Home

Hof van Justitie EU 26-02-1976 ECLI:EU:C:1976:30

Hof van Justitie EU 26-02-1976 ECLI:EU:C:1976:30

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
26 februari 1976

Uitspraak

ARREST VAN 26-2-1976 - ZAAK 65-75 TASCA

In de zaak 65-75,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Pretore te Padua, in het aldaar aanhangig strafgeding tegen

RICCARDO TASCA,

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: R. Lecourt, President, H. Kutscher, Kamerpresident, A. M. Donner, J. Mertens de Wilmars, M. Sørensen, A. J. Mackenzie Stuart en A. O'Keeffe, Rechters,

Advocaat-Generaal: G. Reischl

Griffier: A. van Houtte

het navolgende

ARREST

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat het verwijzingsvonnis, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — Feiten en procesverloop

1. Artikel 14 van wetsdecreet nr. 896 van 15 september 1947 (Gazzetta Ufficiale, 1947, blz. 6087) stelt met name strafbaar eenieder die goederen verkoopt boven de prijzen die op grond van het wetsdecreet werden vastgesteld.

Op 28 juni 1974 nam het „Comitato interministeriale dei Prezzi” (hierna te noemen „CIP”) besluit nr. 28/1974 (Gazzetta Ufficiale, nr. 171, van 2. 7. 1974, blz. 4463). „Gelet op de door de Gemeenschapsbepalingen vastgestelde verhogingen en op de marktsituatie”, werden in het eerste artikel van dit besluit per 1 juli 1974 voor het gehele nationale grondgebied de maximum detailhandelsprijzen van bepaalde categorieën binnen- of buitenlandse suiker vastgesteld op:

  • 355 lire per kg voor geraffineerde griessuiker in papieren zakken van 50 kg;

  • 375 lire per kg voor geraffineerde suiker in dozen of pakken van een kg, een halve kg, of 2 kg.

In artikel 2 werd het eerder vastgestelde bedrag van 17,50 lire per kg als „maximum vergoeding voor de verpakking van de in dozen of pakken aangeboden suiker”, met een van de in het tweede streepje hierboven bedoelde gewichten, bekrachtigd. Artikel 3 bepaalde „de globale maximum vergoedingen voor de distributie van de suiker in groot- en detailhandel” op 25,70 lire per kg voor het losse produkt, respectievelijk 26,70 lire per kg voor het in dozen of pakken aangeboden produkt, waarbij werd vermeld dat deze vergoedingen waren begrepen in bovengenoemde prijzen.

In besluit nr. 39/1974 van het CIP van 13 augustus 1974 (Gazzetta Ufficiale, nr. 214, van 16. 8. 1974, blz. 5460) werden de elementen, waaronder bepaalde belastingen en heffingen, genoemd waaruit de bij besluit nr. 28/1974 vastgestelde maximumprijzen bestonden.

Hiervoor werden de volgende prijzen vastgesteld:

  • maximumpnjs franco fabriek: 323,30 lire per kg;

  • maximumprijs franco groothandelsdepot op het gehele nationale grondgebied: 329,30 lire per kg;

  • maximumvergoeding voor de distributie in groot- en detailhandel: 25,70 lire per kg.

Bovengenoemde besluiten werden intussen door nieuwe vervangen.

2. Bij de Pretore te Padua werd een strafgeding aanhangig gemaakt tegen R. Tasca ter zake van overtreding van onder meer artikel 14 van wetsdecreet nr. 896, juncto besluit nr. 39/74, door als vennoot en bestuurder van de firma Tasca & Co SAS aan een ander Italiaans onderdaan te hebben verkocht 25 000 kg griessuiker voor de prijs van 387,83 lire per kg.

Bij beschikking van 11 juli 1975 stelde de nationale rechterlijke instantie het Hof de volgende vragen:

  1. Verzet de bij verordening nr. 1009/67/EEG gegeven gemeenschappelijke ordening in de sector suiker, mede in verband met de daarin vervatte prijsregeling, zich tegen de eenzijdige vaststelling van een maximum verkoopprijs door een Lid-Staat?

  2. Verzetten in ieder geval de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen in artikel 30, EEG-Verdrag, en in het bijzonder die met betrekking tot suiker in artikel 35 van verordening nr. 1009/67/EEG — met name het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap — zich tegen de vaststelling van alleen voor het grondgebied van een Lid-Staat geldende maximumprijzen?

  3. Doen de genoemde Gemeenschapsbepalingen voor de handelaren in de Gemeenschap subjectieve, door de nationale rechter te handhaven rechten ontstaan des dat voor hen een nationale regeling van maximum prijzen buiten werking blijft?

De nationale rechterlijke instantie overweegt hierbij onder meer het volgende:

Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 23 januari 1975 zaak 31-74 (Galli, Ju rispr. 1975, blz. 47) met 's Raads verordeningen nrs. 120/67 van 13 juni 1967 en 136/66 van 22 september 1966, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, respectievelijk oliën en vetten (PB 1967, blz. 2269; 1966, blz. 3025) onverenigbaar verklaard „een nationale regeling die ertoe leidt dat, door een prijzenstop en de eis van administratieve goedkeuring, de in het kader der betrokken gemeenschappelijke marktordeningen voorziene prijsvorming wordt gewijzigd”. Zulks geldt evenzeer voor verordening nr. 1009/67, waarvan de prijsregeling in wezen identiek is met die van verordening nr. 120/67. In verordening nr. 1009/67 wordt voor de vorming der marktprijzen een beroep gedaan op hetzelfde mechanisme, dat wil zeggen de vrije handel, met dien verstande alleen dat de prijzen niet lager mogen zijn dan de interventieprijs. Bij vaststelling van maximumprijzen door een Lid-Staat wordt die prijsvorming doorbroken.

Gesteld al dat dit niet zo zou zijn, dan zou een dergelijke maatregel niettemin onverenigbaar zijn met de Gemeenschapsregeling, om de eenvoudige reden dat de bevoegdheid der Lid-Staten op dit punt is verdwenen. De Pretore leidt deze oplossing af uit genoemd arrest van het Hof, waarin wordt gezegd: „op de gebieden waarvoor een gemeenschappelijke marktordening geldt, in het bijzonder wanneer deze ordening uitgaat van een gemeenschappelijke prijsregeling, kunnen de Lid-Staten niet meer door eenzijdig vastgestelde nationale bepalingen ingrijpen in het prijsvormingsmechanisme, zoals dit uit de gemeenschappelijke ordening voortvloeit”.

De rechten die particulieren aan verordening nr. 1009/67 ontlenen, worden niet verkort doordat in dezelfde sector nationale bepalingen worden vastgesteld; Tasca dient dan ook te worden ontslagen van rechtsvervolging.

3. De verwijzingsbeschikking is op 22 juli 1975 ingeschreven ter griffie van het Hof.

Overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut zijn door Tasca, de Italiaanse en de Britse regering, de Commissie en de Raad schriftelijke opmerkingen ingediend.

Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Wel heeft het Hof de Italiaanse Regering en de Commissie verzocht schriftelijk op bepaalde vragen te antwoorden.

II — Opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut

1. Algemene opmerkingen

De Britse Regering is van mening dat de door de nationale rechter voorgelegde vragen moeten worden bezien in het licht van het feit dat de betrokken besluiten van het CIP deel uitmaakten van de bestrijding van de stijging der prijzen, die zeer dringend is wanneer het gaat om produkten ter voorziening in de eerste levensbehoeften, zoals een groot aantal voedingsprodukten.

Al zijn alle Lid-Staten het eens over de noodzaak om de inflatie te bestrijden, zij zijn er tot nu toe niet in geslaagd om hun economieën zodanig te coördineren dat de te treffen anti-inflatiemaatregelen van staat tot staat min of meer analoog kunnen zijn. De Raad heeft in een aantal resoluties vastgesteld dat de Lid-Staten verplicht zijn ervoor te zorgen dat hun inspanningen op elkaar zijn afgestemd en elkaar wederzijds versterken. De Raad neemt aan dat in een bepaald land van de Gemeenschap genomen maatregelen sterk kunnen doorwerken in andere landen, en heeft „de specifieke en veranderlijke aard van het inflatieprobleem in de gehele Gemeenschap (the specific and changing nature of the inflation problem throughout the Community”) erkend.

Indien de Lid-Staten over geen enkele mogelijkheid tot interventie in de prijsvorming beschikken zouden zij niet kunnen voldoen aan de verplichtingen die artikel 104 van het Verdrag hen oplegt, namelijk „het evenwicht van [hun] betalingsbalans in haar geheel te verzekeren en het vertrouwen in [hun] valuta te handhaven, waarbij zij zorg dragen voor een hoge graad van werkgelegenheid en voor een stabiel prijspeil”. Daardoor zou de financiële stabiliteit van de Lid-Staten in gevaar worden gebracht, terwijl artikel 6, lid 2, van het Verdrag de instellingen opdraagt zulks te voorkomen.

De Commissie beschrijft eerst de situatie in de Lid-Staten wat betreft de vaststelling van maximum detailhandelsprijzen voor verschillende landbouwproducten en wijst er op dat elke Lid-Staat, met uitzondering van de Bondsrepubliek Duitsland, voor een of meer produkten tot een dergelijke vaststelling is overgegaan.

De Commissie diende in 1968 een voorstel in bij de Raad voor een verordening betreffende de melksector, die ten doel had, de bevoegdheid van de Lid-Staten om voor dit produkt maximum consumptieprijzen vast te stellen, te beperken. Dit voorstel haalde het niet, omdat de nationale delegaties eenstemmig betoogden, dat de regelingsbevoegdheid op dit gebied alleen tot de Lid-Staten behoorde.

2. Eerste vraag

Tasca betoogt dat de overwegingen van het arrest Galli ook in het onderhavige geval van toepassing zijn, ondanks het feit dat de nationale maatregelen destijds betrekking hadden op het produktie- en groothandelsstadium, terwijl in casu de litigieuze regeling op alle commerciële stadia van toepassing is. Hoofdzaak is dat de bij verordening nr. 1009/67 ingevoerde prijsregeling in wezen gelijk is aan die van verordening nr. 120/67. Tot staving dezer stelling geeft Tasca een gedetailleerde analyse van de gemeenschappelijke punten van deze regelingen en wijst er met name op dat deze ten doel hebben de handelaren een winstminimum te garanderen, zonder zich echter te verzetten tegen het behalen van een hogere winst in de hypothese — theoretisch op het moment dat de verordeningen werden vastgesteld, maar realistisch in de huidige situatie, gekenmerkt door een tekort aan suiker en door de prijsverhoging op de wereldmarkt — dat de vrije marktprijzen hoger zijn dan de door de Gemeenschap vastgestelde drempelprijs.

De betrokken Italiaanse regeling is onverenigbaar met het Gemeenschapsrecht, a) doordat de Lid-Staten elke bevoegdheid om in de betrokken sector op te treden hebben verloren en b) in elk geval omdat zij de doelstellingen in gevaar brengt en de werking verstoort van de gemeenschappelijke ordening der suikermarkten.

  1. Doordat elke gemeenschappelijke marktordening de nationale ordeningen heeft vervangen, moet zij worden geacht op zichzelf te volstaan.

    Meer in het bijzonder met betrekking tot suiker, stelt artikel 16 van verordening nr. 1009/67 in de redactie van verordening nr. 607/72 van de Raad van 23 maart 1972 (PB L 75, blz. 4) de Gemeenschap de noodzakelijke instrumenten ter beschikking om een prijsstijging te voorkomen, namelijk een heffing bij uitvoer en subsidies bij invoer.

    In het arrest Galli werd weliswaar beslist dat de Lid-Staten in beginsel de bevoegdheid hebben behouden „om in het detailhandels- en consumptiestadium passende maatregelen inzake de prijsvorming te nemen” in tegenstelling tot het produktie- en groothandelsstadium. Denkbaar is echter dat het Hof zich in dit opzicht niet definitief heeft willen uitspreken en dat de aangehaalde passage wordt verklaard door het feit dat de betrokken regeling in de zaak Galli slechts het produktie- en groothandelsstadium betrof. In werkelijkheid pleiten de volgende elementen voor de stelling dat er niet dient te worden onderscheiden tussen de verschillende commerciële stadia.

    • Artikel 39, lid 1, sub e, van het Verdrag verplicht de Gemeenschap „redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren”.

    • Artikel 3, lid 3, van 's Raads verordening nr. 2931/74 van 18 november 1974 (PB L 311, blz. 8) betreffende de instelling van een subsidie bij invoer van witte en ruwe suiker, verplicht de inschrijvers juist in het consumptiestadium de door de Gemeenschap vastgestelde maximumprijs in acht te nemen.

    • Een in het kader van een gemeenschappelijke ordening ingestelde prijsregeling kan niet worden gelijkgesteld met slechts door de Gemeenschap vastgestelde prijzen. Het Hof heeft de stelling dat de Lid-Staten vrij zijn elk onderwerp te regelen dat niet onder een uitdrukkelijke Gemeenschapsregeling valt, herhaaldelijk verworpen.

  2. De communautaire regeling heeft ten doel het inkomen van de producenten te handhaven, terwijl de besluiten van het CIP ertoe leiden dat dit wordt verlaagd. Door aldus eenzijdig slechts één van de in artikel 39 van het Verdrag genoemde doelstellingen na te streven, handelde de Italiaanse staat in strijd met het Gemeenschapsoptreden, dat berust op een andere opvatting over de vraag aan welke der doelstellingen, die niet alle in dezelfde richting gaan, voorrang moet worden gegeven. Het is veelbetekenend dat het stelsel van invoersubsidies van verordening nr. 2931/74 niet zodanig werd ingericht dat de kosten van alle ingevoerde suiker werden teruggebracht tot het peil van de communautaire drempelprijs, die aldus de functie van een soort minimumprijs bleef vervullen. Ten slotte blijkt de liberale filosofie van de Gemeenschapsregeling op het gebied van suiker uit talrijke elementen, met name artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1009/67, volgens hetwelk „afgeleide interventieprijzen [worden] vastgesteld, rekening houdend met de regionale prijsverschillen voor suiker die verwacht kunnen worden bij een normale oogst en bij een vrij verkeer van suiker op basis van de natuurlijke voorwaarden voor de prijsvorming op de markt”.

    De vaststelling van maximumprijzen voor het laatste commerciële stadium heeft onvermijdelijk invloed op de in de eerdere stadia toegepaste prijzen; deze prijzen kunnen dus niet meer vrijelijk worden gevormd, hoewel de Gemeenschapsregeling zulks vooronderstelt.

De Italiaanse Regering is van mening dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord.

Uit het arrest Galli kan men niet afleiden — en het is ook niet juist — dat de Lid-Staten de bevoegdheid hebben verloren om eenzijdig maximum detailhandelsprijzen vast te stellen. De nationale regeling in de zaak Galli had ten doel een prijzenstop voor het produktie- en groothandelsstadium, terwijl het in het onderhavige geval gaat om een regeling betreffende de prijzen in het detailhandels- en consumptiestadium, voor welke stadia in het arrest Galli het beginsel werd gehuldigd van handhaving van de bevoegdheid der Lid-Staten „om passende maatregelen inzake de prijsvorming te nemen”.

De gemeenschappelijke ordening der suikermarkten onderscheidt zich niet wezenlijk van die der graanmarkten die in het arrest Galli in het geding was. Met name betreft de hierbij ingestelde prijsregeling ook slechts het produktie- en groothandelsstadium; het hoofddoel ervan is eveneens om de producenten „de noodzakelijke waarborgen op het gebied van de werkgelegenheid en de levensstandaard te blijven verzekeren” (tweede overweging van de considerans bij verordening nr. 1009/67).

Een nationale prijsregeling voor het detailhandels- en consumptiestadium is dus slechts onverenigbaar met verordening nr. 1009/67 indien zij indirect doorwerkt in de daarin bepaalde prijzen, bij voorbeeld door een maximum detailhandelsprijs vast te stellen die lager is dan de interventieprijs of, meer in het algemeen, door een maximumprijs onder zodanige voorwaarden vast te stellen dat hierdoor invloed wordt uitgeoefend op de Gemeenschapsprijzen. Dit is in casu niet het geval, daar de bij besluit nr. 28/1974 van het CIP vastgestelde maximumprijs uitgaat van een prijs franco fabriek die aanzienlijk boven de communautaire drempelprijs en dus boven de richtprijs en de interventieprijs ligt.

De Britse Regering stelt een gedetailleerd onderzoek in naar de arresten van het Hof inzake de al dan niet verenigbaarheid met het Gemeenschapsrecht van nationale interventies in de prijsvorming van produkten die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen. Uit al deze arresten kan met name het volgende worden opgemerkt:

  • In de eerste plaats dient de draagwijdte en de doelstelling van de betrokken Gemeenschapsverordening te worden bezien met het oog op de bepalingen van het Verdrag, met name de artikelen 38 tot en met 40.

  • Het schijnt dat volgens het Hof zowel de gevolgen als de doeleinden van de nationale regeling in een bepaald geval verenigbaar moeten zijn met de communautaire oogmerken.

Een nationale maatregel tot vaststelling van maximum verkoopprijzen zou zeer wel kunnen overeenkomen met de doelstellingen van verordening nr. 1009/67, namelijk dat een stabiele markt wordt verwezenlijkt en aan de producenten een zekere werkgelegenheid en een redelijke levensstandaard wordt gegarandeerd, met vermijding van overproduktie. Deze verordening verzet zich alleen ertegen dat dergelijke prijzen worden vastgesteld op een niveau dat tot doel of tot gevolg heeft de verwezenlijking van deze doelstellingen te belemmeren.

Volgens de Commissie geldt het beginsel uit het arrest Galli dat de Lid-Staten niet meer eenzijdig kunnen ingrijpen in het prijsvormingsmechanisme zoals dit uit de gemeenschappelijke ordening der markten in granen en oliën en vetten voortvloeit eveneens voor suiker. Dit volgt uit de aard en de functie van de prijsregeling van verordening nr. 1009/67, waarin een volledige liberalisering van het intracommunautaire handelsverkeer en bijgevolg een regeling van het extracommunautaire handelsverkeer wordt beoogd.

In het arrest Galli werd daarentegen aangenomen dat nationale prijsmaatregelen in het detailhandels- en consumptiestadium verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht, „mits deze maatregelen de doelstellingen of de werking van de betrokken gemeenschappelijke marktordening niet in gevaar brengen”. Om na te gaan of dit in de onderhavige zaak het geval is dienen van de door het CIP vastgestelde maximum detailhandelsprijzen te worden afgetrokken alle elementen die tussen het moment waarop het produkt de fabriek heeft verlaten en dat waarop het aan de consument werd verkocht op de kostprijs van het produkt hebben gedrukt (verhandelingskosten, rechten en heffingen, transportkosten, enz.); zo verkrijgt men de prijs franco fabriek. De Commissie gaat hiertoe over en komt tot de conclusie dat ten tijde van de betrokken maatregelen de aldus berekende prijs franco fabriek boven de door de Gemeenschap vastgestelde drempelprijs, dus a fortiori boven de richtprijs en de interventieprijs lag. Daarom brengen de litigieuze maximumprijzen noch de doelstellingen noch de werking van de gemeenschappelijke ordening in gevaar.

Men kan zich evenwel afvragen of het arrest Galli, afgezien van deze overwegingen, niet neerkomt op de ontkenning van elke bevoegdheid van de Lid-Staten tot vaststelling van de landbouwprijzen. Een dergelijke conclusie zou echter voorbarig zijn, daar de Gemeenschap op dit terrein nooit uitsluitende bevoegdheid heeft opgeëist, waarvan de uitoefening ernstige consequenties op politiek en economisch gebied zou meebrengen.

Volgens de Raad moet het antwoord worden gezocht enerzijds „in de filosofie van het prijsstelsel van de marktordeningen” en meer in het bijzonder van de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt, en anderzijds „in de bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten op het gebied van algemeen economisch beleid”.

a) Verordening nr. 1009/67 heeft als eerste doel niet de prijsvorming voor transacties rond de richtprijs, maar veeleer de waarborging van de werkgelegenheid en de levensstandaard van de producenten in de Gemeenschap alsmede het vrije verkeer binnen de Gemeenschap. Met de doelstelling „redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren” (artikel 39, lid 1, sub e, van het Verdrag), werd rekening gehouden door middel van passende richtprijzen en drempelprijzen.

Van de in deze verordening genoemde prijzen kunnen alleen de drempelprijs en de interventieprijs rechtsgevolgen meebrengen: betaling van een veranderlijke differentiële heffing voor goederen die een lagere invoerprijs hebben dan de drempelprijs; de garantie van het interventiebureau de interventieprijs te verkrijgen bij levering van de waar. De richtprijs daarentegen, die hoofdzakelijk ten doel heeft de produktie te oriënteren, speelt een geringere rol in de latere stadia. Verordening nr. 1009/67 droeg aan de Gemeenschap slechts beperkte bevoegdheden over, uitsluitend betreffende transacties aan de grenzen en de interventie. De Gemeenschap kon voor de landbouw en de handel in landbouwprodukten immers niet een al te dwingende ordening instellen terwijl zij dat niet had gedaan voor de industriële sector, te minder daar de grens tussen landbouwen industrieprodukten van fictieve aard is. Daar de Gemeenschap bovendien niet primair verantwoordelijk is op het gebied van het „algemene economische beleid” en met name van de detailhandelsprijzen, liep zij gevaar een hiaat te scheppen tussen haar prijsregeling en de regeling van de detailhandelsprijzen, indien de eerste te star zou zijn. Ten slotte verzetten de verschillen tussen de economische systemen van de Lid-Staten evenals de overschotten of tekorten van hun onderscheiden produkties zich tegen elke Gemeenschapsregeling die tot in de kleinste details eenvormig is.

Op grond van het vorenstaande kan worden aangenomen dat nationale prijsmaatregelen in elk geval ongeoorloofd zijn wanneer zij invloed hebben op de interventieprijs of de drempelprijs, terwijl zij, indien zij alleen doorwerken in de richtprijs, slechts met het Gemeenschapsrecht onverenigbaar zijn ingeval zij de werking van de gemeenschappelijke ordening der suikermarkten belemmeren. De overweging van het arrest Galli dat de Lid-Staten „in het detailhandels- en consumptiestadium passende maatregelen inzake de prijsvorming [kunnen] nemen …, mits deze maatregelen de doelstellingen of de werking van de gemeenschappelijke marktordening niet in gevaar brengen” moet ook worden aanvaard voor de eerdere stadia.

b) Ingevolge artikel 145 van het Verdrag heeft de Raad eenvoudig tot taak het „algemeen economisch beleid van de Lidstaten” te coördineren. Dit toont aan dat met uitzondering van de gebieden waarop het Verdrag aan de Raad uitdrukkelijk een „beslissingsbevoegdheid (tweede streepje artikel 145) toekent, talrijke bevoegdheden, met name betreffende de prijzen in het algemeen, de valuta's, de conjunctuur, de expansie, tot de verantwoordelijkheid van de Lid-Staten blijven behoren. Ook om deze reden kan men niet beweren dat de gemeenschappelijke marktordeningen elk nationaal optreden op bovengenoemde gebieden uitsluiten.

Door de overweging van het arrest Galli dat „artikel 103, dat handelt over de conjunctuurpolitiek der Lid-Staten, geen betrekking heeft op de reeds gemeenschappelijk geworden gebieden, zoals de ordening der landbouwmarkten”, wordt de draagwijdte van artikel 103 sterk beperkt. Bovendien houdt zulks een buitensporig gebruik van de artikelen 39 en 43 van het Verdrag in, daar de Gemeenschap op het gebied van de landbouw, zelfs in geval van conjunctuurmoeilijkheden nog slechts op grond van deze artikelen kan optreden. De functie van artikel 39 wordt dan overschreden, daar deze bepaling de conjunctuur niet rangschikt onder de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar juist erkent „dat de landbouwsector in de Lid-Staten nauw verweven is met de gehele economie”.

Zolang nog geen vooruitgang is geboekt met de Economische en monetaire unie bestaat er een geledingsprobleem tussen het algemeen economisch beleid, dat tot de bevoegdheid van de Lid-Staten blijft behoren, en het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Dit probleem moet worden opgelost door de verzoening tussen de noodzakelijke eerbiediging van de communautaire marktordeningsmechanismen en de niet minder dringende noodzaak de Lid-Staten niet te beroven van de instrumenten die zij nodig hebben om zich van hun verantwoordelijkheid op het gebied van het algemeen economisch evenwicht te kwijten. Dit is bijzonder belangrijk in crisistijden.

Indien de door verzoekster in het hoofdgeding verdedigde oplossing zou worden aanvaard, zou de Gemeenschap zich verplicht kunnen zien haar prijsregeling aan te vullen, bij voorbeeld ter bestrijding van de inflatie, hetgeen grote moeilijkheden zou meebrengen.

3. Tweede vraag

Tasca merkt in de eerste plaats op dat de draagwijdte van deze vraag de landbouwsector te buiten gaat.

Luidens artikel 2, lid 3, sub d, en e, van richtlijn nr. 70/50/EEG van de Commissie van 22 december 1969 (PB L 13, van 19. 1. 1970, blz. 29) „houdende opheffing van de maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen, niet bedoeld in andere krachtens het EEG-Verdrag vastgestelde bepalingen”, behoren tot deze maatregelen die welke „de eventuele verhoging van de prijs van het ingevoerde produkt met de bijkomende kosten en lasten, die aan de invoer inherent zijn, onmogelijk maken”, of „de prijzen van de produkten, alleen aan de hand van de kostprijs of van de kwaliteit van de nationale produkten, op een dusdanig peil vaststellen dat hierdoor een invoerbelemmering ontstaat”. In de praktijk verbieden deze bepalingen elke prijsvaststelling door de nationale autoriteiten, want een dergelijke maatregel zou door zijn starheid steeds aldus de invoer kunnen belemmeren van produkten die, doordat hierop hogere produktiekosten drukken dan op nationale produkten, in de betrokken staat slechts tegen hogere prijzen kunnen worden afgezet dan de nationale produkten — hetgeen het Hof voldoende heeft geoordeeld. Dit geldt a fortiori voor zover de andere Lid-Staten de prijsvorming overlaten aan een vrije vraag en aanbod.

De Italiaanse Regering merkt op dat een nationale regeling van de onderhavige soort op zichzelf niet in strijd is met de Gemeenschapsbepalingen op het gebied van het vrije verkeer van goederen er met name niet met de bepalingen waarin maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen worden verboden. Een dergelijke onverenigbaarheid kan slechts volgen uit de bijzondere omstandigheden van het geval; deze bestaat bij voorbeeld wanneer de maximum prijs onder het peil van de drempelprijs wordt vastgesteld. Dit is hier niet het geval.

De Britse Regering leidt uit 's Hofs rechtspraak af dat een nationale regeling die de prijzen beïnvloedt geenszins ipso facto onder het verbod van maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking valt, of het nu om landbouwprodukten gaat of niet. In elk afzonderlijk geval dienen de draagwijdte, de werking en het doel van de betrokken regeling te worden bezien.

De bepalingen van artikel 30 van het Verdrag kennen een aantal uitzonderingen, ook buiten de in artikel 36 genoemde. Zo kan een ingrijpen in het proces van de prijsvorming veelvuldig een element van de in artikel 103 bedoelde conjunctuurpolitiek vormen. Al kan dit laatste artikel wellicht geen uitzondering vormen op de bijzondere bepalingen van de gemeenschappelijke marktordeningen, het is toch van toepassing op het algemene door het beginsel van artikel 50 beheerste gebied.

Enkele tussen de Gemeenschap en derde landen gesloten akkoorden bevatten een analoog verbod als artikel 30 van het Verdrag. De Gemeenschap heeft echter nooit de stelling aanvaard dat de in het kader van een gemeenschappelijke marktordening ingevoerde prijsregelingen gelijke werking hebben als kwantitatieve invoerbeperkingen.

De Commissie geeft een soortgelijke mening, zonder zich echter op concrete wijze uit te spreken over de verenigbaarheid van de litigieuze regeling met het Gemeenschapsrecht.

Een nationale maatregel als de onderhavige staat slechts gelijk met een kwantitatieve beperking indien zij — hoewel zij formeel zonder onderscheid zowel op nationale als op geïmporteerde produkten van toepassing lijkt te zijn — zo is opgezet dat zij een belemmering vormt voor de importen die bij ontbreken van de maatregel mogelijk waren geweest, terwijl de verkoop van nationale produkten niet in dezelfde mate wordt benadeeld. Dit is bij voorbeeld het geval wanneer de vastgestelde prijs lager is dan die waarvoor het geïmporteerde produkt zou kunnen worden afgezet doordat het nationale gezag, wat de geïmporteerde produkten betreft, geen rekening heeft gehouden met de eventueel verschillende handelsmarges of met de aan de importen verbonden kosten. Het is overigens mogelijk dat een nationale maatregel die aanvankelijk niet het vrije verkeer van goederen in gevaar kon brengen, dit later wel kan. Dit kan bij voorbeeld gebeuren wanneer de maatregel het onmogelijk maakt de prijs van het ingevoerde produkt te verhogen in overeenstemming met de verhoging van de produktiekosten die eventueel in de producerende Lid-Staten heeft plaatsgevonden. Dan zijn de door Tasca (zie boven) genoemde bepalingen van richtlijn nr. 70/5 O/EEG van toepassing. Het staat dus aan de nationale rechter de in de besluiten van de CIP vastgestelde prijzen ten tijde van de aan Tasca te laste gelegde feiten te vergelijken met de toen verhoogde prijzen op de markten van de andere Lid-Staten.

De Raad neemt in de tweede vraag geen standpunt in.

4. Derde vraag

Tasca zet uiteen dat op grond van de jurisprudentie van het Hof deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

De Italiaanse Regering neemt aan dat, voorzover een door de nationale autoriteiten vastgestelde maximum detailhandelsprijs onverenigbaar is met het Gemeenschapsrecht, de bevoegdheid om dit vast te stellen evenzeer aan de nationale rechter als aan de Commissie behoort.

Artikel 30 van het Verdrag doet voor particulieren, door middel van de bepaling van artikel 35 van verordening nr. 1009/67, subjectieve situaties ontstaan die de nationale rechter dienen te beschermen.

De Britse Regering is van mening dat de specifieke bepalingen in de verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten weliswaar rechtstreeks toepasselijk zijn, maar dat de stelling dat dit eveneens opgaat voor artikel 30 van het Verdrag tot moeilijkheden kan leiden.

De Commissie meent dat ingeval de bevoegdheid om de noodzakelijke maatregelen te treffen om het hoofd te bieden aan de prijsverhoging van de onder de gemeenschappelijke marktordeningen vallende produkten wordt voorbehouden aan de Gemeenschapsinstellingen, of voor zover een door de nationale autoriteiten genomen besluit een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt, de particulieren, ten behoeve van wie de betrokken bepalingen, met name artikel 30 van het Verdrag, rechtstreekse werking hebben, niet zijn gehouden de eenzijdig vastgestelde maatregelen van de staten op dit gebied in acht te nemen.

De Raad neemt in de derde vraag geen standpunt in.

Overwegende dat het Hof na de sluiting van de schriftelijke behandeling de Italiaanse regering heeft verzocht om vóór de mondelinge behandeling schriftelijk te antwoorden op vier vragen, waarvan de vierde tegelijkertijd tot de Commissie werd gericht;

dat de gegeven antwoorden kunnen worden samengevat als volgt;

1. De eerste twee vragen van het Hof

Deze vragen luidden als volgt:

Wat moet worden verstaan onder „verkoop en detail” in de zin van besluit nr. 28/1974 van het CIP? In het bijzonder: zijn de bij dit besluit vastgestelde prijzen alleen van toepassing op de verkoop van de detaillist aan de eindverbruiker of ook op andere transacties (en zo ja: welke)?

Kan de verkoop van een grote hoeveelheid suiker (b.v. 25 000 kg griessuiker) eveneens een verkoop en detail vormen in de zin van het besluit?

De Italiaanse Regering zet uiteen dat de bij besluit nr. 28/1974 vastgestelde prijzen alleen van toepassing zijn op verkopen waarin de rechtstreekse koper de eindverbruiker is. Als verkoop en gros moet worden beschouwd de verkoop aan andere handelaren, grossiers, detaillisten, beroepsgebruikers of andere grote gebruikers.

De hoveelheid produkten die onder een bepaalde transactie valt heeft geen enkel belang voor het onderscheid tussen „verkoop en detail” en verkoop en gros. Zo kan eventueel zelfs een transactie als de onderhavige over 25 000 kg griessuiker een „verkoop en detail” vormen. De Italiaanse regering weet echter niet of de betrokken verkoop al dan niet aan een eindverbruiker is verricht.

2. De derde vraag van het Hof

Met deze vraag werd de Italiaanse regering verzocht een meer gedetailleerde motivering te geven … van haar stelling dat de besluiten nrs. 28/1974 en 39/1974 van het CIP geen betrekking hebben op het produktie- en groothandelsstadium, terwijl besluit nr. 39/1974 als componenten van de maximum detailhandelsprijzen elementen noemt — en daarvan het bedrag vaststelt — als de maximumprijs franco fabriek, maximumprijs franco groothandelsdepot en maximumvergoeding voor de distributie aan groot- en detailhandel.

De Italiaanse Regering antwoordt dat besluit nr. 39/1974 luidens zijn eerste overweging werd vastgesteld „gezien de noodzaak om de samenstelling van de prijs van suiker, bedoeld bij besluit… nr. 28/1974 aan te geven”. Het bevatte dus noch de vaststelling van maximum detailhandelsprijzen noch a fortiori de vaststelling van de prijs francofabriek of van de prijs franco groothandelsdepot maar beperkte zich tot het opsommen van deze elementen — alsmede van de maximum vergoeding tot dekking van de distributiekosten — als componenten van genoemde maximumprijzen.

Door de termen „maximumprijs franco fabriek”, „maximumprijs franco groothandelsdepot” en „maximum vergoeding voor de distributie aan groot- en detailhandel” te gebruiken, had men zich in besluit nr. 39/1974 op onjuiste wijze uitgedrukt. Het ging daar immers om kostenfactoren waarmee rekening moest worden gehouden voor de vaststelling van de maximum detailhandelsprijzen, maar die niet dwingend werden opgelegd.

In bijlage bij haar antwoord produceert de Italiaanse Regering een overzicht van de bij besluit nr. 28/1974 vastgestelde detailhandelsprijzen. Dit overzicht bevestigt de voorafgaande uiteenzettingen en toont aan dat het CIP een heel wat hogere prijs franco fabriek in aanmerking heeft genomen dan de destijds geldende drempelprijs.

3. De vierde vraag van het Hof

Met deze vraag werden de Italiaanse Regering en de Commissie verzocht:

meer gedetailleerd uiteen te zetten … onder welke voorwaarden naar hun mening een nationale prijsregeling van de onderhavige soort

  1. de prijsvorming als voorzien in het kader van de gemeenschappelijke ordening der suikermarkten kan wijzigen;

  2. meer in het algemeen de doelstellingen of de werking van deze gemeenschappelijke ordening in gevaar kan brengen.

Terwijl de Italiaanse Regering ten deze geen standpunt heeft ingenomen, heeft de Commissie de volgende opmerkingen gemaakt, waarbij zij erop wees, dat hiermee niet de vraag van de verenigbaarheid van de betrokken maatregelen met artikel 30 van het Verdrag werd behandeld.

De gemeenschappelijke ordening der suikermarkten is opgebouwd rond drie basisprijzen, te weten de richtprijs, de drempelprijs en de interventieprijs. De richtprijs is een „politieke”, dat wil zeggen gewenste, maar niet opgelegde prijs. Om deze prijs op de gemeenschappelijke markt te verwezenlijken heeft de Gemeenschap een reeks indirecte middelen te baat genomen: publikatie van de vastgestelde richtprijs, heffingen bij import, interventies op de binnenlandse markt en restituties bij export.

Vóór het arrest Galli was het standpunt van de Commissie inzake eenzijdig door bepaalde Lid-Staten genomen maatregelen op het gebied van de landbouwprijzen als volgt:

  • Ten aanzien van de produktie — en groothandelsprijzen konden de Lid-Staten slechts maximum verkoopprijzen vaststellen voorzover daardoor niet de werking van de mechanismen van de gemeenschappelijke marktordening werd geschaad, of althans werd gehinderd of bemoeilijkt. Zo was vaststelling van een maximum verkoopprijs onder de interventieprijs ongeoorloofd, want zij verhinderde rechtstreeks de verwezenlijking van een door het Gemeenschapsrecht gegarandeerd prijspeil. Eveneens was ongeoorloofd dat de prijzen onder de richtprijs waren vastgesteld, omdat in een dergelijk geval de nationale maatregel de verwezenlijking van de richtprijs belemmerde. Indien ten slotte de maximum verkoopprijzen boven de richtprijs werden bepaald, moest van geval tot geval worden onderzocht of de nationale maatregel al dan niet een belemmering voor de verwezenlijking van deze prijs vormde.

  • De Lid-Staten hadden de bevoegdheid behouden om de detailhandelsprijzen vast te stellen voor zover de in het kader van de betrokken gemeenschappelijke ordening vastgestelde Gemeenschapsbepalingen zich niet daartegen verzetten.

    Toch kan het toepassingsgebied van de gemeenschappelijke marktordeningen ook worden uitgebreid tot het consumptiestadium, zoals volgt uit artikel 39, lid 1, sub e, van het Verdrag, volgens hetwelk het gemeenschappelijk landbouwbeleid onder meer ten doel heeft „redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren”. Voor de vraag of een door een Lid-Staat vastgestelde maximum detailhandelsprijs verenigbaar is met de communautaire prijzen, dient te worden onderzocht van welk prijsniveau franco fabriek, gelet op de gemiddelde winstmarges van de tussenhandel, bij genoemde maximum prijs wordt uitgegaan.

Het arrest Galli leidt de Commissie, meer in het bijzonder voor de onderhavige zaak, tot de volgende overwegingen:

  • Het aan het Hof voorgelege geval heeft een specifiek karakter doordat van alle landbouwprodukten bij suiker het meest duidelijk het verband blijkt tussen de verkoopprijzen in het stadium van de produktie en de groothandel enerzijds, en de verkoopprijzen in het stadium van de detailhandel en de consumptie anderzijds. De betrokken besluiten van het CIP tonen aan dat het in Italië bij suiker mogelijk is „zonder onderscheid de prijzen te controleren door het ene of het andere stadium te regelen”.

  • Al stelde de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen dat de bij besluit nr. 28/1974 vastgestelde detailhandelsprijs, doordat hierbij werd uitgegaan van een hogere prijs franco fabriek dan de communautaire drempelprijs, de doelstellingen en de werking van de gemeenschappelijke ordening der suikermarkten niet in gevaar bracht, is zij zich bewust van het feit dat dit standpunt kritiek kon oproepen. In de eerste plaats mist het onderscheid tussen de produktie en de groothandel enerzijds en de detailhandel anderzijds immers nauwkeurigheid. Voorts kan de door de Commissie gekozen methode om de verenigbaarheid van de litigieuze prijzen met de Gemeenschapsregeling vast te stellen, bij welke methode wordt uitgegaan van de prijs franco fabriek, aanleiding geven tot het verwijt dat zij in strijd is met het arrest Galli.

Overwegende dat tijdens de mondelinge behandeling van 16 december 1975, Tasca, ten deze vertegenwoordigd door D. Viscardini, advocaat te Padua, de Britse Regering, ten deze vertegenwoordigd door G. Slynn, Q C, als gemachtigde van de Treasury Solicitor, de Italiaanse Regering, ten deze vertegenwoordigd door I. M. Braguglia, vice-avvocato dello Stato, de Commissie, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur C. Maestripieri, en de Raad, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur M. C. Giorgi de tijdens de schriftelijke behandeling gebezigde argumenten nader hebben toegelicht;

dat de bij deze gelegenheid naar voren gebrachte nieuwe gegevens kunnen worden samengevat als volgt;

Tasca meent dat de door de nationale rechter gestelde vragen niet alleen het consumptiestadium betreffen. Een dergelijke beperking volgt niet uit de bewoordingen van deze vragen, en de betrokken levering, verricht aan een beroepsgebruiker was een verkoop en gros. Voor het overige zijn de beweringen van de Italiaanse Regering onjuist, voor zover zij aannemelijk moeten maken dat de besluiten nrs. 28/1974 en 39/1974 alleen van toepassing zijn op de verkoop aan uiteindelijke verbruikers en dat het tweede dezer besluiten met het gebruik van uitdrukkingen als „maximum prijs franco fabriek” zich ertoe had beperkt om met bepaalde kostenfactoren rekening te houden, zonder deze op dwingende wijze op te leggen. Deze stelling is in strijd met de door de Italiaanse rechterlijke instanties gegeven uitlegging van de besluiten en meer in het bijzonder met de opvatting waardoor de Pretore van Padua zich in de onderhavige zaak liet leiden.

De Italiaanse Regering betoogt dat, indien verordening nr. 1009/67 ten doel heeft de werkgelegenheid en de levensstandaard van de suikerproducenten te garanderen, zulks wordt verwezenlijkt dank zij de vaststelling van de interven tieprijs, die als enige van de communautaire prijzen bindend is en garandeert dat de producent nooit wordt gedwongen, met verlies te produceren. Anders gezegd, de verordening garandeert de producenten een minimumwinst, maar niet de maximumwinst die de producenten zouden kunnen maken indien zij vrij waren de detailhandelsprijzen te bepalen. Meer in het bijzonder als antwoord op de in de zaak 65-75 (Tasca) na de sluiting van de schriftelijke behandeling door het Hof gestelde vierde vraag, merkt de Italiaanse Regering op dat de vaststelling van maximum detailhandelsprijzen de doelstellingen en de werking van de gemeenschappelijke ordening slechts in gevaar brengt, indien zij zodanig wordt verricht dat de realisering van genoemde minimum winst wordt verhinderd of bemoeilijkt.

Overwegende dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 21 januari 1976 conclusie heeft genomen;

Ten aanzien van het recht

1 Overwegende dat de Pretore te Padua bij beschikking van 11 juli 1975, ingekomen ter griffie van het Hof op 22 juli 1975, krachtens artikel 177, EEG-Verdrag drie vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van artikel 30 van het Verdrag alsmede van de bepalingen van 's Raads verordening nr. 1009/67/EEG van 18 december 1967, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 308, blz. 1), met name artikel 35;

2 dat deze vragen zijn gerezen in een strafgeding tegen een handelaar ter zake van overtreding van besluit nr. 39/1974 van het „Comitato interministeriale dei prezzi” (hierna te noemen „CIP”) van 13 augustus 1974 (Gazzetta Ufficiale, nr. 214, van 16. 8. 1974 ), doordien hij bij de verkoop van 25 000 kg griessuiker een hogere prijs had toegepast dan de uit genoemd besluit voortvloeiende maximumprijs;

3 dat het antwoord van het Hof de nationale rechter in staat moet stellen te beslissen of de bepalingen welker overtreding verdachte in het hoofdgeding te laste wordt gelegd, al dan niet verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht;

4 Overwegende dat besluit nr. 39/1974 de componenten aangaf waaruit de bij besluit nr. 28/1974 van het CIP van 28 juni 1974 (Gazzetta Ufficiale, nr. 171, van 2. 7. 1974 ) vastgestelde maximum detailhandelsprijzen van zowel binnenlandse als buitenlandse suiker bestonden, zoals onder meer de „maximumprijs franco fabriek”, de „maximumprijs franco groothandelsdepot” en de „maximumvergöeding voor de distributie in de groothandel en de detailhandel”;

5 dat tijdens de procedure voor het Hof een menigsverschil is ontstaan over de vraag of bij deze besluiten te zamen alleen bindende maximumprijzen zijn vastgesteld voor verkopen waarbij de rechtstreekse koper de eindverbruiker is of ook voor verkopen in de voorafgaande handelsfasen en met name de verkopen van de suikerproducenten;

6 dat, gezien dit geschil, dat niet door het Hof kan worden opgelost, en gelet op het feit dat de door de nationale rechter gestelde vragen geen onderscheid maken naar de verschillende handelsfasen, deze vragen moeten worden geacht in algemene zin betrekking te hebben op de vaststelling van maximumprijzen voor de verkoop van suiker, of het nu gaat om verkopen door producenten, importeurs, groothandelaars of detaillisten;

De eerste vraag

7 Overwegende dat het Hof in de eerste plaats wordt gevraagd of de bij verordening nr. 1009/67 gegeven gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zich in verband met de daarin vervatte prijsregeling verzet tegen de eenzijdige vaststelling van een maximum verkoopprijs door een Lid-Staat;

8 Overwegende dat verordening nr. 1009/67, vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, ten doel heeft een gemeenschappelijke marktordening in de zin van artikel 40 van het EEG-Verdrag tot stand te brengen; dat deze gemeenschappelijke marktordening, zoals in de considerans bij de verordening herhaaldelijk wordt beklemtoond, is gericht op de totstandbrenging van één markt in de sector suiker voor de gehele Gemeenschap, onder gemeenschappelijk beheer en berustend op een stelsel van gemeenschappelijke prijzen;

9 Overwegende dat, zoals het Hof in de zaak 31-74, arrest van 23 januari 1975, (Galli, Jurispr. blz. 47) reeds heeft aangegeven naar aanleiding van een nationale regeling waarbij de prijzen van andere produkten in het produktie- en groothandelsstadium werden geblokkeerd, „op de gebieden waarvoor een gemeenschappelijke marktordening geldt — a fortiori wanneer deze ordening uitgaat van een gemeenschappelijke prijsregeling — de Lid-Staten niet meer door eenzijdig vastgestelde nationale bepalingen kunnen ingrijpen in het prijsvormingsmechanisme zoals dit uit de gemeenschappelijke ordening voortvloeit”, zodat „een nationale regeling die ertoe leidt dat door een prijzenstop … de in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voorziene prijsvorming wordt gewijzigd, onverenigbaar is” met het Gemeenschapsrecht;

10 dat in hetzelfde arrest wordt gepreciseerd dat de bepalingen van een communautaire landbouwverordening met een prijsregeling voor het produktie- en groothandelsstadium „de bevoegdheid der Lid-Staten om in het detailhandelsen consumptiestadium passende maatregelen inzake de prijsvorming te nemen, — overminderd andere Verdragsbepalingen — onverlet laten, mits deze maatregelen de doelstellingen of de werking van de betrokken gemeenschappelijke marktordening niet in gevaar brengen”;

11 dat deze overwegingen in verband met de verordeningen nrs. 120/67 en 136/67, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, respectievelijk oliën en vetten, eveneens gelden voor de uitlegging van verordening nr. 1009/67, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, gezien de overeenkomst van de met name bij verordeningen nrs. 120/67 en 1009/67 ingevoerde onderscheidene prijsregelingen;

12 Overwegende dat ter zake van de verenigbaarheid van de prijsvaststelling door de nationale autoriteiten met het Gemeenschapsrecht geen scherp onderscheid tussen maximum detailhandelsprijzen en maximumprijzen in voorafgaande handelsfasen is te maken, omdat enerzijds een prijsregeling in het stadium van de verkoop aan de eindverbruiker kan terugwerken in de prijsvorming in genoemde vorige fasen en anderzijds de prijzen, voorzien in de Gemeenschapsregeling voor suiker, geen prijzen zijn die gelden voor bepaalde verkopen aan handelaars, gebruikers of verbruikers;

13 dat evenwel moet worden vastgesteld dat in feite een nationale regeling voor landbouwprijzen, welke op dezelfde handelsfasen betrekking heeft als de regeling van Gemeenschapsprijzen, met deze laatste regeling allicht eerder in strijd zal komen dan een regeling die uitsluitend op andere fasen van toepassing is;

14 dat derhalve dient te worden geconcludeerd dat de eenzijdige vaststelling door een Lid-Staat van maximum verkoopprijzen voor suiker, ongeacht de betrokken handelsfase, onverenigbaar is met verordening nr. 1009/67, zodra zij de doelstellingen en de werking van deze ordening en met name van haar prijsregeling in gevaar brengt;

15 Overwegende dat, ten einde de nationale rechter aan te geven in welke omstandigheden een dergelijke onverenigbaarheid zich zou kunnen voordoen, deze regeling nader moet worden beschouwd;

16 Overwegende dat luidens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1009/67 „voor het gebied van de Gemeenschap met het grootste overschot” — te weten enkele departementen in Noord-Frankrijk — „jaarlijks een richtprijs [wordt] vastgesteld voor witte suiker … af fabriek …”;

17 dat krachtens artikel 3, leden 1 en 2, dezer verordening voor genoemd gebied „jaarlijks een interventieprijs [wordt] vastgesteld voor witte suiker”, terwijl „voor andere gebieden afgeleide interventieprijzen [worden] vastgesteld, rekening houdend met de regionale prijsverschillen voor suiker…”;

18 dat ingevolge artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1009/67, „de door de Lid-Staten … aangewezen interventiebureaus … verplicht zijn … de suiker die hun wordt aangeboden, te kopen”, en wel „tegen de interventieprijs die geldt voor het gebied waar de suiker zich op het ogenblik van de aankoop bevindt”, terwijl artikel 10 bepaalt dat zij in beginsel „suiker op de interne markt slechts mogen verkopen tegen prijzen die hoger zijn dan de interventieprijs”;

19 dat volgens de bepalingen van artikel 4, leden 1 en 2, juncto artikel 5, lid 1, van de verordening „jaarlijks voor ieder produktiegebied van bietsuiker … een minimumprijs voor suikerbieten [wordt vastgesteld] … met inachtneming van de in het betrokken gebied geldende interventieprijs voor witte suiker”, waarbij „de suikerfabrikanten verplicht [zijn] bij de aankoop van suikerbieten die tot suiker verwerkt worden ten minste [deze] minimumprijs te betalen”;

20 Overwegende dat gedurende de betrokken periode de afgeleide interventieprijs voor Italië boven het peil van de richtprijs werd vastgesteld, zodat bij het onderzoek van de door de nationale rechter gestelde vraag slechts met die situatie rekening behoeft te worden gehouden;

21 Overwegende dat in dit geval de Gemeenschapsregeling beoogt zoveel mogelijk te garanderen dat de suikerproducenten bij hun afzet binnen het gebied waarvoor een dergelijke afgeleide interventieprijs werd vastgesteld, een prijs af fabriek kunnen bereiken die minstens gelijk is aan die interventieprijs; dat immers anders de producenten wellicht geen kans zouden zien aan de bietentelers de minimum prijs te betalen die hun in de Gemeenschapsregeling wordt gewaarborgd;

22 dat mitsdien een Lid-Staat, waarvoor de interventieprijs werd vastgesteld boven het peil van de richtprijs, de doelstellingen en de werking van de suikermarkten in gevaar brengt met een zodanige reglementering van de prijzen dat direct of indirect wordt belemmerd dat de suikerproducenten een prijs af fabriek krijgen die minstens gelijk is aan genoemde interventieprijs;

23 dat zich een dergelijke indirecte belemmering voordoet wanneer de betrokken Lid-Staat, zonder de prijzen in het produktiestadium te regelen, voor het groothandels- of detailhandelsstadium maximum verkoopprijzen op een zó laag peil vaststelt, dat het de producent praktisch niet mogelijk is tegen de interventieprijs te verkopen, daar hij dan de aan genoemde maximumprijzen gebonden grossiers of detaillisten zou dwingen met verlies te verkopen;

24 Overwegende dat het in elk afzonderlijk geval aan de nationale rechter staat om met name in het licht van het vorenoverwogene uit te maken of de maximumprijzen die aan zijn oordeel worden onderworpen al dan niet gevolgen hebben waardoor zij onverenigbaar worden met de Gemeenschapsbepalingen op het gebied van suiker;

De tweede vraag

25 Overwegende dat in de tweede plaats wordt gevraagd of de artikelen 30 van het EEG-Verdrag en 35 van verordening nr. 1009/67, en met name het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap, zich in ieder geval verzetten tegen de vaststelling van alleen voor het grondgebied van een Lid-Staat geldende maximumprijzen;

26 Overwegende dat artikel 30 van het Verdrag in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten elke maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking verbiedt, welk verbod met betrekking tot de suikermarkt wordt herhaald in artikel 35 van verordening nr. 1009/67; dat het voor dit verbod voldoende is dat de betrokken maatregelen al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel de importen tussen Lid-Staten kunnen belemmeren;

27 dat een zonder onderscheid op nationale en geïmporteerde produkten toepasselijke maximumprijs weliswaar op zichzelf geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt, doch een dergelijke werking wel kan krijgen bij vaststelling op een zodanig peil dat de afzet van de geïmporteerde produkten hetzij onmogelijk, hetzij moeilijker wordt dan die van nationale produkten;

28 dat een maximumprijs, althans voor zover deze van toepassing is op geïmporteerde produkten, derhalve een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt, met name wanneer die prijs op een zó laag peil wordt vastgesteld dat — gezien de algemene situatie van geïmporteerde produkten in vergelijking met die van nationale produkten — handelaren die het produkt in de betrokken Lid-Staat wensen in te voeren, dit slechts met verlies zouden kunnen doen;

29 Overwegende dat het aan de nationale rechter staat te beslissen of dit in casu het geval is;

De derde vraag

30 Overwegende dat het Hof in de derde plaats wordt gevraagd of de genoemde bepalingen van verordeningen nr. 1009/67 voor de handelaren subjectieve, door de nationale rechter te handhaven rechten doen ontstaan des dat een met die bepalingen niet-verenigbare nationale regeling van maximumprijzen voor die handelaren buiten toepassing blijft;

31 Overwegende dat luidens artikel 189, lid 2, van het Verdrag een verordening „een algemene strekking” heeft en „rechtstreeks toepasselijk is in elke Lid-Staat”; dat zij mitsdien naar haar aard en functie in het stelsel van de communautaire rechtsbronnen rechtstreeks werkt en als zodanig de justitiabelen rechten kan verlenen die de nationale rechter moet handhaven;

32 dat de gestelde vraag derhalve bevestigend dient te worden beantwoord;

Ten aanzien van de kosten

33 Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, door de Raad van de Europese Gemeenschappen alsmede door de Britse en Italiaanse Regering wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

dat de procedure als een in het strafgeding voor de Pretore te Padua gerezen incident is te beschouwen, zodat deze rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

uitspraak doende op de door de Pretore te Padua bij beschikking van 11 juli 1975 gestelde vragen, verklaart voor recht;

HET HOF VAN JUSTITIE,

  1. De eenzijdige vaststelling door een Lid-Staat van maximum verkoopprijzen voor suiker is ongeacht de betrokken handelsfase onverenigbaar met verordening nr. 1009/67 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, zodra zij de doelstellingen en de werking van deze ordening en met name van haar prijsregeling in gevaar brengt;

  2. Een maximumprijs vormt, althans voor zover deze van toepassing is op geïmporteerde produkten, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, met name wanneer die prijs op een zó laag peil wordt vastgesteld, dat — gezien de algemene situatie van geïmporteerde produkten in vergelijking met die van nationale produkten — handelaren die het betrokken produkt in de betrokken Lid-Staat wensen in te voeren, dit slechts met verlies zouden kunnen doen;

  3. De door de nationale rechterlijke instantie genoemde bepalingen van verordening nr. 1009/67 hebben rechtstreekse werking en kunnen als zodanig de justitiabelen rechten verlenen die de nationale rechter moet handhaven.

Lecourt

Kutscher

O'Keeffe

Donner

Mertens de Wilmars

Sørensen

Mackenzie Stuart

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op zesentwintig februari negentienhonderdzesenzeventig.

De Griffier

A. Van Houtte

De President

R. Lecourt