Hof van Justitie EU 10-07-1980 ECLI:EU:C:1980:195
Hof van Justitie EU 10-07-1980 ECLI:EU:C:1980:195
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 10 juli 1980
Uitspraak
In zaak 811/79,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Corte di Appello te Turijn, in het aldaar aanhangig geding tussen
Italiaanse Administratie van de Staatspinanciën
enSpA Ariete, te Rome,
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: H. Kutscher, president, J. Mertens de Wilmars en Mackenzie Stuart, rechters,
advocaat-generaal: J.-P. Warner
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
het navolgende
ARREST
De feiten
De verwijzingsbeschikking en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
Tussen 1 juli 1968 en 26 februari 1972 importeerde de SpA Ariete vanuit Frankrijk in Italië grote hoeveelheden melk in tankwagens en moest daarvoor 787 890 lire betalen aan statistiekrechten, bedoeld in de artikelen 42 en volgende van de inleidende bepalingen van het Italiaanse douanetarief, goedgekeurd bij decreet nr. 723 van de President van de Italiaanse republiek van 26 juni 1965, alsmede 51 153 600 lire aan rechten voor sanitaire keuringen als bedoeld in de Italiaanse wetten nr. 30/1968 van 23 januari 1968 en nr. 1239/1970 van 30 december 1970. Op 1 augustus 1972 dagvaardde Ariete de Administratie van de Staatsfinanciën voor het. Tribunale te Turijn en vorderde, met een beroep op hun onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht, terugbetaling van genoemde bedragen.
In de loop van de procedure verklaarde de Italiaanse administratie zich bereid de statistiekrechten terug te betalen overeenkomstig de Italiaanse wet nr. 1447/1971 van 24 juni 1971, waarbij die rechten werden afgeschaft, overeenkomstig de beginselen genoemd in arrest nr. 183/1973 van 18-27 december 1973 van de Corte Costituzionale (Giur. Costituz. 1973, I, blz. 2401), en ter uitvoering van circulaire nr. 1460/12 van 19 april 1975, die van de administratie zelf uitging.
Zij bleef daarentegen bij haar standpunt, niet te zijn gehouden tot terugbetaling van de rechten voor sanitaire keuring, zelfs nadat, eveneens in de loop van de procedure, bij de Italiaanse wet nr. 889/1977 van 14 november 1977 die rechten waren afgeschaft voor aan de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten onderworpen produkten, en ondanks het feit dat de Corte Costituzionale bij arrest nr. 163/1977 van 22-29 december 1977 (Giur. Costituz. 1977, I, blz. 1524) wet nr. 1239/1970 van 30 december 1970 betreffende de rechten voor sanitaire keuring ongrondwettig had verklaard voor zover zij van toepassing was op de produkten bedoeld in de verordeningen nrs. 804 en 805/68 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor resp. melk en rundvlees (PB L 148 van 1968), en voorts had geoordeeld dat wet nr. 30/1968 van 23 januari 1968 door genoemde verordeningen nrs. 804 en 805/69 stilzwijgend gedeeltelijk was afgeschaft. De administratie voert daartoe aan, dat de terugbetaling van belastingen die zijn geheven op basis van met het gemeenschapsrecht onverenigbaar verklaard nationaal recht, eerder dan de door de onverschuldigde heffing van die belastingen reeds in het vrije verkeer van goederen opgetreden verstoring op te heffen, inzonderheid op het gebied van de mededinging tot een nieuw, met de doeleinden van de communautaire rechtsorde onverenigbare onevenwichtigheid zou leiden, indien de ondernemingen die belastingen zouden terugkrijgen na de last ervan op hun afnemers te hebben afgewenteld.
Nadat het Tribunale te Turijn de vordering van Ariete had toegewezen, ging de administratie in beroep bij de Corte di Appello te Turijn die, van oordeel dat het geschil vraagstukken deed rijzen betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht, bij beschikking van 9 november 1979 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vraag heeft gesteld :
„Is met de communautaire bepalingen ter verwezenlijking van een stelsel van vrije mededinging binnen de EEG verenigbaar de restitutie van bedragen, door een Lid-Staat ten laste van een particuliere importeur uit hoofde van bepaalde invoerrechten geïnd, welke rechten zijn betaald vóórdat zij op grond van de rechtstreekse werking van de communautaire voorschriften inzake het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten als dusdanige heffingen zijn aangemerkt en bijgevolg onwettig zijn verklaard?”
De verwijzingsbeschikking is op 10 december 1979 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door geanimeerde in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door N. Catalano, advocaat te Rome; de Italiaanse regering, te dezen vertegenwoordigd door A. Marzano, avvocato dello Stato; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door S. Fabro, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten de zaak naar de Derde kamer te verwijzen en zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG
1. De yennootschap Ariete SpA, geïntimeerde in het hoofdgeding, beperkt zich ertoe de aandacht van het Hof te vestigen op het feit dat de Italiaanse Corte Suprema di Cassazione het Hof een analoge vraag heeft gesteld in haar beschikking nr. 506/1979 van 5-28 november 1979, die het onderwerp is van zaak 826/79. Zij verwijst naar de opmerkingen, door de particuliere partij in die zaak ingediend.
2. Ook de Italiaanse regering verwijst naar haar opmerkingen in zaak 826/79.
3. De Commissie merkt in de eerste plaats op, dat „de geheven belastingen geen enkele reden van bestaan hadden.” Zij verwijst onder meer naar de arresten van 14 december 1972 (zaak 29/72, Marimex, Jurispr. 1972, blz. 1309) en 19 juni 1973 (zaak 77/72, Capolongo, Jurispr. 1973, blz. 611), alsook naar de Italiaanse nationale maatregelen en arresten die in de verwijzingsbeschikking worden genoemd.
Met betrekking tot de argumenten van de Italiaanse administratie dat de terugbetaling van, krachtens een met het gemeenschapsrecht strijdige nationale bepaling geheven, belastingen, eerder dan de reeds opgetreden verstoringen op te heffen, zou leiden tot een nieuwe verstoring van het economische evenwicht en aldus op haar beurt met de doelstellingen van de communautaire rechtsorde in strijd zou zijn, en dat die terugbetaling zou neerkomen op een grotere en onvoorziene winstmarge voor de betrokken ondernemingen, doet de Commissie gelden dat voor de beoordeling van die argumenten een grondige economische analyse nodig is. Daar een dergelijke studie niet is gemaakt of ook maar voorbereid, moet men concluderen dat het gaat om zuiver abstracte argumenten die los staan van de economische realiteit. De verstoring van het evenwicht, die door terugbetaling van de onverschuldigd geheven belastingen in het communautaire handelsverkeer zou kunnen worden veroorzaakt, is zuiver hypothetisch en onmogelijk te kwantificeren, en dient dan ook buiten beschouwing te blijven.
De omstandigheid dat de last van de belasting door de ondernemingen die ze hebben betaald, op hun afnemers zou zijn afgewenteld, is een zuiver economisch feit dat zeker niet karakteristiek is voor het onderhavige geval. Hoe de economische situatie ook moge zijn, zij kan niet van invloed zijn op de oplossing van het door de verplichting tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven belastingen aan de orde gestelde rechtsprobleem. Alle andere overwegingen zijn van bijkomstige aard. Het probleem van een eventuele ongegronde verrijking van de onderneming die terugbetaling bekomt, valt in elk geval onder de exclusieve bevoegdheid van de nationale rechter. Deze kan het slechts onderzoeken in het licht van het nationale recht, daar het gemeenschapsrecht geen desbetreffend voorschrift kent. Zou het echter nodig zijn terzake een gemeenschapsrechtelijke regel te ontwikkelen, dan moet aansluiting worden gezocht bij de algemene rechtsbeginselen. Hierover merkt de Commissie op dat de restitutie van het onverschuldigd betaalde „automatisch is in alle Lid-Staten behalve Denemarken”. Dienvolgens is de verplichting tot restitutie van de onverschuldigd geheven belastingen automatisch, behoudens in uitzonderlijke — van het onderhavige verschillende — gevallen waarin de billijkheid de restitutieplicht beperkt.
Met betrekking tot de omstandigheid dat de litigieuze belastingen zijn geheven vóór hun onwettigverklaring, beklemtoont de Commissie dat volgens 's Hofs vaste rechtspraak artikel 13, lid 2, betreffende de afschaffing van heffingen van gelijke werking aan het einde van de overgangsperiode, rechtstreeks toepasselijk is. Aangezien het bovendien gaat om de sector landbouw, waarin bij de invoering van de diverse marktordeningen krachtens artikel 43 EEG-Verdrag door de desbetreffende verordeningen de afschaffing van de heffingen van gelijke werking in de loop van de overgangsperiode werd voorgeschreven, heeft het verbod heffingen van gelijke werking te innen, in de onderhavige zaak zijn oorsprong in artikel 22 van verordening nr. 804/68, die op 29 juli 1968 in werking is getreden.
Zich onder meer beroepend op 's Hofs arresten van 4 april 1968 (zaak 34/67, Lück, Jurispr. 1968, blz. 345), 19 december 1968 (zaak 13/68, Salgoil, Jurispr. 1968, blz. 631) en 15 juli 1964 (zaak 6/64, Costa, Jurispr. 1964, blz. 1199), concludeert de Commissie dat de nationale rechter in zijn nationaal rechtsstelsel de middelen moet zoeken om het gemeenschapsrecht zo doeltreffend mogelijk te kunnen toepassen. Zij stelt voor, de aan het Hof gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
„De communautaire bepalingen en inzonderheid artikel 22 van verordening (EEG) nr. 804/68 brengen mee dat particulieren recht hebben op restitutie van bedragen die onverschuldigd zijn geïnd als heffingen van gelijke werking (in casu statistiekrechten en rechten voor sanitaire keuring), vanaf het moment waarop die. heffingen ingevolge de inwerkingtreding van voornoemde verordening zijn afgeschaft (29 juli 1968). De restitutie van die bedragen aan degenen die ze hadden betaald, is niet onverenigbaar met de communautaire bepalingen ter verwezenlijking van een stelsel van vrije mededinging binnen de EEG.”
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 5 juni 1980 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door geïntimeerde in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door N. Catalano, advocaat te Rome; de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door S. Fabro, lid van de juridische dienst van de Commissie, als gemachtigde; en de Italiaanse regering, te dezen vertegenwoordigd door I. M. Braguglia, avvocato dello Stato, als gemachtigde.
De advocaat-generaal heeft tijdens dezelfde terechtzitting conclusie genomen.
In rechte
1 Bij beschikking van 9 november 1979, ingekomen ter griffie van het Hof op 10 december 1979, heeft de Corte di Appello te Turijn krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht:
„Is met de communautaire bepalingen ter verwezenlijking van een stelsel van vrije mededinging binnen de EEG verenigbaar de restitutie van bedragen, door een Lid-Staat ten laste van een particuliere importeur uit hoofde van bepaalde invoerrechten geïnd, welke rechten zijn betaald vóórdat zij op grond van de rechtstreekse werking van de communautaire voorschriften inzake het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten, als dusdanige heffingen zijn aangemerkt en bijgevolg onwettig zijn verklaard?”
2 Deze vraag is gesteld naar aanleiding van een geschil tussen de Italiaanse Administratie van de staatsfinanciën en de vennootschap Ariete. Laatstgenoemde heeft een rechtsvordering ingesteld tot terugbetaling van statistiekrechten en rechten wegens sanitaire keuring, door haar voldaan in de periode van 1 februari 1968 tot 26 februari 1972 bij de invoer van melk uit Frankrijk.
3 Tussen partijen in het hoofdgeding staat vast dat de te betalen rechten heffingen van gelijke werking als douanerechten zijn en dat het verbod tot toepassing ervan in het intracommunautaire handelsverkeer, dat sinds 1 november 1964 van kracht is (verordening nr. 82/64 van 30 juni 1964, PB 1964, blz. 1626) voortvloeit uit de artikelen 12, lid 1, en 32 van verordening nr. 13/64 van de Raad van 5 februari 1964 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de zuivelsector (PB 1964, blz. 549), die met ingang van 29 juli 1968 is vervangen door verordening nr. 804/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB L 14 van1968, blz. 13).
4 Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft de aan het Hof voorgelegde vraag met name betrekking op het geval dat heffingen van gelijke werking als douanerechten gedurende lange tijd vrijwillig en zonder voorbehoud door de betrokken handelaren zijn betaald, daar deze met de nationale administratie in de veronderstelling verkeerden dat tegen deze belastingen niets viel in te brengen op het punt van hun verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht. Pas later is geleidelijk een onverenigbaarheid aan de dag getreden tengevolge van de uitlegging door het Hof van het begrip heffing van gelijke werking als een douanerecht. Het Hof heeft deze kwalificatie eerst toegepast op de statistiekrechten (arrest van 1 juli 1969, zaak 24/68, Commissie/Italië, Jurispr.1969, blz. 193) en vervolgens op de rechten voor sanitaire keuringen (arrest van 14 december 1972, zaak 29/72, Marimex, Jurispr. 1972, blz. 1309).
5 Volgens 's Hofs vaste rechtspraak heeft het verbod tot toepassing van heffingen van gelijke werking als douanerechten, of dit nu zijn oorsprong vindt in het algemene voorschrift van artikel 13 van het Verdrag dan wel in de bijzondere bepaling van artikel 12 van verordening nr. 13/64, sedert het einde van de overgangsperiode op 1 januari 1970, respectievelijk — voor de produkten waarop genoemde verordening betrekking heeft — sedert 1 november 1964 in de gehele Gemeenschap rechtstreekse werking in de betrekkingen tussen de Lid-Staten en de justitiabelen, vanaf het tijdstip dat voor de inwerkingtreding van de betrokken bepalingen is vastgesteld. Zoals het Hof heeft verklaard in het arrest van 9 maart 1978 (zaak 106/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 643), dienen de regels van het gemeenschapsrecht vanaf hun inwerkingtreding en tijdens hun gehele geldigheidsduur hun volle werking op eenvormige wijze in alle Lid-Staten te ontplooien.
6 De uitlegging die het Hof van Justitie krachtens de hem bij artikel 177 verleende bevoegdheid geeft van een voorschrift van gemeenschapsrecht, verklaart en preciseert overigens, wanneer daaraan behoefte bestaat, de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast. Hieruit volgt dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht.
7 Slechts bij uitzondering zal het Hof van Justitie, zoals het in zijn arrest van 8 april 1976 (zaak 43/75, Defrenne, Jurispr. 1976, blz. 455) heeft erkend, met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid en met het oog op de ernstige problemen die zijn arrest voor het verleden zou kunnen meebrengen voor te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen, aanleiding kunnen vinden, voor iedere belanghebbende beperkingen te stellen aan de mogelijkheid met een beroep op de aldus uitgelegde bepaling die rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen.
8 Een dergelijke beperking is evenwel slechts aanvaardbaar in het arrest waarin de gevraagde uitlegging wordt gegeven. Het fundamentele vereiste van eenvormige en algemene toepassing van het gemeenschapsrecht impliceert dat enkel het Hof van Justitie heeft te beslissen over de beperking ratione temporis van de gevolgen van de door hem gegeven uitlegging.
9 Opmerking verdient evenwel dat wanneer uit een voorschrift van gemeenschapsrecht voortvloeit dat de toepassing van nationale heffingen of rechten op bovengenoemde data is verboden — met alle vorenbeschreven gevolgen van dien —, het dan ter waarborging van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van een dergelijk verbod ontlenen, niet per se noodzakelijk is dat in alle Lid-Staten een eenvormige regeling bestaat ten aanzien van de formele en materiële voorwaarden waaraan bij betwisting of terugvordering van die zeer uiteenlopende nationale heffingen moet worden voldaan.
10 Bij vergelijking van de nationale stelsels blijkt het vraagstuk van de betwisting van onwettig ingevorderde of de terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen in de verschillende Lid-Staten en zelfs binnen een zelfde Lid-Staat uiteenlopende oplossingen te hebben gevonden, afhankelijk van het soort belasting of heffing waarom het gaat. In sommige gevallen stelt de wet zowel ten aanzien van tot de belastingdienst gerichte bezwaarschriften als van beroepen in rechte strakke voorwaarden voor wat betreft de vorm waarin en de termijn waarbinnen dergelijke rechtsvorderingen of verzoeken kunnen worden ingediend.
11 In andere gevallen moeten beroepen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen voor de gewone rechter worden ingesteld, bij voorbeeld in de vorm van een actie uit onverschuldigde betaling. Voor deze beroepen gelden meer of minder lange termijnen, in bepaalde gevallen de normale verjaringstermijn van het gemene recht zodat, wanneer mocht worden vastgesteld dat bepaalde nationale belastingbepalingen onverenigbaar zijn met de vereisten van het gemeenschapsrecht, de betrokken Lid-Staten met gecumuleerde vorderingen tot een aanzienlijk bedrag kunnen worden geconfronteerd.
12 Overeenkomstig het in artikel 5 EEG-Verdrag neergelegde samenwerkingsbeginsel is het, naar werd overwogen in de arresten van 16 december 1976 (zaken 33/76, Rewe, en 45/76, Comet, Jurispr. 1976, blz. 1989 en 2043), de nationale rechter die de rechtsbescherming heeft te verzekeren welke voor de justitiabelen voortvloeit uit de rechtstreekse werking van gemeenschapsrechtelijke bepalingen. Bij gebreke van een gemeenschapsregeling terzake van de betwisting of terugvordering van onwettig opgeëiste of ten onrechte toegepaste nationale heffingen, is het bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht een aangelegenheid van de nationale rechtsorde van elke Lid-Staat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor de rechtsvorderingen met het oog op de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, met dien verstande dat die regels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen en dat zij in geen geval dusdanig mogen zijn, dat de uitoefening van de rechten welke de nationale rechter heeft te handhaven, praktisch onmogelijk wordt gemaakt.
13 Daarbij zij erop gewezen, dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde terzake gewaarborgde rechten niet vergt dat ten onrechte toegepaste heffingen worden terugbetaald in omstandigheden die zouden uitlopen op een ongegronde verrijking van de rechthebbenden.
14 Het stelsel van waarborgen, dat op deze wijze voor de justitiabelen voortvloeit uit de combinatie van de rechtstreekse werking van de gemeenschapsbepalingen en de bijzonderheden van de nationale wettelijke regelingen van de verschillende Lid-Staten ter zake van de formele en materiële voorwaarden voor de betwisting van nationale belastingen of de terugvordering van onverschuldigd betaalde belastingen, kan niet onverenigbaar worden geacht met de bepalingen van het gemeenschapsrecht betreffende het tot stand brengen van een stelsel dat verzekert dat de mededinging in de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst.
15 Deze bepalingen zijn hoofdzakelijk uitgewerkt enerzijds in de regelen die van toepassing zijn op ondernemingen (de artikelen 85 tot en met 90 EEG-Verdrag), en anderzijds in die betreffende de steunmaatregelen van de staten (de artikelen 92 tot en met 94 EEG-Verdrag). Eerstgenoemde artikelen kunnen slechts toepassing vinden in de betrekkingen tussen ondernemingen en de fiscale autoriteiten van de Lid-Staten in de uitoefening van hun bevoegdheid om belastingen in te stellen. Met betrekking tot de artikelen 92-94 heeft het Hof in het arrest van 27 maart 1980 (zaak 61/79, Denkavit) voor recht verklaard, dat de verplichting van de administratie van een Lid-Staat om aan de belastingplichtigen die daarom verzoeken, de heffingen of rechten terug te betalen die wegens hun onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht onverschuldigd zijn voldaan, geen steunmaatregel is in de zin van artikel 92 EEG-Verdrag.
16 Daarenboven moet worden opgemerkt dat alle handelaars in een zelfde Lid-Staat, die onverschuldigd met het gemeenschapsrecht strijdige nationale heffingen hebben betaald, gelijkelijk de mogelijkheid hebben hun rechten geldend te maken, zodat er in zoverre geen sprake kan zijn van distorsie van de mededinging. Anderzijds is het juist dat deze mogelijkheden van staat tot staat verschillen tengevolge van de bijzonderheden van de nationale wetgevingen. Vooral wanneer het gaat om bepalingen betreffende de betwisting van nationale belastingen, kunnen dergelijke verschillen niet worden gezien als discriminatoir, en zeker niet als geschikt om de mededinging te vervalsen, wanneer maar, zoals hierboven is uiteengezet, de nationale wetgeving wordt toegepast op een wijze die niet discriminatoir is vergeleken met de procedures ter beslissing van overeenkomstige, doch geheel in het nationale vlak liggende geschillen en de procesregels er niet toe leiden dat de uitoefening van door het gemeenschapsrecht toegekende rechten praktisch onmogelijk wordt gemaakt.
17 Op de vraag van de Corte di Appello te Turijn moet dus worden geantwoord, dat het een aangelegenheid van de rechtsorde van elke Lid-Staat is om de voorwaarden te bepalen waaronder de belastingplichtigen kunnen opkomen tegen belastingen die wegens hun onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht ten onrechte zijn geheven, of de terugbetaling daarvan kunnen vorderen, mits deze voorwaarden niet ongunstiger zijn dan die voor gelijksoortige nationale vorderingen en zij de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten niet praktisch onmogelijk maken.
Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat de nationale rechterlijke instanties overeenkomstig hun nationaal recht rekening houden met het feit dat ten onrechte toepaste heffingen door de belastingplichtige onderneming in haar prijzen kunnen zijn verdisconteerd en op haar afnemers zijn afgewenteld.
Het instellen van deze terugvorderingsacties is niet in strijd met de bepalingen van het gemeenschapsrecht betreffende de totstandbrenging van een stelsel dat verzekert dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst.
Kosten
18 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door de Corte di Appello te Turijn bij beschikking van 9 november 1979 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het is een aangelegenheid van de rechtsorde van elke Lid-Staat om de voorwaarden te bepalen waaronder de belastingplichtigen kunnen opkomen tegen belastingen die wegens hun onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht ten onrechte zijn geheven, of de terugbetaling daarvan kunnen vorderen, mits deze voorwaarden niet ongunstiger zijn dan die voor gelijksoortige nationale vorderingen en zij de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten niet praktisch onmogelijk maken.
Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat de nationale rechterlijke instanties overeenkomstig hun nationaal recht rekening houden met het feit dat ten onrechte toegepaste heffingen door de belastingplichtige onderneming in haar prijzen kunnen zijn verdisconteerd en op haar afnemers zijn afgewenteld.
Het instellen van deze terugvorderingsacties is niet in strijd met de bepalingen van het gemeenschapsrecht betreffende de totstandbrenging van een stelsel dat verzekert dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst.
Kutscher
Mertens de Wilmars
Mackenzie Stuart
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 juli 1980.
De griffier
A. Van Houtte
De president
H. Kutscher