Hof van Justitie EU 15-10-1980 ECLI:EU:C:1980:233
Hof van Justitie EU 15-10-1980 ECLI:EU:C:1980:233
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 15 oktober 1980
Uitspraak
In zaak 109/79,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunal Administratif te Orléans, in het aldaar aanhangig geding tussen
Sàrl Maïseries de beauce
enOpfice National Interprofessionnel des Céréales (ONIC),
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: H. Kutscher, president, P. Pescatore en T. Koopmans, kamerpresidenten, J. Mertens De Wilmars, Mackenzie Stuart, A. O'Keeffe, G. Bosco, A. Touffait en O. Due, rechters,
advocaat-generaal: H. Mayras
griffier: A. Van Houtte
het navolgende
ARREST
De feiten
Het verwijzingsvonnis en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
1. De vennootschap Maïseries de Beauce, verzoekster in het hoofdgeding, heeft op 27 april 1978 bij het Tribunal Administratif te Orléans een verzoek ingediend tot veroordeling van het Office National Interprofessionnel des Céréales (hierna: ONIC), verweerster in het hoofdgeding, tot terugbetaling van een bedrag van FF 32 131,44, zijnde het deel der monetair compenserende bedragen (hierna: mcb's) dat onverschuldigd zou zijn betaald voor de exporten van gries en griesmeel van maïs tussen 11 en 28 mei 1977.
2. De van verzoekster gevorderde mcb's vloeien voort uit de verordeningen van de Commissie nrs. 1910/76 van 30 juli 1976, 2466/76 van 8 oktober 1976 en, naar het schijnt, 938/77 (PB L 110 van 1977, blz. 6) waarvan bijlage I steeds — voor wat betreft post 11.02 A V sub a, van het gemeenschappelijk douanetarief (gries en griesmeel van maïs waarvan het gehalte aan vetstoffen niet meer dan 1,5 gewichtspercent bedraagt: 1. bestemd voor brouwerijen, 2. ander) — toe te kennen respectievelijk te heffen mcb's vermeldt ter hoogte van:
-
verordening nr. 1910/76: FF/t 71,67 (39,82 × 1,80)
-
verordening nr. 2466/76: FF/t 143,35 (79,64 × 1,80)
-
verordening nr. 938/77: FF/t 199,09 (110,61 X 1,80).
Deze bedragen worden verkregen door op de in elk dier bijlagen voor maïs (post 10.05 B) voorziene mcb's een coëfficiënt van 1,80 toe te passen.
3. De toepassing van de aldus gekozen coëfficiënt geschiedt ter uitvoering van verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector (PB L 106 van 1971, blz. 1). Artikel 1 van die verordening voorziet in te heffen of toe te kennen mcb's voor landbouwprodukten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten is voorzien in interventiemaatregelen, alsmede voor landbouwprodukten waarvan de prijs afhankelijk is van die van eerstgenoemde produkten. Volgens artikel 2, lid 2, zijn voor deze tweede categorie produkten de mcb's „gelijk aan de invloed die de prijzen van het betrokken produkt ondergaan door de toepassing van het compenserende bedrag op die prijzen van het in lid 1 bedoelde produkt waarvan eerstgenoemde prijzen afhankelijk zijn.” De invloed wordt door de Commissie uitgedrukt door de coëfficiënt 1,80.
4. Die coëfficiënt heeft de Commissie ontleend aan de identieke coëfficiënt die in bijlage I bij verordening nr. 2744/75 van de Raad van 29 oktober 1975 betreffende de regeling voor de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte produkten (PB L 281 van 1975, blz. 65) dwingend wordt opgelegd, en die wordt toegepast voor de berekening van de heffing bij invoer in de Gemeenschap van gries en griesmeel van maïs uit derde landen. De keuze van die coëfficiënt is in beide gevallen gebaseerd op de vaststelling dat 1,8 ton maïs nodig is om een ton griesmeel van maïs te verkrijgen.
Door de vaststelling van die coëfficiënt 1,80 maïs/gries en griesmeel van maïs voor de berekening van de heffingen, ziet verordening nr. 2744/75 toe op de tenuitvoerlegging van verordening nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB L 281 van 1975, blz. 1). Die verordening voorziet in heffingen bij invoer in de Gemeenschap van agrarische basisprodukten en van bepaalde van de agrarische basisprodukten afgeleide verwerkte produkten. Volgens haar artikel 14 bestaat de heffing voor de verwerkte produkten uit een vast element en een variabel element, waarbij dit laatste „voor de verwerkte produkten, vervaardigd op basis van de in artikel 1, sub a, genoemde basisprodukten, overeenkomt met de invloed, uitgeoefend op de kostprijs van deze verwerkte produkten door de voor deze basisprodukten vastgestelde heffingen”.
5. In verordening nr. 2744/75 van de Raad wordt de invloed van de heffing op de prijs van gries en griesmeel van maïs tot uitdrukking gebracht in de coëfficiënt 1,80. Dit is dezelfde coëfficiënt die de Commissie vrijwillig heeft aangehouden voor de berekening van de mcb's voor gries en griesmeel van maïs op basis van de bij uitvoer vanuit Frankrijk op maïs zelf geheven mcb's.
6. De geldigheid van de toepassing van de coëfficiënt 1,80 voor de berekening van de op de Franse exporten van gries en griesmeel van maïs te heffen mcb's, staat in het hoofdgeding centraal. Volgens verzoekster in het hoofdgeding berust die coëfficiënt op een te hoge schatting van de invloed van het op maïs toegepaste mcb op de prijs van gries en griesmeel van maïs, met als gevolg dat het eruit voortvloeiende mcb voor die verwerkte produkten de gevolgen van de waardevermindering van de Franse frank ten opzichte van de groene frank „over-compenseert”. Aldus wordt inbreuk gemaakt op het fundamentele beginsel van de betrokken regeling, dat is neergelegd in de zesde overweging van verordening nr. 974/71, volgens welke „de compenserende bedragen niet hoger dienen te zijn dan strikt noodzakelijk is om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten”. De litigieuze verordeningen zijn voorts in strijd met artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag, doordat zij discriminaties teweegbrengen tussen ondernemingen van de verschillende Lid-Staten.
7. Oordelende dat in het geding vragen rezen over de geldigheid van drie communautaire verordeningen, heeft het Tribunal Administratif te Orléans het Hof van Justitie bij vonnis van 22 juni 1979 de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
Is verordening (EEG) nr. 2744/75 van de Raad van 29 oktober 1975 betreffende de regeling voor de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte produkten, ongeldig wegens inbreuk op het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag vervatte beginsel van vrije mededinging en gelijke behandeling van ondernemingen die op het grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd?
Zijn de verordeningen van de Commissie nrs. 1910/76 van 30 juli 1976 en 2466/76 van 8 oktober 1976, waarbij monetair compenserende bedragen werden vastgesteld met gebruikmaking van de bij bovengenoemde verordening (EEG) nr. 2744/75 voor de heffingen en restituties vastgestelde coëfficiënt, niet in strijd met de bepalingen van verordening nr. 974/71 van de Raad, alsmede met vorenbedoeld verbod van discriminatie tussen producenten?”
8. Het verwijzingsvonnis is op 9 juli 1979 ten Hove ingekomen.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoekster in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door M. Veroone, advocaat te Rijsel, door de regering van de Franse Republiek, te dezen vertegenwoordigd door Y. Cousin, door de Raad van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door B. Schloh, adviseur bij de juridische dienst, als gemachtigde, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door P. Gilsdorf, juridisch adviseur, als gemachtigde, bijgestaan door J. Delmoly, lid van de juridische dienst.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG
A — Opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding (Maïseries de Beauce)
De eerste vraag
Volgens verzoekster in het hoofdgeding is verordening nr. 2744/75 betreffende de regeling voor de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte produkten niet rechtstreeks bij de zaak betrokken, daar zij de berekening van de heffingen en niet die van de mcb's regelt. Zij is evenwel van indirect belang op grond van de omstandigheid dat de Commissie van de verwerkingscoëfficiënt 1,80, die voor de heffingen op de op basis van maïs verwerkte produkten geldt, gebruik heeft gemaakt voor de berekening van de mcb's op diezelfde produkten, en dit tot distorsies van de mededinging tussen de producenten van de verschillende landen van de Gemeenschap heeft geleid.
De tweede vraag
Volgens het aan verordening nr. 974/71 ten grondslag liggende beginsel, neergelegd in de zesde overweging dezer verordening, dienen de compenserende bedragen niet hoger te zijn dan strikt noodzakelijk is om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten waarvoor is voorzien in interventiemaatregelen. Volgens artikel 2, lid 2, van de verordening, dat dit beginsel toepast op de heffing en toekenning van mcb's op afgeleide produkten, zijn de mcb's voor deze produkten gelijk aan de invloed die de prijzen van de produkten ondergaan door de toepassing van het compenserende bedrag op de prijzen van de produkten waarvan eerstgenoemde prijzen afhankelijk zijn. Dit beginsel wordt beklemtoond en toegepast door de rechtspraak van het Hof, waarin het beperkende karakter van de toepassing der mcb's wordt benadrukt (arrest van 24 oktober 1973, zaak 43/72, Merkur, Jurispr. 1973, blz. 1055) en volgens welke men de exporteurs van verwerkte produkten niet een last kan laten dragen welke niet in verband staat met de monetaire fluctuaties (arrest van 12 november 1974, zaak 34/74, Roquette, Jurispr. 1974, blz. 1217).
Door de coëfficiënt 1,80 vast te stellen, heeft de Commissie daarentegen inbreuk gemaakt op bedoeld beginsel. Door voor de berekening van het mcb voor afgeleide produkten, het voor het basisprodukt (maïs) geldende mcb eenvoudigweg te vermenigvuldigen met de technische verwerkingscoëfficiënt maïs/gries of griesmeel van maïs, wordt het gehele compenserende bedrag voor het basisprodukt op een der afgeleide produkten afgewenteld en het bestaan van andere afgeleide produkten, welke eveneens door mcb's worden getroffen, verwaarloosd, met als gevolg dat op de van maïs afgeleide produkten mcb's worden toegepast die, opgeteld, hoger zijn dan het mcb voor het basisprodukt. Weliswaar heeft men 1,8 ton maïs nodig om een ton griesmeel van maïs te produceren, maatuit 1,8 ton maïs wordt bovendien 0,27 ton „farine première”, 0,27 ton voedermeel en 0,242 ton kiemen verkregen, terwijl 0,018 ton gewichtsverlies optreedt. Volgens verzoekster dient het mcb voor een ton gries of griesmeel van maïs, om in overeenstemming te zijn met de voorschriften van verordening nr. 974/71, te worden berekend als volgt:
mcb voor gries =
mcb's maïs x 1,80
-
mcb's farine première x 0,27
-
mcb's voedermeel x 0,27
-
mcb's kiemen x 0,242.
Deze berekeningswijze, waarbij de uit zuiver technische feiten voortvloeiende coëfficiënten in acht worden genomen, houdt rekening met de omstandigheid dat uit een bepaalde hoeveelheid van het basisprodukt, meerdere produkten en bijprodukten worden verkregen.
De berekeningswijze van de Commissie leidt voorts tot distorsies van de mededinging tussen de producenten van de verschillende Lid-Staten en is derhalve in strijd met artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag. Tot staving van dit betoog legt verzoekster in het hoofdgeding een uittreksel over van een deskundigenrapport, opgemaakt naar aanleiding van een geschil waarin dezelfde problemen aan de orde waren als die waarom het in het hoofdgeding gaat en die tot de onderhavige prejudiciële vragen hebben geleid.
Door de betrokken coëfficiënt verscheidene malen te wijzigen, heeft de Commissie volgens verzoekster toegegeven dat de berekeningswijze die in casu aan de orde is, distorsies van de mededinging en discriminaties tussen de producenten van de verschillende Lid-Staten teweeg bracht. De verwerkingscoëfficiënt bedroeg met ingang van 3 oktober 1977 1,60 voor griesmeel (gritz) van maïs (verordening nr. 1771/77 van 29 juli 1977, PB L 193 van 1977, blz. 1) en vervolgens, ingevolge verordening nr. 746/79 van 11 april 1979 (PB L 95 van 1979, blz. 3), 1,50 voor griesmeel vallende onder post 11.02.
Verzoekster in het hoofdgeding concludeert:
„Voor de berekening van de voor afgeleide produkten geldende mcb's, dient rekening te worden gehouden met de invloed die de produkten en bijprodukten gezamenlijk ondergaan van het mcb voor het basisprodukt, zodat met name bij de berekening van het mcb voor het voornaamste afgeleide produkt rekening wordt gehouden met de op de andere produkten toegepaste mcb's:
-
hetzij door van het mcb voor het voornaamste afgeleide produkt de mcb's voor de bijprodukten af te trekken,
-
hetzij door op elk van de afgeleide produkten een coëfficiënt toe te passen die de verhouding weergeeft tussen de daadwerkelijk aangewende hoeveelheid van het basisprodukt en de hoeveelheid die wordt geacht te zijn gebruikt.
B — Opmerkingen van de Franse regering
Ervan uitgaande dat het Hof, wanneer een prejudiciële vraag gebrekkig is geformuleerd, bereid is deze aldus te beantwoorden dat de rechter a quo het aan hem voorgelegde geschil kan oplossen met toepassing van het gemeenschapsrecht, merkt de Franse regering op dat het verwijt van verzoekster in het hoofdgeding niet zozeer betrekking heeft op het bestaan van de verwerkingscoëfficiënt van verordening nr. 2744/75, als wel op de gebruikmaking van die coëfficiënt voor de berekening van de mcb's voor griesmeel van maïs in verordening nr. 1910/76. De gestelde vraag zou dan inhouden of de aanwending van die coëfficiënt voor de berekening van de mcb's voor griesmeel van maïs, niet in strijd is met het beginsel van vrije mededinging en gelijke behandeling van ondernemingen die op het grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd.
Voorwaarde voor de geldigheid van de mcb's
In de eerste plaats analyseert de Franse regering de voorwaarden die de rechtspraak van het Hof verbindt aan de wettigheid van de mcb's. Volgens haar volgt met name uit het arrest van 20 april 1978 (gevoegde zaken 80 en 81/77, Commissionnaires réunis, Jurispr. 1978, blz. 927) dat de mcb's slechts in zoverre geen onwettige inbreuk op het communautaire handelsverkeer maken, als zij hun rechtvaardiging vinden in de enkele noodzaak, de gevolgen van de schommelingen van onstabiele wisselkoersen te corrigeren die, in een op gemeenschappelijke prijzen gebaseerd systeem van een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwprodukten, tot verstoringen van het handelsverkeer zouden kunnen leiden. Indien zij daarentegen op een uitzonderlijk hoog niveau worden vastgesteld, leiden zij, net als heffingen van gelijke werking, tot een distorsie van het intracommunautaire handelsverkeer.
Volgens de Franse regering beschikt de Commissie weliswaar over een ruime beoordelingsvrijheid met betrekking tot de vaststelling van de mcb's, doch blijkt uit het hoofdgeding dat de voor de vaststelling van de mcb's voor griesmeel van maïs toegepaste berekeningsmethode geen acht slaat op de door de rechtspraak van het Hof vereiste neutraliteit ten opzichte van de wisselkoersen. Deze gedachte wordt gerechtvaardigd door twee overwegingen, waarvan de eerste het. gebruik van de coëfficiënten voor de berekening van de mcb's voor verwerkte produkten (1), en de tweede de invloed van de restitutie bij de produktie (2) betreft.
ad 1) Blijkens artikel 2, lid 2, van verordening nr. 974/71 van de Raad dienen de mcb's uitsluitend ten doel te hebben de invloed te compenseren die de prijzen van de betrokken produkten ondergaan door de toepassing van de mcb's op de prijs van het basisprodukt waarvan eerstgenoemde prijzen afhankelijk zijn, en mogen zij niet hoger zijn dan die invloed.
Het gebruik voor de berekening van de op gries en griesmeel te heffen mcb's, van de coëfficiënt 1,80 waarin verordening nr. 2744/75 voorziet voor de berekening van de beffingen op diezelfde verwerkte produkten, lijkt weliswaar gerechtvaardigd op grond dat volgens die verordening het variabele element van de heffing moet overeenkomen met de invloed, uitgeoefend op de kostprijzen van de verwerkte produkten door de voor de basisprodukten vastgestelde heffingen, doch het toepassen van die techniek op de mcb's heeft in feite tot gevolg dat de mcb's op verwerkte produkten aanzienlijk hoger zijn dan strikt noodzakelijk is om — overeenkomstig artikel 2, lid 2, van verordening nr. 974/71 — de invloed te compenseren die de prijs van het verwerkte produkt ondergaat van het mcb voor het basisprodukt. De Commissie houdt geen rekening met de omstandigheid, dat uit een basisprodukt meerdere verwerkte produkten kunnen ontstaan en dat in casu met een ton maïs 0,555 ton griesmeel, 0,168 ton meel, 0,149 ton zemelen en 0,109 ton kiemen kunnen worden gefabriceerd.
Op grond van het beginsel van de neutraliteit van de mcb's ten opzichte van de handelsstromen, dient de vaststelling van de mcb's voor de diverse bijprodukten zodanig te geschieden dat deze in totaal even hoog zijn als het mcb voor het basisprodukt. Bijgevolg dienen van het mcb voor griesmeel de mcb's voor de andere afgeleide produkten te worden afgetrokken. De Commissie heeft overigens in verordening nr. 1771/77 van 29 juli 1977 (reeds geciteerd) haar berekeningsmethode zelf verbeterd door de coëfficiënt voor griesmeel van 1,80 op 1,60 te brengen, maar volgens de Franse regering is die verbetering onvoldoende om de distorsie op te heffen die ontstaat doordat het hele mcb voor het basisprodukt op griesmeel wordt toegepast. De Franse regering wijst in het bijzonder op de voordelen die de door de Commissie toegepaste methode voor de Duitse griesmeelproducenten ten opzichte van de Franse producenten meebrengt, en op de ernstige distorsie van de mededinging die er volgens haar uit voortvloeit. Haar opmerkingen over het arbitraire karakter van de toepassing van de verwerkingscoëfficiënt van verordening nr. 2744/75 worden volgens haar bevestigd door de omstandigheid, dat in bepaalde gevallen de coëfficiënten die de Commissie voor de berekening van de mcb's toepast, niet dezelfde zijn als die van verordening nr. 2744/75, juist omdat deze de invloed die de verwerkte produkten ondergaan van het mcb op het basisprodukt, niet juist weergeven.
ad 2) Ten aanzien van de gevolgen van de restituties bij de produktie voor de beoordeling van de geldigheid van de coëfficiënt 1,80, merkt de Franse regering op dat die gevolgen in aanmerking dienen te worden genomen teneinde de mededingingsvoorwaarden tussen de producenten van de verschillende Lid-Staten van de Gemeenschap weer recht te trekken. Het feit dat de restituties bij de produktie tegen de „groene koers” worden uitbetaald, leidt tot een distorsie ten gunste van de producenten in de Lid-Staten met een sterke valuta, ten nadele van de producenten in Lid-Staten met een zwakke valuta. In het geval waarin een producent, gevestigd in een Lid-Staat met een sterke valuta, basisprodukten (maïs) zou betrekken in een Lid-Staat met een zwakke valuta, om die grondstof in zijn fabriek te verwerken en de verwerkte produkten daarna naar een Lid-Staat met een zwakke valuta uit te voeren, leidt de huidige berekeningswijze van de mcb's tot een overcompensatie van de afwijkingen van de wisselkoersen. In het huidige stelsel van de groene wisselkoersen, heeft de in de groene Duitse valuta betaalde restitutie bij de produktie een hogere waarde dan dezelfde restitutie die in de Franse groene valuta wordt betaald. Om die ongelijkheid tussen de Duitse en Franse griesmeelproducenten met betrekking tot de kosten van hun basisprodukten op te heffen, is het volgens de Franse regering voldoende om het te heffen of toe te kennen mcb voor verwerkte produkten niet eenvoudig te baseren op de prijs van de betrokken grondstof, maar op die prijs, verminderd met de reeds betaalde restitutie bij de produktie.
De Franse regering komt tot de volgende conclusie:
Het beginsel van de neutraliteit van de maatregelen ter compensatie van de monetaire fluctuaties brengt mee, dat de som van de mcb's voor ieder verwerkt produkt afzonderlijk niet hoger mag zijn dan het mcb dat geldt voor de hoeveelheid van het basisprodukt die noodzakelijk is om die produkten te verkrijgen.
Indien uit een basisprodukt meerdere bijprodukten ontstaan, is iedere wijze van berekening van de mcb's op die bijprodukten, waardoor het gehele mcb voor het basisprodukt op één van die bijprodukten komt te rusten zonder dat rekening wordt gehouden met de werkelijke invloed van dat mcb, in strijd met het gemeenschapsrecht, indien op de andere bijprodukten eveneens het bijbehorende mcb wordt toegepast.
Met name de toepassing, ingevolge verordening nr. 1910/76, van de in verordening nr. 2744/75 voorziene coëfficiënt 1,80 voor de berekening van de mcb's voor griesmeel van maïs, is in strijd met het gemeenschapsrecht.
Een wijze van berekening van de mcb's voor verwerkte produkten waarbij geen rekening wordt gehouden met.de invloed van de voor de basisprodukten uitgekeerde restituties bij de produktie, vormt voor de ondernemers eveneens een last die geen rechtstreeks verband houdt met de monetaire fluctuaties, en is derhalve eveneens onverenigbaar met het gemeenschapsrecht.”
C — Opmerkingen van de Raad
De eerste vraag
Volgens de Raad is een antwoord op de eerste vraag, inzake de geldigheid van verordening nr. 2744/75, niet noodzakelijk opdat de nationale rechter een beslissing in de bij hem aanhangige zaak kan geven, en zijn er geen termen aanwezig om haar te beantwoorden. Gezien met name de rechtspraak van het Hof in de arresten van 5 oktober 1977 (zaak 5/77, Tedeschi, Jurispr. 1977, blz. 1555), 30 november 1977 (zaak 52/77, Cayrol, Jurispr. 1977, blz. 2261) en 29 november 1978 (zaak 83/78, Pigs Marketing Board Jurispr. 1978, blz. 2347), alsmede de conclusie van de advocaat-generaal in zaak 26/78, (Viola, arrest van 5 oktober 1978, Jurispr. 1978, blz. 1781), zou de onderhavige zaak voor het Hof echter aanleiding kunnen vormen het probleem van de relevantie van de in het kader van de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag gestelde vragen opnieuw te onderzoeken. Volgens de Raad zou het Hof de nationale rechters moeten verzoeken om, ter verbetering van hun samenwerking op rechterlijk gebied, meer betekenis toe te kennen aan het criterium „noodzakelijk” van artikel 177, tweede alinea, EEG-Verdrag, door dit in de verzoeken om een prejudiciële beslissing zo nauwkeurig mogelijk uiteen te zetten. De Raad vestigt de aandacht van het Hof op de in het constitutioneel recht van de Bondsrepubliek Duitsland neergelegde oplossing. Artikel 100 van de Duitse grondwet bepaalt dat „indien een rechterlijke instantie een wet, van de geldigheid waarvan haar beslissing afhangt, ongrondwettig acht, zij de procedure dient te schorsen en de vraag aan het Bundesverfassungsgericht dient voor te leggen”. Artikel 80 van het Bundesverfassungsgerichtgesetz omschrijft de draagwijdte van die verplichting als volgt:
Indien de voorwaarden neergelegd in artikel 100, eerste alinea, van de grondwet zijn vervuld, verzoeken de rechterlijke instanties het Bundesverfassungsgericht onmiddellijk om een uitspraak.
Uit de motivering dient te blijken in hoeverre de beslissing van de rechterlijke instantie afhangt van de geldigheid van de bepaling en met welke bepaling van hogere orde die bepaling onverenigbaar is.
...”
Op grond van het stilzwijgen van het Verdrag mag volgens de Raad niet van de nationale rechters worden geëist dat zij de relevantie van de verwijzingsbeslissing uiteenzetten en rechtvaardigen. Indien zij vrijwillig op deze of op overeenkomstige wijze tewerkgingen, zou een voor eenieder die bij de procedure is betrokken heilzaam resultaat worden bereikt, in die zin dat artikel 177 EEG-Verdrag zou worden toegepast op de gedingen waarvoor het daadwerkelijk is ontworpen.
De tweede vraag
Volgens de Raad zijn blijkens de arresten van het Hof van 11 oktober 1977 (zaak 125/76, Cremer, Jurispr. 1977, blz. 1593) en 9 maart 1976 (zaak 95/75, Effem, Jurispr. 1976, biz. 361) forfaitaire beoordelingen toegestaan om de uitvoerbaarheid van de verordening te verzekeren, indien die beoordelingen niet zonder onderscheid te zeer bij benadering worden toegepast maar bijvoorbeeld wordt onderscheiden al naar gelang de tariefposten.
Daar echter de tweede vraag volgens de Raad rechtens doelt op de geldigheid van de verordeningen van de Commissie, verwijst hij naar het door de Commissie te voeren betoog.
D — Opmerkingen van de Commissie
Ofschoon volgens haar alleen de tweede vraag relevant is voor de oplossing van het geschil, spreekt de Commissie in het licht van de algemene situatie die zij in aanmerking heeft moeten nemen, haar oordeel uit zowel over de schending van verordening nr. 974/71 van de Raad als de inbreuk op artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag.
Schending van verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 (overcompensatie ten nadele van griesmeel)
In antwoord op het betoog van verzoekster in het hoofdgeding, dat de toepassing van de coëfficiënt 1,80 voor de berekening van de mcb's voor griesmeel van maïs de invloed van de waardedaling van de Franse frank ten opzichte van de groene frank op de prijs van maïs overcompenseert, geheel ten nadele van griesmeel, merkt de Commissie op dat niet wordt betwist dat technisch gezien uit 1,80 ton maïs een ton griesmeel ontstaat. Daarentegen bestaat er volgens haar „geen eenstemmigheid ... over de bijprodukten die daadwerkelijk bij de produktie van griesmeel van maïs worden verkregen”. Volgens de Commissie wordt maïsmeel slechts verkregen in Frankrijk en Groot-Brittannië, maar niet in Duitsland, noch in de Benelux-landen. Voorts worden kiemen niet als zodanig in de handel gebracht, maar worden zij verwerkt tot olie waarbij als bijprodukt lijnkoek wordt verkregen. Voor deze twee produkten bestaan volgens de Commissie geen mcb's. Bovendien zijn de afzetmarkten voor de bijprodukten, behalve voor griesmeel van maïs, van geringe waarde omdat zij concurreren met voedermiddelen op basis van maïsgluten en met gebroken granen van maïs, die uit derde landen worden ingevoerd zonder dat mcb's worden toegepast.
Gezien deze weinig duidelijke situatie heeft de Commissie moeten kiezen voor een forfaitaire en technische oplossing, te weten de verwerkingscoëfficiënt 1,80. In 1976 beschikte de Commissie immers nog niet over gegevens op grond waarvan zij had kunnen afwijken van de destijds algemeen toegepaste herleidingsmethodes. In het licht van meer recente gegevens heeft zij evenwel bij de verordeningen nrs. 1771/77 van 29 juli 1977 en 746/79 van 11 april 1979 (reeds geciteerd) de verwerkingscoëfficiënt voor de berekening van de mcb's voor griesmeel van maïs gewijzigd door deze eerst van 1,80 op 1,60 en vervolgens van 1,60 op 1,50 terug te brengen. Tot deze wijzigin- gen werd met name besloten met het oog op de regelmatige verhoging van de exporten van griesmeel van maïs vanuit Duitsland en de Benelux naar Frankrijk.
De Commissie is zich ervan bewust dat telkens wanneer het een forfaitaire maatregel betreft, met die maatregel niet geheel rekening kan worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van iedere betrokken onderneming. Zij meent evenwel dat de beoordelingsvrijheid die het Hof haar onder meer in het arrest van 24 oktober 1973 (zaak 5/73, Balkan, Jurispr. 1973, blz. 1091) voor de toepassing van het stelsel der mcb's heeft toegekend, de mogelijkheid omvat een forfaitair stelsel te kiezen.
Schending van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag
De grief betreffende schending van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag is volgens de Commissie ongegrond. Men dient immers rekening te houden met de omstandigheid dat de Franse verwerkende industrie in Frankrijk geproduceerde maïs kan betrekken, waarvan de prijs lager ligt dan de uit derde landen ingevoerde maïs. Indien de door verzoekster in het hoofdgeding aangevoerde grief gegrond was, dan zou men sedert 1976 een daling van de Franse exporten van griesmeel van maïs hebben moeten vaststellen, hetgeen niet het geval is.
Concluderend geeft de Commissie het Hof in overweging te antwoorden, dat bij onderzoek van de door het Tribunal Administratif te Orléans gestelde vragen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de verordeningen nrs. 1910/76 en 2466/76 van de Commissie kunnen aantasten.
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 15 januari 1980 hebben verzoekster in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door M. Veroone, advocaat te Rijsel, de regering van de Italiaanse Republiek, te dezen vertegenwoordigd door M. Favara als gemachtigde, de Raad van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door B. Schloh als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door J. Delmoly als gemachtigde, bijgestaan door R. Reifenrath als gemachtigde, mondelinge opmerkingen gemaakt.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 11 maart 1980 conclusie genomen.
IV — Ontwikkeling van de procedure
Bij beschikking van 26 maart 1980 heeft het Hof, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelast en verzoekster in het hoofdgeding, de Italiaanse regering, de Franse regering, de Raad en Commissie uitgenodigd hun opmerkingen aan te vullen door een zeker aantal vragen schriftelijk te beantwoorden. In hun antwoorden hebben verzoekster in het hoofdgeding en de Franse regering hun eerdere opmerkingen bevestigd, terwijl de Commissie haar standpunt op bepaalde punten nader heeft uiteengezet.
Met betrekking tot de ratio van de herleidingscriteria voor de andere van maïs afgeleide produkten, die naast gries en griesmeel worden verkregen, merkt de Commissie op dat voor de berekening van de voor die andere bijprodukten geldende heffingen, de criteria van begin af aan niet op een kwantitatieve grondslag zijn vastgesteld, doch met inachtneming van de voor de stabilisatie van de prijzen van die produkten economisch noodzakelijke bescherming. Rekening houdende met de samenhang tussen monetair compenserende bedragen en heffingen, zou de gewenste neutraliteit van de monetair compenserende bedragen overeen moeten worden gebracht met de uit die samenhang voortvloeiende eisen van bescherming. Anders gezegd, de aan de buitengrenzen gewenste bescherming zou in gevaar worden gebracht indien de voor de berekening van de compenserende bedragen toegepaste verwerkingscoëfficiënten teveel afweken van die welke voor de berekening van de heffingen worden gebruikt. Dit zou een van de voornaamste redenen zijn waarom de Commissie om te beginnen de verwerkingscoëfficiënten die worden toegepast voor de berekening van de heffingen, zonder meer heeft overgenomen voor de berekening van de mcb's voor op basis van granen verwerkte produkten. Om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de tegen die berekeningswijze geuite bezwaren, zou de Commissie zijn overgegaan tot een vermindering van de verwerkingscoëfficiënten voor de berekening van de mcb's, zij het met voorzichtigheid en trapsgewijze. Met betrekking tot de plafonneringsregel, dat wil zeggen de eis dat de som van de mcb's voor alle van een basisprodukt afgeleide produkten niet hoger mag zijn dan het mcb voor dat basisprodukt, betoogt de Commissie dat indien men die regel wil toepassen, het voornaamste verwerkte produkt met zijn verwerkingscoëfficiënt alsmede de kwaliteit en de categorieën van de diverse bijprodukten nauwkeurig moeten worden vastgesteld. Die berekening is uiterst moeilijk, daar zij afhankelijk is van de kwaliteit van de gebruikte grondstof en van de verschillende afzetmarkten voor de verkregen verwerkte produkten. De Commissie meent niettemin in zo groot mogelijke mate met dit plafonneringsbegrip rekening te hebben gehouden.
Mocht het Hof de toepassing van de verwerkingscoëfficiënten buitensporig achten, dan zou de Commissie bereid zijn de afschaffing van de mcb's voor kiemen te overwegen, aangezien daarmee de plafonering op gemeenschapsniveau nagenoeg zou zijn verwezenlijkt.
V — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 20 mei 1980 hebben verzoekster, te dezen vertegenwoordigd door M. Veroone, advocaat te Rijsel, de Franse regering, te dezen vertegenwoordigd door H. Marty-Gauquie, de Raad van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door B. Schloh als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door P. Gilsdorf en J. Delmoly als gemachtigden, bijgestaan door R. Reifenrath, mondelinge opmerkingen gemaakt.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 17 juni 1980 opnieuw conclusie genomen.
In rechte
1 Bij vonnis van 22 juni 1979, ingekomen ten Hove op 9 juli 1979, heeft het Tribunal Administratif te Orléans het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening nr. 2744/75 van de Raad van 29 oktober 1975 betreffende de regeling voor de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte produkten (PB L 281 van 1975, blz. 65) en van de verordeningen van de Commissie nr. 1910/76 van 30 juli 1976 (PB L 208 van 1976, blz. 1) en nr. 2466/76 van 8 oktober 1976 (PB L 280 van 1976, biz. 1) tot wijziging van de monetair compenserende bedragen die moeten worden geheven of toegekend, al naar gelang het geval, bij de invoer of de uitvoer van bepaalde produkten in de sector granen.
2 In de eerste plaats wordt gevraagd of verordening nr. 2744/75 van de Raad niet ongeldig is wegens strijd „met het beginsel van vrije mededinging en gelijke behandeling van ondernemingen die op het grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd.” Vervolgens wordt gevraagd of bedoelde verordeningen van de Commissie, waarbij de hoogte van de monetair compenserende bedragen voor gries en griesmeel van maïs is vastgesteld met gebruikmaking van de in voornoemde verordening nr. 2744/75 van de Raad voorziene verwerkingscoëfficiënt (in casu 1,8), geen inbreuk maken op de bepalingen van verordening nr. 974/71 van de Raad en op bovenvermeld verbod van discriminatie tussen producenten.
3 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen verzoekster in het hoofdgeding en het Office National Interprofessionnel des Céréales (ONIC), het Franse orgaan belast met de tenuitvoerlegging van de communautaire bepalingen betreffende de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen. Voor exporten van gries en griesmeel van maïs, door verzoekster verricht tussen 11 en 28 mei 1977, heeft het ONIC van haar de betaling gevorderd van de ter uitvoering van verordening nr. 974/71 van de Raad bij verscheidene verordeningen van de Commissie vastgestelde monetair compenserende bedragen.
4 Voor het tijdvak waarin de betrokken exporten plaats vonden, zijn de ten laste van de Franse exporteurs bij de uitvoer van maïs (post 10.05 B van het gemeenschappelijk douanetarief) en van gries en griesmeel van maïs (posten 11.02 A Va sub 1 en 11.02 A Va sub 2) te heffen monetair compenserende bedragen bij verordening nr. 938/77 van de Commissie van 29 april 1977 (PB L 110 van 1977, blz. 6) vastgesteld als volgt:
-
maïs: FF/t 110,61
-
griesmeel: FF/t 199,09 te weten 110,61 × 1,8
5 De vaststelling van het monetair compenserende bedrag voor een ton griesmeel van maïs op een bedrag gelijk aan het monetair compenserende bedrag voor een ton maïs, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 1,8, geschiedde krachtens de artikelen 1 en 2 van verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 (PB L 106 van 1971, blz. 1), in hun toen geldende versie.
-
Artikel 1, lid 2, van de verordening bepaalt dat indien aan de in lid 1 en lid 1 bis van dat artikel gestelde voorwaarden is voldaan, monetair compenserende bedragen worden vastgesteld voor (a) produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten is voorzien in interventiemaatregelen, en (b) produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van de sub (a) bedoelde produkten en die bovendien, hetzij eveneens onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, hetzij het voorwerp zijn van een specifieke regeling krachtens artikel 235 EEG-Verdrag. Maïs valt onder rubriek (a), terwijl gries en griesmeel tot rubriek (b) behoren.
-
Artikel 2, lid 1, van de verordening bepaalt de berekeningswijze van de monetair compenserende bedragen voor de produkten waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien (hierna: basisprodukten). Volgens lid 2 zijn voor de produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van de eerstbedoelde produkten, „de compenserende bedragen gelijk aan de invloed die de prijzen van het betrokken produkt ondergaan door de toepassing van het compenserende bedrag op die prijzen van het in lid 1 bedoelde produkt waarvan eerstgenoemde prijzen afhankelijk zijn.”
6 De invloed van de toepassing van het monetair compenserende bedrag voor maïs (basisprodukt) op de prijs van griesmeel (afhankelijk produkt) wordt in de litigieuze verordeningen weergegeven door de coëfficiënt 1,8, waarbij wordt uitgegaan van de gedachte dat voor de vervaardiging van een ton griesmeel 1,8 ton maïs nodig is en dat het bijgevolg, ter vermijding van distorsies van de mededinging en een verlegging van de handelsstromen zowel in het handelsverkeer tussen Lid-Staten als met derde landen, noodzakelijk is voor een ton griesmeel een monetair compenserend bedrag te heffen respectievelijk toe te kennen, gelijk aan het voor 1,8 ton maïs geheven of toegekende bedrag.
7 Die coëfficiënt 1,8 — verwerkingscoëfficiënt genoemd — heeft de Commissie overgenomen uit verordening nr. 2744/75 van de Raad van 29 oktober 1975 betreffende de regeling van de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte produkten (PB L 281 van 1975, biz. 65). Deze verordening is op haar beurt vastgesteld ter uitvoering van verordening nr. 2727/75 van de Raad van dezelfde datum, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB L 281 van 1975, blz. 1). Artikel 14 van deze verordening bepaalt dat bij invoer uit derde landen heffingen kunnen worden toegepast, niet alleen op de in lid 1, sub a, van de verordening genoemde granen (zogenaamde basisprodukten), maar ook bij invoer van de uit die basisprodukten verkregen verwerkte produkten. Artikel 14 bepaalt voorts dat het variabele element van die heffing, hoewel forfaitair vastgesteld, „voor de verwerkte produkten, vervaardigd op basis van in artikel 1, sub a, genoemde basisprodukten, [moet overeenkomen] met de invloed, uitgeoefend op de kostprijzen van deze verwerkte produkten door de voor deze basisprodukten vastgestelde heffingen.”
8 Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van verordening nr. 2727/75, is in bijlage I van verordening nr. 2744/75 onder de nrs. 11.02 A Va sub 1 en 2 van het gemeenschappelijk douanetarief, de invloed op de kostprijs van het verwerkte produkt (gries en griesmeel) van de voor het basisprodukt (maïs) vastgestelde heffingen uitgedrukt. Die invloed wordt uitgedrukt met de coëfficiënt 1,8, met als gevolg dat het variabele element van de heffing op een ton maïsgriesmeel gelijk is aan de heffing op 1,8 ton maïs. Het is deze coëfficiënt die de Commissie uit de heffingregeling heeft overgenomen voor het stelsel van de monetair compenserende bedragen.
9 Deze methodiek wordt bestreden door verzoekster in het hoofdgeding. Zij betoogt dat, zo men maïs wil verwerken tot gries of griesmeel (voornaamste afgeleide produkten), weliswaar 1,8 ton maïs nodig is ter verkrijging van 1 ton griesmeel, doch dat uit die zelfde hoeveelheid maïs andere, secundaire afgeleide produkten worden verkregen waarvoor eveneens monetair compenserende bedragen worden geheven of toegekend. Aangezien door de coëfficiënt 1,8, die immers een kwantitatieve verhouding uitdrukt, de gehele invloed van het monetair compenserende bedrag op het basisprodukt wordt afgewenteld op een enkel van maïs afhankelijk produkt, in casu het voornaamste afgeleide produkt, is bijgevolg de som van de monetair compenserende bedragen die worden geheven of toegekend voor de verschillende van het basisprodukt afgeleide produkten, noodzakelijkerwijs hoger dan het monetair compenserende bedrag voor dat basisprodukt. Dit is volgens verzoekster in strijd met de zesde overweging van verordening nr. 974/71, volgens welke de vast te stellen monetair compenserende bedragen „niet hoger dienen te zijn dan strikt noodzakelijk is om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten waarvoor is voorzien in interventiemaatregelen, en slechts van toepassing dienen te zijn in die gevallen waarin deze invloed moeilijkheden zou veroorzaken”, en met de inzonderheid in artikel 2, lid 2, van die verordening neergelegde regel, dat „voor de overige in artikel 1 genoemde produkten (dat wil zeggen de produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van de basisprodukten) de compenserende bedragen gelijk zijn aan de invloed die de prijzen van het betrokken produkt ondergaan door de toepassing van het compenserende bedrag op die prijzen van het in lid 1 bedoelde produkt waarvan eerstgenoemde prijzen afhankelijk zijn.”
10 De door de Commissie toegepaste methode zou aldus leiden tot een overcompensatie van de invloed van het monetair compenserende bedrag voor het basisprodukt op de prijs van het voornaamste afgeleide produkt. Bijgevolg zouden de exporteurs van maïsgries van de Lid-Staten met een zwakke valuta te hoge monetair compenserende bedragen (lasten) betalen, terwijl die van de Lid-Staten met een sterke valuta te hoge monetair compenserende bedragen (subsidies) zouden ontvangen. Die overcompensatie zou een belemmering van het vrije verkeer van het betrokken produkt binnen de gemeenschappelijke markt en een discriminatie tussen producenten vormen, daar zij een beschermend element ten gunste van de exporteurs van bepaalde Lid-Staten en een hinderpaal ten nadele van de exporteurs van andere Lid-Staten zou bevatten.
11 Volgens verzoekster in het hoofdgeding dienen de monetair compenserende bedragen die van haar zijn gevorderd, dusdanig te worden verminderd, dat de som van de verschillende monetair compenserende bedragen voor de diverse, van een bepaalde hoeveelheid maïs afgeleide produkten niet hoger is dan de monetair compenserende bedragen voor die hoeveelheid maïs zelf.
Daartoe ontwikkelt zij de volgende redenering:
-
1,8 ton maïs levert op:
1,000 ton gries en griesmeel
0,270 ton „farine première”
0,242 ton kiemen
0,270 ton voedermeel
terwijl de rest produktieverlies vormt;
-
de betrokken verordeningen van de Commissie voorzien in monetair compenserende bedragen voor:
-
maïs (GDT 10.05 B)
-
gries en griesmeel van maïs (GDT 11.02 A V a sub 1 en 2)
-
„farine première” (GDT 11.01 E II)
-
maïskiemen (GDT 11.02 G II)
-
voedermeel (GDT 23.02 A I a en b)
-
-
het van haar gevorderde monetair compenserende bedrag voor een ton gries en griesmeel zou moeten worden verminderd met de monetair compenserende bedragen voor de andere drie uit 1,8 ton maïs verkregen produkten.
Zij drukt haar zienswijze tenslotte uit met de volgende rekenkundige formule:
het monetair compenserende bedrag voor 1 ton gries en griesmeel
-
is gelijk aan het monetair compenserende bedrag voor 1,8 ton maïs
verminderd met het monetair compenserende bedrag voor 0,270 ton „farine première”,
-
het monetair compenserende bedrag voor 0,242 ton kiemen
-
en het monetair compenserende bedrag voor 0,270 ton voedermeel.
12 Blijkens het voorgaande houden de gestelde vragen hoofdzakelijk in, of de som van de monetair compenserende bedragen voor de verschillende, bij de verwerking van een bepaalde hoeveelheid basisprodukt verkregen produkten of bijprodukten hoger mag zijn dan het monetair compenserende bedrag voor dat basisprodukt.
13 Alvorens die vragen te onderzoeken, dient evenwel te worden gewezen op bepaalde bijzonderheden van het stelsel van verwerkingscoëfficiënten zoals dat wordt toegepast voor de berekening van de monetair compenserende bedragen voor de produkten die niet onder de interventieregeling vallen.
-
Uit het onderzoek van het onderhavige geschil en een analyse van de bijlagen van verordening nr. 2744/75 is gebleken, dat de in die verordening vastgestelde verwerkingscoëfficiënten voor de berekening van de heffingen op verwerkte produkten niet alle het kwantitatieve karakter hebben van de coëfficiënt 1,8 voor de verhouding maïs/griesmeel. In haar antwoord op de door het Hof bij de heropening van de mondelinge behandeling gestelde vragen heeft de Commissie verklaard, dat de keuze van een verwerkingscoëfficiënt ook kan afhangen van de kwalitatieve verschillen tussen de verschillende verwerkte produkten of van de relatie tussen de prijs van het verwerkte produkt en van de daarmee concurrerende produkten. In het algemeen, aldus de Commissie, is de coëfficiënt aanvankelijk gekozen „niet op een kwantitatieve grondslag, maar rekening houdende met de economisch noodzakelijke bescherming ter stabilisatie van de prijzen van die produkten”, en in bepaalde gevallen zelfs ten einde „een maximale bescherming te waarborgen”. Later heeft men bij de vaststelling van de verwerkingscoëfficiënten ook rekening gehouden met „de specifieke elementen van bepaalde bijprodukten.” Het spreekt vanzelf dat deze diversiteit in de keuze van de verwerkingscoëfficiënten zich, met overeenkomstige gevolgen, opnieuw voordoet wanneer die coëfficiënten zonder meer worden overgenomen voor de berekening van de monetair compenserende bedragen.
-
De Commissie heeft niet onder alle omstandigheden het parallellisme gehandhaafd tussen de verwerkingscoëfficiënten die zij voor de berekening van de heffingen toepaste, en die waarvan zij zich voor de berekening van de monetair compenserende bedragen bediende. Deze laatste coëfficiënten zijn bij verordening nr. 1771/77 van 29 juli 1977 (PB L 193 van 1977, blz. 1) met ingang van 3 oktober 1977 verminderd van 1,8 (maïs/griesmeel) tot 1,6, en bij verordening nr. 746/79 van 11 april 1979 (PB L 95 van 1979, blz. 3) met ingang van 28 mei 1979 tot 1,5, terwijl de verwerkingscoëfficiënten voor de heffingen onveranderd bleven. Hetzelfde was het geval met betrekking tot de andere maïsprodukten die in casu aan de orde zijn („farine première, kiemen en voedermeel),
-
In het kader van zowel het heffingstelsel (artikel 14, lid 1, letter A, sub c van verordening nr. 2727/75) als het stelsel der monetair compenserende bedragen (artikel 2 van verordening nr. 974/71), kunnen heffingen en monetair compenserende bedragen worden vastgesteld voor produkten die worden verkregen bij de verwerking van een agrarisch basisprodukt dat zelf niet is onderworpen aan monetair compenserende bedragen en dat wettelijk gezien ook niet zou kunnen zijn, op grond van de omstandigheid dat het niet is onderworpen aan interventiemaatregelen in het kader van een gemeenschappelijke marktordening. De „afhankelijkheid” van een aan monetair compenserende bedragen onderworpen basisprodukt wordt in dat geval geacht voort te vloeien uit de omstandigheid, dat het betrokken produkt rechtstreeks concurreert met een uit de verwerking van het basisprodukt ontstaan produkt.
De gestelde vragen moeten met name in het licht van deze drie bijzonderheden worden beantwoord.
De eerste vraag: geldigheid van verordening nr. 2744/75 van de Raad
14 Verzoekster in het hoofdgeding en de instellingen die opmerkingen hebben ingediend, zijn het erover eens, dat de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de keuze van de verwerkingscoëfficiënten in verordening nr. 2744/75, dat wil zeggen voor de berekening van de heffingen, in casu niet in het geding is. Dit geldt in het bijzonder voor de coëfficiënt 1,8 (maïs/griesmeel). Het geding heeft betrekking op de toepassing van die coëfficiënten op het gebied van de monetair compenserende bedragen, voor zover daardoor de som van de monetair compenserende bedragen voor de verschillende verwerkte produkten van een basisprodukt hoger wordt dan het monetair compenserende bedrag voor de hoeveelheid basisprodukt waaruit die verschillende verwerkte produkten zijn verkregen.
15 In het kader van de taakverdeling tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof voor de toepassing van artikel 177 EEG-Verdrag staat het weliswaar aan de nationale rechterlijke instanties, te beslissen of de gestelde vragen ter zake dienend zijn, doch het blijft voorbehouden aan het Hof, uit alle door de nationale rechter verstrekte gegevens die gemeenschappelijke elementen naar voren te halen welke, rekening houdend met het onderwerp van het geding, moeten worden uitgelegd of op hun geldigheid moeten worden beoordeeld.
16 Blijkens bovenstaande overwegingen hebben alle vragen tezamen betrekking op de geldigheid van de toepassing van de verwerkingscoëfficiënt 1,8 bij de berekening van het monetair compenserende bedrag voor griesmeel en gries, en behoeft de eerste vraag derhalve geen bijzonder antwoord.
De tweede vraag: geldigheid van verordening nr. 938/77 van de Commissie, voor zover daarbij de monetair compenserende bedragen voor maïsgriesmeel door toepassing van de verwerkingscoëfficiënt 1,8 zijn vastgesteld
A — Algemene overwegingen
17 Het antwoord op de gestelde vraag moet worden gezocht in het licht van de doelstellingen welke ten grondslag liggen aan de instelling, bij verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971, van de monetair compenserende bedragen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en van de verdragsbepalingen betreffende dat gemeenschappelijk landbouwbeleid, inzonderheid de artikelen 39, 40 en 43.
18 De monetair compenserende bedragen zijn bij verordening nr. 974/71 ingesteld ten einde, in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten, een ontwrichting van het in de communautaire regeling voorziene interventiesysteem alsmede abnormale prijsbewegingen als gevolg van de fluctuaties van de valuta's van sommige Lid-Staten te voorkomen. Volgens de considerans van verordening nr. 974/71 dienen de toe te passen bedragen niet hoger te zijn dan strikt noodzakelijk is om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten waarvoor is voorzien in interventiemaatregelen, en dienen zij slechts te worden toegepast in de gevallen waarin deze invloed moeilijkheden zou veroorzaken.
19 Volgens artikel 1, lid 2, van de verordening worden compenserende bedragen geheven op, respectievelijk toegekend voor produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten is voorzien in interventiemaatregelen, en op produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van eerstgenoemde categorie produkten en die hetzij onder de gemeenschappelijke ordening der markten vallen, hetzij het voorwerp zijn van een specifieke regeling krachtens artikel 235 EEG-Verdrag. Artikel 2, lid 2 bepaalt dat voor de andere produkten dan die waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien, de compenserende bedragen gelijk zijn aan de invloed die de prijs van het betrokken produkt ondergaat door de toepassing van het compenserende bedrag op de prijs van het aan het interventiesysteem onderworpen produkt, waarvan eerstgenoemde prijs afhankelijk is.
20 Uit die bepalingen volgt dat, zowel voor de basisprodukten als voor de afhankelijke produkten, de instelling van monetair compenserende bedragen ten doel heeft de gevolgen te corrigeren van de schommelingen van onstabiele wisselkoersen die, in een stelsel van een op gemeenschappelijke prijzen gebaseerde marktordening voor landbouwprodukten, verstoringen in het handelsverkeer van die produkten zouden kunnen veroorzaken en met name de voor die produkten voorziene interventieregeling in gevaar zouden kunnen brengen. Met de instelling van monetair compenserende bedragen wordt derhalve in hoofdzaak de handhaving van het stelsel van eenvormige prijzen in de agrarische marktordeningen beoogd. Dit stelsel van eenvormige prijzen vormt immers, gelet op de aan die marktordeningen inherente doelstellingen — de handhaving van de levensstandaard van de agrarische producenten en de stabilisatie der markten —, de grondslag van het vrije verkeer van landbouwprodukten binnen de Gemeenschap. Het stelsel heeft niet tot doel en mag ook niet tot doel hebben, een bepaalde Lid-Staat ten opzichte van de andere een aanvullende marktbescherming op het gebied van de landbouwprijzen te verlenen; dit zou immers onverenigbaar zijn met de nagestreefde markteenheid.
21 Meer in het bijzonder met betrekking tot de afhankelijke produkten dient voorts te worden opgemerkt dat, gelijk het Hof vaststelde in zijn arrest van 12 november 1974 (zaak 34/74, Roquette, Jurispr. 1974, blz. 1217), voor de basisprodukten de monetaire fluctuaties krachtens artikel 2 van verordening nr. 974/71 volledig kunnen worden gecompenseerd, doch dat dit niet geldt voor de afhankelijke produkten. Voor deze laatste kan de Commissie, gezien de in artikel 2, lid 2, gebezigde term „invloed”, bij de vaststelling van de monetair compenserende bedragen enkel rekening houden met de gevolgen voor de prijs van het afhankelijke produkt van de op het basisprodukt toegepaste compenserende bedragen.
22 Het stelsel der monetair compenserende bedragen dat aldus, als tijdelijke maatregel en voor zover mogelijk, de voor het stelsel van eenvormige prijzen en bijgevolg voor de werking van de marktordeningen noodlottige invloed moet opheffen van de kortstondige fluctuaties van de wisselkoersen van de valuta's van de verschillende Lid-Staten ten opzichte van de in agrarische rekeneenheden uitgedrukte representatieve koers van die valuta's, wijkt derhalve fundamenteel af van het stelsel van heffingen en restituties in het handelsverkeer van landbouwprodukten met derde landen. Laatstgenoemd stelsel kan op grond van het beginsel van de communautaire preferentie factoren omvatten — en omvat deze ook — waardoor de communautaire landbouwproduktie in haar geheel wordt beschermd. Bij de berekening van de heffingen op verwerkte produkten overeenkomstig verordening nr. 2727/45 van de Raad, komt die beschermende factor niet alleen tot uitdrukking in het vaste element, maar ook — zoals de Commissie overigens erkent — in het variabele element van de heffing, dankzij het gebruik van juist daartoe vastgestelde verwerkingscoëfficiënten.
23 Nu worden mcb's weliswaar niet enkel geheven of toegekend in het intracommunautaire handelsverkeer, maar ook in de handel met derde landen, doch dit is nog geen reden om in die bedragen een aan het heffingstelsel ontleende beschermende factor op te nemen, te meer daar deze factor wegens de nagestreefde gelijkheid van de monetair compenserende bedragen voor de intracommunautaire handel en van die voor de handel met derde landen, automatisch ook in de intracommunautaire handel zijn werking doet gevoelen.
24 Het is aan dat verschil tussen het stelsel van heffingen en dat van de compenserende bedragen, dat het vereiste van een strikte neutraliteit van de monetair compenserende bedragen beantwoordt. Dit vereiste wordt in de eerste plaats beklemtoond in de zesde onverweging van verordening nr. 974/71, volgens welke die bedragen „niet hoger dienen te zijn dan strikt noodzakelijk is om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten waarvoor is voorzien in interventiemaatregelen, en slechts van toepassing dienen te zijn in die gevallen waarin deze invloed moeilijkheden zou veroorzaken.” Het wordt voorts geaccentueerd door het restrictieve karakter van de artikelen 1, lid 1 bis, en 3, alsmede door de bewoordingen van artikel 2, lid 2, betreffende afhankelijke produkten, bepalende dat de monetair compenserende bedragen op die produkten „gelijk (zijn) aan de invloed die de prijzen van het betrokken produkt ondergaan door de toepassing van het compenserende bedrag op die prijzen van het in lid 1 bedoeld produkt waarvan eerstgenoemde prijzen afhankelijk zijn.” Het beantwoordt tenslotte aan de fundamentele eis van het vrije verkeer van landbouwprodukten, dat, ondanks de gevolgen van de schommelingen van de wisselkoersen op korte termijn als gevolg van het zweven van de valuta's van de Lid-Staten, door de monetair compenserende bedragen moet worden bevorderd.
25 Monetair compenserende bedragen, vastgesteld op een niveau waardoor duidelijk een overcompensatie zou plaatsvinden van de marge tussen de in nationale valuta uitgedrukte prijzen en de met toepassing van representatieve wisselkoersen (groene koersen van de nationale valuta's) in rekeneenheden uitgedrukte prijzen, zouden in strijd zijn met het karakter van voorlopig redmiddel, dat aan de monetair compenserende bedragen moet worden toegekend, en met het vereiste — voorwaarde voor hun wettigheid — dat de instelling ervan strikt noodzakelijk moet zijn. In plaats van een middel te zijn om in de mate van het mogelijke het stelsel van eenvormige prijzen en daarmee het vrije verkeer van landbouwprodukten te handhaven, zouden zij verworden tot een belemmering van dat vrije verkeer, op één lijn te stellen met heffingen van gelijke werking als douanerechten en onverenigbaar met de in artikel 43, lid 3, sub b, EEG-Verdrag aan de gemeenschappelijke ordening der markten verbonden doelstelling, namelijk het handelsverkeer binnen de Gemeenschap analoge voorwaarden te waarborgen als op een nationale markt bestaan.
26 Dit geldt te meer daar de handhaving gedurende zo lange tijd van de monetair compenserende bedragen moet worden beoordeeld met inachtneming van de wijzigingen die zijn opgetreden in de monetaire situatie naar aanleiding waarvan zij zijn ingesteld. Het voorheen zo onrustige koersverloop van de valuta's van de Lid-Staten is inmiddels weer goeddeels verwerkt en de gevolgen van de valutaonrust zijn voor een groot deel door de nationale economieën geabsorbeerd. Deze omstandigheid, tezamen met het besluit van een zeker aantal Lid-Staten, de onderlinge fluctuaties van hun valuta's binnen een maximummarge op een bepaald moment van 2,25 % te handhaven, en rekening houdende met de bij verordening nr. 129, zoals gewijzigd bij 's Raads verordening nr. 2543/73 (PB L 263 van 1973, blz. 1), aan de Raad toegekende bevoegdheid de representatieve wisselkoersen (groene koersen) vast te stellen, maakt het bovenomschreven neutraliteitsvereiste nog dwingender.
27 Plet Hof erkent dat de berekening van de invloed van het voor een basisprodukt vastgestelde monetair compenserend bedrag op de prijzen van de afhankelijke produkten, voor een groot aantal produkten waarvan de produktiemethode en de samenstelling in de verschillende gebieden van de Gemeenschap kunnen variëren, moeilijke problemen van technische en economische aard oplevert. Het is aan de Commissie die problemen op te lossen, met behoud van een zekere coherentie en een minimum aan doorzichtigheid in het door haar in die sector in te voeren stelsel der compenserende bedragen. Zij dient daartoe te beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid, met name bij de vraag of er verstoringen van het handelsverkeer optreden of dreigen op te treden, met betrekking tot het aantal afhankelijke produkten waarop een compenserend bedrag moet worden toegepast, en de invloed op de prijs van het afhankelijke produkt van het op het basisprodukt toegepaste compenserende bedrag. De vaststelling van het compenserende bedrag voor een verwerkt produkt kan niet worden betwist op de enkele grond dat ten aanzien van een bepaalde onderneming of groep producenten de berekening van de invloed van het voor het basisprodukt geldende compenserende bedrag niet geheel adequaat zou zijn, want het kan zijn dat men zijn toevlucht wel moet nemen tot forfaitaire schattingen.
28 De beoordelingsvrijheid die de Commissie moet worden toegekend, is niettemin aan beperkingen gebonden. Indien de toegepaste berekeningsmethode tot gevolg heeft dat verwerkte produkten systematisch worden onderworpen aan compenserende bedragen waarvan de last — of, in voorkomend geval, het voordeel — voortdurend groter is dan noodzakelijk is om rekening te houden met de invloed van het compenserende bedrag voor het basisprodukt, kan niet meer worden aangenomen dat de bepalingen waarbij die bedragen zijn vastgesteld dienen om de gevolgen van de monetaire fluctuaties tussen de Lid-Staten op te heffen. In een dergelijk geval blijft de Commissie niet binnen het kader van de haar bij verordening nr. 974/71 gegeven bevoegdheid.
29 In het licht van bovenstaande overwegingen dient nu de verenigbaarheid van de onderhavige verwerkingscoëfficiënt met gemeenschapsrecht van hogere orde te worden onderzocht.
B — De in casu omstreden verwerkingscoëfficiënt
30 De Commissie heeft niet bestreden, dat de toepassing van de verwerkingscoëfficiënten die worden aangehouden bij de berekening van de monetair compenserende bedragen in de onderhavige produktieketen — maïs (basisprodukt), griesmeel en gries (voornaamste afgeleide produkten), kiemen, „farine première” en voedermeel (secundaire afgeleide produkten) — ertoe leidt dat voor de verschillende, voornaamste en secundaire afgeleide produkten die uit een bepaalde hoeveelheid maïs zijn verkregen, monetair compenserende bedragen worden vastgesteld waarvan de som duidelijk hoger is dan de monetair compenserende bedragen voor de hoeveelheid maïs waarvan zij afkomstig zijn.
31 Gedurende het tijdvak van de onderhavige exporten heeft derhalve een overcompensatie plaatsgevonden van de invloed van het monetair compenserende bedrag voor het basisprodukt op de prijzen van de afgeleide produkten. Om redenen die inherent zijn aan het stelsel der monetair compenserende bedragen, kan die invloed immers niet hoger zijn dan het compenserende bedrag voor het basisprodukt.
32 Ongetwijfeld kan in bepaalde gevallen de precieze invloed van het monetair compenserende bedrag voor het basisprodukt op de prijs van elk der afgeleide produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van het basisprodukt, moeilijk worden vastgesteld, en zoals gezegd, beschikt de Commissie in dat opzicht over een ruime beoordelingsvrijheid. Een der beperkingen van die vrijheid is evenwel gelegen in de plafonnering, die verhindert dat de som van de monetair compenserende bedragen op de van een bepaalde hoeveelheid van het basisprodukt afgeleide produkten hoger is dan het monetair compenserende bedrag voor het basisprodukt waaruit zij zijn verkregen.
33 Evenwel moet worden opgemerkt dat, ten einde te kunnen nagaan of met de plafonnering rekening is gehouden, de som van de monetair compenserende bedragen voor de afgeleide produkten enkel betrekking mag hebben op de produkten die in een zelfde produktieproces uit een bepaalde hoeveelheid van het basisprodukt kunnen worden verkregen. Dat is het geval ten aanzien van de produktieketen maïs/griesmeel en gries/„farine-première”/kiemen/voedermeel. In het algemeen gaat het om een produktieketen die een voornaamste afgeleid produkt en een aantal secundaire afgeleide produkten omvat, maar dit is niet noodzakelijkerwijs het geval. Daarentegen kunnen de monetair compenserende bedragen voor afgeleide produkten die tot verschillende produktieketens behoren, niet worden samengeteld. Mitsdien verschilt de produktieketen maïs/griesmeel/„farine-première”/kiemen/voedermeel van de produktieketen maïs/zetmeel/gluten/kiemen.
34 Tevens moet rekening worden gehouden met de hypothese waarin een monetair compenserend bedrag wordt vastgesteld voor een produkt, verkregen bij de verwerking van een basisprodukt waarvoor niet in een monetair compenserend bedrag is voorzien, en het betrokken produkt enkel rechtstreeks concurreert met een produkt dat wordt verkregen door verwerking van een basisprodukt waarvoor wel een monetair compenserend bedrag is vastgesteld (dit is met aardappelzetmeel het geval). In dat geval dient, om redenen van uitvoerbaarheid, dat gelijkgestelde produkt niet te worden opgenomen in de optelling die ter controle van de plafonnering moet worden verricht. Immers, in dergelijke gevallen is het leggen van een verband tussen dat buiten de produktieketen staande produkt en het basisprodukt zo al niet onmogelijk, dan toch zeer willekeurig. Blijkens het eveneens op deze 15e oktober 1980 gewezen arrest in zaak 145/79 (Roquette) is het in dat geval voldoende, dat het monetair compenserende bedrag voor het „gelijkgestelde” produkt niet hoger is dan dat voor het concurrerende produkt dat daadwerkelijk behoort tot de produktieketen waarvoor de monetair compenserende bedragen worden opgeteld.
35 De Commissie heeft betoogd dat de zuiver rekenkundige benadering die bovenbedoelde plafonnering zou impliceren, geen rekening houdt met de economische realiteit. Zij wijst met name op de omstandigheid dat de kwantiteit van de verschillende verwerkte produkten die uit een bepaalde hoeveelheid (1,8 ton) maïs kunnen worden verkregen, van Lid-Staat tot Lid-Staat verschilt, en dat door de vaststelling van een plafonnering „in het kader van een Lid-Staat”, dat wil zeggen op basis van de hoeveelheden afgeleide produkten die door de industrie van een bepaalde Lid-Staat worden verkregen, wanneer die hoeveelheden afwijken van die welke door de industrie van een andere Lid-Staat worden verkregen, de industrie van een van die Lid-Staten „ongerechtvaardigd zou worden begunstigd.”
36 Dit argument moet worden verworpen. Inderdaad kan, zoals de Commissie verklaart, toepassing van de door verzoekster in het hoofdgeding voorgestelde zuiver kwantitatieve methode haar niet worden voorgeschreven, met name op grond van de omstandigheid dat behalve de op zuiver kwantitatieve verhoudingscriteria gebaseerde verwerkingscoëfficiënten (1,8 ton maïs, 1 ton griesmeel) ook op niet kwantitatieve criteria gebaseerde verwerkingscoëfficiënten kunnen worden gehanteerd. Het is eveneens juist dat de Commissie rekening moet kunnen houden met de verschillen tussen de produktievoorwaarden in de verschillende Lid-Staten. In zoverre beschikt zij over een discretionaire bevoegdheid op grond waarvan, naar het Hof heeft erkend, globale beoordelingen toelaatbaar kunnen zijn. Dit verhindert echter niet dat rekening moet en kan worden gehouden met bovenbedoelde plafonnering, die een van de grenzen van de beoordelingsvrijheid van de Commissie vormt.
37 De Commissie houdt voorts staande dat „het onvermijdelijke verband tussen de monetair compenserende bedragen en de heffingen” niet kan worden ontkend. De voor de handel met derde landen vastgestelde monetair compenserende bedragen hebben volgens haar „juist tot doel het onvoldoende bedrag van de heffing of van de restitutie te compenseren.” Bijgevolg zou er een evenwicht moeten worden gevonden tussen de gewenste neutraliteit van de compenserende bedragen en de uit dat belangrijke verband voortvloeiende beschermingseisen.”
38 Ook dit argument moet worden verworpen. Zoals gezegd hebben de monetair compenserende bedragen niet tot doel, de in de handel met derde landen uit de heffingen en restituties voortvloeiende bescherming te versterken. Zij hebben, met uitsluiting van ieder beschermend element, de handhaving van het stelsel van eenvormige landbouwprijzen binnen de gemeenschappelijke markt tot doel, door opheffing van de distorsies die in de verschillende Lid-Staten zouden voortvloeien uit de omstandigheid, dat de gemeenschappelijke prijzen worden berekend op basis van een omrekeningskoers van de valuta's (groene koers) die niet overeenstemt met hun werkelijke koers.
39 De Commissie heeft tijdens de mondelinge behandeling beklemtoond, dat de omstandigheid dat het wenselijk is dat de berekeningsgrondslagen van de monetair compenserende bedragen identiek zijn voor het intracommunautaire handelsverkeer en de handel met derde landen (dat dit een gewettigd vereiste is, wordt in beginsel niet bestreden), tezamen met de omstandigheid dat de monetair compenserende bedragen „ten opzichte van derde landen daadwerkelijk de functie van een aanvulling op de heffingen vervullen”, tot „bepaalde onvolkomenheden op het niveau van het interne handelsverkeer” leidt, in die zin dat op het gebied van de intracommunautaire handel „slechts een betrekkelijke neutraliteit” wordt gewaarborgd.
40 Die redenering kan niet worden gevolgd. Door de zo vermogelijk doorgevoerde neutraliteit van de monetair compenserende bedragen in het intracommunautaire handelsverkeer — als fundamentele doelstelling van het stelsel — op te offeren aan de doelstelling, die monetair compenserende bedragen in bepaalde handelsbetrekkingen met derde landen een beschermende functie te verlenen, heeft de Commissie haar beoordelingsvrijheid op dat gebied overschreden en niet alleen de aan verordening nr. 974/71 ten grondslag liggende beginselen miskend, maar ook de in artikel 43, lid 3, EEG-Verdrag vervatte regel, dat de gemeenschappelijke ordening der markten aan het handelsverkeer binnen de Gemeenschap analoge voorwaarden moet waarborgen als op een nationale markt bestaan.
41 De gestelde vraag moet derhalve aldus worden beantwoord, dat de Commissie basisverordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 alsmede artikel 43, lid 3, EEG-Verdrag heeft geschonden door in verschillende achtereenvolgende uitvoeringsverordeningen en met name verordening nr. 938/77, een berekeningsmethode vast te stellen voor de monetair compenserende bedragen voor op basis van maïs verwerkte produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van maïs, die ertoe leidt dat voor de verschillende, door de verwerking van een bepaalde hoeveelheid maïs in een bepaalde produktieketen verkregen produkten, monetair compenserende bedragen worden verkregen waarvan de som aanzienlijk hoger is dan het monetair compenserende bedrag voor de bepaalde hoeveelheid maïs.
C — Gevolgen van de vastgestelde ongeldigheid
42 Er moet evenwel op worden gewezen, dat de vastgestelde ongeldigheid niet leidt tot de conclusies die verzoekster in het hoofdgeding eraan wil verbinden met betrekking tot de vermindering van de van haar gevorderde monetair compenserende bedragen voor haar exporten van griesmeel gedurende vermeld tijdvak. Verzoekster gaat immers uit van de onjuiste veronderstelling, dat de vermindering van de monetair compenserende bedragen voor de verschillende verwerkte produkten in die zin, dat hun som niet hoger is dan het monetair compenserende bedrag voor de hoeveelheid maïs waarvan zij afkomstig zijn, uitsluitend ten gunste van maïsgriesmeel zou moeten plaatsvinden, of in ieder geval volgens een formule die de proporties weergeeft van de verwerkte produkten die volgens haar in Frankrijk uit 1,8 ton maïs worden verkregen. Hiervóór is uiteengezet, dat een dergelijke zuiver kwantitatieve benadering, gebaseerd op de technische gegevens van een enkele Lid-Staat — die overigens betwistbaar zijn omdat de regering van de Lid-Staat andere cijfers naar voren brengt —, ontoelaatbaar is. De Commissie beschikt immers, binnen de grenzen van bovenbedoelde plafonnering, over een beoordelingsvrijheid bij de verdeling van de monetair compenserende bedragen over de verschillende verwerkte produkten waarvan dè prijzen afhankelijk zijn van die van het basisprodukt.
43 Gezien de ingewikkeldheid van de elementen die, binnen de grenzen van bovenbedoelde plafonnering, de verdeling van de invloed van het monetair compenserende bedrag voor het basisprodukt over de verschillende afhankelijke produkten kunnen bepalen, dient voorts een onderzoek te worden ingesteld naar de gevolgen, in het kader van het onderhavige prejudiciële geding, van de ongeldigheid van de door de Commissie vastgestelde berekeningsmethode.
44 Weliswaar zijn in het Verdrag de gevolgen van een ongeldigverklaring in het kader van een prejudiciële procedure niet uitdrukkelijk omschreven, doch de artikelen 174 en 176 bevatten nauwkeurige regels met betrekking tot de gevolgen van de nietigverklaring van een verordening in het kader van een rechtstreeks beroep. Zo bepaalt artikel 176, dat de instelling die de vernietigde handeling heeft verricht, gehouden is de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof. In de arresten van 19 oktober 1977 (gevoegde zaken 117/76 en 16/77, Ruckdeschel e. a., „Quellmehl”, Jurispr. 1977, blz. 1753, en gevoegde zaken 124/76 en 20/77, Moulins Pont-à-Mousson e. a., „Gritz”, Jurispr. 1977, blz. 1795) heeft het Hof in het kader van een prejudiciële procedure reeds naar dat voorschrift verwezen.
45 In casu moet artikel 174, tweede alinea, EEG-Verdrag, bepalende dat het Hof die gevolgen van de vernietigde verordening kan aanwijzen welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd, overeenkomstige toepassing vinden om dezelfde redenen van rechtszekerheid als die welke aan genoemde bepaling ten grondslag liggen. In de eerste plaats zou de ongeldigheid waarom het in casu gaat, aanleiding kunnen geven tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen door daarbij belanghebbende ondernemingen in landen met een zwakke valuta en nationale overheidsinstanties in landen met een sterke valuta, hetgeen, wegens het ontbreken van eenvormigheid in de toepasselijke nationale wettelijke regelingen, tot aanzienlijke verschillen in behandeling en bijgevolg tot nieuwe distorsies van de mededinging zou kunnen leiden. In de tweede plaats kunnen de economische nadelen die voortvloeien uit de ongeldigheid van de vaststelling van de monetair compenserende bedragen volgens de door de Commissie vastgestelde berekeningsmethode, niet worden geschat dan aan de hand van beoordelingen waartoe ingevolge verordening nr. 974/71 alleen die instelling bevoegd is, die daarbij rekening heeft te houden met de verschillende relevante factoren zoals de verdeling van het geplafonneerd bedrag over de verschillende afgeleide of afhankelijke produkten.
46 Om die redenen moet worden vastgesteld dat, voor wat betreft het vóór de datum van dit arrest gelegen tijdvak, de erkenning van de ongeldigheid van de vaststelling van de monetair compenserende bedragen volgens de in verordening nr. 938/77 neergelegde berekeningsmethode van die compenserende bedragen voor op basis van maïs verwerkte produkten, niet de weg opent voor betwisting van een op grond van die verordening verrichte heffing of toekenning van monetair compenserende bedragen door de nationale autoriteiten.
Kosten
47 De kosten, door de regering van de Franse Republiek, de regering van de Italiaanse Republiek, de Raad van de Europese Gemeenschappen en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de vragen, door het Tribunal Administratif te Orléans gesteld bij op 9 juli 1979 ten Hove ingekomen vonnis van 22 juni 1979, verklaart voor recht:
-
De Commissie heeft basisverordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 alsmede artikel 43, lid 3, EEG-Verdrag geschonden door in verschillende achtereenvolgende uitvoeringsverordeningen en met name verordening nr. 938/77 van de Commissie van 29 april 1977, een berekeningsmethode vast te stellen voor de monetair compenserende bedragen voor op basis van maïs verwerkte produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van maïs, die ertoe leidt dat voor de verschillende, door de verwerking van een bepaalde hoeveelheid maïs in een bepaalde produktieketen verkregen produkten, monetair compenserende bedragen worden verkregen waarvan de som aanzienlijk hoger is dan het monetair compenserende bedrag voor die bepaalde hoeveelheid maïs.
-
Voor wat betreft het vóór de datum van dit arrest gelegen tijdvak, opent de erkenning van de ongeldigheid van de vaststelling van de monetair compenserende bedragen volgens de in verordening nr. 938/77 neergelegde berekeningsmethode van die compenserende bedragen voor op basis van maïs verwerkte produkten, niet de weg voor betwisting van een op grond van die verordening verrichte heffing of toekenning van monetair compenserende bedragen door de nationale autoriteiten.
Kutscher Pescatore Koopmans Mertens de Wilmars Mackenzie Stuart
O'Keeffe
Bosco
Touffait
Due
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 oktober 1980.
De griffier
A. Van Houtte
De president
H. Kutscher