Hof van Justitie EU 25-06-1981 ECLI:EU:C:1981:149
Hof van Justitie EU 25-06-1981 ECLI:EU:C:1981:149
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 25 juni 1981
Uitspraak
In zaak 105/80,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Brussel, in het aldaar aanhangig geding tussen
Hugues Desmedt, bediende, wonende te Hennuyères (België),
enCommissie van de Europese Gemeenschappen,
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: P. Pescatore, kamerpresident, A. Touffait en O. Due, rechters,
advocaat-generaal: F. Capotorti
griffier: A. Van Houtte
het navolgende
ARREST
De feiten
Het verwijzingsvonnis en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
Krachtens een op 12 augustus 1974 ondertekende en voor de duur van zes maanden gesloten aanwervingsovereenkomst (arbeider) trad H. Desmedt, van Belgische nationaliteit, op 19 augustus 1974 in dienst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, als magazijnmeester bij de afdeling Bibliotheek van het directoraat Vertaling, documentatie en vermenigvuldiging, bibliotheek. De overeenkomst tot aanstelling van Desmedt als plaatselijk functionaris werd op 13 februari 1975 voor onbepaalde tijd verlengd. Vanaf 1 juli 1976 was hij, in afwijking van de bepalingen van zijn overeenkomst, aangesloten bij het „bediendenstelsel” van de Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Na te hebben deelgenomen aan een intern vergelijkend onderzoek op grond van schriftelijke bewijsstukken en van een examen (COM/C/8/75), georganiseerd met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve van hulpbeambten in de loopbaan C 5/C 4, werd Desmedt op 8 juni 1976 geplaatst op de lijst van geschikte kandidaten voor de gebieden „boekhouding, voorraadbeheer” en „gewoon kantoorwerk”.
Bij besluit van 7 januari 1977 werd Desmedt per 1 januari 1977 aangesteld als ambtenaar op proef in de hoedanigheid van hulpbeambte in de rang C 5; hij werd te Luxemburg tewerkgesteld als operateur bij het Rekencentrum.
Bij nota van 12 mei 1977 vestigde de directeur Personeelszaken en algemeen beheer te Luxemburg Desmedts aandacht op de noodzaak, blijk te geven van aanzienlijk meer ijver en een beter gedrag in de dienst, aangezien een eerste beoordeling tijdens de proeftijd van zijn prestaties bij het Rekencentrum negatief was uitgevallen.
In de beoordeling aan het einde van de proeftijd, op 6 juni 1977 opgesteld krachtens artikel 34, lid 2, Ambtenarenstatuut, werd vastgesteld dat Desmedt bij zijn werk als „operateur randapparatuur computers Rekencentrum” blijk gaf van onvoldoende initiatief, verantwoordelijkheidsgevoel, snelheid bij het uitvoeren van het werk en stiptheid. Aan het slot van de beoordeling adviseerde Desmedts hiërarchische meerdere tot zijn ontslag, aangezien betrokkene „niet gemotiveerd lijkt voor de werkzaamheden waarom het in deze proeftijd gaat”.
In zijn opmerkingen over deze beoordeling verklaarde Desmedt dat „het uitgebrachte oordeel niet aan de werkelijkheid beantwoordt”, en hij wees erop dat hij eerder de wens te kennen had gegeven in Brussel te worden tewerkgesteld.
Op 28 juni 1977 besloot het hoofd van de afdeling Personeelszaken, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, Desmedt per 1 juli 1977 te ontslaan krachtens artikel 34, lid 2, eerste alinea, Ambtenarenstatuut.
Op 15 juli 1977 werd Desmedt ervan in kennis gesteld dat het ontslagbesluit na een onderzoek door de „bemiddelaar” van de Commissie werd gehandhaafd, doch dat het eerst op 16 juli 1977 zou ingaan.
Op 15 september 1977 diende Desmedt krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut een klacht in tegen het jegens hem genomen ontslagbesluit. In deze klacht stelde hij met name:
„Er is mij nooit, schriftelijk dan wel mondeling, gezegd dat ik door de aanstelling als ambtenaar op proef mijn rechten ingevolge de overeenkomst als plaatselijk functionaris voor onbepaalde tijd zou verliezen.
In deze overtuiging heb ik het aangeboden ambt aanvaard ...”
Bij brief van 20 maart 1978 deelde het voor personeelszaken bevoegde lid van de Commissie aan Desmedt mee, dat zijn klacht was afgewezen. Deze brief bevatte onder meer de volgende opmerking:
„De door u aanvaarde aanstelling als ambtenaar op proef op 1 januari 1977 leidde noodzakelijkerwijze tot beëindiging van uw privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst, daar de hoedanigheid van plaatselijk functionaris onverenigbaar is met die van ambtenaar bij een instelling van de Europese Gemeenschappen. Er waren dus geen termen aanwezig om telene of ter andere zijde de opzeggingstermijn in acht te nemen van artikel 24, lid 2, van de Regeling houdende vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de plaatselijke functionarissen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in dienst te Brussel (een maand voor de werkgever of 15 dagen voor de plaatselijke functionaris). Aan het einde van de proeftijd hebt u overigens de in artikel 34, lid 2, vierde alinea, Ambtenarenstatuut bedoelde ontslagvergoeding ontvangen.”
Intussen had Desmedt op 15 december 1977 de Commissie gedagvaard voor de Arbeidsrechtbank te Brussel, waar hij in hoofdzaak deed gelden dat door zijn aanstelling als ambtenaar op proef zijn overeenkomst als plaatselijk functionaris slechts was geschorst, zodat de Commissie verplicht was hem in zijn oude functie te herplaatsen of hem een opzeggingsvergoeding te betalen, gesteld op BFR 228 930 ofwel zes maanden salaris.
De Arbeidsrechtbank te Brussel (18e kamer) heeft bij vonnis van 20 maart. 1980 besloten krachtens artikel 177 EEG-Verdrag zijn uitspraak aan te houden tot het Hof zich bij wege van prejudiciële beslissing zal hebben uitgesproken over de volgende vraag:
„Is de hoedanigheid van ambtenaar op proef bij de Europese Gemeenschappen, zoals geregeld in het Ambtenarenstatuut (PB C 100 van 1972 blz. 5-32) en met name in artikel 34, al dan niet verenigbaar met de hoedanigheid van plaatselijk functionaris onderworpen aan het nationale privaatrecht (PB C 100 van 1972 blz. 80, artikelen 79-81), in casu, voor wat de Belgische wetgeving betreft, artikel 37 van de wet van 3 juli 1978 en het oude artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de arbeidsovereenkomst?”
Het verwijzingsvonnis is ter griffie van het Hof ingeschreven op 28 maart 1980.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend op 16 mei 1980 door H. Desmedt, verzoeker in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door X. Xhardez, advocaat te Brussel, en op 21 mei 1980 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, verweerster in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door R. Baeyens, juridisch hoofdadviseur, als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Bij beschikking van 16 september 1980 heeft het Hof krachtens artikel 95, paragrafen 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering de zaak naar de Tweede kamer verwezen.
II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG
Desmedt, verzoeker in het hoofdgeding, merkt hoofdzakelijk het volgende op :
-
Vaststaat dat de plaatselijke functionaris onderworpen is aan de wetgeving van de standplaats, in casu de Belgische wetgeving inzake bediendencontracten, terwijl hijzelf in zijn hoedanigheid van ambtenaar op proef was onderworpen aan het Ambtenarenstatuut van de Gemeenschappen. Dit laatste is nageleefd bij de beëindiging van zijn aanstelling als ambtenaar op proef.
-
Het in casu gerezen probleem betreft dus niet de gelijktijdige gelding van twee verschillende statuten, doch veeleer de tijdelijke schorsing van het statuut van plaatselijk functionaris tijdens de proeftijd als ambtenaar.
-
Het staat vast dat naar Belgisch recht een arbeidsontract slechts door de werkgever kan worden verbroken met inachtneming van bepaalde formaliteiten en van een opzeggingstermijn dan wel toekenning van een overeenkomstige vergoeding. De Belgische wetgeving verzet zich eveneens tegen het sluiten van overeenkomsten op proef na de indiensttreding; de rechtspraak heeft dit beginsel evenwel gematigd door te oordelen dat een overeenkomst op proef in een nieuwe functie mogelijk is, op voorwaarde dat de vroegere overeenkomst tijdens deze proeftijd slechts wordt geschorst, zodat zij dadelijk opnieuw van kracht wordt indien de proeftijd in de nieuwe functie niet afdoende blijkt.
-
Aangezien verzoeker de hoedanigheid had van plaatselijk functionaris, werd zijn overeenkomst uitsluitend door het Belgische recht beheerst. Bij zijn aanstelling als ambtenaar op proef is zijn overeenkomst als plaatselijk functionaris niet uitdrukkelijk beëindigd; deze bleef dus bestaan ondanks de aanstelling en de daaruit volgende statuutwijziging.
Krachtens de beginselen van het Belgische recht kan een proeftijd in een nieuwe functie in dienst van dezelfde werkgever slechts tot gevolg hebben dat de overeenkomst als plaatselijk functionaris wordt geschorst tot het moment van de definitieve aanstelling in de nieuwe functie. Er is dus geen sprake van onverenigbaarheid tussen het — voorwaardelijk behouden — statuut van plaatselijk functionaris en het statuut van gemeenschapsambtenaar, aangezien beide statuten niet tegelijkertijd gelden.
-
In antwoord op de vraag van de Arbeidsrechtbank te Brussel ware te verklaren voor recht:
„Voor zover de overeenkomst als plaatselijk functionaris krachtens de nationale wettelijke bepalingen wordt geschorst tijdens de proeftijd van een ambtenaar op proef, is er geen onverenigbaarheid tussen het bestaan van deze geschorste overeenkomst als plaatselijk functionaris en de hoedanigheid van ambtenaar op proef bij de Europese Gemeenschappen”.
De Commissie, verweerster in het hoofdgeding, merkt op dat het bij de aan het Hof gestelde vraag in het communautaire vlak enkel gaat om het probleem van de hoedanigheid van ambtenaar (artikel 1 van het Statuut) en van plaatselijk functionaris (artikel 4 van de Regeling andere personeelsleden); elke verwijzing naar het Belgische recht moet terzijde worden gesteld. Het antwoord op de vraag betreft slechts het Europese ambtenarenrecht.
In dit verband moet het volgende worden vastgesteld:
-
Volgens artikel 4, eerste alinea, van de Regeling andere personeelsleden wordt de plaatselijke functionaris „aangesteld overeenkomstig de plaatselijke gebruiken”. Titel IV van die Regeling bevat nadere voorschriften voor plaatselijke functionarissen, en bepaalt dat hun arbeidsvoorwaarden, inzonderheid ter zake van aanstelling en ontslag, verloven en bezoldiging, door elke instelling worden vastgesteld aan de hand van de voorschriften en gebruiken ter plaatse waar de functionaris zijn werkzaamheden moet verrichten (artikel 79); dat voor wat de sociale zekerheid betreft, de instelling de lasten op zich neemt die op de werkgever drukken ingevolge de voorschriften ter plaatse waar de functionaris zijn werkzaamheden moet verrichten (artikel 80), en dat geschillen tussen de instelling en de plaatselijke functionaris worden onderworpen aan het gerecht dat bevoegd is ingevolge de wetten ter plaatse waar de functionaris zijn werkzaamheden verricht (artikel 81). Verder zijn plaatselijke functionarissen luidens artikel 2 van 's Raads verordening nr. 260/68 van 29 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden en de wijze van heffing van de belasting ten bate van de Europese Gemeenschappen, niet aan deze belasting onderworpen.
Het nationale recht speelt zeker een beslissende rol bij de bepaling van de juridische regeling welke van toepassing is op plaatselijke functionarissen; niettemin zijn, formeel gezien, de arbeidsvoorwaarden, met name die inzake aanstelling en ontslag, van die functionarissen het onderwerp van een door elke instelling opgestelde communautaire regeling.
Zo heeft de Commissie op 14 mei 1971 een regeling vastgesteld houdende „vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de plaatselijke functionarissen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in dienst te Brussel”; artikel 3 spreekt uitdrukkelijk van elke aanwervingsovereenkomst gesloten tussen de Commissie en een plaatselijk functionaris in dienst te Brussel.
-
Blijkens 's Hofs rechtspraak worden de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren en van personeelsleden die geen plaatselijk functionaris zijn, bepaald door het Statuut of de Regeling, en vallen de geschillen waartoe zij aanleiding geven, uitsluitend onder 's Hofs bevoegdheid, terwijl de arbeidsvoorwaarden van de plaatselijke functionarissen worden vastgesteld op grond van de nationale wet, en vatbaar zijn voor beroep bij de nationale rechterlijke instanties.
Dit onderscheid is gerechtvaardigd wegens het verschillende karakter van enerzijds de privaatrechtelijke overeenkomst van de plaatselijke functionaris en anderzijds de publiekrechtelijke regeling voor de ambtenaren en de tijdelijke en hulpfunctionarissen.
-
Uit 's Hofs rechtspraak blijkt eveneens dat de procedure tot ontslag van een ambtenaar wegens ongunstige beoordeling aan het einde van de proeftijd, is geregeld in artikel 34, lid 2, van het Statuut en dat een overeenkomstig deze bepaling genomen besluit geen aansprakelijkheid van de Commissie jegens ontslagen ambtenaren op proef kan meebrengen.
Het Statuut omschrijft de factoren die de loopbaan van de ambtenaren bepalen. De proeftijd — zes maanden voor categorie C — kan in geval van ongeschiktheid leiden tot ontslag krachtens artikel 34, lid 2; dit is één van de wijzen van beëindiging van de dienst, in de zin van artikel 47, waarbij echter een bijzondere vergoeding wordt toegekend, die normaal gelijk is aan twee maanden basissalaris. Desmedt heeft deze ontslagvergoeding ontvangen.
-
Tijdens de in het Ambtenarenstatuut voorgeschreven proeftijd kan een privaatrechtelijke contractuele verhouding natuurlijk niet in stand blijven, ook al zou de werking ervan zijn geschorst. Die verhouding wordt verbroken door het enkele feit van betrokkenes overgang naar een publiekrechtelijke, gemeenschapsrechtelijke regeling die de toepassing van het nationale privaatrecht uitsluit.
-
De vraag van de Arbeidsrechtbank te Brussel ware te beantwoorden als volgt:
„De hoedanigheid van ambtenaar van de Europese Gemeenschappen, ongeacht of het om een ambtenaar op proef gaat clan wel om een ambtenaar in vaste dienst, is onverenigbaar met die van plaatselijk functionaris, doordat de verhouding tussen deze laatste en zijn werkgever van contractuele aard is en mitsdien onderworpen aan het nationale recht.”
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 12 maart 1981 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord door H. Desmedt, verzoeker in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door X. Xharclez, advocaat te Brussel, en de Commissie, verweerster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door R. Baeyens, bijgestaan door J.-M. De Smet, advocaat te Brussel.
Desmedt wijst erop dat volgens artikel 24, sub b, van de Regeling houdende vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de plaatselijke functionarissen van de Commissie in dienst te Brussel, de overeenkomst voor onbepaalde tijd normaal wordt beëindigd door opzegging, met inachtneming van een opzeggingstermijn die schriftelijk wordt meegedeeld. Gelet op deze bepaling kan niet worden aanvaard dat de overeenkomst stilzwijgend wordt beëindigd wanneer de plaatselijke functionaris de positie van ambtenaar op proef verwerft, te meer omdat naar Belgisch recht bij verandering van functie in dienst van dezelfde werkgever, de in de vorige functie verkregen rechten gedurende de proeftijd behouden blijven. Deze opvatting wordt bevestigd door het feit dat Desmedt is aangeworven als ambtenaar na een intern vergelijkend onderzoek, waaraan hij niet had kunnen deelnemen indien zijn overeenkomst als plaatselijk functionaris eerst zou zijn beëindigd. Ten slotte bewijst het feit dat zijn aanstelling werd geacht te zijn ingegaan op 12 augustus 1974 en bij dezelfde instelling te hebben voortgeduurd na 1 januari 1977, dat er zelfs geen stilzwijgende beëindiging van de arbeidsovereenkomst is geweest, doch slechts een tijdelijke wijziging onder de opschortende voorwaarde dat aan het einde van de proeftijd een gunstig rapport zou worden uitgebracht.
De Commissie voert aan, dat er in casu tegelijkertijd twee verschillende rechtssituaties zijn en dat de beslissing om zijn situatie van op overeenkomst aangesteld plaatselijk functionaris om te zetten in die van een onder het Statuut vallend ambtenaar door verzoeker in het hoofdgeding zelf uit eigen vrije wil is genomen. Een bediendencontract kan naar Belgisch recht met wederzijds goedvinden worden beëindigd zonder opzeggingstermijn; deze beëindiging kwam in casu stilzwijgend tot stand, daar de Commissie niet verlangde dat Desmedt een opzeggingstermijn in acht zou nemen.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 21 mei 1981 conclusie genomen.
In rechte
1 Bij vonnis van 20 maart 1980, ingekomen ten Hove op 28 maart daaropvolgende, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de verhouding tussen, enerzijds, het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Statuut), met name artikel 34, en, anderzijds, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: de Regeling), met name de artikelen 79-81 (gecoördineerde, niet-authentieke tekst, gepubliceerd in PB C 100 van 1972).
2 Deze vraag is gesteld in het kader van een voor de Arbeidsrechtbank aanhangig geding tussen de Commissie van de Europese Gemeenschappen en een voormalig plaatselijk functionaris, die na zijn aanstelling als ambtenaar op proef aan het einde van zijn proeftijd is ontslagen.
3 Blijkens de stukken, waaronder ook het persoonsdossier van verzoeker in het hoofdgeding, werd deze op 19 augustus 1974 door de Commissie aangeworven als plaatselijk functionaris te Brussel, aanvankelijk voor de duur van zes maanden. Na afloop van deze periode deelde de administratie hem mee, dat zij had besloten zijn overeenkomst voor onbepaalde tijd te verlengen, ondanks het feit dat zijn prestaties te wensen overlieten. Zij waarschuwde hem dat hij zijn prestaties aanzienlijk zou moeten verbeteren, omdat de administratie zich anders genoopt zou zien zijn situatie en de voortzetting van zijn werkzaamheden in dienst van de Commissie in heroverweging te nemen.
4 De verlenging van de aanwervingsovereenkomst voor onbepaalde tijd werd op 13 februari 1975 door beide partijen ondertekend. De in 1975 en 1976 opgestelde beoordelingen getuigden, hoewel genuanceerd, van prestaties die over het geheel genomen bevredigend waren.
5 In die tijd nam verzoeker in het hoofdgeding met succes deel aan een intern vergelijkend onderzoek (COM/C/8/75), waarna hij op 7 januari 1977, zulks met ingang van 1 januari van dat jaar, werd aangesteld als ambtenaar op proef in de hoedanigheid van hulpbeambte in de rang C 5, en tewerkgesteld bij het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer te Luxemburg. Blijkens een dienstnota van 7 februari 1977„is de met de heer Hugues Desmedt gesloten overeenkomst als plaatselijk functionaris in dienst bij de Commissie te Brussel, beëindigd op 31 december 1976, 's avonds”. Deze nota werd onder meer ter kennis gebracht aan de dienst waar verzoeker zijn werkzaamheden verrichtte.
6 Na een negatieve beoordeling aan het einde van de proeftijd besloot het tot aanstelling bevoegde gezag op 28 juni 1977, verzoeker per 1 juli 1977 te ontslaan. Blijkens de stukken ontving betrokkene de in artikel 34, lid 2, vierde alinea, van het Statuut bedoelde ontslagvergoeding, ten bedrage van twee maanden basissalaris voor een ambtenaar op proef die tenminste zes maanden in dienst is geweest. De Commissie had hem ook een strikt tot drie maanden beperkte overeenkomst als hulpfunctionaris met tewerkstelling te Brussel aangeboden, met name om hem in staat te stellen zich weer bij een nationaal stelsel van sociale zekerheid aan te sluiten. Verzoeker wees dit aanbod echter af.
7 Ten slotte moet worden opgemerkt dat verzoeker op 15 september 1977 een klacht tegen zijn ontslag heeft ingediend, die door de Commissie bij brief van 20 maart 1978 is afgewezen. In deze brief verklaarde de Commissie met name: „De door u aanvaarde aanstelling als ambtenaar op proef op 1 januari 1977 leidde noodzakelijkerwijze tot beëindiging van uw privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst, daar de hoedanigheid van plaatselijk functionaris onverenigbaar is met die van ambtenaar bij een instelling van de Europese Gemeenschappen”. Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van de verdere door het Statuut geboden mogelijkheid van beroep tegen de afwijzing van zijn klacht.
8 Inmiddels had verzoeker bij dagvaarding van 15 december 1977 de Commissie voor de Arbeidsrechtbank te Brussel gedaagd teneinde haar te doen veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens verbreking van de overeenkomst. In het inleidend beroepschrift stelde hij dat de Commissie ofwel hem in zijn oude functie had moeten herplaatsen, ofwel hem een opzeggingsvergoeding had moeten betalen, gesteld op zes maal zijn laatste maandsalaris, ofwel BFR 228 930.
9 Tot staving van zijn vordering betoogde verzoeker dat door zijn aanstelling als ambtenaar op proef de overeenkomst als plaatselijk functionaris slechts was geschorst, en dat deze overeenkomst na zijn ontslag als ambtenaar opnieuw van kracht was geworden. Hij vergeleek zijn situatie met die van een werknemer met een bediendencontract in de particuliere sector, die op proef in een nieuwe functie wordt tewerkgesteld, en hij verzocht de Arbeidsrechtbank hem dezelfde bescherming te verzekeren als hem ten deel zou zijn gevallen indien de opeenvolging van overeenkomsten zich in de particuliere sector zou hebben voorgedaan.
10 De Commissie voerde aan dat de aanstelling als ambtenaar op proef de werknemer onder het Ambtenarenstatuut brengt en noodzakelijkerwijs een einde maakt aan de overeenkomst als plaatselijk functionaris, die wordt beheerst door de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschap.
11 Om dit geschil te kunnen oplossen, heeft de Arbeidsrechtbank de volgende vraag gesteld :
„Is de hoedanigheid van ambtenaar op proef bij de Europese Gemeenschappen, zoals geregeld in het Ambtenarenstatuut (PB 1972, C 100, biz. 5-32) en met name in artikel 34, al dan niet verenigbaar met de hoedanigheid van plaatselijk functionaris, onderworpen aan het nationale privaatrecht (PB 1972, C 100, blz. 80, artikelen 79-81), in casu, voor wat-de Belgische wetgeving betreft, artikel 37 van de wet van 3 juli 1978 en het oude artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de arbeidsovereenkomst?”
12 De verhouding tussen het Ambtenarenstatuut en de Regeling andere personeelsleden, alsook hun respectieve werkingssfeer moeten worden omschreven op grond van de voorschriften waarop het Europese ambtenarenrecht berust.
13 Zowel uit artikel 24, lid 1, van het Verdrag van 8 april 1965 tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, als uit de considerans van de krachtens bedoelde bepaling vastgestelde verordening nr. 259/68 van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden (PB L 56 van 1968, blz. 1), blijkt dat het Statuut en de Regeling twee elkaar aanvullende besluiten vormen, in die zin dat zij elk voor bepaalde categorieën van personeelsleden gelden: het Statuut voor de eigenlijke ambtenaren en de ambtenaren op proef, de Regeling voor verscheidene andere categorieën van personeelsleden, waaronder de plaatselijke functionarissen. Zo blijkt dat Statuut en Regeling elk een welbepaalde personele werkingssfeer hebben en dat behoudens uitdrukkelijke afwijking, een zelfde ambtenaar, dus niet gelijktijdig aan beide regelingen onderworpen kan zijn.
14 Hieruit volgt dat de plaatselijke functionaris die een aanstelling als ambtenaar op proef aanvaardt, uitsluitend onder het Statuut valt, waarvan de toepasselijkheid van rechtswege een eind maakt aan de voorheen door de Regeling beheerste betrekkingen, zonder dat het dus noodzakelijk is dat de administratie de krachtens de Regeling tot stand gekomen dienstbetrekking uitdrukkelijk beëindigt.
15 Dit zou slechts anders kunnen zijn bij een uitdrukkelijk andersluidend besluit van de administratie. Hieraan moet nog worden toegevoegd, dat niets de administratie belet een voorheen aan de Regeling onderworpen personeelslid aan het einde van diens proeftijd in zijn vroeger positie te herstellen. Het zou dan echter gaan om een nieuwe aanstelling, en niet om de voortzetting van de vroegere dienstbetrekking.
16 Hier zij nog opgemerkt dat, zo de proeftijd voor de betrokkene een onmiskenbare onzekerheid meebrengt, de ambtenaar op proef evenwel tegen elk willekeurig ontslag is beschermd door de rechtsmiddelen van de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut. Vergelijkenderwijs is zijn situatie in zoverre niet onzekerder dan die van de plaatselijke functionaris die, behoudens inachtneming van de juiste vormen en termijnen, te allen tijde wegens onvoldoende geschiktheid voor de functie kan worden ontslagen.
17 Gelet op het voorgaande, moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat de hoedanigheid van ambtenaar op proef, onderworpen aan het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, onverenigbaar is met die van plaatselijk functionaris, onderworpen aan de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, in die zin dat wanneer een plaatselijk functionaris de hoedanigheid van ambtenaar op proef verwerft, van rechtswege een einde komt aan de toepasselijkheid van de Regeling andere personeelsleden, en bijgevolg aan de werking van de op basis daarvan gesloten arbeidsovereenkomst.
Kosten
18 De kosten door de Commissie wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen Ten aanzien van de partijen in het hoofgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Brussel bij vonnis van 20 maart 1980 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De hoedanigheid van ambtenaar op proef, onderworpen aan het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, is onverenigbaar met die van plaatselijk functionaris, onderworpen aan de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, in die zin dat wanneer een plaatselijk functionaris de hoedanigheid van ambtenaar op proef verwerft, van rechtswege een einde komt aan de toepasselijkheid van de Regeling andere personeelsleden, en bijgevolg aan de werking van de op basis daarvan gesloten arbeidsovereenkomst.
Pescatore
Touffait
Due
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 juni 1981.
De griffier
A. Van Houtte
De president van de Tweede kamer
P. Pescatore