Home

Hof van Justitie EU 16-01-1980 ECLI:EU:C:1980:12

Hof van Justitie EU 16-01-1980 ECLI:EU:C:1980:12

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
16 januari 1980

Conclusie van de advocaat-generaal F. Capotorti

van 16 januari 1980 (1)

Mijnheer de President,

mijne beren Rechters,

1. De prejudiciële vraag waarover het Hof zich moet uitspreken, heeft betrekking op de toepassing van de rechtvaardigingsgrond overmacht op het gebied van de monetaire compenserende bedragen.

De feiten kunnen worden samengevat als volgt:

In november 1977 verkocht de firma Butter- und Eier-Zentrale Nordmark te Hamburg ongeveer 18 ton boter aan een Engelse onderneming. De verkoopprijs werd berekend op grond van de koopprijs op de Duitse markt, verminderd met het voor het Verenigd Koninkrijk geldende compenserend bedrag „toetreding” en met de monetaire compenserende bedragen bij uitvoer, voor Duitsland, en bij invoer, voor het Verenigd Koninkrijk. Wat dit laatste betreft, moet worden opgemerkt dat de betaling ervan, in de betrekkingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Bondsrepubliek Duitsland, ten laste komt van de uitvoerende en niet van de invoerende staat — aldus is overeengekomen overeenkomstig artikel 2bis van verordening nr. 974 van de Raad van 12 mei 1971 (later gewijzigd bij verordening nr. 1112 van 30 april 1973). Derhalve hadden alle compenserende bedragen in casu door de Duitse autoriteiten moeten worden betaald.

De waar werd op 10 november 1977 in de Deense haven Esbjerg verscheept met het m.s. „Hero”. Ongelukkigerwijze leed het schip op 13 november schipbreuk, waarbij de gehele lading verloren ging. De verzekeringsmaatschappij vergoedde de verkoopster de prijs van de waar (cif Manchester) en de Duitse douane betaalde haar zowel het compenserend bedrag „toetreding” als het monetaire compenserende bedrag voor uitvoer; zij weigerde echter haar ook het compenserende bedrag voor invoer te betalen, stellende dat dit niet verschuldigd was omdat de waar niet op de plaats van bestemming was aangekomen. Tegen deze weigering stelde de firma beroep in bij het Finanzgericht Hamburg. Bij beschikking van 20 februari 1979 heeft dit de procedure geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag voorgelegd :

„Dient artikel 11, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 naar analogie met artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975, in het geval de monetaire compensatie wordt betaald door de uitvoerende staat in plaats van door de invoerende staat, aldus te worden uitgelegd dat, wanneer de uit een Lid-Staat uitgevoerde produkten onderweg als gevolg van overmacht verloren zijn gegaan, de exporteur overeenkomstig artikel 2bis van verordening (EEG) nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 recht heeft op dezelfde monetaire compenserende bedragen als die welke hem verschuldigd zouden zijn geweest, indien de produkten op hun bestemming waren aangekomen en de douaneformaliteiten bij invoer aldaar waren vervuld?”

2. Verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen, bepaalt in artikel 11, lid 2, dat voor betaling van het compenserende bedrag bij invoer het bewijs moet worden overgelegd dat de douaneformaliteiten bij invoer zijn vervuld. Deze verordening voorziet niet in het geval dat wel de uitvoer heeft plaatsgevonden (dat wil zeggen dat de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld en het produkt het geografische grondgebied van de uitvoerende Lid-Staat heeft verlaten: vgl. artikel 10, lid 1), doch de invoer niet heeft kunnen plaatsvinden, omdat de waar tijdens het transport door overmacht verloren is gegaan. De vraag is dus, hoe een dergelijk geval moet worden opgelost.

Mijns inziens bestaan er drie mogelijkheden: ofwel men aanvaardt het bestaan in het gemeenschapsstelsel van de rechtvaardigingsgrond overmacht als algemeen beginsel dat ook op bedoeld geval kan worden toegepast, ofwel men geeft overeenkomstige toepassing aan de uitdrukkelijke bepaling van verordening nr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975 betreffende restituties bij uitvoer naar derde landen, dat de uitvoerrestituties ook worden betaald wanneer de waar tijdens de reis door overmacht verloren is gegaan, ofwel, wanneer de voorwaarden voor overeenkomstige toepassing niet zijn vervuld, men neemt aan dat verordening nr. 1380/75 de importeur het risico van het verloren gaan van de waar tijdens de reis wil laten dragen voor wat de betaling van compenserende bedragen bij invoer betreft. Zo men voor deze derde oplossing kiest, moet echter worden opgemerkt dat wanneer de betrokken staten de in artikel 2bis van verordening nr. 974/71 bedoelde overeenkomst hebben gesloten, het risico voor het verloren gaan Van de waar tijdens het vervoer door de verkoper moet worden gedragen, die, omdat hij niet kan bewijzen dat de waar is ingevoerd, van de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer niet de betaling van de monetaire compenserende bedragen voor invoer kan vorderen en anderzijds een verzekeringsuitkering zal krijgen, gelijk aan de prijs die voordien is berekend met aftrek van deze bedragen.

3. Mijns inziens bestaat er in de communautaire rechtsorde geen algemeen beginsel ter bescherming van de belangen van de debiteur, waardoor deze wordt gevrijwaard voor alle nadelige gevolgen van het niet-nakomen van zijn verplichtingen, indien dit het gevolg is van overmacht.

Het begrip overmacht is in 's Hofs rechtspraak ontwikkeld aan de hand van specifieke bepalingen van de landbouwverordeningen die soms rechtstreeks, soms op overeenkomstige wijze worden toegepast. Zoals ik echter in mijn conclusie van 5 december 1979 in de zaak-Ferriera Valsabbia e. a. heb opgemerkt, „[is] het bewijs van een algemeen beginsel waaraan een voor alle sectoren van het gemeenschapsrecht geldend uniform begrip overmacht zou kunnen worden ontleend, niet geleverd”. In zijn arrest van 11 juli 1968 (zaak 4/68, Schwarzwaldmilch, Jurispr. 1968, blz. 524, 537) heeft het Hof immers overwogen dat „de term ‚overmacht’ op de verschillende rechtsgebieden en op de onderscheiden terreinen van rechtstoepassing niet een zelfde inhoud heeft, zodat zijn betekenis moet worden vastgesteld in het wettelijke kader binnen hetwelk hij tot rechtsgevolgen moet leiden”. Ook in het arrest van 30 januari 1974 (zaak 158/73, Kampffmeyer, Jurispr. 1974, blz. 101) werd overwogen, dat het begrip overmacht een veranderlijke strekking heeft en dat „de betekenis ervan moet worden vastgesteld naargelang van het wettelijk kader waarin de term bestemd is effect te sorteren”. Ten slotte werd er in het arrest van 14 februari 1978 (zaak 68/77, IFG, Jurispr. 1978, blz. 353) aan herinnerd, dat de rechtsstelsels der Lid-Staten de rechtvaardigingsgrond overmacht slechts kennen „voor bepaalde samenhangen en rechtsbetrekkingen”.

De tendens van 's Hofs rechtspraak is dus, het bestaan van een algemeen beginsel van overmacht uit te sluiten, en mijns inziens bestaan er geen goede gronden voor een andere opvatting. Juist uit het feit dat een aantal bepalingen van afgeleid recht met betrekking tot bijzondere situaties de rechtvaardigingsgrond overmacht noemen, blijkt dat de communautaire wetgever ervan overtuigd was dat een algemeen beginsel ontbrak. Hieraan zij toegevoegd, dat in sommige gevallen het beroep op overmacht wordt aanvaard om de debiteur de sanctie wegens niet-nakoming ervan te besparen; in andere gevallen om ook hem een voordeel te kunnen toekennen dat hij normaliter enkel bij nakoming van zijn verbintenis zou krijgen. Hieruit blijkt welke verschillende functies de rechtvaardigingsgrond overmacht kan hebben; ook dit verklaart waarom een algemeen beginsel ontbreekt.

4. Vervolgens zou ik de tweede van de drie hierboven genoemde mogelijkheden willen onderzoeken. Het gaat erom of de bepaling dat de exporteur uitvoerrestituties voor landbouwprodukten kan verkrijgen zonder dat hij het bewijs van invoer in een derde land hoeft over te leggen, wanneer de waar tijdens het transport verloren is gegaan (artikel 6 van verordening nr. 192/75 van de Commissie), van overeenkomstige toepassing is in het geval van monetaire compenserende bedragen.

Het Hof heeft in verschillende zaken de mogelijkheid onderzocht om gemeenschapsbepalingen, volgens welke een handelaar niet kan worden benadeeld wanneer hij als gevolg van overmacht bepaalde verplichtingen jegens de overheid niet is nagekomen, op overeenkomstige wijze toe te passen. Met name in het arrest van 24 juni 1970 (zaak 73/79, Oehlmann, Jurispr. 1970, blz. 467) is deze mogelijkheid in beginsel aanvaard, ofschoon ze vervolgens in concreto werd uitgesloten wegens het grote verschil tussen de twee betrokken situaties. Vervolgens werd in het arrest van 20 februari 1975 (zaak 64/74, Reich, Jursipr. 1975, blz. 261) de in artikel 8, lid 3, van verordening nr. 87 van de Commissie van 25 juli 1962 vervatte bepaling inzake overmacht op overeenkomstige wijze toegepast op het stelsel van de heffingen. Daarbij werd overwogen „dat de heffing, overeenkomstig artikel 2, leden 1 en 2, van verordening nr. 31/63/EEG van de Raad tevoren vastgesteld voor een invoer van maïs uit een Lid-Staat, ook op die invoer van toepassing blijft wanneer deze niet heeft plaatsgevonden in de bij de aanvraag van het certificaat aangegeven maand, voor zover de aldus opgetreden vertraging niet kan worden toegeschreven aan de handelwijze van de importeur of aan normaal voorzienbare omstandigheden, maar te wijten is aan overmacht opleverende omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8, lid 3, van verordening nr. 87/62/EEG”.

Ten slotte heeft het Hof meer recentelijk juist artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 betreffende uitvoerrestituties op overeenkomstige wijze toegepast op de compenserende bedragen „toetreding”. In het arrest van 11 juli 1978 (zaak 6/78, Union française des Céréales, Jurispr. 1978, blz. 1675) werd immers overwogen, dat artikel 5, lid 2, van verordening nr. 269/73 van de Commissie, volgens hetwelk de betaling van compenserende bedragen „toetreding” afhankelijk is van het bewijs van de vervulling van de formaliteiten bij invoer, naar analogie met artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer de uit een oude Lid-Staat naar een nieuwe Lid-Staat uitgevoerde waar onderweg door overmacht verloren is gegaan, de exporteur recht heeft op dezelfde compenserende bedragen als die welke verschuldigd zouden zijn geweest, indien de waar op haar bestemming was aangekomen en de douaneformaliteiten bij invoer aldaar waren vervuld. Tot deze conclusie kwam het Hof vooral op grond van het beginsel van de gemeenschapspreferentie. Dit moest in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten reeds vóór hun volledige integratie in de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten worden verzekerd. Het Hof overwoog, dat de exporteur in het geval dat de waar onderweg door overmacht verloren zou gaan, een reëel verlies zou lijden indien de compenserende bedragen „toetreding” hem niet zouden worden uitbetaald, daar de overeenkomstig de cif-clausule ten behoeve van de koper gesloten verzekering slechts de waarde van het goed naar de prijzen in het land van invoer, en niet naar de hogere gemeenschappelijke prijzen in het land van uitvoer dekt.

Om vast te stellen of het gerechtvaardigd is zich ten tweede male op artikel 6 van verordening nr. 192/75 te baseren en de rechtvaardigingsgrond overmacht op overeenkomstige wijze ook uit te breiden tot de sector van de monetaire compenserende bedragen, lijkt het mij dienstig eerst de doelstellingen van de uitvoerrestituties, de compenserende bedragen „toetreding” en de monetaire compenserende bedragen te vergelijken.

Zoals ik heb opgemerkt in mijn conclusie in zaak 6/78 (Union française des Céréales, Jurispr. 1978, blz. 1687) dienen deze restituties „ter overbrugging van het verschil tussen de noteringen of de prijzen van deze produkten in de Gemeenschap en de wereldmarktprijzen” (vgl. eerste overweging van verordening nr. 139/67 van de Raad van 21 juni 1967); ter bereiking van deze doelstelling werd het noodzakelijk geacht „het bedrag van de restituties te differentiëren tussen de markten van de Gemeenschap en de markten van de landen van bestemming, alsmede van de bijzondere invoervoorwaarden in bepaalde landen van bestemming” (vgl. vijfde overweging van genoemde verordening). En zoals in de considerans van verordening nr. 87 van 13 januari 1975 wordt gepreciseerd, „[vormt] de restitutie een instrument dat handhaving van de uitvoer van graanprodukten naar derde landen mogelijk maakt”.

Wat de compenserende bedragen „toetreding” betreft, deze zijn ingesteld bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der Verdragen. De artikelen 51 en 52 van de Akte staan voor de nieuwe Lid-Staten gedurende de overgangsperiode een prijspeil voor de landbouwprodukten toe, dat afwijkt van het peil van de gemeenschappelijke prijzen; deze afwijking wordt gecorrigeerd door een stelsel van compenserende bedragen, dat van toepassing is in het handelsverkeer tussen de nieuwe Lid-Staten en de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling. Zoals blijkt uit de considerans van verordening nr. 229/73, beoogt dit stelsel te garanderen dat het verkeer in deze produkten ondanks het verschillende prijspeil onder bevredigende voorwaarden plaatsvindt.

De monetaire compenserende bedragen ten slotte werden ingesteld om het hoofd te bieden aan de schommelingen die zich de laatste tien jaar tussen de munteenheden van de Lid-Staten hebben voorgedaan. Het is bekend dat de omrekeningskoersen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden toegepast voor de in nationale munteenheid vastgestelde uniforme prijzen, na de devaluatie van de Franse frank in 1969 niet meer overeenkomen met de koers van de nationale munteenheden op de wisselmarkt. Het bij verordening nr. 974/71 ingevoerde stelsel der monetaire compenserende bedragen beoogt de gevolgen voor het landbouwbeleid op te heffen van de externe monetaire factoren die etde noodzaak van zijn dat de in het landbouwbeleid toegepaste omrekeningskoersen niet meer overeenkomen met de op de wisselmarkt geldende koersen. Daartoe wordt voor de munteenheid van elke Lid-Staat een monetair compenserend bedrag vastgesteld, waardoor de verschillen tussen de afzonderlijke wisselkoersen worden gecompenseerd.

Met deze drie, in het kort beschreven mechanismen worden dus verschillende technische doelstellingen nagestreefd, en toch hebben zij, ondanks dit verschil — waarin de specifieke functie van elk ervan tot uitdrukking komt —, een beslissend kenmerk gemeen. Alle drie beogen ze immers het verkeer in landbouwprodukten (respectievelijk tussen de Gemeenschap en derde landen, tussen de oorspronkelijke en de nieuwe Lid-Staten, en tussen Lid-Staten in het algemeen) mogelijk te maken, door de belemmeringen op te heffen die het gevolg zijn van de verschillen tussen de op de afzonderlijke markten geldende en in nationale valuta uitgedrukte prijzen, en die het handelsverkeer in deze produkten kunnen bemoeilijken en derhalve de goede werking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in gevaar kunnen brengen.

Dit gemeenschappelijke element is een eerste factor om te komen tot erkenning van de mogelijkheid van overeenkomstige toepassing, niet alleen (zoals het Hof reeds heeft gedaan) in de verhouding tussen de restitutieregeling en de regeling inzake compenserende bedragen „toetreding”, maar ook in de verhouding tussen de restitutieregeling en het stelsel van de monetaire compenserende bedragen.

Maar er is meer: indien men ziet naar de specifieke functie van de monetaire compenserende bedragen, kan men hieruit een andere reden voor toepassing van de rechtvaardigingsgrond overmacht afleiden. Wij zagen immers, dat deze bedragen het intracommunautaire verkeer in landbouwprodukten tegen monetaire schommelingen moeten beschermen. Indien de verkoper in een geval als het onderhavige echter geen monetaire compensatie bij invoer zou kunnen krijgen, zou hij juist als gevolg van deze monetaire schommelingen volkomen buiten zijn schuld schade lijden. In dat geval zou met het stelsel der monetaire compenserende bedragen dus niet het resultaat worden bereikt waarvoor het in het leven is geroepen.

5. Alvorens echter in het onderhavige geval het beroep op overeenkomstige toepassing te aanvaarden, moeten wij eerst de bijzondere situaties bezien welke de verordeningen nrs. 192/75 en 1380/75-op het oog hebben, om te kunnen vaststellen of deze niet alleen passen in het algemeen kader dat beantwoordt aan bepaalde gemeenschappelijke doelstellingen, doch of ze ook adequate en significante overeenkomsten vertonen.

Volgens genoemd artikel 6 van verordening nr. 192/75 is betaling van de restituties afhankelijk van het bewijs dat de waar daadwerkelijk in het derde land van bestemming is ingevoerd, zulks wanneer ernstige twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming van het produkt of wanneer er reden bestaat voor de veronderstelling dat het produkt opnieuw in de Gemeenschap zal worden ingevoerd in verband met het verschil tussen de toepasselijke restitutievoet en de (lagere) douaneheffing op dezelfde waar bij invoer in de Gemeenschap. Een overeenkomstige bepaling vinden wij in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1380/75 inzake de monetaire compenserende bedragen. Beide bepalingen hebben ten doel fraude te voorkomen: verordening nr. 192/75 wil voorkomen dat het uitgevoerde produkt weer in de Gemeenschap wordt ingevoerd nadat de restituties zijn geïncasseerd; verordening nr. 1380/75 wil op dezelfde wijze verhinderen dat het naar een Lid-Staat uitgevoerde produkt vervolgens weer naar een andere staat wordt gebracht, nadat de compenserende bedragen zijn geïnd die waren vastgesteld voor de staat waarvoor de waar was bestemd (dit zou voordelig zijn indien het compenserende bedrag voor het land waarnaar zou moeten worden uitgevoerd, hoger is dan het bedrag voor het land van daadwerkelijke bestemming).

Het is derhalve duidelijk dat in de verordeningen nrs. 192 en 1380/75 (evenals in verordening nr. 269/73 inzake de compenserende bedragen „toetreding”) met de voorwaarde dat subsidies alleen kunnen worden geïnd indien daadwerkelijk in het land van bestemming wordt ingevoerd, hetzelfde resultaat wordt beoogd, namelijk het voorkomen van fraude.

Men dient zich dan ook af te vragen waarom de rechtvaardigingsgrond overmacht uitdrukkelijk in artikel 6 van verordening nr. 192/75 is genoemd. Kennelijk meende de communautaire wetgever dat, wanneer de uitgevoerde waar door overmacht verloren is gegaan, er geen risico meer bestaat dat zij weer op frauduleuze wijze de Gemeenschap binnenkomt, en hij stelde derhalve het verloren gaan onderweg door overmacht gelijk aan daadwerkelijke invoer. Op een soortgelijke situatie kan ook worden gewezen met betrekking tot de betaling van compenserende bedragen „toetreding” en in dit geval heeft het Hof reeds overwogen dat de bepaling inzake overmacht overeenkomstige toepassing moest vinden. Doch ook wat de monetaire compenserende bedragen betreft, wordt het risico van fraude door het verloren gaan van de waar na uitvoer door overmacht stellig opgeheven, zodat het geen zin zou hebben, betaling te weigeren van dat gedeelte van de bedragen, dat dient ter compensatie van de monetaire schommelingen boven het „neutrale” peil, en dat in het algemeen door de autoriteiten van de invoerende staat wordt betaald.

Op grond hiervan zouden wij willen stellen, dat het in artikel 6 van verordening nr. 192/75 voor uitvoerrestituties bedoelde geval van overmacht ook bij de monetaire compenserende bedragen moet worden toegepast. Hiertegen kan mijns inziens niet worden ingebracht, dat toepassing van de rechtvaardigingsgrond overmacht ook wel eens aanleiding tot fraude zou kunnen geven. Deze bezorgdheid, waaraan de Commissie terloops uiting heeft gegeven, kan mijns inziens niet bovenvermelde overwegingen, waardoor een leemte in verordening nr. 1380/75 is geconstateerd, die met behulp van een andere, voor een volkomen analoog geval vastgestelde bepaling kan worden opgevuld, niet ontkrachten.

6. Het lijkt mij voorts nuttig erop te wijzen, dat de uitvoeringsbepalingen van het restitutiestelsel en het stelsel der monetaire compenserende bedragen overeenkomsten vertonen. Tal van bepalingen die kenmerkend zijn voor het stelsel der uitvoerrestituties, komen immers terug in verordening nr. 1380/75 van de Commissie betreffende het stelsel der compenserende bedragen. Ik noem met name de volgende:

  1. In artikel 8 wordt met het oog op de bepaling van het toe te kennen compenserend bedrag voorgeschreven, hoe de dag van uitvoer en de voorwaarden waaronder de douaneformaliteiten bij uitvoer vervuld kunnen worden geacht, moeten worden vastgesteld.

    Deze bepaling komt praktisch letterlijk overeen met artikel 2 van verordening nr. 192/75 betreffende de uitvoerrestituties.

  2. Artikel 10, lid 1, komt inhoudelijk nagenoeg overeen met artikel 4, eerste alinea, van verordening nr. 192/75. Hierin wordt bepaald dat voor betaling van het compenserende bedrag het bewijs moet worden overgelegd, dat het produkt waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld, het grondgebied van de Lid-Staat waar deze formaliteiten zijn vervuld, heeft verlaten.

    In dit verband zou ik willen herhalen wat ik reeds in mijn conclusie in de zaak-Union française des Céréales heb beklemtoond, namelijk dat het van veel belang is „dat men bij beide stelsels kennelijk het criterium heeft gevolgd dat de uitvoer van het produkt de hoofdvoorwaarde voor de verlening van de restitutie respectievelijk het compenserend bedrag is” (compenserend bedrag „toetreding” of gewoon compenserend bedrag).

  3. In artikel 10, lid 2, werd bovendien bepaald dat voor betaling van het monetaire compenserende bedrag bij invoer, het bewijs moest worden overgelegd dat de douaneformaliteiten bij invoer waren vervuld en dat de verschuldigde rechten en heffingen van gelijke werking waren geheven. Deze laatste voorwaarde geldt niet meer, aangezien douanerechten en heffingen van gelijke werking ingevolge de artikelen 32 en 36 Toetredingsakte met ingang van 1 juli 1977 niet meer kunnen worden toegepast. Gelet op de huidige strekking van genoemde bepaling, komt zij overeen met artikel 6 van verordening nr. 192/75, volgens hetwelk voor betaling van de restitutie eveneens de voorwaarde geldt dat het produkt is ingevoerd in een derde land, hoewel deze voorwaarde alleen geldt voor de twee aldaar eerder genoemde gevallen.

7. Evenals in de zaak-Union française des Céréales (beslist bij arrest van 11 juli 1978), wordt ten slotte ook in dit geval de gegrondheid van de overeenkomstige toepassing van de overmachtbepaling bevestigd door het beginsel van de gemeenschapspreferentie. Dienaangaande zou ik erop willen wijzen, dat de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 2bis van verordening nr. 974/71 een overeenkomst hebben gesloten, op grond waarvan de autoriteiten van de uitvoerende Lid-Staat de compenserende bedragen — ook het gedeelte voor de invoer — betalen. Indien in het onderhavige geval of in soortgelijke situaties niet de rechtvaardigingsgrond overmacht zou worden toegepast, zouden de autoriteiten van de uitvoerende Lid-Staat de compenserende bedragen bij invoer dus niet betalen, met het gevolg dat de verkoper — die volgens goed koopmansgebruik onder de cif-clausule heeft verkocht — van de verzekering alleen de prijs van de waar zou terugkrijgen, bij de berekening waarvan de aanvullende inkomsten uit de compenserende bedragen bij invoer in aanmerking zijn genomen. Dit zou een reëel verlies met zich meebrengen en om dit te voorkomen, zouden de verkopers in de toekomst een verzekering ad hoc moeten afsluiten, hetgeen een verhoging van de kosten en een dienovereenkomstige verhoging van de prijzen tot gevolg zou hebben. Geheel anders daarentegen ligt de situatie van verkopers uit derde landen, die naar de Gemeenschap uitvoeren: die verzekeren hun waar tegen de prijs op de wereldmarkt, welke lager is dan de gemeenschapsprijs. De lagere verzekeringskosten werken ook door in de hoogte van de door hen toegepaste prijzen, zodat het mij, ook ter voorkoming van dergelijke concurrentievervalsingen ten nadele van het intracommunautaire handelsverkeer, redelijk lijkt een beroep te doen op overeenkomstige toepassing.

Ik geloof niet dat dit verschil in verzekeringskosten als „natuurlijk uitvloeisel” van het stelsel kan worden beschouwd, zoals de Commissie lijkt te verdedigen. Juist binnen het stelsel kan immers door toepassing van de bepaling inzake overmacht een bevredigend antwoord op deze schijnbare tegenspraak worden gevonden.

8. Op grond van het voorgaande concludeer ik dat het Hof de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 20 februari 1979 gestelde prejudiciële vraag beantwoorde als volgt:

De bepaling van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975, volgens welke de betaling van uitvoerrestituties, in afwijking van de normale voorwaarde dat de waar in een derde land is ingevoerd, is toegestaan wanneer de uitgevoerde waar onderweg door overmacht verloren is gegaan, is op overeenkomstige wijze van toepassing op het gebied van de monetaire compenserende bedragen. Bijgevolg dient artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 aldus te worden uitgelegd, dat wanneer het monetaire compenserende bedrag bij invoer overeenkomstig artikel 2bis van verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 door de uitvoerende staat in plaats van door de invoerende staat moet worden betaald en de uitgevoerde waar onderweg door overmacht verloren is gegaan, de exporteur recht heeft op betaling van hetzelfde compenserende bedrag als hij zou kunnen vorderen, indien de waar in de Lid-Staat van bestemming was aangekomen en aldaar naar behoren was ingeklaard.