Home

Hof van Justitie EU 06-12-1977 ECLI:EU:C:1977:203

Hof van Justitie EU 06-12-1977 ECLI:EU:C:1977:203

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
6 december 1977

Uitspraak

ARREST VAN 6-12-1977 — ZAAK 55/77 MARIS IS / RIJKSDIENST VOOR WERKNEMERSPENSIOENEN

In de zaak 55/77,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtsbank van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, in het aldaar aanhangig geding tussen

MARGUERITE MARIS, echtgenote van Roger Reboulet, wonende te Collonges-au-Mont-d'Or (Frankrijk),

en

RIJKSDIENST VOOR WERKNEMERSPENSIOENEN, gevestigd te Brussel,

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: H. Kutscher, president, M. Sørensen en G. Bosco, kamerpresidenten, A. M. Donner, J. Mertens de Wilmars, P. Pescatore, A. J. Mackenzie Stuart, A. O'Keeffe en A. Touffait, rechters,

advocaat-generaal: F. Capotorti

griffier: A. Van Houtte

het navolgende

ARREST

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — Feiten en schriftelijke behandeling

Mevrouw Marguerite Maris, echtgenote van Roger Reboulet, van Belgische nationaliteit en woonachtig te Collonges-au-Mont-d'Or (Frankrijk), is als werkneemster achtereenvolgens tewerkgesteld geweest van 1937 tot 1941 in België, van 1941 tot 1945 in Duitsland, van 1945 tot 1947 wederom in België en van 1947 tot 1975 in Frankrijk, waar zij sedert 1947 woont.

Op 11 oktober 1974 wendde zij zich tot het bevoegde Franse orgaan, de Caisse régionale d'assurance-maladie Rhône-Alpes, te Lyon, voor de vaststelling van haar rechten op ouderdomspensioen.

Overeenkomstig 's Raads verordeningen nr. 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 5. 7. 1971, blz. 2), en nr. 574/72 van 21 maart 1972 houdende de bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 1408/71 (PB L 74 van 27. 3. 1972, blz. 1), werd de aanvraag doorgezonden aan de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen, gevestigd te Brussel, die bij beslissing van 9 januari 1976 weigerde mevrouw Maris vanaf 1 juni 1975 in het genot te stellen van een rustpensioen voor werknemers.

Bij aangetekende brief van 26 juni 1976 kwam mevrouw Maris van deze beslissing in beroep bij de Arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen.

Haar verzoekschrift was in het Frans gesteld.

Volgens artikel 2 van de Belgische wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken dient echter voor al de burgerlijke rechtbanken en de rechtbanken van koophandel van eerste aanleg, waarvan de zetel gevestigd is in de provincie Antwerpen, de gehele procedure te worden gevoerd in het Nederlands; ingevolge artikel 40 van deze wet en artikel 862, 10e van het gerechtelijk wetboek is de betrokken rechtbank verplicht een niet in deze taal gestelde akte van rechtsingang ambtshalve nietig te verklaren.

Anderzijds bepaalt artikel 84, lid 4, van 's Raads verordening nr. 1408/71:

„De autoriteiten, organen en rechterlijke instanties van een Lid-Staat mogen verzoekschriften of andere documenten welke hun toegezonden worden, niet afwijzen op grond van het feit dat zij in een officiële taal van een andere Lid-Staat zijn opgesteld. Zo nodig doen zij een beroep op artikel 81, sub b.”„De Administratieve Commissie heeft tot taak … op verzoek van de bevoegde autoriteiten, organen en rechterlijke instanties van de Lid-Staten, alle stukken te doen vertalen welke betrekking hebben op de uitvoering van deze verordening, en met name de vertaling van verzoekschriften ingediend door personen op wie deze verordening van toepassing is”).

Onder deze omstandigheden besloot de Zesde Kamer van de Arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen bij vonnis van 21 april 1977 op grond van artikel 177 EEG-Verdrag de procedure te schorsen totdat het Hof van Justitie bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak zou hebben gedaan over de navolgende vragen:

  1. Heeft de bepaling van artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71 van de Raad ten aanzien van alle personen die onder de personele werkingssfeer (artikel 2) van de verordening vallen, voorrang op artikel 2 en 40, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken?

  2. Meer bepaald: Geldt de bepaling van artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71 ook voor verzoekschriften, ingediend bij een Belgische rechtbank, door een persoon van Belgische nationaliteit, die onder de personele werkingssfeer (artikel 2) van de verordening valt?

  3. Is het eventueel ter zake relevant, voor de toepassing van artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71, of de betrokken persoon op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift bij de Belgische rechtbank, in België verblijft of in een andere Lid-Staat?

Het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen is ingeschreven ter griffie van het Hof op 28 april 1977. Ter verbetering van een materiële fout werd dit vonnis gevolgd door een vonnis van 27 mei 1977, dat is ingeschreven ter griffie van het Hof op 6 juni 1977.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut zijn op 5 juli 1977 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

II — Schriftelijke opmerkingen ingediend bij het Hof

De Commissie merkt in hoofdzaak het volgende op:

Ten aanzien van de eerste vraag

De kwestie van de voorrang van het gemeenschapsrecht boven nationaal recht is duidelijk uitgemaakt in 's Hofs vaste jurisprudentie, met name het arrest van 13 februari 1969 in de zaak 14/68 (Walt Wilhelm; Jurispr. 1969, blz. 1).

Ten aanzien van de tweede en derde vraag

Deze vragen betreffen de personele werkingssfeer van artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71.

Het toepassingsgebied van deze bepaling wordt in de verordening nergens beperkt; zij is derhalve van toepassing op eenieder die onder de personele werkingssfeer van de verordening valt. Deze werkingssfeer is omschreven in artikel 2, leden 1, 2 en 3, der verordening, welke bepalingen geen enkele uitzondering maken voor hét geval iemand een verzoekschrift indient bij een rechterlijke instantie van de Lid-Staat waarvan hij de nationaliteit bezit, of voor hen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van die Lid-Staat waar het verzoekschrift wordt ingediend.

De strekking van artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71 is om werknemers die gebruik maken van het vrije verkeer in de Gemeenschap, te helpen met het oplossen van taalmoeilijkheden die zij zouden kunnen hebben bij de uitoefening van de rechten die de Gemeenschap hun geeft, door hun te veroorloven zich uit te drukken in een taal die voor hen gemakkelijker is dan de taal van het land van ontvangst.

Niet alleen vreemde onderdanen kunnen met een dergelijke bepaling gediend zijn, maar ook onderdanen van een Lid-Staat die een zo lange tijd in het buitenland hebben vertoefd dat zij de taal van het land waarvan zij de nationaliteit bezitten, minder goed beheersen. Ten einde het werk van de nationale instanties niet te zeer te bemoeilijken, voorziet verordening nr. 1408/71 in een Administratieve Commissie die voor de nodige vertalingen zorgt op verzoek van de betrokken rechterlijke instanties der Lid-Staten.

Een en ander is implicite bevestigd in de jurisprudentie van het Hof over de overeenkomstige bepaling van 's Raads verordening hr. 3 van 25 september 1958 betreffende de sociale zekerheid van migrerende werknemers (PB 1958, blz. 561), en wel met name in het arrest van 5 juli 1967 in de zaak 6/67 (Guerra, Jurispr. 1967, blz. 272) en in het arrest van 13 december 1972 in de zaak 45/72 (Merola, Jurispr. 1972, blz. 1255).

Conclusie

De Commissie zou de vragen van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen als volgt willen beantwoorden:

Artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71 heeft voorrang boven een daarmee strijdige regel van nationaal recht. De daarin vermelde autoriteiten, organen en rechterlijke instanties mogen voor de toepassing van deze bepaling geen onderscheid maken tussen eigen onderdanen en andere personen welke onder de personele werkingssfeer van de verordening vallen. Het is voor de toepassing van de bepaling evenmin van belang of iemand al of niet verblijft in het land waar het verzoekschrift wordt ingediend.

III — Mondelinge behandeling

De Commissie, ten deze vertegenwoordigd door H. Bronkhorst, lid van haar juridische dienst, heeft ter terechtzitting van 25 oktober 1977 mondelinge opmerkingen gemaakt en geantwoord op vragen van het Hof.

De advocaat-generaal heeft conclusie genomen ter terechtzitting van 16 november 1977.

Ten aanzien van het recht

1 Overwegende dat de Arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen bij vonnis van 21 april 1977, ingekomen ten Hove op 28 april 1977, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich, binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB nr. L 149, blz. 2), ter zake van de in het kader dezer verordening geldende regeling van het taalgebruik;

2 Overwegende dat uit het dossier blijkt dat verzoekster in het hoofdgeding, een in Frankrijk woonachtige Belgische onderdaan, verzekeringstijdvakken heeft vervuld in België, Duitsland en Frankrijk;

3 dat zij ten vervolge op een tussen haar en de Belgische Rijksdienst voor werknemerspensioenen gerezen geschil over haar pensioenrechten beroep heeft ingesteld bij de Arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, bevoegd uit hoofde van de laatste woonplaats althans plaats van tewerkstelling van de betrokkene in België;

4 dat waar verzoekster haar verzoekschrift bij een in het Frans gestelde aangetekende brief heeft ingediend, het nationale rechtscollege, welks procestaai het Nederlands is ingevolge artikel 2 van de Belgische wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zich de vraag stelt of dit verzoek ontvankelijk is, gelet op artikel 40 van genoemde wet en artikel 862 van het gerechtelijk wetboek, welke de gerechten verplichten ieder processtuk, gesteld in een andere dan de officiële taal van het aangezochte gerecht, ambtshalve nietig te verklaren;

5 dat ter beoordeling van de verenigbaarheid van genoemde bepalingen met artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71 de rechtbank de volgende vragen heeft gesteld:

  1. Heeft de bepaling van artikel 84, lid 4, van verordening nr 1408/71 van de Raad ten aanzien van alle personen die onder de personele werkingssfeer (artikel 2) van de verordening vallen, voorrang op artikel 2 en 40, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken?

  2. Meer bepaald: Geldt de bepaling van artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71 ook voor verzoekschriften, ingediend bij een Belgische rechtbank, door een persoon van Belgische nationaliteit, die onder de personele werkingssfeer (artikel 2) van de verordening valt?

  3. Is het eventueel ter zake relevant, voor de toepassing van artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71, of de betrokken persoon op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift bij de Belgische rechtbank, in België verblijft of in een andere Lid-Staat?

6 Overwegende dat luidens artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71 „de autoriteiten, organen en rechterlijke instanties van een Lid-Staat verzoekschriften of andere documenten welke hun toegezonden worden, niet mogen afwijzen op grond van het feit dt zij in een officiële taal van een andere Lid-Staat zijn opgesteld”;

7 dat deze bepaling deel uitmaakt van een geheel van maatregelen ter verzekering van de samenwerking der bevoegde autoriteiten voor de tenuitvoerlegging van het stelsel van sociale zekerheid dat in de verordening is voorzien ten behoeve van werknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;

8 dat, ten einde binnen de gehele Gemeenschap het beroep op de bepalingen van verordening nr. 1408/71 door de onder het toepassingsgebied hiervan vallende personen te vergemakkelijken, lid 4 van artikel 84 bepaalt dat de door deze personen in een der Lid-Staten ingediende verzoekschriften en documenten niet kunnen worden teruggewezen op grond dat zij in de officiële taal van een andere Lid-Staat gesteld;

9 dat in verband met de grote verscheidenheid van de individuele situaties waartoe het vrije verkeer van werknemers en hun gezinnen aanleiding kan geven, artikel 84, lid 4, om redenen van praktische uitvoerbaarheid geen onderscheid naar de nationaliteit of de woonplaats van de betrokkenen maakt, zodra de ingediende verzoeken of overgelegde documenten te toepassing der onderhavige verordening betreffen;

10 dat aan het algemene karakter van de daarin gegeven regel en aan zijn eenvormige toepassing in alle Lid-Staten afbreuk zou worden gedaan, indien het de autoriteiten, organen en rechterlijke instanties dezer staten zou toekomen de draagwijdte ervan te beperken volgens criteria die verband houden met de nationaliteit of de woonplaats van de betrokkenen;

11 dat echter moet worden opgemerkt dat artikel 84, lid 4, alleen betrekking heeft op verzoeken, ingediend door de onder het toepassingsgebied van verordening nr. 1408/71 vallende personen, en op documenten, overgelegd tot staving hunner rechten, en niet op het algemene procesverloop dat overigens blijft onderworpen aan de nationale wetten van elke staat;

12 dat juist ter vergemakkelijking van dit procesverloop de tweede zin van lid 4 van artikel 84 voorziet in de mogelijkheid voor de aangezochte rechterlijke instanties om door de zorg van de Administratieve Commissie overeenkomstig het bepaalde in artikel 91, sub b, alle stukken die betrekking hebben op de uitvoering van verordening nr. 1408/71, en met name de verzoekschriften ingediend door personen op wie deze verordening van toepassing is, te doen vertalen;

13 dat nog dient te worden beklemtoond dat artikel 84, lid 4, slechts toepassing vindt ten behoeve van werknemers die zich tussen twee of meer Lid-Staten hebben verplaatst, evenals van hun rechthebbenden, en bovendien dat deze bepaling slechts betrekking heeft op procedures over de toepassing van de gemeenschapsregeling inzake de sociale zekerheid en dus niet op andere gedingen waarin een werknemer betrokken mocht raken;

14 dat met inachtneming van deze overwegingen moet worden geconcludeerd dat artikel 84, lid 4, niet toelaat tussen degenen die gerechtigd zijn zich op deze bepaling te beroepen, onderscheid te maken naar hun nationaliteit of hun woonplaats;

15 Overwegende dat ingevolge artikel 189 EEG-Verdrag verordeningen verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke Lid-Staat;

16 dat de door het nationale rechtscollege bedoelde bepaling aan alle onder het toepassingsgebied van verordening nr. 1408/71 vallende personen, zonder onderscheid naar nationaliteit of woonplaats, een recht toekent waarvan de nationale rechterlijke instanties de nakoming moeten waarborgen — in dit geval het recht om zich bij hun verzoeken en bij de overlegging van documenten te bedienen van een der officiële talen van de Lid-Staten;

17 dat het gezag van het gemeenschapsrecht niet van de ene Lid-Staat tot de andere mag verschillen door toedoen van de interne wetgeving, wat het voorwerp hiervan ook zij, zonder dat de doeltreffendheid van dit recht en de eenvormige toepassing die het in alle Lid-Staten en ten aanzien van alle bestemmelingen der betrokken bepalingen moet vinden, in gevaar worden gebracht;

18 dat hieruit volgt dat de regel van artikel 84, lid 4, met betrekking tot de onder het toepassingsgebied van verordening nr. 1408/71 vallende personen de toepassing van enige eventueel afwijkende of strijdige bepaling van een nationale wetgeving ter zijde stelt;

19 Overwegende dat mitsdien oop de gestelde vragen dient te worden geantwoord dat artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71 de autoriteiten, organen en rechterlijke instanties der Lid-Staten de verplichting oplegt om, niettegenstaande enige eventueel afwijkende of tegenstrijdige bepaling van hun nationale wetgeving, alle verzoekschriften of alle andere documenten betreffende de toepassing van deze verordening en gesteld in een officiële taal van een andere Lid-Staat te aanvaarden, zonder dat ten deze een onderscheid mag worden gemaakt naar de nationaliteit of de woonplaats van de betrokkenen;

Ten aanzien van de kosten

20 Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking komen;

21 dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen bij vonnis van 21 april 1977 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 84, lid 4, van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, legt de autoriteiten, organen en rechterlijke instanties van de Lid-Staten de verplichting op om, niettegenstaande enige eventueel afwijkende of tegenstrijdige bepaling van hun nationale wetgeving, alle verzoekschriften of alle andere documenten betreffende de toepassing van deze verordening en gesteld in een officiële taal van een andere Lid-Staat te aanvaarden, zonder dat ten deze een onderscheid mag worden gemaakt naar de nationaliteit of de woonplaats van de betrokkenen.

Kutscher

Sørensen

Bosco

Donner

Mertens de Wilmars

Pescatore

Mackenzie Stuart

O'Keeffe

Touffait

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op zes december negentienhonderdzevenenzeventig.

De griffier

A. Van Houtte

De president

H. Kutscher