Hof van Justitie EU 22-02-1979 ECLI:EU:C:1979:50
Hof van Justitie EU 22-02-1979 ECLI:EU:C:1979:50
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 22 februari 1979
Conclusie van de advocaat-generaal J.-P. Warner
van 22 februari 1979 (1)
Mijne Heren,
De onderhavige zaak werd — met verzoek om een prejudiciële beslissing — door het Bundesgerichtshof naar uw Hof verwezen krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
Het gaat om het toepassingsgebied van bedoeld Verdrag, en wel met name om de reikwijdte van de uitzonderingen, in artikel 1, tweede alinea, ten eerste, gemaakt voor zaken betreffende „de staat … van natuurlijke personen” en „het huwelijksgoederenrecht”.
Zoals u weet, geldt het Verdrag op het ogenblik slechts in de oorspronkelijke Lid-Staten en zijn alleen de Duitse, Franse, Italiaanse en Nederlandse tekst authenthiek. In conclusies betreffende vóór 1973 vastgestelde communautaire besluiten waarvan geen authenthieke Engelse tekst bestaat, heb ik mij tot nu toe aan de Franse tekst gehouden. Het is u echter evenzeer bekend dat er op 9 oktober 1978 te Luxemburg een Verdrag inzake de toetreding der nieuwe Lid-Staten tot het Verdrag van 1968 alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie, is getekend (het „Toetredingsverdrag”). Een Deense, Engelse en Ierse versie van het oorspronkelijk Verdrag en het Protocol zijn als bijlagen gevoegd bij het Toetredingsverdrag en zijn volgens artikel 37 „op gelijke wijze authenthiek als de oorspronkelijke tekst van het Verdrag van 1968 en van het Protocol van 1971.” Ik zou dan ook willen citeren uit de tekst die, als de ratificatie van het Toetredingsverslag haar beslag heeft gekregen, de authenthieke Engelse tekst zou worden. Dit biedt het voordeel dat tot op zekere hoogte blijkt wat er in de gedachtengang van althans de auteurs van het Toetredingsverdrag met het oorspronkelijk Verdrag bedoeld was.
Ik zal thans de feiten van het onderhavige geding bespreken.
Op 12 januari 1977 heeft de heer Jacques de Cavel („de man”) voor de Tribunal de Grande Instance te Parijs een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt tegen zijn vrouw, mevrouw Luise de Cavel („de vrouw”). De man is een te Frankfurt/Main werkzame Fransman.
De vrouw is van Duitse origine. Zij hadden een flat te Frankfurt en een flat te Cannes. Blijkbaar heeft de vrouw in november 1976 een paar kostbare tapijten uit de flat te Cannes laten halen en ten eigen bate doen verkopen, terwijl de man beweert dat ze hem toebehoorden. Ook zou hij, na begin januari 1977 van vakantie te Frankfurt te zijn teruggekeerd, hebben geconstateerd dat er ook uit de aldaar gelegen flat en uit zijn kantoor een aantal zaken waren verdwenen. Op grond van een en ander deed hij zijn echtscheidingsvordering vergezeld gaan van een tot de Tribunal de Grande Instance te Parijs gericht verzoek om conservatoire maatregelen.
Op 19 januari 1977 gelastte de „Juge aux affaires matrimoniales” in die rechtbank de verzegeling van de zich in de flat te Frankfurt bevindende meubelen en effecten en van een kluis, op naam van de vrouw gehuurd bij een te Frankfurt gevestigde bankinstelling, alsook de beslaglegging op twee rekeningen van de vrouw bij Frankfurter banken. Partijen zijn het er, meen ik, over eens dat het hierbij om voorlopige maatregelen ging, waartoe werd overgegaan krachtens artikel 257 van de Franse Code Civil, volgens hetwelk de rechter spoedeisende maatregelen kan nemen zodra er een eis tot echtscheiding is ingediend. Ten processe werd ook gerefereerd aan artikel 220 van die Code Civil, dat zulke maatregelen onafhankelijk van een echtscheidingsprocedure mogelijk maakt; zij moeten dan evenwel door de president van de rechtbank worden gelast, en daarvan was in casu geen sprake.
De man wendde zich tot het Landgericht te Frankfurt met een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging — krachtens artikel 31 van het Verdrag van 1968 — van de beschikking van 12 januari 1977. Het Landgericht beschikte — op 3 mei 1977 — afwijzend op grond dat er geen documenten als bedoeld in artikel 47 van het Verdrag waren overgelegd aan de hand waarvan kon worden vastgesteld „dat de beslissing volgens de wet van de Staat van herkomst uitvoerbaar is en betekend is geworden.”
De man ging in beroep bij het Oberlandesgericht te Frankfurt, dat het verlof tot tenuitvoerlegging eveneens weigerde, zij het op een andere grond: voorlopige maatregelen, genomen in een echtscheidingsprocedure, maken deel van die procedure uit en zijn derhalve te beschouwen als maatregelen betreffende de staat van natuurlijke personen, die blijkens artikel 1 buiten het toepassingsgebied van het Verdrag vallen. Dat de maatregelen op bescherming van eigendomsbelangen gericht zouden zijn, deed voor het Oberlandesgericht niet ter zake, immers in hetzelfde lid wordt met zoveel woorden van „het huwelijksgoederenrecht” gesproken.
De man wendde zich vervolgens tot het Bundesgerichtshof, dat ons Hof om een prejudiciële beslissing verzocht inzake een vraag die er kort en goed op neerkwam, of het Verdrag van 1968 niet van toepassing is op een beschikking als in dit geval door de Franse rechter genomen, op grond dat het gaat om een procedure betreffende de staat der personen en het huwelijksgoederenrecht.
Ten behoeve van hun betoog hebben de Commissie, de Duitse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk de vraag tot een tweeledige gemaakt:
-
Kan het Verdrag van 1968 worden toegepast op een bijkomende maatregel, bevolen in een geding dat in wezen een buiten het Verdrag vallende vordering tot inzet heeft, en meer in het bijzonder: kan het Verdrag worden toegepast op een beschikking, krachtens welke er in een echtscheidingsprocedure voorlopige maatregelen kunnen worden genomen?
-
Zo ja, betreffen maatregelen als door de Franse rechter in casu bevolen „de staat van natuurlijke personen” of „het huwelijksgoederenrecht” in de zin van artikel 1, tweede alinea, van het Verdrag?
Volgens het Verenigd Koninkrijk zou de eerste vraag op vier gronden in ontkennende zin moeten worden beantwoord:
-
De gronden waarop de rechterlijke instanties der Lid-Staten zich bevoegd achten tot kennisneming van echtscheidingszaken, alsook de gronden (indien aanwezig) waarop zij toestemming tot ontbinding van een huwelijk verlenen, lopen erg uiteen. Vooral daarom heeft men zaken betreffende de staat van natuurlijke personen buiten het Verdrag gebracht. Omdat echtscheidingswetten diep in sociale, morele en religieuze overtuigingen geworteld zijn, kan het rechterlijke instanties van het ene land moeilijk vallen die van een ander land ten deze in de uitoefening van hun jurisdictie bij te staan. Het zou onlogisch — en met de geest van het Verdrag in strijd — zijn, indien het nochtans zou medebrengen dat ten aanzien van bijkomende beschikkingen, in de uitoefening van diezelfde rechtsbevoegdheid genomen, door de rechterlijke instanties van een ander land verlof tot tenuitvoerlegging moet worden verleend.
-
Waar echtscheidingsprocedures dus buiten het Verdrag vallen, gelden de verdragsregelen betreffende de jurisdictie over elders in de Gemeenschap woonachtige personen niet voor rechterlijke instanties waar zulke procedures worden gevoerd. Dit betekent dat er in echtscheidingsprocedures nevenbeschikkingen kunnen worden gegeven door een rechterlijke instantie die daartoe volgens het Verdrag niet bevoegd is. Toetsing van de bevoegdheid van bedoelde rechter is niet mogelijk, immers in artikel 28 van het Verdrag verboden.
-
De bevoegdheid tot het geven van onder het Verdrag vallende bijkomende beschikkingen zou op de regels van het Verdrag zelf moeten berusten. Een rechterlijke instantie die echtscheiding uitspreekt op een in het Verdrag niet zonder meer aanvaarde echtscheidingsgrond, zou tot het nemen van zulke bijkomende beschikkingen niet bevoegd zijn.
-
Artikel 5 (2) van het Verdrag verklaart „ten aanzien van onderhoudsverplichtingen” bevoegd „het gerecht van de plaats, waar de tot onderhoud gerechtigde zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft.” Deze bepaling is bij het Toetredingsverdrag als volgt aangevuld.
„… of, indien het een bijkomende eis is welke verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, … het gerecht dat volgens zijn eigen wet bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van een der partijen.”
Deze wijziging zou volgens de redenering van het Verenigd Koninkrijk niet nodig zijn geweest, indien bijkomende eisen, verbonden met een vordering betreffende de staat van personen, reeds onder het Verdrag vielen.
Dit zijn klemmende argumenten; met name het tweede en het derde argument spreken mij aan. Ik ben evenwel tot de slotsom gekomen dat zij uiteindelijk niet opwegen tegen de overwegingen welke de Commissie en de Duitse regering deden gelden.
In artikel 1, eerste alinea, van het Verdrag wordt met zoveel woorden gezegd dat de beantwoording van de vraag of het Verdrag in een bijzonder geval toepassing moet vinden, niet van de „aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen” afhangt. Uit de volgende bepalingen blijkt mijns inziens duidelijk, dat het antwoord op die vraag in de regel ook niet van de aard van de procedure afhangt. In de regel geeft het onderwerp van de eis de doorslag. Van dit algemeen beginsel wordt uitdrukkelijk afgeweken ingeval van faillissement e.d. alsook bij arbitrage — artikel 1, tweede alinea, 2 en 4 —.
Men kon moeilijk anders verwachten. Het ware merkwaardig, indien de toepasselijkheid van het Verdrag zou afhangen van het bijzonder forum c.q. de soort procedure waarvan eiser, verzoeker of requestrant zich wenst te bedienen, indien bijvoorbeeld in casu de situatie een andere zou zijn geweest wanneer de man zich overeenkomstig artikel 220 van de Code Civil, onafhankelijk van een echtscheidingsprocedure, tot de president van de rechtbank had gewend dan wel indien de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging van een beschikking van de High Court, in Engeland belast met de bewaring van eigendom van man en vrouw samen, afhankelijk zou zijn van de vraag of zij was uitgegaan van de Chancery Division — in de uitoefening van zijn „equity”-rechtspraak (bijv. in Waller/Waller [1967] 1 WLR 451) dan wel — in een echtscheidinsprocedure — van de Family Division.
Ik acht de uitlegging, door de regering van het Verenigd Koninkrijk gegeven aan artikel 5 (2) van het Verdrag en haar opvatting betreffende het effect van de wijziging waartoe het Toetredingsverdrag zal leiden niet juist. Zoals het thans luidt, maakt artikel 5 (2) een uitzondering op de algemene regel van artikel 2, volgens welke men behoort te worden opgeroepen voor het gerecht van de Staat waar hij zijn „woonplaats” heeft. Die uitzondering leidt ertoe dat wie aanspraak op onderhoud maakt, ook een actie mag instellen bij de rechterlijke instanties van de Staat waar hij of zij woonachtig is of gewoonlijk verblijft. Artikel 5 (2) zwijgt over de vraag of het Verdrag van toepassing is op een beschikking tot levensonderhoud, in een echtscheidingsprocedure genomen. Het rapport van professor Schlosser over het ontwerp-Toetredingsverdrag (paragraaf 32) zoekt de oorzaak hiervan in de omstandigheid dat, toen het Verdrag van 1968 werd geredigeerd, in de oorspronkelijke Lid-Staten onderhoudsprocedures in beginsel niet met staat-procedures konden worden gecombineerd. Maar sinds 1968 hebben verregaande hervormingen van het familierecht in bedoelde Staten aldaar tot een toenemend aantal gecombineerde procedures geleid. Het resultaat kan worden afgelezen aan het arrest, op 4 juni 1976 door het Oberlandesgericht te Karlsruhe gewezen in de zaak B.K./P.K. (2 W 7/76 — Synopsis of Case Law on the 1968 Convention, Part 2, No. 54). Het Oberlandesgericht had het niet moeilijk met zijn beslissing dat er ten aanzien van een door het Tribunal de Grande Instance te Parijs in een echtscheidingszaak gegeven onderhoudsbeschikking verlof tot tenuitvoerlegging in de zin van het Verdrag kon worden verleend. Het Oberlandesgericht achtte dit een uitgemaakte zaak en vond het niet nodig het probleem aan dit Hof voor te leggen. In die zienswijze leidt de wijziging van artikel 5 (2) ertoe dat een rechterlijke instantie van een Lid-Staat, niet zijnde het gerecht van de woonplaats van degene die het onderhoud verschuldigd is, noch ook het gerecht waar degene die op onderhoud aanspraak maakt woont of gewoonlijk verblijft, bevoegd is tot het nemen van een beschikking ten gunste van deze laatste, zolang er maar sprake is van een bijkomende beschikking, genomen in een procedure betreffende de staat der personen, waarvan bedoelde rechterlijke instantie volgens zijn eigen wet mag kennis nemen, terwijl die rechtsbevoegdheid ook niet alleen op de nationaliteit van een der partijen mag berusten.
De Commissie en de Duitse regering zochten voor hun uitlegging van artikel 1 (waarmede ik het eens ben) steun in andere verdragsbepalingen, met name in de artikelen 42, 5 (4) en 24.
De eerste alinea van artikel 42 luidt als volgt:
„Wanneer in de in den vreemde gegeven beslissing uitspraak is gedaan over meer dan een punt van de eis, en de tenuitvoerlegging niet voor het geheel kan worden toegestaan, staat de rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging toe voor één of meer onderdelen daarvan.”
Dit schijnt te betekenen dat, wanneer een uitspraak aangelegenheden betreft die wel respectievelijk niet onder het Verdrag vallen, verlof tot tenuitvoerlegging dient te worden gegeven ten aanzien van die aangelegenheden welke wel onder het Verdrag vallen. Het ware dan inconsequent te menen dat van een bijkomende beschikking inzake een onder het Verdrag vallende aangelegenheid geen gedwongen tenuitvoerlegging mogelijk is wanneer de procedure over buiten het Verdrag vallende kwesties gevoerd wordt.
Artikel 5 (4) verklaart de rechter in strafzaken bevoegd tot kennisneming van schade- of restitutieacties, voortvloeiende uit het feit dat tot het geding leidde. Voor zodanig geval is het Verdrag met zoveel woorden op een nevenprocedure van toepassing verklaard, ook al valt de hoofdprocedure er kennelijk buiten.
Artikel 24 komt in ander verband nog ter sprake. Voor het thans besproken punt van discussie geeft het mijns inziens geen uitsluitsel.
Daarmede ben ik toegekomen aan de tweede vraag.
Ik acht het alleszins duidelijk dat een beschikking als door de Franse rechter in casu gegeven, niet op de staat van enig natuurlijk persoon betrekking heeft. Zij betrof alleen de eigendom. De enige werkelijke kwestie is dus of zij „het huwelijksgoederenrecht” betrof.
Bij de beantwoording van deze vraag stuiten wij in hoofdzaak op twee moeilijkheden.
In de eerste plaats is er door de Commissie terecht op gewezen dat aan de omschrijving van „huwelijksgoederenrecht” in de verschillende officiële versies van het Verdrag niet steeds dezelfde betekenis kan worden gehecht. De terminologie van de Duitse tekst — „ehelicher Güterstand” — schijnt zeer eng te moeten worden opgevat.
In de tweede plaats is het huwelijksgoederenrecht zelfs in de rechtssystemen der oorspronkelijke Lid-Staten heel verschillend geregeld. Al die staten schijnen ten deze bepaalde „regimes” te kennen, bestaande uit een min of meer afgerond geheel van regels — „eigendomsgemeenschap”, „scheiding van eigendom” of „gemeenschap van later verworven eigendom” — des dat partijen bij huwelijkssluiting voor een dier stelsels kunnen opteren —. In sommige landen (bijvoorbeeld in Duitsland) kan het voor een echtpaar geldend regime naderhand worden gewijzigd. Elders is dit niet mogelijk. In sommige landen (bijvoorbeeld in Frankrijk) zijn bepaalde regels, genaamd „régime matrimonial primaire”, van toepassing ongeacht het bijzondere regime waarvoor men opteerde. Elders is dit niet het geval. Bovendien zijn de regelen der verschillende regimes van land tot land verschillend. Dit brengt mede dat zonder gedetailleerd onderzoek niet valt te achterhalen welke rechten een der echtelieden met betrekking tot een bijzonder eigendomsobject kan doen gelden, noch ook in hoeverre zulke rechten in het gemene recht dan wel in het desbetreffende huwelijksgoederenregime besloten liggen. Met de toetreding van Ierland en het Verenigd Koninkrijk — waar men zulke regimes niet kent, doch waar de rechten der echtelieden eveneens geheel of ten dele in het algemene eigendomsrecht dan wel in zijn (haar) echtelijke status besloten liggen (in welk laatste geval die status weer geheel of ten dele in een „marriage settlement” dan wel in het algemene huwelijksrecht besloten kan liggen) — zullen de hierbedoelde verschillen nog toenemen.
Een ding is zeker: aan de bedoeling van het Verdrag wordt geweld aangedaan indien, telkens wanneer men in een Lid-Staat een vonnis van een rechter uit een andere Lid-Staat ten uitvoer wenst te zien gelegd, de rechter die het bevel tot tenuitvoerlegging moet geven eerst heeft te onderzoeken in hoeverre de eigendomsrechten die hij moet handhaven of trachten te handhaven, in een huwelijksgoederenregime, in huwelijksvoorwaarden, in het algemeen huwelijksrecht, in het algemeen eigendomsrecht of (misschien) elders in het algemene recht besloten liggen. Wil het Verdrag behoorlijk functioneren, dan moet de rechter die het bevel tot tenuitvoerlegging heeft gegeven, om zo te zeggen in één oogopslag kunnen zien of het Verdrag op een bepaalde uitspraak al dan niet van toepassing is. Bovendien zou zulk een onderzoek, als het om beschermende maatregelen als de onderhavige gaat, tot niets leiden, aangezien de beschikking waarbij zulke maatregelen worden bevolen, niet tot handhaving van eigendomsrechten is bedoeld, doch alleen tot bewaring van het betrokken eigendomsobject, zodat de rechten welke elk van beide echtelieden er op kunnen doen gelden, naderhand kunnen worden vastgesteld.
Ten processe deed men ons drieërlei oplossing aan de hand.
De Commissie bepleitte aan de term „huwelijksgoederenrecht” een zeer enge uitlegging te geven, dat wil zeggen er alleen zaken betreffende de vaststelling, het bestaan of de beëindiging van een huwelijksgoederenregime, met uitsluiting van kwesties die het bestaan of de beëindiging van zulk een regime doet rijzen, onder te brengen. Met deze oplossing zou men, naar ik aanneem, in het tijdvak vóór de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag zijn geholpen; zij verdraagt zich ook met de vier thans authentieke teksten van het Verdrag van 1968. Maar na die inwerkingtreding zou zij niet meer kunnen worden gehanteerd en zij zou zich niet verdragen met de alsdan toepasselijke Engelse tekst van artikel 1. Met andere woorden, men zou in strijd komen met de uitgesproken bedoeling van de auteurs van het Toetredingsverdrag, tenzij zou moeten worden aangenomen dat de inwerkingtreding van dat Verdrag de betekenis van artikel 1 zal wijzigen.
In de tweede plaats zou men de term „huwelijksgoederenrecht” zeer letterlijk kunnen opvatten, in die zin dat rechten welke de echtelieden ook buiten huwelijk over en weer hadden kunnen doen gelden, er niet onder vallen. Zie ik het goed, dan is deze oplossing in feite door niemand verdedigd. Zij zou in strijd komen met de bedoeling van het Verdrag als geheel, en wel omdat — als gezegd — de rechter van wie een bevel tot tenuitvoerlegging verlangd wordt, van geval tot geval een onderzoek naar de bronnen der te handhaven rechten zou hebben in te stellen.
Blijft de oplossing die door de Duitse regering (als ik haar bedoelingen goed heb begrepen), door de regering van het Verenigd Koninkrijk (zij het summierlijk) en van de zijde van de vrouw werd bepleit. Zij wensen de term in ruime zin te zien opgevat, en wel zulks omdat in de praktijk de eigenlijke huwelijksrelatie („matrimonial relationship”) in maar weinig tussen echtelieden gevoerde eigendomsgedingen geen rol speelt. En mocht zulk een situatie zich voordoen, dan kan de rechter er overwegingen aan wijden; dit laatste zal stellig gebeuren als de rechtsgeleerden en de rechterlijke macht der Lid-Staten er genoegzaam bekend mee zijn dat het hier gaat om een voorwaarde, gesteld aan de mogelijkheden om — krachtens het Verdrag — in andere Lid-Staten tenuitvoerlegging af te dwingen.
Mijn conclusie luidt dat een uitspraak of beschikking, gegeven in een tussen echtelieden gevoerd eigendomsgeding, geacht moet worden niet door het Verdrag te worden bestreken, tenzij bij lezing van zulk een uitspraak of beschikking aanstonds het tegendeel blijkt.
Ik heb mij rekenschap gegeven van het door de Commissie gevoerde betoog dat zulk een uitlegging het toepassingsgebied van het Verdrag noodzakelijkerwijze moet beperken. Aan de juistheid van de door mij bepleite uitlegging doet dat evenwel niet af; die juistheid blijkt ook uit het door uw Hof zojuist gewezen arrest 133/78 Gourdain/Nadler, waarin de Commissie zich op hetzelfde standpunt had gesteld.
Voorts heeft zij betoogd dat deze uitlegging zich niet zou verdragen met het feit dat het Verdrag op onderhoudszaken van toepassing is. Mijn opvatting is een andere. In onderhoudszaken wordt meestal een uitkering opgelegd. De desbetreffende beschikkingen werken „in personam” en laten eigendomsrechten onverlet, tenzij er zekerheidsstelling voor de nakoming der onderhoudsverplichtingen gelast wordt, doch een daartoe strekkende uitspraak raakt de eigendom slechts in beperkte mate en op bijzondere wijze.
De Commissie achtte voormelde uitlegging bovendien onverenigbaar met het feit dat willens en wetens werd afgeweken van het Verdrag van 1968, i.e. het Haags Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken dat, in de met artikel 1, tweede lid, sub 1, van het Verdrag van 1968 overeenkomende bepaling spreekt van „de staat of de bevoegdheid van personen of … het familierecht, met inbegrip van de persoonlijke en geldelijke verplichtingen tussen ouders en kinderen en tussen echtgenoten.” Men dient er evenwel het rapport van de heer Jenard betreffende het ontwerp dat tot het Verdrag van 1968 heeft geleid (hoofdstuk III, par. IV (A)) op na te slaan om te zien waarom de auteurs een ander uitgangspunt hebben gekozen. De redenen waardoor zij zich lieten leiden, hebben met de thans omstreden kwestie niets uitstaande, behalve in zoverre dat zij het Verdrag op onderhoudsbeschikkingen van toepassing wilden doen zijn.
In feite berust het standpunt van de man geheel op artikel 24 van het Verdrag:
„In de wetgeving van een verdragsluitende Staat voorziene voorlopige of bewarende maatregelen kunnen bij de rechterlijke autoriteiten van die Staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere verdagsluitende Staat krachtens dit Verdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.”
Mijns inziens is dat artikel niet van toepassing, omdat het alleen geldt voor zover volgens het Verdrag de gerechten van een bijzondere „verdragsluitende Staat” tot kennisneming van het bodemgeschil zijn geroepen. Met andere woorden, artikel 24 geldt niet voor zover „het bodemgeschil” buiten het Verdrag valt. Het zou ook verbazingwekkend zijn als het anders was, want dan zouden de gerechten der Lid-Staten in buiten het Verdrag vallende zaken toch verlof tot tenuitvoerlegging van elkanders voorlopige maatregelen hebben te verlenen.
Ik concludeer dat uw Hof de vraag van het Bundesgerichtshof in die zin zal beantwoorden, dat een beschikking waarbij een rechterlijke instantie van een Lid-Staat in een echtscheidingszaak voorlopige maatregelen gelast, niet reeds op grond dat die beschikking in zulk een geding wordt genomen, buiten het Verdrag van 27 september 1968 valt, doch dat zulk een beschikking, indien betrekking hebbende op een eigendomsobject dat tussen partijen in dat geding is omstreden, geacht moet worden buiten het Verdrag te vallen, tenzij bij lezing van de beschikking aanstonds blijkt dat de omstreden rechten hun oorsprong buiten der partijen huwelijksrelatie vinden.