Home

Hof van Justitie EU 21-05-1981 ECLI:EU:C:1981:118

Hof van Justitie EU 21-05-1981 ECLI:EU:C:1981:118

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
21 mei 1981

Conclusie van de advocaat-generaal

Sir Gordon Slynn

van 21 mei 1981 (1)

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

Deze zaak heeft betrekking op een zending van vijf 100 lb vaten „Keltrol F” een door de Amerikaanse onderneming Kelco, een onderdeel van Merck & Co. Inc., gefabriceerd produkt dat in Nederland werd ingevoerd door Smuling-De Leeuw BV (hierna: „Smuling”). Keltrol F is de handelsbenaming van de voor menselijke consumptie geschikte xanthangom die door Merck & Co. wordt geproduceerd. Bij de aangifte ten invoer in Nederland deelde de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen (hierna: „de Inspecteur”) het produkt in onder post 39.06 Β van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT), waarvoor een invoerrecht van 16 % staat. Smuling maakte bezwaar tegen deze beschikking en vroeg indeling van de waar onder post 13.03 C III of, subsidiair, onder post 13.02, die geen van beide tot toepassing van invoerrechten leiden.

De betrokken tariefposten luiden als volgt:

post 13.02

„Gomlak (schellak), ook indien gebleekt; gommen, gomharsen, harsen en balsems, van natuurlijke oorsprong.”

post 13.03

„Plantesappen en plantenextracten; pectinestoffen, pectinaten en pectaten; agar-agar en andere uit plantaardige produkten verkregen planteslijmen en bindmiddelen.”

Post 13.03 omvat drie onderverdelingen waarvan de laatste betrekking heeft op „Agar-agar en andere uit plantaardige produkten verkregen planteslijmen en bindmiddelen”. Deze wederom is ingedeeld in drie categorieën, „Agar-agar”, „Planteslijmen en bindmiddelen uit sintjansbrood of uit sintjansbroodpitten” en, tenslotte post 13.03 C III, „andere”.

post 39.06

„Andere hogere polymeren, kunstharsen en kunstmatige plastische stoffen, alginezuren en zouten en esters daarvan daaronder begrepen; linoxyne”.

Post 39.06 is onderverdeeld in „A. Alginezuren, alsmede zouten en esters daarvan” en „B. andere”.

Partijen schijnen het erover eens te zijn dat de produkten in de onderhavige zaak moeten worden ingedeeld hetzij onder „gommen van natuurlijke oorsprong” in de zin van post 13.02, hetzij onder de andere uit plantaardige produkten verkregen planteslijmen en bindmiddelen bedoeld in post 13.03 C III, hetzij onder de andere in post 39.06 B bedoelde hogere polymeren.

Volgens de verwijzingsbeschikking wordt xanthangom in de biochemische industrie geproduceerd door de bacterie Xantbomonas campestris te plaatsen op een voedingsbodem van maïssuiker of maïszetmeel, aangevuld met stikstof, kaliumfosfaat en enkele spore-elementen, welke laatste drie stoffen mede tot voeding van het micro-organisme dienen. De xanthangom ontstaat langs metabolische weg, door de stofwisseling van de bacterie. Na voltooiing van dit proces wordt het produkt in isopropylalcohol neergeslagen en vervolgens gedroogd en gemalen. Een verdere chemische omzetting vindt niet plaats. Xanthangom is een heteropolysaccharide met korte zijketens, zijnde een natuurlijke hogere polymeer waarvan elke repeterende moleculengroep bestaat uit D-mannose, D-glucose en D-glucoronzuurmoleculen.

In de beroepsprocedure voor de Tariefcommissie was tussen partijen in confesso, dat xanthangom, gezien zijn structuur, wijze van ontstaan en gebruik, overeenkomt met de uit plantaardige produkten verkregen planteslijmen en bindmiddelen bedoeld in post 13.03. De Inspecteur, geïntimeerde in beroep, schijnt te hebben erkend dat er uit het oogpunt van chemische en biologische systematiek grote overeenkomst bestond met de onder de tariefposten 13.02 en 13.03 vallende gommen en planteslijmen.

Na de partijen in hun pleidooien te hebben gehoord, kwam de Tariefcommissie tot de slotsom dat de ingevoerde goederen zowel overeenkwamen met die van de posten 13.02 en 13.03 als met de hogere polymeren van post 39.06. Zij besliste daarom dat artikel 4, lid 3, sub a, van het Tariefbesluit 1960 moest worden toegepast, dat overeenkomt met punt A 3 a) van de Algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief. Deze bepaling luidt als volgt:

„Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2 b) of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten geschiedt de indeling als volgt:

a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking.”

De Tariefcommissie was van mening dat de posten 13.02 en 13.03 beide een meer specifieke omschrijving gaven van het betrokken produkt dan post 39.06. Maar omdat de Inspecteur stelde dat produkten als het onderhavige, die niet op natuurlijke, maar op industriële wijze via een biochemisch proces worden verkregen, niet kunnen worden ingedeeld onder hoofdstuk 13, besloot zij het Hof de volgende vraag voor te leggen:

„Laat de systematische indeling van de goederen in de verschillende afdelingen en hoofdstukken van het gemeenschappelijk douanetarief niet toe dat een gom, die als bindmiddel wordt aangewend en die qua aard en samenstelling overeenkomt met de in de posten 13.02 en 13.03 omschreven goederen, wordt gerangschikt onder een van de posten van hoofdstuk 13 van het gemeenschappelijk douanetarief, indien deze op industriële schaal is vervaardigd door de inwerking van de bacterie Xanthomonas campestris op een voedingsbodem van maïssuiker of maïszetmeel?”

Ofschoon de formulering van de vraag enige kritiek heeft uitgelokt, lijkt het mij duidelijk dat de Tariefcommissie wenst te vernemen of een met de in hoofdstuk 13 omschreven goederen overeenkomende stof niet onder dit hoofdstuk valt omdat zij „op industriële schaal” door genoemde inwerking wordt vervaardigd. Mijns inziens gaat het in wezen om de vraag of een stof van de beschreven aard en vervaardigd op de beschreven wijze, kan worden ingedeeld onder hoofdstuk 13 indien dit op de juiste wijze wordt uitgelegd.

Om deze vraag te kunnen beantwoorden dient men de bewoordingen van de betrokken post uit te leggen in het licht van de Algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, welke zijn opgenomen in het begin van de bijlage met het gemeenschappelijk douanetarief, gehecht aan de verordening die op het relevante tijdstip van toepassing was (in casu verordening nr. 2723/76 van 8 november 1976). Luidens bepaling A hiervan „gelden voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief de volgende algemene bepalingen: (1) ... voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de Afdelingen of op de Hoofdstukken ...” Regel A is goeddeels overgenomen uit de algemene regels voor de toepassing van de nomenclatuur van de Internationale Douaneraad (IDR-nomenclatuur). Gelijk het Hof reeds heeft beslist, mag bij gebreke van communautaire toelichtingen gebruik worden gemaakt van de IDR-toelichtingen, al kunnen deze natuurlijk niet prevaleren op wat volgens het Hof de juiste betekenis van het GDT is.

De eerste vraag is dan ook of een op de beschreven wijze voortgebrachte stof kan worden ingedeeld onder post 13.02 en, in het bijzonder, of het een gom van natuurlijke oorsprong is. Waar het hier om draait, is de term „van natuurlijke oorsprong”, en zoals de Commissie en de Franse regering hebben opgemerkt, worden alle produkten die in de IDR-toelichtingen (waarnaar de gemeenschapstoelichtingen verwijzen) als gom van natuurlijke oorsprong worden genoemd, in de natuur gevonden. Deze gommen, en de andere stoffen van post 13.02 „hebben met elkaar gemeen” — aldus de toelichtingen — „dat zij door bepaalde bomen worden afgescheiden en aan de lucht hard worden”. Keltről F bestaat enkel omdat het op de beschreven manier wordt geproduceerd: het is niet van „natuurlijke oorsprong” in de zin van de post. Het lijkt mij niet nodig in te gaan op de vraag, of in de natuur gevonden xanthangom onder die post valt, want het produkt waarom het hier gaat, is mijns inziens geen „gom van natuurlijke oorsprong”.

Wat post 13.03 betreft, moeten de „andere planteslijmen en bindmiddelen” zijn verkregen „uit plantaardige produkten”. De Engelse tekst luidt „from vegetable products”, de Franse: „de végétaux”. De Nederlandse tekst heeft blijkbaar dezelfde betekenis als de Engelse, terwijl in de Duitse en de Deense versie termen worden gebruikt die overeenkomen met het Engelse „vegetable substances or matter”, namelijk „pflanzliche Stoffe” en „vegetabilske stoffer”. De Italiaanse tekst spreekt van „vegetali”. Het moet wel zo zijn, dat alle versies dezelfde betekenis hebben. Het begrip „plantaardig” komt in alle voor. Het begrip „plantaardige produkten” kan een veel ruimer gamma produkten omvatten die niet als „planten” kunnen worden aangeduid. Tenzij de term „verkregen uit” extensief moet worden uitgelegd — wat volgens mij niet het geval is —, is de betekenis die mijns inziens moet worden aanvaard, die waarop het woord „végétaux” in de Franse tekst duidt. Mij dunkt niet dat het op de beschreven wijze vervaardigde Keitrol F kan worden beschouwd als een „dérivé des végétaux”.

De betrokken onderneming heeft veel wetenschappelijke en technische gegevens overgelegd om aan te tonen dat er andere stoffen zijn die langs industriële weg worden vervaardigd, die onder post 13.03 zouden vallen. Desondanks moet erop worden gewezen dat de meeste produkten van deze post langs natuurlijke weg worden verkregen (eventueel door inkerving) of door middel van extractie of solutie in bijvoorbeeld water of alcohol, en hoogstens door toevoeging van bijvoorbeeld suiker of een scheikundig produkt worden „gestandaardiseerd” of „gestabiliseerd”. Ondanks de argumenten, gebaseerd op de verklaring in de toelichtingen, dat „slijmstoffen verkregen door chemische omzetting van carrageen” en andere „bindmiddelen, verkregen door gommen en gomharsen oplosbaar te maken in water, bijvoorbeeld door een behandeling met water onder druk”, onder deze post vallen, dunkt mij dat men onder deze post die stoffen heeft willen brengen, die uit planten worden verkregen door middel van een betrekkelijk eenvoudig procédé als extractie, solutie, of (zo men de toelichtingen volgt) door „chemische omzetting” in het geval van uit carrogeen getrokken slijmstoffen. Het in de onderhavige zaak beschreven produktieprocédé lijkt mij veel verder te gaan en ook om deze reden kan Keltrol F niet onder post 13.03 worden ingedeeld.

De uitdrukking „op industriële schaal” in de verwijzingsbeschikking heb ik opgevat in de zin van „langs industriële weg”, want ik geloof niet dat in verband met de onderhavige post een kwantitatieve factor een rol zou kunnen spelen, zoals de uitdrukking „op industriële schaal” lijkt te impliceren.

Ik concludeer derhalve dat het Hof in antwoord op de gestelde vraag voor recht verklare, dat gom vervaardigd langs industriële weg door inwerking van de bacterie Xanthomonas campestris op een voedingsbasis van maïssuiker of maïszetmeel, zoals beschreven in de verwijzingsbeschikking, niet kan worden ingedeeld onder de posten 13.02 of 13.03 van het GDT.