Home

Hof van Justitie EU 14-07-1981 ECLI:EU:C:1981:177

Hof van Justitie EU 14-07-1981 ECLI:EU:C:1981:177

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
14 juli 1981

Uitspraak

ARREST VAN 14-7-1981 — ZAAK 155/80 OEBEL

In de zaak 155/80

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag van het Amtsgericht Wiesbaden in de aldaar aanhangige strafzaak tegen

Sergius Oebel,

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: J. Mertens de Wilmars, president, Mackenzie Stuart en T. Koopmans, kamerpresidenten, A. O'Keeffe, G. Bosco, A. Touffait, O. Due, U. Everling en A. Chloros, rechters,

advocaat-generaal: F. Capotorti

griffier: A. Van Houtte

het navolgende

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de opmerkingen gemaakt krachtens artikel 20 van het protocol van het Hof van Justitie van de EEG kunnen worden samengevat als volgt:

I — Feiten en schriftelijke behandeling

1. In het hoofdgeding staat de heer Sergius Oebel, beheerder ener vennootschap, terecht wegens een „Ordnungswidrigkeit”, daarin bestaande dat hij op 21 juli 1978 omstreeks 2 uur des ochtends, in strijd met artikel 5 van de wet inzake de werktijden in brood- en banketbakkerijen (Gesetz über die Arbeitszeit in Bäkkereien und Konditoreien), in de werkplaats van de vennootschap Bockenheimer Brot GmbH 15 werknemers bakkerswaren heeft laten vervaardigen.

Artikel 5 van voormelde wet — in de versie van 23 juli 1969 (Bundesgesetzblatt I, blz. 937) — luidt als volgt:

§5

Verbod om's nachts te bakken en te bezorgen

  1. Op werkdagen mag in de voor het bakken van brood en banket dienende vertrekken 's nachts gedurende de volgende uren niet worden gewerkt:

    1. van maandag tot vrijdag van 0 tot 4 uur en van 22 tot 24 uur;

    2. Op zaterdag van 22 tot 24 uur.

  2. In afwijking van lid 1, sub 1, kan op een van deze werkdagen van 0 tot 4 uur worden gewerkt, indien in plaats daarvan op zaterdag tussen 0 en 4 uur niet wordt gewerkt en indien dit onder opgave van de werkdag minstens een maand tevoren aan de volgens het recht van het betrokken „land” bevoegde instantie schriftelijk wordt meegedeeld. Deze werkdag kan op zijn vroegst telkens na afloop van een kalenderjaar door een andere worden vervangen; voor de opgave hiervan is eveneens zin 1 van toepassing.

  3. Valt een wettelijke feestdag op een werkdag, dan kan in afwijking van lid 1, sub 1, op de werkdag die voorafgaat aan of volgt op de feestdag van 0 tot 4 uur worden gewerkt. Een werkgever die op de werkdag volgend op de feestdag wil werken, moet dit minstens een maand tevoren aan de volgens het recht van het „Land” bevoegde instantie schriftelijk meedelen.

  4. In afwijking van lid 1 mogen in bedrijven met 10 of minder werknemers die rechtstreeks in de produktie werkzaam zijn een persoon boven 18 jaar, in bedrijven met 20 of minder werknemers die rechtstreeks in de produktie werkzaam zijn twee personen boven 18 jaar vanaf 3 uur met voorbereidende werkzaamheden beginnen op de dagen waarop vanaf 4 uur mag worden gewerkt. Voorbereidende werkzaamheden zijn werkzaamheden waarvan de hervatting van de volle produktie vanaf 4 uur arbeidstechnisch afhangt. Als voorbereidende werkzaamheid geldt ook de bereiding van deeg.

  5. Van 22 uur 's avonds tot 5 uur 45 's morgens mag niemand brood- of banketwaren bij verbruikers of winkels afgeven, bezorgen of rondbrengen. De bepalingen betreffende de verkoop in winkels van de winkelsluitingswet van 28 november 1956 (Bundesgesetzblatt I, biz. 875), laatstelijk gewijzigd bij de wet houdende vaststelling van de wet inzake overtredingen van 24 mei 1968 (Bundesgesetzblatt I, blz. 503), worden hierdoor niet geraakt.

Op grond van zijn oordeel dat genoemd artikel 5 mogelijkerwijs onverenigbaar is met de artikelen 7, 30 en 34 van het EEG-Verdrag, immers de mededingingsverhoudingen binnen de Gemeenschap ontwricht — de Bondsrepubliek Duitsland is de enige Lid-Staat van de Gemeenschap waar in bedoelde sector nachtarbeid verboden is, terwijl bedoelde bepaling in feite aan leveranties van verse waren naar aangrenzende Lid-Staten, voor verkoop aldaar in de vroege ochtenduren, in de weg staat —, heeft het Amtsgericht te Wiesbaden het geding geschorst en het Hof van Justitie krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing inzake de navolgende vragen:

„1. Dient artikel 7 EEG-Verdrag ook aldus te worden uitgelegd, dat inbreuk wordt gemaakt op het discriminatieverbod, wanneer een Lid-Staat van de Gemeenschap door middel van een wettelijke bepaling een situatie schept die de concurrentiepositie van eigen onderdanen ten opzichte van vergelijkbare onderdanen van de overige Lid-Staten aanzienlijk beïnvloedt?

2. Moeten de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat de gevolgen van § 5 van de wet inzake werktijden in bakkerijen, ten aanzien van in- en uitvoer van verse bakkerswaren dienen te worden beschouwd als maatregelen die op één lijn zijn te stellen met een kwantitatieve in- of uitvoerbeperking?”

2. De verwijzingsbeschikking is op 2 juli 1980 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Hof van Justitie van de EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de heer Sergius Oebel, te dezen vertegenwoordigd door de te Stuttgart gevestigde advocaten Gleiss, Lutz, Hootz, Hirsch cum sociis, door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Seidel, Ministerialrat im Bundeswirtschaftsministerium en Α. Deringer, advocaat te Keulen, door de Franse regering, vertegenwoordigd door de heer Thierry Le Roy, optredende namens de secretaris-generaal van het Comité interministériel pour les questions de coopération économique européenne en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wägenbaur.

Op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, heeft het Hof besloten zonder instructiemaatregelen tot de mondelinge behandeling over te gaan.

II — Schriftelijke opmerkingen

De feiten en de betekenis van de Duitse wettelijke regeling
  1. Verdachte in het hoofdgeding, de heer Sergius Oebel, wijst er allereerst op dat het verbod van nachtarbeid beperkt is tot commerciële broodbakkerijen. Zulk een verbod zou in de andere landen van de Gemeenschap ook niet bestaan.

    Onder overlegging van een ergonomisch rapport van een arbeidsgeneeskundige, betoogt de heer Oebel dat de hierbedoelde regeling, anders dan de Duitse wetgever wil doen voorkomen, in de bescherming van de gezondheid der werknemers in de broodbakkerijen geen rechtvaardiging vindt:

    Het verbod van nachtarbeid dwingt tot werken op tijdstippen die er om fysiologische redenen niet geschikt voor zijn: de gezondheid van arbeiders in de broodindustrie zou meer met regelmatige nachtarbeid gebaat zijn dan met het bestaande verbod, dat medebrengt dat men tussen 2 en 3 uur moet opstaan en zich naar de arbeidsplaats moet begeven om aldaar om 4 uur te beginnen. Ook zijn er geen redenen van arbeidsgeneeskundige aard om, wat nachtarbeid betreft, ten aanzien van de werknemers in de broodindustrie strengere eisen te stellen dan ten aanzien van werknemers in andere sectoren.

    In de praktijk zou dit wettelijk verbod, naar de heer Oebel aan de hand van voorbeelden en statistieken betoogt, de Duitse fabrikanten van bakkerswaren dwarsbomen en hen bij al hun Europese concurrenten ten achter stellen.

    Enerzijds zou de uitvoer van verse bakkerswaren naar andere landen van de Gemeenschap, vooral in grensgebieden, door de Duitse regeling worden beperkt: wil een detaillist de consument 's morgens aan de gewenste verse waren helpen, dan moet hij levering tussen 6 uur en half 8 's morgens verlangen en dienovereenkomstig zijn leverancier kiezen. Anderzijds zouden de Duitse bakkerijen door het verbod van nachtarbeid op de binnenlandse markt onder druk van de invoer komen te staan, waarvoor een groot aantal verse waren, zoals baguettes, croissants en wittebrood, niet meer lonend kunnen worden geproduceerd, zodat men die produktie staakt.

    Ook bij langer houdbare bakkerswaren leidt het verbod tot belemmering van de uitvoer: het verbod geldt voor zulke waren alleen niet wanneer zij worden geproduceerd in uitsluitend voor de fabricage van zulke waren bestemde lokaliteiten, en in de Duitse bakkerijbedrijven worden beide soorten produkten in den regel in dezelfde lokaliteiten gefabriceerd, hetgeen ertoe leidt dat de meeste Duitse fabrikanten op de nationale markten van hun buitenlandse concurrenten ook met langer houdbare bakkerswaren niet meer kunnen concurreren.

    Deze ontwrichting der mededingingsverhoudingen wordt nog geaccentueerd door de omstandigheid dat het verbod van nachtarbeid de Duitse bakkers belet een drieploegendienst in te voeren en hun een optimale of zelfs rationele exploitatie van hun produktie-installaties, onmogelijk maakt, waardoor zij met hun produktieomvang ten achter blijven bij de buitenlandse concurrenten, die steeds in drie ploegen kunnen werken en daardoor tot een hoger rendement en een intensievere exploitatie, dat wil zeggen tot lagere produktiekosten en verkoopprijzen in staat worden gesteld.

    Tot staving van zijn betoog beroept de heer Oebel zich op twee uitspraken van het Bundesverfassungsgericht d.d. 23 januari 1968 en 25 februari 1976, volgens welk rechtscollege de hierbedoelde regeling weliswaar in de gegeven omstandigheden met het Grundgesetz in overeenstemming is, maar, naar in de laatstgenoemde uitspraak werd overwogen, door het verbod van nachtarbeid, „bepaalde ondernemingen in grensgebieden” in moeilijke concurrentieomstandigheden kan hebben gebracht.

    Na de wordingsgeschiedenis van de omstreden wettelijke regeling te hebben besproken, heeft de Duitse regering betoogd dat zij allereerst bedoeld is om de werknemers in de brood- en banketbakkerijen tegen een, voor hun gezondheid schadelijke, permanente nachtarbeid te beschermen. In ergonomische studiën is men tot de conclusie gekomen dat de „kleine uurtjes” van 24 tot 3 uur 's nachts erg ongeschikt zijn voor het verrichten van arbeid, dat beroepsarbeid in die periode meer van betrokkene vergt en dat hij er zijn energiereserves in zeer sterke mate voor moet aanspreken. Ook beroepswerkzaamheden verricht tussen 20 en 3 uur zouden meer van betrokkene vergen en er zouden meer risico's aan verbonden zijn dan aan werkzaamheden waarmede pas tegen 4 uur wordt begonnen. Het verbod van nachtarbeid in bakkerijen zou dus zijn te beschouwen als een ter bescherming van de gezondheid en in het welbegrepen belang van humanisering van de arbeid genomen voorzorgsmaatregel.

    Het verbod van nachtarbeid zou ook op neutralisering van de mededinging gericht zijn en op bescherming van de middenstand : tal van ambachtelijke bedrijven zouden anders in gevaar geraken door de concurrentie van de broodfabrieken, die hun produktie-installaties continu zouden kunnen gebruiken en daardoor tegen aanmerkelijk lagere kosten zouden kunnen werken dan ambachtelijke bedrijven — met één werkploeg per dag —. Door handhaving van het verbod van nachtarbeid, ook voor grote ondernemingen, wordt dus indirect bijgedragen tot de bescherming der werknemers in kleine bedrijven.

    Evenals de heer Oebel, heeft ook de Duitse regering gewezen op de beide uitspraken van het Bundesverfassungsgericht van 23 januari 1968 en 25 februari 1976. Weliswaar heeft het Bundesverfassungsgericht daarin het verbod van nachtarbeid in broodbakkerijen aangemerkt als een ernstige aantasting van de vrije ondernemerswerkzaamheid en van de economische ontplooiingsmogelijkheden van de grote bakkerijen en de industriële bedrijven waar brood, bakkerswaren en banket wordt vervaardigd, maar de hierin gelegen regeling van de beroepsuitoefening nochtans te rechtvaardigen geacht omdat in de goeddeels sociale beleidsoverwegingen waarop zij berust een algemeen belang van hogere orde meespreekt. Het Bundesverfassungsgericht heeft aan de Duitse wetgever het recht toegekend het verbod ook te handhaven als het gaat om ondernemingen waar het sociale beleidsoogmerk met minder drastische middelen, bijvoorbeeld door een verplichte ploegenaflossing, zou kunnen worden bereikt, overwegende dat zulke ondernemingen anders ten opzichte van kleine en middelgrote bakkerijen in concurrentieel opzicht zeer in het voordeel zouden geraken.

    De Duitse regering betoogt voorts dat er, anders dan naar de mening van de verwijzende rechter het geval is, in alle andere Lid-Staten van de Gemeenschap behalve Denemarken en Nederland, eenzelfde of soortgelijke regeling bestaat. Op internationaal niveau heeft de gedachte van de bescherming der werknemers in brood- en bankbakkerijen haar weerslag gevonden in Verdrag nr. 20 van de Internationale Arbeidsorganisatie te Genève betreffende de nachtarbeid in bakkerijen.

  2. De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft er met name op gewezen dat de hierbedoelde wet, die wel als het „scharnier van de sociale bescherming” voor het betrokken bedrijf beschouwd wordt, in de Bondsrepubliek Duitsland zeer omstreden is. De opvattingen van de industrie en van de ambachtelijke sector staan hier tegenover elkaar.

De verenigbaarheid van de Duitse regeling met bet gemeenschapsrecht

1. De uitlegging van artikel 7 van het EEG-Verdrag

  1. De heer Oebel legt de nadruk op de uitlegging van de artikelen 30 en 34 van het EEG-Verdrag. Voor de vraag of artikel 7 van het EEG-Verdrag in die zin is te verstaan dat het verbod van nachtarbeid en van nachtelijke levering aan de in dat artikel gegeven regel afbreuk doen, refereert hij zich aan 's Hofs oordeel.

  2. De Duitse regering betoogt dat noch in het verbod van nachtarbeid noch in het verbod van nachtelijke levering een discriminatie naar nationaliteit als bedoeld in artikel 7 van het EEG-Verdrag besloten ligt. Weliswaar heeft het Hof van Justitie in enkele gevallen uitgesproken dat zelfs schijnbaar neutrale, op eigen onderdanen zo goed als op die van andere Lid-Staten toepasselijke maatregelen een onrechtmatige discriminatie in de zin van artikel 7 van het EEG-Verdrag kunnen inhouden — wanneer geschillen in gegeven feitelijke omstandigheden tot verschillende gevolgen leiden —, maar dit geldt slechts wanneer er op grond van hun nationaliteit ten nadele van de onderdanen van andere Lid-Staten wordt gediscrimineerd. Van discriminatie is evenwel volgens 's Hofs jurisprudentie geen sprake wanneer een nationale regeling de eigen onderdanen ten achter stelt bij die van andere Lid-Staten, met dien verstande dat de regeling gelijkelijk op alle onderdanen van de Lid-Staten moet worden toegepast — en dat zij zowel van toepassing is op produkten die op de binnenmarkt worden afgezet als op geëxporteerde produkten.

    De Duitse regering geeft het Hof daarom in overweging de eerste vraag van de verwijzende rechter als volgt te beantwoorden:

    „Van overtreding van het discriminatieverbod van artikel 7 is geen sprake, wanneer een Lid-Staat van de Gemeenschap in een wetsbepaling een situatie schept welke aan de mededinging tussen zijn eigen onderdanen en onderdanen van de andere Lid-Staten in dezelfde sector van het beroepsleven in belangrijke mate afbreuk doet.”

  3. Volgens de Franse regering kan artikel 7 van het Verdrag niet worden ingeroepen in het geding waarvan de verwijzende rechter heeft kennis te nemen. Het artikel wil ten behoeve van alle onderdanen van Lid-Staten van de Gemeenschap aan wie het recht op vrij verkeer of vrijheid van vestiging is toegekend, de „nationale” behandeling clausuleren. De non-discriminatieregel kan echter alleen op het grondgebied der onderscheiden Lid-Staten tot toepassing komen. Evenwel kan een Duitse of Franse onderneming in de Bondsrepubliek Duitsland niet met discriminatie komen aandragen als de Duitse wet strenger blijkt te zijn en de werknemers meer bescherming blijkt te bieden dan de wettelijke regeling van andere Lid-Staten voor de hierbedoelde sector. In ieder geval is het niet zeker dat het non-discriminatie-beginsel door eigen onderdanen kan worden ingeroepen, kwestie waarover het Hof van Justitie zich blijkbaar nog niet heeft uitgesproken.

    Voorts kunnen distorsies van de mededingingsverhoudingen als gevolg van geconstateerde dispariteiten der nationale wettelijke regelingen niet zomaar door een rechtstreekse toepassing van artikel 7 worden verholpen doch alleen langs de weg van de harmonisatieprocedures, daartoe in artikel 101 voorzien.

    Voor die harmonisatie gelden bovendien op het terrein van het sociaal beleid, met inbegrip van de regeling van de arbeidsduur, bijzondere beginselen en regelen. Zo spreekt de preambule van het Verdrag van „een voortdurende verbetering van de omstandigheden waaronder [de] volkeren [der Lid-Staten] leven en werken”, terwijl de Lid-Staten volgens artikel 117, de noodzaak [erkennen], verbetering van de levensstandaard en van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers te bevorderen, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de voortgang wordt mogelijk gemaakt”. In artikel 118 wordt de regeling van de arbeidsvoorwaarden met zoveel woorden genoemd als één der gebieden waarop de samenwerking tussen de Lid-Staten moet worden bevorderd (vgl. de desbetreffende resolutie van de Raad van 18 december 1979). Volgens de Franse regering doet de hierbedoelde Duitse regeling geenszins afbreuk aan de beginselen en voorschriften van het verdrag, integendeel zij zou juist tot verwezenlijking van de verdragsdoeleinden bijdragen.

  4. Volgens de Commissie van de Europese Gemeenschappen is de omstreden Duitse regeling niet in strijd met het discriminatieverbod van artikel 7 van het EEG-Verdrag. De regeling draagt een objectief karakter en de nationaliteit van de betrokken beroepsuitoefenaren speelt er geen rol in. Bij gebreke van desbetreffende gemeenschapsrechtelijke bepalingen zijn de Lid-Staten vrij nationale voorschriften te geven, die uiteraard niet met dwingende verdragsbepalingen in strijd mogen komen. Het houdt dan ook geen schending van het discriminatieverbod in dat een Lid-Staat gebruik maakt van zijn recht voor een concrete situatie een objectieve regeling te treffen. Van zodanige schending is ook geen sprake wanneer een nationale regeling inhoudelijk verschilt van die welke in andere Lid-Staten geldt, zelfs niet wanneer zij tot bepaalde mededingingsdistorsies mocht leiden. Rijzen er moeilijkheden, dan heeft men zich veeleer af te vragen of er niet tot harmonisatie moet worden overgegaan. Volgens 's Hofs jurisprudentie, en wel met name volgens het op 30 november 1978 in de zaak 31/78 gewezen arrest (Bussone, Jurispr. 2429), is artikel 7 van het EEG-Verdrag niet geschreven voor „een nationale regeling waarvan het toepassingscriterium niet is de nationaliteit van de ondernemers en die slechts de plaats waar de economische activiteiten worden verricht, in aanmerking neemt.”

    De Commissie geeft dan ook in overweging de eerste vraag in die zin te beantwoorden dat artikel 7 van het Verdrag in die zin is te verstaan dat van overtreding van het in dat artikel bepaalde geen sprake is wanneer een Lid-Staat een algemeen bindende regeling geeft betreffende de werktijden, in acht te nemen bij de vervaardiging en de bezorging van brood- en banketbakkerswaren.

2. De uitlegging van de artikelen 30 en 34 van het EEG-Verdrag

  1. De heer Oebel meent dat zowel het verbod van nachtarbeid als het verbod op nachtelijke leveranties gesteld — voorzover dit laatste verbod moet worden geacht in te houden dat bakkerswaren niet voor 5.45 uur aan afnemers en verkooppunten mogen worden geleverd —, is te beschouwen als een in artikel 34 van het EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, immers beide maatregelen voldoen zijns inziens aan het tweeledig criterium door het Hof in zijn jurisprudentie opgesteld: het zijn maatregelen die van de Staat uitgaan en de handel kunnen belemmeren.

    Het is enkel en alleen deze door de Staat op het niveau der produktie getroffen regeling die maakt dat de Duitse fabrikanten van bakkerswaren hun produkten niet of slechts in zeer beperkte mate kunnen exporteren. En onder 's Hofs definitie van maatregelen van gelijke werking vallen alle overheidsmaatregelen die de handel kunnen belemmeren, dus ook een regeling welke voor het produktiestadium geldt. Dit is trouwens met zoveel woorden uitgesproken in het op 30 oktober 1974 gewezen arrest 190/73 (Van Haaster, Jurispr. 1974, blz. 1123), volgens hetwelk een beperkende overheidsmaatregel ten aanzien van de produktie het handelsverkeer „althans potentieel” ongunstig beïnvloedt en derhalve als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is te beschouwen.

    Een tegenargument kan niet worden ontleend aan het op 18 november 1979 gewezen arrest 15/79 (Groenveld, Jurispr., blz. 3409), waarin het, anders dan in casu, alleen ging om het zeldzame uitzonderingsgeval van een zeer ruim produktieverbod. In het onderhavige geval is er geen sprake van een algemeen verbod een bepaald produkt aan te maken; alleen de export van een op de nationale markt alom verkrijgbaar produkt is in feite onmogelijk gemaakt.

    Noch voor het verbod van nachtarbeid noch voor het verbod van nachtelijke leveranties is een rechtvaardiging te vinden in artikel 36 van het EEG-Verdrag, dat als restrictief te interpreteren uitzonderingsbepaling slechts onder stringente voorwaarden afwijking van de grondbeginselen der artikelen 30 en 34 van het EEG-Verdrag gedoogt. Volgens 's Hofs vaste jurisprudentie zijn evenwel restricties die een afwijking inhouden van het grondbeginsel van het vrije verkeer van goederen, alleen met het Verdrag verenigbaar wanneer ze hun rechtvaardiging vinden in — dat wil zeggen: noodzakelijk zijn voor — de bescherming van de gezondheid en het leven van personen. De uitzondering van artikel 36 van het EEG-Verdrag geldt echter niet wanneer die gezondheid even efficiënt kan worden beschermd door maatregelen welke het intracommunautaire handelsverkeer minder inperken.

    Voorts vermogen volgens 's Hofs jurisprudentie economische beleidsoogmerken geen belemmering van de handel tussen de Staten te rechtvaardigen.

    Tenslotte wordt een maatregel, nog steeds volgens 's Hofs jurisprudentie, vermoed voor de bescherming van de in artikel 36 opgesomde rechtswaarden niet noodzakelijk te zijn wanneer, zoals in casu, in de andere Lid-Staten een vergelijkbare regeling ontbreekt. Dit kan worden afgeleid uit de principiële overwegingen die het Hof deed gelden in de arresten, gewezen in de zaken 120/78 „Cassis de Dijon”, Jurispr. 1979, blz. 649) en 153/78 „vleesprodukten”, Jurispr. 1979, blz. 2555).

    Volgens deze beginselen is het onderhavig verbod van nachtarbeid niet met een beroep op artikel 36 van het EEG-Verdrag te rechtvaardigen. Blijkens het overgelegde ergonomische rapport kan het de gezondheid der bakkersbedienden niet beschermen. Bakkersarbeid is te beschouwen als gemakkelijk werk dat normale inspanningen vraagt, zodat er uit een oogpunt van arbeidsgeneeskunde, en ergonomisch bezien, voor een bijzondere regeling ten behoeve van de werknemers in deze sector geen rechtvaardiging bestaat. Integendeel, een doeltreffende bescherming van de gezondheid der werknemers kan beter met behulp van nachtarbeid volgens rooster worden verwezenlijkt.

    En al zou de omstreden regeling mogen worden aangemerkt als een passend en noodzakelijk middel om de gezondheid der werknemers in de kleine bakkerijen te beschermen, dan nog zou dit geen aanleiding mogen zijn voor een regeling geldende voor alle werknemers in het algemeen, met inbegrip van het personeel van ondernemingen waar ploegendienst mogelijk is. Daardoor zouden de in 's Hofs vaste rechtspraak erkende beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid worden geschonden. Ook het algemene en voor het gemeenschapsrecht fundamentele gelijkheidsbeginsel zou worden geschonden, omdat een abstracte formele gelijkheid van behandeling van alle bakkersbedrijven zou neerkomen op materiële discriminatie ten nadele van ondernemingen waar in ploegendienst kan worden gewerkt, waardoor de mededingingspositie van de industriële bakkerijen zou worden aangetast.

  2. De Duitse regering meent dat noch het verbod van nachtarbeid noch het verbod van nachtelijke leveranties een invoerbelemmering vormt als bedoeld in artikel 30 van het EEG-Verdrag.

    Het eerstgenoemde verbod belemmert de invoer niet omdat het alleen geldt voor broodbakkerijen, gevestigd op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, en in verband met het in de tweede plaats bedoelde verbod onderscheidt de Duitse regering tussen langdurig houdbare produkten en ontbijtartikelen. Bij langer houdbare produkten is van invoerbelemmeringen geen sprake omdat ze niet per se nog 's nachts behoeven te worden geleverd en als het om ontbijtartikelen gaat, wordt een bakker in een Lid-Staat waar geen — of een minder streng — verbod van levering bestaat, door het Duitse recht niet bij Duitse bakkers ten achtergesteld: volgens de bestaande regeling mag hij, zo goed als Duitse bakkers, zijn brood- en banketbakkerswaren in de Bondsrepubliek Duitsland afleveren en vanaf 5.45 uur voor levering aan consumenten of verkooppunten vervoeren.

    Volgens de Duitse regering vormen de hierbedoelde beide verboden al evenmin een belemmering van de export als bedoeld in artikel 34 van het EEG-Verdrag.

    Voor zover het hier gaat om de regeling op het niveau der produktie, kunnen de Duitse bakkerijen in de produktie-perioden met het oog op hun export kwantitatief en kwalitatief voldoende fabriceren. Voor de fabricage van langer houdbare produkten behoeft in de nachturen die aan de dag van verkoop voorafgaan, niet te worden gewerkt; zij kunnen evengoed worden gefabriceerd in de uren waarvoor het verbod niet geldt. Het verbod van nachtarbeid zou dus hoogstens de kosten beïnvloeden voor zover concurrerende ondernemingen in andere Lid-Staten, anders dan brood- en banketbakkersbedrijven in de Bondsrepubliek Duitsland, hun kostbare moderne installaties ononderbroken 24 uren per etmaal kunnen gebruiken. Ontbijtwaren zijn al gauw niet meer vers en kunnen dus maar kort worden bewaard, zodat ze betrekkelijk kort voor het verbruik moeten worden gefabriceerd, maar volgens de Duitse regering maken de uren voor de aanvang der produktie en de voorbereidende werkzaamheden vastgesteld (4 respectievelijk 3 uur) het de betrokken ondernemingen mogelijk tijdig voldoende verse waren te fabriceren.

    Het leveringsverbod houdt geen belemmering van de export in als bedoeld in artikel 34: langer houdbare produkten worden toch al niet „zo uit de oven” geleverd en ontbijtwaren, die de consument zich wèl „zo uit de oven” wenst te zien voorgezet, kunnen juist daarom maar op korte afstand worden geleverd. Zelfs al zou het verbod 's nachts te leveren de Duitse bakkerijen beletten in de grensgebieden der aangrenzende Lid-Staten met aldaar gevestigde bakkerijen te concurreren, dan nog zou zulk een situatie niet worden bestreken door het verbod van artikel 34, dat volgens het arrest, door het Hof op 8 november 1979 gewezen in de zaak 15/79 (Groenveld, Jurispr. blz. 3409) alleen betrekking heeft op „nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer tot doel of gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een Lid-Staat leiden, ten koste van de produktie of de handel van andere Lid-Staten”. Artikel 34 blijkt niet te zijn gericht tegen exportrestricties die alleen in het nadeel van de eigen onderdanen zijn.

    De Duitse regering voegt hieraan toe dat de omstreden regeling in ieder geval haar rechtvaardiging vindt in hogere sociale en sanitaire beleidsredenen, immers bedoeld is om de gezondheid van de bakkers in ambachtelijke bedrijven te beschermen. Zij zou voorts noodzakelijk en aan het gestelde doel geëvenredigd zijn, ook voor zover zij geldt voor fabrieken van brood- en banketbakkerswaren, die anders, met ambachtelijke bedrijven vergeleken, in concurrentieel opzicht zeer in het voordeel zouden zijn. De toenemende druk van de concurrentie zou de ambachtelijke bedrijven onder die omstandigheden tot meer nachtarbeid dwingen, waardoor de eerbiediging van het verbod van nachtarbeid in die bedrijven niet langer zou zijn verzekerd.

    Tenslotte dient in aanmerking te worden genomen dat de beide bedoelde verboden hoogstens een nadeel betekenen voor een beperkt aantal broodbakkerijen die met bakkerijen uit het grensgebied van aangrenzende Lid-Staten concurreren, terwijl opheffing van het verbod de ± 200 000 werknemers van de ± 30 000 ambachtelijke brood- en banketbakkerijen in de Bondsrepubliek Duitsland niet langer beschermd zou doen zijn.

    De Duitse regering geeft het Hof derhalve in overweging de tweede prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:

    „In de gevolgen, voor de in- en uitvoer van verse bakkerswaren verbonden aan artikel 5 van het Gesetz über die Arbeitszeit in Bäckereien ... liggen geen maatregelen van gelijke werking als een kwalitatieve invoer- of uitvoerbeperking in de zin van de artikelen 30 en 34 van het EEG-Verdrag besloten.”

  3. Volgens de Franse regering kan artikel 30 van het EEG-Verdrag stellig niet worden ingeroepen omdat in het geval waarin de betrokken Duitse ondernemingen zich beweerdelijk bevinden, de omstreden wettelijke regeling juist in de grensstreken tot begunstiging en niet tot beperking van de importen leidt.

    Artikel 34 kan al evenmin worden ingeroepen, immers tot maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking zijn in geen geval te rekenen wettelijke bepalingen betreffende de produktie- en arbeidsvoorwaarden; er is in zoverre geen sprake van een maatregel, maar van een op ongelijke nationale regelingen terug te voeren situatie, waaraan bovendien voor het intracommunautaire handelsverkeer maar zijdelingse en onduidelijke gevolgen verbonden zijn. Zulke situaties vragen om harmonisatie van wettelijke regelingen in voege als voorzien in de hoofdstukken van het Verdrag over het sociale beleid. De regelen betreffende het vrije verkeer van goederen kunnen er niet toe leiden dat de verwezenlijking van de sociale doelstellingen van het Verdrag al dan niet rechtstreeks in het gedrang geraakt, zoals wanneer een arbeidsrechtelijke regeling waarin bezoldigde werknemers worden beschermd, op grond van de verboden van de artikelen 30 e. v. van het Verdrag niet-toepasselijk kon worden verklaard.

  4. De Commissie van de Europese Gemeenschappen is eveneens van mening dat een regeling als de onderhavige niet met de artikelen 30 en 34 van het EEG-Verdrag in strijd komt.

    Met betrekking tot artikel 30 wijst de Commissie erop dat het verbod van nachtarbeid de invoer geenszins belemmert en zelfs kan bevorderen.

    Men kan zich evenwel afvragen of de hierbedoelde regeling, wat de bezorging betreft, niet een soortgelijke werking kan hebben als een kwantitatieve invoerbeperking. Het verbod om tussen 22 en 5.45 uur 's nachts brood- en banketbakkerswaren te vervoeren, staat niet alleen aan de afzet van de binnenlandse produktie, maar ook aan de invoer uit de andere Lid-Staten van de EEG in de weg. Het verbod de grens vóór 5.45 uur te passeren kan de actieradius van buitenlandse broodbakkerijen in de Bondsrepubliek Duitsland inperken. Men dient evenwel te bedenken dat uiteindelijk iedere regeling van de werktijden de economische bedrijvigheid inperkt of kan inperken. Maar in haar richtlijn nr. 70/50 van 22 december 1969 (PB nr. L 13 van 1970, blz. 29) heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat maatregelen die zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale en ingevoerde produkten, slechts als maatregelen van gelijke werking kunnen worden aangemerkt wanneer zij „een beperkende uitwerking op het vrije goederenverkeer ... hebben, die het kader van de eigenlijke gevolgen van ... [de] wettelijke regeling” te buiten gaat (9e overweging van de considerans). En de onderhavige regeling van de werktijden, geldende voor de bezorging van bepaalde produkten, en gelijkelijk op nationale en ingevoerde produkten toepasselijk, gaat dat kader niet te buiten.

    Met betrekking tot de uitlegging van artikel 34 heeft de Commissie erop gewezen dat de Duitse werktijdenregeling tot soortgelijke gevolgen leidt als een produktieregeling: produkten die, „zo uit de oven”, ten spoedigste een koper moeten vinden, kunnen 's morgens vroeg alleen worden verkocht als ze in de nacht konden worden gefabriceerd. Nochtans concludeert de Commissie dat de hierbedoelde regeling, gezien 's Hofs voormelde arrest van 8 november 1979, niet met artikel 34 onverenigbaar is te achten, omdat zij een objectief karakter draagt, niet een specifieke beperking van de invoer ten doel of tot gevolg heeft en evenmin medebrengt dat de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een Lid-Staat verschillend worden behandeld.

    Gezien de slotsom waartoe de Commissie met betrekking tot de uitlegging van de artikelen 30 en 34 komt, acht zij het onnodig te onderzoeken of aan artikel 36 van het EEG-Verdrag rechtvaardigingsgronden kunnen worden ontleend. Zij behoudt zich evenwel de mogelijkheid voor het in een later processueel stadium alsnog te doen als de opmerkingen welke de Duitse regering ter rechtvaardiging van de hierbedoelde regeling zal willen maken, daartoe aanleiding geven.

    De Commissie geeft tot besluit het Hof in overweging de tweede vraag van de verwijzende rechter op dezelfde wijze te beantwoorden als de eerste vraag:

    „De artikelen ... 30 en 34 van het EEG-Verdrag zijn in die zin te verstaan dat van overtreding van het in dat artikel bepaalde geen sprake is wanneer een Lid-Staat een algemeen bindende regeling geeft betreffende de werktijden, in acht te nemen bij de vervaardiging en de bezorging van brood- en banketbakkerswaren.”

III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 18 maart 1981 hebben de heer Oebel, die als verdachte in het hoofdgeding terechtstaat, bijgestaan door R. Bechthold en Ch. Moench, advocaten te Stuttgart, de Duitse regering, vertegenwoordigd door A. Deringer, advocaat te Keulen, en de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wägenbaur, mondelinge opmerkingen gemaakt en door het Hof gestelde vragen beantwoord.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 27 mei 1981 zijn conclusie genomen.

In rechte

1 Bij beschikking van 22 april 1980, ingekomen op 2 juli 1980, heeft het Amtsgericht Wiesbaden ten einde te kunnen beoordelen of een nationale regeling inzake de nachtarbeid in brood- en banketbakkerijen zich met het gemeenschapsrecht verdraagt, het Hof krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld inzake de uitlegging van de artikelen 7, 30 en 34 van het EEG-Verdrag.

2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een strafzaak betreffende overtreding van artikel 5 van de Duitse wet inzake de werktijden in brood- en banketbakkerijen (Gesetz über die Arbeitszeit in Bäckereien und Konditoreien), zoals op 23 juli 1969 gewijzigd.

3 Artikel 5, lid 1, van die wet houdt in hoofdzaak het verbod in om, behoudens in bepaalde uitzonderingsgevallen, op werkdagen tussen 22 uur en 4 uur des nachts brood- en banketwaren te vervaardigen. Volgens artikel 5, lid 5, mogen er tussen 22 uur en 5 uur 45 des nachts geen brood- of banketwaren worden vervoerd, teneinde bij verbruikers of winkels te worden afgegeven, bezorgd of rondgebracht. De Duitse regering is van mening dat dit verbod geen betrekking heeft op het vervoer en de aflevering aan groothandelaren, tussenhandelaren, zoals broodhandelaren, en wederverkopers van brood- en banketwaren of tot de onderneming behorende opslagplaatsen.

4 Volgens de door partijen, en wel met name door de Duitse regering, gemaakte opmerkingen is de omstreden wettelijke regeling er allereerst op gericht de werknemers in kleine en middelgrote brood- en banketbakkerijen die niet beschikken over zoveel personeel dat er een ploegendienst kan worden ingesteld, tegen permanente en mogelijkerwijs voor hun gezondheid schadelijke nachtarbeid in bescherming te nemen. Door het verbod ook te doen gelden voor de tot deze sector behorende grote ondernemingen, die wèl tot organisatie van een ploegendienst in staat zijn, zou men de ambachtelijke ondernemingen tegen de industriële mededinging willen beschermen.

5 Op grond van zijn oordeel dat deze wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht onverenigbaar kan blijken te zijn voor zover zij er toe leidt dat er in de aan de Bondsrepubliek Duitsland grenzende Lid-Staten niet tijdig verse brood- en banketbakkerswaren kunnen worden bezorgd, waardoor de mededinging binnen de Gemeenschap zou worden ontwricht, heeft het Amtsgericht Wiesbaden de navolgende vragen gesteld:

  1. „Dient artikel 7 EEG-Verdrag ook aldus te worden uitgelegd, dat inbreuk wordt gemaakt op het discriminatieverbod, wanneer een Lid-Staat van de Gemeenschap door middel van een wettelijke bepaling een situatie schept die de concurrentiepositie van eigen onderdanen ten opzichte van vergelijkbare onderdanen van de overige Lid-Staten aanzienlijk beïnvloedt?

  2. Moeten de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat de gevolgen van § 5 van de wet inzake werktijden in bakkerijen, ten aanzien van in- en uitvoer van verse bakkerswaren dienen te worden beschouwd als maatregelen die op één lijn zijn te stellen met een kwantitatieve in- of uitvoerbeperking?”

De eerste vraag

6 Blijkens de redengeving van de verwijzingsbeschikking gaat het er in de eerste vraag om of een regeling van een Lid-Staat welke in bepaalde grensgebieden van andere Lid-Staten zonder vergelijkbare regeling de mededinging ten nadele van op het grondgebied van eerstgenoemde staat gevestigde ondernemers ontwricht, als discriminerend in de zin van artikel 7 van het Verdrag is te beschouwen.

7 Zoals het Hof meermalen, laatstelijk in het op 30 november 1978 in de zaak Bussone (31/78, Jurispr. blz. 2445) gewezen arrest, heeft overwogen, wordt het discriminatieverbod van artikel 7 niet geschonden door een regeling die niet op grond van de nationaliteit der ondernemers, maar vanwege de plaats van vestiging hunner bedrijven toepassing vindt.

8 Daaruit volgt dat een nationale regeling welke tussen betrokkenen niet rechtstreeks of indirect naar nationaliteit onderscheidt, niet met artikel 7 in strijd komt, ook al mocht zij de concurrentiepositie der betrokken ondernemers aantasten.

9 Voorts mag, naar het Hof in zijn op 3 juli 1979 gewezen arrest-van Dam (185-204/78, Jurispr. blz. 2361) heeft overwogen, de toepassing van een nationale wettelijke regeling niet met het discriminatieverbod in strijd worden geacht op de enkele grond dat andere Lid-Staten minder rigoureuze bepalingen zouden toepassen.

10 In antwoord op de eerste vraag, de uitlegging van artikel 7 van het EEG-Verdrag betreffende, dient derhalve te worden uitgesproken dat in die bepaling alleen discriminatie naar de nationaliteit der ondernemers wordt verboden. Artikel 7 wordt derhalve zelfs niet geschonden wanneer een Lid-Staat door een wettelijke bepaling die niet rechtstreeks of indirect naar de nationaliteit der betrokkenen onderscheidt, een situatie in het leven roept die de concurrentiepositie van op zijn grondgebied gevestigde ondernemers, vergeleken met die van in andere Lid-Staten gevestigde ondernemers, aantast.

De tweede vraag

11 In de tweede plaats wenst de nationale rechter te weten of een nationale wettelijke regeling inzake de werktijden in brood- en banketbakkerijen, zoals de onderhavige Duitse wet, wat haar gevolgen voor de in- en uitvoer van verse bakkerswaren betreft, is te beschouwen als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve in- of uitvoerbeperking in de zin van de artikelen 30 en 34 van het Verdrag.

De beperking, aan de vervaardiging der waren gesteld

12 Het voor de brood- en banketbakkerijsector geldende verbod van fabricage vóór vier uur des morgens is op zichzelf onmiskenbaar te beschouwen als de neerslag van een rechtmatige sociaal-economische beleidskeuze, die in de lijn ligt, van de in het Verdrag nagestreefde doelstellingen van algemeen belang: het is gericht op een verbetering van de arbeidsvoorwaarden in een kennelijk gevoelige sector waar de produktie, om redenen die zowel met de kwaliteit der produkten als met de gewoonten van de consument verband houden, bijzondere trekken vertoont.

13 Een en ander verklaart dat verschillende Lid-Staten van de Gemeenschap, alsook een aantal derde staten, aanleiding hebben gevonden voor de vervaardiging van bakkerswaren in de nachtelijke uren vergelijkbare regelingen te treffen. In verband hiermede zij met name herinnerd aan Verdrag nr. 20 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de nachtarbeid in bakkerijen dat, behoudens in uitzonderingsgevallen, het vervaardigen van brood en banket e.d. tijdens de nachturen verbiedt.

14 Verdachte heeft betoogd dat het verbod, gesteld op de vervaardiging van brood- en banketbakkerswaren vóór vier uur des ochtends als een in artikel 34 van het Verdrag verboden belemmering van de uitvoer is te beschouwen. Dit zou met name gelden voor produkten die, met het oog op het ontbijt, vroegtijdig in verse toestand moeten worden afgeleverd en daarom in de nacht die onmiddellijk aan de dag van verkoop voorafgaat, moeten worden vervaardigd.

15 Naar het Hof evenwel reeds heeft overwogen in zijn op 8 november 1979 gewezen arrest-Groenveld (15/79, Jurispr. blz. 3409), betreft artikel 34 nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer tot doel of gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een Lid-Staat leiden, waardoor aan de nationale produktie of de binnenlandse markt van de betrokken Lid-Staat een bijzonder voordeel wordt verzekerd.

16 Dit geldt kennelijk niet voor een — in het kader van het sociaal-economisch beleid vastgestelde — regeling als de onderhavige, voor welker toepasselijkheid objectieve criteria gelden die van toepassing zijn op alle tot een bepaalde sector behorende en op het nationale grondgebied gevestigde ondernemingen, terwijl er in geen enkel opzicht naar de nationaliteit der ondernemers wordt gedifferentieerd en er tussen de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van de betrokken Lid-Staat niet wordt onderscheiden.

De beperking, aan het vervoer en de aflevering gesteld

17 Verdachte maakt ook bezwaar tegen het — met de voor de nationale rechter aangevochten regeling betreffende de nachtelijke bakkersarbeid samenhangende — verbod op het vervoer en de aflevering van brood- en banketwaren aan verbruikers en winkels voor 5.45 uur des morgens gesteld: in dit verbod zouden maatregelen van gelijke werking als invoer- èn uitvoerbeperkinge.n besloten liggen, immers het zou enerzijds in andere Lid-Staten gevestigde fabrikanten beletten aan verbruikers en winkels in de Bondsrepubliek Duitsland tijdig banketwaren af te leveren en anderzijds in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde fabrikanten verhinderen tijdig aan andere Lid-Staten te leveren.

18 Volgens de Duitse regering is het op het vervoer en de aflevering vóór 5.45 uur des morgens gestelde verbod er alleen op gericht de eerbiediging van het verbod van nachtelijke bakkersarbeid te verzekeren; de overheid zou anders op die naleving geen doeltreffend toezicht kunnen uitoefenen. Noodzakelijkerwijze zou men het verbod ook hebben moeten doen gelden voor produkten van herkomst uit andere Lid-Staten, omdat anders op het Duitse grondgebied gevestigde producenten — in strijd met het gelijkheidsbeginsel — bij de buitenlandse concurrentie ten achter zou worden gesteld. Door produkten van herkomst uit andere Lid-Staten aan het verbod te doen ontkomen, zou men dan ook niet alleen niet langer in staat zijn hetzelfde verbod voor nationale produkten te handhaven, doch ook de naleving van de regeling inzake de werktijden niet langer kunnen verzekeren.

19 In zoverre zij vastgesteld dat bij een beoordeling van de restrictieve werking van een regeling inzake de tijden, bij het vervoer en de aflevering van brood-en banketwaren in acht te nemen, die een aanvulling inhoudt van de regeling inzake de tijden waaraan men zich bij de vervaardiging dier produkten heeft te houden, het toepassingsgebied der regeling in aanmerking moet worden genomen.

20 Wordt alleen het vervoer ter aflevering aan individuele afnemers en detaillisten geregeld en het vervoer en de aflevering aan opslagplaatsen en tussenhandelaren ongemoeid gelaten, dan kan zulk een regeling niet tot beperking van in- en uitvoer tussen Lid-Staten leiden. De intracommunautaire handel blijft dan ten allen tijde mogelijk, zolang er, wat betreft de aflevering aan verbruikers en detaillisten, aan alle producenten, waar òok gevestigd, dezelfde beperkingen worden gesteld. Zulk een regeling is met de artikelen 30 en 34 van het Verdrag niet in strijd.

21 De tweede vraag dient derhalve in die zin te worden beantwoord dat de artikelen 30 en 34 van het EEG-Verdrag niet in de weg staan aan een nationale regeling waarbij wordt verboden des morgens voor een bepaald uur brood- en banketwaren te vervaardigen en die produkten naar individuele verbruikers en kleinhandelszaken te vervoeren en aldaar af te leveren.

De kosten

22 De kosten, door de Duitse regering, de Franse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Waar de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een voor de nationale rechter gerezen incident is te beschouwen, heeft laatstgenoemde inzake de kosten te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de vragen, door het Amtsgericht Wiesbaden bij beschikking van 22 april 1980 gesteld, verklaart voor recht:

  1. Artikel 7 van het EEG-Verdrag is in die zin te verstaan dat het alleen discriminatie naar de nationaliteit der ondernemers verbiedt. Artikel 7 wordt derhalve zelfs niet geschonden wanneer een Lid-Staat door een wettelijke bepaling die niet rechtstreeks of indirect naar de nationaliteit der betrokkenen onderscheidt, een situatie in het leven roept die de concurrentiepositie van op zijn grondgebied gevestigde ondernemers, vergeleken met die van in andere Lid-Staten gevestigde ondernemers, aantast.

  2. De artikelen 30 en 34 van het EEG-Verdrag staan niet in de weg aan een nationale regeling waarbij wordt verboden des morgens voor een bepaald uur brood- en banketwaren te vervaardigen en die produkten naar individuele verbruikers en kleinhandelszaken te vervoeren en aldaar af te leveren.

Mertens de Wilmars

Mackenzie Stuart

Koopmans

O'Keeffe

Bosco

Touffait

Due

Everling

Chloros

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 juli 1981.

De griffier

A. Van Houtte

De president

J. Mertens de Wilmars