Home

Hof van Justitie EU 26-05-1982 ECLI:EU:C:1982:199

Hof van Justitie EU 26-05-1982 ECLI:EU:C:1982:199

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
26 mei 1982

Uitspraak

ARREST VAN 26-5-1982 — ZAAK 133/81 IVENEL / SCHWAB

In zaak 133/81,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen, in burgerlijke en handelszaken, van de Franse Cour de cassation in het aldaar aanhangig geding tussen

Roger Ivenel, te Straatsburg (Frankrijk),

en

Helmut Schwab, te Oettingen (Bondsrepubliek Duitsland),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: J. Mertens de Wilmars, president, G. Bosco, A.Touffait en O. Due, kamerpresidenten, Mackenzie Stuart, A. O'Keeffe, T. Koopmans, A. Chloros en F. Grévisse, rechters,

advocaatgeneraal: G. Reischl

griffier: P. Heim

het navolgende

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

1. Roger Ivenel, wonende te Straatsburg (Frankrijk), trad op 1 september 1971 als handelsvertegenwoordiger voor Frankrijk in dienst van Schwab Maschinenbau te Oettingen (Bondsrepubliek Duitsland).

Op 18 januari 1978 dagvaardde verzoeker in het hoofdgeding zijn werkgever voor de Conseil de prud'hommes te Straatsburg tot betaling van verscheidene bedragen, met name van commissieloon dat hem sinds 1975 niet meer was betaald, en van verschillende vergoedingen uit hoofde van de verbreking van zijn arbeidsovereenkomst. Tegen deze vordering wierp verweerder in het hoofdgeding zowel een exceptie van onbevoegdheid ratione materias op als een exceptie van onbevoegdheid ratione loci, waarbij hij enerzijds deed gelden dat verzoeker zijn werkzaamheid zelfstandig had uitgeoefend, en anderzijds, dat krachtens het EEG-Executieverdrag bevoegd was het gerecht van de plaats waar de litigieuze verbintenis moest worden uitgevoerd, in casu de plaats waar het commissieloon moest worden betaald, te weten Oettingen.

Op het tijdstip waarop het geding bij de Conseil de prud'hommes aanhangig werd gemaakt, luidde artikel 5, sub 1, Executieverdrag als volgt:

„De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden geroepen:

1. ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd”.

2. Bij vonnis van 17 april 1978 heeft de Conseil de prud'hommes beide excepties verworpen.

In verband met de exceptie ratione matériae overwoog hij, dat verzoeker met verweerder een arbeidsovereenkomst van handelsvertegenwoordiger was aangegaan.

Met betrekking tot de exceptie ratione loci was hij van oordeel, dat het begrip „plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd” in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag aldus is uit te leggen, dat het ziet op de plaats waar de hoofd- of kenmerkende verbintenis moet worden uitgevoerd. Bij een arbeidsovereenkomst van handelsvertegenwoordiger is de plaats van uitvoering die waar de vertegenwoordiger zijn kantoren heeft, waar hij de bestellingen centraliseert en vanwaar hij de orders uitvoert. Krachtens genoemd artikel 5 zou het in casu bevoegde gerecht derhalve dat van verzoekers woonplaats Straatsburg zijn.

Bij arrest van 10 oktober 1978, gewezen op beroep van verweerder, bevestigde de Cour d'appel te Colmar de bevoegdheid ratione materiae van de Conseil de prud'hommes. Zij was evenwel van oordeel dat de Conseil geen bevoegdheid ratione loci bezat. Hieromtrent overwoog zij dat overeenkomstig 's Hofs arrest van 6 oktober 1976 (zaak 14/76, De Bloos, Jurispr. 1976, blz. 1497) ter vaststelling van de plaats van tenuitvoerlegging in de zin van artikel 5, lid 1, Executieverdrag moet worden gezien naar de verbintenis welke de keerzijde vormt van het contractuele recht waarop de verzoeker zich voor zijn vordering beroept. In casu is dat de door Ivenel tegen Schwab, die zijn woonplaats heeft in de Bondsrepubliek Duitsland, ingeroepen verbintenis tot betaling van commissieloon en vergoedingen. Daar dit zowel naar Frans als naar Duits recht haalschulden en geen brengschulden zijn, zou de Conseil de prud'hommes te Straatsburg onbevoegd zijn ratione loei.

3. Hierop stelde verzoeker beroep tot cassatie in van het arrest van de Cour d'appel. In haar arrest van 2 april 1981 overweegt de Cour de cassation dat, aangezien het geding betrekking heeft op de uitvoering van een vertegenwoordigingsovereenkomst met verbintenissen voor beide partijen, waarvan er in elk geval enkele in Frankrijk moesten worden uitgevoerd, de vraag inzake de plaats van uitvoering van de verbintenis in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, een ernstig uitleggingsprobleem doet rijzen. Derhalve heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst tot het Hof van Justitie hierover uitspraak zal hebben gedaan.

4. Het verwijzingsarrest is op 2 april 1981 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoeker in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door J.-P. Desache, advocaat te Parijs; verweerder in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door R. Catrice, advocaat te Parijs, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Delmoly, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

II — Schriftelijke opmerkingen ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG

Verzoeker in bet hoofdgeding wijst vooreerst op 's Hofs arrest van 6 oktober 1976 in zaak 14/76 (De Bloos, Jurispr. 1976, blz. 1497), waarin is beslist dat met de term „verbintenis” in artikel 5, sub 1, Executieverdrag wordt bedoeld de contractuele verbintenis die aan de rechtsvordering ten grondslag ligt, en dat, ingeval de verzoeker schadevergoeding vordert of ontbinding van de overeenkomst ten laste van de wederpartij verlangt, de in artikel 5, sub 1, bedoelde verbintenis steeds die is welke voortvloeit uit de overeenkomst en waarvan de niet-nakoming wordt aangevoerd ter rechtvaardiging van zodanige vorderingen.

De voor de toepassing van artikel 5, sub 1, in aanmerking te nemen verbintenis is dus een zelfstandige verbintenis uit overeenkomst. Deze bepaling doelt niet op een niet-zelfstandige verplichting om te vergoeden, die enkel in de plaats treedt van een andere contractuele verbintenis bij wege van sanctie op de niet-nakoming hiervan.

Grondslag van de contractuele verbintenis die aan de vordering in rechte ten grondslag ligt, is in de onderhavige zaak noodzakelijkerwijs het wettelijk statuut voor handelsvertegenwoordigers in loondienst, als omschreven in de artikelen L-571-1 en volgende van de Franse Code du travail. Op alle in een land verrichte arbeid is immers, ongeacht de nationaliteit van de contractspartijen, het arbeidsrecht van dat land van toepassing.

Verzoeker betoogt dat de verplichting de aan een gesalarieerde voor zijn arbeid verschuldigde bedragen te betalen — hetgeen niet meer is dan de tegenprestatie voor de correcte uitvoering van die arbeid-, evenmin aan het zelfstandigheidsvereiste voldoet als de bij niet-nakoming van de overeenkomst verschuldigde schadevergoeding. De rechtsgrondslag daarvan wordt gevormd door wettelijke voorschriften, van dwingend recht en van openbare orde, betreffende de uitvoering van de arbeidsovereenkomst door beide partijen. Verder zou verzoeker de opzeggingstermijn in Frankrijk hebben moeten uitdienen en is de van zijn werkgever gevorderde vergoeding bedoeld als compensatie van het feit dat deze zijn desbetreffende verplichting niet is nagekomen. Bijgevolg is ten aanzien van de verbintenis tot schadevergoeding uit hoofde van deze wanprestatie bevoegd de rechter van de plaats waar de oorspronkelijke, niet-nagekomen verbintenis moest worden uitgevoerd.

Vervolgens wijst verzoeker erop, dat zelfs wanneer de voor het bepalen van het bevoegde gerecht in aanmerking te nemen verbintenis de zelfstandige verbintenis is om aan de vertegenwoordiger de gevorderde sommen te betalen, de plaats van uitvoering Frankrijk is.

Volgens het arrest van het Hof van 6 oktober 1976 (zaak 12/76, Tessili, Jurispr. 1976, blz. 1473) wordt de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, vastgesteld overeenkomstig het recht dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter de litigieuze verbintenis beheerst.

Op de vorderingen die een loontrekkende wegens zijn arbeidsprestaties heeft, is naar Frans internationaal privaatrecht het arbeidsrecht van toepassing van de plaats waar de arbeidsovereenkomst is uitgevoerd.

Daarenboven moet naar Frans recht het loon worden betaald op de plaats van tewerkstelling of, voor handelsreizigers en vertegenwoordigers die hun werk niet op één plaats verrichten, aan hun woonplaats.

Verweerder in het hoofdgeding bestrijdt het vonnis van de Conseil de prud'hommes te Straatsburg, volgens hetwelk bij vertegenwoordigingsovereenkomsten de in artikel 5, lid 1, Executieverdrag bedoelde hoofd- en kenmerkende verbintenis die van de vertegenwoordiger is, zodat de plaats waar de vertegenwoordiger zijn prestatie levert, beslissend is voor de vraag inzake de bevoegde rechter. Te dezen vestigt hij de aandacht erop, dat verzoeker bij mondelinge overeenkomst in Duitsland was aangesteld en dat hij voor wat zijn vertegenwoordigingsactiviteiten betreft, rechtstreeks ondergeschikt was aan de ondernemingsdirectie te Oettingen. Bovendien werd verzoekers loon in Duitsland uitbetaald en had hij gevraagd te worden beloond overeenkomstig de voor de Duitse vertegenwoordigers geldende voorwaarden.

Verweerder sluit zich aan bij het arrest van de Cour d'appel te Colmar, volgens hetwelk de grondslag voor de vaststelling van de bevoegdheid ratione loci de verbintenis is die verweerder als schuldenaar jegens verzoeker had ter zake van de bezoldiging van diens werkzaamheden. Dit standpunt strookt trouwens met het arrest van het Hof in voornoemde zaak 14/76 (De Bloos).

Verweerder preciseert nog, dat zowel artikel 1247, lid 3, Code civil als paragraaf 269 Bürgerliches Gesetzbuch bepalen dat de door verzoeker gevorderde bedragen die met zijn bezoldiging verband houden, haalschulden zijn.

Hij concludeert tot bevestiging van 's Hofs rechtspraak.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen wijst erop, dat de doctrine over het algemeen uit voornoemd arrest in zaak 14/76, (De Bloos) heeft afgeleid dat het Hof de door sommige schrijvers fervent verdedigde theorie betreffende de hoofd- of kenmerkende verbintenis verwerpt.

Zij is evenwel van mening dat het arrest-De Bloos zo is uit te leggen, dat bij wederkerige overeenkomsten de verbintenis waarop een vordering is gebaseerd, de hoofdverbintenis van de verweerder is. Voor de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, moeten in een dergelijk geval de gevolgen van de schending van een contractuele verbintenis worden beschouwd als uitvloeisels van de hoofdverbintenis.

Deze uitlegging stemt overeen met een van de doelstellingen van het Executieverdrag, waaraan het Hof in genoemd arrest heeft herinnerd (r.o. 9), namelijk de concentratie van rechterlijke bevoegdheid in de handen van één instantie. Deze doelstelling leidt tot de stelling inzake de hoofdverbintenis, die ten processe in dezelfde zaak zowel door de Commissie als door advocaatgeneraal Reischl werd ontwikkeld (conclusie van 15 september 1976, Jurispr. 1976, blz. 1517-1518). Deze stelling beperkt de kans op uiteenrafeling van het contract en bijgevolg het gevaar van een versnippering van de rechterlijke bevoegdheid met alle kansen vandien van onderling strijdige beslissingen.

Sommige moeilijkheden bij de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, waarmee de nationale gerechten zoals in casu te kampen kregen, vinden hun oorsprong in rechtsoverweging 17 van het arrest-De Bloos, waarin de nationale rechter wordt uitgenodigd bij vorderingen tot betaling van bijkomende vergoedingen na te gaan of volgens het op de overeenkomst toepasselijke recht sprake is van een autonome contractuele verbintenis of van een verbintenis die in de plaats treedt van de niet-nagekomen contractuele verbintenis. Daarbij heeft het Hof, zo meent de Commissie, niet de schadevergoeding wegens schending van het contract op het oog gehad.

Men dient zich juist te houden aan de in rechtsoverweging 16 van hetzelfde arrest omschreven duidelijke en eenvoudige oplossing, te weten dat moet worden gezien naar de hoofdverbintenis die ten laste van de verweerder uit de overeenkomst voortvloeit en waarvan de niet-nakoming wordt ingeroepen voor de vordering tot schadevergoeding of tot ontbinding van de overeenkomst.

Verder merkt de Commissie op, dat artikel 6 van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (PB L 266 van 1980, blz. 1), bepaalt dat de rechtskeuze van partijen bij een arbeidsovereenkomst er niet toe kan leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht van het land waar hij ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Deze specifieke collisieregel voor individuele arbeidsovereenkomsten heeft zijn oorsprong in de in verscheidene nationale rechtsordes voorkomende gedachte, dat de belangen van de werknemer, die geacht wordt de zwakste partij te zijn in de contractuele verhouding, een bijzondere bescherming vereisen.

De Commissie stelt voor deze regel in aanmerking te nemen bij de oplossing van de onderhavige zaak.

In dit verband verwijst zij naar een arrest van de Cour d'appel te Angers van 29 januari 1980 met betrekking tot een soortgelijke arbeidsovereenkomst als waarom het in casu gaat, tussen een Belgische werkgever en een Franse vertegenwoordiger (Van Pelt/Jedre, Revue critique de droit international privé, 1981, blz. 118). Blijkens dat arrest vormen de vorderingen strekkende enerzijds tot betaling van commissieloon en vakantiegeld en anderzijds tot betaling van opzeg-, uitwinnings- en schadevergoedingen een moeilijk te splitsen geheel. Theoretisch is het met een dergelijke oplossing, die beantwoordt aan een synthetische benadering van de onderscheiden verbintenissen, gemakkelijker om de plaats van uitvoering van de strijdige verbintenis te bepalen dan bij de analytische benadering, en de daarmee verbonden opvatting van de zelfstandigheid der verbintenissen. Bovendien heeft zij de verdienste te beantwoorden aan het doel van het Executieverdrag om de rechterlijke, bevoegdheid te concentreren.

Samenvattend stelt de Commissie dat in een geschil omtrent de gevolgen van de schending van een arbeidsovereenkomst van handelsvertegenwoordiger, de verbintenis waarnaar moet worden gezien voor de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, de uit de overeenkomst voortvloeiende hoofdverbintenis van de werkgever is, daarbij gelet op de wetgeving van het land waar de vertegenwoordiger zijn arbeid verricht. De plaats van uitvoering van de hoofdverbintenis van de werkgever bepaalt de bevoegdheid van de rechter van deze plaats voor alle vorderingen die de vertegenwoordiger wegens niet-naleving van die verbintenis instelt.

In de onderhavige zaak bestaat de „hoofdverbintenis ten laste van de verweerder” in de nakoming van zijn verplichtingen als werkgever, die de arbeidswetgeving van de plaats waar de overeenkomst wordt uitgevoerd — namelijk de plaats van tewerkstelling van de werknemer — hem oplegt.

III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 3 februari 1982 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door verweerder in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door R. Catrice, advocaat te Parijs, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegen woordigd door J. Delmoly, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 11 mei 1982 conclusie genomen.

In rechte

1 Bij arrest van 2 april 1981, ingekomen ten Hove op 3 juni daaropvolgende, heeft de Franse Cour de cassation krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: het Executieverdrag), een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5, sub 1, Executieverdrag.

2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen R. Ivenel te Straatsburg en de firma Schwab Maschinenbau, te Oettingen (Beieren), wegens de gestelde verbreking van een vertegenwoordigingsovereenkomst, in verband waarmee commissieloon, een uitwinnings- en een opzeggingsvergoeding alsmede vakantiegeld worden gevorderd.

3 De Conseil de prud'hommes te Straatsburg, waarvoor de vordering was ingesteld, verwierp de twee door verweerder opgeworpen excepties. Wat zijn bevoegdheid ratione materiae betreft, ging hij ervan uit dat de overeenkomst tussen partijen als een arbeidsovereenkomst was te kwalificeren. Met betrekking tot zijn bevoegdheid ratione loei overwoog hij dat overeenkomstig artikel 5, sub 1, Executieverdrag een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een andere Lid-Staat, ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, en dat, in casu, de in aanmerking te nemen verbintenis die van de arbeidsprestatie van de vertegenwoordiger is, die zijn kantoren te Straatsburg had, waar hij de bestellingen centraliseerde en van waar uit hij de orders uitvoerde.

4 In hoger beroep van Schwab bevestigde de Cour d'appel te Colmar het vonnis van de Conseil de prud'hommes, in zoverre dit het bestaan van een arbeidsovereenkomst had vastgesteld, doch vernietigde het voor het overige wegens onbevoegdheid ratione loei. De Cour d'appel was immers van oordeel, dat voor de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag moest worden gezien naar de verbintenis welke aan de rechtsvordering ten grondslag ligt; in casu zou dat de verbintenis zijn tot betaling van commissieloon en andere van Schwab gevorderde vergoedingen, welke geen breng-, maar haalschulden waren.

5 Ivenel heeft van dit arrest beroep tot cassatie ingesteld, daarbij stellende dat de Cour d'appel artikel 5, lid 1, Executieverdrag had geschonden.

6 Na te hebben verwezen naar de gronden waarop de Cour d'appel had geoordeeld dat de Franse gerechten terzake niet bevoegd waren, heeft de Cour de cassation evenwel overwogen dat, waar het geschil de uitvoering betrof van een vertegenwoordigingsovereenkomst met verbintenissen voor beide partijen, waarvan er in elk geval enkele in Frankrijk moesten worden uitgevoerd, er zich een uitleggingsprobleem voordeed met betrekking tot de vraag inzake de plaats van uitvoering van de verbintenis in de zin van vorenbedoeld artikel 5, sub 1. Mitsdien heeft de Cour de Cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een uitspraak over de uitlegging van die bepaling.

7 Opgemerkt moet worden dat, gelijk het Hof van Justitie onder meer heeft verklaard in zijn arrest van 6 oktober 1976 (zaak 12/76, Tessili, Jurispr. 1976, blz. 1473), de „plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd” in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag wordt vastgesteld overeenkomstig het recht dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter de litigieuze verbintenis beheerst.

8 Met zijn vraag wil de nationale rechter vernemen, welke litigieuze verbintenis in de zin van deze omschrijving in aanmerking moet worden genomen, wanneer de vordering waarover de rechter te oordelen heeft, gebaseerd is op verschillende verbintenissen die voortvloeien uit een enkele, door de feitenrechters als arbeidscontract gekwalificeerde vertegenwoordigingsovereenkomst.

9 In zijn arrest van 6 oktober 1976 (zaak 14/76, De Bloos, Jurispr. 1976, blz. 1497) heeft het Hof reeds gepreciseerd dat, wanneer een vordering is gebaseerd op een tussen twee handelsvennootschappen gesloten alleenverkoopovereenkomst, de in aanmerking te nemen verbintenis in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag die is welke aan de vordering in rechte ten grondslag ligt. In de onderhavige zaak gaat het erom, of hetzelfde criterium moet worden toegepast in gevallen die de door de nationale rechter beschreven kenmerken vertonen.

10 Dit probleem moet worden onderzocht in het licht van de doelstellingen van het Executieverdrag en van de algemene structuur van de bepalingen hiervan.

11 De invoering van bijzondere bevoegdheidsregels zoals vervat in de artikelen 5 en 6 van het Verdrag, is onder meer gerechtvaardigd door de overweging dat er een rechtstreeks aanknopingspunt bestaat tussen het geschil en de rechter die daarvan kennis moet nemen. Het rapport van het Comité van deskundigen die de tekst van het Executieverdrag hebben opgesteld (PB C 59 van 1970, blz. 1), beklemtoont dit aanknopingspunt waar het er onder meer op wijst, dat het gerecht van de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, van belang is voor alle rechtsvorderingen tot inning van honoraria, aangezien de schuldeiser dan de keus heeft tussen de gerechten van de staat waar de verweerder woonplaats heeft — ingevolge de algemene bepaling van artikel 2 Executieverdrag —, en het gerecht van een ander land in welks rechtsgebied de prestatie is verricht, met name wanneer de betalingsverplichting volgens de toepasselijke wet moet worden vervuld ter plaatse waar de diensten zijn verricht.

12 Voornoemd rapport vermeldt ook de redenen waarom de opstellers van het Verdrag het niet wenselijk vonden daarin een bepaling op te nemen betreffende een uitsluitende bevoegdheid op het gebied van het arbeidscontract. Volgens het rapport is het wenselijk dat geschillen op dat gebied zoveel mogelijk worden gebracht voor de gerechten van het land welks wet voor het betrokken contract moet gelden, terwijl er ten tijde van de opstelling van het Executieverdrag ook werd gewerkt aan regels voor de harmonisatie van de toepassing van het arbeidsrecht in de Lid-Staten van de Gemeenschap. Het rapport concludeert dat vooralsnog voor de betrokken belangen meer heil is te verwachten van de bestaande bepalingen van het Executieverdrag, zoals artikel 2 — het gerecht van de woonplaats van de verweerder — en artikel 5, sub 1 — het gerecht van de plaats van uitvoering van de verbintenis.

13 Verder zij erop gewezen, dat op 19 juni 1980 een Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening is opengesteld (PB L 266 van 1980, blz. 1). Artikel 6 hiervan bepaalt, dat de arbeidsovereenkomst, bij gebreke van een rechtskeuze, wordt beheerst door het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land.

14 Het deskundigenrapport betreffende het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (PB C 282 van 1980, blz. 1), verklaart dienaangaande, dat de vaststelling van een bijzondere verwijzingsregel betreffende de arbeidsovereenkomst tot doel had een regeling te geven die toegespitst is op de onderwerpen waarbij de belangen van de ene partij van een andere orde zijn dan die van de andere, en tevens door middel van een dergelijke regeling de partij die in sociaaleconomisch opzicht in de contractuele relatie de zwakkere is, een betere bescherming te verzekeren.

15 Uit deze uiteenzetting volgt, dat op het gebied van de overeenkomsten artikel 5, sub 1, Executieverdrag in het bijzonder beoogt bevoegheid te verlenen aan de gerechten van het land dat een rechtstreeks aanknopingspunt heeft met het geschil; dat bij een overeenkomst betreffende arbeid in dienstverband dit aanknopingspunt inzonderheid gelegen is in de op de overeenkomst toepasselijke wet, en dat, volgens de ontwikkeling van de desbetreffende verwijzingsregels, deze wet wordt bepaald door de verbintenis waardoor de betrokken overeenkomst wordt gekarakteriseerd, dat wil in de regel zeggen de verbintenis om arbeid te verrichten.

16 Beziet men de bepalingen van het Executieverdrag, dan blijkt dat deze, waar zij bijzondere of zelfs uitsluitende bevoegdheden verlenen op het gebied van verzekeringen, koop en verkoop op afbetaling, huur en verhuur en pacht en verpachting van onroerende goederen, ervan uitgaan dat het streven naar een passende bescherming van de sociaal zwakste partij bij de overeenkomst, ook tot uiting dient te komen in de regeling van de rechterlijke bevoegdheid.

17 Bij de beantwoording van de gestelde vraag dienen deze elementen in aanmerking te worden genomen.

18 In een zaak als de onderhavige, waarin de rechter kennis heeft te nemen van vorderingen betreffende verbintenissen uit een vertegenwoordigingsovereenkomst, waarvan sommige verband houden met de beloning die een in de ene staat gevestigde onderneming de werknemer verschuldigd zou zijn, en andere met vergoedingen wegens de wijze waarop de arbeid in een andere staat is verricht, moeten de bepalingen van het Executieverdrag aldus worden uitgelegd, dat de aangezochte rechter zich niet genoodzaakt ziet zich bevoegd te verklaren ten aanzien van sommige vorderingen, doch onbevoegd ten aanzien van andere.

19 Een dergelijk resultaat zou te minder in overeenstemming zijn met de doelstellingen en de algemene structuur van het Executieverdrag als het een contract betreft voor het verrichten van arbeid in een ondergeschiktheidsverhouding, waarvoor de toepasselijke wet in de regel bepalingen ter bescherming van de werknemer bevat, waarbij die wet normaliter de wet is van de plaats waar de arbeidsprestatie — het element dat voor het contract kenmerkend is — wordt geleverd.

20 Uit het voorgaande volgt dat de verbintenis die voor de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag in aanmerking moet worden genomen bij vorderingen gebaseerd op verschillende verbintenissen voortvloeiende uit een vertegenwoordigingsovereenkomst tussen een werknemer in loondienst en een ondernemer, die is waardoor de overeenkomst wordt gekarakteriseerd.

Kosten

21 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Franse Cour de cassation bij arrest van 2 april 1981 gestelde vraag, verklaart voor recht:

De verbintenis die voor de toepassing van artikel 5, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, in aanmerking moet worden genomen bij vorderingen gebaseerd op verschillende verbintenissen voortvloeiende uit een vertegenwoordigingsovereenkomst tussen een werknemer in loondienst en een onderneming, is die waardoor de overeenkomst wordt gekarakteriseerd.

Mertens de Wilmars

Bosco

Touffait

Due

Mackenzie Stuart

O'Keeffe

Koopmans

Chloros

Grévisse

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 26 mei 1982.

De griffier

P. Heim

De president

J. Mertens de Wilmars