Hof van Justitie EU 30-11-1977 ECLI:EU:C:1977:197
Hof van Justitie EU 30-11-1977 ECLI:EU:C:1977:197
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 30 november 1977
Uitspraak
In de zaak 64/77,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Luik, in het aldaar aanhangig geding tussen
MARIO TORRI
enRIJKSDIENST VOOR WERKNEMERPENSIOENEN, te Brussel,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: H. Kutscher, president, M. Sørensen en G. Bosco, kamerpresidenten, A. M. Donner, P. Pescatore, J. Mertens de Wilmars, A. J. Mackenzie Stuart, A. O'Keeffe en A. Touffait, rechters,
advocaat-generaal: J.-P. Warner
griffier: A. Van Houtte
het navolgende
ARREST
Ten aanzien van de feiten
Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — Feiten en procesverloop
Mario Torri, van Italiaanse nationaliteit en geboren op 25 oktober 1909, is achtereenvolgens in Italië van 1926 tot 1942 en van 1946 tot 1947 (19 jaar) en in België van 1949 tot 1973 (25 jaar) in loondienst werkzaam geweest. Op 29 november 1973 diende hij een aanvraag voor ouderdomspensioen in bij de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (hierna te noemen „RDWP”). Deze dienst kende hem te rekenen vanaf 1 november 1974 bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd een ouderdomspensioen van BFR 132 333 's jaars toe. Dit pensioenbedrag komt overeen met 25 jaar arbeid in België en werd berekend aan de hand van Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen van werknemers.
Torri is voorts, uit hoofde van zijn voorheen in Italië verrichte arbeid, sedert 1 december 1973 in het genot van een ouderdomspensioen ad BFR 12 970 's jaars ten laste van het bevoegde Italiaanse verzekeringsorgaan.
Van mening dat wegens zijn voortgezet verblijf in België na de beëindiging van zijn werkzaamheden, artikel 50 van verordening nr. 1408/71 op hem van toepassing was, betwistte Torri het besluit van de RDWP en verzocht hij om uitkering van een aanvullend pensioen van BFR 33 777 's jaars vanaf 1 november 1974, zijnde het verschil tussen het Belgische theoretische pensioenbedrag — dat wil zeggen het bedrag waarop hij recht zou hebben gehad als hij zijn gehele leven in België had gewerkt — ad BFR 179 080, en de som van het hem toegekende Belgische en Italiaanse pensioen, ad BFR 145 303. Artikel 50 van verordening nr. 1408/71 luidt:
„toekenning van een aanvulling wanneer het bedrag van de uitkeringen, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van de verschillende Lid-Staten, minder is dan het minimum dat is vastgesteld in de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de rechthebbende woonachtig is.
Degene die uitkering geniet en waarop dit hoofdstuk is toegepast, kan in de staat op het grondgebied waarvan hij woont en krachtens dé wettelijke regeling waarvan hem een uitkering verschuldigd is, geen lagere uitkering ontvangen dan de minimumuitkering welke door deze wettelijke regeling is vastgesteld voor een tijdvak van verzekering of van wonen dat gelijk is aan de gezamenlijke tijdvakken welke overeenkomstig de voorgaande artikelen voor de vaststelling van zijn uitkering in aanmerking zijn genomen. Het bevoegde orgaan van deze staat betaalt hem in voorkomend geval, gedurende de gehele tijd dat hij op het grondgebied van deze staat woont, een aanvullend bedrag uit, dat gelijk is aan het verschil tussen de som van de krachtens dit hoofdstuk verschuldigde uitkeringen en het bedrag van de minimumuitkering.”
Torri meent dat de in artikel 50 van verordening nr. 1408/71 bedoelde minimumuitkering bestaat uit het Belgische theoretische pensioenbedrag, berekend overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a, dezer verordening. De RDWP weigerde gevolg te geven aan het verzoek van de betrokkene: daar de Belgische wettelijke regeling niet voorziet in „minimumuitkeringen” in de zin van artikel 50 van verordening nr. 1408/71, kon hem geen aanvulling worden toegekend.
Daarop wendde Torri zich tot de Arbeidsrechtbank te Luik, die bij vonnis van 11 mei 1977 besloot de procedure te schorsen en krachtens artikel 177 het Hof van Justitie te verzoeken om een prejudiciële uitspraak inzake de navolgende vragen:
Wat dient te worden verstaan onder, minimumuitkering' in de zin van artikel 50 van verordening nr. 1408/71 van de Raad, wanneer de wettelijke regeling van een staat geen vast minimumpensioenbedrag kent, daar de uitkeringen worden berekend naar het loonbedrag en de duur van de vervulde verzekeringstijdvakken?
Komt de minimumuitkering in dit geval overeen met het volgens artikel 46, lid 2, sub a, der verordening berekende, theoretische pensioenbedrag'?”
Het verwijzingsvonnis is op 26 mei 1977 ingeschreven ter griffie van het Hof.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoeker in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door D. Rossini, directeur van de sociale dienst „Patronato Acli”, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door M. J. Jonczy, als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Samenvatting van de schriftelijke opmerkingen, ingediend bij het Hof
Verzoeker in het hoofdgeding zet uiteen dat volgens artikel 7 van Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 het rustpensioen in België wordt berekend „zowel in functie van de loopbaan van de werknemer als van de brutolonen die hij in de loop daarvan verdiend heeft”. Het Belgische pensioen is dus geen vast bedrag; in feite is er noch een minimum- noch een maximumuitkering.
Overeenkomstig de in artikel 5 van verordening nr. 1408/71 aan de Lid-Staten opgelegde verplichting had de Belgische regering aanvankelijk verklaard dat de Belgische wetgeving geen minimumuitkeringen kent (PB C 12 van 24. 3. 1973, blz. 11); later had zij echter het invaliditeitspensioen volgens de bijzondere regeling voor mijnwerkers onder het toepassingsgebied van artikel 50 van verordening nr. 1408/71 gebracht (PB C 84 van 12. 10. 1973, blz. 7).
De in casu gerezen vraag is opgekomen juist toen de RDWP in haar besluiten voor het eerst melding begon te maken van een minimumuitkering, onder verwijzing naar artikel 50 van verordening nr. 1408/71. Volgens de omschrijving van de RDWP (zie bijlage V bij de memorie) is de minimumuitkering gelijk aan het pensioenbedrag dat alleen op grond van de in België in aanmerking genomen verzekeringstijdvakken verschuldigd is. Uit het opschrift en de tekst van artikel 50 blijkt echter duidelijk dat de minimumuitkering gelijk is aan het theoretisch pensioen dat de migrerende werknemer zou ontvangen indien hij zijn gehele beroepsleven had doorgebracht op het grondgebied van de staat waar hij woonachtig is. Anderzijds zou de plaatsing van artikel 50 na de bepalingen van artikel 46 erop wijzen dat de minimumuitkering gelijk is aan het overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a, berekende theoretische pensioenbedrag. Toegepast tezamen met artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, lijkt artikel 50 ten doel te hebben de migrerende werknemer dezelfde pensioenbehandeling te waarborgen als aan nationale werknemers met eenzelfde beroepsloopbaan.
Samenvattend meent Torri
-
dat de minimumuitkering in de Belgische regeling voor rust- en overlevingspensioenen gelijk is aan het theoretisch pensioen, berekend overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71;
-
dat de in artikel 50 van verordening nr. 1408/71 bedoelde aanvulling op het pensioen verschuldigd is, zolang de begunstigde in België woont, ook al omvat de kennisgeving van de Belgische regering in de zin van artikel 96 der verordening geen uitkeringen krachtens de regeling voor rust- en overlevingspensioenen van werknemers.
De Commissie herinnert allereerst aan de wordingsgeschiedenis van artikel 50 van verordening nr. 1408/71. Zij wijst met name op artikel 40 van haar aanvankelijk voorstel tot herziening van verordening nr. 3, dat zij in januari 1966 aan de Raad had voorgelegd (PB 194 van 28. 10. 1966, blz. 3333) en naar haar toelichting bij dit voorstel (document COM(66)8 van januari 1966). Luidens deze toelichting werd voorgesteld een aanvulling toe te kennen „om het bedrag van de aan betrokkene verleende uitkeringen op het minimum te brengen waarin is voorzien bij de wettelijke regeling van de Lid-Staat op welks grondgebied hij woont, wanneer aan de voorwaarde voor de toekenning van dit minimum wordt voldaan door rekening te houden met alle tijdvakken van verzekering (lid 1). Deze bepaling zal worden toegepast door de organen van de drie landen welker wettelijke regeling thans een minimum bepaalt voor de invaliditeits-, ouderdoms- en overlevingspensioenen: Frankrijk, Italië en Luxemburg …”.
Uit deze toelichting blijkt duidelijk dat het de bedoeling was, althans van de Commissie, om te zorgen dat de migrerende werknemer, die pensioenelementen uit verschillende Lid-Staten ontvangt en in een dier staten woont, ten minste het minimumpensioen volgens de wettelijke regeling van de staat van de woonplaats krijgt, voorzover die regeling een minimumpensioen kent. Indien met minimumpensioen het theoretisch bedrag was bedoeld, zou deze bepaling in alle Lid-Staten en niet alleen in drie hiervan hebben gegolden.
Artikel 40 van genoemd voorstel was in verordening nr. 1408/71 artikel 50 geworden. De iets andere redactie van dit artikel dan in het voorstel maakt voor de eigenlijke inhoud geen enkel verschil.
Artikel 5 van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat „de Lid-Staten … de in artikel 50 bedoelde minimumuitkeringen … vermelden in verklaringen waarvan overeenkomstig artikel 96 kennisgeving en bekendmaking plaatsvindt”. Volgens de Commissie is er geen kennisgeving mogelijk, wanneer onder minimumuitkering het theoretisch bedrag wordt verstaan. Immers, het theoretisch pensioenbedrag wordt vastgesteld op basis van de individuele loopbaan van elke werknemer en kan slechts worden berekend, wanneer de betrokkene zijn pensioenaanvraag heeft ingediend en alle vereiste formulieren heeft ingevuld.
Uit de kennisgevingen van de Lid-Staten ingevolge de artikelen 5 en 96 van verordening nr. 1408/71 zijn de volgende conclusies te trekken:
Ten eerste kent de Belgische wetgeving alleen minimumuitkeringen bij invaliditeitspensioenen voor mijnwerkers; verzoeker in het hoofdgeding kan dan ook geen aanspraak maken op een minimum ouderdomsuitkering.
Ten tweede kennen sommige Lid-Staten in het geheel geen minimumuitkering in de zin van artikel 50. Deze bepaling geldt derhalve alleen voor de Lid-Staten waar de wetgeving in een minimumuitkering voor het betrokken risico voorziet. In die wetgevingen heeft deze term een zeer speciale betekenis en is gerelateerd aan het minimum pensioenniveau dat aan een pensioengerechtigde wordt gewaarborgd, ongeacht het bedrag van het salaris, de bijdragen of de andere elementen die bij de pensioenberekening meespelen. Deze minimumuitkering is een vast bedrag, dat wil zeggen een wettelijk vastgesteld forfaitair bedrag dat toekomt aan alle gepensioneerden, die al dan niet onder verordening nr. 1408/71 vallen.
Het gaat hier derhalve om een nationaal begrip, in tegenstelling tot het begrip „theoretisch bedrag” van verordening nr. 1408/71. Soms is de minimumuitkering gebonden aan de vervulling van een bepaald aantal verzekeringsjaren. In het kader van een op artikel 51 EEG-Verdrag steunende verordening ligt het voor de hand dat voor de toekenning van het recht op deze minimumuitkering rekening wordt gehouden met alle tijdvakken die in aanmerking worden genomen in de verschillende nationale wetgevingen waaraan de werknemer onderworpen is geweest. Artikel 50 van verordening nr. 1408/71 heeft dan ook vooral ten doel de werknemers die niet genoeg verzekeringstijdvakken heeft vervuld om de wettelijke minimumuitkering van de staat van verblijf te kunnen krijgen, in staat te stellen aan de voorwaarde van de verzekeringsduur te voldoen door samentelling van alle in de verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering en van wonen.
Uiteindelijk vindt artikel 50 van verordening nr. 1408/71 een vrij beperkte toepassing. Het heeft betrekking op slechts drie of vier Lid-Staten en beoogt slechts de waarborging, zo nodig na samentelling, van het minimumpensioen dat forfaitair is vastgelegd in de wetgeving van de Lid-Staat waar de werknemer woont en gerechtigd is tot een gedeeltelijk pensioen, wanneer de som van de verschillende verkregen pensioenen onder die minimumuitkering blijft.
De Commissie zou de gestelde vragen als volgt willen beantwoorden:
„De, minimumuitkering' in de zin van artikel 50 van 's Raads verordening nr. 1408/71 is gelijk aan het minimumpensioenbedrag, dat wil zeggen het vaste bedrag dat, al dan niet gebonden aan de vervulling van een bepaalde verzekeringsduur, ingevolge de wettelijke regeling van sommige Lid-Staten aan alle gepensioneerden toekomt.
Indien de wettelijke regeling van de Lid-Staat, op het grondgebied waarvan de rechthebbende woonachtig is, geen minimumpensioen tot een vast bedrag kent, is artikel 50 niet van toepassing”.
III — Mondelinge behandeling
Overwegende dat ter terechtzitting van 13 oktober 1977 verzoeker in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door D. Rossini, de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen, ten deze vertegenwoordigd door J. Peltot, als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur M. J. Jonczy, als gemachtigde, in hun mondelinge opmerkingen zijn gehoord;
dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 november 1977 conclusie heeft genomen;
Ten aanzien van het recht
1 Overwegende dat de Arbeidsrechtbank te Luik bij vonnis van 11 mei 1977, ingekomen ten Hove op 26 mei 1977, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de prejudiciële vraag heeft gesteld „wat dient te worden verstaan onder, minimumuitkering' in de zin van artikel 50 van verordening nr. 1408/71 van de Raad, wanneer de wettelijke regeling van een staat geen vast minimumpensioenbedrag kent, daar de uitkeringen worden berekend naar het loonbedrag en de duur van de vervulde verzekeringstijdvakken?” alsmede de nadere vraag „komt de minimumuitkering in dit geval overeen met het volgens artikel 46, lid 2, sub a, der verordening berekende, theoretische pensioenbedrag'?”;
2 dat deze vragen zijn gesteld naar aanleiding van het verzoek van een in België woonachtige werknemer van Italiaanse nationaliteit, die, na van 1926 tot 1942 en vervolgens van 1946 tot 1947 in Italië en van 1949 tot 1973 in België te hebben gewerkt, een Belgisch en een Italiaans ouderdomspensioen geniet;
3 Overwegende dat artikel 50 van de betrokken verordening bepaalt: „Degene die uitkering geniet en waarop dit hoofdstuk is toegepast kan in de Staat op het grondgebied waarvan hij woont en krachtens de wettelijke regeling waarvan hem een uitkering verschuldigd is, geen lagere uitkering ontvangen dan de minimumuitkering welke door deze wettelijke regeling is vastgesteld voor een tijdvak van verzekering of van wonen dat gelijk is aan de gezamenlijke tijdvakken welke overeenkomstig de voorgaande artikelen voor de vaststelling van zijn uitkering in aanmerking zijn genomen. Het bevoegde orgaan van deze staat betaalt hem in voorkomend geval, gedurende de gehele tijd dat hij op het grondgebied van deze staat woont, een aanvullend bedrag uit, dat gelijk is aan het verschil tussen de som van de krachtens dit hoofdstuk verschuldigde uitkeringen en het bedrag van de minimumuitkering”;
4 dat verzoeker in het hoofdgeding meent dat, waar in de Belgische wettelijke regeling die op hem is toegepast geen minimumuitkering op een bepaald bedrag is vastgesteld, moet worden aangenomen dat deze minimumuitkering gelijk is aan het Belgische theoretische pensioenbedrag, berekend overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a, der verordening, dat wil zeggen aan het pensioenbedrag dat hem zou zijn verschuldigd, indien al zijn verzekeringstijdvakken waren vervuld onder de betrokken Belgische wettelijke regeling;
5 Overwegende dat artikel 50 ziet op de gevallen waarin de arbeidstijdvakken van de werknemer onder de wettelijke regelingen der Staten waaraan hij onderworpen is geweest, betrekkelijk kort zijn, zodat het totale bedrag van de door deze staten verschuldigde uitkeringen geen redelijk levenspeil bereikt;
6 dat, ten einde in die situatie te voorzien, het artikel bepaalt dat, wanneer in de wettelijke regeling van de staat van verblijf een minimumuitkering is vastgesteld, de door deze staat verschuldigde uitkering wordt verhoogd met een aanvullend bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen de som van de uitkeringen, verschuldigd door de verschillende staten aan welker wettelijke regelingen de werknemer onderworpen is geweest, en deze minimumuitkering;
7 dat overigens de bepaling van artikel 5 der verordening dat de Lid-Staten in de daar bedoelde verklaringen „de in artikel 50 bedoelde minimumuitkeringen vermelden”, heel wel past bij de veronderstelling dat niet elke wettelijke regeling noodzakelijkerwijs zodanige minimumuitkeringen kent, doch daarentegen weinig begrijpelijk wordt, indien de interpretatie van verzoeker in het hoofdgeding juist zou zijn;
8 dat volgens de verklaring van het Koninkrijk België slechts in de wettelijke regeling inzake invaliteitspensioenen voor mijnwerkers sprake is van een minimumuitkering;
9 dat de nationale rechter, gelet op de gehele nationale wetgeving op dit gebied, zal hebben te beoordelen of deze verklaring volledig is;
10 Overwegende wijders dat de stelling van verzoeker in het hoofdgeding evenmin is te rijmen met de overige bepalingen van hoofdstuk III der verordening;
11 dat immers deze bepalingen ertoe strekken om gepensioneerde werknemers die dezelfde tijdvakken onder dezelfde wettelijke regelingen hebben gewerkt, dezelfde pensioenen te waarborgen, terwijl verzoekers stelling tot gevolg zou hebben dat deze werknemers verschillende pensioenen naar gelang van de woonplaats zouden krijgen, daar degene die zou wonen in de Lid-Staat met het hoogste pensioenpeil, een hoger pensioen zou krijgen dan werknemers met eenzelfde loopbaan;
12 dat de aldus voorgestelde uitlegging ertoe zou leiden artikel 50 een werking te verlenen, welke, met overschrijding van zijn beperkte doel, dit artikel in tegenspraak zou brengen met de algemene doelstelling van hoofdstuk III om geen invloed uit te oefenen op de vrije woonplaatskeuze welke artikel 48, lid 3, sub d, van het Verdrag waarborgt aan de voormalige werknemer;
13 dat derhalve moet worden geconcludeerd dat artikel 50 van 's Raads verordening nr. 1408/71 slechts toepassing kan vinden in de gevallen waarin de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de werknemer woont, een minimumpensioen kent;
14 dat derhalve in deze zin op de gestelde vragen moet worden geantwoord;
Ten aanzien van de kosten
15 Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;
16 dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Luik bij vonnis van 11 mei 1977 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 50 van 's Raads verordening nr. 1408/71 kan slechts toepassing vinden in de gevallen waarin de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de werknemer woont, een minimumpensioen kent.
Kustcher
Sørensen
Bosco
Donner
Pescatore
Mertens de Wilmars
Mackenzie Stuart
O'Keeffe
Touffait
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op dertig november negentienhonderdzevenenzeventig.
De griffier
A. Van Houtte
De president
H. Kutscher