Hof van Justitie EU 19-01-1977 ECLI:EU:C:1977:5
Hof van Justitie EU 19-01-1977 ECLI:EU:C:1977:5
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 19 januari 1977
Conclusie van de Advocaat-Generaal J.-P. Warner
van 19 januari 1977 (1)
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de twee zaken die het Bundesfinanzhof U ter prejudiciële beslissing heeft voorgelegd, is verzoekster de firma Rolf H. Dittmeyer uit Hamburg en verweerder het Hauptzollamt Hamburg-Waltershof.
In beide zaken heeft het Bundesfinanzhof uitspraak te doen over de tariefindeling van een door verzoekster ingevoerd produkt, dat in beide gevallen in wezen hetzelfde is. In het eerste geval werd dit produkt, dat bederfelijk is, echter in gepasteuriseerde, in het tweede geval in bevroren toestand ingevoerd.
Verzoekster is, naar ik heb begrepen, een fabrikant van vruchtesap, in het bijzonder citrusvruchtesap. Voor haar bedrijf importeert zij uit landen als Marokko en Brazilië een locaal vervaardigd sapconcentraat van citrusvruchten. Daarnaast importeert zij uit die landen ook het produkt waar het in deze zaken om gaat. Het is, als ik de uitdrukking mag gebruiken zonder daarmee enige stelling te betrekken, een bijprodukt bij de vervaardiging van die sapconcentraten.
Het schijnt dat het sap in de eerste fase van het produktieproces uit de vrucht wordt geperst of gezogen, waarbij onvermijdelijk enige vruchtdelen daarin achterblijven. Deze worden uitgezeefd en nogmaals geperst om alle sap eruit te halen. Hetgeen dan overblijft bevat volgens de verwijzingsbeschikkingen van het Bundesfinanzhof nagenoeg geen vruchtvlees of vruchtesap, doch bestaat grotendeels uit celvlies en witte binnenschil.
Verzoekster voert dit produkt in ter verwerking in haar vruchtesappen om die een aantrekkelijker aanzicht te geven. Verzoekster beweert echter dat het produkt slechts bij uitzondering voor een doel als dit wordt gebruikt en dat het meestal eenvoudig wordt weggeworpen als industrie-afval, ofschoon het soms als dierlijk voedsel wordt gebruikt. Dit is blijkbaar niet bestreden.
Bij de betrokken importen in 1970 meldde verzoekster de produkten aan onder post 23.06: „plantaardige produkten van de soorten, welke worden gebruikt als voedsel voor dieren, elders genoemd noch elders onder begrepen”. Aanvankelijk accepteerde de douane te Hamburg deze indeling, maar in november 1971 kwam zij tot een ander inzicht en zond zij verzoekster een navordering op de volgende gronden:
-
Aangezien het betrokken produkt was gepasteuriseerd, viel het onder de omschrijving van post 20.06: „op andere wijze bereide of verduurzaamde vruchten, ook indien met toegevoegde suiker of alcohol” — „op andere wijze” wil hier zeggen: anders dan met azijn, azijnzuur, bevroren of met suiker;
-
Aangezien het produkt was bevroren, viel het onder de omschrijving van post 08.10: „fruit, ook indien gekookt, bevroren, zonder toegevoegde suiker”.
De douane heeft zich hierbij, naar het schijnt, door twee dingen laten leiden.
Ten eerste een tariefbeslissing van het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijke douanetarief van 4 mei 1971. Deze is opgenomen als Bijlage III bij de memorie van de Commissie en heeft betrekking op het onderhavige produkt, voorzover afkomstig van sinaasappelen. Het produkt wordt hier als volgt omschreven:
„Produkten, sinaasappelcellen genaamd, in de vorm van een dikke, geelachtige, niet gekookte vruchtenmoes met een neutrale smaak of met een zwakke bittere sinaasappelsmaak, zonder toegevoegde suiker. Ze worden verkregen door het zeven van vruchtvlees houdend sinaasappelsap; bovendien bevatten zij een bepaalde hoeveelheid min of meer fijn gemaakte velletjes, die vooral afkomstig zijn van het witte gedeelte van de schil. Zij zijn bestemd om aan geconcentreerd sinaasappelsap of aan limonades te worden toegevoegd.”
Het Comité heeft de indeling als volgt gemotiveerd:
„De. betrokken produkten, welke hoofdzakelijk zijn samengesteld uit delen van genoemde vruchten, te weten vruchtenmoes, celwand en een bepaalde hoeveelheid vooral van het witte gedeelte van de schil afkomstige velletjes, moeten in gepasteuriseerde staat onder post 20.06 en in bevroren toestand onder post 08.10 worden ingedeeld. Indeling onder post 23.06 is uitgesloten met name omdat bedoelde produkten door hun wijze van vervaardiging en van conservering, geen residu in de zin van deze post vormen.”
Het woord „residu” wordt niet gebruikt in post 23.06 zelf, maar valt wel onder de titel van hoofdstuk 23 van het gemeenschappelijk douanetarief, waaronder deze post is opgenomen. Deze titel luidt: „resten en afval van de voedselindustrie; bereid voedsel voor dieren”. Hoewel punt A 1 van de algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief zegt dat de tekst van de opschriften van hoofdstukken „wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden”, mag mijns inziens mede in verband met de desbetreffende toelichtingen bij de nomenclatuur van Brussel van de Internationale Douaneraad, voor de interpretatie van de verschillende posten van hoofdstuk 23 worden aangenomen dat dit hoofdstuk handelt over resten en afval van de voedselindustrie. Op die toelichtingen zal ik later nog terugkomen.
De douaneautoriteiten in Hamburg schijnen in de tweede plaats te zijn afgegaan op het resultaat van een in 1971 door een douanelaboratorium verricht onderzoek van monsters van het door verzoekster ingevoerde produkt. Dit onderzoek en de resultaten ervan maken echter, voorzover ik heb begrepen, nu nog slechts deel uit van het feitenrelaas en bieden geen steun voor Uw uitspraak in deze.
Na vruchteloos verzet tegen de navordering voorzag verzoekster zich eveneens vruchteloos in beroep bij het Finanzgericht te Hamburg, dat zich blijkbaar gebonden achtte door de tariefbeslissing van het Comité Nomenclatuur.
Verzoekster heeft zich daarop gewend tot het Bundesfinanzhof.
Het Bundesfinanzhof betwijfelt in zijn verwijzingsbeschikking of het indelingselement „vruchten” mede produkten kan omvatten, die weliswaar uit delen van vruchten bestaan maar toch de bepalende kenmerken van een vrucht praktisch geheel missen, en twijfelt daarmee tevens aan de juistheid van de tariefbeslissing van het Comité Nomenclatuur. Van de andere kant vraagt het Bundesfinanzhof zich af of een produkt dat in het algemeen niet als diervoeder wordt gebruikt, niettemin onder post nr. 23.06 kan worden gebracht.
Het heeft thans in elke van beide zaken drie vragen aan Uw Hof gesteld.
Ten eerste of het betrokken produkt onder post 20.06, respectievelijk post 08.10, valt.
Ten tweede of het produkt bij ontkennende beantwoording van vraag 1 kan worden ingedeeld onder post 23.06, ook al wordt het in het algemeen en ook in het speciale geval niet als diervoeder gebruikt.
En ten derde of het produkt bij ontkennende beantwoording van de eerste twee vragen onder een van beide genoemde posten kan worden gebracht krachtens punt 5 (thans punt 4) van de algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, op grond waarvan „de goederen, welke onder geen enkele post van het tarief vallen, worden ingedeeld onder de post, welke van toepassing is op de goederen waarmede zij de meeste overeenkomst vertonen”.
Alvorens op deze vragen in te gaan, wil ik eerst het rechtskarakter bezien van de „tariefbeslissingen” van het Comité Nomenclatuur van het GDT.
Volgens de Commissie werd de betrokken tariefbeslissing gegeven krachtens artikel 2 van verordening (EEG) nr. 97/69 van de Raad van 16 januari 1969 (PB L 14 van 21. 1. 1969). Bij deze verordening „betreffende de maatregelen die moeten worden getroffen voor de uniforme toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief” werd, zoals U weet, het Comité Nomenclatuur van het GDT ingesteld. Artikel 1 van deze verordening bepaalt dat het Comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en onder voorzitterschap staat van de vertegenwoordiger van de Commissie.
Artikel 2 luidt:
„Het Comité kan elk vraagstuk betreffende de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief onderzoeken, dat door zijn voorzitter hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat aan de orde wordt gesteld”.
In artikel 3 is de procedure aangegeven volgens welke „de bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief met het oog op de indeling der goederen” worden vastgesteld. Deze procedure is in wezen dezelfde als die van artikel 14 van verordening (EEG) nr. 802/68 voor „de gemeenschappelijke definitie van het begrip oorsprong van goederen”, waarover ik onlangs heb gesproken in de zaak 49/76 Gesellschaft für Überseehandel mbH t. Handelskammer Hamburg. Zij houdt in dat de Commissie een ontwerp voorlegt aan het comité en vervolgens de beoogde bepalingen vaststelt wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité, en indien zij daarmee niet in overeenstemming zijn, een voorstel doet aan de Raad die binnen drie maanden een besluit moet nemen, bij gebreke waarvan de Commissie de door haar voorgestelde bepalingen vaststelt.
In de zaak 37/75 Bagusat t. Hauptzollamt Berlin-Packhof (Jurispr. 1975, blz. 1339) moest het Hof zich uitspreken over een krachtens artikel 3 door de Commissie vastgestelde verordening. Het Hof heeft toen uitgemaakt dat uit kracht van artikel 3 aan de Commissie, „handelend in nauwe samenwerking met douanedeskundigen van de Lid-Staten”, een ruime beoordelingsvrijheid was toegekend bij de keuze tussen twee of meer posten die voor indeling van een bepaalde waar in aanmerking komen, met dien verstande alleen dat de Commissie de tekst van het gemeenschappelijk douanetarief niet mag wijzigen (zie met name de overwegingen 7, 8 en 11 van het arrest).
Aanvankelijk dacht ik dat het Hof in de onderhavige zaak voor het eerst moest oordelen over een tariefbeslissing van het Comité Nomenclatuur van het GDT. Doch het Hof heeft zich reeds over een dergelijke beslissing uitgesproken in de 98 en 99/75 Carstens Keramik t. Oberfinanzdirektion Frankfurt am Main (Jurispr. 1976, blz. 241zaken ). In de Engelse en Franse tekst van het arrest komt dit echter niet duidelijk tot uiting. In de Engelse tekst wordt een dergelijke beslissing nu eens een „tariff decision” (zie bij voorbeeld blz. 243, 244 en 246) genoemd en dan weer een „opinion” (zie bij voorbeeld blz. 250 en 252). In de Franse tekst wordt nu eens gesproken over „décision tarifaire” (blz. 243, 244 en 246) en dan weer over een „avis” (zie blz. 250 en 253), terwijl de term „classification slip” in het Frans thans wordt aangeduid met „fiche de classement”. Dergelijke terminologische onnauwkeurigheden komen ook voor in de Deense, Nederlandse en Italiaanse tekst. In de authentieke Duitse tekst wordt overal terecht de term „Tarif-entscheid gebruikt. Ik zeg „terecht”, gezien de eigen terminologie van het Comité Nomenclatuur van het GDT. Het Hof overwoog in ieder geval dat deze beslissing niet bindend is, maar een „waardevolle aanwijzing” vormt bij de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief. Hierop heb ik ook gewezen in de zaak Gesellschaft für Überseehandel, waar ik concludeerde dat er rechtens geen verschil is tussen een advies van het Comité oorsprong van goederen ex verordening nr. 802/68 en een „advies” van het Comité Nomenclatuur van het GDT ex verordening nr. 97/69.
Ditzelfde geldt, dunkt mij, voor de onderhavige tariefbeslissing: het Hof moet deze in aanmerking nemen als de opvatting van de Commissie en van de bevoegde autoriteiten der Lid-Staten, maar is er geenszins aan gebonden.
Hiervan uitgaande, kom ik nu tot de vragen van het Bundesfinanzhof, waarbij ik al dadelijk wil zeggen dat de aarzeling van het Bundesfinanzhof om het betrokken produkt als „fruit” in te delen, mij alleszins gerechtvaardigd voorkomt Het lijkt mij een taalmisbruik dit produkt als „fruit” te omschrijven.
Ter ondersteuning van de opvatting van het Comité Nomenclatuur betoogt de Commissie dat de term „vruchten” in de tariefposten nr. 20.06 en 08.10 moet worden geacht ook delen van vruchten te omvatten, hetgeen ongetwijfeld juist is, want deze tariefposten hebben niet alleen betrekking op gehele, vruchten. In de tariefposten 20.06 B II (a) 2 en 20.06 B II (b) 2 wordt bij voorbeeld gesproken van „partjes van pompelmoezen”, en in de toelichtingen bij de nomenclatuur van Brussel wordt onder hoofdstuk 20, aantekening nr. 3, gezegd dat „in stroop verduurzaamde eetbare planten en plantendelen, zoals gember en engelwortel, worden ingedeeld onder post 20.06”. Volgens een der algemene opmerkingen bij dit hoofdstuk kunnen de in het hoofdstuk genoemde vruchten, groenten en andere planten of plantedelen in hun geheel, in stukken of als pulp voorkomen; en in de toelichting bij post 20.06 zelf wordt vermeld: „deze post omvat hele vruchten, stukken van vruchten en vruchtepulp, welke anders zijn bereid of verduurzaamd dan omschreven is in de posten van hoofdstuk 8 of in de vorige posten van dit hoofdstuk”.
Uit die toelichtingen blijkt echter nergens dat als delen van vruchten onder post 08.10 of 20.06 ook produkten kunnen vallen, die weliswaar afkomstig zijn van een vrucht maar waaraan elk vruchtkenmerk vreemd is. Opmerkelijk in dit verband is dat schillen van fruit in hoofdstuk 8 van het douanetarief anders worden behandeld dan fruit: zie post 08.13. In hoofdstuk 20 wordt met schillen van vruchten ietwat slordig omgesprongen. Post 20.04 heeft betrekking op „vruchten, vruchteschillen, planten en plantedelen, geconfijt met suiker (uitgedropen, geglaceerd of uitgekristalliseerd)”. Maar in geen enkele post is uitdrukkelijk sprake van anders dan met suiker verduurzaamde vruchteschillen. Volgens de Commissie zou de Egyptische delegatie in de Internationale Douaneraad in 1957 de aandacht op deze onregelmatigheid hebben gevestigd. Als gevolg hiervan schijnt te zijn geadviseerd de term „vruchteschillen” op te nemen onder post 20.06 (zie bijlage I bij de opmerkingen der Commissie). Maar dit advies schijnt niet te zijn opgevolgd en zelfs al was het opgevolgd, dan denk ik niet dat het voor ons geval enig verschil zou maken. De Commissie heeft ook nog gewezen op adviezen van de Internationale Douaneraad inzake een aantal andere produkten, maar geen daarvan lijkt volgens mij enigszins op het betrokken produkt (zie bijlage II bij de opmerkingen der Commissie).
Ik meen dan ook dat dit produkt niet valt onder post 08.10 of 20.06.
Valt het nu wel onder post 23.06? Het Bundesfinanzhof aarzelt op dit punt, vooral omdat het produkt over het algemeen niet wordt gebruikt als dierlijk voedsel en daarvoor ook niet is bestemd, wanneer het wordt ingevoerd door verzoekster.
Wat dat betreft, wil ik opmerken dat, om onder post 23.06 te vallen, een produkt niet „bestemd” hoeft te zijn voor gebruik als dierlijk voedsel, doch slechts van de voor dierlijk voedsel gebruikte „soorten” behoeft te zijn. Of een produkt van die soort is, vormt een vraag van feitelijke aard welke, bij een verzoek om een prejudiciële beslissing, door de bevoegde nationale rechter behoort te worden beantwoord. De reden waarom het antwoord op die vraag voor ons echter niet ter zake doet, zal ik zo dadelijk uiteenzetten.
In de toelichtingen op de Nomenclatuur van Brussel wordt bij hoofdstuk 23 het volgende opgemerkt: „dit hoofdstuk omvat allerlei resten en afvallen, verkregen bij de bewerking of verwerking van de plantaardige produkten in de voedselindustrie, alsmede bepaalde residuen van dierlijke oorsprong. Het grootste deel van die resten en afvallen wordt bijna uitsluitend gebruikt voor de voeding van dieren, … Sommigen daarvan … worden evenwel voor industriële doeleinden aangewend”. En bij post 23.06 wordt gezegd:
„Hieronder vallen, voorzover zij niet onder een post met een meer specifieke omschrijving vallen en zij geschikt zijn om als dierlijk voedsel te worden gebruikt, plantaardige produkten, plantaardig afval en resten, alsmede bijprodukten van de industriële verwerking van deze plantaardige produkten waarbij bepaalde bestanddelen daaraan zijn onttrokken.
De post omvat bij voorbeeld:
…
afvallen van fruit (zoals schillen en klokhuizen van appelen, peren, enz.) en droesem van fruit (residu van het persen van druiven, appelen, peren, citrusvruchten enz.), ook indien deze produkten gebruikt worden voor de extractie van pectine.
…”
Uit hoofdstuk 23 in zijn geheel en post 23.06 in het bijzonder blijkt duidelijk dat het hierin niet gaat om residuen of afval in de zin van „vuilnis”. Het heeft immers geen enkele zin om iets dat alleen maar geschikt is om te worden weggeworpen, in te delen voor douanedoeleinden. In deze context zijn de termen „residuen” en „afval” dan ook relatief: wat voor de ene industrie „residu” of „afval” is, vormt voor de andere een grondstof.
Aldus uitgelegd past de uitdrukking „resten en afvallen, verkregen bij de bewerking of verwerking van de plantaardige produkten in de voedselindustrie”, mijns inziens exact op het betrokken produkt en doet het er niet toe of dat produkt al dan niet geschikt is om als dierlijk voedsel te worden gebruikt. Is het daarvoor geschikt, dan valt het rechtstreeks onder post 23.06, en zo niet, dan valt het mijns inziens krachtens de algemene toepassingsbepaling nr. 4 onder post 23.06, omdat die post van toepassing is op de goederen waarmede het produkt de meeste overeenkomst vertoont.
Volgens het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief valt het betrokken produkt niet onder post 23.06„met name omdat bedoelde produkten door hun wijze van vervaardiging en van conservering, geen residu in de zin van deze post vormen”. De Commissie heeft in haar opmerkingen de bedoeling van deze enigszins duistere uitspraak ietwat verduidelijkt. De gedachte was blijkbaar dat in het gemeenschappelijk douanetarief een scherp onderscheid wordt gemaakt tussen dierlijk voedsel en menselijk voedsel, en dat een produkt dat onder bepaalde hygiënische omstandigheden is vervaardigd en door middel van pasteurisatie of bevriezing is verduurzaamd met het oog op latere verwerking in menselijk voedsel, niet kan worden ingedeeld bij dierlijk voedsel. Dit lijkt mij, met alle respect, niet de juiste benadering. Hoofdstuk 23 gaat namelijk niet alleen over dierlijk voedsel en sluit ook niet uitdrukkelijk of stilzwijgend goederen uit, die zijn geproduceerd onder bepaalde hygiënische omstandigheden of die een behandeling tegen bederf hebben ondergaan. En zeker niet wordt daarin het gebruik waartoe een bepaalde partij goederen is bestemd, als indelingscriterium gebezigd.
Samenvattend, concludeer ik dat op de door het Bundesfinanzhof gestelde vragen worde geantwoord dat de in de verwijzingsbeschikking genoemde produkten onder post 23.06 van het gemeenschappelijk douanetarief vallen.