Home

Hof van Justitie EU 13-12-1977 ECLI:EU:C:1977:206

Hof van Justitie EU 13-12-1977 ECLI:EU:C:1977:206

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
13 december 1977

Conclusie van de Advocaat-Generaal J.-P. Warner

van 13 December 1977 (1)

Mijne Heren,

Deze zaak is U ter fine van een prejudiciële beslissing voorgelegd door de rechtbank te Genua; verzoekster is de te Genua gevestigde firma Gebroeders Zerbone Snc, die aldaar — althans mede — haar bedrijf maakt van de vleesimport. Er zijn twee verweersters: de administratie der Staatsfinanciën, de eigenlijke verweerster die ik hierna kort en goed verweerster zal noemen, en de Società Italiana Cauzioni Spa, gevestigd te Rome; haar rol is niet duidelijk en zij is ten processe voor het Hof niet verschenen.

Het geval wil dat thans Uw aandacht wordt gevraagd voor precies dezelfde communautaire bepalingen die in de zaak 127/76 Dietz/Commissie aan de orde waren. Ik behoef ze derhalve niet meer allemaal op te sommen; het gaat om de regeling volgens welke er achtereenvolgens in de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland (mei 1971), België en Luxemburg (augustus 1971) alsook Frankrijk en Italië (december 1971) monetaire compenserende bedragen zijn ingevoerd.

De thans rijzende vragen zijn echter andere dan in de zaak Dietz om bespreking vroegen.

De feiten van het geding kunnen, althans zoals verzoekster ze weergeeft, gedeeltelijk worden ontleend aan de verwijzingsbeschikking en — meer in bijzonderheden — aan verzoekster's schriftelijke opmerkingen, zoals aangevuld in een bij het request gevoegde tabel. Het gaat, kort gezegd, om het volgende.

Tussen 2 juni en 9 november 1971 sloot verzoekster met leveranciers in een aantal Zuidamerikaanse landen contracten af inzake de verkoop en verscheping naar Italië van bevroren rund- en kalfsvlees. In al die contracten was een USdollarprijs vermeld, welke prijs door het stellen van onherroepelijk documentair bankkrediet moest worden voldaan.

De aldus overeengekomen documentaire kredieten werden geopend op verschillende data in september, oktober en november 1971 en januari en maart 1972. Voor al die kredieten golden de „Uniform Customs and Practice for Documentary Credits”, opgesteld door de Internationale Kamer van Koophandel.

Gezien bepaalde ten deze voorgedragen argumenten en een der vragen van de verwijzende rechter, meen ik te moeten beginnen met een resumé van de procedure geldende voor gevallen waarin de betaling volgens een internationaal contract betreffende de verkoop van goederen onder documentair bankkrediet moet geschieden. De eerste stap bestaat daarin dat de koper aan een bank in zijn eigen land (de „opdrachtgevende bank”) verzoekt onder bepaalde voorwaarden zulk een krediet te openen; de opdrachtgevende bank treft dan een regeling met een bank in het land van de verkoper (de „adviesbank”), dat wil zeggen met een plaatselijke vestiging van de opdrachtgevende bank of met een correspondent, volgens welke deze laatste de verkoper tegen afgifte van de verschepingsdocumenten de prijs der goederen betaalt. De adviesbank bevestigt de verkoper dan de opening van het krediet te zijnen gunste. Is het krediet onherroepelijk (in die zin dat de opdrachtgevende bank het niet mag herroepen), dan kan de adviesbank tot bevestiging overgaan, waarmee zij zichzelf èn de opdrachtgevende bank ten opzichte van de verkoper bindt. Hoe de koper zich van zijn aansprakelijkheid jegens de opdrachtgevende bank heeft te kwijten, is een kwestie die in de regel onderling wordt geregeld, al gelden er te dien aanzien misschien plaatselijke voorschriften. De koper kan een rekening-courant hebben bij de opdrachtgevende bank (waar al dan niet rekening-courantfaciliteiten gelden), in welk geval het bedrag waarvoor hij heeft op te komen eenvoudig als debetpost kan worden geboekt; of hij kan tevoren fonds bezorgen dan wel zich tot terugbetaling verbinden, in welk geval de verschepingsdocumenten tot zekerheid in pand kunnen worden gegeven. (Vgl. voor de algemene aspecten: Schmitthoff's „The Export Trade”, 5e editie, blz. 199 en volgende).

In casu weten wij niet of er kredietbevestiging heeft plaatsgevonden (het is niet van belang), noch ook welke regelingen er tussen verzoekster en de opdrachtgevende banken waren getroffen. Uit de reeds genoemde tabel blijkt evenwel op welke data de onderhavige betalingen aan de verkopers hebben plaatsgevonden en welke koersen daarbij zijn aangehouden. De eerste betaling is op 27 december 1971, de laatste op 29 maart 1972 geschied. De koersen liepen uiteen van 594,60 tot 582,325 lire voor een dollar, dat wil zeggen zij vielen binnen de fluctuatiemarges — 594,60 tot 568,40 — welke volgens de „Smithsonian Agreement” van 18 december 1971 voor de lira mogen worden aangehouden; voordien golden er marges van 629,50 tot 620,50 lire per dollar.

De volgens contract te leveren goederen kwamen begin 1972 op verschillende data te Genua aan en zijn tussen 8 februari 1972 en 15 mei 1972 ingeklaard ofwel na de datum (3 januari 1972) waarop de monetaire compenserende bedragen ook in Italië waren ingevoerd.

Verweerster belastte deze transacties met monetaire compenserende bedragen ad 140 771 735 lire. Verzoekster vordert voor de rechtbank te Genua terugbetaling.

Zij bedient zich aldaar van argumenten die soms het gemeenschapsrecht raken — en in de vragen van de rechtbank doorklinken —. Zij nemen vijf bladzijden van de verwijzingsbeschikking in beslag en vallen in twee series uiteen: serie A betreft de uitlegging van artikel 4 van verordening (EEG) 1013/71 van de Commissie van 17 mei 1971, zoals gewijzigd bij artikel 4 van verordening (EEG) 2887/71 van de Commissie van 30 december 1971. Serie B betreft de uitlegging van 's Raads verordening (EEG) 974/71 van 12 mei 1971.

Het lijkt mij praktisch de laatste serie vragen het eerst te bespreken.

De rechtbank leidt de eerste vraag van die serie in met de overweging dat als gevolg van de op 18 december 1971 genomen monetaire beleidsbeslissingen en de vaststelling van centrale wisselkoersen voor sommige Lid-Staten de valuta's van alle Lid-Staten ten opzichte van de US-dollar waren gerevalueerd, terwijl daarentegen — volgens verzoekster — de waarde van de Italiaanse valuta in de eerste week waarin deze maatregelen werden toegepast, was gedeprecieerd. De rechtbank stelt dan de vraag of „bijaldien de door eiseres omschreven situatie mocht blijken zich werkelijk te hebben voorgedaan, de administratie der Italiaanse financiën, zo lang die situatie bestond, rechtmatig tot heffing der compenserende bedragen kon overgaan”.

De vraag betreft in werkelijkheid de uitlegging van artikel 1 (1) van verordening 974/71 (PB L 106 van 12. 5. 1971), luidende als volgt:

„Indien een Lid-Staat toestaat dat de wisselkoers van zijn munteenheid voor handelstransacties de fluctuatiegrens die bij de internationale regeling is toegelaten, in bovenwaartse richting overschrijdt, is hij onder de hierna volgende voorwaarden ten aanzien van de hieronder bepaalde produkten gemachtigd

  1. compenserende bedragen te heffen bij de invoer uit Lid-Staten en derde landen;

  2. compenserende bedragen toe te kennen bij de uitvoer naar Lid- Staten en derde landen.”

De Engelse tekst is misleidend, omdat zij suggereert dat een Lid-Staat tot toepassing van monetaire compenserende bedragen moest worden gemachtigd indien hij zijn wisselkoers in bovenwaartse dan wel in benedenwaartse richting verder wilde doen fluctueren dan bij de internationale regeling was toegelaten. Zo was het niet; vergelijking van de considerans der verordening en artikel 1 (1) in de andere officiële talen der Gemeenschap leert dat het alleen om fluctuaties in bovenwaartse richting ging. Niemand heeft in casu gesuggereerd dat het anders is. Pas veel later, namelijk bij 's Raads verordening (EEG) 509/73 van 22 februari 1973, is artikel 1, lid 1, in die zin gewijzigd dat monetaire compenserende bedragen ook kunnen worden toegepast in een Lid-Staat met een gedeprecieerde valuta.

Het gaat er dus in casu om of Italië volgens de „Smithsonian Agreement” inderdaad de koers van zijn munteenheid mag laten fluctueren tot boven de grens die bij de internationale regeling is toegelaten. Met die regeling is uiteraard bedoeld de regeling welke vervat is — en besloten ligt — in de artikelen van de Overeenkomst tot oprichting van het Internationale Monetaire Fonds (IMF), ofwel de overeenkomst van Bretton Woods.

Volgens Article IV, 1 (a) dier overeenkomst wordt „The par value of the currency of each member … expressed in terms of gold as a common denominator or in terms of the United States dollar of the weight and fineness in effect on July 1, 1944”, naar een ieder weet: overeenkomende met 0,88867088 gram fijn goud. Anders gezegd: er gingen 35 dollars in een ons fijn goud. In Section 3 (1) is bepaald dat „the maximum and the minimum rates for exchange transactions between the currencies of members taking place within their territories shall not differ from parity … in the case of spot exchange transactions, by more than one percent”. In sections 5 en volgende zijn de modaliteiten voor wijziging van de pariteiten van de valuta's der leden geregeld. Zodanige wijziging is in de regel slechts mogelijk op voorstel van het betrokken lid, het IMF gehoord.

De Smithsonian Agreement kan, voorzover ten deze van belang, in grote trekken worden geschetst als volgt. In het bestek van een wederaanpassing van de belangrijkste valuta's zou de dollar worden gedevalueerd met 7,89 % en de lire met 1 %. Voor de dollar kwam dit — in goud — neer op een devaluatie tot 38 dollar per ons fijn goud, en de regering van de Verenigde Staten zou het Congres daartoe strekkende wetsvoorstellen doen toekomen. Na aanvaarding van die wetgeving zouden de Verenigde Staten een daarop afgestemde nieuwe IFM-dollarpariteit voorstellen. De lirapariteit werd evenwel op 625 lire per dollar gehandhaafd. Bij besluit van het dagelijks bestuur van het IMF werd een „tijdelijke regeling” vastgesteld, volgens welke de leden konden toestaan dat de koersen van hun valuta's fluctueerden in een marge van 2 ¼ % boven en beneden de nieuwe koers van hun valuta's, zoals die uit de overeengekomen aanpassing der wisselkoersen resulteerden. Die nieuwe wisselkoers zou, indien zij uitsluitend met het oog op de verruiming der marges welke met de regeling werd beoogd, doch niet als nieuwe pariteit bij het Fonds werd aangegeven, als „centrale koers” worden aangeduid. Van zulk een centrale koers kon mededeling worden gedaan in goud, in speciale trekkingsrechten of in de valuta van een ander lid. Onder deze regeling deed Italië mededeling van een centrale koers van 581,50 lire/dollar (men zie de „International Financial News Survey” van het IMF, Deel XXIII, nr. 50, december, 22-30, 1971 en Deel XXIV, nr. 4, februari 2, 1972).

Een en ander had tot gevolg dat de lira voortaan mocht fluctueren tot 2 ¼ % boven en beneden de koers van 581,50 lire/dollar (hetgeen, naar reeds werd opgemerkt, wil zeggen: tussen 594,60 en 568,40 lire/dollar) in plaats van 1 % boven en beneden de koers van 625 lire/dollar — de volgens de Bretton Woods-overeenkomst toegestane marge —. Ten verhore werd ons door een vanwege de Commissie gedagvaarde deskundige onbestreden verklaard dat dit resultaat was bereikt zonder dat de gezagsorganen van de Verenigde Staten op de valutamarkten hadden geïntervenieerd — en wel omdat zij usantieel noch tot ondersteuning noch tot depreciatie van de dollarkoers intervenieerden —. Aan de andere IMF-leden werd overgelaten om, ter handhaving van hun eigen valuta binnen de marges welke ten opzichte van de dollar mochten worden aangehouden, ieder voor zich de nodige interventiemaatregelen te nemen.

Volgens mij kan dan ook worden gezegd dat Italië, gezien de Smithsonian Agreement, inderdaad heeft toegelaten dat de koers van zijn valuta fluctueerde tot boven de marge welke naar de internationale regeling mocht worden aangehouden. Die conclusie zou alleen niet behoeven te worden getrokken, indien het ervoor mocht worden gehouden dat onder de in artikel 1, lid 1, van verordening 974/71 bedoelde internationale regeling ook de Smithsonian Agreement zelf — en de volgens die Agreement door het IMF genomen maatregelen — vielen. Zo is het dan ook ten verhore namens verzoekster gesteld. Ik acht het evenwel niet mogelijk tot zulk een uitlegging te komen. De Smithsonian Agreement hield zelf een afwijking in van de enige internationale regeling waaraan de auteurs der verordening kunnen hebben gedacht. Het is veelzeggend dat voormeld besluit van het dagelijks bestuur van het IMF blijkens de preambule er op was gericht de leden in staat te stellen de doelstellingen van het Fonds zoveel mogelijk in acht te nemen in afwachting van de wederinvoering van werkelijke pariteiten met passende marges, overeenkomstig de artikelen vastgesteld.

Als het Hof mijn zienswijze mocht delen, dan is de beantwoording van de gestelde vraag door Uw Hof een ongewisse zaak. Iedere rechtstreekse beantwoording zonder gedetailleerde omschrijving van de „situatie” door de rechtbank bedoeld, zou onvoldoende bepaald zijn.

Tijdens de debatten bleek de vraag evenwel uiteindelijk de rechtsgeldigheid te betreffen van de verordeningen waarin de Commissie Italië tot toepassing van monetaire compenserende bedragen in staat had gesteld. Volgens artikel 6 van verordening 974/71 kon er door de Lid-Staten slechts met monetaire compenserende bedragen worden gewerkt, indien zij door de Commissie werden vastgesteld. U zult zich herinneren dat ze voor Italië voor het eerst zijn vastgesteld bij verordening (EEG) 17/72 van 31 december 1971 van de Commissie, in werking getreden op 3 januari 1972. Ze zijn gewijzigd bij verordening (EEG) 144/72 van 21 januari 1972 en vervolgens bij verordening 392/72 van 24 februari 1972, beide van de Commissie. Er kwam voorshands een einde aan door de verordeningen 978/72, 979/72 en 980/72 van de Commissie van 12 mei 1972, die voor rundvlees en kalfsvlees op 15 mei 1972 in werking zijn getreden. Van de zijde van de Commissie is ons medegedeeld dat die intrekking een gevolg is geweest van de op 8 mei 1972 door de USA aan het IMF gedane mededeling van de nieuwe dollarpariteit. Hoe de pariteit van de lire — en vervolgens de geoorloofde fluctuatiemarges van de lira — hierdoor precies zijn beïnvloed, is niet na te gaan. Aan de rechtmatigheid der intrekking is evenwel niet getornd.

Ik stel Uw Hof dan ook voor om, in antwoord op vraag B 1, de rechtbank te antwoorden dat bij onderzoek niet is gebleken van feiten of omstandigheden welke de invordering door verweerster — in het tijdvak 3 januari - 15 mei 1972 — van de monetaire compenserende bedragen welke in verordeningen der Commissie voor dat tijdvak waren vastgesteld, onrechtmatig zouden kunnen maken.

Bij vraag B 2 I behoeft mijns inziens niet lang te worden stilgestaan. Afgezien van de en passant gedane verwijzingen naar bepalingen van verordening 974/71, luidt zij als volgt:

„In aanmerking genomen dat de compenserende bedragen zich — met de wijzigingen der wisselkoersen — na verloop van tijd kunnen wijzigen, aan welk tijdstip moet voor iedere handelstransactie afzonderlijk worden gerefereerd ter vaststelling of de voorwaarden, in de communautaire regeling voor toepassing der compenserende bedragen gesteld, zijn vervuld, ter vaststelling van het bedrag dier compensaties … en met het oog op hun eventuele wijziging …; met name: moet worden gerefereerd aan het tijdstip waarop de waar is ingevoerd of uitgevoerd, dan wel aan dat van de betaling of aan enig ander tijdstip?”

Namens verzoekster zijn ten deze geen opmerkingen ingediend.

De Italiaanse regering en de Commissie waren het erover eens dat ten deze de dag van invoer of uitvoer dient te worden aangehouden.

Het is later ook met zoveel woorden gezegd in artikel 8 van verordening (EEG) 648/73 van de Commissie van 1 maart 1973 (nadien vervangen door artikel 8 van verordening (EEG) 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975). Destijds bestond er op dit punt evenwel geen wettelijke regeling.

De Commissie refereerde aan een aantal uitspraken van het Hof, waaraan haars inziens het antwoord op de onderhavige vraag indirect kan worden afgelezen, namelijk naar de zaken 35/71 Schleswig-Holsteinische Hauptgenossenschafi/Hauptzollamt Itzehoe, Jurispr. 1971, blz. 1083, 186/73 Fleischkontor/Einfuhr- und Vorratsstelle für Schlachtvieh, Jurispr. 1974, blz. 533, 3/73, Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel/Pfützenreuter, Jurispr. 1974, blz. 589 en 113/75, Frecassetti/Administratie der Staatsfinanciën, Jurispr. 1976, blz. 983. In al die zaken heeft het Hof evenwel de begrippen „invoer” en „dag van invoer”, waarvan in de betrokken wettelijke regelingen sprake was, nader willen uitwerken. De thans gerezen vragen waren niet aan de orde.

Daarom geloof ik dat men zich bij een beantwoording der vragen zal moeten laten leiden door algemene overwegingen, waaruit de stilzwijgende bedoeling van de auteurs van verordening 974/71 — en van de uitvoeringsverordeningen der Commissie — kan worden afgeleid. In de zaak Frecassetti waagde ik mij aan enkele overwegingen van algemene aard welke mijns inziens het in die zaak gerezen probleem tot oplossing konden brengen (men zie Jurispr. 1976, blz. 998). Ik stelde dat:

  1. de betrokken dag geredelijk moet zijn vast te stellen;

  2. die gerede vaststelling in alle gevallen en in alle Lid-Staten mogelijk moet zijn;

  3. het mogelijk moet zijn het toepasselijke heffingspercentage vast te stellen voordat de heffing verschuldigd wordt.

Ik meen dat al deze overwegingen in casu hebben te gelden en dat zij erop wijzen dat ten deze de dag van invoer of uitvoer moet worden aangehouden. Met name gezien de sub 3 genoemde overweging acht ik het alternatief van de rechtbank — het tijdstip van betaling — onaanvaardbaar. Zijn er bij voorbeeld langlopende contracten afgesloten, volgens welke de betaling bij gedeelten kan geschieden en men, wat de wijze van betaling betreft, misschien de keus uit meer mogelijkheden heeft, dan kan die datum na de inklaring der goederen zijn gelegen.

Ik geef U derhalve in overweging vraag B 2 in die zin te beantwoorden dat ter vaststelling of er monetaire compenserende bedragen dienen te worden betaald, en zo ja, welke bedragen, met de dag van invoer of uitvoer der goederen te rade moet worden gegaan.

Daarmee ben ik toegekomen aan een bespreking van de onder A gestelde vragen.

Zoals gezegd, betreffen zij de uitlegging van artikel 4 van verordening 1013/71, dat — zoals bij verordening 2887/71 gewijzigd —, voorzover ten deze van belang, luidt als volgt:

„1.

De in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 974/71 genoemde Lid-Staten passen de in genoemd artikel bedoelde compenserende bedragen niet toe op de invoer die voortvloeit uit overeenkomsten :

  1. welke zijn afgesloten voor … 19 december 1971

    en

  2. welke voor … 28 december 1971 zijn geregistreerd bij de autoriteiten van de betrokken Lid-Staat

    of

    welker afsluiting aan de hand van officiële documenten kan worden aangetoond.

2.

Lid 1 is echter slechts van toepassing voorzover noodzakelijk om de uitvoering van de overeenkomst mogelijk te maken in die omstandigheden welke zouden hebben bestaan in afwezigheid van de in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 974/71 bedoelde monetaire maatregelen.”

Althans in deze staat van het geding wordt niet betwist dat alle omstreden contracten vóór 19 december 1971 waren afgesloten dan wel dat zij vóór 28 december 1971 zijn geregistreerd en dat hun afsluiting anders aan de hand van officiële documenten kan worden aangetoond. Het geschil betreft de in artikel 4, lid 2, gemaakte uitzondering.

Het is in niet aanstonds duidelijke bewoordingen vervat. Die onduidelijkheid wordt tot op zekere hoogte opgeheven door de considerans van verordening 1013/71 (PB L 110 van 18. 5. 1971), waarin onder meer is overwogen dat „bij de toepassing der bepalingen over de compenserende bedragen in de mate van het mogelijke rekening dient te worden gehouden met de gevolgen die deze kunnen hebben voor de vóór 10 mei 1971 gesloten overeenkomsten; dat het te dien einde noodzakelijk is … de heffing van het compenserend bedrag bij de invoer uit te sluiten voorzover deze economische gevolgen zou hebben die afwijken van die welke zouden zijn ingetreden in afwezigheid van monetaire maatregelen”, (voor het onderhavig geval leze men „19 december 1971” in plaats van „10 mei 1971”).

De Commissie heeft de bedoeling van deze restrictie met een voorbeeld aangetoond. Stel dat een Italiaanse importeur die tegen een in dollars te betalen prijs goederen heeft aangekocht, vóór 19 december 1971 heeft betaald na tegen de tevoren geldende koersen voor zijn lire de nodige dollars te hebben verkregen. Hij heeft niet kunnen profiteren van de daarna plaatsgevonden hebbende devaluatie van de dollar ten opzichte van de lire, terwijl ook de prijs waartegen hij de goederen winstgevend op de Italiaanse markt kon verkopen, niet de invloed van die devaluatie onderging. Het ware dan ook onredelijk en — met het oog op de bescherming van de gemeenschappelijke marktordening — onnodig hem voor die importen met monetaire compenserende bedragen te belasten. Dit zou ook het geval zijn indien hij de goederen tegen een in lire te betalen prijs zou hebben gekocht. Voor elk van beide gevallen geldt dat aan artikel 4, lid 1, een zodanige toepassing dient te worden gegeven dat het contract tot uitvoering kan komen onder de voorwaarden welke zouden hebben bestaan, indien de monetaire maatregelen welke tot toepassing van monetaire compenserende bedragen hebben geleid, niet waren genomen.

De tegenhanger vormt het geval van een Italiaanse importeur die vóór 19 december 1971 een contract afsluit tot aankoop van goederen tegen een in dollars te betalen prijs, doch de nodige dollars eerst nadien koopt. Hij zou van de devaluatie van de dollar profiteren en, indien niet tot betaling van een monetair compenserend bedrag aangesproken, wellicht in staat zijn de goederen profijtelijk door te verkopen tegen een lagere prijs dan met de gemeenschappelijke marktordening werd nagestreefd. Ook al mocht hij zich inmiddels tot doorverkoop hebben verbonden, het ware in de regel niet evident onredelijk indien men hem tot betaling van monetaire compenserende bedragen zou aanspreken.

Bij de toepassing van het tweede lid zal dus in ieder geval een onderzoek naar alle relevante feiten, en vooral ook naar de contractsvaluta en de omstandigheden waaronder het contract tot uitvoering moet komen, moeten worden ingesteld. Toepassing van de restrictie op de feiten, zoals ze door verzoeker zijn weergegeven, schijnt mede te brengen dat lid 1 in casu niet mag worden toegepast, doch het staat uiteraard aan de rechtbank te dien aanzien te beslissen.

De onder A gestelde vragen vallen in twee groepen uiteen en het lijkt mij praktisch eerst de tweede groep, dat wil zeggen de vragen A 4 en 5, te bespreken. In die beide vragen gaat het om de betekenis van de in lid 2 voorkomende verwijzing naar de omstandigheden, waaronder de overeenkomst tot uitvoering moet komen.

In vraag A 4 gaat het er kort en goed om of de bepaling doelt op nakoming van de contractuele betalingsverplichting door de importeur en in vraag A 5 of, wanneer de betaling is geregeld door opening van onherroepelijk documentair bankkrediet, de overeenkomst moet worden geacht te zijn uitgevoerd op het tijdstip waarop de gerechtigde het bericht van de opening van onherroepelijk krediet — te zijnen gunste — ontvangt, dan wel op het tijdstip waarop de koopprijs metterdaad aan de exporteur wordt betaald.

Uit de door mij gegeven voorbeelden blijkt wel dat deze vragen niet geheel ter zake zijn. Zij vormden natuurlijk de neerslag van door verzoekster voorgedragen argumenten.

Het lijdt voor mij geen twijfel — en partijen waren het er ook over eens — dat de hierbedoelde verwijzing naar de omstandigheden waaronder de overeenkomst tot uitvoering moet komen, althans in beginsel betrekking heeft op de betaling van de prijs der goederen door de importeur. De bepaling dient evenwel niet eng — of alleen maar technisch —, doch naar haar bedoeling te worden uitgelegd. Het moet er in ieder geval om gaan of het contract in feite tot uitvoering is gekomen onder de omstandigheden welke zouden hebben bestaan, indien de monetaire maatregelen die tot invoering van de monetaire compenserende bedragen hebben geleid, niet zouden zijn genomen. Wanneer er contractueel betaling tegen onherroepelijk documentair bankkrediet is overeengekomen, dient bij de beantwoording in ruime mate te rade te worden gegaan met de aard van de afspraken die tussen de importeur en de opdrachtgevende bank zijn gemaakt — en die op hun beurt weer kunnen samenhangen met de bepalingen, geldende ter plaatse waar die afspraken tot stand kwamen —. (De opmerkingen van verzoekster en van de Italiaanse regering schijnen er op te wijzen dat bepalingen van het Italiaans burgerlijk wetboek in casu een rol kunnen hebben gespeeld). Nu het krediet moest worden geopend voor een in buitenlandse valuta (in casu: dollars) luidend bedrag, dient de dag te worden aangehouden waarop de koers heeft gegolden welke bepalend is geweest voor de vaststelling van het bedrag van de aansprakelijkheid van de importeur ten opzichte van de opdrachtgevende bank.

De vragen A 4 en 5 dienen mijns inziens door Uw Hof in die zin te worden beantwoord.

Thans dienen de vragen A 1, 2 en 3 nog te worden besproken.

De Italiaanse regering schijnt op 31 december 1971, 4 januari 1972 en 9 februari 1972 per circulaire instructies betreffende de toepassing van de communautaire wettelijke regeling inzake de monetaire compenserende bedragen tot de Italiaanse douane te hebben gericht. Op grondslag van die instructies sprak verweerster verzoekster tot betaling van zulke bedragen over de litigieuze importen aan. Niemand betwist het recht van de Italiaanse regering zulke — onverbindende — circulaires te doen uitgaan.

Op 15 november 1972 bediende de Italiaanse regering zich evenwel van een decreet (D.L. 15. 11. 1972, 661), volgens hetwelk monetaire compenserende bedragen … niet verschuldigd zijn voor waren waarvoor vóór 19 december 1971 handelstransacties zijn afgesloten, zelfs wanneer ze na 2 januari 1972 definitief ten invoer zijn aangemeld, mits de betaling heeft plaats gevonden in een andere munteenheid dan US-dollars, ofwel in US-dollars met koersgarantie — of onder een andere dergelijke clausule —";

Dit decreet schijnt te zijn uitgevaardigd krachtens artikel 77 van de Italiaanse Constitutie — dat er kracht van wet aan toekent — en op 18 december 1972 te zijn omgezet in wet 843. Verweerster heeft er zich voor de rechtbank op beroepen.

Verzoeker acht die Italiaanse regeling (ik zal hierna gemakshalve spreken van artikel 20) niet rechtsgeldig; waarom, blijkt wel uit de vragen A 1, 2 en 3. Kort gezegd, gaat het erom:

  1. of in verordeningen 974/71 en 1013/71, zoals gewijzigd bij verordening 2887/71, aan de Lid- Staten wordt toegestaan voorschriften met kracht van wet te doen uitgaan, waarin voor de al dan niet toepasselijkheid van compenserende bedragen op vóór 19 december 1971 afgesloten contracten speciale criteria worden opgesteld verband houdende met de in artikel 4, lid 2, van verordening 1013/71 omschreven restrictie;

  2. zo ja, of artikel 20 zich met die restrictie verdraagt;

  3. mocht vraag 1 in ontkennende zin worden beantwoord, of aan de restrictie volledige rechtskracht toekomt, zodat zij in die zin is te verstaan dat de rechterlijke macht van de betrokken Lid-Staat van geval tot geval heeft te beoordelen of de overeenkomst is uitgevoerd onder omstandigheden als aldaar bedoeld.

Bij wijze van inleiding op de aldus gestelde vragen laat de rechtbank weten dat zij alleen worden gesteld indien de restrictie nog van kracht is. Naar aanleiding daarvan kan worden opgemerkt dat de restrictie formeel van kracht is gebleven totdat verordening 1013/71 bij verordening (EEG) 648/73 van de Commissie van 1 maart 1973 is ingetrokken. Voordien kon de uitzonderingsbepaling van artikel 4 van verordening 1013/71 evenwel volgens verordening (EEG) 2342/72 van de Commissie van 7 november 1972 slechts toepassing vinden ten aanzien van produkten die voor een door iedere Lid-Staat voor zijn eigen grondgebied te bepalen datum, ofwel uiterlijk op 1 december 1972, werden ingevoerd.

Waar een Lid-Staat de uitzonderingsbepaling aldus niet met terugwerkende kracht kan intrekken, heeft zij — mét de restrictie — kennelijk gegolden gedurende de gehele periode waarin de litigieuze importen hebben plaatsgevonden.

Het is interessant dat de considerans van verordening 2342/72 de intrekking der uitzonderingsbepaling onder meer motiveert met het feit „dat van deze uitzonderingsbepaling naar gelang van de verschillende Lid-Staten op zeer uiteenlopende wijze gebruik is gemaakt” en „dat controle ter voorkoming van misbruik van deze uitzonderingsbepaling uitzonderlijk moeilijk blijkt”.

De Italiaanse regering (die, mijns inziens verrassend genoeg, de Commissie op dat punt aan haar zijde vond) had voor ons Hof betoogd dat artikel 20 voor de uitlegging en doorvoering van de restrictie „noodzakelijk” zou zijn.

Uit een lange reeks uitspraken van dit Hof blijkt dat een Lid-Staat weliswaar administratieve en processuele regelen mag opstellen teneinde op zijn grondgebied de nakoming van communautaire rechtsbepalingen af te dwingen en op niet-nakoming dier bepalingen sancties mag stellen ook wanneer het gemeenschapsrecht zelf het niet doet, doch naast de verordeningen van de Gemeenschap — of ter vervanging van die verordeningen — niet met eigen wettelijke bepalingen mag komen aandragen. Evenmin mag een Lid-Staat, zonder daartoe bepaaldelijk en rechtsgeldig, uitdrukkelijk of stilzwijgend, door het gemeenschapsrecht te zijn gemachtigd, in zijn eigen wettelijke regelingen, bij wege van uitlegging of anderszins, een verordening van de Gemeenschap aanvullen (men zie de zaken 40/69, Hauptzollamt Hamburg-Oberelbe/Bollmann „kalkoenestaarten-zaak”, Jurispr. 1970, 69, 74/69, Hauptzollamt Bremen-Freihafen/Krohn, ibid. blz. 451, 34/70, Syndicat national du Commerce extérieur des céréales/ONIC, ibid. blz. 1233, 39/72, Commissie/Italië, Jurispr. 1973, blz. 101 (15e tot en met 18e overweging), 34/73, Variola/Amministrazione italiana delle Finanze, ibid. bl. 981 (overwegingen 9 tot 11), 131/73, Grosoli, ibid. blz. 1555, 159/73, Hannoverische Zucker/Hauptzollamt Hannover, Jurispr. 1974, blz. 121, 23/75, Rey Soda/Cassa Conguaglio Zucchero, Jurispr. 1975, blz. 1279 (in welke zaak is gebleken dat de Commissie niet onbeperkt bevoegd is tot overdracht van legislatieve bevoegdheden) en 50/76, Amsterdam Bulb/Produktschap voor Siergewassen, Jurispr. 1977, blz. 137.

Er is, zowel in de schriftelijke als in de mondelinge procedure, veel gezegd over de juiste toepassing van artikel 20. Het Hof kan evenwel in een zaak, waarvan het krachtens artikel 177 van het Verdrag heeft kennis te nemen, het nationale recht niet uitleggen.

Zou artikel 20, indien juist uitgelegd, slechts een herhaling bieden van artikel 4, lid 2, van verordening 1013/71, dan zou het uiteraard gemeenschapsrechtelijk als ongeldig zijn te beschouwen. Hetzelfde zou gelden indien het op wijziging dier bepaling, voorzover in Italië van toepassing, gericht zou zijn.

Het kan dus slechts de vraag zijn of artikel 4, lid 2, in zijn redeverband bezien, van de Lid-Staten verlangde — dan wel de Lid-Staten machtigde — om, ter uitlegging van datzelfde artikel, als wetgever op te treden. Met zoveel woorden is het er kennelijk niet in te lezen. Ligt het er soms stilzwijgend in besloten?

Hoewel het van de zijde van de Italiaanse regering en ván de Commissie met klem van redenen is betoogd, meen ik dat het niet het geval is. Artikel 4, lid 2, was, zoals gezegd, niet helder geformuleerd. Dat een rechterlijk college heţ niet zou kunnen uitleggen en toepassen, is evenwel niet waar. Naar zijn aard kon het, in de wettelijke regelingen der onderscheiden Lid-Staten uitgelegd, echter zeer wel tot een verschillende uitlegging per Lid-Staat leiden. Voor een uniforme uitlegging en toepassing in de gehele Gemeenschap valt het meeste te verwachten van de nationale rechterlijke instanties, bevoegd c.q. verplicht als zij zijn zich in geval van twijfel tot dit Hof te wenden.

Ik ben dan ook van mening dat Uw Hof, in antwoord op de vragen A 1 en 3, voor recht dient te verklaren dat de Lid-Staten in de omstreden verordeningen van de Gemeenschap niet worden gemachtigd tot wettelijke maatregelen bedoeld om artikel 4, lid 2, van verordening 1013/71 effect te doen sorteren, doch dat die bepaling in iedere Lid-Staat rechtstreeks werkt — zodat de rechterlijke instanties der Lid-Staten zich van geval tot geval over haar toepasselijkheid hebben uit te spreken —.

Vraag A 2 behoeft dan niet te worden beantwoord.