Home

Arrest van het Hof van 16 februari 1978.

Arrest van het Hof van 16 februari 1978.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
16 februari 1978

Uitspraak

ARREST VAN 16-2-1978 — ZAAK 88/77 MINISTER VAN VISSERIJ / SCHONENBERG

In de zaak 88/77,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het District Court for the District Court Area of Cork City (Ierland), in het aldaar aanhangig geding tussen

MINISTER VAN VISSERIJ

en

C. A. SCHONENBERG, P. STAM, N. DE NIET, A. HOFLAND, J. VAN RIJN, J. M. PLUG, H. R. PLUG, J. M. BAL, C. ZWAN EN P. C. HAASNOOT, schippers van Nederlandse trawlers,

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: H. Kutscher, president, M. Sørensen en G. Bosco, kamerpresidenten, A. M. Donner, P. Pescatore, A. J. Mackenzie Stuart en A. O'Keeffe, rechters,

advocaat-generaal: G. Reischl

griffier: A. Van Houtte

het navolgende

ARREST

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs statuut (EEG) ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

De Ierse „Fisheries (Amendment) Act 1962” geeft in artikel 35 de minister van Visserij bepaalde bevoegdheden ter zake van de instandhouding en het beheer van de visbestanden. Genoemd artikel bepaalt met name:

„Zo de minister, gelet op enige internationale overeenkomst waarbij de Staat partij is, zulks geboden acht, kan hij bij verordening de hem dienstig voorkomende maatregelen tot instandhouding van de visstand en tot verantwoorde exploitatie van de visgronden treffen.”

Overtreding van zodanige verordening wordt bedreigd met een geldboete van ten hoogste £ 100, onder vantoepassingverklaring van het bepaalde in hoofdstuk IV, deel XIII van de „Fisheries (Consolidation) Act 1959”. Een wettelijk gevolg van veroordeling is de verbeurdverklaring van het vistuig en de vis.

Bij twee verordeningen van 16 februari 1977 heeft de minister van Visserij van genoemde bevoegdheid gebruik gemaakt.

De eerste van deze verordeningen, de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) Order 1977”, ontzegt alle vissersvaartuigen de toegang tot en het verblijf alsmede alle visserijactiviteiten in een zeegebied, gelegen binnen de exclusieve visserijzone van Ierland en begrensd door de parallel van 56o 30' NB, de meridiaan van 12o WL en de parallel van 50o 30' NB. Krachtens deze verordening is het verboden, enerzijds voor een ieder die zich aan boord van een zeevisserijvaartuig bevindt, in de betrokken wateren te vissen of daartoe pogingen te doen, en anderzijds, voor ieder visssersvaartuig in die zone vis aan boord te hebben — behoudens wanneer deze in overeenstemming met de wettelijke bepalingen is gevangen — of vistuig voor gebruik gereed te houden.

De tweede verordening, de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) (Nr. 2) Order 1977” bevat een vrijstelling van dat verbod voor vaartuigen met een lengte van minder dan 33 m of een motorvermogen van minder dan 1 100 pk.

De verordeningen zijn in werking getreden op 10 april 1977.

Op 29 april 1977 waren tien in Nederland geregistreerde trawlers, alle langer en met een groter motorvermogen dan ingevolge de Ierse verordeningen is toegestaan, vergezeld van een hospitaalschip groepsgewijs aan het vissen op een afstand van 25-28 mijl van de Ierse kust, ten zuiden van „Old Head of Kinsale”; bij hun ontdekking bevonden zij zich 40-45 mijl binnen de gereserveerde zone. Een van de Nederlandse trawlers, de „VL 89 Monica” onder schippper C. A. Schonenberg, werd aangehouden door een vaartuig van de „Irish Naval Sea Fisheries Protection” en opgebracht naar de haven van Cork, waarop ook de negen andere trawlers naar Cork opstoomden. De schippers van alle tien trawlers werden gearresteerd, de schepen en de bemanning werden vastgehouden.

Op 2 mei 1977 werd tegen de schippers van de tien Nederlandse trawlers voor het District Court te Cork een strafvervolging ingesteld wegens het binnenvaren van het onder de verordeningen van 16 februari 1977 vallende gebied, wegens het aldaar vissen en het vis aan boord hebben, alsmede, wegens het niet hebben weggeborgen van hun vistuig.

Verdachten beriepen zich erop dat de Ierse maatregelen in strijd zijn met verscheidene bepalingen van het gemeenschapsrecht betreffende de visserij, waarop het District Court te Cork bij beschikking van 7 juli 1977 besloot met toepassing van artikel 177 EEG-Verdrag de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof van Justitie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over de navolgende vragen:

  • Staat het gemeenschapsrecht en inzonderheid artikel 7 EEG-Verdrag of artikel 2 van 's Raads verordening nr. 101/76, op zich of in samenhang met de artikelen 100 en 101 van de Toetredingsakte, eraan in de weg dat Ierland maatregelen neemt als vervat in de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) Order 1977” (S. I. nr. 38 1977) en/of de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) (Nr. 2) Order 1977” (S. I. nr. 39 1977)?

  • Staat het gemeenschapsrecht en inzonderheid de artikelen 102 en 103 van de Toetredingsakte, op zich of in samenhang met artikel 4 van 's Raads verordening nr. 101/76, eraan in de weg dat Ierland maatregelen neemt als vervat in de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) Order 1977” (S. I. nr. 38 1977) en/of de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) (Nr. 2) Order 1977” (S. I. nr. 39 1977)?

  • Zou een veroordeling van verweerders door dit Court terzake van de telastegelegde feiten, vermeld in bijlage II, onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht?

De verwijzingsbeschikking is op 12 juli 1977 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs statuut (EEG) zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 26 augustus 1977, door de regering van het Koninkrijk der Nederlanden op 26 september, door de regering van de Franse Republiek alsmede door C. A. Schonenberg en de andere verdachten in het hoofdgeding op 3 oktober, en door de Ierse minister van visserij op 12 oktober 1977.

Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

De regering van de Franse Republiek en de Nederlandse regering hebben desgevraagd voor de terechtzitting inlichtingen verstrekt over de gevolgen van de Ierse maatregelen voor de Franse en Nederlandse visserij-industrie.

II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

De Ierse minister van Visserij, vervolgende instantie in het hoofdgeding, wijst erop dat de rechtsproblematiek van de onderhavige zaak zeer veel overeenkomst vertoont met die van zaak 61/77 (Commissie t. Ierland), welke eveneens bij het Hof aanhangig is, en dat geen van de door verdachten in het hoofdgeding aangevoerde verweermiddelen kan worden aanvaard.

  1. De stelling dat de artikelen 100 en 101 Toetredingsakte Ierland het recht ontzeggen jurisdictie uit te oefenen in het zeegebied buiten respectievelijk de 6-mijls- en de 12-mijlszone en in de onlangs ingstelde 200-mijlszone, houdt te enen male geen stand.

    De artikelen 100 en 101 Toetredingsakte, waarbij de Lid-Staten worden gemachtigd de uitoefening van de visserij in het zeegebied onder hun soevereiniteit of jurisdictie, gelegen binnen een grens van zes mijl of in bepaalde gevallen 12 mijl, te beperken, betekenen geenszins dat uitsluitend die 6- of 12-mijlszone onder de soevereiniteit of jurisdictie der Lid-Staten valt.

    Uit de bewoordingen van artikel 100 Toetredingsakte („in afwijking van het bepaalde in artikel 2 van verordening nr. 2141/70”) blijkt duidelijk dat het daarbij gaat om een beperkte afwijking van bepalingen die zelf zonder enige twijfel van toepassing waren in het gehele zeegebied dat bij de vaststelling der verordening onder de jurisdictie van de oorspronkelijke Lid-Staten viel. De grens van zes, respectievelijk 12 mijl, die behalve in de artikelen 100 en 101 in geen enkele andere bepaling van het gemeenschapsrecht wordt genoemd, heeft klaarblijkelijk niets te maken met de vraag hoe groot het zeegebied is waarover de Lid-Staten soevereiniteit of jurisdictie uitoefenen.

    Overeenkomstig de resolutie van de Raad, goedgekeurd tijdens zijn bijeenkomst te 's-Gravenhage op 30 oktober 1976 en formeel vastgesteld op 3 november daaropvolgende, heeft Ierland bij de „Maritime Jurisdiction (Exclusive Fishery Limits) Order 1976” van 22 december 1976 zijn exclusieve visserijzone per 1 januari 1977 uitgebreid tot 200 mijl vanaf de laagwaterlijn. In verschillende verordeningen uit 1977 heeft de Raad ten volle rekening gehouden met de maatregelen van de Lid-Staten, waarbij deze hun visserijzones hebben uitgebreid. In Zaak 61/77 is noch door de Commissie noch door de Nederlandse regering beweerd dat de uitoefening van jurisdictie door de Lid-Staten — en Ierland in het bijzonder — in de 200-mijlszones niet in overeenstemming zou zijn met de gemeenschapsrecht. Ook het Hof heeft in zijn beschikking in kort geding van 22 mei 1977 in zaak 61/77 „de uitbreiding van de exclusieve visserijzones” erkend.

  2. In tegenstelling tot wat de verdachten in het hoofdgeding beweren, ontleent Ierland aan de artikelen 102 en 103 Toetredingsakte de bevoegdheid maatregelen tot instandhouding van de visbestanden zoals die welke thans in geding zijn te nemen.

    Dat een Lid-Staat het recht heeft om in overeenstemming met het gemeenschapsrecht passende instandhoudingsmaatregelen te nemen, is door de gemeenschapsinstellingen herhaaldelijk erkend: door de Commissie met name in het kader van zaak 61/77 en door de Raad in de considerans van verordening nr. 350/77 van 18 februari 1977 tot vaststelling van bepaalde overgangsmaatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1977, L 48, blz. 28).

    Artikel 4 van verordening nr. 101/76 heeft dezelfde strekking als artikel 5 van 's Raads verordening nr. 2141/70 van 20 oktober 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB 1970, L 236, blz. 1); het Hof nu heeft in zijn arrest van 14 juli 1976 (gevoegde zaken 3, 4 en 6/76, Kramer e.a., Jurispr. 1976, blz. 1279) beslist dat „een Lid-Staat die met het oog op de instandhouding van de rijkdommen van de zee maatregelen ter beperking van de visserij vaststelt, de doelstellingen of de werking van het stelsel der verordeningen nrs. 2141/70 en 2142/70 niet in gevaar brengt”.

    De bevoegdheid van de Lid-Staten om passende instandhoudingsmaatregelen te nemen, is boven elke twijfel verheven; zij behouden deze bevoegdheid minstens tot het moment waarop de in de artikelen 102 en 103 Toetredingsakte be doelde bepalingen zijn ingevoerd.

  3. Met betrekking tot het verwijt van discriminatie valt met de volgende factoren rekening te houden; de urgentie en de noodzaak van passende instandhoudingsmaatregelen wordt algemeen erkend; zolang geen gemeenschapsregeling is vastgesteld, zijn de Lid-Staten te dier zake bevoegd; elke maatregel heeft noodzakelijkerwijze uiteenlopende consequenties voor de verschillende Lid-Staten; de Ierse maatregelen zijn echte en authentieke instandhoudingsmaatregelen, zodat hun geldigheid niet kan worden betwist op de enkele grond dat de gevolgen ervan voor bepaalde Lid-Staten ernstiger zijn dan voor andere; de Ierse maatregelen zijn formeel noch materieel discriminerend, en het feit dat zij wat ernstiger consequenties hebben voor de Nederlandse visserij-industrie is niet het gevolg van enige discriminerende bepaling, maar van de omstandigheid dat instandhoudingsmaatregelen nu eenmaal het hardst aankomen bij de vissersvloot die in de Ierse wateren de meeste vis vangt.

    De vraag betreffende de geldigheid van de Ierse maatregelen moet worden beoordeeld in het licht van de ernstige situatie die de aanleiding vormde voor de vaststelling en tenuitvoerlegging ervan en die op het moment waarop de feiten van de onderhavige zaak zich voordeden, nog steeds bestond. De dringende noodzaak van instandhoudingsmaatregelen en de rechten van de Lid-Staten zijn door de Commissie erkend in de ontwerp-verordeningen die zij op 3 december 1976, 14 januari en 11 maart 1977 aan de Raad heeft aangeboden. Toen ondanks het aandringen van de Ierse autoriteiten geen instandhoudingsmaatregelen op gemeenschapsniveau tot stand kwamen, zag de Ierse minister van visserij zich genoodzaakt onverwijld te handelen en maatregelen vast te stellen die echte instandhoudingsmaatregelen zijn en op korte termijn tot een zekere vermindering van de visserijactiviteiten leiden, die snel kunnen worden toegepast en waarvan de naleving door een gering aantal bewakingsvaartuigen doeltreffend kan worden gecontroleerd. Wat hun aard betreft, waren de maatregelen gebaseerd op de ontwerp-verordening van de Commissie van 14 januari 1977; beducht dat een maximum lengte van 85 voet voor sommige, traditioneel in de betrokken wateren opererende vissers een al te harde voorwaarde zou zijn, heeft de Ierse regering die limiet tot 33 m (ca. 110 voet) verhoogd; het was noodzakelijk de maatregelen ook buiten de oude 12-mijlszone van toepassing te verklaren. De verordeningen van 16 februari 1977, die eerst in april in werking zijn getreden, zijn echte, reële en redelijke instandhoudingsmaatregelen.

    De Ierse maatregelen zijn niet in strijd met artikel 2 van verordening nr. 101/76. Dit artikel is niet op die maatregelen van toepassing; het heeft enkel betrekking op het zeegebied dat bij de vaststelling der verordening onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Lid-Staten viel, maar niet op het gebied dat daarna onder Ierse soevereiniteit of jurisdictie is gebracht. En in elk geval, waar de Ierse verordeningen echte instandhoudingsmaatregelen zijn, waarborgen zij in feite de gelijke toegang voor alle vaartuigen van de Gemeenschap. Aangezien de Ierse regering het recht had instandhoudingsmaatregelen te nemen en een beperking van de grootte van de vaartuigen een geschikt, zo niet het enige middel was, kan een particuliere scheepseigenaar of zelfs een bepaalde Lid-Staat niet beweren dat die maatregelen discriminerend zijn, enkel omdat deze nu eenmaal vanwege hun aard nadelig voor hen zijn.

    Het criterium van de grootte van de vissersvaartuigen is volkomen objectief; het wordt ook toegepast in het kader van het Visserijverdrag voor de noordoostelijke Atlantische Oceaan en in de voorstellen van de Commissie zelf.

    De statistische tests waarmee de Commissie het discriminatoire karakter van de Ierse maatregelen denkt aan te tonen, hebben in rechte geen enkele betekenis. Het zou niet meevallen instandhoudingsmaatregelen te bedenken die in alle Lid-Staten precies dezelfde uitwerking hebben; elke denkbare maatregel heeft uiteenlopende gevolgen voor de vissersvloten van de verschillende Lid-Staten. Instandhoudingsmaatregelen voor een bepaald zeegebied hebben nu eenmaal ernstiger consequenties voor degenen die daar het meest vissen.

    Ierland betwist niet dat de Nederlandse vissersvloot en met name de trawlervloot die van oudsher in de Ierse wateren heeft gevist, sedert 1975 aanzienlijk is ingekrompen; dit geeft nog meer reden tot bezorgdheid over de instandhouding van de visbestanden in de Ierse wateren, in het bijzonder vanwege de te verwachten verplaatsing van de visserijactiviteiten en de sterke concentratie op grote vaartuigen. De Ierse maatregelen zijn niet discriminerend voor de Nederlandse schepen als zodanig; juist de ontwikkeling van de Nederlandse visserij-industrie in de laatste jaren heeft de noodzaak van instandhoudingsmaatregelen vergroot en die industrie bijzonder kwetsbaar gemaakt voor elke serieuze instandhoudingsmaatregel.

  4. De gestelde vragen zouden moeten worden beantwoord als volgt:

    1. Op geen enkel moment dat in de thans voor het District Court te Cork aanhangige zaak van belang is, stond artikel 7 EEG-Verdrag of artikel 2 van 's Raads verordening nr. 101/76, op zich of in samenhang met de artikelen 100 en 101 Toetredingsakte, eraan in de weg dat Ierland maatregelen nam als vervat in de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) Order 1977” (S. I. 1977, nr. 38) en/of de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) (Nr. 2) Order 1977” (S. I. 1977, nr. 39).

    2. Op geen enkel moment dat in de thans voor het District Court te Cork aanhangige zaak van belang is, stonden de artikelen 102 en 103 Toetredingsakte, op zich of in samenhang met artikel 4 van 's Raads verordening nr. 101/76, of enige andere bepaling van gemeenschapsrecht eraan in de weg dat Ierland maatregelen nam als vervat in de voornoemde Ierse verordeningen.

    3. Gezien de bij vraag 1 en 2 voorgestelde antwoorden, behoeft het Hof niet in te gaan op de derde vraag van de verwijzingsbeschikking.

Schonenberg en de andere verdachten in het hoofdgeding merken hoofdzakelijk het navolgende op:

  1. De tweede vraag, die logisch als eerste moet worden behandeld, betreft in wezen de omvang van de restbevoegdheid der Lid-Staten ter zake van beschermingsmaatregelen in de visserijsector, een materie die thans gedeeltelijk aan de instellingen van de Gemeenschap is overgedragen.

    Bij de vraag of Ierland naar gemeenschapsrecht nog bevoegd is maatregelen voor de instandhouding en de rationele exploitatie van de visbestanden in zijn 200-mijlszone te treffen, komt het inzonderheid aan op de artikelen 100-103 Toetredingsakte, 's Raads verordeningen nrs. 100 en 101/76, de resolutie van de Raad van oktober/november 1976 betreffende de instelling van een 200-mijlszone door de Lid-Staten, en de arresten van 31 maart 1971 (zaak 22/70, Commissie/Raad, AETR, Jurispr. 1971, blz. 263) en 14 juli 1976 (gevoegde zaken 3, 4 en 6/76, Kramer e.a., Jurispr. 1976, blz. 1279) betreffende de invloed van het gemeenschapsrecht op de bevoegdheid der Lid-Staten om eenzijdig regelingen te geven voor gebieden waarvoor gemeenschappelijke voorschriften bestaan.

    De feiten van de onderhavige zaak vertonen grote verschillen met die van de zaak Kramer: de Ierse regering heeft eenzijdig gehandeld zonder dat het erom ging een internationale verbintenis uit te voeren, en is daarbij bovendien ingegaan tegen de opvatting van de Commissie en de andere Lid-Staten; de Ierse maatregelen zijn een verkapte, zo niet openlijke discriminatie op grond van nationaliteit; zij gelden in het gebied waarvoor de artikelen 1 en 4 van verordening nr. 101/76 juist een gemeenschappelijk optreden voorzien; zij vormen geen aanvulling op een actie van de Gemeenschap, maar begeven zich op een terrein dat aan de Gemeenschap is voorbehouden; de Ierse regering is niet eenvoudig vooruitgelopen op gemeenschapsmaatregelen, maar heeft gehandeld in strijd met het verklaarde standpunt van de Commissie; de Ierse maatregelen ontberen tenslotte elke wetenschappelijke grondslag.

    De in de zaak-Kramer omschreven beginselen zijn dus niet automatisch van toepassing op de instandhoudingsmaatregelen van de Ierse regering.

    Artikel 4 van verordening nr. 101/76 verzet zich in elk geval ertegen dat de Lid-Staten eenzijdig actie ondernemen en daarmee de Raad of de Commissie beletten de hun bij diezelfde bepaling verleende opdracht uit te voeren. Het eenzijdige Ierse optreden heeft het werk van de Raad en de Commissie in drie opzichten moeilijker gemaakt: het kan het welslagen van de interne onderhandelingen over de uitwerking van een gemeenschappelijk visserijbeleid in gevaar brengen; het discriminatoire karakter ervan kan tegenmaatregelen van andere Lid-Staten uitlqkken; en de positie van de Gemeenschap bij de onderhandelingen met derde landen kan erdoor worden geschaad.

    Door de betrokken eenzijdige maatregelen te nemen is de Ierse regering de ingevolge artikel 5 EEG-Verdrag op haar rustende verplichting niet nagekomen.

    Bovendien voldoet de door de Ierse regering gekozen methode — een absoluut verbod voor vaartuigen van meer dan een bepaalde lengte of motorvermogen — niet aan het in het arrest-Kramer gestelde vereiste, dat de gevolgen voor de gemeenschappelijke ordening tot een minimum beperkt moeten blijven. Door middel van een wetenschappelijk verantwoorde quotaregeling had de beoogde instandhouding kunnen worden verwezenlijkt met minder gevolgen voor de gemeenschappelijke ordening en met inachtneming van de in bijlage VI bij de Haagse resoluties omschreven procedure. Door te kiezen voor het criterium van grootte of motorvermogen discrimineren de Ierse maatregelen grote vaartuigen als zodanig en doen ze het economische voordeel teniet dat aan het gebruik van grote schepen is verbonden. Bovendien kunnen de Ierse maatregelen om technische redenen niet bijdragen aan de verwezenlijking van de beoogde instandhouding.

    Daarnaast zijn het ook maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen, die ingevolge de artikelen 30 en volgende — met name artikel 34 — EEG-Verdrag zijn verboden. Zij zijn volgens 's Hofs rechtspraak te beschouwen als „een handelsregeling die de handel tussen Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel ongunstig kan beïnvloeden.”

    Verordening nr. 100/76 betreft de gemeenschappelijke marktordening voor visserijprodukten. Sommige bepalingen ervan hebben betrekking op de produktiefase van de visserij-industrie. Volgens 's Hofs redenering in het arrest van 30 oktober 1974 (zaak 19/73, Van Haaster, Jurispr. 1974, blz. 1123) moeten de Ierse maatregelen worden ingetrokken omdat zij de door een gemeenschappelijke marktordening geregelde intracommunautaire handel belemmeren.

    De Ierse maatregelen kunnen evenmin een rechtvaardiging vinden in artikel 36 EEG-Verdrag; dit artikel moet in de gegeven omstandigheden restrictief worden uitgelegd en in elk geval aldus worden verstaan, dat slechts die maatregelen geoorloofd zijn welke de intracommunautaire handel niet meer beperken dan strikt noodzakelijk is ter bereiking van het beoogde doel. De Ierse maatregelen nu zouden minder gevolgen hebben gehad voor de intracommunautaire handel en toch hun doel hebben kunnen bereiken indien zij een wetenschappelijk verantwoorde quotaregeling hadden ingevoerd of waren vastgesteld volgens de procedure van bijlage VI bij de resoluties van 's-Gravenhage.

    De Ierse regering heeft inbreuk gemaakt op haar verplichtingen uit het EEG-Verdrag door zich te begeven op een terrein dat aan de Gemeenschap is voorbehouden, en de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag te bemoeilijken. Haar optreden is onverenigbaar met verordening nr. 100/76 en met de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag. Zij handelt eveneens in strijd met artikel 4 van verordening nr. 101/76 en artikel 5 EEG-Verdrag. De tweede vraag moet mitsdien bevestigend worden beantwoord.

  2. De instandhoudingsmaatregelen van de Ierse regering zijn onverenigbaar met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76.

    Materieel en formeel leiden zij tot discriminatie uit hoofde van nationaliteit en als zodanig zijn zij in strijd met artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 2, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 101/76. Zij druisen eveneens rechtstreeks in tegen de tweede alinea van dat artikel, doordat zij geen waarborgen bieden voor gelijke voorwaarden voor alle vaartuigen van de Lid-Staten voor wat de toegang tot de visgronden betreft.

    De regel van gelijke behandeling is een van de fundamentele rechtsbeginselen van de Gemeenschap. Zij heeft rechtstreekse werking en kan door de onderdanen van alle Lid-Staten worden ingeroepen. Het discriminatieverbod geldt niet enkel voor maatregelen die uitdrukkelijk en openlijk discriminerend zijn, maar ook voor iedere verkapte vorm van discriminatie, die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leidt. Ofschoon de Ierse maatregelen slechts onderscheid maken naar de grootte en het motorvermogen van de schepen, vormen zij in feite en beogen zij ook een discriminatie op grond van nationaliteit: dit is openlijk toegegeven in een verklaring van de nieuwe Ierse minister van visserij. Uit de structuur en de opzet van de litigieuze verordeningen blijkt dat het om een algeheel vangstverbod in de betrokken zone gaat, waarop vervolgens een uitzondering wordt gemaakt voor de gehele Ierse vloot.

    Als het behoud van de visbestanden het voornaamste doel van de Ierse maatregelen was geweest, had de Ierse regering dat zonder discriminatie het best kunnen bereiken door het instellen van een quotaregeling of door wijziging van de „Fishery Order” in de zin van de door de Raad op 25-27 maart 1977 besproken voorstellen van de Commissie. Als de Ierse regering zich bevoegd achtte tot ingrijpen ter bescherming van de visserijbelangen van de Gemeenschap, dan had het ongetwijfeld het meest voor de hand gelegen om het door haarzelf, de Commissie en alle andere Lid-Staten op één na ondersteunde programma over te nemen. Met zo een programma, dat ook een quotastelsel omvatte, had de door Ierland gewenste instandhouding verwezenlijkt kunnen worden en waren discriminerende maatregelen te voorkomen geweest.

    Van de gehele Ierse vissersvloot van 2 346 schepen, worden slechts twee vaartuigen door het in het betrokken zeegebied geldende vangstverbod getroffen. De interpretatie van de termen discriminatie en nationaliteit dient te geschieden aan de hand van materiële criteria; een louter formele opvatting schiet te kort. Een regeling die andere criteria hanteert, kan in feite uitlopen op discriminatie uit hoofde van nationaliteit. Dit is met name het geval wanneer het gebruik van bepaalde onderscheidingscriteria tot resultaat heeft dat in alle, of in het merendeel der gevallen enkel buitenlanders worden getroffen zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.

    Het feit dat de Ierse regering de lengte en het motorvermogen van' het vaartuig als criterium voor de toegang tot de Ierse wateren gebruikt, levert tezamen met de omstandigheid dat op grond van hetzelfde criterium slechts twee Ierse vaartuigen eventueel kunnen worden uitgesloten, in casu een materiële discriminatie uit hoofde van nationaliteit op.

    Maar zelfs als de Ierse maatregelen niet tot discriminatie uit hoofde van nationaliteit zouden leiden, zijn zij in elk geval in strijd met artikel 2, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 101/76, dat gelijke voorwaarden voor de toegang tot en de bevissing van de visgronden verlangt voor alle vaartuigen van de Lid-Staten. Deze bepaling ziet op andere vormen van discriminatie dan die uit hoofde van nationaliteit.

    De eerste vraag dient derhalve bevestigend te worden beantwoord.

  3. Voor zover de verordeningen van 16 februari 1976 onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, kunnen zij geen werking hebben in het Ierse recht. Veroordelingen door Ierse rechterlijke instanties op grond van die verordeningen zijn dan nietig.

De regering van de Franse Republiek beklemtoont dat het visserijbeleid een zaak van de Gemeenschap is. Dit volgt uit artikel 38, lid 1, EEG-Verdrag, krachtens hetwelk de Gemeenschap een marktordening en een structuurbeleid voor de visserijsector tot stand heeft gebracht, aanvankelijk bij de verordeningen nrs. 2141 en 2142/70, vervolgens bij de verordeningen nrs. 100 en 101/76.

  1. Wat meer in het bijzonder de regeling voor de uitoefening van de visserij betreft, hiervan blijkt het communautaire karakter met name uit artikel 102 Toetredingsakte, uit bijlage I bij de Haagse resoluties en uit 's Hofs arrest in de zaak-Kramer. Dit alles biedt grond voor twee overwegingen: enerzijds is het de Gemeenschap als zodanig die bevoegd is een blijvende regeling voor de uitoefening van de visserij vast te stellen, en volgens 's Hofs vaste rechtspraak sluit de gemeenschapsbevoegdheid elke concurrerende bevoegdheid der Lid-Staten uit; anderzijds gelden de algemene regels van de gemeenschappelijke markt ook voor de visserijsector, daaronder met name artikel 7 EEG-Verdrag dat elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit verbiedt, welk principieel verbod ten aanzien van de visserij wordt bevestigd door artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76. Vanwege het principe van gelijkheid van behandeling dient men echter op het effect van een maatregel te letten, het is niet voldoende dat de maatregel enkel ogenschijnlijk niet discriminerend is.

    Dit belet echter niet bij visserijregelingen ook rekening te houden met de noodzaak bepaalde soorten te beschermen en de visstand op peil te houden, mits daarbij de vissers van een bepaalde Lid-Staat maar niet ten koste van die van de andere Lid-Staten worden bevoordeeld.

  2. Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht, met name bepaald door bijlage VI bij de resoluties van 's-Gravenhage, moet de geldigheid van de Ierse maatregelen primair worden beoordeeld onder het aspect van hun eventueel discriminatoire aard en van hun geschiktheid om het beoogde doel te bereiken enerzijds, en van hun gevolgen voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijk visserijbeleid anderzijds.

    • Volgens bijlage VI bij de Haagse resoluties moeten de instandhoudingsmaatregelen die de Lid-Staten bij wege van afwijking voor het jaar 1977 kunnen nemen, niet-discriminerend zijn. De Ierse maatregelen nu zijn ondanks een formele gelijkheid van behandeling in hun praktische gevolgen discriminerend; een groot aantal vissers uit andere Lid-Staten, die van oudsher in de betrokken wateren vissen, hebben schepen die groter en sterker zijn dan die maatregelen toestaan; de Ierse vissersschepen daarentegen behoren voor het overgrote deel tot de categorie vaartuigen die hun visserijactiviteit mogen voortzetten. De Ierse maatregelen zijn zonneklaar feitelijk discriminerend; in zijn beschikking in kort geding van 22 mei 1977 in zaak 61/77 heeft het Hof trouwens erkend dat er te dien aanzien een sterk vermoeden bestaat.

    • Regelingen ter instandhouding van de visbestanden bevatten veelal maatregelen die niet eenvoudigweg neerkomen op een vangstverbod. In casu is het dus tenminste twijfelachtig of de betrokken maatregelen wel geëigend zijn ter bereiking van het beoogde doel, te weten de instandhouding van de visbestanden.

    • De communautaire regeling van de uitoefening van de visserij is thans voorwerp van belangrijke onderhandelingen binnen de Gemeenschap; zowel intern als in de verhouding met derde landen is reeds een aantal voorlopige maatregelen tot stand gekomen. Bij de vaststelling van een permanente gemeenschapsregeling van de visserijactiviteiten dienen de algemene regels van het gemeenschapsrecht in acht te worden genomen.

De Ierse maatregelen nu lopen in feite vooruit op de komende onderhandelingen over de gemeenschapsregelingen en dreigen aldus te verhinderen dat binnen de Gemeenschap overeenstemming wordt bereikt. Bovendien kunnen zij de andere Lid-Staten, die zich in hun belangen getroffen zouden achten, in de verleiding brengen gelijksoortige eenzijdige maatregelen te nemen. In zijn beschikking van 22 mei 1977 heeft ook het Hof op deze mogelijkheid gewezen.

Wanneer eenzijdige maatregelen in de praktijk neerkomen op een verbod voor de vissersvaartuigen van andere Lid-Staten om hun traditionele visserijactiviteiten uit te oefenen, brengen zij de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening rechtstreeks in gevaar.

De regering van het Koninkrijk der Nederlanden acht het dienstig de omstandigheden van de onderhavige zaak te vergelijken met die van de zaak-Kramer (arrest van 14 juli 1976).

  1. Een eerste verschil is dat het in de zaak-Kramer ging om een vangstbeperking waartoe op internationaal vlak en in het kader van een verdrag was besloten, en dus niet om een eenzijdig opgelegde, nationale vangstbeperking. Een tweede verschil is dat de gemeenschapsinstellingen en de Lid-Staten al sinds 1975 een gemeenschappelijk instandhoudingsbeleid trachten uit te werken en dat in de aldus gewijzigde omstandigheden elke nationale vangstbeperkende maatregel een veel ernstiger belemmering vormt voor de totstandbrenging en invoering van zo een beleid. Dit gevaar wordt nog groter naarmate het tijdstip nadert waarop de Raad overeenkomstig artikel 102 Toetredingsakte maatregelen voor het behoud van de biologische rijkdommen van de zee moet hebben vastgesteld. Een derde verschil is dat een regeling als die van de Ierse maatregelen redelijkerwijs niet als een instandhoudingsmaatregel kan worden beschouwd. In strijd met artikel 4 van verordening nr. 101/76 en met het gebruik van internationale visserijorganisaties bevatten die maatregelen geen specificaties ten aanzien van vissoorten, viszones en -perioden, vismethoden en vistuigen. Zo een regeling kan redelijkerwijs niet het resultaat zijn van biologische overwegingen, gebaseerd op een feitelijke beoordeling van het risico van overbevissing van bepaalde visgronden en bepaalde vissoorten.

  2. Het feit dat een passende bescherming van de visbestanden in het onder de Ierse maatregelen vallende zeegebied beslist noodzakelijk is, kan geen rechtvaardiging vormen voor het vaststellen van willekeurige vangstbeperkingen. Ook als er op dit gebied een nationale bevoegdheid naast die van de Gemeenschap bestond, zou men zich in elk geval moeten beperken tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de communautaire doelstelling ten aanzien van het behoud van de visgronden: enerzijds zouden de aan de vissers opgelegde vangstbeperkingen absoluut noodzakelijk moeten zijn ter bereiking van de doelstellingen van de Gemeenschap, anderzijds zou de invloed van de nationale maatregel op de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening tot het minimum beperkt moeten blijven. Een vangstbeperking als die welke thans in geding is, voldoet niet aan deze criteria. Er zijn tal van maatregelen denkbaar die de bescherming van de visgronden kunnen waarborgen en die daartoe zelfs meer geëigend zijn, zonder dat bepaalde vissersvaartuigen op basis van willekeurige criteria daardoor zouden worden uitgesloten. Bovendien zijn de Ierse maatregelen schadelijk voor de rationele ontwikkeling van de visserij doordat zij juist de modernste trawlers uitsluiten. Uitgangspunt bij de modernisering van de Nederlandse vloot was de noodzaak van een selectieve en op hoge kwaliteit gerichte visserij ten behoeve van de menselijke consumptie; ook heeft die modernisering een vergroting van de arbeidsproduktiviteit mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling, die een der doelstellingen is van de artikelen 1 en 9 van verordening nr. 101/76, wordt geblokkeerd door nationale maatregelen als die welke door Ierland zijn genomen.

  3. De Ierse regeling is voorts in strijd met een der grondbeginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid: zij maakt inbreuk op de gelijke rechten van alle vissersvaartuigen der Gemeenschap ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden, zoals gewaarborgd door artikel 2 van verordening nr. 101/76. Aan deze constatering wordt niet afgedaan door de formeel objectieve uitsluiting van schepen van een bepaalde lengte of motorvermogen. Uit artikel 2, lid 1, van de verordening blijkt duidelijk dat het om de feitelijke gevolgen van de nationale regeling gaat en niet enkel om de vorm waarin zij is gegoten.

  4. Het eenzijdige karakter van de ingestelde vangstbeperking, de door de beoogde bescherming der visbestanden niet gerechtvaardigde wijze waarop die vangstbeperking wordt verwezenlijkt, en de discriminerende uitwerking van de maatregelen, zijn — zowel elk op zich als in onderling verband — even zo vele redenen waarom het gemeenschapsrecht in de weg staat aan maatregelen zoals die welke door Ierland zijn genomen.

De Commissie herinnert aan Ierlands bijzondere positie op het gebied van de zeevisserij en aan de voor de visserijsector geldende beginselen van het gemeenschapsrecht, met name die vervat in 's Raads verordeningen nrs. 100 en 101/76, de artikelen 100-103 Toetredingsakte, de resoluties van 's-Gravenhage van oktober-november 1976 en de rechtspraak van het Hof, en betoogt dat nationale maatregelen op het gebied van de visserij aan drie criteria moeten voldoen om verenigbaar te zijn met het gemeenschapsrecht: zij mogen niet leiden tot verschil in behandeling van de vissersvaartuigen van andere Lid-Staten en moeten waarborgen bieden dat die vaartuigen op gelijke voorwaarden tot de visserij worden toegelaten; zij moeten zo gestructureerd zijn dat hun nadelige invloed op de werking van het gemeenschappelijk visserijbeleid tot een minimum blijft beperkt; en het moeten objectief gezien echte instandhoudingsmaatregelen zijn. Bovendien mogen de Lid-Staten geen maatregelen nemen die, ook al streven zij een rechtmatig doel na, de werking van het gemeenschappelijk beleid meer verstoren dan noodzakelijk is.

Aan deze criteria voldoen de Ierse maatregelen niet.

  1. Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 verbiedt „verschillen in behandeling ten opzichte van andere Lid-Staten”; hiermee zijn niet alleen openlijke en uitdrukkelijke discriminaties uit hoofde van nationaliteit bedoeld. Het verlangt ook „gelijke voorwaarden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden”; hiermee wordt een tweede materiële verplichting opgelegd.

    De reële uitwerking van de Ierse maatregelen kan op verschillende manieren worden aangetoond.

    • Een eerste test is het bepalen van het percentage vaartuigen van de zeevisserijvloot der verschillende Lid-Staten, dat door het visverbod in het betrokken gebied wordt getroffen. Dit percentage valt af te lezen uit de volgende tabel:

      Lid-Staat

      Totaal aantal schepen zeeen kustvisserij

      Schepen langer dan 33 m en met een motorvermogen van meer dan I 100 pk

      %

      Ierland

      1 100

      2

      0,18

      Frankrijk

      3 905

      160

      4

      Nederland

      544

      94

      17,2

      Verenigd Koninkrijk

      2 520

      276

      10,6

      Uit deze tabel blijkt ten duidelijkste het discriminatoire karakter van de litigieuze maatregelen.

    • Een tweede test is of het verbod, dat van toepassing is in een uitgestrekt gebied dat grotendeels veel dichter bij Ierland ligt dan bij de andere Lid-Staten, een verschillende uitwerking heeft voor vaartuigen met thuishaven in andere Lid-Staten.

      Aangezien kleinere vaartuigen in de praktijk veelal minder geschikt zijn voor lange reizen bij slecht weer, of voor langdurig verblijf op zee, is het duidelijk dat de Ierse maatregelen een discriminerend effect hebben, dat echter moeilijk kan worden gekwantificeerd.

    • Een derde test is het bepalen van het percentage schepen van andere Lid-Staten, die de in de Ierse maatregelen genoemde grootte overschrijden en die tot nu toe regelmatig in het betrokken zeegebied hebben gevist. Dit percentage blijkt uit de volgende tabel:

      Lid-Staat

      Totaal aantal vaartuigen dat normaal in de betrokken lerse wateren vist

      Schepen langer dan 33 m en met een motorvermogen van meer dan 1 100 pk

      %

      Ierland

      1 100

      1

      0,19

      Frankrijk

      407

      101

      24,8

      Nederland

      57

      57

      100

      Verenigd Koninkrijk

      26

      Ook in dit opzicht is de discriminerende werking duidelijk.

    • Een vierde test is het bepalen van de percentages van de totale vangsten van de verschillende nationale vissersvloten die door de Ierse maatregelen worden getroffen. Het blijkt dat deze maatregelen nagenoeg geen invloed hebben op de vangsten van de Ierse vissersvloot, aangezien slechts een of twee Ierse vaartuigen groter zijn dan is toegestaan en één hiervan nooit in de betrokken zone vist. Daarentegen wordt aan tal van Nederlandse en Franse schepen de toegang ontzegd tot de zeegebieden waar zij een zeer groot deel van hun vangsten behaalden.

      Bij toetsing aan deze vier criteria blijken de Ierse maatregelen onverenigbaar met de beginselen van gelijke toegang en gelijke behandeling.

      Zelfs indien beperking van de grootte en het motorvermogen het enig mogelijke doeltreffende middel was en zelfs indien men een dergelijke beperking objectief als een instandhoudingsmaatregel kon beschouwen, dan nog zouden de bij de litigieuze maatregelen vastgestelde maxima onnodig discriminerend zijn.

      Tegen het argument dat praktisch elke maatregel verschillende gevolgen zal hebben voor de vissersvloten van de diverse Lid-Staten, kan worden ingebracht dat nationale maatregelen een zodanige structuur moeten vertonen, dat die verschillen in elk geval niet al te groot zijn, tenzij dat met het oog op de instandhouding om biologische redenen absoluut onvermijdelijk zou zijn. Voor de discriminerende gevolgen van de Ierse maatregelen is evenwel geen rechtvaardiging te vinden.

  2. De Ierse maatregelen verbieden de visserij door grote vaartuigen op alle vissoorten, zelfs die welke geen bescherming nodig hebben, in een uitgestrekt zeegebied, het hele jaar door en voor onbepaalde tijd. Zij bevatten geen enkele bepaling ter beperking van de totale vangst, het totale aantal tot de visvangst toegelaten vaartuigen, de totale duur van de visserijactiviteit, de maaswijdte, de toegepaste vistuigen of methoden; zij zijn dus niet selectief. Zij beperken noch de totale vangst noch de totale visserijactiviteit in de betrokken zones; zij verbieden evenmin de visserij in de paaigebieden of „kraamkamers”, en beogen geen bijzondere bescherming van kwetsbare zones tegen visserij met schadelijke methoden.

    De Ierse maatregelen kunnen juist vanwege hun discriminerend effect, op korte termijn stellig tot een vermindering van de vangsten in de betrokken zone leiden. Dit neemt echter niet weg dat zij objectief niet als echte instandhoudingsmaatregelen kunnen worden beschouwd.

    De Ierse autoriteiten geven geen enkele schatting van de vangstvermindering die het gevolg van de litigieuze maatregelen zou moeten zijn. Volgens de beschikbare wetenschappelijke gegevens zijn zo vergaande maatregelen nodig noch geëigend voor de bestanden van alle vissoorten in de Ierse wateren.

    Sommige aanbevelingen van de visserijcommissie voor de noordoostelijke Atlantische Oceaan alsmede de voorstellen van de Commissie van 20 december 1976 en 14 januari 1977 hebben inderdaad ook betrekking op beperkingen in de grootte van de schepen; deze regelingen waren echter uitsluitend bedoeld ter bescherming van bepaalde, welomschreven zones met een bijzonder kwetsbaar natuurlijk milieu. Het is zinloos en volstrekt onterecht om zulke beperkingen in te stellen voor een groot stuk open zee.

    Een maatregel die tot een vermindering van de vangsten in een deel van de gemeenschapswateren leidt, is vanuit communautair gezichtspunt niet per se een goede instandhoudingsmaatregel; zij kan met name een vergroting van de visserijactiviteiten in een ander gedeelte van het zeegebied der Gemeenschap veroorzaken. Voor een wetenschappelijk verantwoord en rationeel communautair instandhoudingsbeleid zijn de grenzen van het onder de soevereiniteit of jurisdictie van een bepaalde Lid-Staat vallende zeegebied zonder enige betekenis, en elk wetenschappelijk gefundeerd beleid kan alleen maar betrekking hebben op het gehele bestand van een bepaalde vissoort of op de gehele te beheren zone.

    De Ierse maatregelen hebben betrekking op een zone die enkel met lengte- en breedtegraden is afgebakend, welke op zich geen enkele biologische of ecologische betekenis hebben. De betrokken zone valt niet samen met bepaalde visbanken.

    Grote schepen kunnen stellig meer vis vangen dan kleine; maar dit rechtvaardigt geenszins een absoluut vangstverbod voor grote schepen, terwijl het tegelijkertijd aan een onbeperkt aantal kleine schepen blijft toegestaan het hele jaar door vrijelijk en zonder enige controle op alle vissoorten te vissen.

    De Ierse maatregelen zijn willekeurig en kunnen ernstige gevolgen hebben, zowel geografisch als voor de goede werking van de Gemeenschap. Zij verbieden aan een groot aantal in de Gemeenschap geregistreerde schepen om te vissen in een uitgestrekt zeegebied, waarin zij van oudsher hebben geopereerd.

    De Ierse maatregelen kunnen objectief gezien niet als instandhoudingsmaatregelen gelden. Zij zijn dus in strijd met het stelsel van de verordeningen nrs. 100/76 en 101/76, zelfs indien zij te rijmen zouden zijn met artikel 2 van verordening nr. 101/76.

  3. Wat ook het rechtsgevolg van bijlage VI bij de resoluties van 's-Gravenhage voor het overige moge zijn, zij bevat geen materiële of formele voorschriften die wezenlijk afwijken van de geldende regels van het gemeenschapsrecht. In hun geheel bezien verlenen die resoluties de Commissie zonder enige twijfel het belangrijke mandaat om met derde landen te onderhandelen over akkoorden inzake de visserij in de zone van 200 mijl vanaf de laagwaterlijn van de Lid-Staten. Ierland heeft met dit mandaat ingestemd. Zonder in strijd te komen met artikel 5 EEG-Verdrag kan bijlage VI geen machtiging bevatten tot nationale maatregelen die onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht.

    Met een aantal derde landen voert de Gemeenschap thans onderhandelingen over visserijakkoorden die een zekere mate van wederkerigheid kunnen behelzen. Maatregelen als de Ierse zijn in strijd met het gemeenschapsrecht omdat zij die onderhandelingen op ernstige wijze hinderen.

    Geen enkele Lid-Staat kan het mandaat der Commissie om met derde landen te onderhandelen, dat haar door de Raad is verleend, terugnemen, zelfs niet met betrekking tot het zeegebied onder zijn jurisdictie. Toen de Raad de Commissie dat mandaat verleende, was hij zich er trouwens wel van bewust dat de interne regeling nog niet volledig was uitgewerkt en parallel met de externe regeling tot stand zou worden gebracht. De Raad heeft dus de inconveniënten aanvaard die voor externe onderhandelingen zouden kunnen voortvloeien uit bepaalde nationale instandhoudingsmaatregelen. Maar de vaststelling van eenzijdige nationale maatregelen die een groot aantal vaartuigen in een uitgestrekt zeegebied treffen, ondergraaft de geloofwaardigheid van de Gemeenschap bij de onderhandelingen met derde landen, met name wanneer het maatregelen zijn van een Lid-Staat wiens soevereiniteit of jurisdictie zich over een groot deel van de gemeenschapswateren uitstrekt. De Ierse maatregelen hebben een nodeloos groot verstorend effect op de verwezenlijking van het buitenlandse visserijbeleid van de Gemeenschap.

    Zouden de Ierse maatregelen geacht worden verenigbaar te zijn met het gemeenschapsrecht, dan zouden ook andere Lid-Staten het recht kunnen hebben eenzijdig soortgelijke maatregelen te nemen; die maatregelen zouden zich over het gehele zeegebied onder nationale soevereiniteit of jurisdictie kunnen uitstrekken. Het is duidelijk dat de Gemeenschap niet serieus met derde landen kan onderhandelen als iedere maritieme Lid-Staat op gelijk welk tijdstip maatregelen als die van de Ierse regering zou kunnen of mogen vaststellen. De Gemeenschap kan de derde landen enkel toezeggingen doen wanneer elke Lid-Staat rechtens gehouden is deze te respecteren.

    De Ierse maatregelen zijn met name schadelijk geweest voor de onderhandelingen met de USSR — die de doeltreffendheid van de controle van de Gemeenschap over de gemeenschappelijke visserijsector heeft betwist —, met Canada en de Verenigde Staten — die de bevoegdheid der Commissie om internationale visserijakkoorden aan te gaan en de uitvoering ervan te verzekeren, hebben ontkend —, met Noorwegen — dat nieuwe onderhandelingen over de met de Gemeenschap gesloten akkoorden verlangde op grond dat het daardoor tot stand gebrachte evenwicht zou zijn verstoord —, en met bepaalde andere derde landen, die met tegenmaatregelen hebben gedreigd.

    De omstandigheid dat bij de onderhandelingen met derde landen de Gemeenschap zich steeds het recht heeft voorbehouden haar interne regeling aan haar eigen behoeften aan te passen, geeft de afzonderlijke Lid-Staten geenszins de mogelijkheid eenzijdig en zonder goedvinden van de Commissie maatregelen te nemen met zulke ernstige gevolgen als de Ierse maatregelen hebben.

  4. Artikel 2 van verordening nr. 101/76 is ingevolge artikel 189 EEG-Verdrag rechtstreeks toepasselijk. Het verleent aan natuurlijke personen en rechtspersonen rechten waarop voor de nationale rechter een beroep kan worden gedaan. Het gemeenschapsrecht verzet zich ertegen dat een onderdaan van een Lid-Staat wordt veroordeeld op grond van een nationale wet die onverenigbaar is met artikel 2 van verordening nr. 101/76.

  5. De aan het Hof gestelde vragen zouden moeten worden beantwoord als volgt:

    1. Het gemeenschapsrecht en inzonderheid artikel 2 van verordening nr. 101/76 staat eraan in de weg dat een Lid-Staat maatregelen neemt die leiden tot verschillen in behandeling ten opzichte van de vissersvloten van andere Lid-Staten en deze geen gelijke voorwaarden waarborgen ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden in het gehele onder de soevereiniteit of jurisdictie van de betrokken Lid-Staat vallende zeegebied. Een nationale maatregel is onverenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en gelijke voorwaarden, indien zij zonder biologische rechtvaardiging door haar aard en strekking aanzienlijk ingrijpender gevolgen heeft voor de vissersvloten van andere belanghebbende Lid-Staten dan voor de vloot van de Staat die die maatregel neemt.

    2. Het gemeenschapsrecht staat eveneens eraan in de weg dat de Lid-Staten maatregelen op het gebied van de visserij nemen die, gezien de behoeften van de betrokken visbestanden, objectief geen passende en doeltreffende instandhoudingsmaatregelen zijn. Een nationale maatregel die enkel tot een vermindering van de vangsten leidt, is geen instandhoudingsmaatregel. Een selectieve maatregel die enkel een absoluut vangstverbod behelst voor alle soorten vis, door alle schepen boven een bepaalde grootte, gedurende het gehele jaar, voor onbepaalde tijd en in een uitgestrekt, niet met een bepaalde visgrond samenvallend gebied, en die geen beperkingen bevat ten aanzien van de totale vangsthoeveelheid, het totale aantal tot de visserij toegelaten schepen, de maaswijdte of de totale visserijactiviteit, is geen instandhoudingsmaatregel.

    3. Een nationale maatregel op het gebied van de visserij, die geen instandhoudingsmaatregel is of die verder gaat dan voor de instandhouding nodig is, en die de Gemeenschap of haar instellingen belemmert in de uitvoering van de hun door het gemkeenschapsrecht of het gemeenschappelijk beleid toevertrouwde taak, of die een hindernis vormt voor het gezamenlijk optreden der Gemeenschap bij internationale onderhandelingen, is onverenigbaar met het gemeenschapsrecht. Dit is het geval bij een nationale maatregel met een zodanig ruime strekking — hetzij ten aanzien van het betrokken zeegebied, hetzij van het aantal schepen of het aantal soorten, hetzij van de toepassingsperiode of andere toepassingsvoorwaarden —, dat zij, indien zij geldig ware, in de praktijk ernstige moeilijkheden voor de Gemeenschap bij de vervulling van haar opdracht of het voeren van onderhandelingen zou veroorzaken.

III — Mondelinge behandeling

De Ierse minister van Visserij, vervolgende instantie in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door L. J. Lysaght, Chief State Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door N. Fennelly, barrister-at-law; C. A. Schonenberg en de andere verdachten in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door R. Conway, solicitor; de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten deze vertegenwoordigd door G. W. Maas Geesteranus, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Temple Lang, hebben ter terechtzitting van 14 december 1977 mondelinge opmerkingen gemaakt en de vragen van het Hof beantwoord.

Overwegende dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 januari 1978 conclusie heeft genomen;

Ten aanzien van het recht

1 Overwegende dat het District Court for the District Court Area of Cork City (Ierland) bij beschikking van 7 juli 1971, ingekomen ten Hove op 12 juli daaropvolgende, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof drie prejudiciële vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van artikel 7 van het Verdrag, de artikelen 100 tot en met 103 van de Toetredingsakte en de artikelen 2 en 4 van 's Raads verordening nr. 101/76 van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB 1976, L 20, blz. 19), ten einde te kunnen oordelen over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van twee verordeningen van de Ierse minister van Visserij van 16 februari 1977 betreffende de zeevisserij („Sea Fisheries [Conservation and Rational Exploitation] Orders 1977”);

2 Overwegende dat bij die verordeningen in hun onderlinge samenhang aan alle vissersvaartuigen met een geregistreerde lengte van meer dan 33 m en een motorvermogen van meer dan 1 100 pk de uitoefening van de visserij is verboden in een zeegebied gelegen binnen de exclusieve visserijzone van Ierland en begrensd door de parallel van 56o 30' NB, de meridiaan van 12 WL en de parallel van 50o 30' NB;

3 dat blijkens het dossier op 29 april 1977 tien in Nederland geregistreerde trawlers, alle langer en met een groter motorvermogen dan bij de Ierse verordeningen is toegestaan, binnen de in die verordeningen omschreven zone de visserij hebben uitgeoefend;

4 dat een der Nederlandse trawlers, onder schipper C. A. Schonenberg, door een vaartuig van de „Irish Naval Sea Fisheries Protection” is aangehouden en opgebracht naar de haven van Cork, waarheen de negen andere tot dezelfde groep behorende trawlers hem zijn gevolgd;

5 dat de schippers van de tien Nederlandse trawlers thans voor het District Court te Cork worden vervolgd wegens overtreding van de verordeningen van 16 februari 1977;

6 Overwegende dat waar de verenigbaarheid van die verordeningen met het gemeenschapsrecht in geding is gebracht, het District Court het Hof drie prejudiciële vragen heeft gesteld;

7 dat de eerste vraag, ter zake van de uitlegging van artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 2 van verordening nr. 101/76, in samenhang met de artikelen 100 en 101 Toetredingsakte, de nationale rechter in staat moet stellen te oordelen over de verenigbaarheid van de Ierse verordeningen van 16 februari 1977 met het beginsel van de gelijke behandeling, dat ingevolge genoemde bepalingen geldt voor alle vissersvaartuigen varende onder de vlag van één der Lid-Staten en ingeschreven op het grondgebied van de Gemeenschap;

8 dat met de tweede vraag, ter zake van de uitlegging van de artikelen 102 en 103 Toetredingsakte en artikel 4 van verordening nr. 101/76, wordt gevraagd of de Lid-Staten op het betrokken tijdstip nog bevoegd waren instandhoudingsmaatregelen te nemen voor het zeegebied onder hun jurisdictie, dan wel of deze bevoegdheid aan de Raad was voorbehouden;

9 dat het District Court tenslotte wenst te weten of een strafrechtelijke veroordeling mogelijk is indien het op één der eerste vragen te geven antwoord het zou nopen de onverenigbaarheid van de verordeningen van 16 februari 1977 met zekere bepalingen van het gemeenschapsrecht vast te stellen;

10 Overwegende dat de verordeningen van de Ierse minister van visserij van 16 februari 1977 de Commissie aanleiding hebben gegeven beroep wegens niet-nakoming van verdragsverplichtingen in te stellen overeenkomstig artikel 169 EEG-Verdrag, welk beroep voorwerp is van zaak 61/77;

11 dat de in zaak 61/77 onderzochte rechtsproblematiek in wezen identiek is met die welke in de vragen van het District Court aan de orde is gesteld;

12 dat het Hof bij arrest van heden heeft vastgesteld dat Ierland, door de verordeningen van de minister van visserij van 16 februari 1977 in te voeren, zijn uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen;

13 dat mitsdien kan worden volstaan met een verwijzing naar het arrest in zaak 61/77, waarvan de tekst bij dit arrest is gevoegd;

14 dat, gelet op het daarin overwogene, vooreerst op de tweede vraag moet worden geantwoord dat, bij gebreke van passende instandhoudingsmaatregelen van de Gemeenschap krachtens artikel 102 Toetredingsakte en artikel 4 van verordening nr. 101/76, de Lid-Staten op het betrokken tijdstip bevoegd waren tijdelijke maatregelen voor de wateren onder hun jurisdictie te nemen, mits deze aan de vereisten van het gemeenschapsrecht voldeden;

15 dat op de eerste vraag moet worden geantwoord dat artikel 7 EEG-Verdrag, artikel 2 van verordening nr. 101/76 en — voor zover zij in casu relevant zijn — de artikelen 100 en 101 Toetredingsakte eraan in de weg staan dat een Lid-Staat maatregelen neemt als vervat in de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) Order 1977” en de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) (Nr. 2) Order 1977”;

16 dat tenslotte, zoals het Hof in zijn arrest van 21 maart 1972 (zaak 82/71, Italiaans Openbaar Ministerie/S.A.I.L., Jurispr. 1972, blz. 119) reeds heeft te kennen gegeven, een strafrechtelijke veroordeling op grond van een met het gemeenschapsrecht strijdig bevonden nationale wettelijke bepaling eveneens daarmee onverenigbaar is;

Ten aanzien van de kosten

17 Overwegende dat de kosten door de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de regering van de Franse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

18 dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat het District Court te Cork over de kosten heeft te beslissen;

HET HOF VAN JUSTITIE

uitspraak doende op de door het District Court te Cork bij beschikking van 7 juli 1977 gestelde vragen, verklaart voor recht:

  1. bij gebreke van passende instandhoudingsmaatregelen van de Gemeenschap krachtens artikel 102 Toetredingsakte en artikel 4 van verordening nr. 101/76, waren de Lid-Staten op het betrokken tijdstip bevoegd tijdelijke maatregelen voor de wateren onder hun jurisdictie te nemen, mits deze aan de vereisten van het gemeenschapsrecht voldeden.

  2. Artikel 7 EEG-Verdrag, artikel 2 van verordening nr. 101/76 en — voor zover zij in casu relevant zijn — de artikelen 100 en 101 Toetredingsakte staan eraan in de weg dat een Lid-Staat maatregelen neemt als vervat in de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) Order 1977” en de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) (Nr. 2) Order 1977”.

  3. Een strafrechtelijke veroordeling op grond van een met het gemeenschapsrecht strijdig bevonden nationale wettelijke bepaling is eveneens daarmee onverenigbaar.

Kutscher

Sørensen

Bosco

Donner

Pescatore

Mackenzie Stuart

O'Keeffe

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op zestien februari negentienhonderdachtenzeventig.

De griffier

A. Van Houtte

De president

H. Kutscher