Home

Arrest van het Hof van 24 juni 1981.

Arrest van het Hof van 24 juni 1981.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
24 juni 1981

Uitspraak

ARREST VAN 24-6-1981 — ZAAK 150/80 ELEFANTEN SCHUH / JACQMAIN

In zaak 150/80,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van het Belgische Hof van Cassatie, in het aldaar aanhangig geding tussen

Elefanten Schuh GmbH, te Kleef (Bondsrepubliek Duitsland),

en

P. Jacqmain, te Schoten (België),

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: J. Mertens de Wilmars, president, P. Pescatore en Mackenzie Stuart, kamerpresidenten, T. Koopmans, A. O'Keeffe, G. Bosco, O. Due, U. Everling en A. Chloros, rechters,

advocaat-generaal: Sir Gordon Slynn

griffier: A. Van Houtte

het navolgende

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van's Hofs Sta-tuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

1. P. Jacqmain, wonende te Schoten (bij Antwerpen), België, was sinds februari 1970 als handelsvertegenwoordiger in dienst van de Duitse firma G. Hoffmann GmbH, thans Elefanten Schuh GmbH, met maatschappelijke zetel te Kleef in de Bondsrepubliek Duitsland. Jacqmain, die onder meer exclusief vertegenwoordiger was voor de Belgische provincies Antwerpen, Brabant en Limburg, werkte in feite voor de Belgische dochtermaatschappij van Elefanten Schuh, de te Genk-Zwartberg (België) gevestigde NV Elefant.

Onder meer naar aanleiding van de overneming van zijn arbeidsovereenkomst door NV Elefant rezen er moeilijkheden die ertoe leidden dat Elefanten Schuh GmbH Jacqmain in december 1975 om dringende redenen op staande voet ontsloeg.

Blijkens het dossier bevatte de in het Duits gestelde arbeidsovereenkomst tussen Jacqmain en de firma Hoffmann een bevoegdheidsbeding, waarbij de rechtbank te Kleef (Bondsrepubliek Duitsland) bij uitsluiting bevoegd werd verklaard van geschillen kennis te nemen.

Voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen vorderde Jacqmain van beide vennootschappen hoofdelijk bepaalde vergoedingen wegens verbreking van de arbeidsverhouding.

In haar op 26 mei 1976 ingediende conclusie droeg Elefanten Schuh, eerste verweerster in het hoofgeding, haar opvatting ten gronde voor. In de conclusie die zij op 1 maart 1977 indiende, beriep zij zich op het in de overeenkomst vervatte bevoegdheidsbeding en betwistte zij de bevoegdheid radone loci van de Antwerpse Arbeidsrechtbank.

De rechtbank overwoog dat luidens artikel 627, sub 9, van het Belgisch Gerechtelijk Wetboek (Ger. Wb.) de vordering kan worden gebracht voor „de rechter ... van de plaats die bestemd is voor ... de uitoefening van het beroep”; dat niet werd betwist dat verzoeker zijn beroep in dienst van eerste verweerster onder meer uitoefende in het rechtsgebied van de Arbeidsrechtbank Antwerpen en dat, overeenkomstig artikel 630 Ger. Wb., geen daarmee strijdige overeenkomst tussen partijen verzoeker het recht kon ontnemen, zijn vordering voor deze rechtbank te brengen. De rechtbank verwierp mitsdien het middel betreffende de onbevoegdheid en veroordeelde beide vennootschappen tot betaling van het merendeel van de gevorderde vergoedingen.

2. Het Arbeidshof te Antwerpen erkende weliswaar dat het partijen krachtens artikel 17 Executieverdrag geoorloofd was bij overeenkomst van de in het Belgisch Gerechtelijk Wetboek voorziene bevoegdheidsregeling af te wijken, doch bevestigde niettemin in hoger beroep de bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen om overeenkomstig artikel 627, sub 9, Ger. Wb. van het geding kennis te nemen.

Daartoe overwoog het Arbeidshof, dat volgens artikel 52, § 1, van het Koninklijk Besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, en volgens artikel 10 van het decreet tot regeling van het gebruik van de talen van 19 juli 1973, de arbeidsovereenkomst in het Nederlands had moeten zijn gesteld, en dat bedoeld artikel 10 de nietigheid voorschrijft van alle handelingen en stukken, welke bij de inwerkingtreding van het taaldecreet reeds onregelmatig waren krachtens de taalwetgeving van 19 juli 1963. Dientengevolge was de in het Duits gestelde arbeidsovereenkomst nietig en de daarin vervatte bevoegdheidsclausule ongeldig, zodat artikel 17 Executieverdrag niet van toepassing kon zijn. Bij arrest van 15 juni 1979 heeft het Arbeidshof mitsdien beide vennootschappen veroordeeld tot betaling aan P. Jacqmain van een bedrag van BFR 3 120 597 vermeerderd met de interessen.

Beide vennootschappen hebben hiertegen cassatieberoep ingesteld. Aangezien het beroep van NV Elefant echter tardief was, werd het niet-ontvankelijk verklaard.

Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft de vennootschap Elefanten Schuh GmbH als eerste middel tot cassatie aangevoerd dat de geldigheid van een overeenkomst tot aanwijzing van een bij uitsluiting bevoegde rechter op eenvormige wijze voor alle Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap wordt geregeld door artikel 17 Executieverdrag, en niet kan worden aangetast door een door een Lid-Staat vastgestelde regeling inzake de sociale betrekkingen tussen werkgevers en werknemers.

Tegen dit middel heeft gerequireerde tot cassatie twee gronden van niet-ontvankelijkheid aangevoerd.

De eerste grond van niet-ontvankelijkheid was ontleend aan artikel 6, sub 1, Executieverdrag, bepalende dat, indien er meer dan een verweerder is, een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, in een andere verdragsluitende staat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een hunner. Het Hof van Cassatie heeft dit middel verworpen omdat niet was gebleken dat ten tijde van de dagvaarding een van de oorspronkelijke verweersters, NV Elefant en Elefanten Schuh GmbH, woonplaats had binnen het rechtsgebied van de Arbeidsrechtbank Antwerpen.

De tweede grond van niet-ontvankelijkheid was ontleend aan artikel 18 Executieverdrag, dat luidt als volgt:

„Buiten de gevallen dat zijn bevoegdheid voortspruit uit andere bepalingen van dit Verdrag, is de rechter van een verdragsluitende staat, voor wie de verweerder verschijnt, bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning uitsluitend ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 16 bij uitsluiting bevoegd is.”

Aangezien requirante tot cassatie de territoriale bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen voor het eerst had betwist bij de indiening van haar conclusie ter zitting van de rechtbank van 1 maart 1977, had gerequireerde tot cassatie zich voor het Arbeidshof beroepen op artikel 854 Ger. Wb., krachtens welk de onbevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is, behalve wanneer zij van openbare orde is, moet worden voorgedragen vóór alle exceptie of verweer. Overwegende dat de regeling van artikel 627, sub 9, Ger. Wb., betreffende de territoriale bevoegdheid van de rechter ten aanzien van geschillen inzake arbeidsovereenkomsten, niet van openbare orde is, heeft de verwijzende rechter de hierna onder 1 aangehaalde vragen omtrent de uitlegging van het Executieverdrag gesteld.

Het Hof van Cassatie heeft vervolgens ambtshalve overwogen dat het middel bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk is, indien de Arbeidsrechtbank te Antwerpen als gevolg van de niet-betwiste, door het Arbeidshof vastgestelde samenhang, bevoegd was om van beide vorderingen kennis te nemen, ook indien de afzonderlijk ingestelde vordering van verweerder tegen verzoekster ingevolge een geldige overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter voor een gerecht van een andere verdragsluitende staat had moeten worden gebracht.

De verwijzende rechter refereert te dezen aan artikel 22 Executieverdrag, dat luidt als volgt:

„Wanneer samenhangende vorderingen bij gerechten van verschillende verdragsluitende staten zijn aangebracht en in eerste aanleg aanhangig zijn, kan het gerecht bij hetwelk de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.

Dit gerecht kan, op verzoek van een deipartijen, ook tot verwijzing overgaan mits zijn wetgeving de voeging van samenhangende zaken toestaat en het gerecht bij hetwelk de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de beide vorderingen kennis te nemen.

Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om haar gelijktijdige behandeling en berechting, ten einde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven.”

In verband met de hierna onder 2 geformuleerde vragen, merkt de nationale rechterlijke instantie op, dat artikel 22, derde alinea, het begrip samenhang in bijna dezelfde bewoordingen omschrijft als artikel 30 Ger. Wb., en dat dit begrip dus kennelijk in beide bepalingen dezelfde betekenis Jieeft. De vaststelling van het Arbeidshof, dat de vorderingen samenhangend zijn, zou dus ook relevant zijn voor de toepassing van artikel 22 Executieverdrag.

Wat het eigenlijke cassatiemiddel betreft, meent de verwijzende rechter dat het decreet van 19 juli 1973 van de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers van toepassing is op de natuurlijke personen en rechtspersonen die een exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied hebben of die aldaar personeel tewerkstellen; dat artikel 2 van dit decreet bepaalt dat de te gebruiken taal voor de sociale betrekkingen tussen werkgevers en werknemers het Nederlands is; dat luidens artikel 10 de met de bepalingen van het decreet strijdige stukken en handelingen nietig zijn en de nietigheid ambtshalve door de rechter moet worden vastgesteld; dat mitsdien de rechter geen rekening mag houden met de inhoud van een stuk dat in een andere taal dan het Nederlands is gesteld.

Het middel doet dan ook de hierna onder 3 geformuleerde vraag over de uitlegging van artikel 17 Executieverdrag rijzen. Dit artikel luidt als volgt:

„Indien bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, partijen van wie er tenminste een woonplaats heeft in het gebied van een verdragsluitende Staat, een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende Staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die Staat bij uitsluiting bevoegd.

De overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegde rechter hebben geen rechtsgevolg indien zij strijdig zijn met de bepalingen van de artikelen 12 en 15, of indien de gerechten, op welker bevoegdheid inbreuk wordt gemaakt, krachtens artikel 16 bij uitsluiting bevoegd zijn.

Indien de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter slechts is gemaakt ten behoeve van een der partijen, behoudt deze het recht zich te wenden tot elk ander gerecht dat op grond van dit Verdrag bevoegd is”.

3. Het Hof van Cassatie heeft de procedure geschorst en de navolgende prejudiciële vragen gesteld:

    1. Is artikel 18 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken toepasselijk, wanneer partijen een bevoegde rechter hebben aangewezen bij overeenkomst als bedoeld in artikel 17?

    2. Is de bevoegdheidsregeling van artikel 18 toepasselijk, wanneer verweerder niet alleen de bevoegdheid heeft betwist, maar bovendien ook over de zaak zelf heeft geconcludeerd?

    3. In bevestigend geval, moet dan de bevoegdheid in limine litis worden betwist?

    1. Kunnen samenhangende vorderingen die, afzonderlijk ingesteld, voor gerechten van verschillende verdragsluitende Staten zouden moeten worden gebracht, met toepassing van artikel 22 van het Verdrag, gelijktijdig voor één van deze gerechten worden aangebracht, mits zijn wetgeving de voeging van samenhangende zaken toestaat en dit gerecht bevoegd is om van de beide vorderingen kennis te nemen?

    2. Is dit eveneens het geval, wanneer de partijen bij één van de geschillen welke de vorderingen hebben doen ontstaan, overeenkomstig artikel 17 van het Verdrag, bij overeenkomst een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat hebben aangewezen om van dat geschil kennis te nemen?

  1. Is het strijdig met artikel 17 van het Verdrag te beslissen dat een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter nietig is, wanneer het geschrift waarin de overeenkomst is opgenomen, niet gesteld is in de taal die op straffe van nietigheid is voorgeschreven door de wetgeving van een Verdragsluitende Staat, en wanneer het gerecht van die Staat waarvoor de overeenkomst werd ingeroepen, krachtens die wetgeving ertoe gehouden is de nietigheid van het geschrift ambtshalve vast te stellen.”

4. De verwijzingsbeschikking van 9 juni 1980 is ten Hove ingeschreven op 24 juni 1980.

Krachtens artikel 20 van's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de regering van het Verenigd Koninkrijk, te dezen vertegenwoordigd door R. D. Munrow van het Treasury Solicitor's Office als gemachtigde, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. McClellan als gemachtigde, bijgestaan door H. Van Houtte, advocaat te Brussel.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van's Hofs Statuut-EEG

De vragen betreffende artikel 18 Executieverdrag

De regering van het Verenigd Koninkrijk stelt voor, op de eerste vraag, sub a, te antwoorden dat, indien een gerecht genoegzaam bewezen acht dat de verweerder door zijn verschijning zich aan de bevoegdheid van het gerecht wenst te onderwerpen en zodoende wenst af te zien van de toepassing van een overeenkomst in de zin van artikel 17, dit gerecht zich overeenkomstig artikel 18 terecht bevoegd kan verklaren. Deze conclusie vloeit voort uit algemeen erkende beginselen van het overeenkomstenrecht. Bovendien kunnen op dit punt nuttige aanwijzingen over de waarschijnlijke bedoeling van de partijen bij het Executieverdrag worden gevonden in hun vroegere bilaterale akkoorden. Zo moet, luidens de bilaterale verdragen tussen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, België, de Bondsrepubliek Duitsland, Italië en Nederland, de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht worden erkend in geval van — uit vrijwillige verschijning van de verweerder ter terechtzitting blijkende — forumprorogatie; de omstandigheid dat tussen verzoeker en verweerder een overeenkomst bestaat waarbij een ander gerecht als bevoegd wordt aangewezen, doet geen afbreuk aan deze regel.

Naar de mening van de Commissie is artikel 18 Executieverdrag ook van toepassing wanneer partijen bij overeenkomst als bedoeld in artikel 17, een bevoegde rechter hebben aangewezen.

Deze opvatting vindt bevestiging in de tekst zelf van artikel 18, waarin van de bevoegdheid van de rechter voor wie de verweerder verschijnt, wordt afgeweken in geval van exclusieve bevoegdheid krachtens artikel 16, in deze tekst wordt evenwel artikel 17 niet genoemd. Overeenkomstig artikel 17, tweede alinea, in fine, heeft immers de „exclusieve bevoegdheid” van artikel 16 voorrang boven de „uitsluitende bevoegdheid” van artikel 17; deze bijzondere positie van artikel 16 ten aanzien van artikel 17 wordt overigens bevestigd door de artikelen 19, 28 en 34 Executieverdrag.

Zo de aanvullende bevoegdheidsregel van artikel 18 niet zou gelden in geval van prorogatie overeenkomstig artikel 17, zou bovendien de doelstelling zelf van eerstgenoemd artikel, die erin bestaat het aantal bevoegde rechtbanken te verruimen en aldus de rechtsonzekerheid inzake de bevoegdheidsregels te beperken, worden aangetast (vgl. rapport-Jenard over het Executieverdrag, PB C 59 van 1979, blz. 1, op blz. 38).

Een dergelijke soepele uitlegging van artikel 18 is niet in strijd met het strikte formalisme dat in artikel 17 voor een uitdrukkelijke prorogatie wordt vereist. Dit verschil vindt immers zijn verklaring in de aard zelf van de twee types van prorogatie, waarvan het ene berust op de wet, en het andere een contractuele grondslag vereist.

Met betrekking tot de eerste vraag, sub b, merkt de regering van het Verenigd Koninkrijk vooraf op, dat de verschillende taalversies van de tweede volzin van artikel 18 elkaar niet volledig dekken. De Franse tekst luidt:

„Cette règle n'est pas applicable si la comparution a pour objet de contester la compétence ...”,

doch de overige drie teksten die thans authentiek zijn, luiden als volgt:

„Dies gilt nicht, wenn der Beklagte sich nur einläßt, um den Mangel der Zuständigkeit geltend zu machen ...”

„Tale norma non è applicabile se la comparizione avviene solo per eccepire la incompetenza ...”

„Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning uitsluitend ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten ...”.

De Engelse tekst die, evenals de Deense en Ierse, authentiek wordt bij de inwerkingtreding van het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van de drie nieuwe Lid-Staten, luidt als volgt:

„This rule shall not apply where appearance was entered solely to contest the jurisdiction, ...”.

De Deense versie is op overeenkomstige wijze geformuleerd, terwijl de Ierse versie dichter bij de Franse staat.

Op grond van de Franse tekst zou men staande kunnen houden dat een verweerder die verschijnt om de bevoegdheid van het gerecht te betwisten, tegelijkertijd ten gronde kan concluderen zonder daardoor het gerecht bevoegdheid te verlenen. Doch de Engelse tekst vereist, evenals de Duitse, Italiaanse en Nederlandse, dat de verweerder zijn verweer beperkt tot het bevoegdheidsvraagstuk.

Ofschoon het de regering van het Verenigd Koninkrijk onmogelijk lijkt een uitlegging van artikel 18 voor te staan die enkel steun vindt in de Franse tekst, meent zij toch dat deze bepaling soepel moet worden toegepast. Het zou beter met de bedoeling van artikel 18 stroken, dat de verweerder ten gronde zou mogen pleiten als maar duidelijk is dat zijn verweer ten gronde louter subsidiair is bedoeld (zie Bülow-Böckstiegel, Internationaler Rechtsverkehr in Zivil- und Handelssachen, deel I, blz. 156).

Het rapport-Jenard beschrijft bovendien de bedoeling van artikel 18 in neutrale bewoordingen en maakt geen gewag van de noodzaak, de exceptie van onbevoegdheid op te werpen zonder op de zaak ten gronde in te gaan:

„Artikel 18 regelt de stilzwijgende aanwijzing van een bevoegde rechter. Indien een verweerder met woonplaats in een verdragsluitend land gedagvaard wordt voor een gerecht van een ander verdragsluitend land dat volgens het Verdrag niet bevoegd is, kunnen zich twee gevallen voordoen: de verweerder werpt, waartoe hij het recht heeft, op grondslag van het Verdrag de exceptie van onbevoegdheid op [en] het gerecht, moet zich dan onbevoegd verklaren, of de verweerder werpt deze exceptie niet op en verschijnt: in dat geval kan het gerecht van de zaak kennis nemen.”

De regering van het Verenigd Koninkrijk meent overigens dat een te strikte uitlegging van artikel 18 tot onbillijkheid jegens de verweerder kan leiden, wanneer de procedure gepaard gaat met voorlopige of conservatoire maatregelen die de verweerder enkel kan voorkomen door verweer ten gronde te voeren. Voorts kunnen nog moeilijkheden rijzen wanneer een termijn voor het indienen van verweer verstrijkt vooraleer het bevoegdheidsgeschil is opgelost, of in de eerder zeldzame omstandigheden bedoeld in artikel 59 Executieverdrag. Het zou ten slotte onlogisch zijn dat een rechter die, gehoord de verweerder, tot de overtuiging komt dat hij niet bevoegd is, zich toch automatisch krachtens artikel 18 bevoegd moet verklaren, enkel omdat verweerder zijn betoog niet heeft beperkt tot het bevoegdheidsprobleem, doch ook ten gronde heeft geconcludeerd.

Het Verenigd Koninkrijk is mitsdien van mening dat, hoewel artikel 18 normaal vereist dat alleen een exceptie van onbevoegdheid wordt opgeworpen, deze bepaling moet worden geïnterpreteerd op een soepele wijze die het ook mogelijk maakt, zonder dat daardoor automatisch de bevoegdheid wordt erkend, verweer ten gronde te voeren in de uitzonderlijke gevallen waarin dit verweer kennelijk subsidiair is ten opzichte van de werkelijke bedoeling, de bevoegdheid van het aangezochte gerecht te betwisten.

Volgens de Commissie is het juridisch uitgesloten dat de verweerder die eerst ten gronde pleit en aldus impliciet de bevoegdheid van het gerecht erkent, nadien in de loop van het geding deze bevoegdheid afwijst. De opvatting als zou de verweerder die na het opwerpen van de onbevoegdheid van de aangezochte rechter verweer ten gronde voert, de bevoegdheid van deze rechter aanvaarden, beschouwt zij evenwel als te strikt. Zij wijst erop, dat inzonderheid met betrekking tot artikel 18 Executieverdrag rechtbanken in de verdragsluitende staten reeds hebben bevestigd dat de verweerder die de bevoegdheid ontkent, nadien subsidiair over de grond van de zaak mag concluderen (Bundesgerichtshof 3 maart 1976, Recht der internationalen Wirtschaft 1976, biz. 447; Italiaans Hof van Cassatie 23 juni en 10 november 1977, Giustizia Civile 1978, nr. 1, biz. 44-47; Arrondissementsrechtbank Roermond 31 oktober 1974, Nederlandse Jurisprudentie 1975, nr. 405; Tribunale di Bassano del Grappe 13 februari 1976, EEG-documentatie nr. 36; Tribunale di Pinerolo 31 maart 1976, Rivista di Diritto Internazionale Privato e Processuale 1977, nr. 1, blz. 78).

De Commissie meent bovendien dat de vraag of de verweerder die de bevoegdheid betwist, subsidiair ook ten gronde kan concluderen zonder overeenkomstig artikel 18 de bevoegdheid te erkennen, moet worden beantwoord volgens het nationale procesrecht van de aangezochte rechter; in het rapport-Jenard wordt immers een gelijkaardige oplossing voorgestaan voor het begrip „verschijning” (loc. cit., biz. 38).

Met betrekking tot de eerste vraag, sub c, zijn de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie beide van mening, dat de bevoegdheid in limine litis moet worden betwist. Onder referentie aan het rapport-Jenard (loc. cit., biz. 38) stellen zij evenwel dat het juiste tijdstip tot hetwelk de verweerder de exceptie van onbevoegdheid kan opwerpen, moet worden bepaald volgens het procesrecht van de aangezochte rechter.

De vragen betreffende artikel 22 Executieverdrag

De regering van het Verenigd Koninkrijk merkt op, dat de vragen 2, sub a en b, niet gaan over de uitlegging van artikel 22 Executieverdrag, aangezien zij omstandigheden betreffen waarin een gerecht zich bevoegd kan verklaren. Artikel 22 evenwel handelt over de omstandigheden waarin een gerecht zijn uitspraak kan aanhouden of zich onbevoegd kan verklaren. De regering meent mitsdien dat deze twee vragen, in de vorm waarin zij zijn geformuleerd, niet kunnen worden beantwoord.

Ook de Commissie meent dat artikel 22 geen bevoegdheidsgrond geeft die het mogelijk zou maken vorderingen wegens samenhang elders in te leiden dan voor de rechtbanken die krachtens de normale bevoegdheidsregels van het Verdrag bevoegd zijn voor deze Vorderingen. Zij voegt daaraan toe dat, behalve in de drie gevallen van artikel 6 Executieverdrag, waarin samenhang wel degelijk een bevoegdheidsgrond oplevert, de onbevoegdheid kan worden opgeworpen wanneer een vordering wegens samenhang wordt ingeleid voor een rechtbank die niet krachtens de artikelen 2-16 bevoegd is van deze vordering kennis te nemen.

De vraag betreffende artikel 17 Executieverdrag

De regering van het Verenigd Koninkrijk stelt eerst voor, de derde vraag meer algemeen te formuleren, en wel als volgt:

„Mogen de gerechten van een verdragsluitende staat een clausule die beantwoordt aan de vereisten van artikel 17 en waarbij uitsluitende bevoegdheid in een geschil wordt verleend aan de gerechten van een andere verdragsluitende staat, buiten beschouwing laten en kennis nemen van het geschil overeenkomstig de andere bepalingen van het Verdrag, wanneer die clausule een onderdeel vormt van een overeenkomst die krachtens het recht van eerstbedoelde verdragsluitende staat nietig is?”

De regering beklemtoont dat wanneer een geschil over de geldigheid van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter, die kennelijk een afzonderlijke overeenkomst vormt, wordt aangebracht bij een ander dan het krachtens artikel 17 bevoegde gerecht, eerstbedoeld gerecht de formele geldigheid van deze overeenkomst enkel dient te toetsen aan de vereisten van artikel 17. Overeenkomstig's Hofs arresten van 14 december 1976 (zaak 24/76, Estasis Salotti, en zaak 25/76, Segoura, Jurispr. 1976, blz. 1831 en 1851) moeten deze vereisten strikt worden uitgelegd.

Wanneer evenwel een bevoegdheidsbeding een onscheidbaar deel uitmaakt van een overeenkomst, moet haar geldigheid afhangen van die van de overeenkomst en dus worden vastgesteld met toepassing van de conflictregels van het aangezochte gerecht. Bij de huidige stand van het internationaal privaatrecht van de Lid-Staten kunnen weliswaar verschillende rechterlijke instanties tot uiteenlopende resultaten komen, doch deze moeilijkheid valt grotendeels weg wanneer het Verdrag betreffende het op verbintenissen uit overeenkomst toepasselijk recht (Europees IPR-Verdrag), dat op 19 juni 1980 te Rome voor ondertekening is opengesteld, van kracht wordt. Ofschoon dit Verdrag niet van toepassing is op overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegde rechter als dusdanig, delen deze het lot van de overeenkomst waarvan zij een onderdeel vormen. Is deze overeenkomst geldig naar het krachtens het Europees IPR-Verdrag toepasselijke rechtsstelsel van een Lid-Staat van de Gemeenschap, dan moet de geldigheid van het bevoegdheidsbeding worden getoetst aan artikel 17 Executieverdrag. Bovendien mag krachtens het Europees IPR-Verdrag de toepassing van een door dit Verdrag aangewezen wettelijk voorschrift alleen dan worden geweigerd, wanneer die toepassing kennelijk onverenigbaar zou zijn met de openbare orde van het forum.

In beide voornoemde gevallen, te weten wanneer de overeenkomst waarvan de bevoegdheidsclausule deel uitmaakt, geldig is, dan wel wanneer de bevoegdheidsclausule, los van de overeenkomst en afzonderlijk beschouwd, geldig is, kan deze clausule enkel terzijde worden gesteld in uitzonderlijke omstandigheden, waarin de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar zou zijn met de openbare orde van het forum. Het feit dat het bevoegdheidsbeding of de overeenkomst waarvan het deel uitmaakt, nietig is krachtens een bepaling van het nationale recht van de aangezochte rechter, die deze volgens zijn eigen recht ambtshalve moet toepassen, biedt geen voldoende grond voor nietigverklaring.

De Commissie meent dat de nationale wet slechts ter aanvulling van artikel 17 van toepassing is op de geldigheid van het bevoegdheidsbeding, voor zover door die toepassing de uitsluitende bevoegdheid bedoeld in artikel 17 Executieverdrag, niet wordt aangetast.

Zij merkt te dezen op, dat in theorie verscheidene nationale wetten in aanmerking kunnen komen om de geldigheid van een bevoegdheidsclausule te beoordelen. Het vereiste van „uniforme geldigheid” van de bevoegdheidsclausule op communautair vlak, gelijk dat door advocaat-generaal Capotorti werd verwoord (conclusies in de zaken 24/76 en 25/76, Jurispr. 1976, blz. 1846 en 1867-1868), biedt een leidraad om te komen tot een autonome uitlegging van artikel 17 Executieverdrag.

De Commissie betoogt ten slotte nog dat België, zo het het gebruik van het Nederlands op straffe van nietigheid had willen voorschrijven als een bijkomend vereiste voor een bevoegdheidsbeding waarbij een in het Nederlandse taalgebied gevestigde werkgever of werknemer partij is, daartoe een protocol zoals dat betreffende Luxemburg had moeten laten goedkeuren.

III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 31 maart 1981 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Mc Clellan als gemachtigde, bijgestaan door H. Van Houtte, advocaat te Brussel, mondelinge opmerkingen gemaakt.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 20 mei 1981 conclusie genomen.

In rechte

1 Bij arrest van 9 juni 1980, ingekomen ten Hove op 24 juni daaropvolgende, heeft het Belgische Hof van Cassatie krachtens het protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna : Executieverdrag), een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 17, 18 en 22 van dit Verdrag.

2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een beroep tot cassatie van een arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, waarbij de vennootschap naar Duits recht Elefanten Schuh GmbH en de vennootschap naar Belgisch recht NV Elefant hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling aan P. Jacqmain van een bedrag van BFR 3 120 597 vermeerderd met de interessen, in het bijzonder wegens ontslag op staande voet.

3 Blijkens de processtukken was Jacqmain in 1970 als handelsvertegenwoordiger aangesteld door de Duitse vennootschap Hoffmann GmbH, die later haar naam veranderde in Elefanten Schuh GmbH. In werkelijkheid was hij werkzaam op Belgisch grondgebied, met name in de provincies Antwerpen, Brabant en Limburg, op instructies van de NV Elefant, de Belgische dochtermaatschappij van voornoemde vennootschap. Het geschil in het hoofdgeding vloeit voort uit de moeilijkheden die in 1975 tussen P. Jacqmain en de beide betrokken vennootschappen zijn gerezen over de voorwaarden van de overneming door de Belgische vennootschap van zijn arbeidsovereenkomst met de Duitse vennootschap.

4 Nadat Jacqmain voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen een vordering had ingesteld tegen beide vennootschappen, zijn deze aldaar verschenen en hebben in hun eerste conclusies de gegrondheid van de tegen hen ingestelde vorderingen betwist. In haar tweede, negen maanden later ingediende conclusies heeft de Duitse vennootschap de onbevoegdheid van de rechtbank opgeworpen op grond dat de arbeidsovereenkomst een beding bevatte volgens hetwelk uitsluitend de rechtbank te Kleef in de Bondsrepubliek Duitsland bevoegd was kennis te nemen van enig geschil betreffende de overeenkomst. De Arbeidsrechtbank heeft deze exceptie verworpen op grond dat een dergelijk beding niet kon afwijken van artikel 627 van het Belgisch gerechtelijk wetboek, bepalende dat ten aanzien van dergelijke geschillen de rechter van de plaats waar het beroep wordt uitgeoefend, bevoegd is.

5 Het Arbeidshof te Antwerpen, waarbij beroep van het vonnis van de Arbeidsrechtbank was ingesteld, overwoog dat partijen bij de arbeidsovereenkomst krachtens artikel 17 Executieverdrag bij schriftelijke overeenkomst konden afwijken van de territoriale bevoegdheidsregeling van het Belgisch gerechtelijk wetboek en deze bevoegdheid konden toekennen aan de rechtbank te Kleef. Het Arbeidshof oordeelde evenwel dat de Duitse vennootschap zich niet kon beroepen op het bevoegdheidsbeding, op grond dat de arbeidsovereenkomst krachtens artikel 10 van het decreet tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, aangenomen door de Cultuurraad van de Nederlandse cultuurgemeenschap op 19 juli 1973 (Belgisch Staatsblad, blz. 10089), in het Nederlands had moeten zijn gesteld. Het Arbeidshof overwoog dat genoemd artikel 10, dat de nietigheid van alle niet in het Nederlands gestelde handelingen en stukken voorschrijft, eveneens van toepassing was op vóór de inwerkingtreding van het decreet opgestelde stukken. Gelet hierop was de in het Duits gestelde arbeidsovereenkomst nietig en het daarin vervatte bevoegdheidsbeding ongeldig.

6 Het door de Belgische vennootschap ingestelde beroep tot cassatie van het arrest van het Arbeidshof werd door het Hof van Cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Daar het door de Duitse vennootschap ingestelde cassatieberoep met name betrekking had op de geldigheid van het bevoegdheidsbeding in het licht van artikel 17 Executieverdrag, besloot het Hof van Cassatie het Hof van Justitie drie vragen voor te leggen.

De eerste vraag

7 De eerste vraag luidt als volgt:

  1. Is artikel 18 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken toepasselijk, wanneer partijen een bevoegde rechter hebben aangewezen bij overeenkomst als bedoeld in artikel 17?

  2. Is de bevoegdheidsregeling van artikel 18 toepasselijk, wanneer verweerder niet alleen de bevoegdheid heeft betwist, maar bovendien ook over de zaak zelf heeft geconcludeerd?

  3. In bevestigend geval, moet dan de bevoegdheid in limine litis worden betwist?”

8 De artikelen 17 en 18 vormen de zesde afdeling van titel II van het Executieverdrag, die betrekking heeft op de aanwijzing van een bevoegde rechter door partijen; artikel 17 betreft de aanwijzing van een bevoegde rechter bij overeenkomst, artikel 18 de stilzwijgende aanwijzing, voortvloeiende uit het verschijnen van verweerder. Met het eerste onderdeel van de vraag wenst de nationale rechter te vernemen, welke de verhouding is tussen deze twee vormen van bevoegdheidsaanwijzing.

9 Artikel 18 Executieverdrag bevat in zijn eerste volzin de regel dat bevoegd is de rechter van een verdragsluitende staat, voor wie de verweerder verschijnt. Volgens de tweede volzin geldt deze regel niet, indien de verschijning uitsluitend ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 16 Executieverdrag bij uitsluiting bevoegd is.

10 Het in artikel 17 bedoelde geval behoort dus niet tot de uitzonderingen die artikel 18 toelaat op de aldaar gestelde regel. Bovendien kunnen aan de algemene strekking of de doelstellingen van het Executieverdrag geen gronden worden ontleend voor de opvatting, dat partijen bij een bevoegdheidsbeding in de zin van artikel 17 hun geschil niet vrijwillig zouden kunnen voorleggen aan een ander dan het in dat beding bedoelde gerecht.

11 Hieruit volgt dat artikel 18 Executieverdrag ook van toepassing is wanneer de partijen bij overeenkomst een bevoegde rechter hebben aangewezen in de zin van artikel 17.

12 Het tweede en het derde onderdeel van de vraag betreffen het geval waarin de verweerder voor een gerecht verschijnt in de zin van artikel 18, doch de bevoegdheid van dit gerecht betwist.

13 Het Hof van Cassatie vraagt in de eerste plaats, of artikel 18 van toepassing is wanneer de verweerder zowel over de bevoegdheid van de aangezochte rechter als over de zaak zelf concludeert.

14 Ofschoon de verschillende taalversies van artikel 18 Executieverdrag elkaar niet volledig blijken te dekken ten aanzien van het punt of een verweerder die de bevoegdheid van de aangezochte rechter wenst af te wijzen, zich dient te beperken tot het betwisten van deze bevoegdheid, dan wel of hij hetzelfde doel kan bereiken door zowel de bevoegdheid van de aangezochte rechter als de vordering ten gronde te betwisten, komt deze laatste oplossing het best overeen met de doelstellingen en de strekking van het Executieverdrag. Volgens het burgerlijk procesrecht van sommige verdragsluitende staten immers zou aan een verweerder die enkel het probleem van de bevoegdheid opwerpt, geen gelegenheid meer mogen worden gegeven om verweer ten gronde te voeren in geval de rechter het middel van de onbevoegdheid afwijst. Een uitlegging van artikel 18, die tot een dergelijk resultaat zou leiden, zou strijdig zijn met de bescherming van de rechten van de verdediging in de oorspronkelijke procedure, welke bescherming een van de doelstellingen van het Executieverdrag is.

15 De betwisting van de bevoegdheid kan evenwel slechts het door artikel 18 daaraan verbonden gevolg hebben, indien de verzoeker en de aangezochte rechter reeds bij het eerste verweer van de verweerder kunnen begrijpen dat de verweerder beoogt de bevoegdheid van de rechter te betwisten.

16 In dit verband vraagt het Hof van Cassatie of de bevoegdheid in limine litis moet worden betwist. Dit is een begrip waarvan de toepassing bij de uitlegging van het Executieverdrag moeilijkheden oplevert aangezien tussen de wettelijke regelingen van de verdragsluitende staten aanmerkelijke verschillen bestaan op het punt van het aanhangig maken van gedingen, het verschijnen van de verweerders en de wijze waarop de procespartijen hun conclusies moeten formuleren. Uit de doelstelling van artikel 18 volgt evenwel dat de betwisting van de bevoegdheid, zo zij al niet voorafgaat aan elk verweer ten gronde, in geen geval nog plaats kan vinden na het tijdstip van de stellingname die naar nationaal procesrecht als het eerste voor de aangezochte rechter voorgedragen verweer is te beschouwen.

17 Op het tweede en derde onderdeel van de eerste vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 18 Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de daarin gestelde bevoegdheidsregel niet van toepassing is wanneer de verweerder niet slechts de bevoegdheid betwist, doch ook over de zaak zelf concludeert, mits de betwisting van de bevoegdheid, zo zij al niet voorafgaat aan elk verweer ten gronde, niet plaats vindt na het tijdstip van de stellingname die naar nationaal procesrecht als het eerste voor de aangezochte rechter voorgedragen verweer is te beschouwen.

De tweede vraag

18 De tweede vraag luidt als volgt:

  1. Kunnen samenhangende vorderingen die, afzonderlijk ingesteld, voor gerechten van verschillende verdragsluitende Staten zouden moeten worden gebracht, met toepassing van artikel 22 van het Verdrag, gelijktijdig voor één van deze gerechten worden aangebracht, mits zijn wetgeving de voeging van samenhangende zaken toestaat en dit gerecht bevoegd is om van de beide vorderingen kennis te nemen?

  2. Is dit eveneens het geval, wanneer de partijen bij één van de geschillen welke de vorderingen hebben doen ontstaan, overeenkomstig artikel 17 van het Verdrag, bij overeenkomst een gerecht van een andere verdragsluitende Staat hebben aangewezen om van dat geschil kennis te nemen?”

19 Artikel 22 Executieverdrag bedoelt regelen te geven voor het geval van samenhangende vorderingen die bij gerechten van verschillende verdragsluitende staten zijn aangebracht. Het deelt geen bevoegdheid toe; inzonderheid verleent het geen bevoegdheid aan een rechter van een verdragsluitende staat om te beslissen op een vordering die samenhangt met een andere vordering die krachtens de voorschriften van het Executieverdrag voor deze rechter is gebracht.

20 Op de tweede vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 22 Executieverdrag enkel van toepassing is wanneer samenhangende vorderingen bij de gerechten van twee of meer verdragsluitende staten zijn aangebracht.

De derde vraag

21 De derde vraag luidt als volgt:

„3. Is het strijdig met artikel 17 van het Verdrag te beslissen dat een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter nietig is, wanneer het geschrift waarin de overeenkomst is opgenomen, niet gesteld is in de taal die op straffe van nietigheid is voorgeschreven door de wetgeving van een verdragsluitende Staat, en wanneer het gerecht van die Staat waarvoor de overeenkomst werd ingeroepen, krachtens die wetgeving ertoe gehouden is de nietigheid van het geschrift ambtshalve vast te stellen.”

22 Blijkens deze formulering gaat het het Hof van Cassatie in deze vraag uitsluitend om de geldigheid van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter, die volgens de nationale wet van de aangezochte rechter nietig is op grond dat zij is gesteld in een andere dan de door die wet voorgeschreven taal.

23 Artikel 17 preciseert dat een beding tot aanwijzing van een bevoegde rechter moet zijn neergelegd in een schriftelijke dan wel schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst.

24 Volgens het rapport over het Executieverdrag, dat tezamen met het ontwerp van het Verdrag aan de regeringen van de verdragsluitende staten is voorgelegd, zijn deze vormvoorschriften ingegeven door het streven geen inbreuk te maken op de handelsgebruiken, ofschoon daarbij de gevolgen van de clausules in de contracten, die al vlug onopgemerkt blijven, worden geneutraliseerd — zoals bedingen die gedrukt voorkomen op de correspondentie of de facturen en die niet door de partij tegen welke zij worden ingeroepen, zijn geaccepteerd. Om deze reden zouden bevoegdheidsbedingen slechts in aanmerking moeten worden genomen wanneer zij het voorwerp van een overeenkomst uitmaken, hetgeen een wilsovereenstemming tussen de partijen vooronderstelt. De opstellers van artikel 17 waren bovendien de mening toegedaan dat, in het belang van de rechtszekerheid, uitdrukkelijk moest worden bepaald in welke vorm het bevoegdheidsbeding moet worden gekleed.

25 Artikel 17 wil dan ook zelf de vormvereisten vaststellen waaraan bevoegdheidsbedingen moeten voldoen, zulks in het belang van de rechtszekerheid en om de toestemming van de partijen te verzekeren.

26 Mitsdien staat het de verdragsluitende staten niet vrij andere vormvoorschriften voor te schrijven dan in het Executieverdrag zijn voorzien. Dit wordt bevestigd door de omstandigheid dat artikel 1, tweede alinea, van het aan het Verdrag gehechte Protocol uitdrukkelijk voorziet in bijzondere vormvoorschriften voor personen die in Luxemburg woonplaats hebben.

27 Toegepast op voorschriften inzake het taalgebruik in een bevoegdheidsbeding, houdt deze regeling in, dat de wetgeving van een verdragsluitende staat niet in de weg kan staan aan de geldigheid van een dergelijk beding op de enkele grond dat de gebezigde taal een andere is dan die welke door die wetgeving wordt voorgeschreven.

28 Een andere uitlegging zou bovendien indruisen tegen de doelstelling van artikel 17 Executieverdrag, dat het juist mogelijk wil maken bij overeenkomst voor een gerecht van een verdragsluitende staat te kiezen, dat zonder die keuze normaal niet bevoegd zou zijn. Deze keuze moet derhalve door de rechterlijke instanties van alle verdragsluitende staten worden geëerbiedigd.

29 Op de derde vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 17 Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de wetgeving van een verdragsluitende staat niet in de weg kan staan aan de geldigheid van een bevoegdheidsbeding op de enkele grond dat de gebezigde taal een andere is dan die welke door die wetgeving wordt voorgeschreven.

Kosten

30 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE

uitspraak doende op de door het Belgische Hof van Cassatie bij arrest van 9 juni 1980 gestelde vragen, verklaart voor recht:

  1. Artikel 18 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ís ook van toepassing wanneer de partijen bij overeenkomst een bevoegde rechter hebben aangewezen in de zin van artikel 17 van dit Verdrag.

  2. Artikel 18 Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd, dat de daarin gestelde bevoegdheidsregel niet van toepassing is wanneer de verweerder niet slechts de bevoegdheid betwist, doch ook over de zaak zelf concludeert, mits de betwisting van de bevoegdheid, zo zij al niet voorafgaat aan elk verweer ten gronde, niet plaats vindt na het tijdstip van de stellingname die naar nationaal procesrecht als het eerste voor de aangezochte rechter voorgedragen verweer is te beschouwen.

  3. Artikel 22 Executieverdrag is enkel van toepassing wanneer samenhangende vorderingen bij de gerechten van twee of meer verdragsluitende staten zijn aangebracht.

  4. Artikel 17 Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd, dat de wetgeving van een verdragsluitende staat niet in de weg kan staan aan de geldigheid van een bevoegdheidsbeding op de enkele grond dat de gebezigde taal een andere is dan die welke door die wetgeving wordt voorgeschreven.

Mertens de Wilmars

Pescatore

Mackenzie Stuart

Koopmans

O'Keeffe

Bosco

Due

Everling

Chloros

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 24 juni 1981.

De griffier

A. Van Houtte

De president

J. Mertens de Wilmars