Hof van Justitie EU 05-03-1980 ECLI:EU:C:1980:67
Hof van Justitie EU 05-03-1980 ECLI:EU:C:1980:67
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 5 maart 1980
Uitspraak
In zaak 38/79,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Hamburg, in het aldaar aanhangig geding tussen
Firma Butter- und Eier-Zentrale Nordmark e.G., te Hamburg,
enHauptzollamt Hamburg-Jonas,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: H. Kutscher, president, A. O'Keeffe en A. Touffait, kamerpresidenten, J. Mertens de Wilmars, P. Pescatore, Mackenzie Stuart, G. Bosco, T. Koopmans en O. Due, rechters,
advocaatgeneraal: F. Capotorti
griffier: A. Van Houtte
het navolgende
ARREST
De feiten
De verwijzingsbeschikking en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing van het Finanzgericht Hamburg heeft betrekking op de vraag of de in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 inzake uitvoerrestituties bedoelde uitzondering voor het geval dat de waar onderweg als gevolg van overmacht verloren gaat — welke in het arrest van het Hof van Justitie in zaak 6/78 (Union française de Céréales, Jurispr. 1978, blz. 1675) naar analogie op de compenserende bedragen toetreding is toegepast —, ook geldt voor monetaire compenserende bedragen die wegens invoer in een Lid-Staat zijn verschuldigd, doch door de uitvoerende Lid-Staat worden toegekend.
2. Het monetaire compenserende bedrag dat moet worden toegekend bij de uitvoer uit een Lid-Staat waarvan de valuta de fluctuatiegrens in bovenwaartse richting overschrijdt, naar een Lid-Staat waarvan de valuta deze grens in benedemvaartse richting overschrijdt, bestaat uit twee gedeelten: het ene wordt door de uitvoerende staat toegekend wanneer de waar wordt uitgevoerd, het andere wordt door de invoerende staat betaald wanneer de waar wordt ingevoerd (artikel 1, lid 1, van verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector; (PB L 106 van 1973, blz. 1).
Artikel 2bis van verordening nr. 974/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1112/73 van de Raad van 30 april 1973 (PB L 114 van 1973, blz. 4), bepaalt het volgende:
„Wanneer een uit een Lid-Staat uitgevoerd produkt wordt ingevoerd in een Lid-Staat die een compenserend bedrag bij invoer moet toekennen, kan de uitvoerende Lid-Staat, in onderlinge overeenstemming met de invoerende Lid-Staat, het compenserende bedrag betalen dat door deze invoerende Lid-Staat zou moeten worden toegekend. In dit geval wordt door de invoerende Lid-Staat geen compenserend bedrag toegekend voor de produkten uit de desbetreffende Lid-Staat ...”
Het Verenigd Koninkrijk en de Bondsrepubliek Duitsland hebben van de in dit artikel bedoelde mogelijkheid gebruik gemaakt.
Artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen (PB L 139 van 1975, blz. 37), luidt als volgt:
„Voor betaling door de uitvoerende Lid-Staat van het monetaire compenserende bedrag dat door de invoerende Lid-Staat toegekend zou moeten worden, moet het bewijs worden overgelegd dat de douaneformaliteiten bij invoer zijn vervuld en dat de in de Lid-Staat van invoer verschuldigde rechten en heffingen van gelijke werking zijn geheven.
...”
3. De overeenkomstige bepalingen betreffende de betaling van de compenserende bedragen toetreding zijn neergelegd in verordening nr. 269/73 van de Commissie van 31 januari 1973 houdende uitvoeringsbepalingen van het stelsel van compenserende bedragen „toetreding” (PB L 30 van 1973, blz. 73). Artikel 5, lid 1, hiervan bepaalt:
„De betaling van het compenserende bedrag is afhankelijk van de overlegging van het bewijs dat het produkt waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld, het geografische grondgebied van de Lid-Staat waar deze formaliteiten zijn vervuld, heeft verlaten.”
Wanneer het compenserende bedrag moet worden gecorrigeerd met de invloed van de douanerechten of wanneer het hoger is dan de op de dag van uitvoer geldende uitvoerrestitutie, is de betaling van de compenserende bedragen bovendien
„afhankelijk van het bewijs van de vervulling van de formaliteiten bij invoer en van de oplegging van de rechten en heffingen van gelijke werking die in de Lid-Staat van bestemming verschuldigd zijn”.
4. Wat de uitvoerrestituties betreft, bepaalt artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB L 25 van 1975, blz. 1), het volgende:
„Voor betaling van de restitutie geldt niet alleen de voorwaarde dat het produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, maar ook dat het produkt, tenzij het onderweg als gevolg van overmacht verloren is gegaan, is ingevoerd in een derde land en eventueel in een bepaald derde land ...”
Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 192/75 luidt:
„Voor naar bestemming gedifferentieerde restituties geldt, behoudens het bepaalde in lid 2, als voorwaarde voor de betaling van de restitutie voor uitvoer naar derde landen dat het produkt is ingevoerd in het derde land of een van de derde landen waarvoor de restitutie is voorzien.”
5. In zijn arrest van 11 juli 1978 (zaak 6/78, Union française des Céréales) heeft het Hof artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 naar analogie toegepast en voor recht verklaard:
„Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 269/73 van de Commissie van 31 januari 1973 moet aldus worden uitgelegd, dat ingeval de uit een oude Lid-Staat naar een nieuwe Lid-Staat uitgevoerde waar onderweg als gevolg van overmacht verloren is gegaan, de exporteur recht heeft op dezelfde compenserende bedragen als die welke hem verschuldigd zouden zijn geweest, indien de waar op haar bestemming was aangekomen en de douaneformaliteiten bij invoer aldaar waren vervuld”.
6. Begin november 1977 verkocht de firma Butter- und Eier-Zentrale Nordmark, verzoekster in het hoofdgeding, 18 160 kg boter aan een Britse onderneming. De verkoopprijs was berekend op basis van de binnenlandse inkoopprijs, verminderd met de monetaire compensatie voor Duitsland en de monetaire compensatie voor het Verenigd Koninkrijk, en luidde cif Manchester. Op 10 november werd de waar in Esbjerg verscheept met het m.s. „Hero”. Op 13 november 1977 zonk het schip ten noordwesten van Helgoland. De verzekering keerde de cif-prijs van de waar uit. Verzoekster ontving van de Duitse douane-instanties DM 14 617,63 als monetaire compensatie „toetreding” voor het Verenigd Koninkrijk en DM 10 734,38 als monetaire compensatie voor de uitvoer van de waar uit de Bondsrepubliek Duitsland. Het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, verweerder in het hoofdgeding, weigerde echter de monetaire compensatie voor invoer in het Verenigd Koninkrijk ad DM 27 307,56 te betalen.
7. Verzoekster in het hoofdgeding stelde tegen deze weigering beroep in bij het Finanzgericht Hamburg.
Zij betoogde onder meer, dat volgens de door het Hof in zijn arrest in genoemde zaak 6/78 neergelegde beginselen artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 in het onderhavige geval naar analogie moest worden toegepast. Bovendien zou in het gemeenschapsrecht een algemeen rechtsbeginsel inzake overmacht bestaan, op grond waarvan verzoekster in het hoofdgeding in casu niet gehouden was het bewijs van invoer te leveren.
Zou verzoekster verplicht zijn, zich tegen de niet-betaling van de monetaire compensatie invoer te verzekeren, clan zou haar concurrentiepositie ten opzichte van verkopers uit staten waarvan de valuta de fluctuatiegrens in bovenwaartse richting overschrijdt, veel zwakker worden.
Verweerder in het hoofdgeding stelde voor het Finanzgericht, dat in het gemeenschapsrecht geen algemeen overmachtsbeginsel met de door verzoekster veronderstelde gevolgen bestaat. Verzoekster zou niet hebben bewezen dat zij zonder toekenning van de monetaire compensatie in het nadeel was ten opzichte van Franse exporteurs. Wanneer voor een produkt in Duitsland monetaire compensatie uitvoer wordt betaald en in Frankrijk voor een gelijkwaardig produkt monetaire compensatie uitvoer wordt geheven, staan beide produkten na uitvoer op hetzelfde monetaire niveau. Voor overeenkomstige toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 is geen plaats. Er bestaat te dezen geen enkele vergelijkbaarheid. De monetaire compensatie invoer wordt slechts op acl-ministratief-technische gronden door de uitvoerende staat toegekend, waarbij ervan wordt uitgegaan dat metterdaad is ingevoerd. Voor zover in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1380/75 het bewijs wordt verlangd dat douaneformaliteiten bij invoer zijn vervuld, wordt dit — anders dan in het kader van verordening nr. 192/75 — niet gedaan ter voorkoming van misbruik.
8. Bij beschikking van 20 februari 1979 heeft het Finanzgericht de procedure geschorst en het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Dient artikel 11, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 naar analogie met artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975, in het geval de monetaire compensatie wordt betaald door de uitvoerende staat in plaats van door de invoerende staat, aldus te worden uitgelegd dat, wanneer de uit een Lid-Staat uitgevoerde produkten onderweg als gevolg van overmacht verloren zijn gegaan de cxporteur overeenkomstig artikel 2bis van verordening (EEG) nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 recht heeft op dezelfde monetaire compenserende bedragen als die welke hem verschuldigd zouden zijn geweest, indien de produkten op hun bestemming waren aangekomen en de douaneformaliteiten bij invoer aldaar waren vervuld?”
9. Blijkens de verwijzingsbeschikking is het Finanzgericht van mening dat de bewoordingen van de betrokken bepalingen steun geven aan de opvatting van verweerder in het hoofdgeding.
Toch vormen de uitvoer- en invoersubsidies, ondanks het feit dat zij om technisch-juridische redenen in twee afzonderlijke teksten zijn geregeld, een samenhangende maatregel om het handelsverkeer in landbouwprodukten binnen de Gemeenschap zonder verkeersverleggingen af te wikkelen. Het lijkt het Finanzgericht derhalve onlogisch om in het geval dat de waar onderweg als gevolg van overmacht verloren gaat, wel de monetaire compensatie bij uitvoer, doch niet die bij invoer toe te kennen. Gelet op het gelijkheidsbeginsel vertoont verordening nr. 1380/75 volgens het Finanzgericht leemten die door overeenkomstige toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 zouden moeten worden opgevuld. De toekenning van de uitvoerrestitutie, van monetaire compensatie in het handelsverkeer met derde landen en van compenserende bedragen toetreding, ook in het geval dat de waar als gevolg van overmacht verloren gaat, is gebaseerd op de gedachte van gelijke concurrentie. Indien een exporteur er niet zeker van kan zijn dat hij deze uitvoersubsidies krijgt, zou hij zich moeten verzekeren tegen het risico dat de subsidies niet worden betaald wanneer de waar door overmacht verloren gaat, en zou hij ten opzichte van de verkoper uit een derde land, die enkel de waarde van de goederen tegen het in dat land geldende prijsniveau zou hoeven te verzekeren, in een nadeliger positie verkeren. Hetzelfde geldt voor een exporteur die waren uit een Lid-Staat met een hoger prijsniveau verkoopt in een Lid-Staat met een lager prijsniveau. Hieraan zij toegevoegd dat met de invoering, bij verordening nr. 974/71, van monetaire compensatie in het handelsverkeer met Lid-Staten juist werd beoogd de handel in landbouwprodukten, ook wanneer de prijsniveaus verschillen, zonder verkeersverleggingen mogelijk te maken. Daarom is een regeling die met dit doel in strijd is, volgens het Finanzgericht niet verenigbaar met genoemd stelsel.
10. De verwijzingsbeschikking is op 8 maart 1979 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door J. Sack, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, en door verzoekster in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door F. Modest es., advocaten te Hamburg.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
A — Opmerkingen van verzoekster in bet hoofdgeding
Volgens verzoekster in het hoofdgeding moet de vraag van het Finanzgericht bevestigend worden beantwoord.
De doorslag geeft hierbij, dat het in casu om een cif-verkoop ging. Verzoekster in het hoofdgeding wijst erop dat zij bij de berekening van haar verkoopprijs zowel de compensatie toetreding voor het Verenigd Koninkrijk als de monetaire compensatie — samengesteld uit de beide deelbedragen die respectievelijk bij uitvoer en invoer moeten worden betaald — heeft afgetrokken van haar, door de sterke DM relatief hoge, aankoopprijs. Na overlegging van de documenten heeft de koper haar de aldus berekende koopprijs betaald. Alleen deze prijs is door de verzekering uitgekeerd, aangezien het risico op het moment dat de schade zich voordeed, op de koper was overgegaan.
Aangezien de zaak met de overlegging van de documenten en de betaling van de koopprijs voor haar was afgedaan, heeft zij, omdat zij niet het bewijs van invoer van de waar in het Verenigd Koninkrijk heeft kunnen leveren, dus een verlies geleden ten belope van dat deel van de monetaire compensatie dat bij invoer moet worden betaald.
Haars inziens moet artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 naar analogie op de monetaire compenserende bedragen worden toegepast. Een onderneming van een land waarvan de valuta de fluctuatiegrens in bovenwaartse richting overschrijdt, kan niet verplicht worden genoemd verlies te dragen of zich tegen het risico van een dergelijk verlies te verzekeren, aangezien zij in beide gevallen in een ongunstiger concurrentiepositie zou komen te verkeren ten opzichte van verkopers uit landen waarvan de valuta de fluctuatiegrens in benedenwaartse richting overschrijdt. Dit zou niet meer verenigbaar zijn met het discriminatieverbod.
De overeenkomstige toepassing van artikel 6, lid I, van verordening nr. 192/75 vloeit ook voort uit het doel van verordening nr. 974/71: door de monetaire compensatie moesten moeilijkheden voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt worden voorkomen; deze compensatie zou dus in een geval als het onderhavige moeten worden betaald.
Een regeling als die van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1380/75, waarin het geval van overmacht buiten beschouwing wordt gelaten, valt overigens niet meer binnen de door het Hof aan de gemeenschapsinstellingen toegekende, ruime discretionaire bevoegdheid, omdat hier gelijksoortige situaties verschillend worden behandeld.
Maar zelfs — zo voegt verzoekster in het hoofdgeding eraan toe — wanneer men hier niet de overeenkomstige toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 wil verdedigen, moet de in de wet vastgestelde leemte worden aangevuld, op grond dat het begrip overmacht tot de in de gemeenschapswetgeving geldende algemene rechtsbeginselen behoort.
Verzoekster in het hoofdgeding wijst citen slotte op, dat overeenkomstig de artikelen 32 en 36 Toetredingsakte met ingang van 1 juli 1977 in het handelsverkeer met de nieuwe Lid-Staten geen douanerechten en heffingen van gelijke werking meer mogen worden toegepast. De tweede voorwaarde van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1380/75, namelijk dat moet worden bewezen dat de voorgeschreven douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn geïnd, vervalt dus toch al.
B — Opmerkingen van de Commissie
De Commissie beklemtoont dat een letterlijke toepassing van de betrokken bepalingen ertoe zou leiden, dat betaling van monetaire compensatie in het onderhavige geval wordt geweigerd.
Onder verwijzing naar het arrest van het Hof in zaak 6/78 (Union française des Céréales) geeft de Commissie toe dat indien het beginsel van de gemeenschapspreferentie in het onderhavige geval evenzeer een rol zou spelen als het geval was in genoemde zaak, de Duitse autoriteiten de monetaire compensatie voor het Verenigd Koninkrijk zouden moeten betalen. Tussen het stelsel der compenserende bedragen toetreding en dat van de monetaire compensatie bestaan echter wezenlijke verschillen, die verhinderen dat de door het Hof met betrekking tot de compenserende bedragen toetreding ontwikkelde beginselen eenvoudig bij de monetaire compensatie worden toegepast.
In dit verband wijst de Commissie er in de eerste plaats op, dat beide stelsels verschillende doelstellingen hebben: met het stelsel der monetaire compensatie wordt beoogd te voorkomen dat monetaire gebeurtenissen de markt verstoren of het traditionele handelsverkeer verleggen. Het stelsel der compenserende bedragen toetreding heeft ten doel, het vrije verkeer in landbouwprodukten in de uitgebreide Gemeenschap mogelijk te maken voordat uniforme landbouwprijzen van kracht worden, en zodoende binnen deze uitgebreide Gemeenschap dergelijke verleggingen te verwezenlijken. Door de toekenning van compenserende bedragen toetreding krijgt dus het beginsel van gemeenschapspreferentie een heel centrale betekenis, terwijl dit beginsel in het stelsel van de monetaire compenserende bedragen geen wezenlijke rol speelt.
De Commissie merkt bovendien op, dat de compenserende bedragen toetreding slechts door de Lid-Staten van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling worden toegepast. De compenserende bedragen toetreding voor een bepaald produkt zijn dus voor alle oude Lid-Staten gelijk en er bestaat dus slechts één compenserend bedrag toetreding en niet een compenserend bedrag toetreding bij uitvoer — bij voorbeeld uit Duitsland, en een compenserend bedrag toetreding bij invoer — bij voorbeeld in het Verenigd Koninkrijk. De Commissie voegt hieraan toe, dat het recht op toekenning van een compenserend bedrag toetreding ontstaat bij uitvoer uit het land met het hogere prijsniveau. Het feit dat in bepaalde gevallen, waarin de bijzonderheden van de regeling frauduleuze praktijken mogelijk maken, voor de toekenning van compenserende bedragen toetreding ook het bewijs van invoer in de Lid-Staat met het lagere prijsniveau moet worden overgelegd, verandert daar niets aan.
De Commissie vindt dat het onder deze omstandigheden gerechtvaardigd is, in een geval zoals in zaak 6/78, waarin het produkt uit de Lid-Staat met het hogere prijsniveau is uitgevoerd, de betrokkene het compenserend bedrag toetreding toe te kennen; om in zulke gevallen eventuele misbruiken te voorkomen, is het voldoende het bewijs te verlangen dat de waar werkelijk voor de aangeduide nieuwe Lid-Staat bestemd was.
De Commissie betoogt vervolgens dat de rechtstoestand bij de monetaire compenserende bedragen heel anders is. Hier gaat het om twee onafhankelijke bedragen, waarvoor verschillende toekenningsvoorwaarden gelden. Het gaat er dus niet om, door het bewijs van invoer enkel in bepaalde gevallen bedrog uit te sluiten; zonder invoer bestaat namelijk geen aanspraak op het bedrag.
Volgens de Commissie spreken nog belangrijker gronden tegen een op het beginsel der gemeenschapspreferentie gebaseerde uitlegging: gaat men namelijk van een gemeenschappelijke landbouwmarkt zonder monetaire compenserende bedragen uit, en een schip dat voor invoer in het Verenigd Koninkrijk bestemde waren vervoert, lijdt in een dergelijke situatie schipbreuk, dan is de concurrentiepositie van de Duitse exporteur ten opzichte van die van een exporteur uit een derde land even ongunstig. Een binnen de Gemeenschap werkzame exporteur verkeert in zoverre wegens de hier geldende hogere landbouwprijzen altijd in een ongunstige concurrentiepositie ten opzichte van een exporteur uit een derde land. Dit kan slechts worden verholpen door bij de vaststelling van de heffing op passende wijze rekening te houden met de hogere berekeningsgrondslag voor de transportverzekering.
In het geval dat bij het vervoer van de verkochte waar binnen de gemeenschappelijke markt geen grenzen worden overschreden, moet de betrokken handelaar de waren voor de hoogte van de gemeenschappelijke landbouwprijzen verzekeren, zo hij bij het verloren gaan ervan geen verlies wil lijden. Volgens de Commissie valt echter moeilijk in te zien waarom voor waren die tussen Hamburg en München worden verhandeld en die eveneens met waren uit derde landen moeten concurreren, een hogere verzekeringspremie zou moeten worden betaald dan voor waren die van Hamburg naar Londen worden verkocht. De gemeenschappelijke markt berust op het beginsel dat nadelen die het gevolg zijn van de enkele grensoverschrijding van waren in de handel tussen Lid-Staten, worden uitgesloten. Doch ook het omgekeerde geval, namelijk dat waren op ongerechtvaardigde wijze worden bevoordeeld enkel omdat ze een grens overschrijden, is niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. In het onderhavige geval is een verschillende behandeling niet gerechtvaardigd, omdat de monetaire compenserende bedragen er slechts toe dienen het verschil tussen de „groene koers” van een nationale munteenheid en de koers waartegen deze daadwerkelijk wordt verhandeld, te neutraliseren.
De Commissie merkt in dit verband verder nog op dat, indien de waar vóór de uitvoer uit Duitsland verloren gaat, de Duitse exporteur geen monetair compenserend bedrag krijgt, ook indien de waar bestemd was voor invoer in het Verenigd Koninkrijk. Wil de exporteur verlies voorkomen, dan moet hij de waar vóór de uitvoer dus toch al tegen haar volle waarde in Duitse valuta verzekeren.
De Commissie onderzoekt ten slotte, of en in hoeverre bij de toekenning van monetaire compenserende bedragen in geval van overmacht een beroep op artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 kan worden gedaan. Zij wijst er in dit verband op, dat er geen parallel bestaat tussen uitvoerrestituties en monetaire compenserende bedragen; uitvoerrestituties en toegekende compenserende bedragen toetreding beogen beide, bepaalde waren verkoopbaar te maken op de markten van derde landen, respectievelijk van nog niet volledig in de Gemeenschap geïntegreerde Lid-Staten, waarop deze waren wegens hun hogere uitgangsprijs anders niet zouden kunnen worden afgezet. Het doel van de monetaire compenserende bedragen is echter niet de uitvoer te bevorderen, doch enkel de negatieve gevolgen van de monetaire schommelingen op het gemeenschappelijk landbouwbeleid te neutraliseren; de gemcenschapsinstellingen zijn ten aanzien van bijna alle landbouwprodukten nagenoeg geheel vrij te beslissen, of en voor welke landen zij uitvoerrestituties willen vaststellen, wat niet het geval is bij de monetaire compenserende bedragen. Evenals compenserende bedragen toetreding bestaan uitvoerrestituties uit bedragen waarop men aanspraak krijgt op het moment van uitvoer; slechts in bijzondere gevallen bestaat deze aanspraak pas wanneer aanvullende voorwaarden, bij voorbeeld invoer in een bepaald derde land, zijn vervuld. In het geval van monetaire compenserende bedragen doet een dergelijke situatie zich slechts voor, wanneer het om het bij uitvoer toe te kennen monetair compenserend bedrag gaat; dit heeft verzoekster in het hoofdgeding echter gekregen.
Gelet op de volkomen verschillende doelstellingen en ontstaansvoorwaarden van deze rechten, is de Commissie van mening dat uitvoerrestituties en bij invoer toe te kennen monetaire compenserende bedragen niet op één lijn kunnen worden gesteld.
III — Mondelinge behandeling
1. De Commissie heeft op een schriftelijke vraag van het Hof geantwoord, dat zich aan boord van het gezonken schip naast de door verzoekster in het hoofdgeding verkochte boter nog landbouwprodukten uit Denemarken bevonden. Naar de Deense douane de Commissie heeft meegedeeld, is voor deze waren geen compenserend bedrag betaald, ofschoon het Verenigd Koninkrijk en Denemarken van de in artikel 2bis van verordening nr. 974/71 van de Raad genoemde mogelijkheid gebruik hebben gemaakt om het bij invoer toe te kennen monetair compenserend bedrag door de uitvoerende Lid-Staat te laten betalen.
2. Ter terechtzitting van 11 december 1979 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door verzoekster in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door B. Festge, en de Commissie, te dezen vertegenwoordigd door J. Sack, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.
3. Verzoekster in het hoofdgeding heeft aan haar schriftelijke opmerkingen toegevoegd dat, indien artikel 2bis van verordening nr. 974/71 niet zou zijn toegepast, zij haar verkoopprijs op de toegestane fluctuatiegrens zou hebben berekend, zodat de verkoper dan niet door het verloren gaan van de waar zou zijn geraakt.
De Commissie heeft er onder meer op gewezen, dat overeenkomstige toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 is uitgesloten omdat de regeling inzake de monetaire compenserende bedragen geen leemten vertoont. Dat artikel 11 van verordening nr. 1380/75 geen bepaling inzake overmacht bevat, komt omdat de Commissie de monetaire compenserende bedragen niet heeft willen zien als een verzekering tegen concrete verliezen van een exporteur.
De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 16 januari 1980 conclusie genomen.
In rechte
1 Bij beschikking van 20 februari 1979, ingekomen ten Hove op 8 maart daaropvolgende, heeft het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof een vraag voorgelegd over de uitlegging van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen (PB L 139 van 1975, blz. 37).
2 Deze vraag is gerezen in een geschil tussen enerzijds een onderneming die een partij van 18 160 kg boter uit de Bondsrepubliek Duitsland heeft uitgevoerd, welke door schipbreuk op de Noordzee niet op de plaats van bestemming in het Verenigd Koninkrijk is aangekomen, en anderzijds de Duitse douane-instanties die hebben geweigerd de exporteur de monetaire compenserende bedragen voor invoer in het Verenigd Koninkrijk te betalen, op grond dat hij niet het volgens genoemde bepaling vereiste bewijs had geleverd, dat de douaneformaliteiten bij invoer waren vervuld. Aangezien de prijs die de Briste koper moest betalen en die door de verzekering is vergoed, op basis van het prijsniveau in het Verenigd Koninkrijk was berekend, leed de exporteur een verlies ten belope van die bedragen.
3 De exporterende onderneming, verzoekster in het hoofdgeding, betoogde voor het Finanzgericht met name, dat volgens het door het Hof in zijn arrest van 11 juli 1978 (zaak 6/78, Union française des Céréales, Juiïspr. 1978, blz. 1675) neergelegde beginsel artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB L 25 van 1975, blz. 1), in het onderhavige geval overeenkomstige toepassing zou moeten vinden. Volgens dit artikel is in bepaalde gevallen de uitbetaling van de restitutie afhankelijk van de voorwaarde dat het produkt in een derde land en eventueel in een bepaald derde land is ingevoerd; tegelijkertijd wordt echter een uitzondering gemaakt voor het geval de waren onderweg door overmacht verloren zijn gegaan.
4 In zaak 6/78 heeft het Hof aan deze overmachtsclausule overeenkomstige toepassing gegeven bij de uitlegging van verordening nr. 269/73 van de Commissie van 31 januari 1973 houdende uitvoeringsbepalingen van het stelsel van compenserende bedragen „toetreding” (PB L 30 van 1973, blz. 73). Volgens artikel 5, lid 2, van deze verordening is de betaling van het compenserend bedrag in bepaalde gevallen afhankelijk van het bewijs dat de formaliteiten bij invoer in de Lid-Staat van bestemming zijn vervuld. In zijn arrest baseerde het Hof zich met name op het beginsel van de gemeenschapspreferentie: nog vóór de volledige integratie van de nieuwe Lid-Staten in de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten diende de overgangsregeling der compenserende bedragen toetreding de toepassing van dit beginsel te verzekeren in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en die nieuwe Lid-Staten.
5 In de onderhavige zaak heeft het Finanzgericht, van mening dat verordening nr. 1380/75 een zelfde leemte vertoont, het Hof om uitspraak verzocht over de volgende vraag:
„Dient artikel 11, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 naar analogie met artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) hr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975, in het geval de monetaire compensatie wordt betaald door de uitvoerende staat in plaats van door de invoerende staat, aldus te worden uitgelegd dat, wanneer de uit een Lid-Staat uitgevoerde produkten onderweg als gevolg van overmacht verloren zijn gegaan, de exporteur overeenkomstig artikel 2bis van verordening (EEG) nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 recht heeft op dezelfde monetaire compenserende bedragen als die welke hem verschuldigd zouden zijn geweest, indien de produkten op hun bestemming waren aangekomen en de douaneformaliteiten bij invoer aldaar waren vervuld?”
6 In haar opmerkingen heeft de Commissie onder meer betoogd, dat de restituties bij uitvoer naar derde landen en de gedurende de overgangsperiode bij uitvoer naar de nieuwe Lid-Staten toegekende compenserende bedragen toetreding weliswaar een sterke gelijkenis vertoonden, waardoor overeenkomstige toepassing gerechtvaardigd kon zijn, doch dat dit niet het geval is bij de monetaire compenserende bedragen. Met name het beginsel van de gemeenschapspreferentie, dat zowel aan de compenserende bedragen toetreding als aan de restituties bij uitvoer naar derde landen ten grondslag ligt, zou in het stelsel van de monetaire compenserende bedragen geen rol van betekenis spelen.
7 Onverminderd bijzondere overwegingen met betrekking tot de afzonderlijke produkten, is de regeling van de restituties bij uitvoer naar derde landen ingesteld om de exporteurs van de Gemeenschap een prijsniveau te garanderen dat vergelijkbaar is met dat van de communautaire markt en dat derhalve voor bepaalde produkten ver boven het prijsniveau van de wereldmarkt ligt. Gelijk het Hof in zijn arrest in zaak 6/78 ten aanzien van de compenserende bedragen toetreding heeft overwogen, zou het onverenigbaar zijn met het beginsel van de gemeenschapspreferentie dat een exporteur uit de Gemeenschap zich de restitutie ontzegd ziet nadat de waar onderweg door overmacht verloren is gegaan. Zowel wanneer de exporteur dit verlies zelf zou moeten dragen als wanneer hij tegen een- dergelijk risico verzekerd was, zou hij dan in een ongunstige concurrentiepositie verkeren ten opzichte van verkopers uit derde landen, hetgeen de restitutieregeling juist wil voorkomen.
8 Het stelsel van de monetaire compenserende bedragen heeft daarentegen een geheel andere functie. Het is ingevoerd om in het algemeen het hoofd te bieden aan een monetaire situatie die het bestaan van het gemeenschappelijk prijsstelsel voor landbouwprodukten bedreigt. Het heeft niet ten doel de individuele deelnemers aan het economisch verkeer een garantie te bieden tegen alle uit de schommelingen der wisselkoersen voortvloeiende risico's of hen voor elk als gevolg daarvan geleden verlies schadeloos te stellen.
9 Gelet op deze verschillen tussen de regeling inzake de restituties bij uitvoer naar derde landen en het stelsel der monetaire compenserende bedragen dringt zich niet een overeenkomstige toepassing op van een uitdrukkelijk voor restituties vastgestelde bepaling, teneinde verzoekster in het hoofdgeding schadeloos te stellen voor een verlies dat een van de normale handelsrisico's vormt die handelaren zelf moeten dragen, in voorkomend geval door een passende verzekering af te sluiten.
10 Op de vraag van het Finanzgericht Hamburg moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1380/75 van 29 mei 1975 aldus moet worden uitgelegd dat ingeval de uit een Lid-Staat uitgevoerde waar onderweg door overmacht verloren is gegaan, de exporteur geen recht heeft op dezelfde monetaire compenserende bedragen als die welke hem verschuldigd zouden zijn geweest indien de waar op de plaats van bestemming was aangekomen en de douaneformaliteiten bij invoer aldaar waren vervuld.
Kosten
11 De kosten door de Commissie wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 20 februari 1979 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen, moet aldus worden uitgelegd, dat ingeval de uit een Lid-Staat uitgevoerde waar onderweg door overmacht verloren is gegaan, de exporteur geen recht heeft op dezelfde monetaire compenserende bedragen als die welke hem verschuldigd zouden zijn geweest, indien de waar op de plaats van bestemming was aangekomen en de douaneformaliteiten bij invoer aldaar waren vervuld.
Kutscher
O'Keeffe
Touffait
Mertens de Wilmars
Pescatore
Mackenzie Stuart
Bosco
Koopmans
Due
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 5 maart 1980.
De griffier
A. Van Houtte
De president
H. Kutscher