Home

Arrest van het Hof van 2 februari 1982.

Arrest van het Hof van 2 februari 1982.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
2 februari 1982

Uitspraak

ARREST VAN 2-2-1982 — ZAAK 72/81 COMMISSIE / BELGIË

In zaak 72/81,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R.-C. Béraud als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te-Luxemburg bij O. Montalto, lid van de juridische dienst van de Commissie, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,

verzoekster, tegen

Koninkrijk Belgie, te dezen vertegenwoordigd door R. Hoebaer, directeur bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade,

verweerder,

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: J. Mertens de Wilmars, president, G. Bosco, Α. Touffait en O. Due, kamerpresidenten, P. Pescatore, Mackenzie Stuart, Α. O'Keeffe, T. Koopmans, U. Everling, A. Chloros en F. Grévisse, rechters,

advocaat-generaal: F. Capotorti

griffier: A. Van Houtte

het navolgende

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de conclusies, de middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

I — Feiten en procesverloop

Richtlijn nr. 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 beoogt op communautair vlak een controle van het zwemwater in te stellen. Zij heeft betrekking op zoete wateren en zeewater, waarin het baden door de bevoegde instanties van elke Lid-Staat uitdrukkelijk is toegestaan, dan wel niet is verboden en gewoonlijk wordt beoefend, met uitzondering van water bestemd voor therapeutisch gebruik en het water van zwembaden.

Volgens artikel 12 doen de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om binnen een termijn van twee jaar volgende op de kennisgeving ervan aan de richtlijn te voldoen. Daar het Koninkrijk België op 10 december 1975 van de richtlijn was kennis gegeven, verstreek deze termijn op 10 december 1977.

De Commissie stelde vast dat de bepalingen tot aanpassing van het nationale recht op bovengenoemde datum niet waren vastgesteld en dat zij in elk geval geen enkele officiële mededeling ter zake had ontvangen; daarop leidde zij tegen het Koninkrijk België de niet-nakomingsprocedure van artikel 169 EEG-Verdrag in.

Bij brief van 9 januari 1979 stelde zij de Belgische regering overeenkomstig artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag, in de gelegenheid haar opmerkingen te maken.

Bij brief van 13 juli 1979 stelde de Belgische regering de Commissie ervan in kennis dat de bestaande wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen het thans reeds mogelijk maakten, sommige bepalingen van de richtlijn toe te passen, doch dat de volledige uitvoering ervan op moeilijkheden stuitte door de nog steeds bestaande onzekerheid over de precieze omvang van de overdracht van de bevoegdheden na de hervorming van de instellingen alsmede door de aanzienlijke, door het Parlement opgelopen achterstand.

Op 23 juli 1979 bracht de Commissie het in artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag, bedoelde met redenen omklede advies uit, en nodigde zij de Belgische regering uit binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen vast te stellen om dat advies op te volgen.

In haar brief van 14 november 1979 antwoordde de Belgische regering dat België deze richtlijnen weliswaar tot op heden nog niet in zijn wetsteksten had geïntegreerd, doch dat dit verzuim een indirect gevolg is van de fundamentele hervorming van de instellingen die in België werd doorgevoerd en verzocht zij om een aanvullende termijn van een jaar.

Omdat de Commissie vaststelde dat de nationale bepalingen betreffende de toepassing van de richtlijn ruim een jaar na de datum van deze brief nog niet waren vastgesteld en zij van de Belgische overheid geen enkele mededeling ter zake meer had ontvangen, heeft zij op 6 april 1981 het onderhavige beroep ingesteld.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft de Commissie evenwel verzocht ter terechtzitting te verklaren, in hoeverre de richtlijn in de andere Lid-Staten is uitgevoerd.

II — Conclusies van partijen

De Commissie concludeert dat het den Hove behage:

  1. vast te stellen dat het Koninkrijk België door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn nr. 76/160 van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater, een krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen;

  2. het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.

Het Koninkrijk België heeft niet formeel geconcludeerd.

III — Middelen en argumenten van partijen

De Commissie betoogt dat volgens een vaste rechtspraak van het Hof een Lid-Staat zich ter rechtvaardiging van de niet-toepassing van een richtlijn niet ten exceptieve kan beroepen op bepalingen, praktijken of situaties van zijn interne rechtsorde. Het is dus uitgesloten dat de naleving van verdragsbepalingen of bepalingen van afgeleid recht afhankelijk kan worden gesteld van moeilijkheden waarop een Lid-Staat in het geval als het onderhavige stuit ten gevolge van de wijziging in de verdeling van de bevoegdheden tussen de centrale overheid en de gewestelijke of plaatselijke gemeenschappen.

De Belgische regering merkt op dat met betrekking tot de onderhavige richtlijn reeds gedeeltelijke uitvoeringsmaatregelen zijn vastgesteld. De algehele uitvoering is vertraagd door de fundamentele hervorming van de instellingen van het land, die thans wordt doorgevoerd. Deze onvermijdelijke vertraging bij de toepassing van de gemeenschapsvoorschriften kan namelijk niet worden gescheiden van de constitutionele wijziging zelf. Derhalve zouden de gemeenschapsinstanties rekening dienen te houden met de uitzonderlijke situatie waarmee de Belgische regering wordt geconfronteerd.

IV — Mondelinge behandeling

Partijen zijn ter terechtzitting van 12 november 1981 in hun pleidooien gehoord.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 2 december 1981 conclusie genomen.

In rechte

1 Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het Hof op 6 april 1981, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht, vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de voorgeschreven termijn de nodige bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn nr. 76/160 van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater (PB L 31 van 1976, blz. 1), de krachtens artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2 Ingevolge artikel 12 van deze richtlijn moesten de Lid-Staten de nodige maatregelen in werking doen treden om binnen twee jaar vanaf de kennisgeving ervan, aan het daarin gestelde te voldoen; in casu verstreek die termijn op 10 december 1977.

3 De Belgische regering betwist niet dat zij niet aan deze verplichting heeft voldaan. Weliswaar heeft de regering het Hof verzocht „in aanmerking te nemen dat met betrekking tot de onderhavige richtlijn reeds gedeeltelijke uitvoeringsmaatregelen zijn vastgesteld”, uit haar latere verklaringen blijkt echter, dat de door haar vastgestelde maatregelen niet tot doel hebben uitvoering te geven aan's Raads richtlijn nr. 76/160.

4 In wezen beroept de Belgische regering zich ter rechtvaardiging van haar verzuim op de omstandigheid dat ingrijpende institutionele hervormingen plaatsvinden, waarbij onder meer op het door de onderhavige richtlijn bestreken gebied de bevoegdheden en taken tussen de nationale en gewestelijke organen worden verdeeld. Zolang de nieuwe instellingen nog niet in staat zijn hun bevoegdheden uit te oefenen, zou de richtlijn niet kunnen worden uitgevoerd.

5 Ofschoon deze omstandigheden de moeilijkheden bij de toepassing van de richtlijn kunnen verklaren, kunnen zij het aan het Koninkrijk België verweten verzuim niet ongedaan maken. Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat een Lid-Staat zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit communautaire richtlijnen voortvloeiende verplichtingen niet ten exceptieve op bepalingen, praktijken of situaties van zijn nationale rechtsorde kan beroepen.

6 Verder dient erop te worden gewezen, dat de Belgische minister van Volksgezondheid en Leefmilieu, in antwoord op de toezending van het in artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag bedoelde met redenen omklede advies de Commissie op 14 november 1979 heeft gevraagd rekening te houden met de door zijn regering ingeroepen uitzonderlijke situatie en het Koninkrijk België een aanvullende termijn van een jaar te gunnen voor de vaststelling van de voor de uitvoering van de richtlijn noodzakelijke nationale maatregelen die in december 1977 in werking, hadden moeten treden, en dat de Commissie in feite de zaak eerst op 6 april 1981, krachtens artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag bij het Hof aanhangig heeft gemaakt.

7 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door niet binnen de voorgeschreven termijn de nodige bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn nr. 76/160 van de Raad van 8 december 1975, de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

8 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verstaat:

  1. Door niet binnen de voorgeschreven termijn de nodige bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn nr. 76/160 van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater (PB L 31 van 1976, blz. 1), is het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

  2. Verweerder wordt verwezen in de kosten van het geding.

Mertens de Wilmars

Bosco

Touffait

Due

Pescatore

Mackenzie Smart

O'Keeffe

Koopmans

Everling

Chloros

Grévisse

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 februari 1982.

De griffier

A. Van Houtte

De waarnemend president

G. Bosco

president van de Eerste kamer