Home

Hof van Justitie EU 05-04-1979 ECLI:EU:C:1979:106

Hof van Justitie EU 05-04-1979 ECLI:EU:C:1979:106

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
5 april 1979

Uitspraak

ARREST VAN 5-4-1979 — ZAAK 95/78 DULCIORA / ITALIAANSE ADMINISTRATIE VAN DE STAATSFINANCIËN

In zaak 95/78,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Pretura te Milaan, in het aldaar aanhangig geding tussen

DULCIORA SPA,

gesteund door de ASSOCIAZIONE INDUSTRIE DOLCIARIE ITALIANE (AIDI),

en

ITALIAANSE ADMINISTRATIE VAN DE STAATSFINANCIËN,

om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 800/77 van de Commissie van 20 april 1977 tot wijziging van de in verordening (EEG) nr. 572/76 tot vaststelling van de monetaire compenserende bedragen opgenomen lijst van de produkten waarvoor de monetaire compenserende bedragen gelden (PB L 97 van 1977, blz. 18), en van verordening (EEG) nr. 2657/77 van de Commissie van 30 november 1977 inzake de toepassing van monetaire compenserende bedragen op bepaalde produkten die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen (PB L 308 van 1977, blz. 48),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: J. Mertens de Wilmars, president van de Eerste Kamer, waarnemend president, Mackenzie Stuart, president van de Tweede Kamer, P. Pescatore, M. Sørensen, A. O'Keeffe, G. Bosco en A. Touffait, rechters,

advocaat-generaal: H. Mayras

griffier: A. Van Houtte

het navolgende

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

A — De relevante verordeningen

Verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector (PB L 106 van 1971, blz. 1) machtigt de Lid-Staten in artikel 1, lid 1, monetaire compenserende bedragen (hierna te noemen: mcb's) te heffen en toe te kennen bij de invoer, respectievelijk de uitvoer van de in lid 2 omschreven produkten:

„…produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten is voorzien in interventiemaatregelen; … produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van de sub a bedoelde produkten en die hetzij onder de gemeenschappelijke ordening der markten vallen, hetzij het voorwerp zijn van een specifieke regeling krachtens artikel 235 van het Verdrag”.

Volgens lid 3 van genoemd artikel, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2746/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 291 van 1972, blz. 148), worden de bepalingen van lid 1

„…slechts toegepast voor zover de toepassing van de in dit lid bedoelde monetaire maatregelen verstoringen zou veroorzaken in de handel in landbouwprodukten”.

Artikel 4 van de verordening bepaalt:

„Er wordt geen compenserend bedrag vastgesteld wanneer het in artikel 2, lid 1, bedoelde percentage in geen der Lid-Staten hoger is dan 2,5 %”. (Dit percentage heeft betrekking op het verschil tussen de officiële wisselkoers van de betrokken munt en de „groene” koers).

Bij verordening nr. 800/77 werd een aantal goederen aan het stelsel der mcb's onderworpen. Het betreft verscheidene suikerwerken, consumptie-ijs, chocolade en produkten welke cacao bevatten, banketbakkerswerk, gebak en biscuits en ver schillende produkten voor menselijke consumptie.

De tweede en derde overweging van die verordening luiden als volgt:

„…dat de monetaire compenserende bedragen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de op basis van landbouwprodukten verkregen produkten die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen en krachtens artikel 235 van het Verdrag aan een specifieke regeling zijn onderworpen; dat deze bedragen daarentegen wel worden toegepast op alle landbouwprodukten waaruit de bovenbedoelde produkten worden vervaardigd;

… dat deze situatie tot distorsies van de mededinging kan leiden, met name gezien het hoge niveau van de thans geldende monetaire compenserende bedragen; dat voor verwerkte produkten waarvoor geen monetaire compenserende bedragen gelden, het prijsverschil bij de basisprodukten zo groot is geworden dat het, gelet op de bijzondere situatie op de markt van sommige gevoelige produkten, noodzakelijkerwijze een grote invloed moet hebben op de mededingingsvoorwaarden voor de verwerkte produkten”.

De zesde overweging houdt in dat de economische situatie van de betrokken, niet onder bijlage II van het Verdrag vallende produkten vóór het einde van het jaar opnieuw zal worden onderzocht. Artikel 2, lid 2, tweede alinea, van de verordening bepaalt dan ook dat voor de produkten van de onderverdelingen 17.04 D (suikerwerk zonder cacao, behalve zoethoutextract, kauwgom en „witte chocolade”), 18.06 B (consumptie-ijs dat cacao bevat), 18.06 C (chocolade en suikerwerken welke cacao bevatten), 19.08 B (banketbakkerswerk, gebak en biscuits, behalve „ontbijtkoek”) en 21.07 C (consumptie-ijs zonder cacao) de mcb's slechts tot uiterlijk 31 december 1977 van toepassing zijn.

Ingevolge verordening nr. 2657/77 werd de begrenzing van de geldigheidsduur van verordening nr. 800/77 afgeschaft en werden de mcb's voor de betrokken produkten voor onbepaalde tijd gehandhaafd.

De vaststelling van verordening nr. 800/77 werd voorafgegaan door de beschikking van de Commissie van 23 maart 1977, waarbij Ierland werd gemachtigd voor bepaalde verwerkte landbouwprodukten vrijwaringsmaatregelen te nemen op grond van artikel 135 Toetredingsakte (PB L 97 van 1977, blz. 29). Ingevolge deze beschikking was Ierland gerechtigd om tot en met 31 december 1977 een bedrag te heffen bij invoer vanuit het Verenigd Koninkrijk en een bedrag toe te kennen bij uitvoer naar dat land van de verwerkte landbouwprodukten van de posten 17.04 D, 18.06 B, 18.06 C, 19.08 B en 21.07 C. In de considerans van deze beschikking wordt opgemerkt dat:

„…de geheven of toegekende compenserende bedragen … (betreffende) de basisprodukten … voor het Verenigd Koninkrijk 34,7 % en voor Ierland 10,4 % bedragen; dat deze situatie, die voor de betrokken producenten in Ierland resulteert in een relatief nadeel van 24,3 % voor de kosten van de basisprodukten, aanleiding kan geven tot distorsie van de concurrentie tussen de betrokken Lid-Staten voor de handel in verwerkte landbouwprodukten die in de Ierse aanvraag zijn vermeld; … dat deze situatie, die sinds november 1976 acuut is, voor de betrokken sectoren in Ierland aanleiding heeft gegeven tot ernstige moeilijkheden …”

De aldus bij deze bilaterale regeling tussen het Verenigd Koninkrijk en Ierland ingevoerde mcb's zijn vervangen door nieuwe bedragen, opgenomen in de bijlage bij de beschikking van de Commissie van 4 mei 1977 tot wijziging van de beschikking van 23 maart 1977 (PB L 123 van 1977, blz. 18). Volgens artikel 3 daarvan traden deze tweede beschikking alsmede de beschikking van 23 maart 1977 buiten werking op de dag waarop verordening nr. 800/77 in werking zou treden (23 mei 1977).

B — De feiten

In de laatste maanden van 1977 en de eerste maanden van 1978 heeft Dulciora suikerwerken naar de andere Lid-Staten en naar derde landen uitgevoerd. Voor deze exporten moest zij de in de verordeningen nrs. 800/77 en 2657/77 voorgeschreven mcb's betalen. Daar de toepassing van deze compensatie volgens haar onwettig was, stelde Dulciora beroep in bij de Pretore te Milaan om de Italiaanse Administratie der Staatsfinanciën te doen veroordelen tot terugbetaling van de gestorte bedragen, daartoe stellende dat de verordeningen nrs. 800/77 en 2657/77 onwettig zijn en niet gelden voor na 1 januari 1978 verrichte exporten, ter uitvoering van vóór 1 december 1977 (de datum van vaststelling van verordening nr. 2657/77) gesloten overeenkomsten.

De Italiaanse Administratie der Staatsfinanciën wierp de exceptie van relatieve en absolute onbevoegdheid van de Pretore op en concludeerde ten principale tot afwijzing van het verzoek van Duciora, doch verzette zich niet tegen verwijzing van de zaak naar het Hof, betogende dat dit laatste reeds is verzocht om een uitspraak over de geldigheid van de betrokken communautaire bepalingen in de aanhangige zaken 151/77 (Preiser) en 11/78 (Italië/Commissie).

De Associazione Industrie Dolciarie Italiane (AIDI) heeft in het hoofdgeding geïntervenieerd ter ondersteuning van de conclusies van verzoekster.

C — De prejudiciële vragen

Bij beschikking van 11 april 1978 heeft de Pretore te Milaan krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

  1. Moet verordening (EEG) nr. 974/71 van de Raad (en de latere wijzigingen) aldus worden uitgelegd, dat de gemeenschapsinstellingen monetaire compenserende bedragen mogen toepassen bij de in- en uitvoer tussen Lid-Staten onderling en tussen Lid-Staten en derde landen, van de produkten bedoeld in verordening nr. 800/77, zonder dat zich verstoringen hebben voorgedaan op de markt van de basisprodukten waaruit de in verordening nr. 800/77 bedoelde produkten zijn vervaardigd?

  2. Is het, in het licht van verordening nr. 974/71 en artikel 40, lid 3, eerste alinea, EEG-Verdrag (discriminatieverbod), de Commissie toegestaan met een eigen verordening (in casu verordening nr. 800/77) de monetaire compenserende verdragen toe te passen op de in- en uitvoer van de in verordening nr. 800/77 bedoelde suikerwerken, zonder overeenkomstige compenserende bedragen in te stellen voor alle andere suikerwerken die soortgelijke kenmerken vertonen als de belaste produkten en zich in dezelfde situatie bevinden?

    1. Zo vraag 1 of vraag 2 ontkennend wordt beantwoord, zijn dan de verordeningen (EEG) nrs. 800/77 en 2657/77 van de Commissie als ongeldig te beschouwen?

    2. Is verordening nr. 2657/77 van de Commissie ook overigens als ongeldig te beschouwen omdat zij:

      1. de geldigheidsduur van verordening nr. 800/77 tot na 31 december 1977 heeft verlengd zonder dat het beheerscomité daaromtrent advies heeft uitgebracht?

      2. wegens innerlijk tegenstrijdige motivering niet voldoet aan het vereiste van artikel 190 EEG-Verdrag?

  3. Ingeval echter verordening nr. 2657/77 (en ook verordening nr. 800/77) geldig moet worden geacht, kan zij dan van toepassing zijn op exporten van de in verordening nr. 800/77 bedoelde produkten uit Italië naar de andere Lid-Staten en naar derde landen, welke na 1 januari 1978 hebben plaatsgevonden krachtens contracten gesloten vóór 1 december 1977 (datum van inwerkingtreding van verordening nr. 2657/77), dat wil zeggen in een periode toen, gezien het bepaalde bij verordening nr. 800/77, de handhaving van de compenserende bedragen voor de betrokken produkten na 31 december 1977 niet voorzienbaar was?

De verwijzingsbeschikking is op 20 april 1978 ter griffie van het Hof ingekomen.

Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

II — Samenvatting van de schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG

A — Opmerkingen van Dulciora en de AIDI

Dulciora en de AIDI leiden uit de considerans van verordening nr. 800/77 niet alleen af dat de Commissie zich niet bekommert om de vraag of zich inderdaad verstoringen voordoen op de markt voor basisprodukten waaruit de verwerkte produkten die aan de toepassing van mcb's zijn onderworpen, worden vervaardigd, maar ook dat het denkbeeld dat zich op die markt verstoringen kunnen voordoen, zelfs niet bij haar opkomt. Volgens de Commissie kan artikel 1, lid 3, van verordening nr. 974/71, dat uitdrukkelijk spreekt over verstoringen in de handel in landbouwprodukten, duidelijk worden gelezen en uitgelegd, alsof wordt gedoeld op de handel in niet-agrarische produkten die uit de basisprodukten zijn vervaardigd. Een dergelijke uitlegging is in strijd met verordening nr. 974/71, weshalve verordening nr. 800/77 moet worden nietigverklaard wegens gebrek aan overeenstemming met genoemde verordening van de Raad.

De markt voor basisprodukten kan nooit worden beïnvloed door de handel in afgeleide produkten als de in verordening nr. 800/77 bedoelde suikerwerken.

De Italiaanse fabrikanten hebben in 1976 suikerwerken uitgevoerd die in totaal 18 700 ton van het basisprodukt suiker bevatten: een dergelijke hoeveelheid kan, zelfs al ware zij aanzienlijk groter, in Italië nooit leiden tot een verstoring van de markt voor suiker, waarvan het totale verbruik over hetzelfde tijdvak meer dan 1,6 miljoen ton bedroeg (een percentage derhalve van 1,17 %). Dezelfde redenering, met nog opvallender resultaten, gaat op voor de sector zachte tarwe, waaruit het in suikerwerken gebruikte meel wordt vervaardigd, voor de maissector, in de vorm van glucose, alsmede voor melk en melkpoeder.

Zelfs al zouden verstoringen met betrekking tot een niet in verordening nr. 974/71 bedoelde categorie produkten in aanmerking kunnen worden genomen, dan hebben die verstoringen, in de door verordening nr. 800/77 bedoelde omstandigheden, niet bestaan met betrekking tot de suikerwerken.

De toename van de exporten uit de landen met een zwakke valuta naar de landen met een sterke valuta vormt, aldus de Commissie, een „verstoring” die volgens verordening nr. 974/71 het toepassen van mcb's zelfs voor de afgeleide produkten rechtvaardigt. De stelling van de Commissie is arbitrair, omdat een eenvoudige toename van de exporten van suikerwerken niet noodzakelijkerwijze moet worden beschouwd als een „verstoring” in de zin van verordening nr. 974/71, en mocht dit wel zo zijn, dan kan de toename zijn ontstaan los van de toepassing van mcb's op de basisprodukten waaruit de suikerwerken worden vervaardigd. Wat de suikerwerken betreft, heeft de toepassing van mcb's geen invloed op hun verhandeling. De verbruikers gaan immers in hoofdzaak af op hun kwaliteit, daar het hier luxeprodukten betreft.

Uit de NIMEXE-statistieken blijkt dat, aangezien het gemiddeld verbruik van suikerwerken in de landen met een sterke valuta is gestegen en in landen met een zwakke valuta is gedaald als gevolg van een verstoring van het evenwicht tussen het inkomen per hoofd van de bevolking en de kosten van levensonderhoud, de exporten uit landen met een zwakke munt naar landen met een sterke munt de neiging vertoonden toe te nemen, zonder dat deze ontwikkelingen verband hielden met de ontwikkeling van de landbouwmarkten.

Blijkens het arrest van het Hof van 3 mei 1978 (zaak 131/77, Milac, Jurispr. 1978, blz. 1041) geldt de machtiging om compenserende bedragen te heffen slechts indien een nauw verband bestaat tussen de prijs van het basisprodukt en die van het afgeleid produkt. Aan deze voorwaarde is in casu echter niet voldaan. De Commissie zelf merkt in de considerans van verordening nr. 722/75 (PB L 71 van 1975, blz. 24) op, dat de prijzen van suikerwerk „grotendeels bepaald worden door hun verwerking en de kosten die dit met zich meebrengt, terwijl de waarde van basisprodukten uit de landbouwsector slechts in geringe mate de waarde van het eindprodukt beïnvloedt (en) dat deze produkten … zeer dicht de industriële sector naderen waarvoor geen stelsel van compenserende bedragen bestaat”.

Verordening nr. 800/77 is eveneens nietig wegens strijd met het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag. Indien er produkten bestaan waarop de compenserende bedragen ingevolge de overwegingen van de Commissie bij verordening nr. 800/77 moeten worden toegepast, dan zijn dat ongetwijfeld de in tariefposten 19.02, 19.05 en 19.07 bedoelde produkten (preparaten voor kindervoeding, voor dieetvoeding of voor keukengebruik, „corn flakes” en andere gewone bakkerswaren), te weten mengsels die zijn samengesteld uit landbouwprodukten in eerste graad van bewerking en nagenoeg geen toegevoegde waarde hebben, waarbij derhalve de invloed van de mcb's op de basisprodukten een aanmerkelijke verandering van de prijs van het eindprodukt kan meebrengen.

Subsidiair, voor het geval dat verordening nr. 800/77 niet wordt nietig verklaard, dient niettemin verordening nr. 2657/77 te worden nietig verklaard daar toch zeker haar considerans in strijd is met eerstgenoemde verordening. Indien de situatie niet „belangrijk was gewijzigd”, zoals de Commissie zelf bevestigt, dan valt niet in te zien waarom de geldigheidsduur van een verordening die op 31 december 1977 zou eindigen, is verlengd.

Zo het Hof niet van oordeel is dat verordening nr. 800/77, of althans verordening nr. 2657/77 moet worden nietig verklaard, dan zal het de in verordening nr. 800/77 voorziene mcb's ongetwijfeld niet van toepassing moeten verklaren op de vóór de inwerkingtreding van de opschortingsverordening nr. 2657/77 (d.w.z. vóór 1 december 1977) gesloten overeenkomsten. Ondernemers die bij het sluiten van hun overeenkomsten van mening waren dat de term „uiterlijk” in verordening nr. 800/77 voor de Commissie een verplichting vormde, hebben immers voor de leveringen na 1 januari 1978 prijzen bedongen zonder rekening te houden met de op 31 december 1977 vervallende mcb's. Zij vertrouwden derhalve op de onveranderlijkheid van de door verordening nr. 800/77 ontstane rechtstoestand, wetende, vooral in december 1977, dat de Commissie geen enkele geldige reden had om een verlenging voor te schrijven.

Dulciora gaat vervolgens uitvoerig in op de rechtspraak van het Hof op het gebied van de bescherming van verkregen rechten en van het gerechtvaardigd vertrouwen.

Uitgesloten moet worden dat de genomen maatregelen van dermate doorslaggevend en absoluut belang zijn, dat zij — in een bepaalde situatie — zonder meer de opoffering van de rechten en de verwachtingen van particulieren kunnen rechtvaardigen. In casu ging het niet om een algemeen belang van de Gemeenschap, maar hoogstens om het belang van enkele ondernemingen die door sectoriële omstandigheden moeilijkheden hebben ondervonden, welke de Commissie kon verhelpen door bij voorbeeld over te gaan tot een verschillende toepassing van mcb's naar gelang van de regio's.

Daar komt bij dat de toepassing van de mcb's in de sector suikerwerken — in ieder geval na 31 december 1977 — niet meer was te voorzien. Dé ondernemingen in de Gemeenschap konden immers alleen rechtmatige, en geen arbitraire interventies van de instellingen voorzien.

B — Opmerkingen van de Ierse regering

De Ierse regering verwijst naar haar opmerkingen in voornoemde zaak 151/77.

Men kan niet staande houden dat er vóór de vaststelling van verordening nr. 800/77 van geen enkele verstoring (of dreigende verstoring) van de handel in basisprodukten sprake was geweest.

Overeenkomstig het arrest van 20 oktober 1977 (zaak 29/77, Roquette, Jurispr. 1977, blz. 1835) heeft de Commissie het gevaar voor verstoringen bij basisprodukten en bij afgeleide produkten afzonderlijk beoordeeld.

De term „landbouwprodukten” in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 974/71 moet ruimer worden opgevat dan in het Verdrag.

Ten aanzien van vraag 3 B merkt de Ierse regering op, dat de geldigheid van verordening nr. 2657/77 niet kan worden bestreden met het betoog dat de betrokken beheerscomités niet binnen de door hun voorzitter gestelde termijn advies hebben uitgebracht. Een uitlegging van de bepalingen betreffende de procedure van de beheerscomités in die zin, dat de Commissie wel vrij kan handelen, indien de adviezen van de comités tegengesteld zijn aan haar voorstellen, doch dat zij niet kan handelen indien dergelijke adviezen niet binnen de gestelde termijnen zijn uitgebracht, heeft niet slechts tot gevolg dat die termijnen hun betekenis verliezen, maar zou tevens afbreuk doen aan de procedure van de beheerscomités zelf.

Dat verordening nr. 2657/77 ongeldig zou zijn op grond dat haar motivering wegens innerlijke tegenstrijdigheid niet voldoet aan artikel 190 EEG-Verdrag, kan evenmin worden staande gehouden. Het Hof heeft reeds in het arrest van 13 maart 1968 (zaak 5/67, Beus, Jurispr. 1968, blz. 121) uitgemaakt dat de omvang van de motiveringsplicht van de aard der handeling afhangt. De Commissie kan niet worden geacht een tegenstrijdige motivering te hebben gegeven door in verordening nr. 2657/77 vast te stellen dat de situatie sinds de inwerkingtreding van verordening nr. 800/77 niet belangrijk was gewijzigd.

Vraag 4 moet bevestigend worden beantwoord. Reeds het bestaan van verordening nr. 800/77, ook in haar oorspronkelijke versie, volgens welke haar geldigheidsduur op 31 december 1977 zou aflopen, moest gezien haar doelstelling en inhoud reeds een waarschuwing zijn dat een verlenging van haar geldigheidsduur tot na die datum noodzakelijk zou kunnen zijn, met name indien men in aanmerking neemt dat de considerans van de verordening uitdrukkelijk bepaalde dat voor de betrokken produkten „de economische situatie vóór het einde van het jaar opnieuw (zou) worden onderzocht”. In zijn arresten van 10 december 1975 (gevoegde zaken 95-98/74, 15 en 100/75, Coopératives agricoles des céréales, Jurispr. 1975, blz. 1615) en van 13 juni 1978 (zaak 146/77, British Beef Company, Jurispr. 1978, blz. 1347) heeft het Hof uitgemaakt, dat het recht op ontvangst casu quo de verplichting tot betaling van een mcb eerst door — en op het tijdstip van — verwezenlijking van invoer of uitvoer ontstaat, en dat de te betalen of te heffen bedragen dan ook, bij gebreke van uitdrukkelijke bepalingen in tegengestelde zin (in casu is van dergelijke bepalingen geen sprake), de bedragen zijn die zijn vastgesteld in de op het tijdstip van invoer of uitvoer geldende regeling, ongeacht de datum waarop het betrokken contract is afgesloten.

C — Opmerkingen van de Italiaanse regering

De Italiaanse regering verwijst naar haar opmerkingen in voornoemde zaken 151/77 en 11/78.

Met betrekking tot raag 3 B, eerste onderdeel, merkt de Italiaanse regering slechts op dat het ontbreken van een advies van het beheerscomité ongetwijfeld een aanwijzing vormt voor een diepgaand meningsverschil over de „opportuniteit” van de toepassing van de mcb's op de betrokken suikerwerken.

Met betrekking tot het tweede onderdeel van vraag 3 B merkt zij op dat niet valt in te zien waarom, bij het voortbestaan van de economische situatie die de Commissie ertoe had aangezet de uiterste termijn vast te stellen op 31 december 1977, die termijn vervolgens eenvoudig werd ingetrokken en de mcb's weer voor onbepaalde tijd werden ingevoerd. Weliswaar is het aanvaardbaar dat de Commissie, ondanks de in verordening nr. 800/77 gestelde uiterste termijn, bevoegd was om met ingang van 1 januari 1978 de mcb's opnieuw in te voeren, doch voor de uitoefening van zulk een bevoegdheid is het noodzakelijk dat een gewijzigde economische en monetaire situatie als vaststaand werd aangenomen.

Zij betoogt ten aanzien van de vierde vraag dat er vóór 1 december 1977 ingevolge de in verordening nr. 800/77 gestelde uiterste termijn sprake was van een zekere situatie, waarop zelfs de meest voorzichtige ondernemer mocht vertrouwen. Dit kan a contrario worden afgeleid uit de beslissing van het Hof in zaak 146/77, waarin schending van het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen werd uitgesloten op grond dat de situatie werd gekenmerkt door onzekerheid.

D — Opmerkingen van de Commissie

1. Het beleid van de Commissie met betrekking tot de onderhavige produkten

In een eerste fase werd door de Commissie het beginsel gehuldigd dat de mcb's slechts moesten worden toegepast op produkten die van de mcb's een invloed van ten minste 1,5 % van hun gemiddelde waarde ondervonden. Voorts werd geen enkel mcb vastgesteld indien dit minder dan 0,25 r.e./100 kg zou bedragen.

De lijst van onder de monetaire compensatie vallende produkten werd aldus uitgebreid of ingekort naar gelang van de monetaire situatie. In 1975 werd als leidraad genomen dat slechts voor de verwerkte produkten waarvoor de gemiddelde maximale invloed meer dan 5 % bedroeg, een monetaire compensatie moest worden vastgesteld.

Ofschoon de situatie in 1976 opnieuw was verslechterd (het verschil tussen de werkelijke koersen en de „groene koersen” bedroeg op 1 januari 1977 — 38,5 % voor het pond sterling, — 19,2 % voor de Italiaanse lire en — 17,5 % voor de Franse frank), achtte de Commissie het aanvankelijk verdedigbaar de mcb's niet automatisch opnieuw in te voeren voor de in verordening nr. 1059/69 genoemde verwerkte produkten. Als gevolg van herhaalde protesten van de Ierse regering zag zij zich evenwel tot snel ingrijpen genoopt om het verschil van 24,3 % te verkleinen, dat was ontstaan doordat voor het Britse en het Ierse pond verschillende groene koersen waren vastgesteld, ondanks het feit dat deze twee valuta's monetair gezien een eenheid vormen.

2. Verordening nr. 800/77

Een grondiger analyse van de economische en juridische situatie heeft de Commissie doen inzien dat de bestaande problemen niet afdoende konden worden opgelost door de voor Ierland genomen beschikking, welke is vervangen door verordening nr. 800/77.

Op het moment dat deze verordening werd vastgesteld, bedroegen de afwijkingen van de verschillende valuta's die in aanmerking werden genomen voor de vaststelling van de mcb's: Brits pond: -34,7 %; Iers pond: -10,4 %; Franse frank: -16,2 %; Italiaanse lire: -21,1 %; Duitse mark: + 9,3 %; Belgische en Luxemburgse frank: + 1,4 %; Nederlandse gulden: + 1,4 %; Deense kroon: 0. Als gevolg hiervan was het verschil tussen het Britse en het Ierse pond veel kleiner dan tussen het Britse pond en alle sterke munten. Evenzo was dit verschil kleiner dan bij voorbeeld tussen de Duitse mark en de Italiaanse lire. De feitelijke invloed van de monetaire compensatie overschreed voor de betrokken produkten dan ook de grens van 5 %, die in 1975 doorslaggevend voor de opheffing van de monetaire compensatie werd geacht. In het licht van deze situatie vormde de algemene toepassing van de monetaire compensatie zonder meer een logische en vanzelfsprekende oplossing, die overigens overeenstemde met de gebruikelijke praktijk.

3. Antwoorden op de prejudiciële vragen

Bij de eerste vraag merkt de Commissie op dat voor de invoering van mcb's gevaar voor verstoringen aanwezig moet zijn. Het betreft hier een prognose, waarvoor de Commissie over een beoordelingsvrijheid beschikt. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de uit hoofde van deze beoordelingsvrijheid genomen besluiten dient de rechter zich te beperken tot de vraag of er niet sprake is van een klaarblijkelijke fout, misbruik van bevoegdheid dan wel klaarblijkelijke overschrijding van de grenzen van de beoordelingsvrijheid.

Wat de betrokken produkten betreft, wijst de Commissie erop dat de verschil len tussen de wisselkoersen van de voor de vaststelling van de mcb's in aanmerking te nemen munten op het moment dat verordening nr. 800/77 werd vastgesteld, bijzonder groot waren. Met betrekking tot het gevaar voor verstoringen merkt zij op dat tussen 1974 en 1976 een aanzienlijke stijging van de Italiaanse exporten is vastgesteld.

Zij betoogt ten aanzien van de tweede vraag, dat zij voor de toepassing van de mcb's een onderzoek naar elk afzonderlijk produkt kan verrichten, maar dat zij in bepaalde gevallen, wanneer het om een veelheid van produkten gaat, ook een globale en abstracte methode moet toepassen. In casu bestond het criterium in beginsel hierin, dat mcb's werden toegepast indien hun invloed ongeveer 5 % van de waarde van de goederen bedroeg.

Voor deegwaren werden de mcb's opnieuw ingevoerd bij verordening nr. 2604/77 van 25 november 1977 (zie de aanhangige zaken 12/78, Italië/Commissie en 84/78, Tomadini).

Ontbijtkoek en soortgelijke produkten van post 19.08 A zijn — evenwel slechts korte tijd — aan het stelsel van de monetaire compensatie onderworpen geweest. Een volledig onderzoek van de statistieken over de laatste jaren heeft aangetoond dat zich geen belangrijke veranderingen in het handelsverkeer hadden voorgedaan, en men was dan ook van mening dat het niet noodzakelijk was op die produkten mcb's toe te passen.

Wat witte chocolade betreft, is tot dusver geen enkel verzoek om toepassing van mcb's ingediend en zijn er evenmin klachten binnengekomen.

Vóór 1975 is de monetaire compensatie toegepast op cacaopoeder en soortgelijke produkten van post 18.06 A, maar de in het voorjaar van 1977 beschikbare statistieken leverden geen aanwijzingen op, dat er gevaar voor verstoringen bestond.

Door de antwoorden op de eerste twee vragen komt vraag 3 A niet meer aan de orde.

Wat vraag 3 B betreft, behoeft slechts te worden opgemerkt dat de beheerscomités zijn geraadpleegd, doch dat zij geen advies hebben uitgebracht. Voor het overige was de verlenging op het moment waarop de onderhavige verordening tot stand kwam, ten volle gerechtvaardigd indien de overwegingen in de considerans overeenstemden met de werkelijkheid, dus indien de valuta's op dat moment inderdaad zeer grote afwijkingen vertoonden en er gevaar voor verstoringen in de handel in de betrokken goederen bestond.

Volgens de Commissie had de in artikel 2, lid 2, van verordening nr. 800/77 genoemde datum (31 december 1977) een nauwkeurige betekenis, waarmee de bij verordening nr. 2657/77 ingevoerde verlenging geenszins in strijd is. Het was de Lid-Staten en de ondernemers op grond hiervan bekend, dat voor een verlenging van de toepassing van de mcb's tot na deze datum een nieuwe verordening van de Commissie nodig was.

Bij de vierde vraag merkt de Commissie op, dat het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen niet kan worden ingeroepen om van betaling van mcb's te worden vrijgesteld, wanneer de monetaire situatie de handhaving of invoering van mcb's vereist (vaste rechtspraak van het Hof).

Bij verordening nr. 2657/77 werd de verlenging een maand tevoren aangekondigd, zodat de ondernemers reeds vooruit wisten welke regeling vanaf 1 januari 1978 zou gelden. Het is zelfs aannemelijk (zie de brief van de permanente vertegenwoordiger van de Italiaanse Republiek van 24 oktober 1977 met betrekking tot de voorgenomen verlenging van de geldigheidsduur van verordening nr. 800/77), dat de ondernemers reeds vóór 30 november 1977 op de hoogte waren van het voornemen van de Commissie om de in verordening nr. 800/77 gestelde termijn te verlengen.

Ter terechtzitting van 12 december 1978 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de vennootschap Dulciora en de AIDI, ten deze vertegenwoordigd door G. Ubertazzi en F. Capelli, advocaten te Milaan; de Ierse regering, ten deze vertegenwoordigd door J. Murray, barristerat-law; de Italiaanse regering, ten deze vertegenwoordigd door I. Braguglia, avvocato dello Stato; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur C. Maestripieri als gemachtigde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 1 februari 1979 conclusie genomen

In rechte

1 Bij beschikking van 11 april 1978, ingekomen ten Hove op 20 april 1978, heeft de Pretore te Milaan krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een aantal vragen gesteld over de geldigheid van verordening nr. 800/77 van de Commissie van 20 april 1977 tot wijziging van de in verordening nr. 572/76 tot vaststelling van de monetaire compenserende bedragen opgenomen lijst van de produkten waarvoor de monétaire compenserende bedragen gelden (PB L 97 van 1977, blz. 18), en van verordening nr. 2657/77 van de Commissie van 30 november 1977 inzake de toepassing van monetaire compenserende bedragen op bepaalde produkten die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen (PB L 308 van 1977, blz. 48).

2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil over de heffing van monetaire compenserende bedragen voor exporten van suikerwerken door de vennootschap Dulciora, verzoekster in het hoofdgeding, van Italië naar de Bondsrepubliek Duitsland, België en derde landen, gedurende de laatste maanden van 1977 en de eerste maanden van 1978.

3 Verzoekster in het hoofdgeding heeft de Pretore te Milaan verzocht de heffing door de Administratie van de Staatsfinanciën, verweerster in het hoofdgeding, van een compenserend bedrag op die goederen uit hoofde van de verordeningen nrs. 800/77 en 2657/77, onwettig te verklaren.

4 De Associazione Industrie Dolciarie Italiane heeft in het hoofdgeding geïntervenieerd ter ondersteuning van de conclusies van verzoekster.

5 Het geschil heeft betrekking op de toepassing van het stelsel der monetaire compenserende bedragen op produkten die niet vallen onder bijlage II van het Verdrag en krachtens artikel 235 van het Verdrag het voorwerp zijn van een specifieke regeling als bedoeld in artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector (PB L 106 van 1971, blz. 1).

6 De in verordening nr. 800/77 bedoelde produkten behoren tot de onderverdelingen 17.04 D (suikerwerk zonder cacao, behalve zoethoutextract, kauwgom en het produkt „witte chocolade”), 18.06 B (consumptie-ijs dat cacao bevat), 18.06 C (chocolade en suikerwerken welke cacao bevatten), 19.08 B (banketbakkerswerk, gebak en biscuits, behalve „ontbijtkoek”) en21.07 C (consumptie-ijs zonder cacao).

7 Blijkens de tweede en derde overweging van verordening nr. 800/77 waren op alle landbouwprodukten waaruit deze produkten worden vervaardigd, hoge monetaire compenserende bedragen van toepassing, waardoor het prijsverschil bij de basisprodukten zo groot was geworden, dat het, gelet op de bijzondere situatie op de markt van sommige gevoelige produkten, noodzakelijkerwijze een grote invloed moest hebben op de mededingingsvoorwaarden voor de verwerkte produkten.

8 Verordening nr. 800/77 bepaalt in artikel 2, lid 2, tweede alinea, dat voor bovenbedoelde verwerkte produkten „de monetaire compenserende bedragen slechts van toepassing (zijn) uiterlijk tot en met 31 december 1977”.

9 De vaststelling van deze verordening, die met ingang van 23 mei 1977 van toepassing was, werd voorafgegaan door de beschikking van de Commissie van 23 maart 1977, waarbij Ierland werd gemachtigd voor bepaalde verwerkte landbouwprodukten vrijwaringsmaatregelen te nemen op grond van artikel 135 van de Toetredingsakte en waarbij het die Lid-Staat werd toegestaan om tot en met 31 december 1977 een bedrag te heffen bij invoer vanuit het Verenigd Koninkrijk en een bedrag toe te kennen bij uitvoer naar dat land van de onder bovengenoemde onderverdelingen vallende verwerkte landbouwprodukten (PB L 97 van 1977, blz. 29).

10 In de considerans van deze beschikking wordt opgemerkt dat:

„…de geheven of toegekende compenserende bedragen (betreffende) de basisprodukten … voor het Verenigd Koninkrijk 34,7 % en voor Ierland 10,4 % bedragen; dat deze situatie, die voor de betrokken producenten in Ierland resulteert in een relatief nadeel van 24,3 % voor de kosten van de basisprodukten, aanleiding kan geven tot distorsie van de concurrentie tussen de betrokken Lid-Staten voor de handel in de verwerkte landbouwprodukten die in de Ierse aanvraag zijn vermeld; dat deze situatie, die sinds november 1976 acuut is, voor de betrokken sectoren in Ierland aanleiding heeft gegeven tot ernstige moeilijkheden …”

11 De bij deze bilaterale regeling tussen het Verenigd Koninkrijk en Ierland ingevoerde monetaire compenserende bedragen zijn gewijzigd bij beschikking van de Commissie van 4 mei 1977 (PB L 123 van 1977, blz. 18), volgens welke deze tweede, alsmede de voorgaande beschikking, buiten werking traden op de dag waarop verordening nr. 800/77 in werking trad.

12 Tot de verlenging voor onbepaalde tijd werd besloten bij verordening nr. 2657/77 van 30 november 1977.

13 De door de Pretore te Milaan gestelde vragen luiden als volgt:

  1. Moet verordening (EEG) nr. 974/71 van de Raad (en de latere wijzigingen) aldus worden uitgelegd, dat de gemeenschapsinstellingen monetaire compenserende bedragen mogen toepassen bij de in- en uitvoer tussen Lid-Staten onderling en tussen Lid-Staten en derde landen, van de produkten bedoeld in verordening nr. 800/77, zonder dat zich verstoringen hebben voorgedaan op de markt van de basisprodukten waaruit de in verordening nr. 800/77 bedoelde produkten zijn vervaardigd?

  2. Is het, in het licht van verordening nr. 974/71 en artikel 40, lid 3, eerste alinea, EEG-Verdrag (discriminatieverbod), de Commissie toegestaan met een eigen verordening (in casu verordening nr. 800/77) de monetaire compenserende verdragen toe te passen op de in- en uitvoer van de in verordening nr. 800/77 bedoelde suikerwerken, zonder overeenkomstige compenserende bedragen in te stellen voor alle andere suikerwerken die soortgelijke kenmerken vertonen als de belaste produkten en zich in dezelfde situatie bevinden?

    1. Zo vraag 1 of vraag 2 ontkennend wordt beantwoord, zijn dan de verordeningen (EEG) nrs. 800/77 en 2657/77 van de Commissie als ongeldig te beschouwen?

    2. Is verordening nr. 2657/77 van de Commissie ook overigens als ongeldig te beschouwen omdat zij:

      1. de geldigheidsduur van verordening nr. 800/77 tot na 31 december 1977 heeft verlengd zonder dat het beheerscomité daaromtrent advies heeft uitgebracht?

      2. wegens innerlijk tegenstrijdige motivering niet voldoet aan het vereiste van artikel 190 EEG-Verdrag?

  3. Ingeval echter verordening nr. 2657/77 (en ook verordening nr. 800/77) geldig moet worden geacht, kan zij dan van toepassing zijn op exporten van de in verordening nr. 800/77 bedoelde produkten uit Italië naar de andere Lid-Staten en naar derde landen, welke na 1 januari 1978 hebben plaatsgevonden krachtens contracten gesloten vóór 1 december 1977 (datum van inwerkingtreding van verordening nr. 2657/77), dat wil zeggen in een periode toen, gezien het bepaalde bij verordening nr. 800/77, de handhaving van de compenserende bedragen voor de betrokken produkten na 31 december 1977 niet voorzienbaar was?

De eerste twee vragen

14 Verzoekster in het hoofdgeding en de Italiaanse regering betogen dat de Commissie, door verordening nr. 800/77 vast te stellen inbreuk heeft gemaakt op de bepalingen van artikel 1, lid 3, van verordening nr. 974/71, volgens welke „de bepalingen van lid 1 … slechts (worden) toegepast voor zover de toepassing van de in dit lid bedoelde monetaire maatregelen verstoringen zou veroorzaken in de handel in landbouwprodukten”.

15 Ingevolge deze bepaling hadden compenserende bedragen op de produkten die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen en die het voorwerp zijn van een regeling krachtens artikel 235 EEG-Verdrag, slechts kunnen worden ingevoerd ter voorkoming van gevaar voor verstoringen in de handel in de basislandbouwprodukten (suiker, graan, enz.) waarvan de verwerkte produkten, te weten consumptie-ijs, chocolade, biscuits, enz., afhankelijk zijn.

16 Volgens de considerans van verordening nr. 800/77 zou de Commissie niet het gevaar voor verstoringen in de handel in landbouwprodukten, doch het gevaar voor distorsies van de mededinging bij de betrokken produkten in aanmerking hebben genomen.

17 Voorts zou de motivering van verordening nr. 800/77 gebrekkig zijn doordat geen rekening wordt gehouden met het gevaar voor verstoringen in de handel in landbouwprodukten en slechts het gevaar voor verstoringen van de mededingingsvoorwaarden in de handel in verwerkte produkten wordt vastgesteld.

18 Ter rechtvaardiging van verordening nr. 800/77 heeft de Commissie inderdaad aangevoerd dat „voor verwerkte produkten waarvoor geen monetaire compenserende bedragen gelden, het prijsverschil bij de basisprodukten zo groot is geworden, dat het … noodzakelijkerwijze een grote invloed moet hebben op de mededingingsvoorwaarden voor de verwerkte produkten …”.

19 Volgens de tekst van artikel 1, lid 3, van verordening nr. 974/71, zoals neergelegd in 's Raads verordening nr. 2746/72 van 19 december 1972 (PB L 291 van 1972, blz. 148), is voor de toepassing van de monetaire compenserende bedragen op de basislandbouwprodukten vereist dat de in lid 1 bedoelde monetaire maatregelen (dat wil zeggen de fluctuatie van de wisselkoers van de munteenheid van een Lid-Staat) verstoringen in de handel in landbouwprodukten veroorzaken.

20 Voor het verwerkte produkt zijn blijkens de bepalingen van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 974/71 de toepasselijke monetaire compenserende bedragen gelijk aan de invloed die de prijs van het betrokken produkt ondergaat van de toepassing van het compenserend bedrag op de prijs van het basisprodukt waarvan het afhankelijk is.

21 Bijgevolg is de toepassing van de compenserende bedragen op verwerkte produkten voldoende gerechtvaardigd wanneer de compenserende bedragen voor de basisprodukten een aanzienlijke invloed hebben op de prijs van de verwerkte produkten.

22 Ten aanzien van de basislandbouwprodukten waaruit de in verordening nr. 800/77bedoelde verwerkte produkten zijn vervaardigd, stond het gevaar voor verstoringen vast op het moment dat de monetaire compenserende bedragen op deze basisprodukten werden toegepast.

23 Derhalve heeft de Commissie zich terecht beperkt tot de vaststelling dat de invloed van de voor de basisprodukten geldende monetaire compenserende bedragen op de prijzen van de verwerkte produkten dermate groot was geworden, dat het prijsverschil van de basisprodukten wel belangrijke gevolgen moest hebben voor de mededingingsvoorwaarden met betrekking tot de verwerkte produkten.

24 Verordening nr. 800/77 is derhalve voldoende met redenen omkleed.

25 De Italiaanse regering betoogt dat de Commissie de monetaire compenserende bedragen op de betrokken produkten niet heeft toegepast om het hoofd te bieden aan de moeilijkheden die de monetaire onbestendigheid kon meebrengen voor de goede werking van de gemeenschappelijke marktordeningen, doch om de door de Ierse verwerkende industrie gesignaleerde moeilijkheden in het handelsverkeer met het Verenigd Koninkrijk te verhelpen.

26 De toepassing van de monetaire compenserende bedragen op de betrokken produkten voor de handel tussen de Lid-Staten en met derde landen vindt volgens haar geen rechtvaardiging in de geringe invloed die de monetaire afwijkingen op de prijs van de verwerkte produkten konden hebben.

27 Krachtens artikel 14 van verordening nr. 1059/69 had de Raad passende voorzieningen kunnen treffen ten einde rekening te houden hetzij met de eventuele invloed op het handelsverkeer in goederen van bijzondere maatregelen die in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen ten aanzien van de prijzen van bepaalde basisprodukten worden genomen, hetzij met een bijzondere situatie waarin bepaalde goederen zich zouden kunnen bevinden.

28 Het gedeelte van verordening nr. 800/77 inzake de produkten waarop het onderhavige geding betrekking heeft, zou in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel, aangezien voor de oplossing van de moeilijkheden waarmee de Ierse verwerkende industrie in de beperkte sector van de handel met het Verenigd Koninkrijk had te kampen, een maatregel krachtens genoemd artikel 14 passend en voldoende zou zijn geweest, terwijl de toepassing van compenserende bedragen noodzakelijk noch evenredig was aan het nagestreefde doel.

29 De Commissie verklaart dat zij in 1975 als leidraad heeft aanvaard, dat een monetaire compensatie slechts moest worden vastgesteld voor de verwerkte produkten waarvoor de maximale gemiddelde invloed van de compensatie meer dan 5 % bedroeg.

30 Op 1 januari 1977 bedroeg het verschil tussen de „groene koers” van het Britse pond en van het Ierse pond 24,3 %, hetgeen aanleiding gaf tot herhaalde protesten van de Ierse regering en, als gevolg daarvan, tot de beschikking van 23 maart 1977 waarbij Ierland werd gemachtigd vrijwaringsmaatregelen te nemen.

31 Een grondiger analyse van de economische en juridische situatie zou hebben aangetoond dat de bestaande problemen niet afdoende konden worden opgelost door de voor Ierland genomen beschikking.

32 Op het moment dat verordening nr. 800/77 werd vastgesteld, bedroegen de afwijkingen voor de verschillende valuta's die van de compenserende bedragen in aanmerking werden genomen: Brits pond: -34,7 %; Iers pond: -10,4 %; Franse frank: -16,2 %; Italiaanse lire: -21,1 %; Duitse mark: + 9,3o/o; Belgische en Luxemburgse frank: + 1,4 %; Nederlandse gulden: + 1,4 %; Deense kroon: 0.

33 Hieruit zou blijken dat het verschil tussen het Britse en het Ierse pond veel kleiner was dan tussen het Britse pond en alle sterke munten en ook kleiner dan tussen de Duitse mark en de Italiaanse lire.

34 Bovendien overschreed de feitelijke invloed van de monetaire compensatie voor de betrokken produkten de grens van 5 %, die in 1975 doorslaggevend voor de afschaffing van bedoelde compensatie werdgeacht.

35 Artikel 14 van verordening nr. 1059/69 zou slechts doelen op het treffen van „passende voorzieningen” door de Raad, „ten einde rekening te houden met de eventuele invloed op het handelsverkeer in goederen tussen de Lid-Staten onderling en met derde landen, van bijzondere maatregelen die in het kader van de gemeenschappelijke ordeningen der landbouwmarkten met betrekking tot de prijzen van bepaalde basisprodukten zouden kunnen worden vastgesteld”.

36 Volgens de Commissie is deze bepaling dan ook niet geschikt voor het tegengaan van het gevaar voor verstoringen in het handelsverkeer in verwerkte produkten als gevolg van de monetaire situatie in de Lid-Staten.

37 Verzoekster in het hoofdgeding en de Italiaanse regering hebben de door de Commissie verstrekte gegevens niet aangevochten.

38 Verzoekster in het hoofdgeding betoogt dat de uitbreiding van het stelsel van de monetaire compensatie tot suikerwerken niet wordt gerechtvaardigd doordat de voor de basisprodukten geldende compenserende bedragen eveneens hebben geleid tot prijsverschillen en verstoringen met betrekking tot de verwerkte produkten, omdat de Commissie niet heeft vermeld waarom zij het stelsel van de compenserende bedragen heeft uitgebreid tot bepaalde ver werkte landbouwprodukten, doch niet tot andere groepen belangrijke produkten — zoals met name preparaten voor kindervoeding, voor dieetvoeding of voor keukengebruik, „corn flakes” en andere gewone bakkerswaren.

39 Het ontbreken van compenserende bedragen voor laatstgenoemde produkten zou hebben geleid tot een discriminatie tussen de exporteurs van die produkten en de exporteurs van de door de bestreden verordening getroffen produkten.

40 De Commissie is echter niet gehouden om compenserende bedragen voor alle produken van een groep vast te stellen, doch zij kan de noodzaak van toepassing van compenserende bedragen hetzij per produkt, hetzij per groep produkten beoordelen.

41 Voorts heeft verzoekster in het hoofdgeding niet aangetoond dat het gaat om soortgelijke produkten, die concurreren met de in de verordening bedoelde.

42 Derhalve moet worden vastgesteld dat het de Commissie vrijstond om verordening nr. 800/77 uit de vaardigen en de monetaire compenserende bedragen voor de betrokken produkten vast te stellen.

43 Bijgevolg moeten de eerste twee vragen aldus worden beantwoord, dat bij onderzoek van de bepalingen in geding niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de geldigheid van verordening nr. 800/77 in twijfel kan worden getrokken.

44 Gezien het antwoord op deze vragen behoeft vraag 3 A niet te worden beantwoord.

Vraag 3 B, sub a

45 Vraag 3 B, sub a, houdt in of verordening nr. 2657/77 van de Commissie als ongeldig moet worden beschouwd omdat zij de geldigheidsduur van verordening nr. 800/77 tot na 31 december 1977 heeft verlengd zonder dat het beheerscomité daaromtrent advies had uitgebracht.

46 In artikel 6 van verordening nr. 974/71 wordt bepaald dat de uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 26 van verordening nr. 120/67 van de Raad, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, laatstelijk gewijzigd bij verordening nr. 2434/70, of, naargelang van het geval, het overeenkomstige artikel van andere verordeningen betreffende de gemeenschappelijke ordening der land bouwmarkten.

47 Verordening nr. 120/67 is afgeschaft en vervangen door verordening nr. 2727/75, waarvan artikel 26, dat overeenstemt met artikel 26 van verordening nr. 120/67, luidt als volgt:

  1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter deze procedure bij het Comité in, hetzij op eigen initiatief hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat.

  2. De vertegenwoordiger van de Commissie dient een ontwerp in van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt over deze maatregelen advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naargelang van de urgentie der aan een onderzoek onderworpen vraagstukken. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van 41 stemmen.

  3. De Commissie stelt maatregelen vast, die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien echter deze maatregelen niet in overeenstemming zijn met het door het Comité uitgebrachte advies, worden zij door de Commissie onverwijld ter kennis van de Raad gebracht; in dat geval kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten, tot ten hoogste een maand na deze kennisgeving uitstellen.

    De Raad kan binnen een maand met gekwalificeerde meederheid van stemmen een andersluidend besluit nemen”.

48 Blijkens de laatste overweging van verordening nr. 1356/76 heeft het Comité van Beheer geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter gestelde termijn.

49 Volgens het bepaalde in artikel 26 van verordening nr. 2727/75 moeten slechts in het geval dat de Commissie maatregelen vaststelt die niet in overeenstemming zijn met het door het Comité uitgebrachte advies, deze maatre gelen ter kennis van de Raad worden gebracht.

50 Derhalve tast het ontbreken van een advies van het Comité geenszins de geldigheid van de door de Commissie vastgestelde maatregelen aan.

Vraag 3 B, sub b

51 Verzoekster in het hoofdgeding en de Italiaanse regering betogen dat de Commissie met artikel 2, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 800/77 haar eigen discretionaire bevoegdheid, dat wil zeggen de uitoefening van die bevoegdheid, zonder mogelijkheid van verlenging tot 31 december 1977 wilde beperken.

52 Bijgevolg zou de Commissie misbruik maken van haar bevoegdheid wanneer zij, zonder dat de situatie aanmerkelijk is gewijzigd, besluit dat de monetaire compenserende bedragen voor onbepaalde tijd zullen worden toegepast.

53 Volgens verzoekster in het hoofdgeding is de motivering van verordening nr. 2657/77 tegenstrijdig, omdat de geldigheidsduur van een verordening die „uiterlijk” op 31 december 1977 zou eindigen, is verlengd, zonder dat de situatie — zoals de Commissie zelf verklaart — „belangrijk (was) gewijzigd”.

54 Zelfs in de door de Italiaanse regering voorgestane betekenis zou artikel 2, lid 2, van verordening nr. 800/77 de Commissie niet kunnen ontslaan van haar plicht, de situatie vóór het eind van het jaar opnieuw te onderzoeken.

55 De zesde overweging van verordening nr. 800/77 bepaalde „dat de economische situatie voor de betrokken … produkten vóór het eind van het jaar opnieuw onderzocht dient te worden en de lijst van deze produkten die zijn onderworpen aan het stelsel van monetaire compenserende bedragen eventueel moet worden herzien”.

56 Uit deze overweging kon niet worden afgeleid dat indien de situatie ongewijzigd bleef, de toepasssing van de compenserende bedragen onvermijdelijk zou worden stopgezet; men kon er daarentegen uit afleiden dat indien hun toepassing na 31 december 1977 moest worden voortgezet, een nieuwe verordening noodzakelijk was.

57 Bijgevolg is verordening nr. 2657/77 voldoende met redenen omkleed, en moet vraag 3 B, sub b, ontkennend worden beantwoord.

De vierde vraag

58 In de vierde plaats wordt gevraagd of verordening nr. 2657/77 kan worden geacht van toepassing te zijn op exporten van de in verordening nr. 800/77 bedoelde produkten uit Italië naar de andere Lid-Staten en naar derde landen, welke na 1 januari 1978 hebben plaatsgevonden krachtens contracten gesloten vóór 1 december 1977, datum van inwerkingtreding van verordening nr. 2657/77.

59 Volgens de Italiaanse regering en verzoekster in het hoofdgeding is er voorts sprake van schending van het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen doordat de termijn van verordening nr. 800/77 dermate imperatief werd vastgesteld, dat men ervan mocht uitgaan dat de toepassing van de compenserende bedragen „uiterlijk op 31 december 1977” zou eindigen.

60 De omstandigheid dat verordening nr. 2657/77 een maand vóór het einde van die termijn in werking is getreden, volstaat volgens haar niet om het gerechtvaardigd vertrouwen te beschermen, daar de uiterste termijn niet voor verlenging vatbaar was verklaard, nu verordening nr. 800/77 bepaalde dat „de monetaire compenserende bedragen slechts van toepassing (zijn) uiterlijk tot en met 31 december 1977”.

61 Zelfs indien verordening nr. 2657/77 niet ongeldig moet worden verklaard, zouden bijgevolg de monetaire compenserende bedragen niet moeten worden toegepast op de vóór de inwerkingtreding van die verordening, te weten 1 december 1977, gesloten contracten.

62 Gezien evenwel de bewoordingen van de reeds aangehaalde zesde overweging kon een voorzichtig ondernemer uit de tekst van artikel 2, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 800/77 niet afleiden dat, indien de situatie tegen het einde van het jaar ongewijzigd bleef, de Commissie de compenserende bedragen voor de betrokken produkten zou afschaffen.

63 Derhalve waren er geen termen aanwezig om de vóór de datum van verordening nr. 2657/77 gesloten contracten van de toepassing van de compenserende bedragen te ontheffen.

Kosten

64 De kosten door de Ierse regering, de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese het Hor gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen.

65 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Pretore te Milaan bij beschikking van 11 april 1978 gestelde vragen, verklaart voor recht:

  1. Bij onderzoek van de bepalingen in geding is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de geldigheid van verordening nr. 800/77 in twijfel kan worden getrokken.

  2. Bij onderzoek van vraag 3 B is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 2657/77 kunnen aantasten.

  3. Er waren mitsdien geen termen aanwezig om de vóór de datum van verordening nr. 2657/77 gesloten contracten van de toepassing van de monetaire compenserende bedragen te ontheffen.

Mertens de Wilmars

Mackenzie Stuart

Pescatore

Sørensen

O'Keeffe

Bosco

Touffait

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op vijf april negentienhonderdnegenenzeventig.

De griffier

A. Van Houtte

De waarnemend president

J. Mertens de Wilmars

(president van de Eerste Kamer)