Steun die op de hiernavolgende voorwaarden aan de Duitse landbouwproducenten wordt verleend, kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd.
Hof van Justitie EU 13-06-1978 ECLI:EU:C:1978:126
Hof van Justitie EU 13-06-1978 ECLI:EU:C:1978:126
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 13 juni 1978
Uitspraak
In de zaak 139/77,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Münster, in het aldaar aanhangig geding tussen
DENKAVIT FUTTERMITTEL GMBH
enFINANZAMT WARENDORF,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: H. Kutscher, president, M. Sørensen, kamerpresident, A. M. Donner, P. Pescatore, A. J. Mackenzie Stuart, A. O'Keeffe en A. Touffait, rechters,
advocaat-generaal: G. Reischl griffier: A. Van Houtte
het navolgende
ARREST
Ten aanzien van de feiten
Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — Feiten en procesverloop
1. Toen de regering van de Bondsrepubliek Duitsland op 24 oktober 1969 het besluit nam de DM met ingang van 27 oktober 1969 met 8,5 % te revalueren ten opzichte van de officiële pariteit, stonden de Bondsrepubliek en de Gemeenschap voor het probleem, hoe de inkomstenverliezen voor de Duitse landbouw als gevolg van de koppeling der Europese landbouwprijzen aan een gemeenschappelijke rekeneenheid moesten worden gecompenseerd.
2. De Duitse autoriteiten en de Commissie raamden na gemeenschappelijk overleg de uit de revaluatie voortvloei ende inkomstenverliezen voor de Duitse landbouw op 1,7 miljard DM per jaar. Om deze verliezen te compenseren machtigde de Raad bij verordening (EEG) nr. 2464/69 van 9 december 1969 (PB L 312 van 12. 12. 1969, blz. 4) de Bondsrepubliek, vanaf 1 januari 1970 rechtstreekse steun aan de landbouwproducenten te verlenen, waarbij het EOGFL in de financiering zou bijdragen.
3. Artikel 1, leden 1 tot en met 3 van verordening (EEG) nr. 2464/69 luidt als volgt:
„1.2.De steun kan worden verleend tot een bedrag van DM 1,7 miljard voor elk der begrotingsjaren 1970 tot en met 1973. De Gemeenschap draagt op degressieve wijze en overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 bij in de financiering van de steun.
3.De steun kan worden verleend in de vorm van rechtstreekse steun aan de landbouwproducent, voorzover deze niet wordt bepaald op grond van de prijs of de hoeveelheid van het produkt.
Deze rechtstreekse steun kan gedeeltelijk worden verleend in de vorm van een voorschot dat de landbouwproducent ontvangt bij de verkoop van zijn produkten en dat beperkt is tot ten hoogste 3 % van de verkoopprijs; deze steun kan hetzij door de koper, hetzij door een daartoe door de bevoegde nationale autoriteiten aan te wijzen instantie worden betaald.”
4. Bij beschikking van de Raad van 21 januari 1974 (op 24 januari 1974 aan de Bondsrepubliek betekend, maar niet gepubliceerd) werd de in laatstgenoemd lid van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2464/69 toegelaten maatregel aldus verlengd en gewijzigd, dat de Bondsrepubliek Duitsland „tijdelijk gemachtigd werd, de landbouwproducenten steun te verlenen in de vorm van een compensatie, die de landbouwproducent ontvangt bij de verkoop van zijn produkten en die beperkt is tot ten hoogste 3 % van de verkoopprijs”. Evenals in de verordening wordt voorgeschreven, kan de aldus gewijzigde steun „hetzij door de koper, hetzij door een daartoe door de bevoegde nationale autoriteiten aan te wijzen instantie worden betaald”.
5. Op grond van verordening (EEG) nr. 2464/69 stelde de Duitse wetgever op 23 december 1969 het Aufwertungsausgleichgesetz (Revaluatievereveningswet) vast, waarvan artikel 4 de landbouw- en bosbouwbedrijven in de zin van § 24, lid 2, Umsatzsteuergesetz (Wet op de omzetbelasting) juncto § 51 Bewertungsgesetz (Taxatiewet) toe stond, de verschuldigde omzetbelasting (belasting over de toegevoegde waarde) met 3 % te korten. Om als landbouwbedrijven in de zin van deze laatste bepalingen te gelden, moeten veefokkerijen en veehouderijen over een bepaald agrarisch geëxploiteerd areaal beschikken en een bepaalde verhouding tussen dit areaal en de veestapel aantonen.
6. Behalve op de vervaardiging van veevoeder legt verzoekster in het hoofdgeding zich toe op het mesten van kalveren met door haarzelf vervaardigde melksurrogaten. Zij koopt daartoe ongeveer een week oude kalveren aan en verkoopt deze na ze vier maanden te hebben gemest aan slachtbedrijven. Daar verzoekster niet over agrarisch bruikbaar areaal beschikt, is zij in de zin van het Duitse belastingrecht geen landbouwbedrijf, maar een industrieel bedrijf.
7. Verzoekster had in 1974 door de verkoop van mestkalveren een omzet van in totaal DM 21 394 474,21. In haar belastingaangifte over dit jaar verzocht zij overeenkomstig artikel 4 Aufwertungsausgleichgesetz om steun voor een bedrag van DM 641 834,24 (dat wil zeggen 3 % van haar omzet). Bij beschikking van 26 maart 1976 wees het Finanzamt Warendorf, verweerder in het hoofdgeding, het verzoek af, op grond dat verzoekster in de zin van het Duitse belastingrecht een industrieel en niet een agrarisch bedrijf exploiteerde.
8. Na de afwijzing van haar bezwaarschrift tegen deze beschikking, stelde verzoekster bij het Finanzgericht Münster het beroep in, dat in het hoofdgeding wordt behandeld.
9. Bij beschikking van 26 september 1977 besloot het Finanzgericht Münster de procedure te schorsen en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag te verzoeken, uitspraak te doen over de navolgende prejudiciële vragen:
Omvat het communautaire rechtsbegrip, landbouwproducent' in artikel 1, leden 1 en 3 van verordening (EEG) nr. 2464/69 ook de industriële veefokker/veehouder in de zin van het Duitse belastingrecht?
Zo ja:
Moeten de artikelen 39, 40, lid 3, tweede alinea, van het EEG-Verdrag, artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2464/69 van de Raad, alsook eventuele verdere bepalingen van het gemeenschapsrecht aldus worden uitgelegd, dat het de Bondsrepubliek Duitsland, lid van de EEG, als adressaat van verordening (EEG) nr. 2464/69 verboden is om, ingeval er ter compensatie van de revaluatie voor onder de marktordeningen vallende landbouwprodukten rechtstreekse steun wordt verleend, bepaalde groepen van landbouwproducenten — in casu de industriële veehouders en veefokkers in de zin van het Duitse belastingrecht —, van de steunverlening uit te sluiten?
Is dit verbod op nationaal niveau in dier voege rechtstreeks toepasselijk, dat de individuele marktdeelnemer het voor de nationale rechter kan inroepen?”
10. Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Samenvatting van de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende opmerkingen
A — Opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding
Inleidende opmerkingen
Op grond van een onderzoek naar de relevante bepalingen van het Duitse belas tingrecht concludeert verzoekster in het hoofdgeding, dat in de praktijk slechts zij die maximaal vijftig mestkalveren per jaar per hectare produceren als agrarische kalvermesters in de zin van deze bepalingen moeten worden beschouwd.
Op structureel en economisch gebied bestaan er in de zin van het Duitse belastingrecht echter geen verschillen tussen de industriële kalvermesterij enerzijds en de agrarische kalvermesterij anderzijds. Zowel de „agrarische” kalvermester als de „industriële” kalvermester moet de jonge kalveren van kalverfokkers kopen en het melksurrogaat van een fabrikant betrekken. Beiden hebben tussen de 100 en 250 jonge kalveren gelijktijdig op stal. Het agrarisch bruikbaar areaal van de „agrarische” mester is voor de kalvermesterij van geen belang, het kan slechts voor andere activiteiten worden gebruikt (b.v. verbouw van graan, van wijn, enz.).
De aankoopprijzen van jonge kalveren en de verkoopprijzen van mestkalveren hangen af van de marktverhoudingen die op hun beurt op doorslaggevende wijze worden beïnvloed door de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB 1968, L 148, blz. 24) en — wat het diervoeder betreft — gedeeltelijk door de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB 1968, L 148, blz. 13). Vorengenoemde prijzen zijn derhalve afhankelijk van het landbouwprijsbeleid.
Verzoekster in het hoofdgeding betoogt ten slotte met behulp van cijfervoorbeelden dat de agrarische kalvermester op grond van artikel 4 Aufwertungsausgleichgesetz, juncto § 24, lid 2, Umsatzsteuergesetz in vergelijking met de industriële kalvermester bij een gelijke bruto verkoopprijs een hogere opbrengst' heeft.
De door het Finanzgericht Münster gestelde vragen
Verzoekster in het hoofdgeding betoogt, dat het begrip „landbouwproducent” in verordening (EEG) nr. 2464/69, — een verbindende en rechtstreeks toepasselijke verordening van de Raad, waarbij machtiging wordt verleend tot maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (artikel 3, lid 3) —, inhoudelijk door het gemeenschapsrecht moet worden bepaald.
Op grond van een analyse van de tekst van artikel 37, lid 4, en van de artikelen 40, 42, 43 en 45 van het Verdrag, concludeert zij, dat „landbouwproducenten” in de zin van het gemeenschapsrecht producenten van landbouwprodukten zijn.
Artikel 38, lid 1, tweede zin, EEG-Verdrag omschrijft de landbouwprodukten: dit zijn de voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij alsmede de produkten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden. Deze produkten zijn overeenkomstig artikel 38, lid 3, EEG-Verdrag vermeld in een lijst die als bijlage II aan het Verdrag is gehecht, of later aan deze lijst toegevoegd.
Het begrip „landbouwproducent” in de zin van het gemeenschapsrecht heeft derhalve betrekking op de vervaardiging van een bepaald produkt, doch niet op de wijze van vervaardiging.
Hieruit volgt dat kalvermesters „landbouwproducenten” in de zin van het gemeenschapsrecht zijn, zonder dat het van belang is, om welke redenen, met welke middelen en in welke rechtsvorm de kalvermesterij wordt verricht. Het begrip landbouwproducenten in de zin van het gemeenschapsrecht omvat derhalve mede de industriële kalvermesterij.
Het nationale recht vermag aan deze eenvormige communautaire definitie niets te wijzigen. Met name wordt de Bondsrepubliek Duitsland in verordening (EEG) nr. 2464/69 noch uitdrukkelijk noch indirect gemachtigd, het ingevolge het gemeenschapsrecht te bepalen begrip „landbouwproducent” aan de hand van nationale rechtsopvattingen of -tradities te wijzigen. Dit geldt te meer, daar de Gemeenschap overeenkomstig artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2464/69 in de financiering van de steun heeft bijgedragen. Met verordening nr. 2464/69 heeft de Raad veeleer een regeling willen treffen en getroffen, die tot een compensatie van de revaluatie leidt voor alle produkten die onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid — en daarmee ook onder het landbouwprijsbeleid — vallen en waarbij de revaluatie van de DM in het kader van de gemeenschappelijke landbouwmarkt inkomstenverliezen heeft teweeggebracht.
Wanneer artikel 4, lid 1, Aufwertungsausgleichgesetz onder verwijzing naar artikel 24, lid 2, Umsatzsteuergesetz en artikel 51 Bewertungsgesetz de verevening van de revaluatie beperkt tot bedrijven met een landbouwareaal, dan is dit derhalve een nationale maatregel, die afwijkt van de inhoud der machtiging in verordening (EEG) nr. 2464/69.
Zelfs al zou bij het voorbereidend overleg de bedoeling hebben bestaan, de industriële veehouderij en veefokkerij in de zin van het Duitse belastingrecht uit te sluiten van de compensatieregeling ingevolge het Aufwertungsausgleichgesetz, zou een dergelijke bedoeling voor de uitlegging van de verordening van geen belang zijn, daar zij in de definitieve tekst van verordening (EEG) nr. 2464/69 niet tot uitdrukking is gekomen (vgl. arrest van het Hof van 18 februari 1970 in de zaak 38/69, Commissie tegen Italiaanse Republiek, Jurispr. 1970, blz. 47; zie blz. 58).
Naar de mening van verzoekster in het hoofdgeding moet de eerste prejudiciële vraag van het Finanzgericht Münster als volgt worden beantwoord:
„‚Landbouwproducenten’ in de zin van artikel 1, leden 1 en 3 van verordening (EEG) nr. 2464/69 zijn producenten van landbouwprodukten in de zin van artikel 38, leden 2 en 3, EEG-Verdrag juncto lijst II van de bijlage bij het EEG-Verdrag, ongeacht de vraag, of en naar welke criteria het nationale recht deze producenten als ‚landbouw’- of ‚industriële’ producenten beschouwt.”
Verzoekster in het hoofdgeding is van mening, dat deze vragen ook van belang zijn, wanneer de eerste vraag onverhoopt niet bevestigend wordt beantwoord. In dat geval zou de Bondsrepubliek Duitsland namelijk verplicht zijn, in het kader van de communautaire voorschriften van de machtiging van verordening nr. 2464/69 een zodanig gebruik te maken, dat ook verzoekster als industrieel veemester in het genot van de verevening der revaluatie komt.
Verzoekster in het hoofdgeding wijst erop, dat de gemeenschappelijke ordening zich ingevolge artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag moet beperken tot het nastreven van de in artikel 39 EEG-Verdrag genoemde doeleinden en elke discriminatie tussen producenten van de Gemeenschap moet uitsluiten. Voor de handel en het mesten van kalveren bestaat de „gemeenschappelijke ordening” van de markt in de sector rundvlees. Onder de werkingssfeer van deze verordening vallen als landbouwproducenten alle veehouders, met inbegrip van de Duitse industriële veehouders en veefokkers. Daarmee geniet ook verzoekster de bescherming van het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag.
Hiervan uitgaande betoogt verzoekster in het hoofdgeding met name, dat het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, ook van toepassing is op producenten van een en dezelfde Lid-Staat, en niet alleen de gemeenschapswetgever bindt, maar ook de Lid-Staten bij de uitoefening van hun in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid verleende bevoegdheden; deze opvatting werd in de zaak 50/76 (Amsterdam Bulb NV, Jurispr. 1977, blz. 137) door de Commissie en de advocaat-generaal verdedigd.
'In casu werd verordening (EEG) nr. 2464/69 vastgesteld als een maatregel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; daarom mocht zij door de Bondsrepubliek Duitsland slechts worden toegepast en uitgevoerd met inachtneming van het communautaire discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag.
Verzoekster in het hoofdgeding beklemtoont de bijzonder sterke werking van het discriminatieverbod bij ongelijke behandeling van gelijke produkten. Dit verbod vloeit rechtstreeks voort uit artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag, dat „elke discriminatie tussen producenten” verbiedt.
In het onderhavige geval gaat het om een ongelijke behandeling van kalvermesters, dus van producenten van gelijke landbouwprodukten, die bestaat hoewel er op structureel en economisch gebied geen onderscheid tussen de „agrarische” en de „industriële” kalvermesterij is.
Nederland, waaraan bij verordening (EEG) nr. 3141/73 van de Raad van 19 november 1973 (PB L 321, blz. 1) ten gevolge van de revaluatie van de Nederlandse gulden een soortgelijke machtiging als die van verordening (EEG) nr. 2464/69 werd verleend, heeft hiervan gebruik gemaakt met inachtneming van het communautaire discriminatieverbod.
Terloops betwist verzoekster in het hoofdgeding de beslissing van het Bundesverfassungsgericht van 8 december 1970 (waarnaar wordt verwezen in de verwijzingsbeschikking) betreffende de toepassing van het gelijkheidsbeginsel op het gebied van het Aufwertungsausgleichgesetz.
Volgens verzoekster in het hoofdgeding is het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, tweede alinea een norm, waarop de particulier zich voor de nationale rechter kan beroepen. Dit geldt niet alleen bij een schending van het discriminatieverbod door maatregelen van de gemeenschapsinstellingen, maar ook bij een schending van dit voorschrift door wettelijke maatregelen, welke door de Lid-Staten worden getroffen ter uitvoering van een gemeenschapsrechtelijke machtiging in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Geconcludeerd moet worden, dat de Bondsrepubliek Duitsland, door aan industriële veehouders/veefokkers geen compensatie voor de revaluatie te verlenen, het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag heeft geschonden en dat dit verbod in het nationale recht rechtstreeks toepasselijk is.
Verzoekster in het hoofdgeding merkt op, dat de verwijzende rechter in zijn beschikking ook om uitlegging vraagt van „eventuele verdere bepalingen van het gemeenschapsrecht” met het oog op de uitvoering van verordening (EEG) nr. 2464/69 in de vorm van het Duitse Aufwertungsausgleichgesetz. Tot deze „verdere bepalingen” behoren de doeleinden en de werking van de marktordening in de sector rundvlees (verordening (EEG) nr. 805/68).
De doelstellingen en de werking van deze ordening worden met name in gevaar gebracht door nationale maatregelen die invloed kunnen uitoefenen op de marktomstandigheden.
Dit geldt in het bijzonder, wanneer de Lid-Staten door nationale rechtsvoorschriften ingrijpen in het prijsvormingsmechanisme van de gemeenschappelijke marktordeningen (vgl. arrest van het Hof in de zaak 31/74, Galli, Jurispr. 1975, blz. 47).
De bevoegdheid tot het treffen van specifieke maatregelen, die ingrijpen in het prijsvormingsproces, valt daarentegen uitsluitend aan de Gemeenschap toe.
De Bondsrepubliek Duitsland heeft in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees ingegrepen in het prijsvormingsproces, door in het Aufwertungsausgleichgesetz slechts voor agrarische kalvermesters een korting van de belasting over de toegevoerde waarde met 3 % te voorzien, terwijl zij deze lastenverlichting onthield aan de industriële kalvermesters zoals verzoekster. Daardoor wijzigt zij tegelijkertijd de mededingingsvoorwaarden ten nadele van de industriële kalvermesters. Bovendien maakt de Bondsrepubliek Duitsland door deze regeling inbreuk op het beginsel van artikel 40, lid 3, derde alinea, volgens het- welk een gemeenschappelijk prijsbeleid voor landbouwprodukten ook op gemeenschappelijke criteria en op eenvormige berekeningswijzen moet berusten.
Verzoekster in het hoofdgeding wijst erop, dat zij reeds een standpunt heeft ingenomen betreffende het in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2464/69 gehanteerde begrip „landbouwproducent”. Dit is een begrip met een communautaire inhoud, die betrekking heeft op het produkt en industriële veehouders/ veefokkers mede omvat.
Hoewel het bij verordening (EEG) nr. 2464/69 om een machtiging gaat, moet de Bondsrepubliek Duitsland, voor zover zij van de machtiging gebruik maakt, de communautaire inhoud die door de verordening is vastgelegd, eerbiedigen.
Tot staving van haar stelling voert verzoekster in het hoofdgeding met name de volgende argumenten aan:
-
Verordening (EEG) nr. 2464/69 was, gezien haar inhoud, noodzakelijk doordat in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de prijzen in rekeneenheden worden vastgesteld. Zij is daardoor niet alleen en bestanddeel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar moet ook binnen het bestek van de afzonderlijke ordeningen der landbouwmarkten blijven.
-
Verordening (EEG) nr. 2464/69 machtigt weliswaar tot de verlening van „steun”, doch materieel gaat het minder om steun in de zin van nationale en kosteloze subsidies, dan om een correctie op de daling van de in DM uitgedrukte landbouwprijzen. Deze correctie moet per produkt en zonder beïnvloeding van de mededinging worden toegepast en dient betrekking te hebben op alle produkten van een marktordening, waarvan de prijzen direct of indirect beïn- vloed waren.
-
In artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2464/69 wordt de machtiging van „de hiernavolgende voorwaarden” afhankelijk gesteld. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht, dat de Bondsrepubliek niet vrij is in de regeling van de revaluatieverevening, maar zich aan de voorwaarden van de verordening moet houden. Een dezer voorwaarden wordt genoemd in artikel 1, lid 3, van de verordening, volgens hetwelk de steun
„gedeeltelijk kan worden verleend in de vorm van een voorschot dat de landbouwproducent ontvangt bij de verkoop van zijn produkten en dat beperkt is tot ten hoogste 3 % van de verkoopprijs …”
Zoals verordening (EEG) nr. 974/71 alle vragen betreffende de heffingsgrondslag, de voorwaarden voor de aanslag en het bedrag der heffing heeft geregeld, zo stelt ook verordening nr. 2464/69 bindend de voorwaarden voor de toekenning van de revaluatieverevening vast. Het verbindend karakter vloeit overigens voort uit de aard van de rechtshandeling als verordening.
-
De bindende kracht volgt voorts op doorslaggevende wijze uit de bijdrage van de Gemeenschap in de financiering van de compensatie via het Europese Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Garantie (artikel 1, lid 1, artikel 2 van verordening nr. 2464/69). Het Fonds is bestemd voor de financiering van maatregelen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
De aanleiding, de inhoud, de tekst, de machtiging, de rechtsvorm en de financiering van verordening (EEG) nr. 2464/69 zijn derhalve zo sterk doortrokken van de Gemeenschap en het gemeenschapsrecht, dat de bindende kracht van de verordening en met name van artikel 1 daarvan buiten kijf staat.
Nadat de Bondsrepubliek gebruik had gemaakt van de haar in artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2464/69 verleende machtiging, had zij niet mogen afwijken van de tekst, het doel en de inhoud van deze verordening. Zij had zich strikt binnen de perken dezer verordening moeten houden, daar zij sinds 1 januari 1970 elke bevoegdheid tot zelfstandige regelingen op het gebied van de gemeenschappelijke ordeningen in de landbouw miste. Verzoekster in het hoofdgeding verwijst in dit verband naar 's Hofs arrest van 25 mei 1977 (zaak 77/76, Cucchi, Jurispr. 1977, blz. 987).
Dit toont aan, dat de Bondsrepubliek Duitsland bij de hantering van de machtigingsnorm gebonden was aan het begrip „landbouwproducent” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2464/69 en derhalve in de zin van het communautaire landbouwrecht; zij had derhalve per produkt en zonder beïnvloeding van de mededinging alle ondernemingen onder de regeling moeten brengen, die produkten fabriceren of verhandelen, waarvan de prijs door het prijsmechanisme van de gemeenschappelijke marktordening bepaald of althans beïnvloed wordt.
Verzoekster in het hoofdgeding stelt derhalve voor, de vragen 2 en 3 van het Finanzgericht Munster als volgt te beantwoorden :
„De artikelen 39, 40, lid 3, tweede alinea EEG-Verdrag, de bepalingen betreffende de doelstellingen en de werking van verordening (EEG) nr. 805/68 alsmede artikel 1 van verordening nr. 2464/69 moeten aldus worden uitgelegd, dat op het gebied van de veehouderij per produkt voor elk dier een lastenverlichting op grond van het Aufwertungsausgleichgesetz wordt genoten, zodat de genoemde bepalingen de Bondsrepubliek Duitsland verbieden om, in geval er ter compensatie van de revaluatie voor onder de marktordeningen vallende landbouwprodukten rechtstreeks steun wordt verleend, bepaalde groepen van landbouwproducenten van de uitzonderingsregeling uit te sluiten, zonder dat het van belang is, of de producenten volgens het Duitse belastingrecht als industriële of agrarische veehouders/veefokkers worden gekwalificeerd.
De genoemde bepalingen zijn op nationaal niveau rechtstreeks toepasselijk, zodat de marktdeelnemer deze voor de nationale rechter kan inroepen.”
B — Opmerkingen van verweerder in het hoofdgeding
Verweerder in het hoofdgeding betoogt, dat de wetgever op grond van verordening (EEG) nr. 2464/69 de regelingsbevoegdheid bezat, de in deze verordening voorziene steun voor de „landbouwproducenten” te beperken tot een gedeelte van de producenten van landbouwprodukten.
Deze machtiging stelde slechts het kader vast, waarbinnen de Duitse wetgever kon optreden. Dit blijkt uit het feit, dat de Raad bij de regeling van de verevening van de revaluatie eenvoudig van een aanbeveling gebruik maakte.
De rechtsvorm van de — verbindende — verordening is blijkbaar slechts gekozen, omdat verordening (EEG) nr. 2464/69 naast de — onverbindende — aanbeveling ook verbindende bepalingen bevat. Zoals uit de considerans blijkt, betreft het verbindende karakter de beperking ratione temporis. De Duitse wetgever was niet verplicht, gebruik te maken van de machtiging, noch het door de machtiging vastgestelde kader volledig te benutten. In het kader van de machtiging kon de Duitse wetgever zowel in materieel opzicht als naar tijdsduur differentiaties aanbrengen, zo lang deze niet willekeurig waren.
De gedifferentieerde beperking van de Duitse wetgever berust op gronden van sociaal en structureel beleid, die dienen ter bescherming van de landbouwproducent die afhankelijk is van een areaal. Deze differentiatie is niet typisch Duits, want ook de overige Lid-Staten van de Gemeenschap kennen de nationale afbakening tussen landbouwbedrijven en industriële producenten van landbouwprodukten.
C — Opmerkingen van de Commissie
Inleidende opmerkingen
De Commissie wijst erop, dat in de verwijzingsbeschikking uitdrukkelijk alleen sprake is van verordening (EEG) nr. 2464/69. Aangezien de daarin verleende machtiging echter slechts tot en met 1973 heeft gegolden en het hoofdgeding betrekking heeft op de aftrek van de belasting over de toegevoerde waarde over 1974, gaat het eigenlijk niet om de tekst van verordening (EEG) nr. 2464/69, maar om de beschikking van de Raad van 21 januari 1974. In feite maakt dit echter geen verschil, omdat ook de beschikking van 21 januari 1974 steeds slechts het begrip „landbouwproducent” hanteert.
De eerste vraag
Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2464/69, waarin sprake is van „landbouwproducenten” en niet, zoals in artikei 38, lid 1, en artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag, van „producenten van landbouwprodukten”, biedt volgens de Commissie reeds bepaalde aanknopingspunten voor de stelling, dat industriële producenten niet onder de steunregeling zouden moeten vallen. Wel moet worden toegegeven, dat de tekst alleen niet volstaat, om een dergelijke conclusie met voldoende zekerheid te trekken.
De Commissie herhaalt de argumentatie in haar opmerkingen in de zaak 85/77, Avicola, dat een communautaire definitie van „landbouwbedrijf” niet bestaat, en verdedigt de opvatting, dat het begrip „landbouwproducent” slechts kan worden bepaald aan de hand van het door een regeling nagestreefde doel en van de algehele samenhang waarin de regeling werd vastgesteld.
Verordening (EEG) nr. 2464/69 had ten doel, de netto inkomstenverliezen, die de Duitse landbouw door de revaluatie van de DM had geleden, zoveel mogelijk te compenseren. Reeds tijdens de buitengewone zitting van de Raad van 27 oktober 1969 te Luxemburg was er volgens het slotcommuniqué slechts sprake van steun voor de Duitse „landbouwers”. Daar het slechts ging om de compensatie van de nettoverliezen, werd ook wel degelijk rekening gehouden met de positieve gevolgen van de revaluatie, onder andere de prijsdalingen van ingevoerd diervoeder, mest en andere exploitatiemiddelen.
De compensatie had bovendien ook een specifiek sociaal cachet: verhinderd moest worden dat een bevolkingsdeel dat overwegend uit kleine of middelgrote landbouwbedrijven bestond en zich wegens zijn structuur en zijn afhankelijkheid van de opbrengsten van de bodem en de weersgesteldheid slechts zeer langzaam aan een plotselinge daling van de prijzen voor landbouwprodukten kan aanpassen, een plotseling inkomstenverlies van bijna 10 % (de revaluatie bedroeg 9,29 %) zou lijden.
Ook de ontstaansgeschiedenis van verordening nr. 2464/69 toont aan, dat de Gemeenschap in het betrokken geval het begrip „landbouwproducent” strikt, in een met het Duitse belastingrecht vergelijkbare zin, wilde verstaan. De Bondsrepubliek Duitsland heeft vanaf het begin duidelijk gemaakt, dat zij de steun beperkt wilde zien tot landbouwbedrijven in de zin van het Duitse belastingrecht. Bij de raming van de verliezen van de Duitse landbouw, die in de considerans bij de verordening is opgenomen, wordt slechts uitgegaan van landbouwbedrijven in deze zin. Blijkens het proces-verbaal van de 93e zitting van de Raad van 9 december 1969 heeft ook de heer Mansholt, als bevoegd lid van de Commissie, zich op desbetreffende vragen in deze zin uitgelaten.
De tekst, de ontstaangeschiedenis en het doel van verordening nr. 2464/69 pleiten er derhalve voor, het in artikel 1 van deze verordening gehanteerde begrip „landbouwproducent” strikt in de eigenlijke zin van het woord uit te leggen, dat wil zeggen industriële veefokkers of veehouders niet onder dit begrip te laten vallen.
De tweede vraag
Volgens de Commissie is deze vraag slechts gesteld voor het geval dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord. Zelfs in dit geval volgt noch uit artikel 1 van verordening nr. 2464/69 noch uit de artikelen 39 en 40, lid 3, EEG-Verdrag een verbod voor de Bondsrepubliek Duitsland, bepaalde groepen van landbouwproducenten van de beoogde steunregeling uit te sluiten.
Enerzijds bevat de verordening slechts een machtiging en stelt zij deze steun geenszins verplicht. Wanneer derhalve de Bondsrepubliek in het hier veronderstelde geval de haar verleende machtiging niet volledig heeft benut, dan is dat vanuit een oogpunt van gemeenschapsrecht niet laakbaar.
Voor zover voor de Bondsrepubliek uit artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag een communautaire verplichting was ontstaan om ook industriële veehouders in de regeling te betrekken, zouden anderzijds ook de gemeenschapsinstellingen aan een analoge verplichting onderworpen zijn geweest. Het zou derhalve juist zijn, te onderzoeken of in de reeds door de Raad besloten beperking van de machtiging betreffende de steun tot „landbouw”-producenten een schending van artikel 40, lid 3 schuilt.
De Commissie verzet zich tegen alle pogingen van verzoekster in het hoofdgeding, op artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag een ander begrip van gelijke behandeling in dezelfde Lid-Staat te baseren als dat van artikel 3 Grundgesetz (en daarmee de uitspraak van het Bundesverfassungsgericht van 8 december 1970 — BVerfGe 29, blz. 337 — betreffende het Aufwertungsausgleichgesetz terzijde te stellen). Volgens de Commissie zegt het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3 uiteindelijk niets anders dan artikel 3 Grundgesetz: gelijke of vergelijkbare situaties mogen niet ongelijk worden behandeld.
Naar de mening van de Commissie zijn landbouwers sterker getroffen door de gevolgen van de revaluatie dan industriële veehouders. De landbouwer, die zijn eigen grond exploiteert, dekt zijn behoefte aan diervoeder in de regel althans gedeeltelijk uit eigen produktie. Hij kan derhalve minder gemakkelijk overstappen op door de revaluatie goedkoper geworden importvoeder.
De Raad mocht stellig in aanmerking nemen, dat industriële bedrijven ook nog om andere redenen als de prijsverlaging van geïmporteerd voeder begunstigd waren en daardoor geen behoefte aan steun hadden. Verzoekster biedt in dit verband zonder meer een klassiek voorbeeld. De veehouderij vormt slechts een gedeelte van haar economisch bestaan. Zij kan deze aanvullende bron van inkomsten naar gelang van de markt omstandigheden en de prijzen veel gemakkelijker uitbreiden of inkrimpen dan een landbouwer die afhankelijk is van de opbrengsten van zijn grond en van het klimaat. Daardoor is zij bij het organiseren van haar economische activiteiten flexibeler en wordt zij minder getroffen door een gebeurtenis die de prijzen van landbouwprodukten beïnvloedt, zoals een revaluatie.
Het is mogelijk dat niet alle industriële bedrijven zich in een even gunstige concurrentiepositie bevonden als verzoekster. Bij de vaststelling van verordening nr. 2464/69 mocht echter ervan worden uitgegaan, dat industriële veehouders een aantal specifieke voordelen op de markt bezaten, die tezamen met de prijsverlaging van geïmporteerd diervoeder aantoonden dat zij in het algemeen geen behoefte aan steun hadden. Indien de steun ook voor deze groep van producenten zou hebben gegolden, hadden industriële producenten in andere Lid-Staten, die niet profiteerden van een prijsverlagend revaluatieëffect, zulks mogelijkerwijze zelfs als discriminatie ervaren.
Het was volgens de Commissie derhalve rechtmatig, althans niet willekeurig, om de groep van industriële veehouders en -fokkers in het algemeen uit te sluiten van de in verordening nr. 2464/69 voorziene steun. Artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag is dan ook niet geschonden.
De derde vraag
De Commissie is van mening dat deze vraag zuiver hypothetisch is. Zij moet overigens ontkennend worden beant-. woord. Het Hof van Justitie heeft namelijk reeds in de gevoegde zaken 117/76 en 16/77 (Ruckdeschel, arrest van 19 oktober 1977) beslist, dat de onverenigbaarheid van een gemeenschapsregeling op landbouwgebied met het gelijkheidsbeginsel niet noodzakelijkerwijze ertoe leidt, dat de betrokkene tegen de nationale instanties een rechtstreekse aanspraak heeft op de toekenning van de voordelen, waarvan hij door de gemeenschapsregeling werd uitgesloten. In dit geval staat het veeleer aan de instellingen der Gemeenschap, de nodige maatregelen te nemen om deze onverenigbaarheid op te heffen.
De Commissie stelt voor, de vragen van het Finanzgericht Munster als volgt te beantworden:
Het begrip landbouwproducent' in verordening (EEG) nr. 2464/69 van de Raad van 9 december 1969 omvat niet de industriële veefokkers of veehouders.
Ingeval het Hof het noodzakelijk acht, ook de vragen 2 en 3 te beantwoorden, moeten deze antwoorden ongeveer als volgt luiden:
Noch de bepalingen van het Verdrag, noch artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2464/69 respectievelijk artikel 1 van de beschikking van' de Raad van 21 januari 1974 hebben de Bondsrepubliek Duitsland verboden, industriële veehouders of veefokkers uit te sluiten van de steun, waarmee het uit de revaluatie van de Duitse mark van 29 oktober 1969 ontstane inkomstenverlies van de Duitse landbouw moest worden gecompenseerd.
Artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag kan in de onderhavige situatie niet aldus worden uitgelegd, dat het aan particulieren een recht op toekenning van belastingaftrek verleent, waarop zij zich voor de nationale rechter rechtstreeks kunnen beroepen.”
III — Mondelinge behandeling
Verzoekster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat te Keulen, en de Commissie, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P. Karpenstein, zijn ter terechtzitting van 13 april 1978 in hun mondelinge opmerkingen gehoord.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 11 mei 1978 conclusie genomen.
Ten aanzien van het recht
1 Overwegende dat het Finanzgericht Münster bij beschikking van 26 september 1977, ingekomen ten Hove op 16 november 1977, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een aantal vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van het begrip „landbouwproducent” alsmede van de artikelen 39 en 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag en van enige bepalingen van 's Raads verordening nr. 2464/69 van 9 december 1969 betreffende de ingevolge de revaluatie van de Duitse mark op landbouwgebied te nemen maatregelen (PB 1969, L 312, blz. 4);
2 dat blijkens de stukken het hoofdgeding is ontstaan naar aanleiding van de afwijzing door het Finanzamt Warendorf, verweerder in het hoofdgeding, van een verzoek om steun uit hoofde van de krachtens genoemde verordening vastgestelde Duitse wet, ingediend door verzoekster in het hoofdgeding, die zich behalve op de produktie van veevoeder toelegt op het mesten van kalveren met door haarzelf vervaardigde melksurrogaten;
dat verweerder in het hoofdgeding zijn afwijzende beschikking grondde op het feit dat verzoekster in het hoofdgeding niet over landbouwareaal voor de kalvermesterij beschikte en derhalve geen landbouwbedrijf in de zin van het Duitse belastingrecht, waarnaar genoemde wet verwijst, maar een industrieel bedrijf vormde;
3 dat voor de beantwoording van de gestelde vragen in de eerste plaats de oorsprong en de inhoud van de gemeenschapsregeling en, voor zover uit de stukken blijkt, van de betrokken nationale wettelijke regeling dienen te worden onderzocht;
4 Overwegende dat de regering van de Bondsrepubliek Duitsland bij besluit van 24 oktober 1969 de Duitse mark met ingang van 27 oktober 1969 met 8,5 % ten opzichte van de officiële pariteit heeft gerevalueerd;
dat de Duitse regering en de Gemeenschap zich toen gesteld zagen voor het probleem van de compensatie van de voor de Duitse landbouw — met name voor de Duitse producenten van landbouwprodukten zoals granen en zuivelprodukten, waarvoor een interventieregeling bestond — ontstane inkomstenverliezen doordat de Europese landbouwprijzen waren uitgedrukt in een gemeenschappelijke rekeneenheid die, als gevolg van de revaluatie, in vergelijking met de nationale munteenheid werd gedevalueerd;
dat de Raad in aansluiting op een vergadering van 9 december 1969 verordening nr. 2464/69 van dezelfde datum heeft vastgesteld;
5 dat volgens de eerste overweging van de considerans bij genoemde verordening „de revaluatie van de Duitse mark en het feit dat de waarde van de rekeneenheid niet is gewijzigd . . een daling ten gevolgde hebben van de in Duitse marken uitgedrukte landbouwprijzen … met ingang van 1 januari 1970; dat daaruit een inkomstenverlies voor de Duitse landbouw zal voortvloeien”;
dat in de tweede en derde overweging van de verordening wordt vastgesteld dat „dit inkomstenverlies, op basis van de huidige gegevens over de waarde van de rekeneenheid, alsmede over de prijzen en de hoeveelheden van de betrokken landbouwprodukten, op DM 1,7 miljard per jaar kan worden geraamd” en dat „voor de Bondsrepubliek Duitsland de moglijkheid dient te worden geopend om ter compensatie van dit verlies steun in de vorm van rechtstreekse steun aan de landbouwproducenten te verlenen”;
dat op grond van deze overwegingen artikel 1 van de verordening luidt als volgt:
„1.Steun die op de hierna volgende voorwaarden aan de Duitse landbouwproducenten wordt verleend, kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd.
2.De steun kan worden verleend tot een bedrag van DM 1,7 miljard voor elk der begrotingsjaren 1970 tot en met 1973. De Gemeenschap draagt op degressieve wijze en overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 bij in de financiering van de steun.
3.De steun kan worden verleend in de vorm van rechtstreekse steun aan de landbouwproducent, voor zover deze niet wordt bepaald op grond van de prijs of de hoeveelheid van het produkt.
Deze rechtstreekse steun kan gedeeltelijk worden verleend in de vorm van een voorschot dat de landbouwproducent ontvangt bij de verkoop van zijn produkten en dat beperkt is tot ten hoogste 3 % van de verkoopprijs; deze steun kan hetzij door de koper, hetzij door een daartoe door de bevoegde nationale autoriteiten aan te wijzen instantie worden betaald.
4.De Bondsrepubliek Duitsland compenseert de degressiviteit van de communautaire financiering door passende structurele of sociale maatregelen.
5.De procedurebepalingen van artikel 93 van het Verdrag zijn van toepassing op de in dit artikel bedoelde steun”.
dat de Raad bij beschikking van 21 januari 1974 — op 24 januari 1974 aan de Bondsrepubliek Duitsland betekend, doch niet gepubliceerd — het derde lid van artikel 1 der verordening aldus heeft verlengd en gewijzigd, dat de Bondsrepubliek Duitsland „tijdelijk werd gemachtigd de landbouwproducenten steun te verlenen in de vorm van een compensatie, die de landbouwproducent bij de verkoop van zijn produkten ontvangt en die beperkt is tot ten hoogste 3 % van de verkoopprijs”;
uit genoemde beschikking volgt, dat de aldus gewijzigde steun volgens een der beide methoden van artikel 1, lid 3, der verordening kan worden uitgekeerd;
6 Overwegende dat de Duitse wetgever op grond van verordening nr. 2464/69 op 23 december 1969 het Aufwertungsausgleichgesetz (Revaluatievereveningswet) heeft vastgesteld, waarvan artikel 4 de land- en bosbouwbedrijven in de zin van artikel 24, lid 2, Umsatzsteuergesetz (Wet op de omzetbelasting) toestond, de omzetbelasting met 3 % van de heffingsgrondslag te korten;
dat volgens artikel 24, lid 2, Umsatzsteuergesetz met name de veefokkerijen en veehouderijen, voor zover hun veestapel ingevolge artikel 51 Bewertungsgesetz (Taxatiewet) tot de agrarische exploitatie behoort, als land- en bosbouwbedrijven worden beschouwd;
dat uit artikel 51 Bewertungsgesetz volgt dat de veestapel tot de agrarische exploitatie behoort wanneer in het boekjaar het aantal gefokte of gehouden stuks vee per hectare van het in de regel agrarisch benutte areaal bepaalde grenzen niet overschrijdt;
7 Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd of het begrip „landbouwproducent” in artikel 1, leden 1 en 3 van verordening nr. 2464/69 ook de industriële veefokker/veehouder in de zin van het Duitse belastingrecht omvat;
8 Overwegende dat in de tweede plaats wordt gevraagd of de artikelen 39, 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag, artikel 1 van verordening nr. 2464/69, alsook eventuele verdere bepalingen van het gemeenschapsrecht de Bondsrepubliek Duitsland, als adressaat dezer verordening, verbieden, bepaalde groepen van landbouwproducenten — in casu de industriële veehouders en veefokkers in de zin van het Duitse belastingrecht — van de steunverlening uit te sluiten;
9 dat voor het aan de nationale rechterlijke instantie te geven antwoord de beide vragen tezamen moeten worden behandeld;
10 Overwegende dat volgens verzoekster in het. hoofdgeding het begrip „landbouwproducent” inhoudelijk door het gemeenschapsrecht moet worden bepaald;
dat dit begrip alle producenten zou omvatten van landbouwprodukten in de zin van artikel 38 en van bijlage II van het Verdrag, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen de agrarische en de industriële dierfokkers;
11 Overwegende dat artikel 38 en de daarmee samenhangende bepalingen het weliswaar mogelijk maken, de werkingssfeer van de landbouwbepalingen van het Verdrag in bepaalde opzichten vast te stellen, doch dat niet wegneemt dat in andere opzichten, vooral wat betreft de aard der bedrijven die aan de betrokken bepalingen zijn onderworpen, het begrip landbouw niet nauwkeurig in het Verdrag is omschreven;
dat het derhalve aan de bevoegde autoriteiten staat om eventueel ten behoeve van de uit het Verdrag voortvloeiende landbouwregeling de personele en materiële werkingssfeer daarvan te bepalen;
dat derhalve de werkingssfeer van verordening nr. 2464/69 in de bewoordingen en de doelstellingen daarvan moet worden gezocht;
Overwegende dat de betrokken verordening, die ten doel heeft de door de daling van de prijzen voor landbouwprodukten veroorzaakte verliezen te compenseren, geen onderscheid maakt tussen de produktiemethoden, ook al treffen deze verliezen bepaalde categorieën producenten minder zwaar;
dat noch de samenhang noch de doelstellingen van de verordening een enge uitlegging vereisen, zodat het niet is uitgesloten dat het in de tekst der verordening gehanteerde tamelijk ruime begrip „landbouwproducenten” de vervaardiging van landbouwprodukten ongeacht de methode kan omvatten;
Overwegende dat eraan herinnerd dient te worden dat de derde overweging van verordening nr. 2464/69 „voor de Bondsrepubliek Duitsland de mogelijkheid [opent] om ter compensatie van dit verlies steun in de vorm van rechtstreekse steun aan de landbouwproducenten te verlenen”;
dat volgens artikel 1, lid 1 der verordening, de steun die onder in de volgende leden van dit artikel genoemde voorwaarden aan de Duitse landbouwproducenten wordt verleend, „als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt [kan] worden beschouwd”;
dat hieruit volgt dat de betrokken verordening de Bondsrepubliek Duitsland niet verplicht, maar slechts machtigt tot het verlenen van steun, doch steeds binnen de grenzen, gesteld door het gemeenschapsrecht en met name door de verordening zelf;
dat derhalve moet worden nagegaan of de Bondsrepubliek Duitsland deze grenzen heeft overschreden door de industriële veehouders en veefokkers in de zin van het Duitse belastingsrecht uit te sluiten van de door de verordening beoogde steun;
15 Overwegende dat artikel 39 van het Verdrag, dat in lid 1 bepaalt dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid onder meer ten doel heeft de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn, niet de mogelijkheid van een ongelijke behandeling der verschillende sectoren van de landbouw uitsluit, met dien verstande echter dat deze ongelijke behandeling niet willekeurig is en op objectieve criteria berust;
dat de noodzaak om in een passend geval de verschillende categorieën van de landbouwbevolking ongelijk te behandelen wordt erkend in lid 2 van artikel 39, hetwelk bepaalt dat „bij het totstandbrengen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid . . . rekening gehouden [zal] worden met: a) de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw en uit de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden”;
dat weliswaar artikel 40, lid 3, van het Verdrag elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap en zelfs van een enkel land daarvan verbiedt, maar dat een ongelijke behandeling slechts als een verboden discriminatie kan worden beschouwd wanneer zij willekeurig voorkomt;
16 dat derhalve dient te worden onderzocht of het onderscheid in de zin van het Duitse belastingrecht tussen agrarische veehouders en veefokkers enerzijds en industriële veehouders en veefokkers anderzijds, zoals door het Aufwertungsausgleichgesetz wordt gehanteerd, discriminerend is in de zin van artikel 40, lid 3, van het Verdrag;
17 Overwegende dat uit de stukken met name blijkt dat de agrarische veefokkers en veehouders in de zin van de Duitse belastingswetgeving, door voeder te gebruiken dat grotendeels in hun bedrijven wordt geproduceerd, bijzonder afhankelijk zijn van de onbestendigheden die verbonden zijn met de exploitatie van de grond;
dat daarentegen de industriële veehouders en veefokkers in de zin van genoemde wetgeving, die het noodzakelijke diervoeder grotendeels op de nationale of internationale markt kopen, niet aan dezelfde risico's zijn blootgesteld en in geval van een revaluatie van de nationale munteenheid in de gelegenheid zijn dit tegen gunstige prijzen in het buitenland te betrekken;
dat mitsdien het onderscheid tussen agrarische veehouders en veefokkers en industriële veehouders en veefokkers, dat door het Duitse belastingrecht wordt gemaakt doordat verband wordt gelegd tussen de veestapel en het gebruikte landbouwareaal en dat door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland als objectief, zij het forfaitair, criterium wordt gehanteerd bij de toekenning van steun die zij krachtens de bepalingen van verordening nr. 2464/69 mag verlenen, niet als discriminerend kan worden bestempeld;
18 dat uit het vorenoverwogene volgt dat aan de nationale rechterlijke instantie aldus moet worden geantwoord dat noch de bepalingen van het Verdrag, noch artikel 1 van verordening nr. 2464/69, noch de bepalingen van de beschikking van de Raad van 21 januari 1974 voor de Bondsrepubliek Duitsland het verbod inhielden om de industriële veehouders en veefokkers uit te sluiten van de in genoemde verordening bedoelde steun;
19 dat bijgevolg de derde vraag zonder voorwerp is geraakt;
Ten aanzien van de kosten
20 Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;
dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Münster bij beschikking van 26 september 1977 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Noch de bepalingen van het EEG-Verdrag, noch artikel 1 van verordening nr. 2464/69 van de Raad, noch de bepalingen van de beschikking van de Raad van 21 januari 1974 hielden voor de Bondsrepubliek Duitsland het verbod in om de industriële veehouders of veefokkers uit te sluiten van de in genoemde verordening bedoelde steun.
Kutscher
Sørensen
Donner
Pescatore
Mackenzie Stuart
O'Keeffe
Touffait
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op dertien juni negentienhonderdachtenzeventig.
De griffier
A. Van Houtte
De president
H. Kutscher