Hof van Justitie EU 30-10-1978 ECLI:EU:C:1978:194
Hof van Justitie EU 30-10-1978 ECLI:EU:C:1978:194
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 30 oktober 1978
Uitspraak
Beschikking van de president van het Hof
van 30 oktober 1978 (1)
Heintz van Landewyck sàrl en anderen
tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen
Gevoegde zaken 209 tot 215 en 218/78 R
In de gevoegde zaken 209/78 R tot en met 215/78 R en 218/78 R,
Heintz van Landewyck SÀRL, ten deze vertegenwoordigd door E. Arendt, advocaat en procureur, wonende te Luxemburg, 348, rue Philippe II, te wiens kantore ten deze domicilie wordt gekozen,
Fédération BELGO-LUXEMBOURGEOISE des Industries du Tabac asbl, hierna te noemen Fedetab, ten deze vertegenwoordigd door L.Goffin en A. Braun, advocaten te Brussel, kantoorhoudende aldaar onderscheidenlijk 6, Vosdreef te Ukkel (1180 Brussel) en 116, Broquevillelaan te Sint Lamberts Woluwe (1200 Brussel), domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Arendt voornoemd,
Établissements Gosset SA, ten deze vertegenwoordigd door W. van Gerven en J.-F. Bellis, advocaten te Brussel, kantoorhoudende aldaar 47, Hertogstraat (1000 Brussel), domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Arendt voornoemd,
BRT BENELUX SA, ten deze vertegenwoordigd door Ph.-F. Lebrun, advocaat te Brussel, kantoorhoudende aldaar 1040 Brussel, 31, Montoyerstraat (bus 2), domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Arendt voornoemd,
Compagnie INDÉPENDANTE des Tabacs CINTA SA, hierna te noemen Cinta, ten deze vertegenwoordigd door E. Jakhian en B. Hanotiau, advocaten te Brussel, kantoorhoudende aldaar onderscheidenlijk 56 en 82, avenue F. D. Roosevelt, 1050 Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Arendt voornoemd,
WELTAB SA, ten deze vertegenwoordigd door P. van Ommeslaghe, advocaat te Brussel, kantoorhoudende aldaar 1180 Brussel, 167, avenue Montjoie, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Arend voornoemd,
Jubile SA, ten deze vertegenwoordigd door H. G. Kemmler, B. Rapp-Jung en A. Böhlke, 6 Frankfurt am Main, Meisengasse 8, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Arendt voornoemd,
Van der Elst SA, ten deze vertegenwoordigd door H. G. Kemmler, B. Rapp-Jung en A. Böhlke, 6 Frankfurt am Main, Meisengasse 8, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Arendt voornoemd,
verzoeksters,bijgestaan door:
Associations DES Détaillants en Tabac ASBL, hierna te noemen Atab, ten deze vertegenwoordigd door J.-R. Thys, advocaat te Brussel, kantoorhoudende 356, avenue A. J. Sleyers, 1200 Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Arendt voornoemd,
en
Association nationale des Grossistes en Produits Manufacturés du Tabac, hierna te noemen Agrotab, beroepsorganisatie, vertegenwoordigd door J .-M. van Hille en N. François, advocaten te Gent, kantoorhoudende aldaar Coupure 91, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij F. Entringer, 2, rue du Palais de Justice,
interveniënten,
tegenCommissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur B. van der Esch, als gemachtigde, bijgestaan door J. Fr. Verstrynge en G. zur Hausen, leden van de juridische dienst der Commissie, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij M. Cervino, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verweerster,BESCHIKKING
genomen.
Ten aanzien van de feiten
Overwegende dat de Commissie, nadat er krachtens artikel 85 van het EEG-Verdrag een procedure aanhangig was gemaakt, op 20 juli 1978 een beschikking heeft genomen, genummerd 78/670/EEG (IV/28.852 GB-INNO-BM t. Fedetab; IV/29.127 Mestdagh-Huyghebaert t. Fedetab en IV/29.149 — „Aanbeveling Fedetab”; PB L 224, blz. 29 e.v.) waarin aan verzoeksters een of meer inbreuken op artikel 85 van het Verdrag worden verweten;
dat verzoeksters krachtens artikel 3, lid 1, dier beschikking gehouden zijn onverwijld een einde te maken aan de in artikel 2 vastgestelde inbreuk en zich in de toekomst hebben te onthouden van elke handeling „welke hetzelfde voorwerp heeft als” voormelde inbreuk;
dat de aanbeveling inzake de verkoop van sigaretten op de Belgische markt (hierna te noemen „de aanbeveling Fedetab”), zoals zij door verzoeksters bij de Commissie is aangemeld en op 1 december 1975 in werking is getreden, met als voorwerp:
-
de verdeling van de Belgische groothandelaren en detaillisten in categorieën en de toekenning van verschillende kortingspercentages aan deze categorieën;
-
de toepassing op de groothandelaren en detaillisten van eenvormige betalingstermijnen;
-
de toekenning aan de groothandelaren en detaillisten van een eindejaarsristorno;
volgens artikel 2 der beschikking een inbreuk vormt op artikel 85, lid 1, van het verdrag en niet voor een ontheffing op grond van lid 3 van ditzelfde artikel in aanmerking kan komen;
Overwegende dat verzoeksters ieder afzonderlijk primair om nietigverklaring — en, in sommige gevallen subsidiair om wijziging — van voormelde beschikking hebben verzocht;
dat zij ieder afzonderlijk separaat hebben verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van artikel 3, lid 1 (en, in sommige zaken, van artikel 2) der beschikking totdat het Hof zich ten principale zal hebben uitgesproken;
dat bedoelde zaken bij beschikking van het Hof van 26 oktober 1978, zowel voor de schriftelijke als voor de mondelinge behandeling zijn gevoegd;
dat het Hof bij beschikking van diezelfde datum de interveniërende partijen heeft toegelaten zich aan de zijde van verzoeksters in het geding te voegen;
Overwegende dat verzoeksters en interveniënten in hoofdzaak betogen dat het, bijaldien de tenuitvoerlegging van artikel 3, lid 1, der gewraakte beschikking niet zou worden opgeschort, in een zeer nabije toekomst zou komen tot een aanmerkelijke, niet ongedaan te maken ontwrichting van de omstandigheden op de Belgische sigarettenmarkt, tot groot nadeel van fabrikanten, grossiers en gespecialiseerde detaillisten;
Overwegende dat de Commissie van mening is dat een onmiddellijke beëindiging der door de Commissie verboden restrictieve praktijken geen enkel risico van onherstelbare benadeling der verzoeksters medebrengt; dat met name een onmiddellijke terugkeer tot de concurrentie op het niveau van de handel in tabaksprodukten geen efficiënt tussenhandelaar en geen concurrerend producent in gevaar zou brengen en slechts tot individuele aanpassingen zou leiden in een ritme dat de duur van een procedure voor het Hof ruimschoots zou overschrijden;
dat de Commissie evenwel, bijaldien het Hof nochtans mocht oordelen dat zich ten deze een geval van onverwijlde spoed voordoet en dat onherstelbare schade dreigt, zodat de tenuitvoerlegging van de artikelen 2 en 3 dient te worden opgeschort, het Hof enerzijds heeft verzocht te bepalen dat zodanige opschorting de vrijheid van Fedetab's leden zich ten allen tijde aan de in het bestek van de aanbeveling Fedetab overeengekomen regelen te onttrekken onverlet laat en de voortzetting van de controles en de eventueel toegepaste sancties niet vermag te rechtvaardigen, anderzijds te gelasten dat al Fedetab's leden alsook alle bij de verboden aanbeveling betrokken ondernemers, van die rechtstoestand op de hoogte zullen worden gesteld;
Overwegende dat verzoeksters, interveniënten en de Commissie ter terechtzitting van 27 oktober 1978 zijn gehoord;
Ten aanzien van het recht
1 Overwegende dat de in kort geding gedane verzoeken strekken tot het bekomen van een uitspraak waarbij schorsing van de tenuitvoerlegging van de artikelen 2 en 3 van de beschikking der Commissie wordt gelast;
2 dat de Commissie in de redengeving der beschikking (overweging 123) zelf de mogelijkheid erkent dat de vrije concurrentie eventueel tot uitschakeling van bepaalde ondernemers op de betrokken markt kan leiden;
3 dat de mogelijkheid van onmiddellijk, niet ongedaan te maken nadeel dan ook niet mag worden uitgesloten;
4 dat er derhalve termen aanwezig zijn om, overeenkomstig artikel 185 van het EEG-Verdrag, de opschorting van de uitvoering der artikelen 2 en 3 van de bestreden handeling te gelasten vóór en onverminderd 's Hofs uitspraak ten principale;
5 dat deze opschorting evenwel niet medebrengt dat een ondernemersovereenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging welke krachtens artikel 85, lid 1, met de in lid 3 van dit artikel voorziene gevolgen werd nietigverklaard, als voorlopig geldig is te beschouwen, kunnende de rechter in kort geding zijn beoordeling niet voor die van de Commissie in de plaats stellen;
6 dat ieder lid van Fedetab vrij blijft zich te allen tijde te onttrekken aan de regelen, overeengekomen in de „Aanbeveling Fedetab” van 1 december 1975;
7 Overwegende dat in deze staat van het geding de uitspraak inzake de kosten moet worden voorbehouden;
de President,
voorlopig uitspraak doende:
-
Gelast de opschorting van de uitvoering van de artikelen 2 en 3 van de beschikking nr. 78/670 /EEG van de Commissie van 20 juli 1978 — (IV /28.852 — GB-INNO-BM t. Fedetab; IV/29 .127 — Mestdagh-Huyghebaert t. Fedetab en IV /29.149 „Aanbeveling Fedetab”) — en wel zulks totdat het Hof ten principale uitspraak zal hebben gedaan.
-
Verstaat dat Fedetab gehouden is de tekst dezer beschikking aan al zijn leden mede te delen.
-
Houdt de uitspraak inzake de kosten aan.
Uitgesproken te Luxemburg op dertig oktober negentienhonderdachtenzeventig.
J. A. Pompe
adjunct-griffier
A. J. Mackenzie Stuart
president van de Tweede Kamer, fungerend president van het Hof