Arrest van het Hof van 23 maart 1982.
Arrest van het Hof van 23 maart 1982.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 23 maart 1982
Uitspraak
In zaak 102/81,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van W. Richter, president van het Hanseatische Oberlandesgericht Bremen, in zijn hoedanigheid van arbiter in het geschil tussen
„Nordsee” Deutsche Hochseefischerei GmbH, te Bremerhaven,
en1. Reederei Mond Hochseefischerei Nordstern AG & Co. KG, te Bremerhaven,
2. Reederei Friedrich Busse Hochseefischerei Nordstern AG & Co. KG, te Bremerhaven,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. Bosco, president van de Eerste kamer, waarnemend president, A. Touffait en O. Due, kamerpresidenten, P. Pescatore, Mackenzie Stuart, A. O'Keeffe, T. Koopmans, U. Everling en A. Chloros, rechters,
advocaatgeneraal: G. Reischl
griffier: A. Van Houtte
het navolgende
ARREST
De feiten
De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
1. Drie Duitse rederijgroepen, Nordsee Deutsche Hochseefischerei GmbH (hierna: Nordsee), verzoekster in het bodemgeschil, Hochseefischerei Nordstern AG, waartoe de verweersters behoren, en de Hanseatische Hochseefischerei (Reederei Sohle) voerden een nieuwbouwprogramma van fabriekschepen (vriesschepen) uit. Dit in 1970 in uitvoering genomen programma leidde tot de bouw van dertien schepen, die tussen september 1972 en april 1974 in de vaart werden gebracht. Voor de bouw van al deze schepen werden door de Bondsregering leningen tot een gelijk bedrag en een rentesubsidie van 3 % voor bankkredieten verstrekt.
In 1972 dienden de ondernemingen aanvragen in om -financiële bijstand voor vier schepen in het kader van verordening nr. 17/64 van de Raad van 5 februari 1964 betreffende de voorwaarden voor het verlenen van bijstand door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (PB van 1964, blz. 586). Begin 1973 kregen zij kennis van verordening nr. 2722/72 van de Raad van 19 december 1972 betreffende de financiering door het Europees Oriëntatie-en Garantiefonds voor de Landbouw (hierna: EOGFL), afdeling Oriëntatie, van een omschakelingsactie in de sector kabeljauwvisserij (PB L 291 van 1972, blz. 30). Op grond van deze verordening dienden zij in het kader van dit bijzondere programma aanvragen in om bijstand voor nog eens vijf schepen.
De Commissie willigde uiteindelijk zes van deze negen aanvragen in, te weten voor elk van de drie rederijgroepen één op grond van verordening nr. 17/64 en één op grond van verordening nr. 2722/72. De andere aanvragen om bijstand werden ingetrokken dan wel afgewezen, ofschoon alle dertien schepen van hetzelfde type waren en tegelijkertijd waren besteld, gebouwd en in de vaart gebracht.
2. Na de indiening van de aanvragen voorjaar 1973, doch vóór de eerste beslissing van de Commissie, die in oktober 1973 afkwam, werd bij de rederijen bekend dat de communautaire middelen waarschijnlijk niet toereikend waren om aan alle aanvragen te voldoen. Bovendien wisten zij niet, volgens welke maatstaven bijstand door het EOGFL zou worden verleend. Onder deze omstandigheden sloten Nordsee, de groep-Söhle en de groep-Nordstern, op aandringen van de senator voor Nijverheid en Buitenlandse handel van Bremen, op 27 juni 1973 een overeenkomst volgens welke alle bijstand uit communautaire middelen intern tussen de partijen bij de overeenkomst zo zou worden verdeeld, dat aan ieder vriesschip één dertiende deel van de totale bijstand ten goede zou komen (zg. „poolovereenkomst”). Op dezelfde dag sloten zij een „aanvullende overeenkomst” volgens welke, ingeval van een volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de bijstand „wegens het bestaan en de uitvoering van de vorengenoemde overeenkomst”, een nieuwe compensatie zou moeten plaatsvinden „op basis van de niet terug te betalen bijstand en op de voet van de vorengenoemde overeenkomst”.
3. Tegen het einde van 1975 begonnen de autoriteiten van Bremen en de Bondsinstanties die van de gesloten overeenkomsten op de hoogte waren, te twijfelen aan de rechtmatigheid van de poolvorming. Kort daarna deelde Hochseefischerei Nordstern AG bij brief van 5 juli 1976 aan Nordsee mee, dat in het licht van de jongste rechtsontwikkeling de geldigheid van de poolovereenkomst twijfelachtig was.
Tijdens een gesprek met ambtenaren van de Commissie in Brussel in de tweede helft van 1976 brachten twee directieleden van Nordsee de vraag van de toelaatbaarheid van het poolen van bijstand ter sprake. De vertegenwoordigers van de Commissie antwoordden dat het poolen van bijstand niet kon worden aanvaard en dat in geval van pooling de Commissie zou trachten die niet volgens zijn bestemming bebruikte bijstand terug te vorderen.
Door tussenkomst van een ambtenaar van het Bondsministerie voor Voedselvoorziening, land- en bosbouw gaf de Commissie de wens te kennen een verklaring te ontvangen dat er geen pooling had plaatsgevonden. Namens Hanseatische Hochseefischerei (Rederei Sohle) en Nordsee gaf deze ambtenaar per telex van 25 november 1976 de Commissie de volgende verklaring :.
„Tussen onze rederijen heeft geen pooling van EOGFL-bijstand plaatsgevonden, en er bestaat daartoe ook geen verplichting. Voorts ligt het niet in de bedoeling in de toekomst een dergelijke pool te vormen, noch voor reeds verleende noch voor toekomstige bijstand.”
Toen een directielid van de groep-Nordstern bij deze ambtenaar van het Bondsministerie voor Voedselvoorziening, land- en bosbouw een pooling binnen de groep-Nordstern ter sprake bracht, werd hij op de genoemde verklaring gewezen en werd hem verzocht een gelijkluidende verklaring af te geven, hetgeen hij mondeling deed.
4. Verzoekster in het bodemgeschil, Nordsee, eist thans op grond van de poolovereenkomst van de beide rederijen van de groep-Nord s tern betaling van een naar hoogte onbetwist bedrag van DM 2 162 864 benevens 9,5 % rente vanaf 1 september 1975. Inderdaad heeft Nordsee zes schepen laten bouwen, de groep-Nordstern echter slechts drie. Volgens Nordsee is de poolovereenkomst noch met het Duitse noch met het gemeenschapsrecht in strijd; de overeenkomst zou rechtsgevolg hebben en de verklaringen van partijen over het niet-bestaan van een poolingafspraak zouden niet van belang zijn, omdat zij alleen waren afgegeven wegens ongegronde juridische twijfels van de bevoegde autoriteiten.
De verwerende partijen concluderen tot afwijzing van de eis. Zij menen dat de poolingafspraak naar Duits recht nietig is wegens strijd met het communautaire subsidierecht: de subsidies zouden projectgebonden zijn en niet mogen worden doorgegeven.
5. Aangezien de overeenkomst van 27 juni 1973 een arbitragebeding bevatte met uitsluiting van de gewone rechter, werd de vordering ingesteld voor de president van het Hanseatische Oberlandesgericht Bremen, W. Richter, in zijn hoedanigheid van arbiter. Deze was ingevolge de overeenkomst benoemd door de Kamer van Koophandel te Bremen, daar partijen het over de persoon van de arbiter niet eens hadden kunnen worden.
De arbiter heeft vastgesteld, enerzijds, dat de poolovereenkomst naar Duits recht niet nietig is, en anderzijds, dat het bestaan van de verplichting van de verwerende partijen een compensatie aan Nordsee te betalen, naar Duits recht alleen afhing van de vraag, of de verdeling van de EOGFL-bijstand een „onregelmatigheid” in de zin van het communautair subsidierecht is (artikel 22, lid 2, van verordening nr. 17/64; artikel 19, lid 1, van verordening nr. 2722/72; artikel 8 van verordening nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 over de financiering van het gemeenschappelijke landbouwbeleid, PB L 94 van 1970, blz. 13). Hij heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële uitspraak over de volgende vragen:
Is een Duits scheidsgerecht dat niet naar billijkheid, doch volgens de wet heeft te beslissen en welks beslissing tussen partijen dezelfde werking heeft als een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis (§ 1040 ZPO), krachtens artikel 177, lid 2, EEG-Verdrag bevoegd het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciële uitspraak te verzoeken?
Wanneer ontvangers van bijstand van de afdeling Oriëntatie van het EOGFL voor gelijksoortige projecten (nieuwbouw van fabriekschepen voor de visserij) na de aanvrage, doch vóór de bewilliging van de communautaire bijstand overeenkomen de na het in de vaart brengen en de betaling van de schepen toegekende bijstand onderling te verdelen (poolen) naar rato van het aantal van alle door hen gebouwde en in gebruik genomen gelijksoortige objecten, dus met inbegrip van alle gelijksoortige objecten waarvoor geen bijstand is ontvangen, en dan daadwerkelijk die bijstand volgens deze overeenkomst verdelen, is zulks dan een onregelmatigheid in de zin van het gemeenschapsrecht, inzonderheid van's Raads verordeningen nrs. 17/64/EEG van 5 februari 1964, 729/70 van 21 april 1970 en 2733/72 van 19 december 1972, die volledige of gedeeltelijke terugvordering van de bijstand ten gevolge heeft?”
De verwijzingsbeslissing van 22 april 1981 is ter griffie van het Hof ingeschreven op 27 april 1981.
6. De arbiter was van mening dat het Hof de eerste vraag nog niet heeft beslist. Blijkens het arrest van 30 juni 1966 (zaak 61/65, Vaassen-Goebbels, Jurispr. 1966, blz. 260) zouden niet alleen rechterlijke instanties die deel uitmaken van de betrokken nationale rechterlijke organisaties zijn te beschouwen als rechterlijke instanties in de zin van artikel 177, lid 2, EEG-Verdrag, maar ook instellingen die de wezenlijke kenmerken van een rechtscollege bezitten. Evenals advocaatgeneraal Gand in zijn conclusie in genoemde zaak 61/65, meent de arbiter dat het erop aankomt of een scheidsgerecht „gezien de in de verschillende Lid-Staten op het stuk der rechterlijke organisatie toepasselijke algemene beginselen, de gewone kenmerken vertoont van een lichaam, belast met de beslechting van geschillen”.
Aan deze voorwaarden wordt zijns inziens door het verwijzende scheidsgerecht voldaan:
-
het scheidsgerecht heeft niet naar billijkheid te beslissen, doch naar de regelen des rechts, en moet dus op grond van het nationale recht ook het primaire en secundaire recht der Europese Gemeenschappen van rechtswege in acht nemen,
-
de arbiter wordt weliswaar door partijen benoemd, doch hij is bij gebreke van overeenstemming tussen partijen door de van hen onafhankelijke Kamer van Koophandel te Bremen benoemd;.
-
de procedure heeft de vorm van een gerechtelijke procedure;
-
een arbitraal vonnis heeft ingevolge § 1040 ZPO tussen partijen de werking van een iņ kracht van gewijsde gegaan vonnis. Ook volgens de arbitrageovereenkomst van 27 juni 1973 (laatste alinea) is de beslissing van de arbiter definitief, met uitsluiting van beroep op de gewone rechter.
In tegenstelling tot een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de gewone Duitse rechter is voor de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis wel een uitvoerbaarverklaring door de gewone rechter vereist (§ 1042 ZPO) en kan het vonnis door deze worden vernietigd (§ 1041 ZPO); weigering van de uitvoerbaarverklaring of vernietiging van het arbitrale vonnis is echter slechts mogelijk op één van de zes in § 1041 ZPO limitatief opgesomde gronden. Deze verschillen kunnen volgens de arbiter evenwel geen reden zijn, het scheidsgerecht niet als een rechterlijke instantie te beschouwen, daar de vernietigingsgronden overeenkomen met de voorwaarden voor de heropening van een voor de gewone rechter definitief geëindigde procedure (§§ 579 en 580 ZPO) en daar verzoeken tot uitvoerbaarverklaring of vernietiging geen rechtsmiddelen zijn en zeker geen toetsing van de juiste rechtstoepassing mogelijk maken, zoals in cassatie het geval is, afgezien van het uitzonderlijke geval dat de onjuiste toepassing zo ernstig is, dat erkenning van het arbitrale vonnis in strijd met de openbare orde of de goede zeden zou zijn (§ 1041, lid 1, sub 2, ZPO).
Voorts acht de arbiter het in overeenstemming met doel en strekking van artikel 177 EEG-Verdrag zulk een scheidsgerecht de bevoegdheid toe te kennen om een prejudiciële uitspraak te verzoeken.
De prejudiciële procedure beoogt de eenheid van het Europees gemeenschapsrecht te waarborgen en de eenvormige toepassing ervan in alle Lid-Staten te verzekeren.
Terwijl volgens artikel 177, lid 3, sieches voor bepaalde rechterlijke instanties een verwijzingsplicht bestaat, biedt de bevoegdheid tot verwijzing volgens artikel 177, lid 2, de mogelijkheid reeds op een eerder tijdstip van de gerechtelijke procedure een eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht te bereiken. Daarom dient een volgens de regelen des rechts rechtsprekend scheidsgerecht de bevoegdheid tot verwijzing te worden toegekend, teneinde reeds tijdens de arbitrage, en niet pas in een procedure tot uitvoerbaarverklaring of vernietiging, de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht te waarborgen. Dit klemt temeer omdat wanneer er een arbitragebeding bestaat, een daarop gebaseerde exceptie voor de gewone rechter tot gevolg heeft dat de eisende partij in haar vordering niet ontvankelijk wordt verklaard (§ 1027a ZPO).
Daarbij komt, aldus de arbiter, dat voor zover een onjuiste rechtstoepassing geen inbreuk op de openbare orde of goede zeden inhoudt (§ 1041, lid 2, sub 2, ZPO), herstel ervan in een procedure tot uitvoerbaarverklaring of vernietiging niet mogelijk is. Zou aan scheidsgerechten niet de bevoegdheid tot verwijzing toekomen, dan zou juist op het voor de Europese Gemeenschappen belangrijke gebied van het handelsrecht de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht in gevaar komen, nog afgezien van het feit dat de vraag of een inbreuk op het gemeenschapsrecht zo ernstig is, dat de openbare orde of de goede zeden in het geding zijn, aan het oordeel van de gewone rechter is overgelaten en een onjuiste toepassing van het gemeenschapsrecht niet zonder meer op deze buitengewone gronden door de gewone rechter zal worden gecorrigeerd.
7. Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verweersters in het bodemgeschil, Reederei Mond Hochseefischerei Nordstern AG & Co. KG en Reederei Friedrich Busse Hochseefischerei Nordstern AG & Co. KG, vertegenwoordigd door Deringer, Tessin, Hermann en Sedemund, advocaten te Keulen; de regering van de Italiaanse Republiek, de Britse en de Deense regering, alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Campogrande, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door J. Grunwald, lid van de juridische dienst van de Commissie.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
1. De eerste vraag
Verweersters in het bodemgeschil menen dat de eerste vraag om de door de arbiter zelf genoemde redenen bevestigend moet worden beantwoord. Daaraan voegen zij nog toe, dat het niet met het beginsel van doelmatige procesvoering te rijmen zou zijn, wanneer de verwijzingsbevoegdheid werd beperkt tot de procedure tot erkenning van een arbitraal vonnis. Artikel 177, lid 2, EEG-Verdrag gaat uit van hetzelfde beginsel, wanneer het de op één na hoogste rechterlijke instanties de mogelijkheid biedt het Hof om een prejudiciële uitspraak te verzoeken. Dit beginsel pleit voor het toekennen van de verwijzingsbevoegdheid aan scheidsgerechten in de in de verwijzingsbeslissing bedoelde zin.
Verweersters stellen voor de eerste vraag te beantwoorden als volgt:
„Een scheidsgerecht dat in plaats van de gewone rechter heeft te beslissen en welks uitspraken naar nationaal recht dezelfde werking hebben als een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de gewone rechter, is ingevolge artikel 177, lid 2, EEG-Verdrag bevoegd het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciële uitspraak te verzoeken, indien het niet naar billijkheid kan beslissen, doch gehouden is alle terzake dienende rechtsregels toe te passen met inbegrip van het gemeenschapsrecht.”
De regering van het Verenigd Koninkrijk gaat in haar opmerkingen uit van de veronderstelling, dat het in de verwijzingsbeslissing genoemde „scheidsgerecht” de rechtspositie van een particuliere arbiter heeft en als zodanig functioneert, dat wil zeggen dat het bestaat uit personen die bij partijafspraak zijn aangewezen. Onder die omstandigheden oefent de arbiter zijn functie en zijn rechtsprekende bevoegdheid niet uit in naam van de staat en is hij dus geen orgaan van de staat. Overigens kan zulk een arbitrale procedure alleen betrekking hebben op een geschil waaromtrent partijen onderling een regeling naar eigen goeddunken hadden kunnen treffen indien zij tot overeenstemming hadden kunnen komen.
Volgens de Britse regering blijkt reeds uit de formulering van artikel 177 dat particuliere arbiters niet bevoegd zijn het Hof om een prejudiciële uitspraak te verzoeken. De formulering „rechterlijke instantie van een der Lid-Staten” onderstelt dat er tussen de betrokken rechterlijke instantie en het stelsel van rechtsbescherming van de Lid-Staat een nauw verband bestaat. Er moet dus sprake zijn van een officieel orgaan van de Lid-Staat en niet van een particulier orgaan ter beslechting van geschillen, dat op het grondgebied van een Lid-Staat zitting kan houden. Zou een arbiter bevoegd zijn, krachtens artikel 177 een vraag aan het Hof voor te leggen, dan zouden bovendien de doeleinden die partijen met het voorleggen van hun geschil aan een arbiter nastreven — een snelle en definitieve beslissing, een niet-openbare procedure —, moeilijker te verwezenlijken zijn.
Arbiters zijn gebonden aan de openbare orde van de rechtsorde waarin zij als arbiter optreden. Zo zijn hun beslissingen aan rechterlijke toetsing onderworpen, en in dit kader kunnen in voorkómend geval vragen van gemeenschapsrecht voor de nationale rechter, en uiteindelijk ingevolge artikel 177 voor het Hof, worden opgeworpen.
De toepassing van artikel 177 op scheidsgerechten brengt grote praktische moeilijkheden mee en heeft nadelige gevolgen voor de Gemeenschap. Een groot deel der in de Lid-Staten gevoerde arbitrageprocedures heeft betrekking op geschillen waarbij een of zelfs beide partijen geen onderdaan van een Lid-Staat zijn. Bovendien zijn de arbiters meestal geen juristen, maar personen met ervaring op het gebied waarop het geschil ligt, ofwel beroepsarbiters. Zij hebben grote moeite een probleem van gemeenschapsrecht als zodanig te herkennen.
Een praktisch probleem vormt voorts de vraag in welk land een arbitrageprocedure moet worden geacht zich af te spelen. Bij procedures met een internationaal karakter is het noodzakelijk te beslissen of het scheidsgerecht een rechterlijke instantie „van” de ene of van een andere Lid-Staat is, in het bijzonder indien volgens het arbitragebeding het scheidsgerecht vrij is zijn zetel te kiezen of zittingen houdt in meer dan één land, eventueel ook in een derde land.
Bovendien vindt een groot deel van de arbitrage in de handel en scheepvaart al naar de keuze van partijen plaats in belangrijke centra zoals Londen, Parijs, Frankfurt, Amsterdam, Genève, Zürich en New York. De omstandigheid'dat arbitrages in een der Lid-Staten van de Gemeenschap tot een prejudiciële procedure voor het Hof zouden kunnen leiden, kan tot gevolg hebben dat partijen een andere plaats kiezen, mogelijkerwijs buiten de Gemeenschap. Zulk een ontwikkeling zou de bijdrage die de rechtsstelsels van de Gemeenschap tegenwoordig aan de regeling van de internationale handel kunnen leveren op het spel zetten.
Op al deze gronden dient naar de mening van de Britse regering de eerste vraag aldus te worden beantwoord, dat een arbiter aan wie partijen uit vrije wil een geschil ter beslechting door arbitrage hebben voorgelegd, niet bevoegd is ingevolge artikel 177, lid 2, EEG-Verdrag het Hof om een prejudiciële uitspraak te verzoeken.
De Italiaanse regering verwijst naar het arrest van 30 juni 1966 in zaak 61/65 (Vaassen-Goebbels, reeds geciteerd). In het onderhavige geval heeft het scheidsgerecht een andere status, want het is geen vaste instelling en ontleent zijn bevoegdheid aan een contractueel beding.
De Italiaanse regering wijst erop, dat artikel 177 de bevoegdheid een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen, beperkt tot instellingen die een „rechterlijke instantie” zijn en geschillen beslechten door een beslissing die het karakter van een vonnis heeft. De beslissing van een arbiter mist de hoedanigheid van een overheidshandeling, zolang die hoedanigheid daaraan niet wordt toegekend door de opvolgende handeling van een met rechterlijk gezag beklede rechter.
De Deense regering maakt onderscheid tussen enerzijds de vaste scheidsgerechten die bij de wet zijn ingesteld en wier bevoegdheid en procedureregels aansluiten bij die van de gewone rechterlijke organisatie, en anderzijds andere scheidsgerechten, wier enige rechtsgrondslag een tussen partijen gemaakte afspraak is.
Alleen de eerste categorie scheidsgerechten is bevoegd het Hof zaken ter prejudiciële beslissing voor te leggen. Een scheidsgerecht kan namelijk slechts als een rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 worden beschouwd, indien het om een vaste instelling gaat, die derhalve in een onbepaald aantal procedures vermag te beslissen tussen partijen die dit scheidsgerecht niet zelf in het leven hebben geroepen.
Subsidiair betoogt de Deense regering dat men erop dient toe te zien, dat scheidsgerechten niet worden gebruikt om antwoorden van het Hof te verkrijgen die voor de beslissing van het eigenlijke geschil geen betekenis hebben.
Concluderend is de Deense regering van mening, dat de eerste vraag in casu ontkennend moet worden beantwoord, daar het betrokken scheidsgerecht geen vaste instelling is. Subsidiair meent de Deense regering dat het verzoek slechts dan inhoudelijk kan worden beoordeeld, wanneer het Hof vaststelt dat het scheidsgerecht de voor de rechtszekerheid vereiste waarborg biedt, en wanneer het Hof bovendien van oordeel is dat het scheidsgerecht, evenals de gewone rechter, zelfstandig heeft te onderzoeken of een verzoek om een prejudiciële beslissing vereist is ter beslechting van het eigenlijke aan hem voorgelegde geschil.
De Commissie geeft een overzicht van de argumenten die in de doctrine zijn ontwikkeld omtrent de kwestie van de bevoegdheid van een scheidsgerecht om zich krachtens artikel 177 EEG-Verdrag tot het Hof te wenden. De schrijvers die zodanige bevoegdheid niet aanvaarden, voeren het volgende aan :
-
een scheidsgerecht kan niet als een „rechterlijke instantie van een der Lid-Staten” in de zin van artikel 177, lid 2, EEG-Verdrag worden aangemerkt;
-
scheidsgerechten beslissen veelal naar billijkheid en zijn niet aan de regelen des rechts gebonden;
-
scheidsgerechten zijn niet gebonden aan uitspraken van het Hof krachtens artikel 177, lid 2, EEG-Verdrag, waardoor die uitspraken slechts het karakter hebben van juridisch advies;
-
de verwijzingsbevoegdheid is overbodig, omdat de gewone rechter zich nog in de loop van de procedure tot uitvoerbaarverklaring van het arbitrale vonnis tot het Hof kan wenden;
-
de toepassing van het gemeenschapsrecht in arbitrageprocedures is van „particuliere” aard en heeft geen betekenis voor de algemene ontwikkeling van het gemeenschapsrecht;
-
gelet op het feit dat arbitrale vonnissen niet vatbaar zijn voor beroep, zou erkenning van een verwijzingsbevoegdheid tegelijkertijd de invoering van een verwijzingsplicht inhouden.
Daartegenover beroepen de voorstanders van een verwijzingsbevoegdheid zich op de volgende argumenten:
-
de verwijzingsbevoegdheid is in het belang van een eenvormige uitlegging en toepassing van het gemeenschapsrecht op een belangrijk terrein van de rechtspleging;
-
ontkenning van de verwijzingsbevoegdheid bergt het gevaar in zich, dat scheidsgerechten regels van gemeenschapsrecht ontduiken of negeren;
-
er bestaat geen enkele objectieve reden de verwijzingsbevoegdheid aan arbiters te ontzeggen, wanneer deze gehouden zijn de regelen des rechts toe te passen;
-
Lid-Staten die met het gemeenschapsrecht strijdige arbitrale vonnissen tolereren, laden een volkenrechtelijke aansprakelijkheid voor dergelijke inbreuken op zich.
Gezien deze argumenten meent de Commissie dat de omstreden vraag moeilijk in het algemeen is te beantwoorden, daar het begrip scheidsgerecht niet scherp bepaald is, in het bijzonder omdat er tussen de praktijken en de wettelijke regels van de Lid-Staten verschillen bestaan. Het komt veeleer aan op de vraag, onder welke voorwaarden een geschillen beslechtende instantie als rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 kan worden aangemerkt.
Op basis hiervan onderzoekt de Commissie de in het Duitse recht voor scheidsgerechten geldende regeling (§§ 1025-1048 ZPO). Vergelijkt men de kenmerken van de Duitse arbitrageregeling met de maatstaven die het Hof in zaak 61/65 heeft aangegeven, dan valt op de wezenlijke punten overeenstemming te constateren.
Het betrokken scheidsgerecht immers
-
is volgens het nationale recht op regelmatige wijze samengesteld;
-
is in het nationale recht als geschillen beslechtende instantie voorzien;
-
is onderworpen aan in een rechtsstaat passende procedureregels;
-
dient naar de regelen des rechts te beslissen.
Daarentegen is niet voldaan aan de criteria dat de beslissingsbevoegdheid rechtstreeks van overheidswege is verleend, en dat het gerecht permanent is.
Het is evenwel, zo benadrukt de Commissie, de rechtsorde zelf die de arbitrage maakt tot een instelling met rechtsprekende bevoegdheid, welke door die rechtsorde is erkend en gemachtigd om met rechtsgevolg geschillen te beslechten (§ 1040 ZPO). Partijen creëren de arbitrage niet, doch bedienen zich ervan.
Niet van belang is het feit dat het concrete scheidsgerecht slechts kort bestaat. Beslissend is daarentegen, dat de arbitrage als zodanig een vaste instelling van rechtspraak is.
De Commissie is van mening dat artikel 177 aldus moet worden uitgelegd, dat als rechterlijke instantie zijn te beschouwen alle nationale instellingen die vonnissen wijzen. Dat is het geval bij een Duits scheidsgerecht, dat daarenboven gehouden is ook het gemeenschapsrecht toe te passen.
Concluderend geeft de Commissie in overweging de eerste vraag te beantwoorden als volgt:
„Een scheidsgerecht dat niet naar billijkheid, doch volgens de wet heeft te beslissen en welks beslissing tussen partijen dezelfde werking heeft als een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis (§ 1040 ZPO), is krachtens artikel 177, lid 2, EEG-Verdrag bevoegd het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciële uitspraak te verzoeken.”
2. De tweede vraag
Verweersters in het bodemgeschil betogen dat blijkens de bewoordingen en samenhang van de verordeningen nrs. 17/64 en 2722/72 de daar in de afdeling Oriëntatie voorziene bijstand geen sectorsgewijze subsidie is, die aan alle ondernemingen van een bepaalde tak van nijverheid zonder onderscheid wordt verleend. Deze bijstand wordt juist slechts selectief toegekend voor concrete, individuele investeringsprojecten die aan nauwkeurig omschreven formele, materiële en aanvullende technische voorwaarden moeten voldoen. Er is dan ook sprake van projectgebonden bijstand.
Zo is in beide verordeningen uitdrukkelijk bepaald dat de bijstand voor een „bepaald project” wordt verleend (vgl. de artikelen 18, 13 en 14 van verordening nr. 17/64 en de artikelen 12 en 13 van verordening nr. 2722/72). Bovendien wordt de bijstand door het Fonds alleen op aanvrage verleend (artikel 20 van verordening nr. 17/64; artikel 14 van verordening nr. 2722/72), en wel aan die begunstigde die de kosten „van het project” draagt (artikel 22, lid 1, van verordening nr. 17/64; artikel 13 van verordening nr. 2722/72).
Nog duidelijker blijkt uit de individuele beschikkingen van de Commissie terzake, dat de verleende bijstand projectgebonden is. In het dictum van deze beschikkingen is de naam vermeld van het fabriekschip waarvoor de verleende bijstand bestemd is.
Er is sprake van onttrekking aan de bestemming, wanneer de subsidieontvanger reeds vóór de bewilliging van de subsidie door de Commissie de verplichting op zich neemt de subsidie ten goede te laten komen aan andere ondernemingen, waarvoor zij volgens de beslissing van de Commissie juist niet bestemd is. Door zo'n handeling wordt de zin aan de selectief bedoelde subsidiëring ontnomen. Bovendien veranderen daardoor noodzakelijkerwijs de financiële voorwaarden, op grond waarvan de Commissie over de toekenning van de bijstand beslist, waardoor een wezenlijk element voor die beslissing vervalst wordt.
Hieruit blijkt, aldus verweersters, dat het project waarvoor bijstand is toegekend, onder deze omstandigheden niet „op de beoogde wijze” wordt uitgevoerd, hetgeen een onregelmatigheid in de zin van verordening nr. 729/70 oplevert.
Het begrip onregelmatigheid vooronderstelt niet dat bedrieglijke handelingen zijn gepleegd. Integendeel, iedere inbreuk op het gemeenschapsrecht vormt een onregelmatigheid die de financiering uit communautaire middelen uitsluit (arresten van 7 februari 1979, zaak 11/76, Nederland t. Commissie, gevoegde zaken 15 en 16/76, Frankrijk t. Commissie, en zaak 18/76, Duitsland t. Commissie, Jurispr. 1979, blz. 245, 321 en 343).
Concluderend geven de verweersters in overweging de tweede vraag te beantwoorden als volgt:
„Wanneer ontvangers van bijstand van de afdeling Oriëntatie van het EOGFL na de aanvrage, doch vóór de toekenning van die bijstand, overeenkomen de bijstand onderling te verdelen (poolen), zulks ook met betrekking tot objecten waarvoor in het geheel geen aanvrage is ingediend of de toekenning van bijstand door de Commissie is afgewezen, dan is dat een ‚onregelmatigheid’ in de zin van 's Raads verordeningen nrs. 729/70 van 21 april 1970, 17/64/EEG van 5 februari 1964 en 2722/72 van 19 december 1972. In geval van een dergelijke onregelmatigheid kan de Commissie haar bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke terugvordering van de verleende bijstand uitoefenen.”
De Italiaanse regering merkt op, dat een poolovereenkomst tot gevolg kan hebben, dat de communautaire bijstand ten goede komt aan personen die niet aan de in de communautaire verordeningen gestelde voorwaarden voldoen. De betrokken ondernemingen kunnen daardoor het in het kader van de Gemeenschap ingestelde verdelingssysteem verstoren. Dit systeem berust immers op de gedachte dat dergelijke bijstand wordt verleend teneinde bepaalde in het kader van de Gemeenschap vastgestelde doeleinden te bereiken: juist om die reden voorzien de communautaire bepalingen in passende voorwaarden en vereisten voor de verlening van die bijstand.
De Commissie merkt op, dat het de duidelijke bedoeling van partijen is, de verschillende beslissingen omtrent communautaire bijstand intern te herzien en de bijstand niet volgens de maatstaven van de Commissie, maar volgens de eigen inzichten van de partijen bij de overeenkomst te gebruiken.
Een dergelijke handelwijze is in strijd met het beslissingsmonopolie van de Commissie en met het beginsel dat subsidies overeenkomstig de aanvrage moeten worden gebruikt. Overeenkomstig de aanvragen moest de toegekende bijstand telkens onverdeeld voor de financiering van het desbetreffende project worden gebruikt. De poolovereenkomst daarentegen voorzag dat een naar grootte nog onbepaald deel van de bijstand aan derden zou worden doorgegeven ter bevordering van buiten de aanvragen staande projecten. Omdat de bijstandsaanvragen niet waren gewijzigd, heeft de Commissie de individuele beslissingen tot verlening van bijstand genomen op basis van die aanvragen.
De beoogde doelstelling, te weten een ruimere spreiding van de voor bijstand beschikbare middelen, had via de aanvraag moeten worden nagestreefd.
Ingevolge artikel 22, lid 2, van verordening nr. 17/64 en artikel 19, lid 1, van verordening nr. 2722/72 is de Commissie bevoegd een terugvorderingsprocedure te beginnen met betrekking tot de tussen partijen gedane compensatiebetalingen.
Concluderend geeft de Commissie in overweging de tweede vraag te beantwoorden als volgt:
„Het is onverenigbaar met het communautaire subsidierecht en in het bijzonder met de verordeningen nrs. 17/64 en 2722/72, wanneer ontvangers van bijstand van de afdeling Oriëntatie van het EOGFL voor gelijksoortige projecten (de bouw van fabriekschepen) na de aanvrage, doch vóór de toekenning van communautaire bijstand, overeenkomen de na het in de vaart brengen en de betaling van de schepen toegekende bijstand onderling te verdelen (poolen) naar rato van het aantal van alle door hen gebouwde en in gebruik genomen gelijksoortige objecten, dus met inbegrip van de niet gesubsidieerde, doch wel gelijksoortige objecten.”
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 1 december 1981 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door Nordsee Deutsche Hochseefischerei GmbH, verzoekster in het bodemgeschil, vertegenwoordigd door prof. K. Redeker; Mond Hochseefischerei Nordstern AG & Co. KG en Busse Hochseefischerei Nordstern AG & Co. KG, verweersters in het bodemgeschil, vertegenwoordigd door J. Sedemund, advocaat; de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door P. G. Ferri als gemachtigde; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Boyd, Q. C., als gemachtigde; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Grunwald, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.
Ter terechtzitting heeft Nordsee opmerkingen gemaakt over de tweede vraag.
Zij wees erop, dat alle betrokken schepen in oktober 1973 in de vaart gebracht en betaald waren. De litigieuze overeenkomst is op 27 juni 1973 gesloten; er waren toen al tien schepen in de vaart en drie andere waren bijna gereed. Daaruit blijkt dat men op dat moment reeds wist dat de subsidie pas zou afkomen op een tijdstip waarop alle schepen al waren gebouwd, in de vaart gebracht en betaald.
Er is daarom in dit geval geen sprake van een subsidie die beoogt de ontvanger aan te moedigen iets in het algemeen belang te doen, maar van een bijstand, een aanvullende betaling, die de onderneming ontvangt en die niet de aan een subsidie eigen functie heeft. De uitkeringen van de Commissie aan de ondernemingen vormen dus een geldelijke prestatie die niet meer projectgebonden kan zijn, daar zij in feite geen onderdeel waren van de financiering van het afzonderlijke project, dat reeds voltooid was. Deze situatie is trouwens uitdrukkelijk voorzien in artikel 21 juncto artikel 1, lid 3, sub b, van verordening nr. 2722/72.
Het beslissingsmonopolie van de Commissie eindigt bij de uitbetaling en de voltooiing van het project, aangezien het doel van de subsidie reeds is bereikt.
De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 2 februari 1982 conclusie genomen.
In rechte
1 De arbiter in een arbitrageprocedure tussen drie in Bremerhaven gevestigde vennootschappen naar Duits recht heeft bij beslissing van 22 april 1981, ingekomen ten Hove op 27 april 1981, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 177 EEG-Verdrag en de verordeningen van de Raad nrs. 17/64 van 5 februari 1964 (PB 1964, blz. 586), 729/70 van 21 april 1970 (PB L 94 van 1970, blz. 13) en 2722/72 van 19 december 1972 (PB L 291 van 1972, blz 30); deze verordeningen hebben alle betrekking op bijstand van de afdeling Oriëntatie van het Europese Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (hierna: EOGFL).
2 Het bodemgeschil betreft de nakoming van een op 27 juni 1973 tussen enige Duitse rederijen gesloten overeenkomst. Deze overeenkomst had in het kader van een gezamenlijk bouwprogramma van dertien fabriekschepen ten doel alle bijstand die de contractspartijen van het EOGFL zouden ontvangen, onderling aldus te verdelen, dar één dertiende deel van het totale bedrag aan toegekende bijstand aan de bouw van elk schip ten goede zou komen. Tevoren hadden partijen in onderling overleg bij het EOGFL aanvragen ingediend om bijstand voor de bouw van negen schepen.
3 De Commissie willigde uiteindelijk slechts zes van deze aanvragen in; de overige aanvragen werden hetzij afgewezen hetzij ingetrokken. Een van de aan het bouwprogramma deelnemende ondernemingen eiste van de twee betaling van de haar uit hoofde van de overeenkomst van 27 juni 1973 toekomende bedragen.
4 Hierover onstond een geschil, dat aan een scheidsgerecht is voorgelegd. De overeenkomst van 1973 bevatte namelijk het beding dat, zo partijen niet tot overeenstemming konden komen over de uit de overeenkomst onstane kwesties, een arbiter met uitsluiting van de gewone rechter daarover definitief zou beslissen. Toen de partijen bij het geschil het niet eens bleken te kunnen worden over de persoon van de arbiter, werd deze overeenkomstig dit beding aangewezen door de Kamer van Koophandel te Bremen.
5 Tijdens de procedure voor de arbiter stelden verweersters, dat de overeenkomst van 1973 ongeldig was voor zover zij ertoe strekte de bouw van schepen waarvoor de Commissie geen bijstand van het EOGFL had toegekend, toch daarvan te laten profiteren. Volgens verweersters is de bijstand van het EOGFL aan de uitvoering van een bepaald project gebonden en kan hij derhalve niet rechtsgeldig door de ontvanger naar een ander project worden overgeheveld.
6 De arbiter is van mening dat de geldigheid van de contractuele verdeling van de bijstand van het EOGFL naar Duits recht afhangt van de vraag, of een dergelijke verdeling een onregelmatigheid in de zin van de desbetreffende gemeenschapsverordeningen is. Omdat hij een beslissing over deze vraag noodzakelijk acht om uitspraak te kunnen doen, heeft hij zich tot het Hof gewend.
De toepasselijkheid van artikel 177
7 Het scheidsgerecht dat zich tot het Hof heeft gewend, is ingesteld ingevolge een tussen particulieren gesloten overeenkomst. Derhalve moet eerst worden onderzocht of het als een rechterlijke instantie van een der Lid-Staten in de zin van artikel 177 EEG-Verdrag is te beschouwen.
8 De eerste prejudiciële vraag van de arbiter betreft dit probleem. Zij luidt:
„Is een Duits scheidsgerecht dat niet naar billijkheid, doch volgens de wet heeft te beslissen en welks beslissing tussen partijen dezelfde werking heeft als een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis (§ 1040 ZPO), krachtens artikel 177, lid 2, EEG-Verdrag bevoegd het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciële uitspraak te verzoeken?”
9 Hieromtrent moet worden opgemerkt dat, zoals de vraag overigens aanduidt, de bevoegdheid van het Hof om over de gestelde vragen uitspraak te doen, afhangt van de bijzondere kenmerken van de arbitrageprocedure waarover het in casu gaat.
10 Het is juist dat het fungeren van het onderhavige scheidsgerecht, zoals de arbiter in zijn vraag heeft aangegeven, in zoverre een zekere gelijkenis vertoont met de rechterlijke werkzaamheid, dat de arbitrageprocedure wettelijk is geregeld, de arbiter naar de regelen des rechts heeft te beslissen, en zijn beslissing tussen partijen de werking van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis heeft en een voor tenuitvoerlegging vatbare titel kan opleveren wanneer zij uitvoerbaar wordt verklaard. Deze kenmerken volstaan echter niet om de arbiter de status van „rechterlijke instantie van een der Lid-Staten” in de zin van artikel 1 77 EEG-Verdrag te verlenen.
11 In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat het de contractspartijen bij het sluiten van de overeenkomst in 1973 vrijstond, de beslechting van eventueel rijzende geschillen aan de gewone rechter over te laten dan wel de weg van de arbitrage te kiezen door een desbetreffend beding in hun overeenkomst op te nemen. Blijkens de omstandigheden bestond er voor de contractspartijen rechtens noch feitelijk een verplichting hun geschillen aan een scheidsgerecht voor te leggen.
12 In de tweede plaats dient te worden geconstateerd, dat de Duitse overheid bij d'e beslissing om de weg van de arbitrage te kiezen, niet was betrokken en niet de mogelijkheid heeft ambtshalve in te grijpen in het verloop van de procedure voor de arbiter. Als Lid-Staat van de Gemeenschap, de ingevolge de artikelen 5 en 169-171 EEG-Verdrag voor de nakoming van de uit het gemeenschapsrecht voorvloeiende verplichtingen op zijn grondgebied verantwoordelijk is, heeft de Bondsrepubliek Duitsland de zorg dat deze verplichtingen op het in casu betrokken gebied worden nageleefd, niet aan particuliere personen opgedragen of overgelaten.
13 Uit het voorgaande volgt, dat tussen de onderhavige arbitrage en het algemene stelsel van rechtsbescherming in de betrokken Lid-Staat niet een voldoende nauwe band bestaat om de arbiter als „rechterlijke instantie van een der Lid-Staten” in de zin van artikel 177 te kunnen aanmerken.
14 Gelijk het Hof in zijn arrest van 6 oktober 1981 (Broekmeulen, 246/80, Jurispr. 1981, blz. 2311) overwoog, moet het gemeenschapsrecht op het grondgebied van alle Lid-Staten volledig worden nageleefd; het staat partijen bij een overeenkomst dus niet vrij daarvan af te wijken. Vanuit dit gezichtspunt zij erop gewezen dat, wanneer in een op partijafspraak berustende arbitrage vragen van gemeenschapsrecht rijzen, deze vragen eventueel door de gewone recher kunnen worden onderzocht, hetzij in het kader van de assistentie die hij de scheidsgerechten verleent, in het bijzonder door deze bij bepaalde proceshandelingen te ondersteunen of door het geldende recht uit te leggen, hetzij in het kader van de — al naar de omstandigheid van het geval meer of minder uitgebreide — toetsing van het arbitrale vonnis, waartoe de gewone rechter geroepen is in geval van hoger beroep, verzet, uitvoerbaarverklaring of van enig ander rechtsmiddel dat volgens het toepasselijke nationale recht openstaat.
15 Het staat aan deze nationale rechter, na te gaan of hij krachtens artikel 177 het Hof moet verzoeken om uitlegging van of een oordeel over de geldigheid van bepalingen van gemeenschapsrecht, die hij eventueel bij het verrichten van die ondersteunende en toetsende taken moet toepassen.
16 Het Hof is mitsdien in het onderhavige geval niet bevoegd uitspraak te doen.
Kosten
17 De kosten door de regering van het Koninkrijk Denemarken, de regering van de Italiaanse Republiek, de regering van het Verenigd Koninkrijk en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het bodemgeschil is de procedure als een voor het scheidsgerecht gerezen incident te beschouwen, zodat het scheidsgerecht over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de vragen, bij beslissing van 22 april 1981 gesteld door de arbiter in het geschil tussen enerzijds Nordsee Deutsche Hochseefischerei GmbH en anderzijds Reederei Mond Hochseefischerei Nordstern AG & Go. KG en Reederei Friedrich Busse Hochseefischerei Nordstern AG & Co. KG, verklaart voor recht:
Het Hof is niet bevoegd op de door de arbiter gestelde vragen uitspraak te doen.
Bosco
Touffait
Due
Pescatore
Mackenzie Stuart
O'Keeffe
Koopmans
Everling
Chloros
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 maart 1982.
De griffier
P. Heim
De waarnemend president
G. Bosco
president van de Eerste kamer