Hof van Justitie EU 09-12-1982 ECLI:EU:C:1982:425
Hof van Justitie EU 09-12-1982 ECLI:EU:C:1982:425
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 9 december 1982
Uitspraak
In zaak 82/82,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunale civile e penale te Florence, in het aldaar aanhangig geding tussen
Ditta Italgrani
enAdministratie van de Staatsfinanciën,
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. O'Keeffe, kamerpresident, G. Bosco en T. Koopmans, rechters,
advocaat-generaal: S. Rozès
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
het navolgende
ARREST
De feiten
De verwijzingsbeschikking, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-
EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
In november 1972 gaf de vennootschap Italgrani een partij tarwe uit Argentinië ten invoer aan bij de douane te Livorno. Op 8 november 1972 werd de aangifte ten invoer aanvaard, doch de waar werd bij gedeelten, gespreid over een zekere periode, ingeklaard, met andere woorden, in kleinere partijen die na aanvaarding van de aangifte ten invoer successievelijk werden uitgeslagen.
Bij de aanvankelijke vaststelling van de heffing paste de douane telkens het tarief toe dat gold op de dag waarop de goederen werkelijk werden uitgeslagen. Bij betalingsbevel van 11 juli 1977 vorderde de douane te Livorno vervolgens van Italgrani betaling van LIT 5 901 035 plus rente, wegens te weinig ontvangen invoerheffingen.
Ter motivering van deze navordering werd onder meer aangevoerd, dat het Hof van Justitie bij arrest van 15 juni 1976 (zaak 113/75, Frecassetti, Jurispr. 1976, blz. 983) had verklaard dat landbouwheffingen op eenvormige wijze moeten worden berekend volgens het tarief dat geldt op de dag waarop de aangifte ten invoer door de douane wordt aanvaard.
Bij exploit van 28 juli 1977 kwam Italgrani tegen deze naheffing in verzet en dagvaardde zij de Administratie der Staatsfinanciën voor het Tribunale te Florence, onder meer stellende dat het in het arrest-Frecassetti neergelegde beginsel niet kon worden toegepast in gevallen die geheel waren afgedaan.
Hangende deze procedure, trad verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 in werking, inzake navordering van de rechten bij invoeA of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB L 197 van 1997, blz. 1). Bij beschikking van 25 november 1981, ingeschreven ten Hove op 5 maart 1982, heeft het Tribunale te Florence het Hof enkele vragen gesteld over de uitlegging van deze verordening. Deze vragen luiden als volgt:
Zijn verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 en inzonderheid de artikelen 1, 2, lid 1, 5, lid 1, en 7, van toepassing, wanneer landbouwheffingen vóór 1 juli 1980 zijn vastgesteld op een lager bedrag dan wettelijk verschuldigd was, en wanneer vóór die datum invorderingsmaatregelen zijn genomen welker wettigheid in andere opzichten voor de nationale rechter wordt betwist?
Zo ja, wat betekent de uitdrukking ‚leiden zij een procedure in tot navordering’ in artikel 2, lid 1, betreffende gedeeltelijk niet-opgeëiste heffingen, indien uit de volgende alinea moet worden afgeleid, dat de procedure tot navordering, ingeleid vóór 1 juli 1980, doch na het verstrijken van de termijn van drie jaar na de datum van het administratieve besluit waarbij het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag werd vastgesteld, onwettig is?
Zo de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is artikel 5, lid 1, van toepassing, wanneer de vaststelling van landbouwheffingen op een lager bedrag dan wettelijk was verschuldigd, enerzijds gebaseerd was op nationale, later terzake niet toepasselijk verklaarde voorschriften, die ten tijde van de feiten echter steevast door de nationale administratie werden toegepast volgens de criteria vervat in ministeriële circulaires en instructies, en anderzijds in feitelijke overeenstemming was met de uitlegging door de bestuursorganen van de Gemeenschap en de nationale rechtspraak gegeven aan de gemeenschapsregeling, doch vervolgens afgewezen door het Hof?
Zo de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: is het bepaalde in artikel 7 van bovengenoemde verordening ook van toepassing op invorderingen na haar inwerkingtreding, betreffende navorderingen wegens vaststelling — vóór 1 juli 1980 en in de onder 3 beschreven omstandigheden — van lagere heffingen dan de wettelijk verschuldigde?”
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia, avvocato dello Stato, als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Prozillo, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij beschikking van 29 juni 1982 is de zaak krachtens artikel 95, paragrafen 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering naar de Eerste kamer verwezen.
II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
De regering van de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen merken op, dat de feiten in de onderhavige zaak identiek zijn aan die in de gevoegde zaken 212-217/80 (arrest van 12 november 1981, Salumi e. a., Jurispr. 1981, blz. 2735).
Zij verzoeken het Hof derhalve deze rechtspraak te bevestigen. De Commissie geeft het Hof in overweging, de eerste vraag van het Tribunale te Florence te beantwoorden als volgt:
„Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 is in haar geheel niet van toepassing op de vaststelling vóór 1 juli 1980 van rechten bij invoer of bij uitvoer.”
De andere vragen behoeven dan niet te worden beantwoord.
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 7 oktober 1982 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Prozillo als gemachtigde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 11 november 1982 conclusie genomen.
In rechte
1 Bij beschikking van 25 november 1981, ingekomen bij het Hof op 5 maart 1982, heeft het Tribunale civile e penale te Florence krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag het Hof vier prejudiciële vragen gesteld inzake de uitlegging van 's Raads verordening nr. 1697/79 van 24 juli 1979 inzake de navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB L 197 van 1979, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen de firma Italgrani en de Italiaanse Administratie van de Staatsfinanciën over een navordering van landbouwheffingen, welke de administratie voor 1 juli 1980, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1697/79, heeft doen uitgaan.
3 De betrokken firma heeft tegen deze navordering beroep ingesteld bij het Tribunale te Florence, dat besloot het geding te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen :
Zijn verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 en inzonderheid de artikelen 1, 2, lid 1, 5, lid 1, en 7, van toepassing, wanneer landbouwheffingen vóór 1 juli 1980 zijn vastgesteld op een lager bedrag dan wettelijk verschuldigd was, en wanneer vóór die datum invorderingsmaatregelen zijn genomen welker wettigheid in andere opzichten voor de nationale rechter wordt betwist?
Zo ja, wat betekent de uitdrukking, leiden zij een procedure in tot navordering’ in artikel 2, lid 1, betreffende gedeeltelijk niet-opgeëiste heffingen, indien uit de volgende alinea moet worden afgeleid, dat de procedure tot navordering, ingeleid vóór 1 juli 1980, doch na het verstrijken van de termijn van drie jaar na de datum van het administratieve besluit waarbij het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag werd vastgesteld, onwettig is?
Zo de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is artikel 5, lid 1, van toepassing, wanneer de vaststelling van landbouwheffingen op een lager bedrag dan wettelijk was verschuldigd, enerzijds gebaseerd was op nationale, later terzake niet toepasselijk verklaarde voorschriften, die ten tijde van de feiten echter steevast door de nationale administratie werden toegepast volgens de criteria vervat in ministeriële circulaires en instructies, en anderzijds in feitelijke overeenstemming was met de uitlegging door de bestuursorganen van de Gemeenschap en de nationale rechtspraak gegeven aan de gemeenschapsregeling, doch vervolgens afgewezen door het Hof?
Zo de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: is het bepaalde in artikel 7 van bovengenoemde verordening ook van toepassing op invorderingen na haar inwerkingtreding, betreffende navorderingen wegens vaststelling — vóór 1 juli 1980 en in de onder 3 beschreven omstandigheden — van lagere heffingen dan de wettelijk verschuldigde?”
4 De eerste en de vierde vraag komen zakelijk overeen met die welke het Corte suprema di cassazione in 1980 aan het Hof heeft gesteld en waarover het Hof in zijn arrest van 12 november 1981 (Salumi, 212-217/80, Jurispr. 1981, blz. 2735) uitspraak heeft gedaan.
5 In dit arrest kwam het Hof tot de slotsom dat verordening nr. 1697/79 slechts geldt voor invoer- of uitvoertransacties ten aanzien waarvan de rechten na 1 juli 1980 zijn vastgesteld.
6 Mitsdien moet op de eerste en de vierde vraag worden geantwoord, dat verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 niet geldt voor gevallen waarin de rechten bij invoer of bij uitvoer vóór 1 juli 1980 zijn vastgesteld.
7 De tweede en de derde vraag, die slechts zijn gesteld voor het geval het antwoord op de eerste vraag bevestigend zou luiden, behoeven dus niet te worden beantwoord.
Kosten
8 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de vragen, door het Tribunale civile e penale te Florence bij beschikking van 25 november 1981 gesteld, verklaart voor recht:
Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 geldt niet voor gevallen waarin de rechten bij invoer of bij uitvoer vóór 1 juli 1980 zijn vastgesteld.
O'Keeffe
Bosco
Koopmans
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 december 1982.
De griffier
P. Heim
De president van de Eerste kamer
A. O'Keeffe