derden zou elke poging om het beginsel „inadimplenti non est adimplendum” in te roepen stellig uit den boze zijn.
Voorts is het vaste jurisprudentie van Uw Hof dat de communautaire rechtsorde aan geen harer subjecten eigenrichting toestaat, zelfs niet wanneer er dringende redenen bestaan (zaak 7-61, Commissie t. Italiaanse Regering, Jurispr. 1961, blz. 671; zaken 90 en 91-63, Commissie t. België en Luxemburg Jurispr. 1964, blz. 1277; zaken 52 en 55-65, Bondsrepubliek Duitsland t. Commissie, Jurispr. 1966, blz. 308). De traditionele middelen van zelfverdediging die het algemene internationale recht aan de Staten toekent, waaronder het beginsel „inadimplenti non est adimplendum” zijn hier vervangen door instrumenten en procedures die geschikter zijn om de rechtszekerheid en de eerbiediging van het recht door allen te waarborgen. Wanneer een Staat van mening is dat een zijner rechten door de Commissie of de Raad is geschonden, biedt het Verdrag hem geschikte middelen van rechterlijke bescherming. Deze vormen de enig aangewezen weg om genoegdoening te krijgen ingeval van onenigheid met de Gemeenschapsexecutieve over een rechtskwestie.
Daarom schuilt de oorzaak rechtens van verzoeksters schade, aangenomen dat zij recht zou hebben op een bepaalde prestatie van de nationale administratie, rechtstreeks in de weigering hiervan om aan een harer verplichtingen te voldoen. Daar in deze hypothese de weigering een onrechtmatige daad vormt, zou dit in elk geval voldoende zijn om het causale verband tussen de eventueel onrechtmatige daad van de Gemeenschap en de door de particulier geleden schade te verbreken.
Al kan de „indirecte aansprakelijkheid”, waarop verzoekster een beroep doet, soms in het privaatrecht spelen om de schuldeiser voldoende bescherming te verzekeren ingeval derden door hun schuld hebben bijgedragen aan de insolventie van zijn schuldenaar, zij kan geen enkele bestaansreden hebben voor de vorderingen die particulieren op grond van het Gemeenschapsrecht op een Lid-Staat kunnen hebben.
Het beroep is derhalve niet alleen niet-ontvankelijk, maar ook duidelijk ongegrond, en dient dan ook te worden verworpen, met verwijzing van verzoekster in de kosten.