Hof van Justitie EU 19-01-1978 ECLI:EU:C:1978:8
Hof van Justitie EU 19-01-1978 ECLI:EU:C:1978:8
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 19 januari 1978
Uitspraak
In de zaak 84/77,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Franse Cour de Cassation, in het aldaar aanhangig geding tussen
CAISSE PRIMAIRE D'ASSURANCE MALADIE D'EURE-ET-LOIR, gevestigd te Chartres,
enALICIA RECQ, ECHTGENOTE TESSIER, wonende te Parijs,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: H. Kutscher, president, M. Sørensen en G. Bosco, kamerpresidenten, A. M. Donner, P. Pescatore, A. J. Mackenzie Stuart en A. O'Keeffe, rechters,
advocaat-generaal: G. Reischl
griffier: A. Van Houtte
het navolgende
ARREST
Ten aanzien van de feiten
Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — Feiten en schriftelijke behandeling
Alicia Recq, van Franse nationaliteit, destijds woonachtig te Senonches (Eure-et-Loir), sloot in september 1973, op de leeftijd van 17 jaar, haar studie in Frankrijk af.
Van 3 oktober 1973 tot 30 april 1974 verbleef zij in Groot-Brittannië, waar zij als „au pair” -meisje in een gezin was en avondcursussen volgde aan het Wilmslow Adult Education Centre.
Na haar terugkeer in Frankrijk liet zij zich op 2 mei 1974 als werkzoekende inschrijven.
Van 17 mei tot 17 juni 1974 moest zij in Frankrijk een medische behandeling ondergaan, waarvan zij de kosten als verstrekking van de ziekteverzekering terugverlangde van de Caisse Primaire d'assurance maladie d'Eure-et-Loir, gevestigd te Chartres.
De klachtencommissie van deze Caisse wees dit verzoek echter af op grond dat betrokkene een vergoeding van haar ziektekosten noch als rechthebbende van haar sociaal verzekerde vader kon krijgen, omdat zij haar studie in september 1973 had afgesloten en tijdens haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk had gewerkt, noch ook uit eigen hoofde, omdat zij niet voldeed aan de in artikel L 249 van de Code de la Sécurité Sociale gestelde voorwaarde van de arbeidsduur, noch ten slotte als migrerende werkneemster, daar zij dat niet was in de zin van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 1971, blz. 2).
Tegen dit besluit van de Caisse stelde Recq op 21 november 1974 beroep in bij de Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale, te Chartres.
Deze veroordeelde bij uitspraak van 12 maart 1975 de Caisse tot vergoeding van de ziektekosten van betrokkene op grond dat zij in het Verenigd Koninkrijk voor de National Insurance als student werd aangemerkt en derhalve als rechthebbende van haar vader in aanmerking kwam voor uitkeringen van de ziekteverzekering.
Van deze uitspraak voorzag de Caisse zich in cassatie bij beroep van 23 mei 1975.
Van mening dat, zelfs al zou verweerster in cassatie Recq — inmiddels echtgenote Tessier en wonende te Parijs — zich destijds niet op de hoedanigheid van rechthebbende namens haar vader in de zin van de Franse wetgeving hebben kunnen beroepen, toch de vraag rees of zij niet uit eigen hoofde krachtens verordening nr. 1408/71 verstrekkingen van de sociale zekerheid had mogen verlangen, heeft het Cour de Cassation, kamer voor sociale zaken, bij arrest van 3 juni 1977 overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag besloten de procedure te schorsen, totdat het Hof van Justitie uitspraak zou hebben gedaan over de volgende prejudiciële vragen:
-
Is de onderdaan van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijft om daar „au pair” te werken en ook deels onderwijs te volgen en die in die Staat verstrekkingen van de sociale zekerheid ontvangt, een migrerende werknemer in de zin van artikel 1 van verordening nr. 1408/71?
-
Dient elke andere Lid-Staat rekening te houden met de door deze onderdaan tijdens diens verblijf verworven rechten, als ging het om tijdvakken die krachtens de in die Staat toegepaste wettelijke regeling voor het ontstaan van het recht moeten zijn vervuld?
Het arrest van het Cour de Cassation is op 5 juli 1977 ingeschreven ter griffie van het Hof.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut zijn op 19 september 1977 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Caisse Primaire d'assurance maladie d'Eure-et-Loir, verzoekster in het hoofdgeding, op 21 september 1977 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en op dezelfde datum door de regering van het Verenigd Koninkrijk.
Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Schriftelijke opmerkingen ingediend bij het Hof
De Caisse Primaire d'assurance maladie d'Eure-et-Loir, verzoekster in het hoofdgeding, merkt in hoofdzaak het volgende op.
De eerste vraag
Het antwoord op de eerste vraag volgt uit de omschrijving van de term „werknemer” in artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71. Het verzekeringsstelsel in Groot-Brittannië is een „stelsel van sociale zekerheid dat voor alle ingezetenen of voor de gehele beroepsbevolking geldt” in de zin van artikel 1, sub a, ii, der verordening; de wijze van beheer of van financiering van dit stelsel laat echter niet toe om, zoals vereist volgens het eerste streepje van deze bepaling, iemand in „au pair” -verhouding als loontrekkende aan te merken.
De positie van personen in „au pair” -verhouding is immers vastgelegd in de desbetreffende op 24 november 1969 te Straatsburg gesloten Europese overeenkomst. Volgens de preambule van deze overeenkomst vormen deze personen een bijzondere categorie en zijn zij eensdeels student een anderdeels werknemer zonder echter tot de ene of de andere groep te behoren. De in artikel 2 van de overeenkomst gegeven definitie van de „au pair” -verhouding sluit een kwalificatie als migrerend werknemer uit: deze begeeft zich immers niet naar het buitenland om voor een zekere tegenprestatie zijn kennis en ontwikkeling te verhogen maar om aldaar een normaal bezoldigde beroepswerkzaamheid te verrichten. Iemand in „au pair” -verhouding krijgt daarentegen kost en inwoning, heeft voldoende tijd om taalcursussen te volgen en zich in cultureel en beroepsopzicht verder te ontwikkelen, ontvangt enig zakgeld en helpt in het gastgezin gedurende hoogstens vijf uur per dag mee bij de gewone huishoudelijke werkzaamheden.
Groot-Brittannië was toen weliswaar nog niet aangesloten bij de overeenkomst, maar de daarin gegeven zeer algemene definities kunnen niettemin worden aangehouden, inzover deze slechts een schriftelijke vastlegging van in Europa algemeen geldende gebruiken vormen en aldus een reeds bestaande toestand bekrachtigen.
Uit de Europese overeenkomst van 24 november 1969 blijkt dat personen in „au pair” -verhouding geen werknemers in de zin van artikel 1 van verordening nr. 1408/71 zijn.
Iemand die zich in Engeland in een „au pair” -verhouding bevindt met de mogelijkheid cursussen bij een gespecialiseerd onderwijsinstituut te volgen, kan zich niet beroepen op artikel 1, sub a, ii, van verordening nr. 1408/71, daar hij wegens de wijze van beheer of van financiering van het Britse stelsel van sociale zekerheid niet als loontrekkende kan worden aangemerkt.
Ofschoon Recq de kosteloze verzorging had genoten die volgens de Britse wettelijke regeling aan iedere aldaar ingezetene toekomt, viel zij als „au pair” -meisje niet onder de „National Insurance” die in Engeland alleen geldt voor loontrekkenden in eigenlijke zin. Zij werd in Engeland aangemerkt als studente.
Op de eerste vraag van het Cour de Cassation kan dan ook alleen maar in ontkennende zin worden geantwoord:
De onderdaan van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijft om daar „au pair” te werken en ook deels onderwijs te volgen en die in die Staat verstrekkingen van de sociale zekerheid ontvangt, is geen migrerende werknemer in de zin van artikel 1 van verordening nr. 1408/71.
De tweede vraag
In verband met artikel 18 van verordening nr. 1408/71, betreffende de samenstelling van verzekeringstijdvakken, dient te worden vastgesteld dat Recq in Engeland niet onder de „National Insurance” viel en niet gold als loontrekkende. Zij was daar gewoon verzekerd in het kader van de op alle ingezetenen toepasselijke Engelse regeling van de sociale verzekering. Waar zij in dat land niet als loontrekkende werd aangemerkt, had zij in het betrokken tijdvak ook geen enkel recht verworven, op grond waarvan zij in Frankrijk artikel 18 kon inroepen om uit eigen hoofde vergoeding van de Caisse te krijgen.
Ook de tweede vraag moet derhalve ontkennend worden beantwoord.
De regering van het Verenigd Koninkrijk merkt op dat volgens het, op 25 januari 1973 bij het Parlement neergelegde, „Statement of Immigration Rules for Control on Entry” een „au pair” -betrekking geen werkgever-werknemerverhouding schept; een „au pair” -meisje is evenmin als haar gastheer verplicht bijdragen te storten op grond van de Social security Act 1975.
De eerste vraag
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat voor de afbakening van de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 een criterium van sociale zekerheid en niet van arbeidsrecht geldt en dat het begrip „werknemer” allen omvat, die als zodanig, onder welke benaming ook, onder de verschillende nationale stelsels van sociale zekerheid vallen. Anderzijds is „werknemer” volgens de omschrijving in artikel 1 van verordening nr. 1408/71 ieder die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen behorende tot de takken van sociale zekerheid waarop de verordening van toepassing is. De vraag is nu of iemand die voor de tijd ván zijn verblijf in Engeland verstrekkingen van sociale zekerheid kon genieten, kan worden geacht verzekerd te zijn geweest in de zin van de verordening.
Onder de wettelijke regeling in het Verenigd Koninkrijk behoeven voor het recht op verstrekkingen bij ziekte geen tijdvakken van verzekering of van wonen te zijn vervuld. De wet van 1946 op de nationale gezondheidsdienst houdt de verplichting in om medische verzorging te verlenen aan degenen die gewoonlijk op het grondgebied verblijven, ongeacht of zij werknemer zijn in de zin van artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71. Iemand die niet de hoedanigheid van migrerende werknemer in de zin van de verordening heeft en zich ingevolge een „au pair” -overeenkomst naar Groot-Brittannië begeeft, heeft aanspraak op precies dezelfde medische behandeling als elke andere bezoeker niet-werknemer; deze medische verzorging is in geen enkel opzicht afhankelijk van de voorafgaande vervulling van tijdvakken van verzekering of van wonen, noch van het bestaan van een „au pair” -overeenkomst.
Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag zou het begrip „werknemer” in artikel 1 van verordening nr. 1408/71 een zodanige uitlegging krijgen dat het van toepassing zou zijn op een ieder die, bezoldigd werk verrichtend of niet, uit een andere Lid-Staat naar Engeland zou komen en tijdens zijn verblijf daar een ziekte zou krijgen, welke een verzorging in het kader van de nationale gezondheidsdienst zou behoeven. Een dergelijke uitlegging gaat de huidige draagwijdte van de verordening duidelijk te buiten. Op de eerste vraag ware derhalve te antwoorden:
Een onderdaan van een Lid-Staat die op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijft krachtens een „au pair” -overeenkomst welke niet tot gevolg heeft dat de betrokkene verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd wordt, is geen migrerende werknemer in de zin van artikel 1 van verordening nr. 1408/71 door het feit dat de betrokkene verstrekkingen van sociale zekerheid geniet, welke gelden voor allen — al dan niet werknemers — die in dat land verblijven.
De tweede vraag
Bij de bovenvoorgestelde beantwoording van de eerste vraag behoeft de tweede vraag niet meer te worden beantwoord.
De Commissie van de Europese Gemeenschappen merkt in hoofdzaak het volgende op:
De eerste vraag
De verordeningen ter uitvoering van artikel 51 EEG-Verdrag — welk artikel is opgenomen in het hoofdstuk over het vrije verkeer van werknemers — is alleen van toepassing op werknemers en met hen gelijkgestelden. Met de ontwikkeling van de verschillende nationale stelsels van sociale zekerheid was het echter steeds moeilijker gebleken om een onderscheid te blijven maken tussen werknemers in loondienst en werknemers die niet in loondienst zijn; de Raad heeft dan ook in artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 de oude formule „werknemers of daarmede gelijkgestelden” van de verordening nr. 3 van 1958 willen vervangen door een zodanige definitie van de term „werknemer” dat het, mede gelet op de jurisprudentie van het Hof, mogelijk is de werknemers in loondienst te onderkennen.
Aangezien verscheidene nationale wetgevingen van de sociale zekerheid in hoofdzaak uitgaan van een verzekeringsbegrip dat is afgestemd op de woonplaats als voorwaarde voor de openstelling van het recht, en regelingen bevatten die voor de gehele bevolking gelden, had men zich voor het onderkennen van de werknemers in loondienst moeten richten hetzij naar de wijze van financiering van de sociale zekerheidsregelingen hetzij naar bepaalde regelingen die alleen ten behoeve van de werknemers in loondienst zijn getroffen.
In casu gaat het om de vraag of het feit dat Alicia Recq tijdens haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk verstrekkingen van de ziekteverzekering heeft genoten, voldoende is om haar als loontrekkende in de zin van de Britse wettelijke regeling te onderkennen.
De Britse regeling van de sociale zekerheid geldt niet speciaal voor loontrekkenden, doch voor de gehele beroepsbevolking en ten aanzien van bepaalde risico's, met name de gezondheidszorg, zelfs voor alle ingezetenen. Overeenkomstig artikel 1, sub a, ii, van verordening nr. 1408/71 kunnen loontrekkenden dan ook alleen worden onderkend naar de wijze van beheer of financiering van dit stelsel. Ten deze bepaalt bijlage V van de verordening onder hoofd I, Verenigd Koninkrijk, punt 1:
Als werknemer in de zin van artikel 1, alinea a, sub ii, van de verordening wordt aangemerkt ieder die als loontrekkende bijdragen moet storten.
Daar uit het verwijzingsarrest niet blijkt of Recq tijdens haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk loon heeft ontvangen waarover zij bijdragen moest storten, zijn twee mogelijkheden denkbaar: ofwel ontving zij behalve bepaalde verstrekkingen in natura een bezoldiging en indien dit meer was dan £ 8 per week, moest zij daarover bijdragen betalen en was zij loontrekkende; ofwel kreeg zij voor haar werk alleen een beloning in de vorm van kost en inwoning, waarover zij geen bijdragen hoefde te betalen, en was zij dus geen loontrekkende.
De vraag van het Cour de Cassation is alleen te beantwoorden aan de hand van de sociale zekerheidsregeling, krachtens welke de onderdaan van een Lid-Staat verstrekkingen van de ziekteverzekering ontvangt. Het feit dat men dergelijke geniet, kan voldoende zijn om de betrokkene te onderkennen als loontrekkende, en dus als werknemer in de zin van artikel 1 van verordening nr. 1408/71, wanneer het gaat om een verplichte of vrijwillig voortgezette verzekering in het kader van een speciale sociale zekerheidsregeling voor loontrekkenden. Gaat het daarentegen om een verplichte verzekering in het kader van een voor alle ingezetenen of voor de gehele beroepsbevolking geldende regeling, dan hangt het af van de wijze van beheer of financiering van die regeling, of iemand, die verstrekkingen van de ziekteverzekering geniet, als loontrekkende kan worden onderkend. Bij ontbreken van dergelijke criteria dient deze persoon verplicht of vrijwillig voortgezet te zijn verzekerd tegen een andere in bijlage V genoemde gebeurtenis in het kader van een speciale regeling voor loontrekkenden.
De eerste vraag ware als volgt te beantwoorden:
De onderdaan van een Lid-Staat, die in een andere Lid-Staat verblijft en werkt en aldaar verstrekkingen van de ziekteverzekering geniet, is slechts dan werknemer in de zin van artikel 1 van verordening nr. 1408/71, indien het genot van deze verstrekkingen voortvloeit uit een verplichte of vrijwillig voortgezette verzekering in het kader van een speciale sociale zekerheidsregeling voor loontrekkenden, of indien, ingeval van een verplichte verzekering in het kader van een voor alle ingezetenen of voor de gehele beroepsbevolking geldende regeling, hij op grond van de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving van de Lid-Staat van verblijf kan worden onderkend als loontrekkende.
De tweede vraag
Het antwoord op de tweede vraag vloeit rechtstreeks voort uit de bevinding waartoe men komt bij de beantwoording van de eerste vraag.
Indien de betrokkene niet kan worden onderkend of beschouwd als werknemer in de zin van artikel 1 van verordening nr. 1408/71, valt hij niet binnen de personele werkingssfeer van deze verordening, zoals omschreven in artikel 2. Daar de verordening dan niet op hem van toepassing is, kunnen de rechten die hij uit welken hoofde ook krachtens de sociale zekerheidswetgeving van het Verenigd Koninkrijk mag hebben verworven, niet in aanmerking worden genomen voor het ontstaan van een recht op uitkering in een andere Lid-Staat.
Indien de betrokkene daarentegen tijdens zijn verblijf in het Verenigd Koninkrijk als werknemer kon worden onderkend, is verordening nr. 1408/71 volledig op hem van toepassing; met name ware dan ingevolge artikel 18 der verordening de samentelling te overwegen van de krachtens de Britse wettelijke regeling vervulde tijdvakken, alsof die krachtens de Franse regeling waren vervuld.
Een complicatie in het onderhavige geval is echter dat Recq onmiddellijk sinds haar terugkeer in Frankrijk en gedurende haar ziekte werkzoekende was, dat wil zeggen werkloze.
Het gaat hier derhalve om de vraag of zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 69, lid 1, van verordening nr. 1408/71 voor het behoud van het recht op werkloosheidsuitkering en aldus aanspraak kan maken op verstrekkingen van de ziekteverzekering overeenkomstig artikel 25, lid 1, sub a. Ook is mogelijk dat zij onder artikel 71 van verordening nr. 1408/71 valt als werkloze die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat woonde; in dat geval zou zij krachtens artikel 71, lid 1, sub b, ii, in aanmerking kunnen komen voor toepassing van artikel 25, lid 2.
In ieder geval zal met de rechten die zij tijdens haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk heeft verworven, alleen rekening kunnen worden gehouden, voorzover zij aldaar arbeid in loondienst heeft verricht waardoor zij de hoedanigheid van werkneemster had in de zin van verordening nr. 1408/71.
De tweede vraag ware derhalve als volgt te beantwoorden:
De door de onderdaan van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat verworven rechten kunnen door de eerste Staat slechts in aanmerking worden genomen voor de toepassing van verordening nr. 1408/71, voor zover deze onderdaan zich ten tijde van de verkrijging dier rechten kon beroepen op de hoedanigheid van werknemer in de zin van deze verordening.
III — Mondelinge behandeling
De Commissie, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur M. J. Jonczy, heeft ter terechtzitting van 30 november 1977 mondelinge opmerkingen gemaakt en geantwoord op de vragen van het Hof.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 14 december 1977 conclusie genomen.
Ten aanzien van het recht
1 Overwegende dat het Franse Cour de Cassation, Kamer voor sociale zaken, bij arrest van 3 juni 1977, ingekomen ten Hove op 5 juli 1977, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag twee vragen heeft gesteld over de omvang van het toepassingsgebied van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 1971, blz. 2) in verband met de positie onder de Franse ziekteverzekeringsregeling van een persoon die in het Verenigd Koninkrijk onderworpen is geweest aan een voor alle ingezetenen geldend stelsel van sociale zekerheid;
2 Overwegende dat, blijkens het verwijzingsarrest, mejuffrouw Recq (mevrouw Recq, echtgenote Tessier, sinds haar huwelijk na de feiten van het geding), verweerster in het hoofdgeding, na de beëindiging van haar studie in Frankrijk enige tijd in Groot-Brittannië heeft verbleven, waar zij „au pair” heeft gewerkt en tevens avondcursussen heeft gevolgd;
3 dat zij gedurende die tijd in aanmerking kwam voor de voorzieningen van de National Health Service, welke gelden voor eenieder die gewoonlijk verblijf houdt in het Verenigd Koninkrijk, ook al is uit het dossier overigens niet duidelijk geworden of zij op grond van de Britse sociale zekerheidswetgeving al dan niet bijdragen heeft moeten storten;
4 dat zij na haar terugkeer in Frankrijk waar zij zich als werkzoekende liet inschrijven, voor in deze Staat ontvangen medische verzorging vergoeding krachtens de Franse ziekteverzekering heeft aangevraagd bij de Caisse Primaire d'assurance maladie d'Eure-et-Loir, waaronder zij tevoren ressorteerde als rechthebbende van haar bij deze Caisse aangesloten vader;
5 dat deze instelling echter heeft geweigerd de gevraagde vergoeding te verlenen op grond dat mejuffrouw Recq na de beëindiging van haar studie de hoedanigheid van rechthebbende van haar vader had verloren zonder daarbij een eigen recht onder de toepasselijke sociale wetgeving te hebben verworven, daar zij niet het bewijs kon leveren tijdens een krachtens artikel L 249 van de Code de sécurité sociale vastgesteld referentietijdvak het voorgeschreven aantal uren arbeid in loondienst of daarmee gelijkgestelde arbeid te hebben verricht, noch kon worden beschouwd als migrerende werkneemster in de zin van verordening nr. 1408/71;
6 dat op klachte van de betrokkene de Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale de Chartres bij beslissing van 12 maart 1975 de Caisse heeft veroordeeld tot vergoeding van de ziektekosten van mejuffrouw Recq, op grond van de door haar onder de Britse wettelijke regeling verworven sociale zekerheidspositie;
7 dat na een beroep van de Caisse Primaire d'assurance maladie tot cassatie van deze beslissing, het Cour de Cassation van mening was dat zelfs al zou mejuffrouw Recq zich niet op de hoedanigheid van rechthebbende van haar vader kunnen beroepen om bij haar terugkeer in Frankrijk in aanmerking te komen voor uitkeringen van de sociale zekerheid, de vraag rijst of zij niet wellicht uit eigen hoofde voordelen mocht verlangen op grond van verordening nr. 1408/71, doordat zij als deswege verzekerd kon worden beschouwd voor de duur van haar verblijf in Groot-Brittannië overeenkomstig de plaatselijke wet, zodat dit verzekeringstijdvak zou moeten worden gelijkgesteld met het in de Franse wet genoemde referentietijdvak;
8 dat het Cour de Cassation ter beslissing van dit rechtspunt de volgende vragen stelt:
Is de onderdaan van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijft om daar „au pair” te werken en ook deels onderwijs te volgen en die in die Staat verstrekkingen van de sociale zekerheid ontvangt, een migrerende werknemer in de zin van artikel 1 van verordening nr. 1408/71?
Dient elke andere Lid-Staat rekening te houden met de door deze onderdaan tijdens diens verblijf verworven rechten, als ging het om tijdvakken die krachtens de in die Staat toegepaste wettelijke regeling voor het ontstaan van het recht moeten zijn vervuld?”
9 Overwegende dat verordening nr. 1408/71, luidens haar artikel 2, van toepassing is op met name werknemers op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is en die onderdanen van een der Lid-Staten zijn;
10 dat volgens artikel 1, sub a, ii, der verordening onder „werknemer” mede moet worden verstaan ieder die „in het kader van een stelsel van sociale zekerheid dat voor alle ingezetenen of voor de gehele beroepsbevolking geldt, verplicht verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen behorende tot de takken van sociale zekerheid waarop deze verordening van toepassing is,
-
wanneer hij door de wijze van beheer of van financiering van dit stelsel als loontrekkende kan worden onderkend, dan wel
-
indien dergelijke criteria niet aanwezig zijn, wanneer hij in het kader van een voor loontrekkenden ingesteld stelsel verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een andere in bijlage V omschreven gebeurtenis”;
11 dat ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk bijlage V der verordening ingevolge de toetredingsakte is aangevuld met een bepaling welke luidt: „Als werknemer in de zin van artikel 1, alinea a, sub ii, van de verordening wordt aangemerkt ieder die als loontrekkende bijdragen moet storten” (PB L 73 van 1972, blz. 113);
12 dat uit al deze bepalingen volgt dat, welke ook de beroepspositie was van een onderdaan van een Lid-Staat, die in Groot-Brittannië verbleef in zodanige omstandigheden dat hij onder een voor alle ingezetenen geldend stelsel van sociale zekerheid viel, de toepasselijkheid op hem van verordening nr. 1408/71 afhangt van de mogelijkheid hem als loontrekkende te „onderkennen”;
13 dat bij ontbreken van criteria die eventueel worden ontleend aan de wijze van beheer of van financiering van het betrokken stelsel overeenkomstig artikel 1, sub a, ii, eerste streepje, deze onderkenning, volgens het tweede streepje en bijlage V, voor het Verenigd Koninkrijk afhangt van de vraag of de betrokkene als loontrekkende bijdragen voor de sociale zekerheid heeft moeten storten;
14 dat de bevoegde nationale autoriteiten hebben vast te stellen of deze voorwaarde in een bepaald geval al dan niet is vervuld;
15 dat, gesteld, dat een persoon aldus kan worden onderkend als „werknemer” in de zin van verordening nr. 1408/71, daaruit volgt dat overeenkomstig artikel 18, lid 1, der verordening het orgaan van een Lid- Staat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, verplicht is voorzover nodig rekening te houden met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld;
16 Overwegende dat derhalve de door het Cour de Cassation gestelde vragen in deze zin dienen te worden beantwoord;
Ten aanzien van de kosten
17 Overwegende dat de kosten, door de regering van het Verenigd Koninkrijk en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;
18 dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Franse Cour de Cassation bij arrest van 3 juni 1977 gestelde vragen, verklaart voor recht:
-
De onderdaan van een Lid-Staat, op wie in een andere Lid-Staat een voor alle ingezetenen geldend stelsel van sociale zekerheid van toepassing is geweest, kan slechts begunstigde zijn onder de bepalingen van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, indien hij kan worden onderkend als werknemer in de zin van artikel 1, sub a, ii, dezer verordening, met dien verstande dat wat inzonderheid het Verenigd Koninkrijk betreft, bij ontbreken van enig ander criterium deze onderkenning volgens bijlage V der verordening afhangt van de vraag of hij als loontrekkende bijdragen voor de sociale zekerheid heeft moeten storten.
-
De rechten verworven door een persoon die tijdens zijn verblijf in een Lid-Staat kan worden onderkend als werknemer in de zin van artikel 1, sub a, ii, van verordening nr. 1408/71, moeten door elke andere Lid-Staat in aanmerking worden genomen, als ging het om tijdvakken die krachtens de in die Staat toegepaste wettelijke regeling voor het ontstaan van het recht moeten zijn vervuld.
Kutscher
Sørensen
Bosco
Donner
Pescatore Mackenzie
Stuart
O'Keeffe
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op negentien januari negentienhonderdachtenzeventig.
De griffier
A. Van Houtte
De president
H. Kutscher