Home

Hof van Justitie EU 30-11-1983 ECLI:EU:C:1983:357

Hof van Justitie EU 30-11-1983 ECLI:EU:C:1983:357

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
30 november 1983

Conclusie van de advocaat-generaal

Sir Gordon Slynn

van 30 november 1983 (1)

Mijnheer de President,

mijne beren Rechters,

Het onderhavige beroep is ingesteld door een Nederlandse staalfabriek (Estel), die lid is van de Europese Vereniging van IJzer- en Staalproducerende Industrieën („Eurofer”), en strekt tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie van 13 augustus 1982 waarbij Estel een boete van Ecu 3 655 590 werd opgelegd. Deze beschikking is genomen naar aanleiding van het feit dat Estel in het derde kwartaal van 1981 inbreuk heeft gemaakt op beschikking nr. 1831/ 81/EGKS van de Commissie van 24 juni 1981 (PB L 180 van 1981, blz. 1), door haar produktiequotum voor produkten van categorie Ia te overschrijden met 30 909 ton, haar produktiequotum voor produkten van categorie Ib met 13 842 ton en de hoeveelheid produkten van categorie Ia die zij op de gemeenschappelijke markt mocht leveren, met 19 951 ton. Subsidiair vordert Estel verlaging van de boete.

Over de feiten verschillen partijen niet of nauwelijks van mening. De geschilpunten betreffen de uitlegging en de correcte toepassing van de beschikking.

Krachtens artikel 5 van de beschikking dient de Commissie per kwartaal voor elke betrokken onderneming de produktiequota vast te stellen alsook het gedeelte van deze quota dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd op basis van de in de beschikking neergelegde criteria. Artikel 12 bepaalt dat er boetes worden opgelegd aan ondernemingen die zich niet houden aan de door de Commissie vastgestelde quota.

Als eerste middel tot staving van haar vordering tot nietigverklaring voert Estel aan dat de Commissie in de totale hoeveelheid, waarmee Estel volgens haar het quotum voor produkten van categorie Ia als omschreven in artikel 1 van de beschikking heeft overschreden, ten onrechte 10 548 ton heeft meegeteld die werden gebruikt voor de vervaardiging van kleine gelaste buizen, waarop artikel 10 van beschikking nr. 1831/81/EGKS van toepassing was. Dat artikel bepaalt:

„Voor de produkten van categorie Ia, die in de staat van warmgewalst produkt worden gebruikt voor de fabricage in de Gemeenschap van gelaste buizen met een doorsnede van 406,4 mm of minder, gaat de Commissie op verzoek van de onderneming, dat vergezeld dient te gaan van het bewijs dat gebruik voor deze doeleinden heeft plaatsgehad, over tot aanpassing van de quota en verleent haar goedkeuring voor de daarop betrekking hebbende leveringen.”

Bij brief van 29 juli 1981 bracht de Commissie Estel op de hoogte van de haar toegewezen quota en van het gedeelte daarvan dat in de loop van het derde kwartaal van 1981 op de gemeenschappelijke markt mocht worden geleverd. Het rapport ter terechtzitting bevat dienaangaande exacte cijfers, die ik hier niet zal herhalen. Bij brief van 24 november verzocht Estel om aanpassing overeenkomstig artikel 10. Bij een beschikking vervat in een schrijven van 3 februari 1982, stond de Commissie de aanpassing toe. Deze bleef evenwel 10 548 ton beneden de door Estel aangevraagde hoeveelheid. Dit verschil is te wijten aan het feit dat Estel en de Commissie de noodzakelijke aanpassing volgens verschillende methodes hebben berekend. Estel is evenwel niet in rechte opgekomen tegen de aanpassingsbeschikking. Zij diende zich dus aan deze beschikking te houden, doch heeft de vastgestelde quota overschreden, hoe plausibel haar uitlegging van artikel 10 ook moge zijn.

Daar er ten tijde van de feiten grote onzekerheid bestond over de correcte uitlegging van artikel 10, heeft Estel aangevoerd dat het in het licht van het beginsel „nullum crimen sine lege” onjuist zou zijn, te oordelen dat Estel inbreuk op de beschikking heeft gemaakt. Ik ben het hiermee niet eens. Het was duidelijk dat de niet-nakoming van het oorspronkelijk vastgestelde quotum een schending van de beschikking zou opleveren, tenzij overeenkomstig artikel 10 achteraf een aanpassing zou plaatsvinden. Er kan best een meningsverschil hebben bestaan over de vraag hoe artikel 10 nu precies moest worden toegepast: Estel was van mening dat elke overschrijding integraal door de aanpassing zou worden gedekt, doch kwam naderhand tot de ontdekking dat de Commissie bij haar uitlegging van artikel 10 niet, zoals Estel voorstond, de situatie van de individuele afnemers onderzocht, maar uitging van een globaal overzicht van de cijfers, hetgeen tot een ander resultaat leidde. Dit volstaat volgens mij niet om het bewuste beginsel in te roepen, al neem ik aan dat het in het gemeenschapsrecht geldt. In ieder geval had Estel kunnen trachten haar positie te beschermen, door op te komen tegen de beschikking van de Commissie houdende aanpassing van het quotum. Of dat iets zou hebben uitgehaald is een andere vraag, die in de context van het onderhavige geding niet behoeft te worden onderzocht.

Als tweede middel voert Estel aan dat de Commissie ten onrechte 18 525 ton heeft meegeteld in het totaal waarmee Estel volgens haar het produktiequotum voor produkten van categorie Ia én het gedeelte daarvan dat op de gemeenschappelijke markt mocht worden geleverd, heeft overschreden. Volgens verzoekster bestond die hoeveelheid uit produkten van categorie Ia die aan andere ondernemingen in de Gemeenschap werden geleverd om opnieuw te worden gewalst. Dit wordt door de Commissie niet betwist. Voor zover kan worden uitgemaakt heeft de overschrijding de volgende oorzaken :

  1. Eurofer past voor haar eigen leden een ander quotastelsel toe dan het in de beschikking neergelegde stelsel;

  2. het quotastelsel van Eurofer houdt, anders dan het door de Commissie ingevoerde stelsel, geen rekening met leveringen aan herwalsers;

  3. Eurofer verlangt van haar leden dat zij de door de Commissie vastgestelde quota aanpassen aan de Eurofer-quota door overeenkomstig artikel 11, lid 4, van beschikking nr. 1831/81/EGKS hun quota te verkopen of te ruilen;

  4. haar leden geven met het oog op deze transacties aan Eurofer „forecasts” van in de loop van het eerstvolgende kwartaal aan herwalsers te leveren hoeveelheden;

  5. Estel zag het belang van haar „forecasts” niet in en leverde in feite meer dan zij had aangekondigd;

  6. Estel zou het quotum niet of nauwelijks hebben overschreden, indien Eurofer haar niet had verplicht het gedeeltelijk te verkopen of te ruilen.

Dit alles wijst erop dat het feit dat Estel zich niet heeft gehouden aan het produktiequotum en haar leveringen op de gemeenschappelijke markt niet heeft beperkt, deels kan worden toegeschreven aan de interne regelingen van Eurofer zelf en deels aan de onzekerheid waarin Estel verkeerde over de wisselwerking tussen die regelingen en het bij beschikking nr. 1831/81/EGKS ingevoerde quotastelsel. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de Commissie Estel ten onrechte een inbreuk op de beschikking heeft verweten. In dat opzicht is de tekst van de beschikking duidelijk en Eurofer en haar leden behoorden zich naar het daarin vervatte stelsel te richten.

Het komt mij dan ook voor dat Estel de eerste twee middelen niet afdoende vermag te staven. De overige middelen hebben hoofdzakelijk betrekking op het opleggen van de boete.

Er zij aan herinnerd dat het bij beschikking nr. 1831/81/EGKS ingevoerde stelsel van produktiequota op artikel 58 van het EGKS-Verdrag berust. De bevoegdheid van de Commissie om boetes op te leggen is ontleend aan artikel 58, lid 4, luidens hetwelk zij „aan ondernemingen, die haar beschikkingen gegeven ter uitvoering van dit artikel overtreden, boeten [kan] opleggen tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de waaide van de ongeoorloofde produktie”. Na de mondelinge behandeling in de onderhavige zaak bleek voor mij duidelijk uit artikel 58, lid 4, dat de Commissie naar eigen goeddunken beslist over het opleggen van een boete (zie thans eveneens het arrest van 16. 11. 1983, zaak 188/82, Thyssen, r. o. 20). De enige uitdrukkelijke beperking van die discretionaire bevoegdheid betreft de bovengrens van het op te leggen boetebedrag, hoewel de uitoefening van die bevoegdheid ook kan worden beperkt door de algemene rechtsbeginselen waarop de communautaire rechtsorde is gebaseerd (zie bijvoorbeeld de conclusie van advocaat-generaal G. Reischl in zaak 179/82, Lucchini, blz. 9 van de getypte tekst).

In artikel 12 van beschikking nr. 1831/81/EGKS is bepaald onder welke voorwaarden de Commissie gebruik mag maken van haar discretionaire bevoegdheid ex artikel 58, lid 4, in verband met inbreuken op de beschikking. Voor zover van belang bepaalt het artikel het volgende:

„Aan de ondernemingen die hun produktiequota of het gedeelte van deze quota dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd overschrijden, wordt een boete opgelegd die in de regel Ecu 75 bedraagt voor iedere ton waarmee zij hun quotum of gedeelte daarvan overschrijden.

In het geval dat de produktie van een onderneming haar quotum met 10 % of meer overschrijdt of indien de onderneming gedurende een van de voorafgaande kwartalen haar quotum of quota reeds heeft overschreden, kunnen de boeten het dubbele van dit bedrag per ton belopen. Het voorgaande is eveneens van toepassing met betrekking tot de overschrijding van de hoeveelheden die op de gemeenschappelijke markt mogen worden geleverd ...”

In punt 9 van de considerans van de beschikking rechtvaardigt de Commissie artikel 12 als volgt:

„Om de doeltreffendheid van het quotastelsel te verzekeren, moet elke overschrijding daadwerkelijk worden bestraft met een boete die wordt vastgesteld naargelang van de ongeoorloofd geproduceerde hoeveelheid.

Het niveau van de overschrijding en het aantal overschrijdingen in de periode van toepassing van produktiequota moet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de boete.”

De beschikking waarbij de boete werd opgelegd bepaalde dat, nu sprake was van een overschrijding van het productiequotum en van het gedeelte van dit quotum dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd, de boete dient te worden berekend over de hoeveelheid van de hoogste overschrijding en over 20 % van de hoeveelheid van de laagste overschrijding. Estel betoogt dat de „tonnen” die teveel op de gemeenschappelijke markt werden geleverd, begrepen zijn in de produktie-overschrijding met produkten van categorie Ia. Door beide inbreuken op beschikking nr. 1831/81/EGKS te beboeten, heeft de Commissie „dezelfde tonnen” in feite „dubbel” beboet, wat in totaal een hogere boete tot gevolg heeft dan ingevolge artikel 12 geoorloofd is. Estel is van oordeel dat zulks in strijd is met artikel 12 van beschikking nr. 1831/81/EGKS, artikel 58 EGKS-Verdrag en de algemene beginselen van gemeenschapsrecht. Voorts stelt zij dat de boetebeschikking van de Commissie onvoldoende met redenen is omkleed terzake van deze handelwijze. Mijns inziens volgt uit artikel 5 en uit andere bepalingen van de beschikking (bv. artikel 11, leden 1 tot 3) dat ondernemingen twee verplichtingen moeten nakomen:

  1. het produktiequotum niet overschrijden en

  2. op de gemeenschappelijke markt niet meer leveren dan de toegelaten hoeveelheid.

Estel betwist niet dat er grenzen zijn gesteld zowel aan de hoeveelheden die mogen worden geproduceerd als aan de hoeveelheden die op de gemeenschappelijke markt mogen worden geleverd. Artikel 12 bevat de criteria voor de berekening van de boete die bij niet-nakoming van elk dezer verplichtingen dient te worden opgelegd. Estel legt inzonderheid de nadruk op het gebruik van het woord „of” in de eerste zin van artikel 12. Volgens haar dient dit disjunctief te worden verstaan, zodat het uitgesloten is dat twee boetes worden opgelegd wanneer de inbreuk beide verplichtingen betreft. Anders wordt voor hetzelfde staal een boete opgelegd die hoger is dan Ecu 75, in casu 75 plus Ecu 15 voor dezelfde produkten.

Dit argument gaat voorbij aan het wezenlijk oogmerk van de beschikking. Zij heeft ten doel een einde te maken aan twee onderscheiden inbreuken op het quotastelsel. Wanneer beide inbreuken zich voordoen, is de overschrijding van de hoeveelheid die op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd, niet zomaar als een bijkomstigheid bij de overschrijding van het produktiequotum te beschouwen. De beperking van de leveringen op de gemeenschappelijke markt heeft een afzonderlijke bestaanreden: volgens punt 5 van de considerans is deze maatregel bedoeld om het evenwicht tussen vraag en aanbod op de markt te herstellen door de ondernemingen ervan te weerhouden hun aanbod te sterk op de gemeenschappelijke markt te richten. Dit doel wordt niet bereikt, wanneer er geen afzonderlijke sanctie bestaat voor een onderneming die eerst haar produktiequotum overschrijdt en vervolgens de ongeoorloofde produktie op de gemeenschappelijke markt levert in plaats van ze te exporteren.

Mijns inziens dient artikel 12 in die zin te worden uitgelegd dat voor elk van beide inbreuken een boete kan worden opgelegd. Indien beide zich voordoen, kunnen zij ook allebei aanleiding geven tot een boete. Verzoekster stelt niet dat een volledige, of — zoals in casu — gedeeltelijke cumulatie ertoe zou leiden dat de in artikel 58, lid 4, voorgeschreven maximumboete wordt overschreden. Er is dan ook geen sprake van schending van dat artikel. Volgens mij zijn cumulatieve boetes niet in strijd met de algemene beginselen van gemeenschapsrecht waarvan gewag werd gemaakt, daar de twee onderhavige boetes betrekking hebben op twee onderscheiden inbreuken op de beschikking; hier doet zich dus geen dubbele bestraffing van hetzelfde vergrijp voor.

Estel betoogt dat de Commissie bij monde van enkele ambtenaren Eurofer in de waan heeft gebracht dat geen dubbele boete zou worden opgelegd. Het officiële standpunt van de Commissie wordt uiteengezet in artikel 12. Mocht de Commissie gebonden zijn door een inhoudelijk anders omschreven standpunt, dan zou zulks moeten blijken uit een formele verklaring (zie het arrest van 31. 3. 1965, zaak 21/64 Macchiorlati Dalmas, Jurispr. 1965, blz. 231), althans voor zover zij niet de schijn van een bepaalde houding zou hebben gewekt, hetgeen hier niet in geding is.

In de motivering van de beschikking van 13 augustus 1982 wordt uitgelegd hoe de Commissie de door haar opgelegde boete heeft berekend. Dit heeft Estel in staat gesteld de wettigheid van de toegepaste berekeningsmethode te betwisten. Het komt mij voor dat de motivering toereikend was.

Vervolgens betoogt verzoekster dat de Commissie bij de vaststelling van de boete ten onrechte heeft nagelaten rekening te houden met de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de inbreuken op beschikking nr. 1831/81/EGKS, en haar beschikking op dit punt niet genoegzaam met redenen heeft omkleed. De Commissie betoogt dat ingevolge artikel 12 van beschikking nr. 1831/81/EGKS, bij de vaststelling van de boetes enkel rekening wordt gehouden met de omvang van de overschrijding van het quotum en niet met de bijzondere situatie van elke onderneming; zulks behoefde in de boetebeschikking niet uitdrukkelijk te worden verklaard. De boete volgt automatisch uit de berekening.

Advocaat-generaal VerLoren van Themaat verklaarde in zijn conclusie in zaak 188/82 (Thyssen) dat het beginsel „nulla poena sine culpa” ook dient te gelden voor boetes die ingevolge het Verdrag zijn opgelegd (blz. 5 van de getypte tekst). Ik ben het daarmee eens. Dit beginsel is mijns inziens gemeengoed in het recht van de Lid-Staten, en maakt derhalve deel uit van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht. Op zichzelf genomen belet het beginsel evenwel niet dat de Commissie boetes mag opleggen volgens een gespecificeerd tarief. Wel kan het de Commissie verbieden, een boete tegen dat tarief op te leggen ingeval de inbreuk op de beschikking bijvoorbeeld geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een handeling van de Commissie zelf. Wanneer de Commissie, zoals in de zaak-Lucchini (arrest van 19. 10. 1983, zaak 179/82, r.o. 7 en 8), een gespecificeerd tarief hanteert bij wege van algemene regel, doch zich de mogelijkheid voorbehoudt om daarvan af te wijken indien de omstandigheden van de inbreuk buiten de gestelde criteria vallen, dan behoeft zij niet de redenen te vermelden waarom zij een boete heeft opgelegd tegen het gespecificeerde tarief. Indien zij dit tarief niet toepast, moet zij daarentegen wel de redenen daarvoor opgeven.

In de onderhavige zaak gaf de Commissie duidelijk te verstaan dat zij zich zou houden aan het tarief dat „in de regel” Ecu 75 per ton bedraagt; in de gevallen waarvan sprake in de tweede zin van artikel 12, „kan” de boete het dubbele van dit bedrag belopen. De Commissie blijft bij haar standpunt dat „automatisch” een boete van Ecu 75 per ton dient te worden opgelegd. Dat „automatisch” zou betekenen dat het basistarief behoort te worden toegepast ongeacht de omstandigheden van het geval, wordt volgens mij door de duidelijke tekst van artikel 12 weersproken. Evenals in de bepaling die in de zaken Lucchini en Thyssen in geding was, wordt in deze tekst erkend dat kan worden afgeweken van de normale praktijk om de gespecificeerde boete op te leggen. „In de regel” betekent niet „altijd”, doch „gewoonlijk”. Bovendien heeft de Commissie zelf het tarief in het onderhavige geval niet „automatisch” toegepast. Volgens artikel 12 geldt het tarief van Ecu 75 per ton eveneens voor elke overschrijding van de hoeveelheden die op de gemeenschappelijke markt mogen worden geleverd. De Commissie heeft een boete van Ecu 15 per ton opgelegd. Nu zowel het produktiequotum als het gedeelte dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd, waren overschreden, besliste de Commissie de eerste inbreuk te beboeten met Ecu 75 per ton en de tweede tegen een verminderd tarief van 20 %, hetgeen neerkomt op Ecu 15. Daaruit blijkt dat de Commissie bij de oplegging van een boete bereid is naast de hoeveelheid ook andere factoren in aanmerking te nemen.

Estel staat, naar ik begrijp, op het standpunt, dat de Commissie bij de vaststelling van de boete ten onrechte heeft geweigerd rekening te houden met de omstandigheden van het geval. Ter terechtzitting bleek de Commissie zulks te aanvaarden voor wat de overschrijding van het produktiequotum betreft. Doch zelfs indien de conclusie juist is, dat de Commissie de omstandigheden van het geval niet uitzonderlijk genoeg achtte om van het basistarief van Ecu 75 per ton te mogen afwijken, behoudens wat betreft de overschrijding van de hoeveelheid die op de gemeenschappelijke markt mocht worden geleverd, heeft het Hof ingevolge artikel 36 EGKS-Verdrag volledige rechtsmacht wat de boetes betreft en mag het zijn eigen beoordeling van de omstandigheden in de plaats stellen van die van de Commissie.

Eén der ingeroepen omstandigheden betreft de produkten van categorie Ia die aan herwalsers in de Gemeenschap werden geleverd. Estéis toelichting op haar standpunt komt hierop neer dat de overschrijding niet opzettelijk was doch deels aan een vergissing en deels aan haar verplichtingen tegenover Eurofer moet worden toegeschreven. Mijns inziens is zulks niet voldoende uitzonderlijk om een vermindering van de boete te rechtvaardigen. Zodra de quota waren vastgesteld en de door Eurofer verlangde ruil- en kooptransacties hadden plaatsgevonden, lag het voor de hand dat Estel, mocht zij nieuwe verplichtingen aangaan, de quota zou overschrijden en het risico van een boete zou lopen, tenzij zij quota of gedeelten daarvan van andere ondernemingen kon overnemen. Door te grote hoeveelheden voor herwalsing te produceren en te leveren, zonder zich ervan te vergewissen of zij gedekt waren door een quotum in het derde of het vierde kwartaal, heeft Estel duidelijk in strijd gehandeld met beschikking nr. 1831/81/EGKS. Het argument dat leveringen voor herwalsing de markt niet verstoorden, volstaat niet om de boete te verminderen. Wanneer overproduktie aan herwalsers wordt geleverd, blijft het evengoed overproduktie: ondernemingen die overproduceren voor herwalsing, concurreren met hen die met hetzelfde doel produceren, doch zich daarbij wel aan het quotum houden. Het argument van Estel ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel is volgens mij niet terzake dienend; het doet niet af aan de discretionaire bevoegdheid die in artikel 12 besloten ligt en in deze context niet kan worden geacht ten onrechte te zijn uitgeoefend. Ik ben van oordeel dat de Commissie terecht die argument niet in overweging heeft genomen.

Voorts wordt gesteld dat de overproduktie betreffende produkten van categorie Ia en Ib, verminderd met het teveel dat op de gemeenschappelijke markt werd geleverd (te weten 24 800 ton) kan worden toegeschreven aan specifieke problemen met betrekking tot leveranties op de Noordamerikaanse markt. Estel noemt zichzelf de belangrijkste leverancier van de Noordamerikaanse markt. Zes tot negen maanden vóór de levering worden de orders geplaatst en de helft van het totaal wordt alleen al in het derde kwartaal van het jaar geleverd, onder meer omdat de belangrijkste afnemers van Estel gevestigd zijn in het gebied van de „Great Lakes”, dat wegens zijn klimaat slechts toegankelijk is vanaf het einde van het tweede tot het begin van het vierde kwartaal. De orders bestemd voor de Noordamerikaanse markt werden begin 1981 geplaatst, lang voordat beschikking nr. 1831/81/EGKS werd genomen. Estel poogde zich in te dekken door quota te ruilen en te kopen, doch er waren er te weinig om geheel in de behoeften te voorzien. Beide partijen voeren in dit opzicht plausibele argumenten aan. Enerzijds zegt de Commissie dat Estel dit probleem had moeten zien aankomen en tijdens het derde kwartaal minder had moeten verkopen aan andere afnemers. Aan dit argument valt nauwelijks te tornen. Anderzijds blijkt dat Estel de rest van haar uitvoer in het derde kwartaal heeft gereduceerd, ofschoon niet genoeg bewijs voorhanden is om te beoordelen of zij wel zoveel heeft gereduceerd als zij kon. Voorts was 1981 een uitzonderlijk jaar in die zin dat het bij beschikking nr. 2794/80/EGKS van de Commissie van 31 oktober 1980 (PB L 291 van 1980, blz. 1) ingevoerde quotastelsel op 30 juni 1981 zou verstrijken. Wat de export naar Noordamerika betreft, moest de produktieplanning van Estel voor het derde kwartaal van 1981 waarschijnlijk plaatsvinden met inachtneming van het feit dat het vigerende quotastelsel ten einde liep en Estel nog niet wist, welke haar verplichtingen ingevolge een later quotastelsel zouden zijn.

Bij het afwegen van deze argumenten komt het mij niettemin voor dat de aangevoerde feiten niet voldoende uitzonderlijk zijn om te mogen afwijken van het gebruikelijke boetetarief, ook al kwam een meerderheid in de Eurofer-arbitrage tot een ander resultaat. In het belang van heel de industrietak dient het stelsel strikt te worden toegepast, en Estel, op wie uiteraard de bewijslast rust, heeft mij niet ervan weten te overtuigen dat zij na de sluiting van de contracten met de Noordamerikaanse afnemers alles in het werk heeft gesteld om ten aanzien van latere contracten binnen de grenzen van het quotum te blijven. Het ware naar mijn mening gerechtvaardigd noch eerlijk ten opzichte van andere producenten om dit aspect van de overschrijding door de vingers te zien.

Tenslotte voert Estel nog aan dat zij inzake de passende methode ter berekening van de aanpassingen op grond van artikel 10 tot een standpunt kwam dat zij te goeder trouw juist achtte en dat, mocht dat niet het geval zijn, om de in de briefwisseling en ten processe aangevoerde redenen althans houdbaar was. Toen de Commissie overeenkomstig artikel 10 overging tot de aanpassingen, paste zij in feite artikel 6 van de beschikking op overeenkomstige wijze toe: in 1982 stemde Estel in met de door de Commissie toegepaste aanpassingsmethode, en aangezien over dat punt geen uitspraak behoeft te worden gedaan, ga ik ervan uit dat de benadering van de Commissie correct is, of althans binnen haar bevoegdheden valt. Niettemin meen ik dat het standpunt van Estel niet gezocht of onverdedigbaar was. Ik ben integendeel van oordeel dat er beslist iets voor te zeggen viel, gelet op de noodzaak om het bewijs bij te brengen dat het staal werkelijk voor specifieke doeleinden werd geproduceerd. In artikel 10 wordt namelijk niet gezegd hoe de aanpassingen moeten geschieden, en ook al ligt het voor de deskundigen van de Commissie voor de hand dat artikel 6 op overeenkomstige wijze diende te worden toegepast, dit blijkt niet zonneklaar uit de tekst van de beschikking.

Volgens een brief van Eurofer van 12 november 1981, werd de wijze waarop de Commissie artikel 10 toepaste, haar mondeling toegelicht, waarop zij bij telexbericht van 2 november onmiddellijk haar leden op de hoogte bracht. Het lijkt in confesso te zijn dat de Commissie bij brief van 10 november haar methode formeel en schriftelijk bevestigde. Eind september was het derde kwartaal uiteraard verstreken. Volgens de Commissie stond het aan de ondernemingen die wilden profiteren van artikel 10 om aan de Commissie te vragen hoe zij de aanpassingen zou verrichten; op verzoek van enkele ondernemingen in de loop van het derde kwartaal, verschafte de Commissie toelichtingen ter zake. Hoe dan ook, het is best mogelijk dat Eurofer (en bijgevolg haar leden) aanvankelijk dacht dat de wijze waarop de Commissie artikel 10 zou toepassen, overeenstemde met de benadering van Estel, en eerst na afloop van het derde kwartaal inlichtingen ging inwinnen, omdat twijfels waren gerezen omtrent haar uitlegging van de beschikking.

Eurofer en Estel zouden er beter aan hebben gedaan, eerder om een schriftelijke bevestiging te verzoeken. Niettemin meen ik dat de situatie niet geheel bevredigend is. Het was een kleinigheid om in de tekst van artikel 10 te vermelden op welke grondslag eventueel tot aanpassing zou worden overgegaan; bij gebreke van zulk een aanwijzing ware het een goede administratieve praktijk geweest, de ondernemingen bij voorbaat mee te delen hoe artikel 10 zou worden toegepast. Ofschoon het probleem niet zo eenvoudig is, acht ik het niet rechtvaardig, bij het opleggen van een boete, alle schuld voor het gebeurde aan Estel te geven. Mijns inziens leveren de aangevoerde feiten dan ook grond op om de boete enigszins te verlagen. Het komt mij gepast voor de boete over de 10 548 ton met Ecu 25 per ton te reduceren. Daarmee zou de boete met Ecu 263 700 worden verlaagd tot in totaal Ecu 3 391 890.

Ik concludeer mitsdien tot verwerping van het beroep tot nietigverklaring van de beschikking van 13 augustus 1982, evenwel met verlaging van het boetebedrag. In de gegeven omstandigheden ware het passend de boete te verlagen tot Ecu 3 391 890 Ecu. In plaats van partijen ieder voor een bepaald gedeelte in de kosten te verwijzen, komt het billijk voor, elke partij in haar eigen kosten te verwijzen.